5-2232/5

5-2232/5

Belgische Senaat

ZITTING 2013-2014

26 NOVEMBER 2013


Voorstel van bijzondere wet met betrekking tot de Zesde Staatshervorming (nr. 5-2232/1)

Voorstel van bijzondere wet tot wijziging van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen met het oog op een nieuwe bevoegdheidsverdeling inzake jeugdbescherming (nr. 5-540/1)

Voorstel van bijzondere wet tot wijziging van artikel 6 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen wat de spoorwegen betreft (nr. 5-747/1)

Voorstel van bijzondere wet tot wijziging van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen met het oog op de regionalisering van het handelsvestigingsbeleid (nr. 5-1107/1)

Voorstel van bijzondere wet tot wijziging van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen met betrekking tot de keuring van gegevensdragers (nr. 5-1262/1)

Voorstel van bijzondere wet tot wijziging van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen wat de buitenlandse handel betreft (nr. 5-1449/1)

Voorstel van bijzondere wet tot wijziging van artikel 5, § 1, II, 3º, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen in verband met de burgerschapsproef voorgeschreven met het oog op de naturalisatie van vreemdelingen (nr. 5-2116/1)

(Rapporteurs : de heren Moureaux en Claes)

Wetsvoorstel met betrekking tot de Zesde Staatshervorming inzake de aangelegenheden bedoeld in artikel 77 van de Grondwet (nr. 5-2233/1)

(Rapporteurs : de heren Deprez en Beke)

Wetsvoorstel met betrekking tot de Zesde Staatshervorming inzake de aangelegenheden bedoeld in artikel 78 van de Grondwet (nr. 5-2234/1)

Wetsvoorstel tot aanvulling van artikel 5 van de provinciewet met een bepaling over de taalkennis van de gouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad (nr. 5-1310/1)

(Rapporteurs : de heren Moureaux en Beke)

Voorstel tot herziening van artikel 5, tweede lid, van de Grondwet (nr. 5-2235/1)

(Rapporteurs : de heren Deprez en Beke)

Voorstel tot herziening van artikel 11bis van de Grondwet (nr. 5-2236/1)

(Rapporteurs : de heren Istasse en Beke)

Voorstel tot herziening van artikel 41 van de Grondwet (nr. 5-2237/1)

(Rapporteurs : de heren Deprez en Beke)

Voorstel tot herziening van artikel 162 van de Grondwet (nr. 5-2238/1)

(Rapporteurs : de heren Moureaux en Beke)

Voorstel tot herziening van artikel 170, § 3, van de Grondwet (nr. 5-2239/1)

(Rapporteurs : de heren Deprez en Beke)

Voorstel tot herziening van artikel 23 van de Grondwet om het recht op kinderbijslag te waarborgen (nr. 5-2240/1)

(Rapporteurs : de heren Moureaux en Beke)

Voorstel tot invoeging van een artikel 135bis in de Grondwet (nr. 5-2241/1)

(Rapporteurs : de heren Deprez en Beke)

Voorstel tot herziening van artikel 144 van de Grondwet (nr. 5-2242/1)

(Rapporteurs : de heren Bousetta en Beke)

Voorstel tot herziening van artikel 151, § 1, van de Grondwet (nr. 5-2243/1)

(Rapporteurs : de heren Deprez en Swennen)

Voorstel tot herziening van artikel 180 van de Grondwet (nr. 5-2244/1)

(Rapporteurs : de heren Moureaux en Vastersavendts)

Wetsvoorstel houdende oprichting van een Federale Deontologische Commissie (nr. 5-2245/1)

(Rapporteurs : de heren Bousetta en Swennen)


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE INSTITUTIONELE AANGELEGENHEDEN UITGEBRACHT DOOR

DE HEREN MOUREAUX EN CLAES


I. INLEIDING

Op 25 juli 2013 hebben acht senatoren van de institutionele meerderheid de wetsvoorstellen waarover dit verslag gaat ingediend, om het derde gedeelte van de staatshervorming ten uitvoer te leggen, zoals vooropgesteld in het Institutioneel akkoord voor de zesde staatshervorming van 11 oktober 2011.

Dat derde gedeelte behelst de overheveling van bevoegdheden van de Federale Staat naar de deelstaten.

De veertien voorstellen omvatten :

— tien voorstellen tot herziening van de Grondwet;

— een voorstel van bijzondere wet;

— drie gewone wetsvoorstellen, waarvan een houdende oprichting van een Federale deontologische commissie.

Het advies van de Raad van State werd gevraagd voor alle voorstellen van gewone en bijzondere wet.

Anderzijds heeft het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap, overeenkomstig artikel 78 van de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap, op 23 september 2013 een gemotiveerd advies gegeven over het wetsvoorstel met betrekking tot de Zesde Staatshervorming inzake de aangelegenheden bedoeld in artikel 77 van de Grondwet (zie advies als bijlage).

Overeenkomstig artikel 56-3, tweede lid, van het Reglement van de Senaat werd voor elk van de veertig bovenbedoelde voorstellen nagegaan of er geen andere voorstellen of ontwerpen met hetzelfde onderwerp bij de Senaat aanhangig waren. In voorkomend geval werden zij met het oog op hun gezamenlijk onderzoek mee op de agenda ingeschreven.

De commissie heeft de veertien vermelde voorstellen, alsook de bijgevoegde voorstellen onderzocht op haar vergaderingen van 5, 6, 8, 12, 13 en 18 november 2013. Ze werden ter stemming voorgelegd op de vergadering van 19 november.

Op elk van die vergaderingen was de regering vertegenwoordigd door de heer Servais Verherstraeten of de heer Melchior Wathelet, staatssecretarissen voor Staatshervorming.

Dit verslag werd ter goedkeuring aan de commissie overgelegd op 26 november 2013.

II. PROCEDURE

1. Aanwijzing van de rapporteurs

Het volgende voorstel wordt gedaan voor de aanwijzing van rapporteurs :

1. Voorstel van bijzondere wet met betrekking tot de Zesde Staatshervorming (nr. 5-2232/1-3) : de heren Philippe Moureaux en Dirk Claes;

2. Wetsvoorstel met betrekking tot de Zesde Staatshervorming inzake de aangelegenheden bedoeld in artikel 77 van de Grondwet (nr. 5-2233/1 en 2) : de heren Gérard Deprez en Wouter Beke;

3. Wetsvoorstel met betrekking tot de Zesde Staatshervorming inzake de aangelegenheden bedoeld in artikel 78 van de Grondwet (nr. 5-2234/1 en 2) : de heren Philippe Moureaux en Wouter Beke;

4. Voorstel tot herziening van artikel 5, tweede lid, van de Grondwet (nr. 5-2235/1) : de heren Gérard Deprez en Wouter Beke;

5. Voorstel tot herziening van artikel 11bis van de Grondwet (nr. 5-2236/1) : de heren Jean-François Istasse en Wouter Beke;

6. Voorstel tot herziening van artikel 41 van de Grondwet (nr. 5-2237/1) : de heren Gérard Deprez en Wouter Beke;

7. Voorstel tot herziening van artikel 162 van de Grondwet (nr. 5-2238/1) : de heren Philippe Moureaux en Wouter Beke;

8. Voorstel tot herziening van artikel 170, § 3, van de Grondwet (nr. 5-2239/1) : de heren Gérard Deprez en Wouter Beke;

9. Voorstel tot herziening van artikel 23 van de Grondwet om het recht op kinderbijslag te waarborgen(nr. 5-2240/1) : de heren Philippe Moureaux en Wouter Beke;

10. Voorstel tot invoeging van een artikel 135bis in de Grondwet (nr. 5-2241/1) : de heren Gerard Deprez en Wouter Beke;

11. Voorstel tot herziening van artikel 144 van de Grondwet (nr. 5-2242/1) : de heren Hassan Bousetta en Wouter Beke;

12. Voorstel tot herziening van artikel 151, § 1, van de Grondwet (nr. 5-2243/1) : de heren Gérard Deprez en Guy Swennen;

13. Voorstel tot herziening van artikel 180 van de Grondwet (nr. 5-2244/1) : de heren Philippe Moureaux en Yoeri Vastersavendts;

14. Wetsvoorstel houdende oprichting van een Federale Deontologische Commissie (nr. 5-2245/1 en 2) : de heren Hassan Bousetta en Guy Swennen.

De heer Ide vraagt dat leden van de oppositie ook kunnen worden aangewezen als verslaggever.

Het oorspronkelijke voorstel van aanwijzing van de rapporteurs wordt aangenomen met 11 tegen 3 stemmen.

2. Groepering van de voorstellen per thema

De groepering van de verschillende voorstellen per thema lijkt niet vanzelfsprekend. Het voorstel van « clustering » van de heer Ide wordt verworpen. De algemene bespreking zal betrekking hebben op het geheel van de voorstellen die op de agenda staan; vervolgens zal de commissie voorstel per voorstel bespreken.

3. Aanwezigheid van de bevoegde ministers

De heer Ide merkt op dat de bevoegdheidsoverdrachten betrekking hebben op talrijke verschillende aangelegenheden. Bijgevolg meent hij dat, tijdens de besprekingen, de bevoegde minister aanwezig moet zijn voor de aangelegenheid waarop de debatten betrekking hebben. Bijvoorbeeld, bij de bespreking van de bevoegdheidsoverdrachten inzake gezondheidszorg moet mevrouw Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, aanwezig zijn, om haar vragen te kunnen stellen over de praktische uitvoeringsbepalingen van de overdrachten, hun budgettaire impact enz.

De heer Anciaux antwoordt dat het logisch is dat de besprekingen worden gevoerd in aanwezigheid van één van de twee staatssecretarissen voor Staatshervorming. Indien de staatssecretaris tijdens de debatten meent dat de aanwezigheid van een bevoegde minister nuttig zou zijn voor een specifieke aangelegenheid, zal die minister worden uitgenodigd om deel te nemen aan de debatten. In elk geval, de staatssecretaris vertegenwoordigt de regering en antwoordt namens de regering.

De heer Laeremans dringt erop aan dat de kabinetten van de bevoegde minister minstens concrete antwoorden, eventueel met cijfers ter ondersteuning, bezorgen op precieze vragen van de leden.

4. Hoorzittingen

Het voorstel van de heer Laeremans om hoorzittingen te houden, wordt verworpen met 8 tegen 3 stemmen bij 1 onthouding.

III. INLEIDENDE UITEENZETTINGEN

1.a. VOORSTEL VAN BIJZONDERE WET MET BETREKKING TOT DE ZESDE STAATSHERVORMING (INGEDIEND DOOR DE HEREN WOUTER BEKE, PHILIPPE MAHOUX, BERT ANCIAUX, DE DAMES CHRISTINE DEFRAIGNE, MARTINE TAELMAN, DE HEER MARCEL CHERON, MEVROUW FREYA PIRYNS EN DE HEER FRANCIS DELPÉRÉE), NR. 5-2232/1

A. Algemene inleiding

Uiteenzetting van de heer Beke

Sinds 1970 heeft ons land vijf staatshervormingen gekend.

In 1970 werd ons land in vier taalgebieden ingedeeld en het principe van de culturele autonomie erkend en de gewestvorming werd vastgelegd. De eerste vier huidige artikelen van de Grondwet hebben toen vorm gekregen.

In 1980 kwam de tweede staatshervorming, en dit na de mislukte pogingen in de jaren zeventig met de voorlopige gewestvormingen en het Egmontpact. In 1980 worden de gewestraden voorlopig vastgelegd, de culturele autonomie vergroot, de mogelijkheid om eigen decreten uit te vaardigen met dezelfde rechtskracht als een nationale wet, de oprichting van een Arbitragehof, het toezicht op de lokale besturen. De gemeenschappen en gewesten kregen circa 10 % van de middelen toegewezen om een eigen beleid te kunnen voeren.

In 1988 werden de bevoegdheden verder uitgebreid met het onderwijs, werd de bevoegdheid van het Arbitragehof uitgebreid, werd een akkoord bereikt over het statuut van Brussel én een nieuwe financieringswet ingevoerd. De middelen van de deelstaten stegen van 10 % naar circa 23 %. De gemeenschappen en gewesten werden bevoegd voor 21,5 miljard aan uitgaven. Het federale niveau bleef bevoegd voor 32 miljard.

Bij de vierde staatshervorming van 1993 werd opnieuw een belangrijke stap in de staatshervorming gezet. In de Grondwet staat sindsdien dat België een Federale Staat is. De structuur van de Senaat werd aangepast, de deelstaten kregen nu een rechtstreeks te verkiezen Parlement. Zij kunnen in de toekomst eigen verdragen sluiten en krijgen bevoegdheden op het vlak van buitenlandse handel.

Bij de vijfde staatshervorming komen er nog enkele bevoegdheden bij zoals deze voor landbouw, buitenlandse handel en het toezicht op de ondergeschikte besturen.

Al deze staatshervormingen hebben het unitaire België omgevormd tot een Federale Staat. Telkens werd een grotere autonomie aan de deelgebieden toegekend met het doel een beter bestuur op alle beleidsniveaus mogelijk te maken.

De zesde staatshervorming versterkt verder de gemeenschappen en gewesten in ons land. Met meer dan 20 miljard aan bevoegdheden worden de deelstaten samen bevoegd voor 86 miljard aan middelen. De federale overheid blijft bevoegd voor 75 miljard. Hiermee wordt het zwaartepunt in besteding van middelen inderdaad verlegd.

Naast een overdracht van bevoegdheden houdt deze zesde staatshervorming ook een aantal belangrijke institutionele wijzigingen in :

— het kiesarrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde is gesplitst;

— de Senaat is hervormd tot een Senaat van de deelstaten;

— het gerechtelijk arrondissement is gesplitst in een eigen parket Halle-Vilvoorde en één in Brussel;

— er is een nieuwe financieringswet;

— er komen rechtstreekse vertegenwoordigingen van de deelstaten in tal van federale bestuursorganen;

— de koninklijke dotaties werden hervormd.

Sinds 1999 groeit het besef dat een nieuwe stap in de staatshervorming noodzakelijk is. In het Vlaams Parlement zijn er toen resoluties gestemd met de ambitie voor deze nieuwe stap.

— in de eerste resolutie die, gaat over de algemene uitgangspunten en doelstellingen van Vlaanderen inzake de volgende staatshervorming, wordt opgeroepen om te komen tot een overdracht van bevoegdheden die zorgt voor coherente bevoegdheidspakketten, meer financiële en fiscale autonomie, maar die ook beklemtoont dat de solidariteit behouden dient te blijven. We hevelen de ouderenzorg over, de kinderbijslag waardoor het volledige gezinsbeleid in de toekomst door de gemeenschappen kan bepaald worden. Door de overheveling van fiscale aftrekken van de woonbonus maar ook door de huurwetgeving wordt het hele huisvestingsbeleid een gewestelijke materie. Het volledige doelgroepenbeleid wordt overgeheveld, enz. Deze resolutie vroeg ook om meer constitutieve autonomie. Die wordt nu uitgebreid. En ten slotte vroeg deze resolutie om de Senaat op te bouwen op basis van de deelstaten. Dit behelst deze hervorming.

— in een tweede resolutie wordt meer concreet gevraagd naar meer fiscale autonomie. De nieuwe financieringswet zorgt voor meer autonomie, een sterkere responsabilisering, een grotere stabiliteit en behoudt een transparante solidariteit. De resolutie vraagt ook dat de globale budgettaire saneringsinspanningen gerespecteerd worden. Ook dit gebeurt in de nieuwe financieringswet. De tweede resolutie spreekt ook over de bijzondere financieringsnoden van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en over de noodzaak om voldoende middelen over te houden voor de uitoefening van de bevoegdheden van de federale overheid.

— in de derde resolutie die gaat over Brussel wordt opgeroepen om zich te houden aan de definitief vastgelegde grenzen van Brussel. Dat doen we : er is geen uitbreiding van Brussel gekomen, geen corridor. Wat de Vlamingen in Brussel betreft, keren we terug naar de bescherming van de Vlamingen zoals die vóór de Lombardakkoorden golden.

— in de vierde resolutie wordt opgeroepen om de overheveling te doen van het gezinsbeleid en een meer coherente bevoegdheidsverdeling om zelf een actief werkgelegenheidsbeleid te kunnen voeren. Beide kennen nu een uitvoering. Met betrekking tot het gezondheidsbeleid worden de deelstaten bevoegd voor de hulp aan personen met een handicap, de erkenningsnormen voor ziekenhuizen alsook de ziekenhuisinfrastructuur en de investeringskosten, het ouderenbeleid, de long-term care revalidatie, de geestelijke gezondheidszorg, de preventie, de organisatie van de eerstelijnsgezondheidszorg en de erkenning en subquota van de gezondheidszorgberoepen. Ook wat de interuniversitaire attractiepolen, het participatiefonds, enz., betreft worden de regio's bevoegd zoals in deze resolutie wordt gevraagd.

— in de laatste resolutie wordt onder andere gevraagd dat de deelstaten mee bevoegd worden voor het justitiebeleid. De deelstaten zullen in de toekomst mee bevoegd worden voor de bepaling en coördinatie van het vervolgingsbeleid. Het justitieel welzijnsbeleid komt over naar de deelstaten zoals gevraagd.

Met deze zesde staatshervorming wordt dus grotendeels tegemoet gekomen aan de Vlaamse resoluties zoals veertien jaar geleden gevraagd.

En dit alles zonder in te gaan op resoluties zoals gestemd in andere parlementen of eisen op andere plaatsen geuit : geen invoering van een federale kieskring, geen ratificering van Minderhedenverdrag, geen invoering van tweetalige lijsten, geen voorafgaande benoeming van de burgemeesters in de faciliteitengemeenten die weigeren zich te voegen naar de taalwetgeving.

Het Institutioneel akkoord voor de Zesde Staatshervorming van 11 oktober 2011 heeft tot doel een efficiëntere Federale Staat en een grotere autonomie voor de deelstaten te bewerkstelligen en voorziet in een groot aantal beleidsdomeinen bevoegdheden over te dragen naar de gemeenschappen en de gewesten.

Dit voorstel van bijzondere wet geeft hieraan uitvoering door bevoegdheden voor een totale omvang van om en bij 20 miljard euro over te dragen naar de deelstaten. Het gaat om een gigantische hoeveelheid aan bevoegdheden zoals collega Jambon in « De zevende dag » van 20 oktober jl. heeft gezegd.

Deze zesde staatshervorming laat doe dat de deelstaten van wieg tot het graf het leven van de mensen zullen kunnen bepalen : van de geboortepremie tot de rusthuizen.

De gemeenschappen krijgen bijkomende bevoegdheden inzake gezondheidszorg en hulp aan personen, meer bepaald inzake :

— de hulp aan personen met een handicap;

— de erkenningsnormen voor de ziekenhuizen alsook de ziekenhuisinfrastructuur en investeringskosten;

— het ouderenbeleid;

— de long-term care revalidatie;

— de geestelijke gezondheidszorg;

— preventie;

— de organisatie van de eerstelijnsgezondheidszorg;

— de erkenning en subquota van de gezondheidszorgberoepen.

Inzake justitie, wordt het jeugdsanctierecht een gemeenschapsaangelegenheid, wordt aan de deelstaten in het kader van het vervolgingsbeleid een positief injunctierecht toegekend en worden de justitiehuizen overgedragen naar de gemeenschappen.

Ook de kinderbijslag, de geboortepremies en de adoptiepremies worden overgedragen naar de gemeenschappen. In Brussel zal de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie bevoegd zijn. De Duitstalige Gemeenschap wordt eveneens bevoegd voor de kinderbijslag, de geboortepremies en de adoptiepremies.

Het Institutioneel akkoord voor de Zesde Staatshervorming van 11 oktober 2011 voorziet in een uitbreiding van de bevoegdheden van de deelstaten met betrekking tot de arbeidsmarkt. Deze uitbreiding strekt ertoe sommige van de aspecten van de organisatie en het beleid inzake de arbeidsmarkt over te dragen waarvoor de deelstaten nog niet bevoegd waren.

Zo worden de deelstaten bevoegd inzake :

— de controle op de beschikbaarheid,

— de vrijstellingen van beschikbaarheid in geval van studiehervatting of het volgen van een beroepsopleiding;

— het doelgroepenbeleid;

— arbeidsbemiddeling;

— het betaald educatief verlof en industrieel leerlingwezen;

— loopbaanonderbreking in de openbare sector;

— economische migratie;

— de startbaanovereenkomsten en een reeks andere programma's, zoals deze inzake de sociale economie worden eveneens overgedragen.

— Inzake het openbaar ambt, krijgen de deelstaten, door een aanpassing van de bijzondere wet op de hervorming der instellingen, de bevoegdheid over het administratief en geldelijk statuut van hun ambtenarenkorps en worden ze bevoegd om de uitzendarbeid in hun respectieve overheidsdiensten en lokale besturen toe te staan.

Verder worden inzake telecommunicatie, filmkeuring, energie en leefmilieu, huisvesting, landbouwbeleid, economisch en industrieel beleid, de provincies, dierenwelzijn, mobiliteit en verkeersveiligheid, onteigening en aankoopcomités, openbaar ambt, biculturele aangelegenheden van gewestelijk belang en de veiligheid in Brussel vanaf 1 juli 2014 de bevoegdheden van, naar gelang van het geval, de gemeenschappen en de gewesten uitgebreid. Verder zal het toezicht op het principe van de federale loyauteit aan het Grondwettelijk Hof worden toevertrouwd.

B. Bespreking van de bevoegdheidsoverdrachten per materie

1. Gezondheidszorg en hulp aan personen

Uiteenzetting van de heer Beke

Deze overdrachten worden geregeld door artikel 6, artikel 8 en artikel 42, 4º, artikel 44 en artikel 52, 2º, van dit voorstel.

De bevoegdheden die worden overgedragen, betreffen:

— de hulp aan personen met een handicap;

— de erkenningsnormen voor ziekenhuizen alsook de ziekenhuisinfrastructuur en investeringskosten;

— het ouderenbeleid;

— de long-term care revalidatie;

— de geestelijke gezondheidszorg;

— de preventie;

— de organisatie van de eerstelijnsgezondheidszorg;

— de erkenning en subquota van de gezondheidszorgberoepen.

a. Inzake de hulp aan personen met een handicap

De gemeenschappen waren, op twee uitzonderingen na, reeds bevoegd voor het gehele beleid inzake de hulp aan personen met een handicap. Tot op heden is de federale overheid op grond van het federale bevoegdheidsvoorbehoud inzake sociale zekerheid evenwel nog bevoegd gebleven voor de mobiliteitshulpmiddelen. De federale overheid is eveneens bevoegd gebleven voor de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden.

Het voorstel strekt ertoe deze twee zaken over te dragen aan de gemeenschappen, met name de « mobiliteitshulpmiddelen » en de « tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden » (THAB). In Brussel zal de THAB overgedragen worden naar de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie (GGC).

Via deze bevoegdheidsoverdracht, wordt het beleid inzake personen met een handicap aldus gehomogeniseerd.

Inzake mobiliteitshulpmiddelen en de tegemoetkomingen voor hulp aan bejaarden beschikken de gemeenschappen voortaan over de volledige wetgevings-, uitvoerings-, controle- en financieringsbevoegdheid.

De bedragen die overeenstemmen met de financiële middelen die momenteel federaal worden ingezet binnen de ziekte- en invaliditeitsverzekering voor de mobiliteitshulpmiddelen worden mee overgedragen.

Wat de mobiliteitshulpmiddelen betreft, heeft de bevoegdheid onder meer betrekking op de volledige nomenclatuur met betrekking tot de mobiliteitshulpmiddelen, het bepalen van de toekenningsvoorwaarden en het bedrag van de tegemoetkomingen, het uitbetalen van de tegemoetkomingen, de volledige organisatie en het overleg met de bandagisten en de Technische Raad Rolstoelen evenals de evaluatie van de aanvragen. Wat de tegemoetkoming voor de hulp aan bejaarden betreft, heeft de bevoegdheid onder meer betrekking op het bepalen van de toekenningsvoorwaarden en het bedrag van de tegemoetkomingen, het uitbetalen van de tegemoetkomingen en de volledige organisatie.

b. De gemeenschappen krijgen ook bijkomende bevoegdheden inzake de ziekenhuizen, namelijk wat betreft de erkenningsnormen en ziekenhuisinfrastructuur/investeringskosten

a) Dit voorstel voorziet erin dat de gemeenschappen, naast de bestaande bevoegdheden, voortaan bevoegd zijn om de normen te definiëren waaraan de ziekenhuizen en de diensten (met inbegrip van de psychiatrische ziekenhuizen en de PAAZ), de zorgprogramma's, ziekenhuisdiensten, enz., moeten beantwoorden om erkend te worden. Hiertoe wordt de uitzondering onder f) van artikel 5, § 1, I, 1º, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 opgeheven.

Elk voorontwerp of voorstel van decreet, elk amendement op een ontwerp of voorstel van decreet, evenals ieder ontwerp van besluit van een gemeenschap met als doel om de erkenningsnormen van ziekenhuizen, ziekenhuisdiensten, zorgprogramma's en ziekenhuisfuncties vast te leggen, dient voor verslag te worden voorgelegd aan de algemene vergadering van het Rekenhof zodat het de gevolgen kan evalueren op korte en lange termijn op de begroting van de federaal overheid en van de sociale zekerheid.

Het voorontwerp, ontwerp, voorstel of amendement wordt ook overgemaakt aan de federale regering evenals aan alle gemeenschapsregeringen.

Na verplicht advies te hebben ingewonnen van het Rijksinstituut voor ziekte en invaliditeitsverzekering (RIZIV) en de bevoegde administratie van de betrokken gemeenschap en na, in voorkomend geval, het facultatief advies te hebben ingewonnen van het Federaal Kenniscentrum voor de gezondheidszorg, brengt de algemene vergadering van het Rekenhof binnen de twee maanden na de ontvangst van het voorontwerp, het voorstel, het amendement of het ontwerp een omstandig verslag uit met betrekking tot de gevolgen van deze normen, op korte en lange termijn, op de begroting van de federale overheid en van de sociale zekerheid. Deze termijn kan met één maand worden verlengd.

Dit verslag wordt meegedeeld door het Rekenhof aan de aanvrager van het verslag, aan de federale regering en aan alle gemeenschapsregeringen.

Indien het verslag stelt dat de aanpassing van deze normen, op korte of lange termijn, een negatieve impact heeft voor de begroting van de federale overheid en van de sociale zekerheid, zal een overleg plaatsvinden tussen de federale regering en de gemeenschapsregeringen op vraag van de federale regering of de betrokken gemeenschapsregering. Indien dit overleg niet tot een akkoord leidt, zullen de normen onderworpen worden aan het akkoord van de federaal bevoegde ministers of aan het akkoord van de Ministerraad indien één van zijn leden de evocatie van het dossier vraagt.

Indien het verslag niet wordt gegeven binnen de termijn van twee maanden, verlengd met één maand, kan het overleg zoals bepaald in het vorige lid plaatsvinden op initiatief van de betrokken gemeenschapsregering of de federale regering.

Het Rekenhof stelt elk jaar een omstandig verslag op dat betrekking heeft op de weerslag, tijdens het vorige begrotingsjaar, van de van kracht zijnde erkenningsnormen van de gemeenschap op de begroting van de federale overheid en van de sociale zekerheid. Dit verslag wordt meegedeeld aan de federale regering en aan de gemeenschapsregeringen.

b) Dit voorstel wijzigt ook de bevoegdheid inzake de financiering van de ziekenhuizen met inbegrip van de psychiatrische ziekenhuizen en de PAAZ.

De gemeenschappen zijn vandaag al gedeeltelijk bevoegd voor werken in de ziekenhuisgebouwen. Ze zullen de bevoegdheid inzake de bouw- en renovatiewerken en groot onderhoud van de ziekenhuisinfrastructuren krijgen, zodat ze voor een goed onderhoud van hun ziekenhuizen kunnen zorgen en beslissen in welk ziekenhuis eerst een dringende renovatie nodig is.

Hiertoe wordt de uitzondering bepaald in artikel 5, § 1, I, 1º, e), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 opgeheven en het punt a) aangepast.

Deze bevoegdheid omvat de onderdelen A1 en A3 van het ziekenhuisbudget. De bestanddelen waarvan de kost door onderdeel A1 van het budget wordt gedekt, zijn :

1º de afschrijving van de lasten van opbouw;

2º de afschrijving van de lasten van uitrusting en apparatuur;

3º de afschrijving van de lasten van grote onderhoudswerken, meer bepaald van belangrijke herstellings- en onderhoudswerken, al dan niet periodiek;

4º de afschrijving van de lasten voor herconditioneringswerken, meer bepaald grote verbouwingen die de structuur van het gebouw niet wijzigen — zoals, onder andere, de wijziging van de bestemming van de plaatsen of de verandering van de aard of configuratie binnen de bestaande structuur — en die geen nieuwbouw, noch een uitbreiding van bestaande gebouwen zijn;

5º de afschrijving van de lasten voor investeringen in het kader van duurzame ontwikkeling;

6º de afschrijving van de lasten voor de aankoop van rollend materieel;

7º de afschrijving van de lasten voor een eerste inrichting;

8º de financiële lasten, meer bepaald de lasten van leningen aangegaan ter financiering van de hierboven vermelde investeringen;

9º de aanloopkosten.

De lasten voor het huren van gebouwen worden gelijkgesteld met afschrijvingen.

Onderdeel A3 van het budget dekt de investeringslasten van de medisch-technische diensten en dit zowel voor de uitrusting als voor de gebouwen waarin deze worden geïnstalleerd. Onder medisch-technische diensten wordt vandaag begrepen : de magnetische-resonantie-tomograaf met geïntegreerd elektronisch telsysteem, de radiotherapiedienst en de scanners met positronemissie.

c. Ook het ouderenbeleid en de geestelijke gezondheidszorg worden overgedragen naar de gemeenschappen

Wat betreft het ouderenbeleid, wordt de volledige bevoegdheid (met inbegrip van de prijsbepaling voor de bewoners) inzake rust- en verzorgingstehuizen, rustoorden voor bejaarden, centra voor dagverzorging en centra voor kortverblijf integraal aan de gemeenschappen worden overgedragen.

Ook de geïsoleerde G-diensten (revalidatie van geriatrische patiënten) en Sp-diensten (gespecialiseerde dienst voor behandeling en revalidatie) zullen integraal aan de gemeenschappen worden overgedragen.

Inzake de geestelijke gezondheidszorg worden de overlegplatforms geestelijke gezondheidszorg aan de gemeenschappen overgedragen. Daarnaast wordt ook de volledige bevoegdheid (met inbegrip van de prijsbepaling) inzake de psychiatrische verzorgingstehuizen (PVT) en de initiatieven Beschut Wonen (BeWo) naar de gemeenschappen overgeheveld.

Voor de toepassing van het voorstel wordt er een onderscheid gemaakt tussen enerzijds « zorgverstrekkingen in en buiten de verplegingsinrichtingen » waarvoor de uitzonderingen op de gemeenschapsbevoegdheid die worden voorzien in de bijzondere wet van 8 augustus 1980 van toepassing blijven door de wijzigingen die hierna worden aangebracht, en anderzijds « de zorgverstrekkingen inzake geestelijke gezondheidszorg buiten de context van het ziekenhuismilieu, de zorgverstrekkingen in oudereninstellingen, de geïsoleerde geriatriediensten en de geïsoleerde Sp-diensten » waarvoor de gemeenschappen volledig bevoegd worden (inclusief de prijsbepaling voor de bewoners), met uitzondering van datgene wat behoort tot de ziekte- en invaliditeitsverzekering, welke een federale bevoegdheid blijft. De akten die momenteel worden vergoed via de nomenclatuur, zullen ook na de zesde staatshervorming worden betaald door de federale overheid.

Onder « het beleid betreffende de verstrekkingen inzake geestelijke gezondheidszorg in de verplegingsinrichtingen buiten de context van de ziekenhuizen », verstaat men « de psychiatrische verzorgingstehuizen (PVT), de initiatieven van beschut wonen (IBW) en de overlegplatforms geestelijke gezondheidszorg ». De psychiatrische ziekenhuizen en de psychiatrische afdelingen van algemene ziekenhuizen (PAAZ) dienen als ziekenhuizen te worden beschouwd. Deze zijn bijgevolg ook onderworpen aan de regels die van toepassing zijn op de ziekenhuizen. De geestelijke gezondheidszorg door toedoen van thuisverpleging maakt geen deel uit van de politiek van zorgverstrekkingen inzake geestelijke gezondheidszorg in instellingen buiten het ziekenhuis.

Onder « oudereninstelling », verstaat men « de rustoorden voor bejaarden, de rust- en verzorgingstehuizen, de dagverzorgingscentra en de centra voor kortverblijf ».

d. De gemeenschappen worden daarnaast bevoegd voor de long term care-revalidatie

Onder « long term care-revalidatie » wordt verstaan : « de niet acute of post-acute zorg die op multidisciplinaire wijze wordt verstrekt, ongeacht de instelling waar deze zorgen worden verstrekt in het kader van de interactie ouders-kinderen, in het kader van mentale-, sensoriële-, verslavings-, stem- en spraakstoornissen, voor hersenverlamden, in het kader van kinderen met respiratoire en neurologische aandoeningen, evenals de niet acute of post-acute zorg die op multidisciplinaire wijze wordt verstrekt wat betreft motorische stoornissen buiten algemene en universitaire ziekenhuizen en ziekenhuizen waar tegelijkertijd chirurgische en geneeskundige verstrekkingen verricht worden exclusief voor kinderen of voor de behandeling van tumoren ».

De in de memorie van toelichting opgenomen lijst van « long term care »-revalidatieovereenkomsten bevat enkel die overeenkomsten die vandaag bestaan. De toekomstige initiatieven, ressorterend onder de definitie van « long term care »-revalidatie, behoren tot de bevoegdheid van de gemeenschappen.

De gemeenschappen treden wat de bestaande « long term care »-revalidatieovereenkomsten betreft vanaf de inwerkingtreding van de bevoegdheidsoverdracht in de rechten en plichten van het RIZIV, wat aldus betekent dat zij de lopende contracten overnemen.

Samen met deze bevoegdheidsoverdracht worden deze revalidatieovereenkomsten volledig uit de federale ziekte- en invaliditeitsverzekering gehaald. De bijbehorende middelen worden overgeheveld via een dotatie aan de gemeenschappen zodat de gemeenschappen deze voortaan zelf kunnen financieren.

De overige revalidatieovereenkomsten (met name de niet « long term care »-revalidatie) behoren nog tot de federale bevoegdheid inzake ziekte- en invaliditeitsverzekering.

e. Verder strekt het voorstel ertoe de gemeenschapsbevoegdheid inzake de gezondheidsopvoeding alsook de activiteiten en diensten op het vlak van preventieve gezondheidszorg te homogeniseren

De gemeenschappen beschikken nu reeds over een algemene bevoegdheid voor de gezondheidsopvoeding alsook de activiteiten en diensten op het vlak van de preventieve gezondheidszorg, met uitzondering van de nationale maatregelen inzake profylaxis. We moeten echter vaststellen dat de federale overheid thans maatregelen neemt in het kader van preventieve gezondheidszorg.

Onder meer op basis van haar residuaire bevoegdheid inzake volksgezondheid heeft de federale overheid de federale preventie-initiatieven genomen inzake vaccinatiecampagnes, screeningscampagnes, het nationaal voedings- en gezondheidsplan (NVGP), mondhygiëne in scholen, tabaksontwenning en het fonds ter bestrijding van verslavingen.

De federale overheid zal deze preventie-initiatieven niet voortzetten. De federale overheid en de gewesten zullen in de toekomst geen nieuwe dergelijke preventie-initiatieven kunnen invoeren op grond van welke bevoegdheid dan ook.

De middelen die momenteel federaal worden ingezet voor preventie worden overgedragen, alsook het Fonds ter bestrijding van verslavingen.

Als de preventie-initiatieven van de gemeenschappen de medewerking vragen van zorgverstrekkers door middel van terugbetaalde prestaties (bijvoorbeeld screeningshonoraria of het honorarium voor het toedienen van een vaccin) kunnen deze prestaties vanuit de ziekte- en invaliditeitsverzekering worden gehonoreerd. Deze terugbetaling kan op asymmetrische wijze met het RIZIV worden overeengekomen.

f. Organisatie van de eerstelijnsgezondheidszorg

De ondersteuning van de gezondheidsberoepen van de eerste lijn en de organisatie van de eerstelijnsgezondheidszorg zullen aan de gemeenschappen worden overgedragen.

Onder « organisatie van de eerstelijnsgezondheidszorg en de ondersteuning van de gezondheidszorgberoepen van de eerste lijn » verstaat men de infrastructurele en organisatorische omkadering van het gezondheidszorgniveau buiten acute ziekenhuizen waar professionele hulpverleners zich toeleggen op de eerste deskundige opvang en de begeleiding van gezondheidsproblemen die de patiënt ervaart zelf niet te kunnen oplossen. Zo worden de gemeenschappen bijvoorbeeld bevoegd voor de regels met betrekking tot de huisartsenkringen die de wachtdiensten organiseren, het Impulsfonds voor de huisartsgeneeskunde, de financiering van de huisartsenkringen, de lokaal multidisciplinaire netwerken, de geïntegreerde diensten thuisverzorging, de preventieacties door tandartsen en de geneeskundige commissies.

De gemeenschappen worden eveneens bevoegd voor de palliatieve samenwerkingsverbanden en de palliatieve multidisciplinaire team.

Een bedrag dat overeenstemt met het budget dat hier thans aan wordt besteed door de ziekte- en invaliditeitsverzekering wordt telkens mee overgeheveld naar de gemeenschappen.

De gemeenschappen kunnen ook nieuwe instrumenten ontwikkelen voor de ondersteuning van de gezondheidszorgberoepen van de eerste lijn.

De federale overheid blijft bevoegd voor de ziekte- en invaliditeitsverzekering. Op deze wijze wordt interpersoonlijke solidariteit gewaarborgd op het vlak van de gezondheidszorg.

g. Het voorstel strekt er verder toe om de bestaande bevoegdheidsverdeling voor de gezondheidszorgberoepen op twee punten te wijzigen

Het regelen van de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen is tot op heden tot de residuaire bevoegdheid van de federale overheid blijven behoren.

Dit voorstel wijzigt de bestaande bevoegdheidsverdeling inzake de gezondheidsberoepen specifiek op twee punten en dit onverminderd de overige wijzigingen die dit voorstel aanbrengt aan de bevoegdheidsverdeling.

a) In de eerste plaats voorziet dit voorstel erin dat de gemeenschappen bevoegd zijn voor de erkenning van de zorgverstrekkers.

De federale overheid blijft evenwel bevoegd om de voorwaarden voor de erkenning van zorgverstrekkers te bepalen die voor geheel België gelijk zijn en om te bepalen of de prestaties van deze zorgverleners aanleiding geven tot een tegemoetkoming uit de ziekte- en invaliditeitsverzekering.

b) Op de tweede plaats voorziet dit voorstel erin dat de gemeenschappen voortaan bevoegd zijn om de subquota te bepalen voor het dragen van een bijzondere beroepstitel of een bijzondere beroepsbekwaamheid. Op deze wijze kunnen de gemeenschappen een eigen planning voeren inzake het medisch aanbod dat afgestemd is op de noden van hun gemeenschap en wordt het gezondheidsbeleid aldus gehomogeniseerd. De federale overheid blijft bevoegd om het globaal aantal maximum kandidaten te bepalen dat jaarlijks toegang heeft tot elk van de gezondheidszorgberoepen. Binnen dit aantal kunnen de gemeenschappen subquota's vastleggen per specialiteit. De federale overheid blijft evenwel bevoegd om te bepalen of de prestaties van deze zorgverleners aanleiding geven tot een tegemoetkoming uit de ziekte- en invaliditeitsverzekering.

h. Tot slot voorziet artikel 44 van dit voorstel ook in de overdracht van de bevoegdheid inzake de zogenaamde « maximumfactuur » naar de gemeenschappen

Vandaag worden de volgende remgelden, waarvan de bevoegdheid in de toekomst zal worden overgedragen naar de deelstaten, in aanmerking genomen in de federale « maximumfactuur » (MAF) :

— het persoonlijk aandeel van de dagprijs van de geïsoleerde G- en Sp ziekenhuizen;

— het persoonlijk aandeel van de dagprijs van bepaalde revalidatieinstellingen (niet in alle instellingen is er een persoonlijk aandeel).

Gelijktijdig met de reeds vermelde bevoegdheidsoverdrachten, zullen de middelen die betrekking hebben op deze remgelden, zoals deze worden vergoed in het kader van de MAF, worden overgedragen.

Om de continuïteit en de budgettaire neutraliteit voor de patiënt te waarborgen, zullen de gemeenschappen en de GGC, gedurende een overgangsperiode en enkel indien zij dit wensen, een beroep kunnen blijven doen op de federale overheid om, tegen vergoeding, de hierboven genoemde prestaties, geplafonneerd tot de geïndexeerde geldende bedragen en voor zover de prestatie vergelijkbaar blijft met die van vandaag, te blijven integreren in de federale MAF-teller.

Elke gemeenschap (de GGC in Brussel) zal kunnen afzien van deze dienst, voor zover ze de federale overheid hiervan minstens tien maanden vooraf in kennis stelt.

Na 31 december 2019 veronderstelt de verderzetting van het systeem het sluiten van een, eventueel asymmetrisch, samenwerkingsakkoord tussen de federale overheid en de entiteiten die hieraan wensen te blijven deelnemen.

i. In het akkoord voor de Zesde Staatshervorming wordt ook nog expliciet melding gemaakt van de « federale kerntaken ». Men verwijst daarbij naar de « interpersoonlijke solidariteit » welke inhoudt dat er een gelijke toegang is voor allen tot de terugbetaalde gezondheidszorg, waarbij de vrije keuze van de patiënt gegarandeerd wordt, conform het Europese principe van vrij verkeer van personen. De patiënt zal eenzelfde bedrag betalen voor eenzelfde product of prestatie, ongeacht waar in België hij deze gezondheidszorg geniet.

Om dat te waarborgen is het de federale overheid die de voogdij over het RIZIV uitoefent.

De federale overheid blijft tevens bevoegd voor het crisisbeleid wanneer een acute pandemie dringende maatregelen vereist.

j. Wat de uitoefening van de gemeenschapsbevoegdheden in Brussel betreft

Wat de uitoefening van de gemeenschapsbevoegdheden in Brussel betreft, geldt de bevoegdheidsverdeling zoals deze vervat zit in de artikelen 128, § 2, en 135, van de Grondwet. Krachtens artikel 128, § 2, van de Grondwet hebben de Vlaamse en de Franse Gemeenschap in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad de decretale bevoegdheid ten aanzien van de instellingen die, wegens hun organisatie, moeten worden beschouwd uitsluitend te behoren tot de ene of de andere gemeenschap.

In zoverre de bevoegdheden — wat personen betreft — verplichtingen of rechten op een tegemoetkoming of toelage inhouden, of in de mate dat het om bicommunautaire instellingen gaat, zal in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie (GGC) de bevoegde overheid zijn.

k. Samenwerkingsakkoorden

Over een aantal aangelegenheden zal een samenwerkingsakkoord, naargelang van het geval, kunnen of moeten worden gesloten :

— een eerste aangelegenheid wat dat betreft is de oprichting van een permanente en interfederale ontmoetingsplaats in de vorm van een instituut met als doelstelling een overlegd antwoord te geven op de grote, onder meer budgettaire, uitdagingen met betrekking tot de toekomst van de gezondheidszorg (vergrijzing, knelpuntberoepen in dat domein, technologische ontwikkeling, maatschappelijke ontwikkelingen, leefmilieuaandoeningen, enz.);

— het beheer en het gebruik van eHealth alsook het ten dienste stellen van de kennis- en informatieoverdracht; het principe daarbij is een wederzijdse en onvoorwaardelijke verplichting tot uitwisseling van beschikbare informatie met respect voor de rechten van de patiënt en de wet voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Bijgevolg zullen de federale overheid en de deelstaten eHealth cofinancieren;

— de contingenteringsmodaliteiten van de gezondheidszorgberoepen, met name het uitwisselen van gegevens dienaangaande;

— de aanpassings- en evaluatiemodaliteiten van het koninklijk besluit nr. 78;

— de wijze waarop het Federaal Kenniscentrum voor de gezondheidszorg (KCE) wordt bestuurd en gefinancierd.

Wat de naleving van de internationale verplichtingen in verband met het gezondheidsbeleid betreft, is het principe dat de federale overheid het noodzakelijk overleg organiseert op dit punt wanneer nog niets is voorzien in de bestaande overlegstructuren (COORMULTI). In elk geval zal men waken over de doelmatigheid van het bestaande overleg in de COORMULTI.

De federale overheid organiseert een overleg met de deelstaten voordat zij sociale akkoorden voor de gezondheidszorgberoepen in de zogenaamde « federale sectoren » afsluit (en, insgelijks, overleggen de deelstaten vooraf met de federale overheid). De wijze waarop dit overleg georganiseerd wordt, zal worden bepaald in het kader van de bevoegde interministeriële conferentie.

Tot slot kan opgemerkt worden dat dit luik met bevoegdheidsoverdrachten op het vlak van de gezondheidszorg en de hulp aan personen uiteraard in samenhang gelezen moet worden met het voorgestelde artikel 18, a), volgens hetwelk de gemeenschappen en gewesten bevoegd zijn voor de regeling van de prijzen inzake de bevoegdheden die hun toekomen. Zo zijn de gemeenschappen ook bevoegd voor de prijsbepaling voor bewoners van rustoorden voor bejaarden, van rust- en verzorgingstehuizen, van centra voor dagverzorging, van centra voor kort verblijf, en van geïsoleerde G-diensten en Sp-diensten.

2. Justitie

Uiteenzetting van mevrouw Taelman

In het kader van de Zesde Staatshervorming wordt het jeugdsanctierecht een gemeenschapsaangelegenheid, wordt aan de deelstaten in het kader van het vervolgingsbeleid een positief injunctierecht toegekend en worden de justitiehuizen overgedragen naar de gemeenschappen.

Dit wetsvoorstel dient, wat deze aangelegenheden betreft, te worden gelezen met het wetsvoorstel met betrekking tot de Zesde Staatshervorming inzake de aangelegenheden bedoeld in artikel 77 van de Grondwet, en de voorstellen tot herziening van de artikelen 144 en 151 van de Grondwet die eveneens ingediend zijn in de Senaat.

Artikel 9, artikel 10, artikel 11, artikel 28, a), artikel 37 en artikel 42, 7º en 8º, van dit voorstel strekken ertoe de diverse institutionele hervormingen inzake justitie uit te voeren.

a. Jeugdsanctierecht

Vandaag genieten de gemeenschappen, zoals het Grondwettelijk Hof heeft herhaald, « de volheid van bevoegdheid tot het regelen van de jeugdbescherming in de ruimste zin van het woord, behalve voor de uitdrukkelijk vermelde uitzonderingen ».

Een van deze uitzonderingen is de « opgave van de maatregelen die kunnen worden genomen ten aanzien van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd ».

Dit voorstel van bijzondere wet heeft tot doel om de bevoegdheidsverdeling inzake jeugdbescherming te wijzigen. Het draagt aan de gemeenschappen de bevoegdheid over om de maatregelen te bepalen die kunnen worden genomen ten aanzien van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd.

In Brussel zal het de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, die reeds bevoegd is voor het regelen van de verplichte hulpverlening die van toepassing is op jongeren in ernstige moeilijkheden, toekomen de bindende maatregelen te bepalen die kunnen worden genomen ten aanzien van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd.

De gemeenschappen en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie krijgen de volledige bevoegdheid om ter zake specifieke regels uit te vaardigen. Ze zullen aldus de aard van de maatregelen die genomen worden ten aanzien van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, kunnen bepalen. Naast de maatregelen inzake opleiding, responsabilisering en resocialisatie van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, vallen ook de maatregelen om de openbare veiligheid te garanderen door de maatschappij te beschermen tegen minderjarige delinquenten onder het toepassingsgebied van artikel 5, § 1, II, 6º, d), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. De aldus bevoegde overheden zullen in dit verband de hogere normen die deze aangelegenheid regelen, moeten naleven, zoals artikel 22bis van de Grondwet, dat bepaalt dat het belang van het kind steeds voorop moet staan bij elke beslissing die dat kind betreft, de artikelen 3 en 40 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind en artikel 14, § 4, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. De gemeenschappen en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie dienen bij het uitoefenen van hun bevoegdheid uiteraard de bevoegdheden die federaal blijven, te respecteren.

Ze krijgen ook de bevoegdheid om de hiërarchie tussen die maatregelen te bepalen. Bovendien zullen de gemeenschappen en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie bevoegd worden voor het bepalen van de criteria die voor de keuze van de te bevelen maatregelen in acht moeten worden genomen.

Tot slot zullen ze de maatregelen zelf kunnen bepalen die kunnen worden genomen ten aanzien van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, waarbij deze maatregelen dienen te worden geïnterpreteerd als de sociale reactie ten opzichte van de delinquentie, van welke instantie of overheid ze ook uitgaan (parket, rechter/rechtbank). De gemeenschappen en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie zullen derhalve nieuwe maatregelen kunnen bepalen die voorzien in de opheffing, aanvulling, wijziging, of vervanging van de huidige bestaande maatregelen, zoals de maatregelen van bewaring, behoeding en opvoeding, het herstelrechtelijk aanbod van bemiddeling en herstelgericht groepsoverleg of de ouderstage.

Met het oog op optimale coherentie inzake jeugdbescherming zal het territoriaal aanknopingscriterium en het bevoegdheidscriterium van de rechtbank identiek zijn. Ten slotte blijft de federale wetgever bevoegd voor het bepalen van de procedureregels voor de jeugdrechtbanken, zoals onder meer de manier om een zaak in te leiden of de termijn waarbinnen ze moeten worden ingediend.

Desalniettemin kunnen, krachtens artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, « de decreten rechtsbepalingen bevatten in aangelegenheden waarvoor de parlementen niet bevoegd zijn, voor zover die bepalingen noodzakelijk zijn voor de uitoefening van hun bevoegdheid ». Hetzelfde geldt voor de ordonnanties van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie.

De uitvoering van de maatregelen die kunnen worden genomen ten aanzien van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, daarin begrepen de omkadering van die maatregelen en de infrastructuur waarbinnen ze worden uitgevoerd, blijft een gemeenschapsbevoegdheid (die zal worden uitgebreid naar de federale gesloten centra). De Federale Staat blijft bevoegd voor de voorlopige hechtenis en de uitvoering van straffen die zijn uitgesproken ten aanzien van jongeren die het voorwerp hebben uitgemaakt van uithandengevingsmaatregelen. De gemeenschappen zijn bevoegd voor het beheer van de gesloten centra en om te bepalen of de jongere geplaatst moet worden in een dergelijk gesloten gemeenschapscentrum of in een andere gesloten gemeenschapsinstelling. Enkel de uit handen gegevenen jongeren jonger dan drieëntwintig jaar worden in gesloten centra geplaatst. Artikel 606 van het Wetboek van strafvordering blijft derhalve tot de bevoegdheid van de Federale Staat behoren. Zoals de Raad van State in het verleden reeds meermaals heeft gesteld, kan de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie bij het uitoefenen van haar bevoegdheden een beroep doen op de diensten van de Vlaamse of de Franse Gemeenschap of van instellingen die afhangen van of erkend zijn door die gemeenschappen mits vooraf een samenwerkingsakkoord met de gemeenschappen gesloten is.

Ten slotte wordt, gelet op de net genoemde bevoegdheidsoverdracht inzake het jeugdsanctierecht, het thans bij de bijzondere wet voorziene overleg tussen de gemeenschappen en de Federale Staat betreffende « de opgave en de opvolging van de maatregelen die kunnen worden genomen ten aanzien van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd », opgeheven.

Het spreekt voor zich dat de Federale Staat, de gemeenschappen en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie echter een beroep zullen doen op de verschillende samenwerkingsvormen als voorzien bij de wetten tot hervorming der instellingen (samenwerkingsakkoorden, interministeriële conferenties, enz.) teneinde een goede toepassing te verzekeren van hun respectief beleid.

b. Inzake het vervolgingsbeleid geeft dit voorstel van bijzondere wet ook de uitvoering aan het voorstel tot herziening van artikel 151, § 1, van de Grondwet, dat gelijktijdig werd ingediend in het Parlement

Daartoe worden in een nieuw artikel 11bis van de bijzondere wet van 1980 de uitoefeningsmodaliteiten van het positief injunctierecht van de gemeenschappen en de gewesten vastgesteld. De afgevaardigde minister van de deelstaat zal zijn aanvraag aan de federale minister van Justitie bezorgen, die de aanvraag zonder verwijl zal laten uitvoeren. De minister wordt daartoe aangesteld door de regering van de bevoegde gemeenschap of het bevoegde gewest bij de opmaak van de taakverdeling in zijn schoot. Bijgevolg behoort het positief injunctierecht tot de bevoegdheden van deze minister. Hij richt zijn vraag tot de federale minister van Justitie nadat een beslissing in die zin werd genomen binnen de regering waar hij deel van uitmaakt. Hij motiveert deze vraag vanuit de eigen bevoegdheden van de deelstaat door de bepaling in het decreet of de ordonnantie te specifiëren die voorziet in de inbreuk die hij op grond van zijn positief injunctierecht wenst te vervolgen. De federale minister van Justitie oefent een marginale legaliteitscontrole uit door na te gaan of deze voorwaarde is vervuld. De federale minister van Justitie beveelt de vervolging zonder verwijl door de vraag over te maken aan het parket.

Deze nieuwe bepaling voorziet er eveneens in dat, voor de aangelegenheden die onder hun bevoegdheid vallen, de gemeenschaps- en gewestregeringen, elk wat hen betreft, deelnemen aan het uitwerken van de bindende richtlijnen van het strafrechtelijk beleid, inclusief die van het opsporings- en vervolgingsbeleid, alsook aan de kadernota Integrale Veiligheid en het Nationaal Veiligheidsplan.

Ze voorziet er tot slot in dat de regeringen van de gemeenschappen en de gewesten, wat betreft de materies die behoren tot hun bevoegdheden, deelnemen aan de vergaderingen van het college van procureurs-generaal, hierin begrepen voor de prioritisering van de richtlijnen van het strafrechterlijk beleid in het algemeen, met dien verstande dat elk zich uitspreekt met betrekking tot de eigen bevoegdheden.

De Federale Staat, de gemeenschappen en de gewesten sluiten in elk geval een samenwerkingsakkoord om de modaliteiten met betrekking tot de in artikel 11bis, tweede en derde lid, bedoelde aangelegenheden nader te regelen. Dit samenwerkingsakkoord betreffende het strafrechtelijk en het veiligheidsbeleid werd inmiddels goedgekeurd op het Overlegcomité van 18 september jongstleden. Het samenwerkingsakkoord bepaalt onder meer de procedure die moet leiden tot het nemen van bindende richtlijnen inzake strafrechtelijk beleid (met inbegrip van de prioritisering in het algemeen), inclusief het opsporings- en vervolgingsbeleid en de richtsnoeren inzake veiligheid in de materies die onder de bevoegdheden van de gemeenschappen en de gewesten vallen, alsmede het formaliseren van de deelname van de gemeenschappen en de gewesten aan de vergaderingen van het college van procureurs-generaal.

De deelname van de gewesten en de gemeenschappen, wat hun bevoegdheden betreft, past in een globaal coherent strafrechtelijk beleid, waarbinnen de efficiëntie van het preventie- en vervolgingsbeleid vooropstaat ongeacht of het de federale bevoegdheden, enerzijds, en de bevoegdheden van de gewesten en de gemeenschappen, anderzijds, betreft.

c. Justitiehuizen

Dit voorstel van bijzondere wet draagt aan de gemeenschappen de volledige bevoegdheid over om eigen regels uit te vaardigen inzake de organisatie en de werking van de justitiehuizen, alsmede om hun opdrachten toe te kennen binnen hun bevoegdheden. Dit voorstel vertrouwt evenzeer de volledige bevoegdheid toe aan de gemeenschappen inzake de uitvoering van de opdrachten die aan de justitiehuizen worden toevertrouwd.

Zodoende kunnen ze de structuren bepalen waarbinnen deze opdrachten worden uitgevoerd.

Bovendien zullen ze alle regels kunnen bepalen die betrekking hebben op de leiding, de samenstelling en, binnen de grenzen van hun territoriale bevoegdheden, van het ressort van de justitiehuizen, alsook de interne structuur en werking ervan. De werking van het secretariaat van de probatiecommissie wordt eveneens overgeheveld naar de gemeenschappen.

Naast de ter beschikking gestelde financiële middelen voor de werking van het directoraat-generaal van de justitiehuizen, worden ook de subsidies die momenteel toegekend worden door het directoraat-generaal van de justitiehuizen overgedragen aan de gemeenschappen.

De gemeenschappen zullen ook eigen opdrachten kunnen toekennen aan de justitiehuizen in de aangelegenheden die onder hun materiële bevoegdheden vallen. Op die manier zullen ze bijvoorbeeld de slachtofferhulpdiensten van de gemeenschappen kunnen fuseren met de opvangdienst voor slachtoffers binnen de justitiehuizen en zodoende bevoegdheden inzake slachtofferhulp aan die laatste toekennen, of omgekeerd, de huidige opdrachten van de justitiehuizen op het vlak van slachtofferopvang toekennen aan de slachtofferhulpdiensten van de gemeenschappen.

De Federale Staat blijft echter bevoegd voor de procedure die van toepassing is voor de rechtbanken, alsook voor de uitvoering van de gerechtelijke beslissingen en voor de strafuitvoering.

De justitiehuizen, die in het kader van hun burgerlijke en strafrechtelijke opdrachten instaan voor de uitvoering van deze onderzoeken en deze controles of opleidingen, oefenen onontbeerlijke opdrachten uit voor de federale bevoegdheidsuitoefening. Het is dus noodzakelijk dat de opdrachten die hun op dit ogenblik zijn toegekend door de Federale Staat in het kader van de gerechtelijke procedure of van de uitvoering van de gerechtelijke beslissingen, verder worden uitgeoefend door de justitiehuizen, die voortaan evenwel zullen afhangen van de gemeenschappen.

Dat is de reden waarom, door de bevoegdheid voor de organisatie van de justitiehuizen aan de gemeenschappen toe te kennen, met inbegrip van de bevoegdheid om deze in organieke zin af te schaffen, dit voorstel van bijzondere wet evenwel niet tot doel heeft de gemeenschappen te machtigen de justitiehuizen in functionele zin eenzijdig af te schaffen, met name de door hen geleverde diensten te schrappen. De gemeenschappen zullen hun bevoegdheid moeten uitoefenen met respect voor het evenredigheidsbeginsel, wat veronderstelt dat ze geen organisatie- of werkingsregels zullen kunnen vaststellen die de uitoefening door de Federale Staat van zijn eigen bevoegdheden onmogelijk of overdreven moeilijk zouden maken.

Om dezelfde redenen behoudt dit voorstel van bijzondere wet de bevoegdheid van de Federale Staat om de opdrachten te bepalen die de justitiehuizen uitoefenen in het kader van de gerechtelijke procedure of van de uitvoering van de gerechtelijke beslissingen, met inbegrip van hun sensibiliserings- en ondersteuningsopdrachten.

De federale overheid en de betrokken gemeenschappen sluiten een samenwerkingsakkoord inzake de uitoefening van de opdrachten die door de federale overheid zijn toevertrouwd aan de justitiehuizen over alle aspecten van de samenwerking, zowel naar kwaliteit, capaciteit en budgettaire implicaties, als inzake onder meer de organisatie van de overlegstructuren tussen de vertegenwoordigers van de opdrachtgevende overheden en van de justitiehuizen. Dit samenwerkingsakkoord werd inmiddels goedgekeurd door het Overlegcomité op 18 september jongstleden.

Dit akkoord moet ervoor zorgen dat de kwaliteit van de huidige dienstverlening door de justitiehuizen behouden blijft.

Voortaan zullen de Nederlandstalige en de Franstalige afdeling van het justitiehuis van Brussel afhankelijk zijn van respectievelijk de Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap. Het zijn immers instellingen die gevestigd zijn binnen het tweetalige Brusselse Hoofdstedelijke Gewest die, wegens hun organisatie, moeten worden beschouwd als exclusief behorend tot respectievelijk de Vlaamse en de Franse Gemeenschap.

Het justitiehuis van Eupen zal deel uitmaken van de Duitstalige Gemeenschap.

Het Nationaal Centrum voor elektronisch toezicht wordt eveneens overgeheveld naar de gemeenschappen.

Ten slotte draagt dit voorstel van bijzondere wet aan de gemeenschappen de normatieve bevoegdheid inzake juridische eerstelijnsbijstand over. Met « juridische eerstelijnsbijstand » wordt bedoeld « de juridische bijstand die verleend wordt in de vorm van praktische inlichtingen, juridische informatie, een eerste juridisch advies of de verwijzing naar een gespecialiseerde instantie of organisatie » georganiseerd door de commissies voor juridische bijstand of door erkende organisaties voor juridische bijstand.

De Federale Staat blijft niettemin bevoegd wat de juridische tweedelijnsbijstand betreft.

3. Gezinsbijslagen

Uiteenzetting van de heer Beke

Het Institutioneel Akkoord voor de Zesde Staatshervorming van 11 oktober 2011 voorziet in de « overheveling van de kinderbijslag, de geboortepremies en de adoptiepremies naar de gemeenschappen. In Brussel zal de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie (GGC) bevoegd zijn, met uitsluiting van de twee gemeenschappen ». De Duitstalige Gemeenschap wordt eveneens bevoegd voor de kinderbijslag, de geboortepremies en de adoptiepremies.

Artikel 128, § 1, van de Grondwet bepaalt dat de parlementen van de Vlaamse en de Franse Gemeenschap, elk voor zich, bij decreet de persoonsgebonden aangelegenheden regelen, en dat een wet, aangenomen met de in artikel 4, laatste lid, bepaalde meerderheid, de persoonsgebonden aangelegenheden vastlegt.

Het onderhavige voorstel neemt de gezinsbijslagen op in de lijst met persoonsgebonden aangelegenheden. Bij de voorbereidende werkzaamheden van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 werd inderdaad bepaald dat de kinderbijslag een tak van de sociale zekerheid is en dus niet onder het in artikel 5, § 1, II, 1º, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 bedoelde gezinsbeleid valt.

Artikel 128, § 2, van de Grondwet bepaalt dat de decreten van de Parlementen van de Vlaamse en de Franse Gemeenschap « respectievelijk kracht van wet hebben in het Nederlandse taalgebied en in het Franse taalgebied, alsmede, tenzij wanneer een wet aangenomen met de in artikel 4, laatste lid, bepaalde meerderheid er anders over beschikt, ten aanzien van de instellingen gevestigd in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad die, wegens hun organisatie, moeten worden beschouwd uitsluitend te behoren tot de ene of de andere gemeenschap ». In toepassing van deze grondwettelijke bepaling en in overeenstemming met het institutioneel akkoord bepaalt de onderhavige bijzondere wet dat de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie (GGC) uitsluitend bevoegd is voor de gezinsbijslag op het grondgebied van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad. De gemeenschappen zullen geen enkele bevoegdheid uitoefenen op het grondgebied van het tweetalige Brusselse Hoofdstedelijke Gewest inzake de gezinsbijslagen.

Dit houdt in dat de twee gemeenschappen, zelfs via instellingen die, wegens hun organisatie, moeten worden beschouwd uitsluitend te behoren tot de ene of de andere gemeenschap, geen gezinsbijslagen, geboortepremies en adoptiepremies, of uitkeringen van dezelfde aard als de gezinsbijslagen, zullen kunnen toekennen.

Het voorstel strekt ertoe de gezinsbijslagen over te dragen van het federale niveau naar de gemeenschappen en de GGC. Behoudens deze bevoegdheidsoverdracht, beïnvloedt het voorstel de bestaande regels ter verdeling van de materiële en territoriale bevoegdheden tussen de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten niet en beïnvloedt het de draagwijdte ervan niet.

Voor zover de GGC op het grondgebied van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad uitsluitend bevoegd zal zijn voor de kinderbijslag, enerzijds, en het onderhavige voorstel er geenszins toe strekt de bevoegdheid van de gemeenschappen voor het overige te wijzigen, anderzijds, zal de respectievelijke territoriale bevoegdheid van de gemeenschappen en van de GGC verschillen naargelang die betrekking heeft op de bevoegdheid inzake gezinsbijslagen of op de overige gemeenschapsbevoegdheden in de persoonsgebonden aangelegenheden. Daarom maakt de bevoegdheid inzake gezinsbijslagen het voorwerp uit van een apart punt in dit voorstel van bijzondere wet.

De toekenning van gezinsbijslagen strekt ertoe bij te dragen in de kosten van onderhoud en opvoeding van de kinderen. Ze biedt een gedeeltelijke compensatie voor de toegenomen lasten die door het gezin worden gedragen wanneer het zich uitbreidt. De gemeenschappen en de GGC zullen volledig bevoegd zijn om hun beleid in deze aangelegenheid te bepalen en uit te voeren.

De bevoegdheid inzake gezinsbijslagen omvat de volledige bevoegdheid voor zowel de kinderbijslag als de geboortepremies en de adoptiepremies. Ze omvat de gehele kinderbijslagregeling voor werknemers, zelfstandigen en overheidspersoneel (met inbegrip van het personeel dat afhangt van de federale overheid en de diensten of instellingen die hiervan afhangen), alsook de gewaarborgde kinderbijslagregeling. Het betreft zowel de bevoegdheid voor de gewone kinderbijslag als voor de toeslagen.

De gemeenschappen en de GGC beschikken ter zake over de volledige wetgevings-, uitvoerings-, en controlebevoegdheid. De gemeenschappen zijn onder meer volledig bevoegd voor het bepalen van het toepassingsgebied, de rechthebbenden die het recht op kinderbijslag openen, de rechtgevende kinderen, de bijslagtrekkenden, het bedrag van de kinderbijslag, het ontstaan en behoud van het recht op kinderbijslag, de betaling van de kinderbijslag en het administratief beheer. Ze kunnen de bestaande regelgeving, elk wat hen betreft, opheffen, aanvullen, wijzigen of vervangen.

Die bevoegdheid zal uiteraard met naleving van de hogere normen (met inbegrip van de internationale normen) worden uitgeoefend en onder meer van artikel 23 van de Grondwet, dat bepaalt dat, opdat ieder het recht zou hebben een menswaardig leven te leiden, de wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten waarborgen, waaronder het recht op kinderbijslag, en waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen.

Zo zouden de gemeenschappen en de GGC er bijvoorbeeld kunnen voor opteren om de bestaande kinderbijslagreglementering te hervormen, zodat het recht op kinderbijslag niet langer afhangt van een beroepsactiviteit, een vorige beroepsactiviteit of een sociale situatie.

De overdracht van de materie van de kinderbijslag brengt daarentegen niet de overdracht met zich mee van de bevoegdheid om de socialezekerheidsbijdragen vast te leggen, wat een federale bevoegdheid blijft.

Het wetsvoorstel tot wijziging van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten bepaalt immers dat de middelen die aan de gemeenschappen worden toegekend, verhoogd zullen worden ten belope van de bedragen die, vóór de bevoegdheidsoverdracht, thans door de overheid en de socialezekerheidsinstellingen voor de toekenning van gezinsbijslagen worden besteed, met daarin begrepen de beheerskosten. De gemeenschappen en de GGC beschikken over de volledige autonomie voor de bestemming van de hun toegekende budgetten.

Het is mogelijk dat een situatie een aanknopingspunt heeft met meerdere taalgebieden. Op grond van artikel 128, § 2, van de Grondwet kan elk van de bevoegde entiteiten het lokalisatiecriterium of de lokalisatiecriteria bepalen.

De woonplaats van het kind is het lokalisatiecriterium dat overeenstemt met het voorwerp, de aard en het doel van het recht op kinderbijslag. Dit criterium verhindert uiteraard niet dat de gemeenschappen en de GGC autonoom beslissen over het beleid dat zij ten uitvoer willen leggen om het recht op kinderbijslag te garanderen als vastgesteld in artikel 23 van de Grondwet, en onder meer te beslissen of dit een recht van het kind is of van zijn ouder(s).

Het « natuurlijke » lokalisatiecriterium belet uiteraard ook niet dat bij het omschrijven van het toepassingsgebied rekening wordt gehouden met rechtsfeiten die buiten het Belgische grondgebied plaatsvinden, in het bijzonder met als doel om rekening te houden met internationale verplichtingen.

De gemeenschappen en de GGC zijn eveneens bevoegd voor het administratief beheer en de uitbetaling van de gezinsbijslagen.

Teneinde de continuïteit te waarborgen, zullen de gemeenschappen en de GGC tijdens een overgangsperiode die uiterlijk zal duren tot 31 december 2019 desgewenst een beroep kunnen doen op de huidige betalingsinstellingen om, tegen betaling, het administratief beheer en de uitbetaling van de gezinsbijslagen te blijven verzekeren. Deze betalingsmodaliteiten maken het voorwerp uit van het voorstel van bijzondere wet tot hervorming van de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, tot uitbreiding van de fiscale autonomie van de gewesten en tot financiering van de nieuwe bevoegdheden.

Gedurende deze overgangsperiode zullen de bestaande instellingen (RKW, RSZPPO, de kinderbijslagkassen, de sociale verzekeringskassen, de overheden die de kinderbijslag uitbetalen al dan niet samen met de wedde, enz.) het verlenen en de uitbetaling van de bijslagen verderzetten, ongeacht de woonplaats van respectievelijk de rechthebbende, van de bijslagtrekkende en van het kind.

Een gemeenschap of de GGC kan evenwel, elk wat haar betreft, beslissen om het administratief beheer en de uitbetaling van de gezinsbijslagen eerder te verzekeren door haarzelf of door instellingen die zij opricht of erkent. Vooraleer de gemeenschappen en de GGC zelf instaan voor het administratief beheer en de betaling van de gezinsbijslagen, kunnen ze geen enkele wijziging in werking laten treden die betrekking heeft op de essentiële elementen van de modaliteiten van dit administratief beheer en van deze uitbetaling of aan de regels ten gronde die een significante impact hebben op het administratief beheer of de betaling van de gezinsbijslagen.

Deze bepaling strekt ertoe te verhinderen dat de gemeenschappen of de GGC essentiële wijzigingen zouden aanbrengen aan de bestaande regels inzake administratief beheer en de uitbetaling van de gezinsbijslagen die een onevenredige financiële of administratieve last met zich zouden meebrengen voor de federale overheid. Indien de gemeenschappen en de GGC essentiële wijzigingen wensen aan te brengen, dienen zij zelf in te staan voor het administratief beheer en de uitbetaling van de gezinsbijslagen.

Vanaf de inwerkingtreding van onderhavige wet kunnen de gemeenschappen en de GGC aldus, elk voor zich, regels ten gronde uitvaardigen of regels die betrekking hebben op het administratief beheer en de uitbetaling, met dien verstande dat de regels die betrekking hebben op de essentiële elementen van de modaliteiten van dit administratief beheer en van deze uitbetaling of aan de regels ten gronde die een significante impact hebben op het administratief beheer of de betaling van de gezinsbijslagen ten vroegste in werking kunnen treden op het ogenblik dat de betrokken gemeenschap of de GGC zelf instaat voor het administratief beheer en de betaling van de gezinsbijslagen.

Vanaf de inwerkingtreding van onderhavige wet is de federale overheid niet langer bevoegd om wijzigingen aan te brengen.

Om te vermijden dat tussen de inwerkingtreding van onderhavige wet en het ogenblik dat alle gemeenschappen en de GGC zelf instaan voor het administratief beheer, en dus uiterlijk op 1 januari 2020, een bevoegdheidsvacuüm zou ontstaan waarbij noch de federale overheid, noch de gemeenschappen noch de GGC bevoegd zouden zijn om wijzigingen aan te brengen aan de essentiële elementen van de modaliteiten van het administratief beheer en van deze uitbetaling of aan de regels ten gronde die een significante impact hebben op het administratief beheer of de betaling van de gezinsbijslagen, voorziet het voorstel erin dat dergelijke wijzigingen gedurende de vermelde periode kunnen worden gewijzigd door de gemeenschappen en de GGC gezamenlijk via een samenwerkingsakkoord. Deze wijzigingen zijn van toepassing ten aanzien van de gemeenschappen en de GGC die nog niet instaan voor het administratief beheer en de uitbetaling.

De bedragen van de gezinsbijslagen kunnen vanaf de inwerkingtreding van onderhavige wet worden gewijzigd door een gemeenschap of door de GGC.

De gemeenschappen en de GGC worden, vanaf de publicatie van de huidige wet met een raadgevende stem en gedurende de overgangsperiode met een beslissende stem, betrokken bij het beheer van de gezinsbijslagen.

Om de continuïteit eveneens te garanderen en om dubbele betalingen of een onderbreking van de betalingen van de gezinsbijslagen te vermijden, zullen de gemeenschappen en de GGC een samenwerkingsakkoord sluiten over de uitwisseling van gegevens of de centralisering ervan. Gedurende de overgangsperiode is de federale overheid eveneens partij bij het samenwerkingsakkoord.

Zolang het vermelde samenwerkingsakkoord niet afgesloten is, zal de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers aldus blijven instaan voor het administratief beheer van het zogenaamde « kadaster van de gezinsbijslagen ».

Indien de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers op het einde van de overgangsperiode nog zou instaan voor het administratief beheer van de uitwisseling en de centralisering van de gegevens, zal een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad kunnen bepalen welke overheidsinstelling het administratief beheer van de uitwisseling en de centralisering van de gegevens verderzet.

4. Arbeidsmarkt

Uiteenzetting van de heer Anciaux

De overdrachten van bevoegdheden inzake het arbeidsmarktbeleid worden geregeld door artikel 4, artikel 7, artikel 22, artikel 42, 5º, en artikel 48, van het voorstel van bijzondere wet met betrekking tot de Zesde Staatshervorming.

De regels die tot het arbeidsrecht en de sociale zekerheid behoren blijven federaal, evenals de voorzieningen voor sociaal overleg en het loonbeleid. Zo blijft het instrument van de collectieve arbeidsovereenkomst bijvoorbeeld een federale bevoegdheid.

a. De programma's voor de arbeidsmarktbegeleiding van rechthebbenden op het leefloon en het equivalent leefloon

Voorgesteld wordt om de programma's voor arbeidsmarktbegeleiding verstrekt door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (OCMW's) als onderdeel van het tewerkstellingsbeleid over te dragen naar de gewesten.

De gewesten zijn, wat het tewerkstellingsbeleid betreft, onder meer reeds bevoegd voor de arbeidsbemiddeling en de programma's voor wedertewerkstelling van de niet-werkende werkzoekenden met uitsluiting van een aantal opgesomde programma's. De programma's voor arbeidsmarktbegeleiding verstrekt door de OCMW's, zijn evenwel tot de bevoegdheid van de federale overheid blijven behoren.

De gewesten worden bevoegd voor de programma's voor arbeidsmarktbegeleiding van rechthebbenden op het leefloon en het equivalent leefloon.

Zij worden ook bevoegd om de categorieën gebruikers vast te stellen waaraan rechthebbenden op een leefloon en het equivalent leefloon ter beschikking kunnen worden gesteld.

Het recht op maatschappelijke integratie, dat de vorm van een leefloon of een tewerkstelling kan aannemen, blijft federaal.

b. De economische migratie

De gewesten worden bevoegd voor de tewerkstelling van buitenlandse arbeidskrachten, met uitzondering van de normen betreffende de arbeidskaart afgeleverd in functie van de specifieke verblijfssituatie van de betrokken personen en de vrijstellingen van beroepskaarten verbonden aan de specifieke verblijfssituatie van de betrokken personen.

Het voorstel voorziet in de regionalisering van de arbeidskaarten A en B, alsook van de beroepskaart voor zelfstandigen met inbegrip van de hiermee verbonden vrijstellingen. Dit betekent dat de gewesten bevoegd zijn voor de regelgeving, de toepassing, de controle en de handhaving ervan.

Wat de arbeidskaart C betreft, wijzigt het voorstel niets aan de bestaande bevoegdheidsverdeling.

De gewesten moeten hun bevoegdheid inzake de arbeidskaart A en B en inzake de beroepskaarten uitoefenen met inachtneming van de Belgische Economische Unie wat het bestaan van vrij verkeer van personen (dat het vrije verkeer van werknemers en het vrij vestigingsrecht omvat), goederen, diensten en kapitalen tussen de gewesten impliceert.

Tot slot wordt uitdrukkelijk bevestigd dat de Vlaamse, Franse en Duitstalige Gemeenschap, op grond van hun onderwijsbevoegdheid bedoeld in de artikelen 127 en 130 van de Grondwet, bevoegd zijn om de toegang te regelen van buitenlandse studenten tot het onderwijs binnen de taalgebieden waarvoor ze bevoegd zijn. Op grond hiervan en binnen deze territoriale grenzen zijn zij bijvoorbeeld exclusief bevoegd om een systeem van studiekaarten in te voeren, hetzij ter uitvoering van Europese regels, hetzij op eigen initiatief. De Federale Staat blijft bevoegd voor de toegang tot het grondgebied en de toekenning van het verblijfsrecht.

c. De controle op de beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt van werklozen

Voorgesteld wordt om de controle op de beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt van werklozen als onderdeel van het tewerkstellingsbeleid over te dragen naar de gewesten.

De gewesten verwerven de volledige beslissings- en uitvoeringsbevoegdheid om de actieve en passieve beschikbaarheid van werklozen te controleren en de daarbij horende sancties op te leggen. De gewesten beschikken voortaan over de bevoegdheid om autonoom te onderzoeken, te controleren en te beslissen of een werkloze beschikbaar is voor de arbeidsmarkt en om de bijbehorende sancties op te leggen.

De federale overheid (in casu de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening) is bijgevolg niet langer bevoegd om te onderzoeken, te controleren en te beslissen of een werkloze beschikbaar is voor de arbeidsmarkt en om de bijbehorende sancties op te leggen.

De passieve beschikbaarheid betreft de controle op de naleving, door de werklozen, van de verplichtingen die hen worden opgelegd door de artikelen 51, 56 en 58, van het voornoemde koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende reglementering van de werkloosheidsreglementering.

De actieve beschikbaarheid omvat de controle op het zoekgedrag van de betrokkene.

De federale overheid blijft bevoegd om te beslissen of een werkloze voldoet aan de voorwaarden die geen betrekking hebben op de actieve en passieve beschikbaarheid van werklozen, zoals zwartwerk, fraude inzake domicilie, de cumulatie van een werkloosheidsuitkering met een loon of een uitkering.

Het Gewest spreekt formeel de sanctie uit, motiveert ze en verdedigt ze in rechte. De federale overheid moet worden ingelicht van het beroep om, in voorkomend geval, te kunnen tussenkomen in de zaak.

De sanctie moet in overeenstemming zijn met het federaal normatief kader. De federale overheid voert vervolgens de sanctie materieel uit.

Het Gewest kan de uitoefening van zijn bevoegdheid inzake de controle op de actieve beschikbaarheid (met inbegrip van het opleggen van de sanctie, de formalisering ervan en de verdediging in rechte) delegeren aan de federale overheid (RVA) tegen betaling, mits de gewestregering en de Federale Staat voorafgaandelijk een overeenkomst sluiten om de kost van deze dienst te bepalen.

d. Vrijstellingen van beschikbaarheid in geval van studiehervatting of het volgen van een beroepsopleiding

Het voorstel voorziet dat de gewesten bevoegd worden om de vrijstellingen van beschikbaarheid te bepalen voor de arbeidsmarkt in geval van studiehervatting, het volgen van een beroepsopleiding of een stage. De andere gevallen van vrijstellingen behoren tot de federale bevoegdheid.

De gewesten kunnen autonoom bepalen welke studies, beroepsopleidingen en stages een uitkeringsgerechtigde werkloze met behoud van zijn uitkeringen kan aanvatten en welke soort werkzoekende voor deze maatregel in aanmerking kan komen.

De federale overheid is dus niet langer bevoegd om vrijstellingen te regelen in geval van studiehervatting of het volgen van een beroepsopleiding. De gewesten kunnen deze regelingen opheffen, aanvullen, wijzigen of vervangen. Ze kunnen bepalen welke categorieën van personen in aanmerking komen voor een vrijstelling van beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt en de voorwaarden hiertoe.

De gewesten bepalen de categorieën van rechthebbende werkzoekenden op eensluidend advies van de federale Ministerraad.

De gewesten nemen formeel de beslissing tot vrijstelling.

De overige vrijstellingen blijven tot de bevoegdheid van de federale overheid behoren, zoals bijvoorbeeld de vrijstelling voor oudere werklozen en de vrijstelling voor sociale en familiale redenen.

De werkloze die door de gewesten vrijgesteld wordt van beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt, blijft de federale uitkering(en) genieten.

De gewesten worden geresponsabiliseerd wanneer het aantal vrijgestelde dagen een bepaalde drempel overschrijdt. Deze financiële responsabilisering van het gewest wordt geregeld in het voorstel tot wijziging van de bijzondere financieringswet, ingediend in de Kamer van volksvertegenwoordigers.

e. Het doelgroepenbeleid

Deze bevoegdheid moet ruim uitgelegd worden.

Ten eerste worden een aantal programma's overgedragen aan de gewesten.

De gewesten zullen daarnaast bevoegd worden om de verminderingen van sociale bijdragen voor doelgroepen te regelen en om de activering van de werkloosheidsuitkeringen te regelen. De bevoegdheid voor structurele RSZ-verminderingen, bepaalde verminderingen van sociale bijdragen en de vrijstelling van het doorstorten van de bedrijfsvoorheffing, blijft federaal.

De gewesten krijgen de volle bestedingsautonomie voor de overgehevelde budgetten. Ze kunnen het overgehevelde budget (met inbegrip van de eventuele overschotten) naar goeddunken gebruiken voor verschillende vormen van arbeidsmarktbegeleiding in de brede zin (maatregelen inzake loonkosten, opleiding en begeleiding van werkzoekenden, tewerkstellingsprogramma's, enz.). Zij dienen ook beroep te blijven doen op de Rijksdienst voor sociale zekerheid (RSZ) en Rijksdienst voor sociale zekerheid van de Provinciale en Plaatselijke Overheidsdiensten (RSZPPO) voor de vermindering van bijdragen en op de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening (RVA) en de POD Maatschappelijke Integratie voor de activering van werkloosheidsuitkeringen. Deze vier organen blijven instaan voor de uitvoering van deze maatregelen.

a) Verminderingen van de werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid

De gewesten kunnen verminderingen van de werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid toekennen voor doelgroepen. Het gaat om verminderingen van de werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid die vastgesteld worden in functie van de eigen kenmerken van de werknemers.

Deze verminderingen mogen niet als doel of gevolg hebben dat ze een concurrentietool tussen de gewesten in het leven roepen. Het gaat om maatregelen met als doel het nadeel van een groep op de arbeidsmarkt van een gewest, als gevolg van de kenmerken van diezelfde groep, te compenseren zoals bijvoorbeeld een onvoldoende of onaangepast niveau van opleiding in functie van de arbeidsmarkt, de leeftijd, een gezinssituatie, een gebrek aan beroepservaring, een te lange afwezigheid van de arbeidsmarkt (langdurige werkloosheid of sociale integratie) of een herstructurering.

De gewesten worden zowel bevoegd om de bestaande verminderingen voor doelgroepen te wijzigen of af te schaffen, als om nieuwe verminderingen in te voeren voor doelgroepen.

Zo worden ze onder meer bevoegd om de voorwaarden en regels te bepalen voor het toekennen van een doelgroepvermindering, het bedrag van de vermindering te bepalen, uitzonderingen te bepalen en om de periode te bepalen waarin de vermindering wordt toegekend en moet worden uitgeput. Voor de toepassing van de verminderingen van de bijdragen voor doelgroepen, geven ze opdracht aan de RSZ en de RSZPPO die optreden als operatoren. De RSZ en de RSZPPO blijven dus de enige administratieve en technische operatoren.

De verminderingen van de sociale bijdragen kunnen de verschuldigde werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid tot nul herleiden. In geen geval mag het toekennen van een vermindering (zelfs tot nul) van deze sociale bijdragen, een invloed hebben op de sociale rechten van de werknemer. De al dan niet gehele onderwerping van een werknemer aan de verschillende takken van de sociale zekerheid blijft immers een federale bevoegdheid.

Wat de bestaande doelgroepenverminderingen betreft, worden de gewesten aldus bevoegd voor de volgende verminderingen voor doelgroepen : oudere werknemers, jonge werknemers, langdurig werkzoekenden, mentors, werknemers die in dienst worden genomen na ontslag in het kader van een herstructurering, kansarme jongeren, gesubsidieerde contractuelen (GESCO's) en gerechtigden op een leefloon of op maatschappelijke financiële hulp voor tewerkstelling via de OCMWs.

Wat de verminderingen van sociale zekerheidsbijdragen betreft, blijft de federale overheid bevoegd voor de algemene lastenverlagingen die gelden voor alle werkgevers, zoals de structurele vermindering van de patronale sociale zekerheidsbijdragen, waarvan het bedrag thans varieert volgens het referteloon van de werknemer. Deze algemene lastenverlaging kan voor bepaalde sectoren al dan niet gedeeltelijk gesolidariseerd worden, zoals dit reeds het geval is voor de sociale Maribel.

De middelen die betrekking hebben op de PVP-Activa (preventie- en veiligheidspersoneel) worden niet overgedragen omdat deze maatregel verband houdt met de federale bevoegdheid inzake veiligheid.

Naast haar bevoegdheid tot het aannemen van structurele verminderingen van de werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid, en de verminderingen van de werknemersbijdragen, blijft de federale overheid evenwel bevoegd inzake de vermindering van de werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid, die vastgesteld worden in functie van de kenmerken van de werkgever of een activiteitensector.

Met uitzondering hiervan en daarom expliciet opgenomen in de bijzondere wet, wordt de bevoegdheid voor de volgende sectorale verminderingen van de werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid wel overgedragen aan de gewesten, de verminderingen voor de bagger- en sleepvaartsector en voor de koopvaardij (met uitzondering van de vermindering van de RSZ-werknemersbijdrage voor de bagger- en sleepvaartsector), voor onthaalouders, voor huispersoneel, voor kunstenaars en voor de sector van de sociale economie (met uitzondering van de structurele vermindering voor de beschutte werkplaatsen).

De federale overheid en de gewesten beschikken voor de verminderingen die tot hun bevoegdheid behoren over de meest ruime autonomie. Ze zijn bevoegd om het toepassingsgebied, het bedrag en de berekeningswijze van de vermindering te bepalen, alsook de periode van de tegemoetkoming.

b) Maatregelen inzake de activering van werkloosheidsuitkeringen

De gewesten zijn eveneens bevoegd voor de activering van de werkloosheidsuitkeringen. Het gaat om een tewerkstellingssubsidie waardoor de werklozen die werk vinden een deel van hun werkloosheidsuitkeringen kunnen behouden en de werkgevers dit bedrag kunnen aftrekken van het loon. De gewesten worden zowel bevoegd om de bestaande maatregelen inzake de activering van werkloosheidsuitkeringen te wijzigen of af te schaffen, als om nieuwe maatregelen inzake de activering van werkloosheidsuitkeringen in te voeren. Wat de bestaande activeringsmaatregelen betreft, worden de gewesten bevoegd voor :

— werkuitkeringen (inclusief Activa, Activa start);

— doorstromingsprogramma's;

— herinschakelingsuitkering in sociale economie;

— toelagen voor tijdelijke tewerkstelling door het OCMW;

— financiële tussenkomst bij invoeginterim.

De RVA en de POD Maatschappelijke Integratie blijven de enige administratieve en technische operatoren voor activering van werkloosheidsuitkeringen.

Zoals reeds aangehaald worden de middelen die betrekking hebben op de PVP-Activa (preventie- en veiligheidspersoneel) niet overgedragen.

c) De premies

Ook de premies, zoals bijvoorbeeld de opleidingsuitkeringen en stage-uitkeringen, de werkhervattingstoeslagen, de jongerenbonus non-profit, enz., worden overgedragen in het kader van de overdracht inzake het doelgroepenbeleid.

d) Projecten die beantwoorden aan maatschappelijke behoeften in het kader van startbanen

De projecten die beantwoorden aan maatschappelijke behoeften in het kader van startbanen worden aan de gemeenschappen en gewesten overgedragen, met uitzondering van de globale projecten met tewerkstelling binnen federale instellingen.

Wat de projecten van de gemeenschappen en de gewesten betreft, is geen bevoegdheidsoverdracht naar de gemeenschappen en gewesten vereist. Het volstaat de bestaande samenwerkingsakkoorden tussen de federale overheid en de gemeenschappen en gewesten op te zeggen en de financiële middelen over te dragen naar de gemeenschappen en gewesten door een wijziging van de bijzondere financieringswet.

e) Tewerkstellingsprogramma's in het kader van de sociale economie

Dit voorstel strekt ertoe de tewerkstellingsprogramma's in het kader van de sociale economie aan de gewesten over te dragen in het kader van hun bevoegdheden inzake het tewerkstellingsbeleid. Dit wijzigt de bevoegdheid van de federale overheid, de gewesten en de gemeenschappen niet. Het voorstel houdt evenwel in dat de federale overheid ophoudt op te treden inzake van programma's in het kader van de sociale economie.

Meer in het bijzonder wordt het samenwerkingsakkoord van 30 mei 2005 tussen de Federale Staat, het Vlaams, het Waals en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en de Duitstalige Gemeenschap betreffende de meerwaardeneconomie (Belgisch Staatsblad 15 maart 2006) beëindigd en worden de middelen overgedragen naar de gewesten door een wijziging van de bijzondere financieringswet.

Bovendien worden een aantal federale subsidies, waarvan de overeenstemmende middelen naar de gewesten en de Duitstalige Gemeenschap worden overgedragen, opgeheven.

f) De toekenning van premies aan werkgevers en leerlingen in het kader van stelsels van alternerend leren.

De gewesten worden bevoegd voor de toekenning van premies aan werkgevers en leerlingen in het kader van stelsels van alternerend leren.

Het gaat om de startbonus en de stagebonus.

g) De Gesco-trekkingsrechten

De overeenstemmende middelen worden overgedragen naar de gewesten door een wijziging van de bijzondere financieringswet.

f. De bevordering van de buurtdiensten en -banen, de zogenaamde dienstencheques

De gewesten worden bevoegd voor de ondersteuning, via een consumentensubsidie, van de organisatie van buurtdiensten en -banen, de zogenaamde dienstencheques. Ze beschikken zowel over de regelgevende bevoegdheid, de bevoegdheid voor de controle en inspectie, de bevoegdheid inzake de erkenningen, als de bestedingsbevoegdheid. De gewesten kunnen de bestaande regelgeving opheffen, aanvullen, wijzigen of vervangen. De gewesten worden eveneens bevoegd voor de fiscale maatregelen.

De federale overheid blijft echter bevoegd voor de aspecten die verband houden met het arbeidsrecht, zoals inzake arbeidsvoorwaarden in de sector, de regeling met betrekking tot het welzijn van de werknemers op het werk, de voorzieningen voor sociaal overleg, het loonbeleid en de arbeidsovereenkomst dienstencheques die de werknemer verbindt met het dienstenchequebedrijf, met inbegrip van de sanctionering van de inbreuken op het arbeidsrecht en het socialezekerheidsrecht.

g. Het Ervaringsfonds

De gewesten worden bevoegd voor de toekenning van een toelage die tot doel heeft acties te ondersteunen die betrekking hebben op de bevordering van de arbeidsmogelijkheden van oudere werknemers, de kwaliteit van de arbeidsvoorwaarden van oudere werknemers en de organisatie van de arbeid van oudere werknemers.

h. Het betaald educatief verlof

Het betaald educatief verlof kan worden omschreven als het recht toegekend aan werknemers om erkende opleidingen te volgen en op het werk afwezig te zijn met behoud van hun loon. De gewesten beschikken ter zake over de bevoegdheid, met uitzondering van de arbeidsrechtelijke aspecten en de regels inzake sociaal overleg. Ze zijn dus bevoegd voor de regelgeving, de controle en inspectie, de erkenningen van verloven, het bepalen van de opleidingen die in aanmerking genomen worden voor het educatief verlof, het aantal uren, als voor de toelagen.

De gewesten sluiten met de gemeenschappen een samenwerkingsakkoord om opleidingen te organiseren en te erkennen, met dien verstande dat de uitoefening van de bevoegdheid mogelijk is zodra een samenwerkingsakkoord gesloten is met een entiteit, maar dat elk gewest aan het geheel van de bevoegde entiteiten op zijn grondgebied inzake de erkenning van opleidingen, het sluiten van een samenwerkingsakkoord moet voorstellen. Artikel 92bis, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 wordt hiertoe gewijzigd.

De financiële middelen die momenteel federaal worden ingezet voor het betaald educatief verlof worden mee overgedragen, met inbegrip van het bedrag dat overeenstemt met de inkomsten van de sociale bijdrage.

i. De plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen (PWA)

Dit voorstel strekt ertoe de bevoegdheid voor de organisatie en de controle van activiteiten die men niet aantreft in de reguliere arbeidsmarkt, met het oog op de herinschakeling van bepaalde categorieën van werkzoekenden in de reguliere arbeidsmarkt, over te dragen aan de gewesten. Het gaat om het stelsel van de plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen. Het systeem zal gelden voor de langdurig werklozen en zij die ver van de arbeidsmarkt staan.

De gewesten beschikken voortaan over de bevoegdheid om het stelsel van de plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen op te heffen, aan te vullen, te wijzigen of te vervangen, met inbegrip van de bevoegdheid om het te vervangen door andere instrumenten. De tegemoetkomingen voor de oprichting en werking van de agentschappen worden overgedragen aan de gewesten. De gewesten worden eveneens bevoegd voor de fiscale maatregelen.

De PWA-arbeidsovereenkomst, de vrijstellingen van beschikbaarheid gerelateerd aan de PWA, de algemene regeling van het welzijn van de PWA-werknemers en de PWA-inkomensgarantie uitkering blijven federaal.

De betaling van de werkloosheidsuitkeringen blijft federaal. Indien de gewesten beslissen om een PWA-voorziening te behouden, zal de federale overheid dus de financiering van de bestaande werkloosheidsuitkeringen van de PWA-werknemers voortzetten.

Er moet op worden toegezien dat de gewesten de nodige inspanningen leveren voor de activering van het zoekgedrag van werkzoekenden en het leiden van werkzoekende naar de reguliere arbeidsmarkt. Daarom zal de federale overheid, indien de gewesten beslissen om een PWA voorziening te behouden, de financiering van de werkloosheidsuitkeringen van de PWA-werknemers voortzetten, maar de betaling van het aantal werkloosheidsuitkeringen voor personen tewerkgesteld in het PWA-systeem zal door de federale overheid beperkt worden via een terugbetaling door de gewesten.

j. Outplacement

Krachtens artikel 6, § 1, IX, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen zijn de gewesten, wat het tewerkstellingsbeleid betreft, onder meer bevoegd voor de arbeidsbemiddeling en de programma's voor wedertewerkstelling van de niet-werkende werkzoekenden met uitsluiting van een aantal opgesomde programma's. De outplacementbegeleiding blijft evenwel tot de bevoegdheid van de federale overheid behoren.

Onder outplacement wordt begrepen : het geheel van begeleidende diensten en adviezen die in opdracht van de werkgever aan de werknemer worden verleend om hem in staat te stellen om zo snel mogelijk een betrekking bij een andere werkgever te vinden of een beroepsbezigheid als zelfstandige te ontplooien.

De federale overheid blijft bevoegd voor de arbeidsrechtelijke aspecten inzake outplacement, in het bijzonder CAO nrs. 51 en 82. De gewesten worden evenwel bevoegd voor de inhoudelijke vereisten die niet in CAO nrs. 51 en 82 vastliggen, voor de terugbetaling van outplacementkosten aan de bedrijven en voor het opleggen van sancties aan werkgevers bij gebrek aan outplacement.

Gelet op het feit dat de arbeidsrechtelijke aspecten inzake outplacement federaal blijven, zijn de gewesten dus niet bevoegd voor de aangelegenheden die worden geregeld door deze collectieve arbeidsovereenkomsten, zoals de procedure voor outplacement en het statuut van de werknemer gedurende de afwikkeling van deze procedure.

Zonder afbreuk te doen aan het voorgaande, worden de gewesten evenwel bevoegd om inhoudelijke vereisten te bepalen die niet zijn vastgesteld in de CAO nrs. 51 en 82. De gewesten worden aldus bevoegd voor de goedkeuring van het outplacementaanbod van de tewerkstellingscellen in geval van herstructurering, zoals voorzien in artikel 6 van het koninklijk besluit van 9 maart 2006 betreffende het activerend beleid bij herstructureringen.

De federale overheid blijft eveneens bevoegd om de aangelegenheid van de inschakelingsvergoeding te regelen, aangezien deze aangelegenheid behoort tot het arbeidsrecht. In geval van collectief ontslag vervangt de inschakelingsvergoeding immers, geheel of gedeeltelijk, de vervangende opzegvergoeding.

De uitsluiting van een werknemer van werkloosheidsuitkeringen bij het weigeren van outplacementbegeleiding of het weigeren mee te werken aan outplacement-begeleiding en de inschakelingsvergoeding bij outplacement blijven eveneens federaal. De federale overheid beslist evenwel op basis van de volledige informatie die wordt aangeleverd door de gewesten.

k. Uitzendarbeid in het kader van tewerkstellingstrajecten (artikel 6, § 1, IX, 13º, BWHI)

De gewesten worden bevoegd om een beroep te doen op de uitzendarbeid in het kader van tewerkstellingstrajecten.

De gewesten worden bevoegd om in het kader hiervan de doelgroepen te bepalen die in aanmerking komen, alsook de duur van de tijdelijke arbeid en de na te leven procedure.

In het kader van deze Staatshervorming voorziet artikel 4 van dit voorstel dat de gemeenschappen volledig bevoegd worden voor de stelsels van alternerend leren, waarin een praktijkopleiding op de werkvloer wordt aangevuld met een opleiding in een onderwijs- of opleidingsinstelling. Krachtens artikel 4, 16º, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, dat de bevoegdheid inzake beroepsopleiding toekent aan de gemeenschappen, zijn deze reeds bevoegd voor onder meer de opleiding om een onderneming op te richten en om een zelfstandig beroep uit te oefenen. In dit kader zijn ze bevoegd voor de opleiding die wordt gevolgd in de vorm van een vorming/scholing in een onderneming, met inbegrip van de contractuele verhouding tussen de ondernemer-opleider en de leerling.

Deze bevoegdheidsoverdracht doet geen afbreuk aan de federale bevoegdheid inzake de rechten en plichten van de betrokken stagiair en zijn patroon in het kader van de sociale zekerheid.

Tot slot zal, gelet op de nieuwe bijkomende bevoegdheden van de gewesten, de beheerstructuur van de RVA worden aangepast om een vlotte samenwerking tussen de RVA en de gewestelijke diensten voor arbeidsbemiddeling te waarborgen.

Daartoe zal elk gewest deelnemen aan de vergaderingen van het beheercomité van de RVA via een vertegenwoordiger van de gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling.

5. Telecommunicatie

Uiteenzetting van de heer Anciaux

Met betrekking tot het beleidsdomein van de telecommunicatie, wordt de omroepbevoegdheid van de gemeenschappen aangepast aan de ingrijpende technische evoluties en de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof. Dit wordt geregeld in artikel 2 en artikel 42, 3º.

Overeenkomstig het Institutioneel Akkoord is deze hervorming voorbereid door een deskundigenwerkgroep. Het verslag van deze werkgroep is, in de vorm van een afzonderlijk parlementair stuk, gevoegd bij dit voorstel van bijzondere wet.

6. Filmkeuring

Uiteenzetting van de heer Anciaux

Het Institutioneel Akkoord voorziet dat de filmkeuring een gemeenschapsbevoegdheid wordt mits een aangepaste oplossing voor Brussel. Dit wordt geregeld door artikel 13 van dit voorstel.

Binnen hun bevoegdheid voor radio-omroep en televisie, zijn de gemeenschappen reeds bevoegd om regels uit te vaardigen, weliswaar met naleving van de Europese regels, ter bescherming van minderjarigen tegen audiovisuele programma's die hun fysieke, mentale of morele ontwikkeling kunnen schaden, onafhankelijk van de drager. Deze regels kunnen bijvoorbeeld de classificatie en beschrijving van programma's betreffen.

De gemeenschappen zijn daarentegen niet bevoegd om de toegang van minderjarigen tot bioscoopzalen te regelen. Volgens de Raad van State valt deze materie momenteel onder de residuaire bevoegdheid van de federale overheid.

Dit voorstel van bijzondere wet heeft tot doel de bevoegdheid inzake de filmkeuring, en dus de bevoegdheid om de toegang van minderjarigen tot bioscoopzalen te regelen, aan de gemeenschappen over te dragen.

In Brussel komt het aan de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie toe om de regels vast te stellen met betrekking tot de toegang van minderjarigen tot bioscoopzalen.

De gemeenschappen en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie hebben in het verleden een samenwerkingsakkoord gesloten betreffende de oprichting, samenstelling en werking van de intergemeenschapscommissie voor de filmkeuring dat in casu uiteraard zal kunnen worden toegepast.

7. Energie en leefmilieu

Uiteenzetting van de heer Anciaux

a. Het Rampenfonds

Wat het Rampenfonds betreft, wordt de financiële tegemoetkoming naar aanleiding van schade veroorzaakt door algemene rampen overgedragen naar de gewesten.

De Nationale kas voor rampenschade werd opgericht bij de wet van 12 juli 1976 betreffende het herstel van zekere schade veroorzaakt aan private goederen door natuurrampen. Binnen deze Kas werden twee fondsen opgericht, met het oog op het dekken van uitgaven die voortvloeien uit de toepassing van de voormelde wet : (i) het Nationaal Fonds voor algemene rampen en (ii) het Nationaal Fonds voor landbouwrampen.

Vanaf 1 juli 2014 zullen de gewesten bevoegd zijn voor het vergoeden van schade op hun grondgebied die veroorzaakt werd door algemene rampen. Het Nationale Fonds voor algemene rampen zal enkel nog instaan voor de vergoeding van schade veroorzaakt door een algemene ramp die voor die datum heeft plaatsgevonden.

Net zoals de federale overheid thans doet, zullen de gewesten het toekennen van een tussenkomst inzake schade veroorzaakt door natuurrampen afhankelijk kunnen maken van het verzekerd zijn tegen natuurrampen.

In dat verband worden de gewesten, krachtens artikel 16 van dit voorstel, bevoegd voor de financiële tegemoetkoming naar aanleiding van schade veroorzaakt door landbouwrampen.

b. De doorvoer van afvalstoffen

De gewesten zijn reeds bevoegd voor het afvalstoffenbeleid, met inbegrip van de bevoegdheid inzake in- en uitvoer van afvalstoffen. De federale overheid is evenwel bevoegd gebleven voor de doorvoer van afvalstoffen. De gewestregeringen worden betrokken bij het ontwerpen van de federale regelingen inzake de doorvoer van afvalstoffen en de wijze waarop het beleid inzake in-, uit- en doorvoer van afvalstoffen kan worden gecoördineerd.

Het voorstel van bijzondere wet regionaliseert nu ook de handhaving op de doorvoer van afvalstoffen, met inbegrip van de vergunningverlening voor de doorvoer van afvalstoffen.

Het voorstel van bijzondere wet heeft geen betrekking op het radioactief afval dat tot de bevoegdheid van de federale overheid blijft behoren.

Er werd reeds een samenwerkingsakkoord gesloten op 26 oktober 1994 tussen de Belgische Staat en de gewesten inzake de coördinatie van het beleid inzake in-, uit- en doorvoer van afvalstoffen. Dit samenwerkingsakkoord zal bijgevolg worden geactualiseerd in het licht van deze bevoegdheidsoverdracht.

In dat verband zullen de gewesten en de federale overheid rekening houden met de federale bevoegdheden inzake douane en politie.

c. De distributietarieven van gas en elektriciteit

De federale overheid bepaalt de tarieven inzake gas- en elektriciteitsdistributie. De Commissie voor de regulering van de elektriciteit en het gas (CREG) is bevoegd voor de goedkeuring van de tarieven voor de toegang tot de distributienetwerken, die voorgesteld worden door de distributienetbeheerder voor aardgas of elektriciteit. De exploitatiekosten, de investeringsbehoefte en de regelgeving met betrekking tot de distributie, in het bijzonder de definitie van de openbare dienstverplichtingen en de impact ervan op de exploitatie- en investeringskosten, zijn echter een gewestmaterie en zijn voor elk gewest verschillend.

Dit voorstel van bijzondere wet voorziet derhalve erin om de bevoegdheid om de tarieven van gas- en elektriciteitsdistributie te regelen over te dragen naar de gewesten.

Op die manier kunnen zowel de beslissingen over acties, projecten en openbare dienstverplichtingen, als de beoordeling van de kosten die ermee overeenstemmen beter op elkaar afgestemd worden in de tarieven. Er is op die manier ook één globale lijn tussen de exploitatiekosten, de investeringen en de financiering ervan.

Voor de elektriciteit betreft de overdracht naar de gewesten echter niet de tarieven van de netwerken die een transmissiefunctie hebben en die uitgebaat worden door dezelfde beheerder als het transmissienet.

De Federale Staat voorbehouden bevoegdheid voor het opstellen van het nationaal uitrustingsprogramma van de elektriciteitssector wordt opgeheven, omwille van het feit dat het dwingende karakter van het nationaal uitrustingsprogramma strijdig werd bevonden met de Europese regelgeving inzake de vrije werking van de markt en wordt vervangen door een studie over de perspectieven van elektriciteitsbevoorrading, waarvoor de federale overheid bevoegd zal blijven.

Het is vanzelfsprekend dat deze bevoegdheid geen afbreuk doet aan de bevoegdheid van de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten om studies te (laten) verrichten.

Verder zal het prijsbeleid inzake de levering van elektriciteit en gas, met daarin begrepen het sociaal prijzenbeleid, tot de bevoegdheid van de federale overheid blijven behoren. Dit doet geen afbreuk aan de bevoegdheden van de gewesten om openbare dienstverplichtingen op te leggen die verband houden met hun bevoegdheden, noch aan hun bevoegdheid inzake de distributietarieven.

d. Het substitutierecht van de federale overheid

1) Het Raamverdrag van 9 mei 1992 van de Verenigde Naties inzake Klimaatverandering

In de eerste plaats kan een beroep worden gedaan op het substitutiemechanisme in het kader van het Raamverdrag van 9 mei 1992 van de Verenigde Naties inzake Klimaatverandering of een van zijn protocollen. Het VN-Verdrag strekt ertoe de concentratie broeikasgassen in de dampkring te stabiliseren op een zodanig niveau, dat een gevaarlijke menselijke invloed op het klimaat wordt voorkomen.

Het Doha-amendement bij het Kyoto Protocol stelt een tweede verbintenissenperiode vast voor de ontwikkelde landen die partij zijn bij het Kyoto Protocol, van 1 januari 2013 tot 31 december 2020. Voor de lidstaten van de Europese Unie is de algemene emissiereductiedoelstelling gedurende deze tweede periode 18 % in vergelijking met 1990. Krachtens de beslissing 24/CP.7 werd een Compliance Committee opgericht, dat bestaat uit een « facilitative branch » en een « enforcement branch ».

De « enforcement branch » is bevoegd om vast te stellen dat een partij haar verplichtingen onder het Kyoto Protocol niet naleeft. De « enforcement branch » stelt met name vast of een partij bepaalde regels van het Kyoto Protocol overtreedt.

Een lidstaat kan individueel ter verantwoording worden geroepen voor de enforcement branch. In geval van een definitieve beslissing van niet-naleving en/of wanneer maatregelen worden opgelegd door de enforcement branch, kan het substitutiemechanisme in gang gezet worden.

2) Europeesrechtelijke verplichtingen die het verminderen van de emissies van broeikasgassen tot doel hebben in toepassing van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering of van een van zijn protocollen

De veroordeling van België door het Hof van Justitie wegens schending van het Europees recht wordt voorafgegaan door drie stadia gedurende dewelke de Europese Commissie op objectieve wijze de draagwijdte van de aangeklaagde tekortkoming afbakent : de ingebrekestelling, het met redenen omkleed advies en het aanhangig maken bij het Hof.

Het is aangewezen de substitutie toe te staan vanaf het tweede stadium, dat wil zeggen wanneer de Europese Commissie een met redenen omkleed advies heeft uitgebracht en het betrokken deelgebied heeft nagelaten te reageren op dit advies, ingeval van niet-naleving van een Europeesrechtelijke verplichting die het verminderen van de emissies van broeikasgassen tot doel heeft in toepassing van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering of van een van zijn protocollen.

Het spreekt voor zich dat enkel de verplichtingen die voortvloeien uit wetgeving om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen in toepassing van het Raamverdrag van de Verenigde Naties of een van zijn protocollen, reden kunnen geven tot de uitoefening van het substitutierecht door de federale overheid wanneer de Europese Commissie een met redenen omkleed advies heeft uitgebracht waarin zij van oordeel is dat België niet heeft voldaan aan een van deze verplichtingen.

Het verruimde substitutierecht van de federale overheid is eveneens van toepassing wanneer de Europese verplichtingen strenger zijn dan de internationale verplichtingen die voortvloeien uit het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering of uit een van zijn protocollen.

8. Huisvesting

Uiteenzetting van de heer Anciaux

Aansluitend bij hun bevoegdheden inzake sociale woninghuur en elementaire vereisten van veiligheid, gezondheid en bewoonbaarheid waaraan het verhuurde goed moet beantwoorden, geeft het huidige voorstel de gewesten de bevoegdheid voor de specifieke regels betreffende de huur van voor bewoning bestemde goederen (zie artikel 15).

9. Landbouwbeleid

Uiteenzetting van de heer Beke

Teneinde een homogener bevoegdheidspakket te realiseren en een coherenter landbouwbeleid mogelijk te maken is een verdergaande regionalisering van een aantal aspecten van het landbouwbeleid wenselijk, inzake de pacht en de veepacht, het Belgisch Interventie- en Restitutiebureau (BIRB) en het Landbouwrampenfonds. De bevoegdheid inzake deze aangelegenheden worden overeenkomstig artikel 16 van dit voorstel overgedragen naar de gewesten.

a. De financiële tegemoetkoming naar aanleiding van schade veroorzaakt door landbouwrampen

De gewesten worden nu bevoegd voor de terugbetaling van schade veroorzaakt door algemene rampen. Deze Staatshervorming voorziet ook in de bevoegdheidsoverdracht naar de gewesten inzake de financiële tegemoetkoming naar aanleiding van schade veroorzaakt door landbouwrampen.

Artikel 2, § 1, 2º, van de wet van 12 juli 1976 betreffende het herstel van zekere schade veroorzaakt aan private goederen door natuurrampen definieert landbouwrampen als volgt : « de natuurverschijnselen met uitzonderlijk karakter of van uitzonderlijke hevigheid of de massieve en onvoorzienbare werking van schadelijke organismen die enkel belangrijke en algemene vernielingen hebben teweeggebracht van gronden, teelten of oogsten, evenals de ziekten en vergiftigingen met uitzonderlijk karakter die, door sterfte of verplichte slachting, belangrijke en veralgemeende verliezen van voor de landbouw nuttige dieren hebben veroorzaakt. »

Het Nationaal Fonds voor landbouwrampen, opgericht binnen de Nationale Kas voor de rampenschade, zal worden vereffend. De federale overheid zal bevoegd blijven voor de financiële tegemoetkoming voor schade veroorzaakt door landbouwrampen die voor 1 juli 2014 hebben plaatsgevonden.

De gewesten zullen op grond van hun eigen bevoegdheid inzake landbouw zelf een beleid kunnen uitwerken, met inbegrip van de oprichting van regionale landbouwrampenfondsen voor de erkenning van nieuwe landbouwrampen.

b. Het Belgisch Interventie- en Restitutiebureau

Het Belgisch Interventie- en Restitutiebureau (BIRB) werd opgericht bij wet van 10 november 1967 (Belgisch Staatsblad van 24 maart 1995) als overheidsinstelling met rechtspersoonlijkheid onder toezicht van de federale minister van Middenstand en Landbouw. Het BIRB is een erkend betaalorgaan in het kader van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) van de Europese Gemeenschap.

Het BIRB is belast met de uitbetaling van financiële tegemoetkomingen aan economische marktdeelnemers die geen producent zijn en met de controle op die uitgaven.

Aangezien de implementatie van het GLB in België een bevoegdheid van de gewesten betreft, is het evident dat de gehele uitbetaling van de middelen die via het GLB aan de landbouwsector worden uitgekeerd eveneens onder de toezichthoudende bevoegdheid van de gewestelijke minister van landbouw gebeurt.

Dit voorstel van bijzondere wet heft de federale bevoegdheid inzake de prestaties van het BIRB op.

De federale overheid en de gewesten zullen met elkaar overleg plegen om een coördinerende instantie aan te duiden die belast is met het verzamelen van gegevens die moeten worden bezorgd aan de Europese Commissie.

c. Pacht en veepacht

Momenteel behoren de bepalingen inzake pachtwetgeving en veepacht tot de residuaire bevoegdheden van de federale overheid.

De gewesten zijn echter reeds bevoegd inzake landbouw. Een doelmatig landbouwbeleid is slechts mogelijk door de gewesten de nodige instrumenten te geven om dat beleid te voeren. Bijgevolg is het aangewezen de specifieke regels betreffende de pacht en de veepacht volledig te regionaliseren. Zoals het geval is voor de huur van voor bewoning bestemde goederen, blijft de federale overheid bevoegd voor de algemene bepalingen van het burgerlijk recht betreffende de verbintenissen en de contracten.

10. Het economisch en industrieel beleid

Het betreft in het bijzonder de regelgeving met betrekking tot de vestigingsvoorwaarden, met inbegrip van het vergunningsbeleid inzake handelsvestigingen, de handelshuur en het Participatiefonds en toerisme. Ten slotte wordt ook het prijsbeleid als beleidsinstrument geactualiseerd binnen de huidige bevoegdheidsverdeling.

Deze aangelegenheden worden geregeld door de artikelen 3, 5, 17, 18, 31, 32, 48 en 58, van dit voorstel.

1. De vestigingsvoorwaarden

Het Institutioneel Akkoord voorziet in de overdracht

— enerzijds van de bevoegdheid inzake de vestigingsvoorwaarden/toegang tot het beroep aan de gewesten, uitgezonderd de beroepen waarvan de toegang federaal zal blijven (a.);

— en anderzijds van de bevoegdheid inzake handelsvestigingen (b.).

a) De vestigingsvoorwaarden/ toegang tot het beroep

De gewesten worden bevoegd voor de vestigingsvoorwaarden, met uitzondering van de voorwaarden voor de toegang tot dienstverlenende intellectuele beroepen en tot gezondheidszorgberoepen.

De toegang tot de dienstverlenende intellectuele beroepen blijft gereglementeerd door de federale overheid.

Wat de gezondheidszorgberoepen betreft, wordt de verdeling van de bevoegdheden tussen de federale overheid en de gemeenschappen geregeld in artikel 5, § 1, I, 6º, van de BWHI van 8 augustus 1980.

Behoudens deze bevoegdheidsoverdracht aan de gewesten, beïnvloedt het voorstel noch de bestaande regels ter verdeling van de materiële en territoriale bevoegdheden tussen de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten, noch de draagwijdte ervan.

b) Handelsvestigingen

De wetgeving die bepaalde grote handelsvestigingen vergunningsplichtig maakt, valt eveneens onder artikel 6, § 1, VI, vijfde lid, 6º, van de BWHI van 8 augustus 1980 en is bijgevolg op dit ogenblik een federale bevoegdheid.

De bevoegdheid inzake handelsvestigingen valt immers onder de ruimere term « vestigingsvoorwaarden ». Deze materie wordt overgedragen naar de gewesten.

De regionalisering van het beleid inzake handelsvestigingen maakt deel uit van een betere homogenisering van de bevoegdheden, omdat ze de gewesten zal toelaten om een eigen geïntegreerd beleid te voeren ten aanzien van de detailhandel en de distributiesector, samenhangend met de instrumenten van de ruimtelijke ordening.

Teneinde te vermijden dat de vergunning van een handelsvestiging in een grensgebied ernstige schade zou veroorzaken aan een aangrenzend gewest, is vereist dat er mogelijkheden bestaan om daarover overleg te plegen.

2. Het handelshuurrecht

Het handelshuurrecht behoort thans tot de residuaire bevoegdheid van de Federale Staat. Aangezien deze bevoegdheid verband houdt met de economische bevoegdheid van de gewesten, wordt deze bevoegdheid geregionaliseerd.

De totaliteit van de specifieke regelen betreffende de handelshuur wordt overgedragen aan de gewesten.

3. Het Participatiefonds

Het Institutioneel Akkoord voor de Zesde Staatshervorming voorziet dat het Participatiefonds wordt overgedragen naar de gewesten. Alle activiteiten worden stopgezet maar er blijft een lichte structuur voor het beheer van het verleden (lopende kredieten en leningen). Daarnaast zal deze lichte structuur de overgang toelaten van de dienstverleningsactiviteiten die het Fonds thans uitoefent.

Deze bepaling breidt de bevoegdheid van de gewesten uit naar de activiteiten van het Participatiefonds, met inbegrip van de inkomenscompensatievergoeding aan zelfstandigen die het slachtoffer zijn van hinder ten gevolge van werken op het openbaar domein.

4. Toerisme

Het Institutioneel Akkoord voor de Zesde Staatshervorming voorziet in de overdracht van het toerisme naar de gewesten, onverminderd het behoud van de bevoegdheden voor de gemeenschappen inzake de promotie van Brussel op nationaal en internationaal niveau.

Krachtens artikel 4, 10º, van de BWHI van 8 augustus 1980 zijn de gemeenschappen momenteel bevoegd voor toerisme.

Het toerisme is echter een fundamentele bevoegdheid voor de ontwikkeling en economische diversificatie van de gewesten.

Bijgevolg wordt artikel 4 van dezelfde bijzondere wet ook gewijzigd door « het toerisme » uit de culturele aangelegenheden te halen.

De gemeenschappen zullen echter subsidies voor toeristische infrastructuur kunnen blijven toekennen, ook in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, op basis van een bevoegdheidstoewijzing aan de gemeenschappen, op grond van de culturele aangelegenheden in de zin van artikel 127 van de Grondwet.

Dit voorstel voorziet er eveneens in dat de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, in het kader van hun bevoegdheden, Brussel verder zullen kunnen promoten op nationaal en internationaal vlak, onverminderd de federale bevoegdheid ter zake. Het is vanzelfsprekend dat de meerwaarde van Brussel ten opzichte van de andere gewesten en de Duitstalige Gemeenschap door deze entiteiten verder zal kunnen worden gevaloriseerd.

Er zal een samenwerkingsakkoord gesloten worden tussen de gemeenschappen en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest voor de nationale en internationale promotie van Brussel.

Ten slotte zal, overeenkomstig het Institutioneel Akkoord voor de Zesde Staatshervorming van 11 oktober 2011, artikel 139 van de Grondwet worden uitgevoerd om de bevoegdheid van de Duitstalige Gemeenschap dienaangaande te behouden niettegenstaande de regionalisering.

De federale wetgeving voorziet op dit ogenblik in verschillende domeinen in een erkenning als toeristisch centrum.

In de mate dat de erkenning als toeristisch centrum gebonden is aan het aantonen van een toeristische activiteit in de betrokken plaats, bepaalt artikel 32 van dit voorstel van bijzondere wet dat een plaats voortaan slechts als toeristisch centrum kan worden erkend door de federaal bevoegde minister na eensluidend advies van het gewest waar deze plaats is gelegen en dit omwille van de aan de gewesten toegekende bevoegdheid inzake toerisme.

Omgekeerd heeft dit voorstel van bijzondere wet tot gevolg dat een erkenning als toeristisch centrum door dezelfde minister niet kan worden ingetrokken dan na eensluidend advies van de betrokken gewestregering.

De vereiste van het eensluidend advies voorafgaandelijk aan de erkenning als toeristisch centrum, belet uiteraard niet dat de bestaande federale reglementering hieromtrent wordt gewijzigd.

Bij een individuele erkenning is het eensluidend advies vereist van de gewestregering waar het toeristisch of gelijkaardig centrum gelegen is. Bij een erkenning van rechtswege of een wijziging van de federale normering, is het eensluidend advies vereist van de gewesten, in de mate dat de wijziging van de normering betrekking heeft op hun grondgebied. Daarom wordt in het dispositief bepaald dat het eensluidend advies « van het betrokken gewest of de betrokken gewesten » vereist is.

Dit eensluidend advies is niet vereist indien de federale overheid de periodes waarin uitzonderingen op de zondagsrust worden toegestaan wijzigt.

Daartoe voegt het voorstel van bijzondere wet een paragraaf 6bis in in artikel 6 van de BWHI van 8 augustus 1980.

5. Het prijsbeleid

De federale overheid is als enige bevoegd voor het prijsbeleid. Het Grondwettelijk Hof heeft deze bevoegdheid echter op een beperkende manier geïnterpreteerd : de gemeenschappen en gewesten kunnen de prijzen bepalen in de aangelegenheden waarvoor zij bevoegd zijn, zonder dat dit afbreuk mag doen aan de algemene federale bevoegdheid inzake prijsbeleid.

De gemeenschappen en de gewesten moeten beschikken over de volledige marge die noodzakelijk is voor het regelen en het controleren van de prijzen in het kader van hun bevoegdheden, bijvoorbeeld wat betreft het afvalbeleid, het waterbeleid, de taxidiensten en diensten voor het verhuur van auto's met bestuurder, de huur van goederen bestemd voor bewoning, handelshuur, pacht en veepacht, en de instellingen voor bejaardenopvang.

Zo zijn de gemeenschappen en de gewesten bevoegd om gebruik te maken van instrumenten zoals het vaststellen van sectoriële of individuele maximumprijzen, aanvragen tot verhoging van prijzen of marge en de kennisgevingen van prijzen in het kader van hun eigen materiële bevoegdheden. Het gaat er dus om hun toe te staan deze instrumenten te gebruiken zodat zij een eigen beleid kunnen voeren binnen het kader van hun materiële bevoegdheden en mits de Europese regels worden nageleefd.

De federale overheid is op dezelfde manier bevoegd om binnen haar eigen materiële bevoegdheden gebruik te maken van deze instrumenten. De federale overheid zal bevoegd blijven inzake het prijs- en inkomstenbeleid. Ze kan uit hoofde hiervan de instrumenten van het prijsbeleid, zoals de prijsblokkeringen, gebruiken om de inflatie tegen te gaan of de mededinging te vrijwaren. Deze maatregelen mogen echter in geen geval tot doel hebben om het gemeenschaps- of gewestbeleid te beïnvloeden, noch tot gevolg hebben dat dit op onevenredige wijze wordt beïnvloed.

11. Autonomie van de gewesten ten aanzien van de provincies

Artikel 20, artikel 21, artikel 27, a), en artikel 35, strekken ertoe de volledige uitoefening te verzekeren van de autonomie van de gewesten ten opzichte van de provincies, zoals voorzien in het Institutioneel Akkoord voor de Zesde Staatshervorming van 11 oktober 2011.

Dit voorstel moet wat dit punt betreft samen worden gelezen met de voorstellen tot herziening van de artikelen 5, tweede lid, 11bis, 41, 162 en 170, § 3, van de Grondwet.

De voorstellen tot herziening van de artikelen 5, tweede lid, 41, eerste lid en 162, van de Grondwet handhaven de bevoegdheid van de gewesten om de provinciale instellingen en bevoegdheden te wijzigen, en stellen ze voortaan in staat nieuwe provincies te creëren, hun aantal te verminderen, ze af te schaffen en, in dit geval, ze door bovengemeentelijke besturen te vervangen, binnen de door de BWHI van 8 augustus 1980 vastgelegde beperkingen.

Thans bepaalt artikel 6, § 1, VIII, eerste lid, 1º, derde lid, eveneens dat de provincieraden alle aangelegenheden van provinciaal belang regelen, beraadslagen en beslissen over alle onderwerpen die hun door de federale overheid of de gemeenschappen worden voorgelegd. Een dergelijke bepaling zou kunnen worden geïnterpreteerd als een beperking van de mogelijkheid die aan de gewesten wordt gegeven om de provinciale instellingen af te schaffen of hen hun bevoegdheden te ontnemen. Het is derhalve dienstig om die bepaling te wijzigen, en, meer in het algemeen, om in artikel 6, § 1, VIII, de mogelijkheid te geven aan de gewesten om met volle autonomie hun provincies en hun bovengemeentelijke besturen te regelen.

Het is ook dienstig om het behoud van de functie van de provinciegouverneurs te garanderen om, zelfs in geval van afschaffing van de provincies, de continuïteit te verzekeren van opdrachten van algemeen belang die door de Federale Staat of gemeenschappen zijn toevertrouwd aan de provincies. Indien de provincies in een gewest zouden worden afgeschaft, krijgen de provinciegouverneurs de hoedanigheid van regeringscommissaris in hun ambtsgebied. Dat is precies het doel van de voorgestelde wijziging van artikel 6, § 1, VIII, eerste lid, 1º, vierde lid, van de bijzondere wet.

Aangezien dit voorstel van bijzondere wet en de hiermee samenhangende voorstellen tot herziening van de Grondwet de bevoegdheidsverdeling tussen de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten niet beogen te wijzigen, blijven de gewesten hun bestaande bevoegdheden ten aanzien van de provinciegouverneur behouden, ook indien het Vlaamse of het Waalse Gewest beslissen om de provincies af te schaffen of te hervormen.

Overigens moet er in de bijzondere wet worden voorzien dat de gewesten, wanneer zij de provinciale instellingen opheffen, ertoe gehouden zijn overleg te plegen met de federale regering en de gemeenschapsregeringen. Dit overleg is slechts verplicht in de mate dat deze regeringen gedeconcentreerde bevoegdheden hebben toegekend aan de provinciale instellingen, en het heeft slechts betrekking op het uitoefenen van deze gedeconcentreerde bevoegdheden. Dat is precies het doel van de voorgestelde wijziging van artikel 6, § 3, 1º, van de bijzondere wet.

12. Het dierenwelzijn (artikel 24 van het voorstel van bijzondere wet)

Het begrip « dierenwelzijn » is zeer ruim en betreft de aangelegenheden geregeld door of krachtens de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren.

De federale overheid blijft bevoegd voor de normering en de daarop toepasbare controle inzake de dierengezondheid en de kwaliteit van de dierlijke producten met het oog op het verzekeren van de veiligheid van de voedselketen.

De bestaande federale bevoegdheden inzake CITES (Convention on International Trade in Endangered Species of Wild Fauna and Flora) blijven ongewijzigd.

Gelet op artikel 20 van de verordening nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden, zal één contactpunt voor wetenschappelijke ondersteuning worden aangeduid.

13. Mobiliteit en verkeersveiligheid

Het Institutioneel Akkoord voor de Zesde Staatshervorming van 11 oktober 2011 voorziet in bepaalde bevoegdheidsoverdrachten inzake mobiliteit en verkeersveiligheid ten gunste van de gewesten.

Dit voorstel van bijzondere wet wenst de verkeersveiligheid te versterken, rekening houdend met de objectieve verschillen op het vlak van de mobiliteit in de gewesten, die een gedifferentieerd verkeersveiligheidsbeleid rechtvaardigen.

Daarnaast wil dit voorstel aan de gewesten die dat wensen de mogelijkheid geven om, onder bepaalde in dit voorstel omschreven voorwaarden, bij te dragen aan een bijkomende financiering van de spoorlijnen.

Dit voorstel van bijzondere wet voorziet in de overdracht aan de gewesten van de volgende bevoegdheden :

— het bepalen van de snelheidsbeperkingen op de openbare weg, behalve op de autosnelwegen;

— de reglementering inzake het plaatsen en het toezicht op de verkeerstekens, met uitzondering van de verkeerstekens met betrekking tot douanestroken, aan overwegen en kruisingen met spoorwegen en op de militaire wegen;

— de regelgeving inzake maximaal toegelaten massa's, massa's over de assen van de voertuigen die gebruik maken van de openbare wegen evenals inzake ladingzekering;

— de regelgeving met betrekking tot het gevaarlijk en uitzonderlijk vervoer;

— de handhaving van de geregionaliseerde politieregels voor het wegverkeer, met inbegrip van het bepalen van administratieve en strafrechtelijke sancties.

De federale overheid blijft bevoegd voor alle overige politieregels voor het wegverkeer.

Bovenop de bestaande bevoegdheden worden de gewesten bovendien bevoegd voor het bepalen van administratieve en strafrechtelijke sancties in geval van niet-naleving van de politieregels voor het wegverkeer die bij dit voorstel worden geregionaliseerd.

Ten tweede worden de bevoegdheidsverdelende regels inzake gewoon en specifiek toezicht op de aanvullende reglementen inzake wegverkeer, zoals afgeleid uit de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof in zijn arresten nr. 174/2004 en nr. 59/2010, bevestigd.

Volgens het Grondwettelijk Hof vallen de aanvullende reglementen inzake wegverkeer onder de bevoegdheid van de gewesten.

Bijgevolg wordt in artikel 7 van de BWHI van 8 augustus 1980 bevestigd dat alleen de gewesten bevoegd zijn voor het uitoefenen van het toezicht op de aanvullende reglementen inzake wegverkeer.

Verder voorziet dit voorstel in een versterking van het inrekeningnemen van het advies van de gewesten wat de wijzigingen van het verkeersreglement betreft.

Thans voorziet de bijzondere wet van 8 augustus 1980 al in de betrokkenheid van de gewestregeringen bij het opstellen van de federale regels van de algemene politie en de reglementering op het verkeer en vervoer.

Dit voorstel van bijzondere wet heeft tot doel om nog meer rekening te houden met het advies van de gewesten wat de wijzigingen van de politieregels voor het wegverkeer betreft.

Het voorstel voorziet ook in de overheveling van de bevoegdheden van het Belgisch Instituut voor de verkeersveiligheid naar de gewesten.

De gewesten zullen voortaan bevoegd zijn voor de sensibilisering, de informatie en de bevordering inzake verkeersveiligheid.

Ze worden eveneens bevoegd inzake kennis, studie en onderzoeksactiviteiten in het kader van de bevoegdheden die aan hen door dit voorstel van bijzondere wet worden overgedragen inzake verkeersveiligheid. De bevoegdheid van de gewesten inzake kennis volgt rechtstreeks uit de hen toegewezen materiële bevoegdheid.

De gewesten zullen bovendien over de bevoegdheid beschikken om de rijgeschiktheid van de bestuurders of de kandidaat-bestuurders die lijden aan een vermindering van hun functionele vaardigheden te beoordelen (CARA). Dit voorstel van bijzondere wet voorziet immers in de overdracht naar de gewesten van de rijopleiding, de rijscholen en de examencentra.

Ze zullen eveneens bevoegd zijn voor de homologatie van radars en andere instrumenten die verband houden met de gewestelijke bevoegdheden. De gewesten sluiten een Samenwerkingsakkoord, waarbij de federale overheid wordt betrokken, om langs de autosnelwegen nationale sensibiliseringsacties voor het grote publiek te organiseren.

a. De overheveling van de normering van de verkeersinfrastructuur naar de gewesten

Herhaaldelijk werd door de afdeling Wetgeving van de Raad van State gesteld dat de gewesten niet bevoegd zijn met betrekking tot de veiligheidsnormering voor de wegeninfrastructuur. Het is niet logisch dat de gewesten — als wegbeheerder en als bevoegde overheid met betrekking tot wegbeheer in het algemeen — hiervoor niet bevoegd zijn.

De aangelegenheid inzake de minimale technische veiligheidsnormen inzake de bouw en het onderhoud van de wegen en hun aanhorigheden wordt expliciet toegevoegd aan de bevoegdheden van de gewesten.

De regelgeving inzake de minimale technische veiligheidsnormen inzake bouw en onderhoud van de waterwegen en hun aanhorigheden wordt ook overgedragen.

b. De controle op de naleving van de technische voorschriften van de voertuigen

De veiligheid van het voertuig is één van de pijlers van het verkeersveiligheidsbeleid. Het toezicht is belangrijk voor het milieu en de verkeersveiligheid, vooral inzake zwaar vervoer (emissies, remmen, banden en stabiliteit).

Dit voorstel van bijzondere wet hevelt het toezicht op de naleving van de technische federale voorschriften voor voertuigen met het oog op hun inverkeerstelling over aan de gewesten.

In de mate dat de op de voertuigen toepasselijke technische voorschriften federaal blijven, is de controle op de technische voorschriften voor voertuigen die is uitgevoerd in een gewest automatisch geldig in de andere gewesten, aangezien de technische voorschriften krachtens dewelke de voertuigen zijn gecontroleerd door een gewest noodzakelijkerwijze dezelfde zijn als deze die worden toegepast in de andere gewesten.

c. De technische keuring van voertuigen

Dit voorstel van bijzondere wet beoogt de bevoegdheid inzake de technische keuring van voertuigen over te dragen aan de gewesten. Het federale niveau blijft bevoegd voor de productnormen en de inschrijving van de voertuigen.

Er wordt ook voorzien dat elke natuurlijke persoon en rechtspersoon de technische keuring van zijn voertuig kan laten uitvoeren in een keuringscentrum van het gewest van zijn keuze, ongeacht zijn woonplaats. De gewesten erkennen automatisch de geldigheid van de technische keuring die op het grondgebied van een van die gewesten is uitgevoerd.

d. De homologatie van radars en andere instrumenten die gelinkt zijn met de gewestelijke bevoegdheden

De gewesten worden dus bevoegd voor de modelgoedkeuring, de eerste ijk, de herijk en de technische controle van die instrumenten.

e. De rijopleiding, de rijscholen en de examencentra

Dit voorstel van bijzondere wet voorziet in de toewijzing van de bevoegdheid met betrekking tot de reglementering inzake de scholing en examens met het oog op het verkrijgen van het rijbewijs, met inbegrip van de organisatie en erkenningsvoorwaarden van rijscholen en examencentra, aan de gewesten. Zo kan elke gewest, binnen het Europees regelgevend kader, een optimaal verkeersveiligheidsbeleid voeren.

De bevoegdheid met betrekking tot het rijbewijs zelf blijft een federale bevoegdheid.

Het spreekt voor zich dat wanneer specifieke bevoegdheden met betrekking tot de scholing, de examens en de rijscholen aan de gewesten worden overgedragen, de overige aspecten met betrekking tot de voorwaarden voor het uitkeren van een rijbewijs en voor het besturen van voertuigen tot de residuaire bevoegdheid van de federale overheid blijven horen.

Het voorlopig rijbewijs, het rijbewijs met punten en de regels inzake verval blijven tot de federale bevoegdheid behoren.

f. De regelgeving en de controle op de binnenscheepvaart

Het betreft de volgende vijf bijzondere reglementeringen :

1º het algemeen reglement betreffende de politie over het verkeer op waterwegen;

2º de regels met betrekking tot de bemanningsvoorschriften;

3º de veiligheid van binnenschepen en binnenschepen die ook voor niet-internationale zeereizen worden gebruikt (kustvaartschepen);

4º het gevaarlijk en uitzonderlijk vervoer op de binnenwateren en

5º de regelgeving inzake de minimale technische veiligheidsnormen inzake bouw en onderhoud van de waterwegen en hun aanhorigheden.

De gewesten zullen eveneens bevoegd zijn om de administratieve en strafrechtelijke sancties te bepalen bij niet-naleving van de reglementering van de binnenvaart die bij dit voorstel wordt geregionaliseerd. Gewestelijke ambtenaren zullen bevoegd kunnen zijn om op de toepassing van de gewestelijke regels toe te zien.

Het algemeen reglement betreffende de politie over het verkeer op waterwegen wordt geregionaliseerd maar de regels betreffende het politiekorps blijven federaal, net zoals de bevoegdheid inzake de douane en het statuut van de scheepvaartpolitie.

Naar aanleiding van deze bevoegdheidsoverdrachten zal het verplichte samenwerkingsakkoord van 17 juni 1991 tussen het Vlaams Gewest, het Waalse Gewest et het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreffende de wegen die de gewestgrenzen overschrijden worden geactualiseerd, om het met name tot andere aspecten van de inter-gewestelijke mobiliteit uit te breiden en inzonderheid inzake verkeersveiligheid.

g. De aanleg, de aanpassing of de modernisering van de spoorlijnen

Na de goedkeuring van elk nieuw meerjareninvesteringsplan of actualisering ervan door de federale overheid zullen de drie gewesten voor een bijkomende financiering kunnen zorgen voor de aanleg, aanpassing of modernisering van de spoorlijnen, voor zover de federale overheid effectief in voldoende financiering voorziet teneinde in de drie gewesten een aantrekkelijk en performant aanbod voor het spoorvervoer te verzekeren dat goed aansluit op andere vervoermiddelen, en voor zover het de 60/40-sleutel respecteert die betrekking heeft op de in het Vlaams of Waalse Gewest lokaliseerbare uitgaven.

De door dit voorstel van bijzondere wet aan de gewesten geboden mogelijkheid om op aanvullende wijze tussen te komen in de financiering van de aanleg, de aanpassing of de modernisering van de spoorlijnen, moet begrepen worden als een bevoegdheid voor de gewesten om middelen toe te voegen aan het meerjareninvesteringsplan, niet om eventuele tekortkomingen van de federale overheid, die bevoegd blijft voor de investeringen in en de exploitatie van het spoor, voor wat dat laatste betreft de aanleg, aanpassing en modernisering van de spoorwegen inbegrepen, aan te vullen, maar wel om bijkomende ontwikkelingen op het nationaal netwerk toe te laten op hun respectieve grondgebieden.

De uitoefening van deze bevoegdheid van de gewesten zal onderhevig zijn aan het sluiten van een samenwerkingsakkoord tussen de federale overheid, enerzijds, en het of de betrokken gewest(en) anderzijds, en waarvan de duur de vervaldatum van het overeenkomstige meerjareninvesteringsplan niet mag overschrijden.

14. Onteigeningen en de aankoopcomites

De gemeenschappen en de gewesten zijn reeds bevoegd om over te gaan tot onteigening ten algemenen nutte. De regeringen zijn eveneens bevoegd om, in gewest- en gemeenschapsmateries, andere rechtspersonen te machtigen om tot onteigeningen over te gaan. Het decreet kan de gevallen en de voorwaarden waarin tot onteigening kan worden overgegaan bepalen, maar het mag geen inbreuk maken op de gerechtelijke procedureregels die op federaal niveau bepaald blijven. Dit voorstel strekt ertoe de gewesten toe te laten specifieke normen met betrekking tot de gerechtelijke procedure inzake onteigening uit te werken. Dit wordt geregeld door artikel 33, artikel 39 en artikel 40.

De voorgestelde wijziging heeft als doel de gewesten toe te laten de gerechtelijke procedure uit te werken inzake onteigening. De onteigeningen die plaatsvinden op het grondgebied van een bepaald gewest zullen onderworpen zijn aan de procedure aangenomen door het betrokken gewest, behalve wat betreft de onteigeningen door de federale overheid en door de instellingen die door haar werden gemachtigd om tot onteigening over te gaan, die onderworpen blijven aan de federale procedure. Deze voeren immers onteigeningen uit op het gehele territorium van het land. Hen onderwerpen aan drie onteigeningsprocedures zou een overdreven administratieve last uitmaken.

Artikel 34 en artikel 52 van dit voorstel hebben eveneens tot doel de gemeenschappen en de gewesten toe te staan om te bepalen wie handelingen met een onroerend karakter kan authentificeren, waarbij een gemeenschap, gewest, een ondergeschikt bestuur, openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, of een orgaan dat aan de controle of het administratief toezicht van een van de voornoemde overheden onderworpen is of een dochterentiteit van deze entiteit, partij is, alsook handelingen betreffende de organisatie en het interne bestuur van een entiteit die onderworpen is aan de controle of het administratief toezicht van een of meerdere van de voornoemde overheden of van een dochterentiteit van deze entiteit.

Verder zal het samenwerkingsakkoord van 24 oktober 2002 worden herzien om de oprichting van het Agentschap voor patrimoniale informatie mogelijk te maken.

15. Het openbaar ambt

De overdrachten van deze aangelegenheid worden geregeld door artikel 36, 41 en 57 van het voorstel.

De gemeenschappen en gewesten worden volledig bevoegd voor het administratief en geldelijk statuut van hun personeel, met uitzondering van de pensioenregeling.

De gemeenschappen en gewesten worden bevoegd om uitzendarbeid in hun respectieve overheidsdiensten en lokale besturen toe te staan.

Het voorstel voorziet erin dat de algemene principes van het administratief en geldelijk statuut van het Rijkspersoneel die bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad bepaald zijn, niet langer van rechtswege van toepassing zijn op het personeel van de gemeenschappen en de gewesten, evenals op het personeel van de publiekrechtelijke rechtspersonen die afhangen van de gemeenschappen en de gewesten.

Overwegende dat het Institutioneel Akkoord erin voorziet dat « de mobiliteit tussen de verschillende entiteiten mogelijk zal blijven », wordt de bepaling die betrekking heeft op de mobiliteit in voormeld koninklijk besluit, ingeschreven in de bijzondere wet. Het statuut moet dus bepalen dat er een beroep kan worden gedaan op een ambtenaar van een andere overheid, onder de voorwaarden vastgesteld door het statuut.

De federale overheid blijft bevoegd voor de pensioenregeling. Het is in het licht van deze federale pensioenbevoegdheid dat de federale pensioenregelgeving wordt gewijzigd teneinde te anticiperen op de impact van eventueel toekomstige deelstatelijke regelgeving met betrekking tot het administratief en geldelijk statuut van hun personeel ten gevolge van de bevoegdheidsoverdracht waarin onderhavig voorstel voorziet.

Meer in het bijzonder wordt in de federale pensioenregelgeving een loonplafond ingeschreven ten belope waarvan de wedde van overheidspersoneel, zo ook van het personeel van de gemeenschappen en gewesten, aanneembaar is voor de pensioenberekening.

Het voorstel strekt er eveneens toe om de gemeenschappen en de gewesten, in het kader van hun respectieve bevoegdheden, de mogelijkheid te geven om uitzendarbeid toe te staan in hun respectieve overheidsdiensten en lokale besturen.

Alle arbeidsrechtelijke bepalingen die de uitzendarbeid regelen blijven federaal.

Verder worden de gemeenschappen en de gewesten ook bevoegd inzake de loopbaanonderbreking. De middelen die besteed worden aan de uitbetaling van loopbaanonderbrekingsvergoedingen (algemeen en thematisch) door de RVA, zullen naar de gemeenschappen en de gewesten worden overgeheveld voor het personeel van het openbaar ambt dat tot hun respectieve bevoegdheid behoort, met daarin begrepen het onderwijzend personeel en het openbaar ambt in de plaatselijke besturen.

16. Biculturele aangelegenheden van gewestelijk belang

Dit voorstel van bijzondere wet wijzigt op bepaalde punten de bevoegdheidsverdeling over de biculturele aangelegenheden van gewestelijk belang in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad.

Deze bevoegdheidsoverdracht wordt geregeld in artikel 47, artikel 49 en artikel 50 en dient verder te worden gelezen met het voorstel tot invoeging van een artikel 135bis in de Grondwet (Parl. St., Senaat, zitting 2012-2013, nr. 5-2241/1).

Overeenkomstig het voorstel tot invoeging van een artikel 135bis in de Grondwet, dat gelijktijdig wordt ingediend in het Parlement, wijst dit voorstel van bijzondere wet, voor het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, aan het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest bepaalde van de bevoegdheden in culturele aangelegenheden toe die niet toegewezen zijn, op basis van artikel 127, § 2, van de Grondwet, aan de gemeenschappen.

Te dien einde wordt een artikel 4ter ingevoegd in de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen. Deze nieuwe bepaling voorziet erin dat, onverminderd de bevoegdheden van de Franse Gemeenschap en de Vlaamse Gemeenschap, het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest de volgende bevoegdheden uitoefent inzake de culturele aangelegenheden bedoeld in artikel 127, § 1, eerste lid, 1º, en voor wat deze aangelegenheden betreft, 3º, van de Grondwet :

a) de financiering en subsidiëring van de gemeentelijke sportinfrastructuur;

b) het opzetten van programma's voor beroepsopleidingen voor zover deze kaderen in het werkgelegenheidsbeleid en rekening houden met het specifieke karakter van Brussel;

c) de biculturele aangelegenheden voor zover deze van gewestelijk belang zijn, hetgeen in elk geval geen betrekking heeft op de huidige federale culturele instellingen (De Munt, Het Paleis voor Schone Kunsten, Het Nationaal Orkest van België) die tot de bevoegdheid van de federale overheid blijven behoren.

17. Versterking van de veiligheid in Brussel

De artikelen 20, 51, 55 en 56, van dit voorstel van bijzondere wet moeten wat dat betreft samen worden gelezen met het wetsvoorstel met betrekking tot de Zesde Staatshervorming inzake de aangelegenheden bedoeld in artikel 77 van de Grondwet en met het wetsvoorstel met betrekking tot de Zesde Staatshervorming inzake de aangelegenheden bedoeld in artikel 78 van de Grondwet (Parl. St., Senaat, zitting 2012-2013, nrs. 5-2233/1 en 5-2234/1).

Dit voorstel van bijzondere wet beoogt de functie van gouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad af te schaffen en zijn bevoegdheden toe te kennen aan de minister-president van de Brusselse Hoofdstedelijke regering of aan een hoge ambtenaar die door deze regering is benoemd.

a. De bevoegdheden van de gouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad

De functie van gouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad is voorzien in artikel 5 van de provinciewet. Deze bepaling voorziet erin dat deze commissaris van de federale regering in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad de in de artikelen 124, 128 en 129 van de provinciewet voorziene bevoegdheden uitoefent.

Deze bevoegdheden van de gouverneur zullen voortaan in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad worden toevertrouwd aan de minister-president van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Die zal deze bevoegdheid uitoefenen, niet in het kader van de bevoegdheden die zijn toegewezen aan de organen van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, die als deelstaat optreedt (artikel 39 van de Grondwet), maar wel in het kader van de bevoegdheden die zijn toegewezen aan deze overheden die optreden als organen van de agglomeratie, ondergeschikte overheid.

b. De toekenning van andere bevoegdheden inzake veiligheid aan de organen van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest

1º De minister-president zal de bevoegdheden uitoefenen die momenteel zijn toegewezen aan de provinciegouverneur inzake ordehandhaving, het veiligheidsbeleid coördineren en, in dat kader, de veiligheidsmonitoring en de registratie van de criminaliteit verzekeren en coördineren en een harmoniserende tekst voor de gemeentelijke politiereglementen voorleggen, met inachtneming van de specifieke kenmerken van de gemeenten;

2º De minister-president zal de functies uitoefenen die in de betreffende wetten zijn toegewezen aan de provinciegouverneur, behalve wanneer deze wetten er anders over beschikken;

3º De regering zal een gewestelijk veiligheidsplan goedkeuren dat zal worden voorgelegd door de minister-president, nadat deze daartoe een gewestelijke veiligheidsraad heeft samengeroepen;

4º De regering zal alleen het toezicht uitoefenen op de begrotingen van de politiezones;

5º Het Parlement en de regering zullen de Brusselse agglomeratiebevoegdheden uitoefenen die niet zijn toegewezen aan de overeenkomstig dit voorstel van bijzondere wet bepaalde organen, het preventiebeleid coördineren en het samenvoegen van bepaalde administratieve diensten van de politiezones aanmoedigen, evenals het beroep doen op de aankoopcentrale voor het verwerven van materiaal.

18. Het toezicht op het principe van de federale loyauteit

Dit voorstel wijzigt de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof om het Hof uitdrukkelijk bevoegd te maken om wetten, decreten en de in artikel 134 bedoelde regelen te toetsen aan het in artikel 143 van de Grondwet bedoelde principe van de federale loyauteit, en dit zowel in beroepen tot vernietiging als naar aanleiding van prejudiciële vragen.

1.b. VOORSTEL VAN BIJZONDERE WET TOT WIJZIGING VAN DE BIJZONDERE WET VAN 8 AUGUSTUS 1980 TOT HERVORMING DER INSTELLINGEN MET HET OOG OP EEN NIEUWE BEVOEGDHEIDSVERDELING INZAKE JEUGDBESCHERMING (VAN DE HEREN ALAIN COURTOIS, ARMAND DE DECKER, GERARD DEPREZ, RICHARD MILLER EN JACQUES BROTCHI), NR. 5-540/1

De heer De Decker verklaart dat dit voorstel zal worden ingetrokken.

1.c. VOORSTEL VAN BIJZONDERE WET TOT WIJZIGING VAN ARTIKEL 6 VAN DE BIJZONDERE WET VAN 8 AUGUSTUS 1980 TOT HERVORMING DER INSTELLINGEN WAT DE SPOORWEGEN BETREFT (VAN DE HEER FILIP DEWINTER, MEVROUW ANKE VAN DERMEERSCH EN DE HEER JURGEN CEDER); NR. 5-747/1

Inleidende uiteenzetting van de heer Laeremans

Dit voorstel is ingediend op 25 januari 2011, ruim voordat de institutionele meerderheid op 11 oktober 2011 het Institutioneel Akkoord voor de Zesde Staatshervorming heeft afgesloten. Het heeft tot doel de bevoegdheden inzake spoorwegen te regionaliseren.

Artikel 6, § 1, X, 2ºbis, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna BWHI genoemd) bepaalt dat met betrekking tot openbare werken en vervoer, het juridisch stelsel van de land- en waterwegenis, door wie ook beheerd, tot de bevoegdheden van de gewesten behoort, met uitzondering van de spoorwegen beheerd door de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen (NMBS).

In juli 2001 werd een samenwerkingsakkoord tussen de gewesten en de federale overheid gesloten dat bepaalde dat de Vlaamse overheid NMBS-investeringen kan pre- en cofinancieren. Hierdoor wil Vlaanderen een aantal projecten uit het investeringsplan, zoals bijvoorbeeld een tweede spoortoegang tot de haven van Antwerpen, snel laten realiseren. Omdat de spoorwegen nog steeds een federale bevoegdheid blijven, meent de Raad van State echter dat Vlaanderen niet bevoegd is om spoorinvesteringen te financieren. Een eventuele vernietiging van het bekrachtigingsdecreet door het Grondwettelijk Hof zou tot gevolg kunnen hebben dat de noodzakelijke werken voor Vlaanderen niet of met grote vertraging zullen worden uitgevoerd. Een definitieve regeling dringt zich dan ook op.

Ook in het kader van de overname van de NMBS-schulden wordt de 60/40-verdeelsleutel, die reeds zo nadelig is voor Vlaanderen, de facto nog eens doorbroken ten voordele van Wallonië. Want binnen het schuldenpakket zitten ook de leningen die de NMBS zelf heeft aangegaan om de HST te financieren. Deze vallen evenwel niet onder de 60/40-verdeelsleutel. Redelijkerwijs zouden deze bedragen moeten ondergebracht worden in de verdeelsleutel. Dit leidt dan tot een onevenwicht ten nadele van Vlaanderen. Een inhaalbeweging voor spoorinvesteringen in Vlaanderen zou dan ook moeten gerealiseerd worden om opnieuw de op zich al nadelige 60/40-verhouding te bekomen. Maar op dit vlak verandert er niets en blijven de voor Vlaanderen noodzakelijke spoorinvesteringen uit.

Een voorbeeld van die benadeling is het nieuwe HST-station dat in Charleroi bij de luchthaven zal worden gebouwd. Het is een van de vele voorbeelden van onrechtstreekse steun die de concurrentie tussen de luchthavens van Charleroi en Zaventem verstoort. Zo dient alleen Zaventem te betalen voor de diensten van Belgocontrol, terwijl de regionale luchthavens daarvan vrijgesteld zijn. De luchthaven van Charleroi wordt dus via allerlei subsidiestromen rijkelijk gefinancierd ten nadele van Zaventem. Dat is concurrentievervalsend. Beide luchthavens hebben recht van bestaan, maar zij moeten hun concurrentiestrijd met gelijke wapens kunnen voeren.

Onderhavig voorstel strekt ertoe artikel 6 van de BWHI alvast op het vlak van de spoorwegen te herschrijven. Het verdient aanbeveling dat de artikelen van de Grondwet die betrekking hebben op de indeling van België in gewesten, voor herziening vatbaar verklaard worden, teneinde te komen tot de werkelijke tweeledigheid van België, dat bestaat uit de deelstaten Vlaanderen en Wallonië.

De uitsluitend aan het Vlaamse en het Waalse Gewest toegewezen bevoegdheden dienen derhalve in het Brussels Hoofdstedelijk Gebied uitgeoefend te worden door het Vlaamse Gewest. Per slot van rekening ligt Brussel geografisch in Vlaanderen.

Indien Vlaanderen een onafhankelijke Staat wordt, dan is dat uiteraard met inbegrip van Brussel. Het is de overtuiging van de indieners dat Brussel op dat ogenblik voor Vlaanderen zal kiezen. Als enclave heeft die stad geen toekomst.

Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is oorspronkelijk geconcipieerd als een volwaardig tweetalig gebied met een hoofdstedelijke functie. Mettertijd heeft dit gewest zich echter ontwikkeld tot een derde, hoofdzakelijk Franstalig gewest waar de taalrechten en politieke rechten van de Nederlandstaligen systematisch worden gefnuikt en dat via het ongrondwettig vehikel van de Fédération Wallonie-Bruxelles aansluiting zoekt bij het Waals Gewest. Op die manier worden de Vlamingen uit Brussel verdreven.

Dit voorstel is een prelude op het eindspel waarbij Brussel in een onafhankelijk Vlaanderen zal worden opgenomen. Vandaar het voorliggende voorstel om van het spoorvervoer, beheerd door de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen, een gewestelijke bevoegdheid te maken, waarbij enkel wordt uitgegaan van een defederalisering ten aanzien van het Vlaamse en het Waalse Gewest.

Daarom bepaalt het voorstel onder meer dat « de bevoegdheden inzake spoorwegen beheerd door de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen gelokaliseerd in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad worden uitgeoefend door het Vlaamse Gewest ».

Dat impliceert onder meer dat de taalwetgeving in de Brusselse stations rigoureus moet worden gerespecteerd en dat het Nederlands en het Frans er op voet van gelijkheid staan. Dat betekent dat boodschappen afwisselend eerst in het Nederlands en dan in het Frans moeten worden verspreid. Ook in een onafhankelijk Vlaanderen zullen het Nederlands en het Frans in Brussel op gelijke voet staan. Op dit ogenblik wordt de taalwetgeving in Brussel echter voortdurend met de voeten getreden.

1.d. VOORSTEL VAN BIJZONDERE WET TOT WIJZIGING VAN DE BIJZONDERE WET VAN 8 AUGUSTUS 1980 TOT HERVORMING DER INSTELLINGEN MET HET OOG OP DE REGIONALISERING VAN HET HANDELSVESTIGINGSBELEID (VAN MEVROUW ANKE VAN DERMEERSCH EN DE HEER FILIP DEWINTER), NR. 5-1107/1

De heer Laeremans verklaart dat dit voorstel zal worden ingetrokken.

1.e. VOORSTEL VAN BIJZONDERE WET TOT WIJZIGING VAN DE BIJZONDERE WET VAN 8 AUGUSTUS 1980 TOT HERVORMING DER INSTELLINGEN MET BETREKKING TOT DE KEURING VAN GEGEVENSDRAGERS (VAN DE HEER BERT ANCIAUX), NR. 5-1262/1

De heer Anciaux verklaart dit voorstel te zullen intrekken.

1.f. VOORSTEL VAN BIJZONDERE WET TOT WIJZIGING VAN DE BIJZONDERE WET VAN 8 AUGUSTUS 1980 TOT HERVORMING DER INSTELLINGEN WAT DE BUITENLANDSE HANDEL BETREFT (VAN MEVROUW ANKE VAN DERMEERSCH C.S.); NR. 5-1449/1

Inleidende uiteenzetting van de heer Laeremans

In de resolutie betreffende het tot stand komen van meer coherente bevoegdheidpakketten in de volgende staatshervorming (Vlaams Parlement, stuk nr. 1342 (1998-1999)), aangenomen door het Vlaams Parlement op 3 maart 1999, formuleerde dit Parlement de volgende specifieke aandachtspunten : « 5. de volledige bevoegdheid inzake buitenlandse handel dient aan de deelstaten te worden toegewezen. Aldus moet het exportpromotiebeleid de exclusieve bevoegdheid worden van de deelstaten. Dat impliceert de afschaffing van de Belgische Dienst voor Buitenlandse Handel (BDBH). (...) »

Vlaams minister-president Kris Peeters heeft dit engagement herbevestigd in zijn toelichting door de Vlaamse regering van haar standpunt op het Octopusoverleg van 1 februari 2008 : « Wat de buitenlandse handel betreft beschikken de gewesten vandaag over ruime bevoegdheden. Het verstrekken van waarborgen tegen uitvoer-, invoer- en investeringsrisico's blijft echter een federale bevoegdheid. Deze taak is toevertrouwd aan de Nationale Delcrederedienst en aan Finexpo. Vlaanderen wil ten aanzien van deze instellingen over een autonoom beslissingrecht beschikken voor de dossiers van bedrijven die gelegen zijn in het Vlaams Gewest. Dat zal volgens ons bijdragen tot een homogenisering van de bevoegdheid op het vlak van de buitenlandse handel. »

Ook in het kader van het nieuwe regeerakkoord van 2009 werd dit standpunt hernomen.

Deze principes voor een verdere staatshervorming werden ten behoeve van de Vlaamse regering door de Vlaamse administratie concreet vertaald in een aantal fiches. Het betreft onder meer fiche 7 over de regionalisering van de federaal resterende bevoegdheden inzake buitenlandse handel. In die fiche wordt onder meer het volgende gesteld :

Vlaams beleidskader

« Op 3 maart 1999 nam het Vlaams Parlement reeds een resolutie aan betreffende het tot stand brengen van meer coherente bevoegdheidspakketten in de volgende staatshervorming, die onder meer vermeldt dat :

« (Het Parlement)

— is van mening dat een meer kwaliteitsvol en efficiënt bestuur vereist dat een aantal onduidelijke of inefficiënte bevoegdheidsverdelingen weggewerkt worden;

— aanziet het tot stand brengen van meer coherente bevoegdheidspakketten dan ook als een prioritaire doelstelling van de volgende staatshervorming. Dit impliceert inzonderheid het volgende : (...)

• (punt 5) De volledige bevoegdheid inzake buitenlandse handel dient aan de deelstaten te worden toegewezen. Aldus moet het exportpromotiebeleid de exclusieve bevoegdheid worden van de deelstaten. Dat impliceert de afschaffing van de Belgische Dienst voor Buitenlandse Handel (BDBH). Beleidsafstemming en samenwerking tussen de deelstaten is noodzakelijk. Wat betreft de Nationale Delcrederedienst en het Comité voor financiële steun aan de export (het vroegere Copromex) moeten de deelstaten een autonoom beslissingsrecht verwerven voor de dossiers van de bedrijven uit de eigen deelstaat. De « leningen van Staat tot Staat » moeten door de deelstaten worden beslist. ».

Voorstel

Een centralisering van de volledige bevoegdheid voor alle facetten van de buitenlandse handel op regionaal niveau zou tegelijk ook de onduidelijkheden vermijden die er nu ontstaan, doordat er nog steeds een federale minister van Buitenlandse Handel en een aantal overblijvende diensten zijn die eigenlijk reeds geregionaliseerd werden, maar toch nog functioneren op federaal niveau.

In het licht van de creatie van dit zo homogeen mogelijke bevoegdheidspakket, is het volgende aangewezen :

1. het aanpassen van de bijzondere wet, namelijk de volgende uitzondering schrappen :

« om waarborgen te verstrekken tegen uitvoer-, invoer- en investeringsrisico's; de vertegenwoordiging van de gewesten in de federale instellingen en organen die deze waarborgen verstrekken, wordt verzekerd »,

opdat een overdracht, maar daarom geen ontbinding, van FINEXPO en van de Nationale Delcrederedienst naar de gewesten kan gebeuren;

2. het opstellen van een samenwerkingsakkoord tussen de gewesten over het beheer van deze instellingen.

(...)

Anticiperende managementinschatting

Aangezien dit een voorstel is tot verandering van statuut en bestuur, maar geen ontbinding, overheveling of andere, denk ik dat eventueel buiten de vergoeding voor de regeringscommissaris van Vlaanderen, er geen bijkomende kost zal zijn. Een regionalisering van bevoegdheden gaat in principe samen met een overdracht van middelen. »

In het Vlinderakkoord van 11 oktober 2011 wordt weliswaar voorzien dat de rol van de deelstaten in FINEXPO en de Nationale Delcrederedienst wordt vergroot, maar dit gaat uiteraard minder ver dan een volledige overdracht aan de deelstaten.

In het federaal regeerakkoord van 1 december 2011 wordt bepaald dat de rol van de deelstaten in het Agentschap voor Buitenlandse Handel zal worden vergroot.

In het voorstel van bijzondere wet van de institutionele meerderheid nr. 5-2232/1 is er evenwel geen spoor te vinden van de regionalisering van de bevoegdheden inzake buitenlandse handel.

Het voorstel van mevrouw Van dermeersch c.s. van 24 januari 2012 heeft op dat manco geanticipeerd en kan bijgevolg worden aangegrepen om de lacune aan te vullen.

De indieners menen dan ook dat zij hiermee de wensen van het Vlaams Parlement en de Vlaamse regering concreet vertalen door FINEXPO en de Nationale Delcrederedienst effectief over te hevelen naar de gewesten.

1.g. VOORSTEL VAN BIJZONDERE WET TOT WIJZIGING VAN ARTIKEL 5, § 1, II, 3, VAN DE BIJZONDERE WET VAN 8 AUGUSTUS 1980 TOT HERVORMING DER INSTELLINGEN IN VERBAND MET DE BURGERSCHAPSPROEF VOORGESCHREVEN MET HET OOG OP DE NATURALISATIE VAN VREEMDELINGEN (VAN DE HEER FILIP DEWINTER C.S.), NR. 5-2116/1

Inleidende uiteenzetting van de heer Laeremans

Dit voorstel van bijzondere wet moet gelezen worden in samenhang met een voorstel dat reeds eerder werd ingediend en strekt tot invoering van het Wetboek Staatsburgerschap (stuk Senaat, nr. 5-647/1 — 2010/2011). In dat voorstel wordt een regeling voorgesteld waarbij naturalisaties alleen nog mogelijk zullen zijn nadat de kandidaten het bewijs geleverd hebben van hun integratie in één van de gemeenschappen van het land. Dat bewijs zal geleverd moeten worden door het afleggen van een burgerschapsproef. Met deze proef zullen de kandidaten hun kennis moeten bewijzen van onder andere de taal en de cultuur van de gemeenschap waartoe zij in de toekomst willen behoren.

Het is de bedoeling van de indieners om de gemeenschappen te belasten met het afnemen van deze burgerschapsproeven. Daarvoor is evenwel een wijziging van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen vereist. Krachtens artikel 128 van de Grondwet hebben de gemeenschappen in verband met de persoonsgebonden aangelegenheden slechts die bevoegdheden die hen door een bijzondere wet worden toegekend.

Er wordt voorgesteld de nieuwe regeling op te nemen in artikel 5, § 1, II, 3º, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, betreffende de integratie van inwijkelingen.

De voorgestelde wijziging heeft betrekking op de Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap. Voor de Duitstalige Gemeenschap is geen bijzondere wet vereist. Er moet zelfs geen gewone wet worden aangenomen. Krachtens artikel 4, § 2, van de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap gelden de regels van artikel 5, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen eveneens voor de kleinste gemeenschap van het land.

Er blijft helaas nog een federale sokkel behouden. « Alleen de federale overheid is bevoegd om regels vast te stellen inzake de onderdelen van de in het vorige lid bedoelde burgerschapsproef, de onderwerpen waarop zij betrekking heeft, haar verdeling in een schriftelijk en een mondeling gedeelte, het toezicht op het verloop van de schriftelijke proeven, de uitloting van de onderwerpen die niet door het Wetboek Staatsburgerschap bepaald zijn, de toelating van de kandidaten tot de opeenvolgende onderdelen, de tijdstippen waarop zij georganiseerd wordt, de wachttijden die de niet geslaagde kandidaten in acht moeten nemen en de vorm en de inhoud van het certificaat dat wordt uitgereikt aan de geslaagde kandidaten. »

Die federale bevoegdheid moet verhinderen dat Brussel en Wallonië de Belgische nationaliteit zouden wegschenken, terwijl Vlaanderen, zoals de buurlanden, een volwaardig nationaliteitsbeleid voert.

Het spreekt voor zich dat dit een overgangsregeling is in afwachting van de Vlaamse onafhankelijkheid.

2. WETSVOORSTEL MET BETREKKING TOT DE ZESDE STAATSHERVORMING INZAKE DE AANGELEGENHEDEN BEDOELD IN ARTIKEL 77 VAN DE GRONDWET (INGEDIEND DOOR DE HEREN PHILIPPE MAHOUX EN DIRK CLAES, MEVROUW CHRISTINE DEFRAIGNE, DE HEREN BERT ANCIAUX EN MARCEL CHERON, MEVROUW MARTINE TAELMAN, DE HEER FRANCIS DELPÉRÉE EN MEVROUW FREYA PIRYNS), NR. 5-2233/1

Inleidende uiteenzetting van de heer Mahoux

Dit wetsvoorstel heeft tot doel om ter uitvoering van het Institutioneel Akkoord voor de Zesde Staatshervorming van 11 oktober 2011 de nodige aanpassingen aan te brengen in de wetten die worden aangenomen volgens de verplicht bicamerale procedure.

Dit wetsvoorstel brengt de nodige wijzigingen aan in het Gerechtelijk Wetboek (a.), in de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap ter uitvoering van het Institutioneel Akkoord voor de Zesde Staatshervorming (b.), en heeft verder betrekking op de uitbreiding van de bevoegdheid van de Raad van State, om de afdeling bestuursrechtspraak de mogelijkheid te geven om een schadevergoeding tot herstel toe te kennen aan de verzoekende partij of aan een tussenkomende partij indien ze daarom vraagt (c.), de versterking van het Brusselse veiligheidsbeleid (d.) en het Overlegcomité (e.).

a. Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek

De artikelen 2, 3 en 27, van dit wetsvoorstel hebben betrekking op de uitvoering van het deel van het Institutioneel Akkoord voor de Zesde Staatshervorming van 11 oktober 2011 dat betrekking heeft op de communautarisering van de organisatie en de bevoegdheden met betrekking tot de strafuitvoering, die worden uitgeoefend door de justitiehuizen. Het voorstel wijzigt de artikelen 196bis en 196quater van het Gerechtelijk Wetboek die betrekking hebben op het selectiecomité en het evaluatiecomité voor de assessoren die zitting hebben in de strafuitvoeringsrechtbanken.

Er wordt derhalve voorzien in een betrokkenheid van de gemeenschappen door de deelname van de directeurs-generaal van de justitiehuizen aan de selectie van de assessoren van de strafuitvoeringsrechtbanken.

Met het oog op coherentie wordt voor het evaluatiecomité voorzien in een soortgelijke betrokkenheid van de gemeenschappen.

b. Wijzigingen van de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap

De artikelen 4 en 5 van dit wetsvoorstel brengen diverse wijzigingen aan in de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap ten gevolge van de wijziging van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen door het voorstel van bijzondere wet met betrekking tot de Zesde Staatshervorming.

c. Wijzigingen van de gecoördineerde wetten op de Raad van State

Overeenkomstig het Institutioneel Akkoord voor de Zesde Staatshervorming van 11 oktober 2011 strekt dit wetsvoorstel ertoe het de Raad van State mogelijk te maken om een schadevergoeding tot herstel toe te kennen aan de verzoekende partij of aan een tussenkomende partij indien ze daarom vraagt.

De artikelen 6 en 7 van dit wetsvoorstel dienen daarom samen te worden gelezen met het voorstel tot herziening van artikel 144 van de Grondwet.

d. Versterking van het veiligheidsbeleid in Brussel

Het Institutioneel Akkoord voor de Zesde Staatshervorming van 11 oktober 2011 voorziet eveneens in diverse institutionele maatregelen om het veiligheidsbeleid in Brussel te versterken.

Daartoe bevat dit wetsvoorstel diverse maatregelen om de efficiëntie van het veiligheidsbeleid in Brussel te verbeteren (zie de artikelen 8 tot 23). Er wordt verwezen naar de toelichting van het voorstel van bijzondere wet met betrekking tot de Zesde Staatshervorming, wat de aspecten tot het vergroten van de veiligheid in Brussel betreft.

e. Het Overlegcomité

Het Institutioneel akkoord voorziet in een grotere rol voor het Parlement en stelt dat de huidige staatshervorming ook de behoefte aan coördinatie versterkt tussen de Federale Staat en de deelstaten. Er zal bijzondere aandacht worden geschonken aan de wijze waarop het debat georganiseerd zal worden over de verplichte internationale programma's (zoals de Europese convergentieprogramma's) waarvoor verschillende beleidsniveaus bevoegd zijn.

In dit kader zullen de rol en werking van het Overlegcomité wettelijk worden verduidelijkt als centraal punt voor overleg, samenwerking en aansporing tot coördinatie van strategieën, onder andere om aan de Europese doelstellingen te voldoen, met naleving van de bevoegdheden van eenieder.

Het Parlement zal toegang krijgen tot de agenda en beslissingen van het Overlegcomité. De werkingsprocedures zullen worden geformaliseerd opdat de regeringen tijdig de standpunten kunnen voorbereiden die ze in het Overlegcomité zullen verdedigen.

Men zal ook bijzondere aandacht schenken aan de voorstelling van regelmatige rapporten over de activiteiten van de interministeriële conferenties en de daarmee samenhangende discussies.

De artikelen 24 tot 26 voorzien in een aantal verduidelijkingen van de wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der instellingen inzake de werkingsregels van het Overlegcomité en de toegang van parlementsleden tot de documenten van dit Comité.

3.a. WETSVOORSTEL MET BETREKKING TOT DE ZESDE STAATSHERVORMING INZAKE DE AANGELEGENHEDEN BEDOELD IN ARTIKEL 78 VAN DE GRONDWET (VAN DE HEREN BERT ANCIAUX EN MARCEL CHERON, MEVROUW MARTINE TAELMAN, DE HEER FRANCIS DELPÉRÉE, MEVROUW FREYA PIRYNS, DE HEREN PHILIPPE MAHOUX EN DIRK CLAES EN MEVROUW CHRISTINE DEFRAIGNE), NR. 5-2234/1

Inleidende uiteenzetting van de heer Anciaux

Dit voorstel heeft tot doel om ter uitvoering van het Institutioneel Akkoord voor de Zesde Staatshervorming van 11 oktober 2011 de wetten aan te passen die volgens de optioneel bicamerale procedure worden aangenomen. Dit wetsvoorstel dient daarom samen te worden gelezen met het voorstel van bijzondere wet met betrekking tot de Zesde Staatshervorming en het wetsvoorstel met betrekking tot de Zesde Staatshervorming inzake de aangelegenheden bedoeld in artikel 77 van de Grondwet, alsook met de voorstellen tot herziening van de artikelen 5, 11bis, 23, 41, 135bis, 142, 144, 151, 162, 170 en 180, van de Grondwet, die gelijktijdig met dit voorstel in het Parlement werden ingediend. De toelichting bij het voorstel van bijzondere wet met betrekking tot de Zesde Staatshervorming geeft een algemeen overzicht van de bevoegdheidsoverdrachten in het kader van de Zesde Staatshervorming.

Dit wetsvoorstel heeft in de eerste plaats tot doel diverse wetgevende bepalingen te wijzigen om de functie van gouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad af te schaffen, voor de aangelegenheden die onder de bicamerale procedure van artikel 78 van de Grondwet vallen. Dit wordt geregeld door de artikelen 2 tot 7.

In de wettelijke bepalingen die de provinciegouverneurs en de gouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad expliciet een bevoegdheid of een opdracht toekenden, wordt de verwijzing naar de gouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad geschrapt. Krachtens artikel 4, § 2ter, 1º, van de wet van 26 juli 1971 houdende organisatie van de agglomeraties en de federaties van gemeenten, ingevoegd door het wetsvoorstel dat overeenkomstig artikel 77 van de Grondwet moet worden goedgekeurd, zullen deze bevoegdheden die aan de provinciegouverneurs worden toegekend in de door dit wetsvoorstel gewijzigde wettelijke bepalingen, op het grondgebied van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest voortaan worden uitgeoefend door de overheid die bevoegd is voor de agglomeratie, dat wil zeggen, overeenkomstig artikel 48, tweede lid van de bijzondere wet van 12 januari 1989, ingevoegd door het voorstel van bijzondere wet met betrekking tot de Zesde Staatshervorming, de minister-president van de Brusselse Hoofdstedelijke regering of, in voorkomend geval, de hoge ambtenaar die door deze regering zal worden aangesteld, op eensluidend advies van de federale regering.

De functie van vice-gouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad blijft behouden. Zijn statuut blijft ongewijzigd.

In de tweede plaats wordt een wijziging aangebracht die verband houdt met de bevoegdheidsoverdrachten inzake mobiliteit en verkeersveiligheid. Dit wordt geregeld door de artikelen 8 tot 10.

Ten derde bevat het voorstel de noodzakelijke aanpassingen van de gewone wetten die verband houden met het Participatiefonds (artikelen 11 tot 15).

Tot slot bevat dit voorstel wijzigingen van de pensioenwetgeving in het kader van de bevoegdheidsoverdracht inzake openbaar ambt (artikelen 16 tot 25).

Het koninklijk besluit van 22 december 2000 tot bepaling van de algemene principes van het administratief en geldelijk statuut van de rijksambtenaren die van toepassing zijn op het personeel van de diensten van de gemeenschaps- en gewestregeringen en van de colleges van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en van de Franse Gemeenschapscommissie, alsook op de publiekrechtelijke rechtspersonen die ervan afhangen, bevat een aantal bepalingen die de weerslag inzake pensioenen voor de Staatskas beperken van bepaalde maatregelen die de gewesten en gemeenschappen nemen inzake het geldelijk en administratief statuut van hun ambtenaren.

Ingevolge het Institutioneel Akkoord hebben de gemeenschappen en de gewesten meer autonomie verkregen bij het bepalen van het administratief en geldelijk statuut van hun ambtenaren.

Aangezien het evenwel de federale overheid is die financieel blijft instaan voor de pensioenlasten van de ambtenaren van de gemeenschappen en de gewesten, en dus ook voor eventuele meerkosten veroorzaakt door de grotere autonomie, is het wenselijk maatregelen te nemen in de pensioenwetgeving.

Titel V van dit voorstel heeft dan ook als doel sommige effecten van bepaalde wijzigingen in het administratief en geldelijk statuut van de ambtenaren van de gemeenschappen en de gewesten te neutraliseren voor de pensioenen ten laste van de federale staatskas.

3.b. WETSVOORSTEL TOT AANVULLING VAN ARTIKEL 5 VAN DE PROVINCIEWET MET EEN BEPALING OVER DE TAALKENNIS VAN DE GOUVERNEUR VAN HET ADMINISTRATIEF ARRONDISSEMENT BRUSSEL-HOOFDSTAD (VAN DE HEER YVES BUYSSE), NR. 5-1310/1

De heer Laeremans verklaart dat dit voorstel zal worden ingetrokken.

4. VOORSTEL TOT HERZIENING VAN ARTIKEL 5, TWEEDE LID, VAN DE GRONDWET (VAN MEVROUW FREYA PIRYNS, DE HEREN PHILIPPE MAHOUX EN DIRK CLAES, MEVROUW CHRISTINE DEFRAIGNE, DE HEREN BERT ANCIAUX EN MARCEL CHERON, MEVROUW MARTINE TAELMAN EN DE HEER FRANCIS DELPÉRÉE), NR. 5-2235/1

Inleidende uiteenzetting van mevrouw Vogels

Overeenkomstig punt 1º van de overgangsbepaling die is toegevoegd aan artikel 195 van de Grondwet tijdens de herziening van dit artikel van 29 maart 2012, is artikel 5, tweede lid, van de Grondwet voor herziening vatbaar. Dit punt 1º bepaalt dat : « de artikelen 5, tweede lid, 11bis, 41, vijfde lid, 159 en 190 om de volledige uitoefening van de autonomie van de gewesten te garanderen ten aanzien van de provincies zonder afbreuk te doen aan de huidige specifieke bepalingen van de wet van 9 augustus 1988 tot wijziging van de gemeentewet, de gemeentekieswet, de organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, de provinciewet, het Kieswetboek, de wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen en de wet tot regeling van de gelijktijdige Parlements- en provincieraadsverkiezingen en aan die met betrekking tot de functie van de gouverneurs, en om de betekenis van het in de Grondwet gebruikte woord « provincie » te beperken tot zijn louter territoriale betekenis, los van elke institutionele betekenis. »

Dit voorstel tot herziening van de Grondwet moet samen worden gelezen met de andere voorstellen tot herziening van de Grondwet betreffende de provincies, alsook met het voorstel tot wijziging van artikel 6, § 1, VIII, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.

Het doel van dit voorstel tot herziening van de Grondwet bestaat erin de volledige uitoefening van de gewestelijke autonomie wat de provincies betreft te verzekeren, zonder afbreuk te doen aan de bijzondere bepalingen die momenteel voorzien zijn in de pacificatiewet van 9 augustus 1988, noch aan de bijzondere bepalingen betreffende de functie van de gouverneurs, zoals voorzien in het Institutioneel Akkoord voor de Zesde Staatshervorming van 11 oktober 2011.

Artikel 5, tweede lid van de Grondwet, dat ongewijzigd is gebleven sedert de goedkeuring van de Grondwet in 1831, bepaalt : « De wet kan, indien daartoe redenen zijn, het grondgebied indelen in een groter aantal provincies. »

Met deze bepaling beoogde het Nationaal Congres de mogelijkheid te bieden om het grondgebied in een groter aantal provincies in te delen indien de groei van de bevolking en andere omstandigheden dergelijke maatregel noodzakelijk zou maken.

Artikel 5, tweede lid, van de Grondwet verhindert echter dat de daartoe bevoegde wetgever minder provincies zou instellen dan deze voorzien in artikel 5, eerste lid, van de Grondwet. Het verhindert aldus ook dat de provincies afgeschaft worden.

Ter uitvoering van het Institutioneel Akkoord voor de Zesde Staatshervorming van 11 oktober 2011, wordt voorgesteld dit lid op te heffen.

Dit voorstel tot herziening van de Grondwet moet samen worden gelezen met de voorgestelde herziening van artikel 41, eerste lid, van de Grondwet waaruit blijkt dat de Grondwet niet verbiedt dat de provincies afgeschaft of gewijzigd kunnen worden, dat hun aantal verminderd of verhoogd kan worden, of dat zij vervangen kunnen worden door bovengemeentelijke besturen.

Artikel 5, eerste lid, staat dit niet in de weg aangezien de in dat artikel opgesomde provincies slechts administratieve gebieden zijn ter omschrijving van het grondgebied van het Vlaamse en het Waalse Gewest. Overeenkomstig punt 1º van de overgangsbepaling die is toegevoegd aan artikel 195 van de Grondwet tijdens de herziening van dit artikel van 29 maart 2012, is de betekenis van het woord « provincie » in de Grondwet in de artikelen van de Grondwet die niet voor herziening vatbaar werden verklaard, beperkt tot zijn louter territoriale betekenis, los van elke institutionele betekenis.

5. VOORSTEL TOT HERZIENING VAN ARTIKEL 11BIS VAN DE GRONDWET (VAN MEVROUW FREYA PIRYNS, DE HEREN PHILIPPE MAHOUX EN DIRK CLAES, MEVROUW CHRISTINE DEFRAIGNE, DE HEREN BERT ANCIAUX EN MARCEL CHERON, MEVROUW MARTINE TAELMAN EN DE HEER FRANCIS DELPÉRÉE), NR. 5-2236/1

Inleidende uiteenzetting van mevrouw Vogels

Overeenkomstig punt 1º van de overgangsbepaling die is toegevoegd aan artikel 195 van de Grondwet bij de herziening van dit artikel van 29 maart 2012, is artikel 11bis van de Grondwet voor herziening vatbaar. Dit punt 1º bepaalt dat : « de artikelen 5, tweede lid, 11bis, 41, vijfde lid, 159 en 190 om de volledige uitoefening van de autonomie van de gewesten te garanderen ten aanzien van de provincies zonder afbreuk te doen aan de huidige specifieke bepalingen van de wet van 9 augustus 1988 tot wijziging van de gemeentewet, de gemeentekieswet, de organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, de provinciewet, het Kieswetboek, de wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen en de wet tot regeling van de gelijktijdige Parlements- en provincieraadsverkiezingen en aan die met betrekking tot de functie van de gouverneurs, en om de betekenis van het in de Grondwet gebruikte woord « provincie » te beperken tot zijn louter territoriale betekenis, los van elke institutionele betekenis. »

Dit voorstel tot herziening van de Grondwet moet samen worden gelezen met de andere voorstellen tot herziening van de Grondwet betreffende de provincies, alsook met het voorstel tot wijziging van artikel 6, § 1, VIII, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.

Het doel van dit voorstel tot herziening van de Grondwet bestaat erin de volledige uitoefening van de gewestelijke autonomie wat de provincies betreft, te waarborgen, zonder afbreuk te doen aan de bijzondere bepalingen die momenteel zijn voorzien in de pacificatiewet van 9 augustus 1988, noch aan de bijzondere bepalingen betreffende de functie van de gouverneurs, zoals voorzien in het Institutioneel Akkoord voor de Zesde Staatshervorming van 11 oktober 2011.

Artikel 11bis, tweede, derde en vierde lid, van de Grondwet waarborgt de vertegenwoordiging van personen van beide geslachten binnen de uitvoerende organen van politieke overheden, onder meer binnen de bestendige deputaties, behalve indien de bestendig afgevaardigden van de provincieraden rechtstreeks verkozen worden.

Dit artikel blijft dus van toepassing op de bestendige deputaties tenzij de gewesten beslissen om hen af te schaffen.

Dit artikel dient eveneens van toepassing te worden verklaard op de bovengemeentelijke besturen bedoeld in het voorstel tot herziening van artikel 41, eerste lid, tweede zin, van de Grondwet die desgevallend opgericht zouden worden om de provincies te vervangen. Daarom wordt er voorgesteld om het derde en vierde lid aan te vullen met de term « bovengemeentelijk ».

16. VOORSTEL TOT HERZIENING VAN ARTIKEL 41 VAN DE GRONDWET (INGEDIEND DOOR DE HEER MARCEL CHERON, MEVROUW MARTINE TAELMAN, DE HEER FRANCIS DELPÉRÉE, MEVROUW FREYA PIRYNS, DE HEREN PHILIPPE MAHOUX EN DIRK CLAES, MEVROUW CHRISTINE DEFRAIGNE EN DE HEER BERT ANCIAUX), NR. 5-2237/1

Inleidende uiteenzetting van mevrouw Thibaut

Het doel van dit voorstel tot herziening van de Grondwet is te zorgen voor de volledige uitoefening van de gewestelijke autonomie wat de provincies betreft, zonder afbreuk te doen aan de bijzondere bepalingen die momenteel voorzien zijn in de pacificatiewet van 9 augustus 1988, noch aan de bijzondere bepalingen betreffende de functie van gouverneur, zoals voorzien in het Institutioneel Akkoord voor de Zesde Staatshervorming van 11 oktober 2011.

Artikel 41 van de Grondwet bepaalt dat de uitsluitend provinciale belangen door de provincieraden geregeld worden volgens de beginselen vastgesteld bij de Grondwet.

Uit dit artikel, in samenhang gelezen met artikel 162, tweede lid, 2º, van de Grondwet en artikel 6, § 1, VIII, 1º, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, wordt het beginsel van de lokale autonomie afgeleid. Het Grondwettelijk Hof stelt omtrent de lokale autonomie van de provincies dat :

« B.24. Het beginsel van lokale autonomie veronderstelt dat de lokale overheden zich elk doel kunnen toe-eigenen waarvan zij menen dat het tot hun belang behoort en het kunnen regelen zoals zij dat opportuun achten. Dat beginsel doet echter geen afbreuk aan de verplichting van de provincies, wanneer zij optreden op grond van het provinciaal belang, om de hiërarchie der normen in acht te nemen. Daaruit vloeit voort dat wanneer de Federale Staat, een gemeenschap of een gewest een aangelegenheid regelen die onder hun bevoegdheid valt, de provincies aan die reglementering worden onderworpen bij de uitoefening van hun bevoegdheid in diezelfde aangelegenheid. Wanneer het Waalse Gewest te dezen optreedt in een van de aangelegenheden bedoeld in de in het geding zijnde artikelen, beperkt het daardoor de autonomie van de provincies, die zich enkel op die domeinen bevoegd kunnen verklaren met inachtneming en ter aanvulling van de gewestelijke wetgeving.

B.25. Het beginsel van lokale autonomie doet evenmin afbreuk aan de bevoegdheid van de Federale Staat, de gemeenschappen of de gewesten om te oordelen welk het meest geschikte niveau is om een aangelegenheid te regelen die hun toekomt. Aldus kunnen die overheden aan de lokale besturen de reglementering toevertrouwen van een aangelegenheid die beter op dat niveau kan worden geregeld. Zij kunnen tevens oordelen dat een aangelegenheid, daarentegen, beter zal worden geregeld op een meer algemeen niveau, op die wijze dat ze op een eenvormige manier zal worden geregeld voor het gehele grondgebied waarvoor zij bevoegd zijn, en bijgevolg de lokale overheden verbieden zich die aangelegenheid toe te eigenen. Dat is wat de aangevochten bepalingen doen, door « a contrario een definitie te geven van het provinciaal belang door uitdrukkelijk van de inhoud daarvan een aantal handelingen en verantwoordelijkheden uit te sluiten die dus niet langer onder de bevoegdheid van de provincies vallen » en door eraan te herinneren « dat als intermediaire overheid, de provincie in ondergeschikte orde moet optreden ten aanzien van het gewest en de gemeenten » (Parl. St., Waals Parlement, 2003-2004, nr. 613/1, blz. 3).

B.26. De inbreuk op de bevoegdheid van de provincies en bijgevolg op het beginsel van de lokale autonomie die elk optreden, hetzij positief, hetzij negatief, van de Federale Staat, de gemeenschappen of de gewesten inhoudt in een aangelegenheid die tot hun bevoegdheid behoort, zou enkel strijdig zijn met de in het middel vermelde bepalingen waarbij de bevoegdheid van de provincies wordt gewaarborgd voor alles wat van provinciaal belang is, wanneer ze kennelijk onevenredig is. Zulks zou bijvoorbeeld het geval zijn indien ze ertoe zou leiden dat aan de provincies het geheel of de essentie van hun bevoegdheden wordt ontzegd, of indien de beperking van de bevoegdheid niet zou kunnen worden verantwoord door het feit dat die beter zou worden uitgeoefend op een ander bevoegdheidsniveau. » (Grondw. Hof, nr. 95/2005 van 25 mei 2005).

Samenvattend kunnen de gewesten, ingevolge het grondwettelijk verankerde beginsel van de lokale autonomie en volgens de Raad van State, geen provincies afschaffen, noch nieuwe creëren, noch ze vervangen door nieuwe instellingen (advies 49 938 van de afdeling wetgeving van de Raad van State, Parl. St., Vl. Parl., sess. 2010-2011, nr. 943/2, blz. 6).

Dat is precies de bijkomende autonomie die door dit voorstel tot herziening van de Grondwet, dat samen moet worden gelezen met de andere bovenvermelde voorstellen, wordt toegekend aan de gewesten.

Krachtens dit voorstel tot herziening van de Grondwet, en zoals uiteengezet in de toelichting van het voorstel tot herziening van artikel 5, tweede lid, van de Grondwet, wordt het aldus mogelijk dat de gewesten op grond van hun bevoegdheid bedoeld in artikel 6, § 1, VIII, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen zoals dat zal worden gewijzigd, de provinciale instellingen kunnen afschaffen of wijzigen of, in het geval van een afschaffing, ze kunnen vervangen door bovengemeentelijke besturen. Schaft een gewest zijn provincies af, dan kan het ze desgewenst vervangen door bovengemeentelijke besturen waarvan de raden de uitsluitend bovengemeentelijke belangen regelen volgens de beginselen bij de Grondwet vastgesteld. Zoals de provincies en de gemeenten, beschikken deze bovengemeentelijke besturen dus over de lokale autonomie.

Het spreekt voor zich dat de gewesten bij de uitoefening van deze bevoegdheden op grond van artikel 6, § 1, VIII, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen zoals dat zal worden gewijzigd, hierbij binnen de contouren van dit artikel moeten blijven. Ze zijn dus onder meer niet gemachtigd om de mechanismen ingevoerd bij de pacificatiewet van 9 augustus 1988 tot wijziging van de gemeentewet, de nieuwe gemeentewet, de gemeentekieswet, de organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, de provinciewet, het Kieswetboek, de organieke wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen en de wet tot regeling van de gelijktijdige parlements- en provincieraadsverkiezingen te wijzigen, af te schaffen of over te dragen. Ze zijn evenmin bevoegd ten aanzien van de regels bepaald in artikel 5, 5bis, 70, 3 en 8, 126, tweede en derde lid, en titel XI van de provinciewet, noch met betrekking tot de organisatie en het beleid met betrekking tot de politie of de brandweerdiensten.

Het spreekt eveneens voor zich dat de voorliggende hervorming zonder voorwerp is op het grondgebied van het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad dat geheel onttrokken is aan de indeling in provincies, die bijgevolg ook niet afgeschaft of vervangen kunnen worden. Artikel 163 van de Grondwet blijft ter zake onverkort van toepassing.

Gelet op het dermate fundamenteel karakter alsook de belangrijke praktische gevolgen van de opheffing van de provincies en hun vervanging in voorkomend geval door bovengemeentelijke besturen en rekening houdende met de grote autonomie die aan de gewesten wordt toegekend om te beslissen tot en het uitvoeren van dergelijke hervormingen, achten de indieners van dit voorstel tot herziening van de Grondwet het noodzakelijk te bepalen dat de afschaffing van de provincies en, in voorkomend geval, de oprichting van bovengemeentelijke besturen slechts mogelijk is met een meerderheid van tweederde van de uitgebrachte stemmen, op voorwaarde dat de meerderheid van de leden aanwezig is.

Bij de oprichting van bovengemeentelijke besturen bekrachtigt het decreet aangenomen met een gewone meerderheid de toepassing van de in artikel 162, tweede lid, bedoelde beginselen. Het gewest kan andere principes die het essentieel acht, eventueel met een tweederde meerderheid, vaststellen voor de bovengemeentelijke besturen. Indien een gewest bijkomende principes vaststelt met een tweederde meerderheid, kunnen deze principes slechts gewijzigd worden via dezelfde bijzondere meerderheid. De nadere regels voor de uitvoering en toepassing van voormelde principes alsook de wijziging ervan kunnen echter bij gewone meerderheid door het betrokken parlement worden aangenomen.

De raad van het bovengemeentelijke bestuur regelt als gedecentraliseerd bestuur de uitsluitend bovengemeentelijke belangen volgens de beginselen bij de Grondwet vastgesteld. In dit geval zal het beginsel van de lokale autonomie gelden voor de raad van het bovengemeentelijke bestuur, net zoals dit nu het geval is voor de provincieraden en de gemeenteraden en zullen aldus dezelfde grondwettelijke waarborgen gelden. Het begrip bovengemeentelijk belang betekent het belang van elk bovengemeentelijk bestuur dat door een gewest wordt gecreëerd ter vervanging van de provincies.

Indien een gewest zijn provinciale instellingen afschaft en ze, in voorkomend geval, vervangt, of nieuwe provincies creëert, heeft een dergelijke hervorming tot gevolg dat de betekenis van het in de Grondwet gebruikte woord « provincie » voor dat gewest beperkt wordt tot zijn louter territoriale betekenis, waardoor de provincies in kwestie worden omgevormd tot administratieve gebieden, zoals in de toelichting bij het voorstel tot herziening van artikel 5, tweede lid, van de Grondwet wordt uiteengezet. Overeenkomstig het punt 1º van de overgangsbepaling die is toegevoegd aan artikel 195 van de Grondwet tijdens de herziening van dit artikel van 29 maart 2012 (Belgisch Staatsblad van 6 april 2012, Ed. 2), zal de betekenis van het woord « provincie » in de Grondwet in de artikelen van de Grondwet die niet voor herziening vatbaar werden verklaard, worden beperkt tot zijn louter territoriale betekenis, los van elke institutionele betekenis. Geen enkel Grondwetsartikel kan voortaan nog worden beschouwd als een obstakel voor de afschaffing, wijziging, oprichting of vervanging van de provincies.

Het behoud van de grondwettelijke bepalingen betreffende de provincies beoogt slechts twee zaken. Een eerste doelstelling is het behoud van een grondwettelijke verankering van de provinciale instellingen zo lang niet alle gewesten ze hebben afgeschaft. De relevantie van de verwijzing in de Grondwet naar de provincies zal dus vervallen naarmate de gewesten de provinciale instellingen afschaffen. Ten tweede dient het als territoriale onderverdeling, onder meer om het grondgebied van de deelstaten en de taalgebieden te kunnen afbakenen en het optreden van de Staat, de gemeenschappen en de gewesten te vereenvoudigen dankzij gedeconcentreerde administratieve of rechterlijke diensten. De grondwettelijke bepalingen betreffende de provincies blijven in dat geval van toepassing, zelfs indien alle gewesten de provinciale instellingen afschaffen.

Bovendien moet worden vermeden dat de gewesten door de provinciale instellingen af te schaffen of te hervormen, de uitoefening van de bevoegdheden van de federale en gemeenschapswetgevers onmogelijk of overdreven moeilijk maken. Artikel 6, § 1, VIII, laatste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 voorziet er namelijk uitdrukkelijk in dat de Federale Staat en de gemeenschappen de provinciale overheden kunnen belasten met de respectieve uitvoering van hun wetten en besluiten of van hun decreten en besluiten, en hen ook met andere opdrachten kunnen belasten, waaronder adviesverlening, en in hun begroting alle uitgaven kunnen inschrijven die zij deze overheden opleggen. Het betreft trouwens een van de algemene beperkingen van de bevoegdheid van de gewesten inzake de provincies, betreffende de taken van algemeen belang die door de provincies worden uitgeoefend voor rekening van de Federale Staat en de gemeenschappen. Daarom bepaalt het Institutioneel Akkoord voor de Zesde Staatshervorming dat de eventuele afschaffing van de provinciale instellingen geen afbreuk mag doen aan de functie van de gouverneurs. Het behoud van deze functie, waardoor de uitoefening van taken van algemeen belang die door de Federale Staat of de gemeenschappen zijn toevertrouwd aan de provinciale instellingen, wordt gewaarborgd door artikel 6, § 1, VIII, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, zoals dat zal worden gewijzigd. Gelet op het feit dat deze functie wordt behouden, mogen de gewesten dus voortaan provincies afschaffen, wijzigen, vervangen of nieuwe provincies creëren, zonder te raken aan de uitoefening van de bevoegdheden van de Staat of de gemeenschappen.

Ter uitvoering van artikel 41, eerste lid, tweede zin, voorziet het voorstel van bijzondere wet met betrekking tot de Zesde Staatshervorming dat samen met dit voorstel wordt ingediend, in het behoud van de functie van de provinciegouverneurs wanneer de gewesten de provincies hervormen. Dit wordt voorzien, om, zelfs in geval van afschaffing van de provincies, de continuïteit te garanderen van opdrachten van algemeen belang die door de Federale Staat of gemeenschappen zijn toevertrouwd aan de provincies. Indien de provincies in een gewest zouden worden afgeschaft, krijgen de provinciegouverneurs de hoedanigheid van commissaris van de regering in hun ambtsgebied. Bovendien zullen de nadere bepalingen voor de uitoefening van de bevoegdheden van de Staat of de gemeenschappen door de provinciegouverneur of door elke andere instelling kunnen worden besproken tijdens het door het voorgestelde artikel 6, § 3, 1º, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 verplichte overleg, mochten de gewesten de provincies hervormen.

Aangezien dit voorstel en de overige voorstellen tot herziening van de Grondwet betreffende de provincies de verdeling van de bevoegdheden over de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten niet beogen te wijzigen, blijven de gewesten hun huidige bevoegdheden ten aanzien van de provinciegouverneur behouden, ook indien het Vlaamse of het Waalse Gewest beslist om de provincies af te schaffen, te hervormen of te vervangen.

Ten slotte moet artikel 41, vijfde lid, van de Grondwet worden gewijzigd om de gewestelijke wetgever in staat te stellen, wanneer hij bovengemeentelijke besturen creëert, volksraadplegingen te organiseren op dit nieuwe bevoegdheidsniveau.

7. VOORSTEL TOT HERZIENING VAN ARTIKEL 162 VAN DE GRONDWET (VAN MEVROUW FREYA PIRYNS, DE HEREN PHILIPPE MAHOUX EN DIRK CLAES, MEVROUW CHRISTINE DEFRAIGNE, DE HEREN BERT ANCIAUX EN MARCEL CHERON, MEVROUW MARTINE TAELMAN EN DE HEER FRANCIS DELPÉRÉE), NR. 5-2238/1

Inleidende uiteenzetting van mevrouw Vogels

Overeenkomstig de verklaring tot herziening van de Grondwet van 7 mei 2010, is artikel 162 voor herziening vatbaar.

Dit voorstel tot herziening van de Grondwet moet samen worden gelezen met de andere voorstellen tot herziening van de Grondwet betreffende de provincies, alsook met het voorstel tot wijziging van artikel 6, § 1, VIII, van de BWHI van 8 augustus 1980.

Het doel van dit voorstel is te zorgen voor de volledige uitoefening van de gewestelijke autonomie wat de provincies betreft, zonder afbreuk te doen aan de bijzondere bepalingen die momenteel voorzien zijn in de pacificatiewet van 9 augustus 1988, noch aan de bijzondere bepalingen betreffende de functie van de gouverneurs, zoals voorzien in het Institutioneel Akkoord voor de Zesde Staatshervorming van 11 oktober 2011.

Het punt 1º van de overgangsbepaling die is toegevoegd aan artikel 195 van de Grondwet bij de herziening van dit artikel van 29 maart 2012, bepaalt ook dat : « de artikelen 5, tweede lid, 11bis, 41, vijfde lid, 159 en 190 om de volledige uitoefening van de autonomie van de gewesten te garanderen ten aanzien van de provincies zonder afbreuk te doen aan de huidige specifieke bepalingen van de wet van 9 augustus 1988 tot wijziging van de gemeentewet, de gemeentekieswet, de organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, de provinciewet, het Kieswetboek, de wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen en de wet tot regeling van de gelijktijdige Parlements- en provincieraadsverkiezingen en aan die met betrekking tot de functie van de gouverneurs, en om de betekenis van het in de Grondwet gebruikte woord « provincie » te beperken tot zijn louter territoriale betekenis, los van elke institutionele betekenis. »

De autonomie van de gewesten wordt wezenlijk versterkt door de voorstellen tot herziening van de artikelen 5, tweede lid, en 41, eerste lid, van de Grondwet, die het voortaan mogelijk maken om provincies af te schaffen, om er nieuwe te creëren of om ze te vervangen door bovengemeentelijke besturen. Deze mogelijkheid die geboden wordt aan de gewesten dient echter eveneens te worden geregeld in artikel 162 van de Grondwet, die de basisprincipes van de provinciale en gemeentelijke instellingen uiteenzet. Die principes worden inderdaad van toepassing verklaard op de bovengemeentelijke besturen die zouden opgericht worden ter vervanging van de provincies.

Gelet op het dermate fundamenteel karakter alsook de belangrijke praktische gevolgen van de opheffing van de provincies en hun vervanging in voorkomend geval door bovengemeentelijke besturen en rekening houdende met de grote autonomie die aan de gewesten wordt toegekend om te beslissen tot en het uitvoeren van dergelijke hervormingen, achten de indieners van dit voorstel, zoals voorzien in artikel 41, eerste lid, van de Grondwet zoals dat zal worden herzien, het noodzakelijk dat hen de afschaffing van de provincie en de oprichting van bovengemeentelijke besturen slechts toegelaten wordt met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen, op voorwaarde dat de meerderheid van de leden aanwezig is.

Bij de oprichting van bovengemeentelijke besturen, verzekert het decreet aangenomen met een gewone meerderheid de toepassing van de in artikel 162, tweede lid, bedoelde beginselen. Het Gewest kan andere principes die het essentieel acht, eventueel met een tweederde meerderheid, vaststellen voor de bovengemeentelijke besturen. Indien een Gewest bijkomende principes die het essentieel acht vaststelt bij bijzondere meerderheid, kunnen de voormelde principes slechts gewijzigd worden via dezelfde bijzondere meerderheid. Het bepalen en het wijzigen van de modaliteiten waaronder de voormelde principes worden uitgevoerd en toegepast, kan echter bij gewone meerderheid door het betrokken parlement worden geregeld.

Artikel 162, derde lid, wordt dus vervangen door een nieuwe lid met betrekking tot de bovengemeentelijke besturen. Indien een Gewest bovengemeentelijke besturen opricht, zullen deze nieuwe instellingen eigen organen en bevoegdheden krijgen. De samenstelling, de werkingsregels, de aanstellings- of verkiezingswijze en de controlemogelijkheden van de bovengemeentelijke besturen dienen te worden vastgesteld door de gewestelijke wetgever. Voor het regelen van de bovengemeentelijke besturen zijn de gewesten gehouden om de principes bedoeld in het tweede lid te respecteren en toe te passen.

Naar analogie met artikel 165, § 1, vierde lid, van de Grondwet worden de artikelen 159 en 190 toegepast op eventuele verordeningen en besluiten van deze bovengemeentelijke besturen.

Het vroegere derde lid wordt vervangen want het blijft verstoken van elke betekenis. Het lid werd ingevoegd in 1993, met de vierde staatshervorming, om de bevoegdheid voor de organisatie en het uitoefenen van het toezicht op de provincies en gemeenten over te dragen naar de gewesten. De vijfde staatshervorming heeft, in 2001, de volledige bevoegdheid inzake de ondergeschikte besturen geregeld, zodat er geen reden meer is om de regionalisering van de organisatie en de uitoefening van het toezicht te voorzien. Het opheffen van het derde lid wijzigt op geen enkele wijze de bestaande materiële en territoriale bevoegdheid van de gewesten inzake de organisatie en de uitoefening van het administratief toezicht.

Het vierde lid wordt aangevuld om het van toepassing te verklaren op de bovengemeentelijke besturen.

Het spreekt voor zich dat de voorliggende hervorming zonder voorwerp is op het grondgebied van het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad dat geheel onttrokken is aan de indeling in provincies, die bijgevolg ook niet afgeschaft of vervangen kunnen worden. Artikel 163 van de Grondwet blijft ter zake onverkort van toepassing.

8. VOORSTEL TOT HERZIENING VAN ARTIKEL 170, § 3, VAN DE GRONDWET (INGEDIEND DOOR DE HEER MARCEL CHERON, MEVROUW MARTINE TAELMAN, DE HEER FRANCIS DELPÉRÉE, MEVROUW FREYA PIRYNS, DE HEREN PHILIPPE MAHOUX EN DIRK CLAES, MEVROUW CHRISTINE DEFRAIGNE EN DE HEER BERT ANCIAUX), NR. 5-2239/1

Inleidende uiteenzetting van mevrouw Thibaut

Het doel van dit voorstel tot herziening van de Grondwet is te zorgen voor de volledige uitoefening van de gewestelijke autonomie wat de provincies betreft, zonder afbreuk te doen aan de bijzondere bepalingen die momenteel zijn opgenomen in de pacificatiewet van 9 augustus 1988, noch aan de bijzondere bepalingen betreffende de functie van de gouverneurs, zoals bepaald in het Institutioneel Akkoord voor de Zesde Staatshervorming van 11 oktober 2011.

Het punt 1º van de overgangsbepaling die is toegevoegd aan artikel 195 van de Grondwet bij de herziening van dit artikel van 29 maart 2012 (Belgisch Staatsblad van 6 april 2012, Ed. 2), bepaalt ook dat : « 1º de artikelen 5, tweede lid, 11bis, 41, vijfde lid, 159 en 190 om de volledige uitoefening van de autonomie van de gewesten te garanderen ten aanzien van de provincies zonder afbreuk te doen aan de huidige specifieke bepalingen van de wet van 9 augustus 1988 tot wijziging van de gemeentewet, de gemeentekieswet, de organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, de provinciewet, het Kieswetboek, de wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen en de wet tot regeling van de gelijktijdige parlements- en provincieraadsverkiezingen en aan die met betrekking tot de functie van de gouverneurs, en om de betekenis van het in de Grondwet gebruikte woord « provincie » te beperken tot zijn louter territoriale betekenis, los van elke institutionele betekenis. »

Artikel 170, § 3, regelt en beperkt de eigen fiscale bevoegdheid van de provincies.

Dit artikel moet van toepassing blijven op de provincies zolang een gewest het bestaan ervan in stand houdt. Het doet evenwel geen afbreuk aan de uitvoering van het voorgestelde artikel 41, eerste lid, tweede zin, waarbij de afschaffing van de provinciale instellingen mogelijk wordt gemaakt.

In dit artikel dient echter verwezen te worden naar de belastingen die zouden kunnen worden geheven door de bovengemeentelijke besturen bedoeld bij het voorgestelde artikel 41, eerste lid, derde zin. Indien een gewest beslist bovengemeentelijke besturen op te richten, zullen de principes bedoeld in artikel 162, tweede lid, van de Grondwet gerespecteerd moeten worden en zullen de bovengemeentelijke besturen over lokale autonomie beschikken. In die zin is het logisch dat de bovengemeentelijke besturen over de fiscale bevoegdheid beschikken die door artikel 170, § 3, van de Grondwet is toegekend aan de provincies en dit onder dezelfde voorwaarden als de provincies. De beperkingen van de fiscale bevoegdheid van de bovengemeentelijke besturen blijven bijgevolg dezelfde als die voor de provincies.

Zoals reeds is ingeschreven in het voorstel tot herziening van artikel 41, eerste lid, van de Grondwet kunnen de bovengemeentelijke besturen slechts worden opgericht voor zover de provincies worden afgeschaft. De fiscale autonomie die toegekend wordt aan de bovengemeentelijke besturen kan dus slechts de fiscale bevoegdheid van de provincies vervangen en kan niet naast deze bestaan.

9. VOORSTEL TOT HERZIENING VAN ARTIKEL 23 VAN DE GRONDWET OM HET RECHT OP KINDERBIJSLAG TE WAARBORGEN (INGEDIEND DOOR DE DAMES VANESSA MATZ EN FREYA PIRYNS, DE HEREN PHILIPPE MAHOUX EN DIRK CLAES, MEVROUW CHRISTINE DEFRAIGNE, DE HEREN BERT ANCIAUX EN MARCEL CHERON EN MEVROUW MARTINE TAELMAN), NR. 5-2240/1

Inleidende uiteenzetting van de heer Mahoux

De overgangsbepaling van artikel 195 van de Grondwet, goedgekeurd op 29 maart 2012 (Belgisch Staatsblad van 6 april 2012, Ed. 2), bepaalt dat de Kamers, samengesteld ingevolge de vernieuwing van de Kamers van 13 juni 2010, in overeenstemming met de Koning, over de herziening van onder meer artikel 23 van de Grondwet kunnen beslissen, uitsluitend « om het recht op kinderbijslag te waarborgen ».

De toekenning van gezinsbijslagen strekt ertoe bij te dragen in de kosten van onderhoud en opvoeding van de kinderen. Ze biedt een gedeeltelijke compensatie voor de toegenomen lasten die door het gezin worden gedragen wanneer het zich uitbreidt (Grondwettelijk Hof, arrest nr. 53/2011, 6 april 2011, B.3.).

Opdat ieder het recht zou hebben een menswaardig leven te leiden, bepaalt artikel 23 van de Grondwet dat de wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten waarborgen, waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen. Die rechten omvatten onder meer het recht op sociale zekerheid, waaronder het recht op kinderbijslag (Grondwettelijk Hof, arrest nr. 66/2007, 26 april 2007, B.10.3).

Voorliggend voorstel strekt er toe specifiek het recht op kinderbijslag te waarborgen. Zo zal er door de Grondwet worden bevestigd dat onder de rechten die de wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel moeten waarborgen opdat ieder het recht heeft een menswaardig leven te leiden, er het recht zal zijn van ieder om ten laste van de bevoegde overheid een bijdrage te ontvangen in de kosten van onderhoud en opvoeding van de kinderen.

Net als voor de rechten die momenteel door artikel 23 van de Grondwet worden gewaarborgd, strekt deze herziening er echter niet toe een nieuw subjectief recht te creëren. Zoals het Grondwettelijk Hof heeft benadrukt, brengt artikel 23 van de Grondwet voor de bevoegde overheden « de verplichting teweeg om, zonder daarom precieze subjectieve rechten te verlenen, de voordelen van de van kracht zijnde normen te handhaven door het verbod in te stellen om tegen de nagestreefde doelstellingen in te gaan (de zogenaamde « standstill-verplichting »)(Grondwettelijk Hof, nr. 169/2002, 27 november 2002, B.6.4.).

Die bepaling legt de wetgever dus de verplichting op om geen afbreuk te doen aan de rechten die in de wetgeving worden gewaarborgd. De standstill-verplichting impliceert dat twee elkaar in de tijd opvolgende algemene rechtsnormen globaal bekeken een gelijkwaardig niveau van bescherming moeten bieden, waarbij de nieuwe rechtsnorm het bestaande beschermingsniveau niet aanzienlijk kan doen dalen zonder dat redenen van algemeen belang dit zouden verantwoorden.

Voorliggend voorstel tot herziening zal dus als onmiddellijk gevolg hebben dat de overheden die bevoegd zijn voor het recht op kinderbijslag, het recht niet aanzienlijk zullen kunnen verminderen dat de wet nu aan de gezinnen toekent om van de overheid een financiële bijdrage te ontvangen om de last van de kosten van onderhoud en opvoeding van de kinderen ten minste gedeeltelijk te dekken, tenzij redenen van algemeen belang een dergelijke vermindering verantwoorden. Het feit dat het recht op kinderbijslag voortaan specifiek gewaarborgd wordt in artikel 23 van de Grondwet heeft als gevolg dat de bevoegde wetgever een eventuele significante vermindering van het recht op kinderbijslag niet meer zal kunnen verantwoorden met de reden dat die vermindering gecompenseerd zou worden door andere maatregelen op het vlak van sociale zekerheid of inkomensbeleid, behalve als die maatregelen specifiek gericht zijn op de last die de kosten van onderhoud en opvoeding van de kinderen vertegenwoordigen voor de gezinnen.

De standstill-verplichting ontzegt de bevoegde overheden niet de bevoegdheid om te oordelen hoe dat recht op de meest adequate wijze zou worden gewaarborgd. Ze belet geen enkele hervorming van de aangelegenheid die ertoe zou strekken dit recht op een minstens gelijkwaardige manier te waarborgen.

Zo zullen de bevoegde overheden bijvoorbeeld kunnen kiezen voor een hervorming van de van kracht zijnde wetgeving zodat het recht op kinderbijslag niet langer afhangt van een beroepsactiviteit, een vorige beroepsactiviteit of een sociale situatie.

Ten slotte is dit voorstel tot herziening van de Grondwet net als artikel 23 van de Grondwet neutraal ten opzichte van de verdeling van de bevoegdheden over de Federale Staat, de gemeenschappen en de gewesten, en sluit het niet uit dat de wetgever de concrete uitvoering van de rechten die door de Grondwet worden georganiseerd, aan de regering delegeert (Grondwettelijk Hof, arrest nr. 64/2008, 17 april 2008,B.32.1).

10. VOORSTEL TOT INVOEGING VAN EEN ARTIKEL 135BIS IN DE GRONDWET (INGEDIEND DOOR DE HEER FRANCIS DELPÉRÉE, MEVROUW FREYA PIRYNS, DE HEREN PHILIPPE MAHOUX EN DIRK CLAES, MEVROUW CHRISTINE DEFRAIGNE, DE HEREN BERT ANCIAUX EN MARCEL CHERON EN MEVROUW MARTINE TAELMAN), NR. 5-2241/1

Inleidende uiteenzetting van de heer Mahoux

Dit voorstel voegt een nieuw artikel 135bis in in titel III, hoofdstuk IV, afdeling II, onderafdeling III, van de Grondwet.

Overeenkomstig het 7º van de overgangsbepaling die werd toegevoegd aan artikel 195 van de Grondwet bij de herziening van dat artikel van 29 maart 2012 (Belgisch Staatsblad, 6 april 2012, Ed. 2), kan de Grondwet worden herzien door een artikel in te voegen « waarin wordt bepaald dat een wet aangenomen met de in artikel 4, laatste lid, bepaalde meerderheid, voor het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bevoegdheden kan toekennen die niet toegewezen zijn aan de gemeenschappen voor de aangelegenheden bedoeld in artikel 127, § 1, eerste lid, 1º, en, wat betreft de aangelegenheden bedoeld in 1º, 3º ».

Krachtens artikel 127, § 2, van de Grondwet hebben de door de Parlementen van de Vlaamse Gemeenschap en Franse Gemeenschap aangenomen decreten inzake de culturele aangelegenheden bedoeld in artikel 127, § 1, eerste lid, 1º, van de Grondwet, « kracht van wet respectievelijk in het Nederlandse taalgebied en in het Franse taalgebied, alsmede ten aanzien van de instellingen gevestigd in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad die, wegens hun activiteiten moeten worden beschouwd uitsluitend te behoren tot de ene of de andere gemeenschap ».

De bevoegdheden die niet zijn toegewezen aan de gemeenschappen in deze culturele aangelegenheden, worden momenteel uitgeoefend door de Federale Staat, uit hoofde van zijn residuaire bevoegdheid.

Afgezien van wat de federale culturele instellingen betreft, oefent de Federale Staat deze bevoegdheden echter slechts weinig uit.

Daarom voorziet dit voorstel tot herziening van de Grondwet erin dat de bijzondere wetgever, voor het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, bepaalde van de bevoegdheden in culturele aangelegenheden die niet toegewezen zijn aan de gemeenschappen, op basis van artikel 127, § 2, van de Grondwet, aan het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest kan toekennen. Te dien einde wordt een nieuw artikel 135bis ingevoegd in de Grondwet.

Dit voorstel tot herziening van de Grondwet moet samen worden gelezen met het voorstel van bijzondere wet met betrekking tot de Zesde Staatshervorming, dat op hetzelfde moment aan het Parlement is voorgelegd.

11. VOORSTEL TOT HERZIENING VAN ARTIKEL 144 VAN DE GRONDWET (INGEDIEND DOOR MEVROUW CHRISTINE DEFRAIGNE, DE HEREN BERT ANCIAUX EN MARCEL CHERON, MEVROUW MARTINE TAELMAN, DE HEER FRANCIS DELPÉRÉE, MEVROUW FREYA PIRYNS EN DE HEREN PHILIPPE MAHOUX EN DIRK CLAES), NR. 5-2242/1

Inleidende uiteenzetting van de heer Deprez

Op dit ogenblik dient de partij die gelijk krijgt bij de Raad van State of een ander federaal administratief rechtscollege maar die schade heeft geleden die onvoldoende kan worden vergoed door het herstel van de wettigheid volgend op de beslissing van het rechtscollege, een nieuwe rechtsvordering in te stellen, dit keer voor de rechtbanken van de rechterlijke orde. Daaruit vloeien niet enkel voor deze partij maar voor alle partijen alsook voor de Staat bijkomende kosten voort. Alle partijen hebben erbij te winnen als die kosten vermeden kunnen worden.

De bedoeling van deze grondwetsherziening is dus de wetgever in staat te stellen om volgens de door hem bepaalde nadere regels de Raad van State en de andere federale administratieve rechtscolleges te machtigen om te beslissen over de privaatrechtelijke gevolgen van hun beslissingen.

Het wetsvoorstel dat samen met dit voorstel tot herziening van de Grondwet wordt ingediend, heeft tot doel de Raad van State te machtigen aan een partij een schadevergoeding tot herstel toe te kennen ten laste van een andere partij, rekening houdend met alle omstandigheden van openbaar en privaat belang. De partijen die een nadeel beweren te hebben geleden omwille van de onwettigheid van een handeling op een door de wet bepaald ogenblik moeten opteren voor ofwel een burgerlijke aansprakelijkheidsvordering voor de hoven en rechtbanken, ofwel voor een schadevergoeding tot herstel die wordt toegekend door de Raad van State.

De omstandigheid dat dit wetsvoorstel wordt ingediend gelijktijdig met het voorstel tot herziening van het grondwetsartikel waarvan het de toepassing moet verzekeren, betekent uiteraard niet dat de wetgever geen andere nadere regels mag vastleggen dan die waarin in deze bepaling is voorzien.

Er werd de voorkeur gegeven aan de woorden « burgerrechtelijke gevolgen » in plaats van « privaatrechtelijke gevolgen » om terminologisch coherent te zijn met de huidige tekst van artikel 144 van de Grondwet. De bedoeling is wel degelijk de Raad van State en de administratieve rechtscolleges, wanneer ze beslissen over een geschil dat hun overeenkomstig de artikelen 160 of 161 van de Grondwet is toevertrouwd, in staat te stellen te beslissen over de burgerlijke rechten die verband houden met deze betwistingen, wat de huidige tekst van artikel 144 niet mogelijk maakt.

De voorgestelde bepaling is beperkt tot het federale niveau omdat de gemeenschappen en gewesten vandaag geen uitdrukkelijke bevoegdheid hebben om administratieve rechtbanken op te richten. De administratieve rechtbanken die zij hebben opgericht, vloeien voort uit de impliciete bevoegdheden, vermeld in artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. Deze bevoegdheid wordt geenszins ter discussie gesteld en de gemeenschappen en gewesten beschikken over een volledige autonomie ter zake. De voorgestelde hervorming wenst alleen de federale administratieve rechtscolleges — met name de Raad van State — de bevoegdheid te geven om uitspraak te doen over de privaatrechtelijke gevolgen van hun uitspraken.

12. VOORSTEL TOT HERZIENING VAN ARTIKEL 151, § 1, VAN DE GRONDWET (VAN DE HEER WOUTER BEKE, MEVROUW CHRISTINE DEFRAIGNE, DE HEREN BERT ANCIAUX EN MARCEL CHERON, MEVROUW MARTINE TAELMAN, DE HEER FRANCIS DELPÉRÉE, MEVROUW FREYA PIRYNS EN DE HEER PHILIPPE MAHOUX), NR. 5-2243/1

Inleidende uiteenzetting van de heer Beke

Krachtens artikel 11 van de BWHI van 8 augustus 1980 kunnen de decreten, binnen de grenzen van de bevoegdheden van de gemeenschappen en de gewesten, de niet-naleving van hun bepalingen strafbaar stellen en de straffen wegens die niet-naleving bepalen.

Niettemin komt het momenteel de federale minister bevoegd voor Justitie — en enkel hem — toe om een vervolging te bevelen en om bindende richtlijnen van het strafrechtelijk beleid vast te stellen, met inbegrip van het opsporings- en vervolgingsbeleid, en dit ook ten aanzien van overtredingen van decretale bepalingen die strafbaarstellingen inhouden.

Artikel 151, § 1, tweede zin, van de Grondwet bepaalt immers het volgende : « Het openbaar ministerie is onafhankelijk in de individuele opsporing en vervolging onverminderd het recht van de bevoegde minister om de vervolging te bevelen en om de bindende richtlijnen van het strafrechtelijk beleid, inclusief die van het opsporings- en vervolgingsbeleid, vast te leggen. » De voorbereidende werkzaamheden van die bepaling verwijzen expliciet naar artikel 274 van het Wetboek van strafvordering en artikel 143ter van het Gerechtelijk Wetboek, die betrekking hebben op de federale minister bevoegd voor Justitie.

Uit het voorgaande volgt dat de gemeenschappen en de gewesten afhankelijk zijn van de Federale Staat inzake het opsporings- en vervolgingsbeleid ten aanzien van de inbreuken die zij instellen voor de aangelegenheden die tot hun bevoegdheden behoren.

Dit voorstel tot herziening van de Grondwet strekt er bijgevolg toe erin te voorzien dat de gemeenschappen en de gewesten deelnemen in het opsporings- en vervolgingsbeleid ten aanzien van de inbreuken op de bepalingen die ze uitvaardigen. Het geeft op die manier uitvoering aan het Institutioneel Akkoord voor de Zesde Staatshervorming van 11 oktober 2011, dat bepaalt :

« De deelstaten zullen, via een door de deelstaatregering afgevaardigde minister, over een positief injunctierecht beschikken voor de materies waarvoor zij bevoegd zijn. De afgevaardigde minister van de deelstaat zal zijn aanvraag aan de federale minister van Justitie bezorgen die haar onmiddellijk zal laten uitvoeren.

In de materies die tot hun bevoegdheden behoren zullen de deelstaten met de Federale Staat een samenwerkingsakkoord sluiten dat betrekking zal hebben op :

— het vervolgingsbeleid van het openbaar ministerie en het opstellen van richtlijnen inzake het strafrechtelijk beleid;

— het formaliseren van de vertegenwoordiging van de deelstaten in het College van procureurs-generaal;

— de kadernota Integrale Veiligheid en het Nationaal Veiligheidsplan. »

Daartoe voegt dit voorstel tot herziening van de Grondwet twee nieuwe leden in in artikel 151, § 1, van de Grondwet. Deze bepaling is voor herziening vatbaar overeenkomstig de overgangsbepaling bij artikel 195 van de Grondwet, ingevoegd bij de Grondwetsherziening van 29 maart 2012.

Deze twee leden bepalen respectievelijk wat volgt :

1º) voor de aangelegenheden die onder hun bevoegdheden vallen, beschikken de gemeenschappen en de gewesten over een positief injunctierecht. De bijzondere wet legt de uitoefeningsmodaliteiten van dit recht vast. Het tegelijkertijd ingediende voorstel van bijzondere wet voorziet erin dat de afgevaardigde minister van de deelstaat zijn aanvraag aan de federale minister van Justitie zal bezorgen die haar zonder verwijl zal laten uitvoeren. De minister wordt daartoe aangesteld door de regering van de bevoegde gemeenschap of het bevoegde gewest bij de opmaak van de taakverdeling in zijn schoot. Bijgevolg behoort het positief injunctierecht tot de bevoegdheden van deze minister. Hij richt zijn vraag tot de federale minister van Justitie nadat een beslissing in die zin werd genomen binnen de regering waar hij deel van uitmaakt. Hij motiveert deze vraag vanuit de eigen bevoegdheden van de deelstaat, en verduidelijkt de bepaling in het decreet of de ordonnantie die de inbreuk voorziet dewelke hij op grond van zijn positief injunctierecht wenst te laten vervolgen. De federale minister van Justitie oefent een marginale legaliteitscontrole uit door na te gaan of deze voorwaarde is vervuld. De federale minister van Justitie beveelt de vervolging zonder verwijl door het overmaken van de vraag aan het parket.

Voor het overige wordt door dit voorstel tot herziening van de Grondwet geen afbreuk gedaan aan de huidige bevoegdheid van de federale minister van Justitie om een vervolging te bevelen;

2º) de bijzondere wetgever voorziet in de deelname van de gemeenschappen en de gewesten, voor aangelegenheden die tot hun bevoegdheden behoren, aan de uitwerking van de bindende richtlijnen van het strafrechtelijk beleid, inclusief inzake opsporings- en vervolgingsbeleid, en aan de planning van het veiligheidsbeleid (meer in het bijzonder aan de Kadernota Integrale veiligheid en het Nationaal Veiligheidsplan), alsook in de deelname wat diezelfde aangelegenheden betreft van hun vertegenwoordigers aan de vergaderingen van het College van procureurs-generaal.

Wat het tweede punt betreft, moet dit voorstel tot herziening van de Grondwet samen worden gelezen met het gelijktijdig bij het Parlement ingediende voorstel van bijzondere wet met betrekking tot de Zesde Staatshervorming. Dit voorstel voegt een nieuw artikel 11bis in in de BWHI van 8 augustus 1980, dat overeenkomstig het onderhavige voorstel tot herziening van de Grondwet voorziet in de deelname van de gemeenschappen en de gewesten in die verschillende domeinen. Het voorstel voegt eveneens een § 4decies in artikel 92bis van diezelfde bijzondere wet, waarbij de Federale Staat, de gemeenschappen en de gewesten een samenwerkingsakkoord sluiten om de modaliteiten met betrekking tot de in artikel 11bis, tweede en derde lid, bedoelde aangelegenheden nader te regelen.

13. VOORSTEL TOT HERZIENING VAN ARTIKEL 180 VAN DE GRONDWET (INGEDIEND DOOR DE HEER MARCEL CHERON, MEVROUW MARTINE TAELMAN, DE HEER FRANCIS DELPÉRÉE, MEVROUW FREYA PIRYNS, DE HEREN PHILIPPE MAHOUX ET DIRK CLAES, MEVROUW CHRISTINE DEFRAIGNE EN DE HEER BERT ANCIAUX), NR. 5-2244/1

Inleidende uiteenzetting van mevrouw Thibaut

Het Institutioneel Akkoord voor de Zesde Staatshervorming van 11 oktober 2011 voorziet erin dat de Parlementen van de deelstaten taken zullen kunnen toekennen aan het Rekenhof, in voorkomend geval tegen vergoeding.

Verder voorziet het Akkoord erin dat artikel 180 van de Grondwet zal worden geactualiseerd.

Artikel 180 van de Grondwet luidt thans als volgt :

« De leden van het Rekenhof worden door de Kamer van volksvertegenwoordigers benoemd, voor de tijd bij de wet bepaald.

Dit Hof is belast met het nazicht en het verevenen der rekeningen van het algemeen bestuur en van allen die tegenover de staatskas rekenplichtig zijn. Het waakt ervoor dat geen artikel van de uitgaven der begroting wordt overschreden en dat geen overschrijving plaatsheeft. Het Hof oefent tevens algemeen toezicht uit op de verrichtingen met betrekking tot de vaststelling en de invordering van de door de Staat verkregen rechten, met inbegrip van de fiscale ontvangsten. Het stelt de rekeningen der verschillende besturen van de Staat vast en is ermee belast te dien einde alle nodige inlichtingen en bewijsstukken te verzamelen. De algemene staatsrekening wordt aan de Kamer van volksvertegenwoordigers onderworpen met de opmerkingen van het Rekenhof.

Dit Hof wordt door de wet georganiseerd. »

Naast de aldus bepaalde bevoegdheden zijn andere taken opgedragen aan het Rekenhof. Zo kan het Rekenhof bijvoorbeeld, op verzoek van een Parlement, de verkiezingsuitgaven van de politieke partijen en van de kandidaten controleren, ontvangt het de aangifte van mandaten en publiceert het de lijsten ervan in het Belgisch Staatsblad, controleert het de leerlingentelling die wordt uitgevoerd door de gemeenschappen, heeft het de opdracht om advies uit te brengen over de uitvoering van de fiscale autonomie van de gewesten en evalueert het de budgettaire gevolgen van de genomen maatregelen in het kader van de wijziging van de vennootschapsregeling inzake inkomstenbelastingen.

Bovenop deze taken, controleert het Rekenhof tevens de boekhouding van de gemeenschappen en gewesten, van de openbare instellingen die van de Federale Staat, de gemeenschappen en de gewesten afhangen, alsook van de provincies.

De taak van het Rekenhof ten aanzien van de begrotingen en de boekhouding van de gemeenschappen en gewesten en van de openbare instellingen die ervan afhangen, vloeit voort uit artikel 50 van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en gewesten, dat onder andere bepaalt dat de algemene rekening van de gemeenschappen en gewesten, samen met de opmerkingen van het Rekenhof, aan hun Parlement wordt overgezonden, en dat de wet de algemene bepalingen vastlegt met betrekking tot de organisatie van de door het Rekenhof uitgeoefende controle op de begrotingen en de boekhouding van de gemeenschappen en gewesten, alsook met betrekking tot de instellingen van openbaar nut die ervan afhangen. Deze bepaling is krachtens artikel 60bis van de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap van toepassing op de Duitstalige Gemeenschap en krachtens artikel 82, § 1, tweede lid, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen ook van toepassing op de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie. Ze is bovendien van toepassing op de Franse Gemeenschapscommissie voor zover deze met toepassing van artikel 138 van de Grondwet de bevoegdheden van de Franse Gemeenschap uitoefent.

Deze algemene bepalingen zijn opgenomen in de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof. De verschillende gemeenschappen en gewesten hebben decreten en ordonnanties aangenomen die de wet van 16 mei 2003 aanvullen.

Deze herziening van de Grondwet beoogt een dubbel doel, namelijk, enerzijds het actualiseren van de tekst van het artikel, en anderzijds het bieden van de mogelijkheid aan de deelstaatwetgevers om zelf taken toe te kennen aan het Rekenhof. Deze dubbele doelstelling wordt gerealiseerd door de toevoeging van twee nieuwe leden aan artikel 180 van de Grondwet.

Het eerste lid dat wordt toegevoegd, actualiseert de tekst van artikel 180 van de Grondwet enerzijds wat de taken betreft die aan het Rekenhof zijn toegekend en hierboven in herinnering werden gebracht, en anderzijds wat de controle betreft die het Rekenhof uitoefent op de begrotingen en de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook de instellingen van openbaar nut die ervan afhangen. De bijzondere wet kan in deze aangelegenheid bevoegdheden toekennen aan de gemeenschappen en de gewesten of zelf taken toekennen aan het Rekenhof. Uiteraard is deze bepaling ook van toepassing op de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie aangezien deze bepaalde gemeenschapsbevoegdheden uitoefent in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad.

De voornoemde bepalingen van de bijzondere wet van 16 januari 1989, van de wet van 16 mei 2003 alsook van de decreten en ordonnanties aangenomen overeenkomstig deze wetten worden geenszins gewijzigd door dit nieuwe lid.

Dit nieuwe lid zal de nieuwe grondwettelijke basis vormen voor de bepalingen betreffende de controle die het Rekenhof uitoefent op de begrotingen en de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook de instellingen van openbaar nut die ervan afhangen.

Het tweede lid dat wordt toegevoegd, voorziet erin dat de wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel bijkomende taken kunnen toekennen aan het Rekenhof. Voor de taken die worden toegekend bij decreet of ordonnantie na de inwerkingtreding van dit lid en die het Rekenhof nog niet eerder heeft uitgeoefend voor een van de deelstaten op deze datum, betaalt het opdrachtgevende gewest of de opdrachtgevende gemeenschap een vergoeding aan het Rekenhof voor het uitvoeren van deze taken. De vergoeding wordt vastgesteld op eensluidend advies van het Rekenhof in het decreet, respectievelijk de ordonnantie, houdende de toekenning van de opdracht aan het Rekenhof. Deze vergoeding zal geschieden via een dotatie die rechtstreeks wordt toegewezen aan het Rekenhof.

De woorden « de wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel » in het voorgestelde vijfde lid hebben een dubbele betekenis. Op de eerste plaats zorgt de formulering ervoor dat een bevoegdheid aan de wetgevende macht wordt toegewezen. Enkel een wetgevende norm kan dus een of meerdere bijkomende taken toekennen aan het Rekenhof. Daarnaast betekenen deze woorden dat zowel de federale wetgever als de wetgevers van de deelstaten taken zullen kunnen toekennen aan het Rekenhof binnen de aangelegenheden waarvoor ze bevoegd zijn. Voor elk van deze bevoegdheidsniveaus zal dit dus een accessoire bevoegdheid betreffen in het kader van de materiële bevoegdheden die hen zijn toegekend door of krachtens de andere grondwetsbepalingen. Deze bepaling kent die bevoegdheidsniveaus dus niet de bevoegdheid toe om taken toe te kennen aan het Rekenhof in andere aangelegenheden dan deze waarvoor zij bevoegd zijn. De deelstaten zullen niet langer een beroep moeten doen op hun impliciete bevoegdheden om taken te kunnen toekennen aan het Rekenhof, gelet op het feit dat deze bevoegdheid hen uitdrukkelijk wordt toegewezen.

Anderzijds zullen deze zelf de nodige middelen moeten toekennen aan het Rekenhof voor de uitoefening van deze taken. Wat deze vergoedingsverplichting betreft, betekent het woord « bijkomende » in het voorgestelde vijfde lid dat de taken waarvoor het Rekenhof dient te worden vergoed, niet deze zijn die het Hof uitoefent krachtens het voorgestelde vierde lid. Niet alle taken die het Hof vandaag dus reeds uitoefent krachtens artikel 50 van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten zullen dus moeten worden vergoed. De taken die toegekend zijn aan het Rekenhof en die betrekking hebben op de controle van de begrotingen en de boekhouding (wat ook betrekking heeft op de controle van het goed beheer van overheidsgelden omvat) van de diensten van de gemeenschappen en de gewesten alsook de instellingen van openbaar nut die ervan afhangen, zullen dus niet moeten worden vergoed. Indien daarentegen een gewest een controle van de gemeenten wil opdragen aan het Rekenhof, zal een dergelijke taak wel moeten worden vergoed.

De voorgestelde grondwetsbepaling voorziet er eveneens in dat de vergoeding van de bijkomende taken van het Hof enkel geldt voor taken die in de toekomst zullen worden toegekend en dit enkel voor taken die het Rekenhof nog niet uitoefent voor één van de deelstaten.

Als bijlage wordt een lijst opgenomen van de specifieke rapporten die het Rekenhof in de loop van de laatste vijftien jaar heeft opgesteld voor de gemeenschappen en de gewesten, naast de jaarlijkse boeken voorgelegd aan de verschillende parlementen. In geen geval zal aan het Hof een vergoeding moeten worden betaald voor het opstellen van gelijkaardige rapporten in de toekomst.

Uit het gebruik van de woorden « de wet » en de woorden « het decreet of de in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel » in het voorgestelde vierde lid en het voorgestelde vijfde lid kunnen geen a contrario redeneringen worden afgeleid met betrekking tot de overige redactie van het artikel, in het bijzonder wat betreft het derde lid van artikel 180 van de Grondwet dat dateert van voor de eerste Staatshervorming.

Deze herziening van artikel 180 van de Grondwet, die tot doel heeft dit artikel aan te vullen, heeft bijgevolg geen enkele invloed op de interpretatie van het derde lid van deze bepaling, dat van voor de eerste staatshervorming dateert en waarbij het gebruik van het woord « wet » geen bevoegdheidsverdelende werking heeft. Dit werd trouwens uitdrukkelijk bevestigd door de afdeling Wetgeving van de Raad van State :

« De opdrachten van het Rekenhof worden omschreven in artikel 180 van de Grondwet.

Dit grondwetsartikel bepaalt eveneens dat deze controle-instelling door de wet wordt georganiseerd.

(Volgens) het Arbitragehof heeft de grondwetgever, wanneer hij vóór de Grondwetsherziening van 24 december 1970 waarbij de gemeenschappen en de gewesten werden opgericht, in Grondwetsbepalingen de woorden « bij de wet gebruikt, », alleen die aangelegenheid willen uitsluiten uit de bevoegdheid van de uitvoerende macht zodat de bijzondere wetgever de gewesten de regeling van die aangelegenheid kan toekennen, mits zulks uitdrukkelijk en nauwkeurig gebeurt ». »

Het derde lid van artikel 180 van de Grondwet dat bepaalt dat « dit Hof wordt georganiseerd door de wet », kan dus niet worden geïnterpreteerd als het voorbehouden van een bevoegdheid aan de federale wetgever, en sluit dus niet uit dat bevoegdheden inzake de organisatie van het Rekenhof krachtens een bijzondere wet (of gewone wet, wat de Duitstalige Gemeenschap betreft) worden toegekend aan de gemeenschappen en de gewesten, accessoir aan de bevoegdheden die hen zijn toegekend bij de Grondwet of de bijzondere wet.

Verder heeft deze herziening van dit grondwetsartikel geen invloed op de bevoegdheid van de gemeenschappen en gewesten om, voor de aangelegenheden waarvoor zij bevoegd zijn, indien zij dit wensen, een eigen instelling op te richten om bepaalde controletaken uit te oefenen. Deze bevoegdheid brengt echter natuurlijk niet de bevoegdheid met zich mee om de bevoegdheden die de bijzondere wet toekent aan het Rekenhof, te wijzigen of op te heffen, zelfs indien het aangelegenheden betreft waarvoor de gemeenschappen of gewesten bevoegd zijn.

14. WETSVOORSTEL HOUDENDE OPRICHTING VAN EEN FEDERALE DEONTOLOGISCHE COMMISSIE (VAN MEVROUW FREYA PIRYNS, DE HEREN PHILIPPE MAHOUX EN DIRK CLAES, MEVROUW CHRISTINE DEFRAIGNE, DE HEREN BERT ANCIAUX EN MARCEL CHERON, MEVROUW MARTINE TAELMAN EN DE HEER FRANCIS DELPÉRÉE), NR. 5-2245/1

Inleidende uiteenzetting van mevrouw Vogels

Het Institutioneel Akkoord van 11 oktober 2011 voorziet erin dat « Er [...] een onafhankelijke deontologische commissie [zal] worden opgericht, waarvan de samenstelling zich door het model van het Grondwettelijk Hof zal laten inspireren en die van de Kamer zal afhangen. Deze commissie zal een ontwerp van deontologische code opstellen die de Kamer zal goedkeuren. Deze code zal verscheidene aanbevelingen bevatten, onder andere betreffende de regels inzake belangenconflicten, inzonderheid bij overheidsopdrachten, en de regels om elke tussenkomst te vermijden die individuele gevallen ten onrechte bevoordeelt.

De commissie zal haar bevoegdheid uitoefenen ten aanzien van de publieke mandatarissen (daarin inbegrepen de federale parlementsleden en ministers alsook de bestuursmandatarissen en de beheerders en bestuurders van de overheidsbedrijven en instellingen van openbaar nut die van de Federale Staat afhangen).

Deze commissie zal onder meer op basis van deze deontologische code ermee worden belast om :

— op aanvraag vertrouwelijke adviezen uit te brengen over elke vraag van een publieke mandataris met betrekking tot deontologie, ethiek en belangenconflicten;

— op eigen initiatief of op vraag van de Kamer of van de regering adviezen of aanbevelingen betreffende deontologie en ethiek te formuleren, inzonderheid inzake belangenconflicten ».

Zoals het Wetenschappelijk Comité van de Commissies voor de politieke vernieuwing heeft gezegd « Het woord « deontologie » is vrij recent. (...) Het betreft het geheel van plichten — of morele regels — die gelden voor beroepsbeoefenaren bij de uitoefening van hun beroep of ambt. (...) Als het woord « deontologie » wordt gebruikt voor politiek afgevaardigden, doet het dadelijk een bezwaar rijzen : een politiek mandaat is geen beroep zoals een ander. Het betreft echter een bijzondere functie die ongetwijfeld de inachtneming vereist van bepaalde gedragsregels welke voortvloeien uit ethische verplichtingen ».

Momenteel bestaan er regels met betrekking tot deontologie en ethiek voor federale parlementsleden, ministers of overheidsbestuurders of -beheerders. Deze regels verdienen, echter, te worden gecodificeerd en, in voorkomend geval, te worden aangevuld.

Thans zijn zowel de burger als de verkozenen vragende partij om meer duidelijkheid te krijgen over deze gedragsregels. De leden van het Vlaams Parlement hebben beslist een Deontologische Code inzake dienstverlening aan de bevolking uit te werken, die sinds 1 januari 1998 van kracht is. Op basis van het Gemeentedecreet van het Vlaamse Gewest van 15 juli 2005 dienen de gemeenteraden een deontologische code aan te nemen voor de gemeenteraad, het college van burgemeester en schepenen en het gemeentepersoneel.

Bovendien voorzien de algemene beleidsverklaringen van de Franse Gemeenschap, het Waalse Gewest, het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie ook in de samenstelling van een deontologische commissie. Deze tekst wordt momenteel opgesteld.

Overeenkomstig het Institutioneel Akkoord zal de Deontologische Commissie een adviesorgaan zijn. Hoewel ze niet bevoegd is om sancties op te leggen, zal de Deontologische Commissie adviezen of aanbevelingen formuleren die kunnen wijzen op niet-deontologisch gedrag, waarmee rekening moet worden gehouden

De samenstelling van de Deontologische Commissie is geënt op die van het Grondwettelijk Hof. Ze wordt immers taalparitair samengesteld en bevat oud-parlementsleden. Het voorzitterschap en vicevoorzitterschap worden afwisselend door de Franstalige voorzitter en de Nederlandstalige voorzitter van de Commissie waargenomen. De commissie bevat twee juristen. Ten slotte, zijn de onverenigbaarheden afgestemd op deze die van toepassing zijn op de leden van het Grondwettelijk Hof. De toevoeging van de gewezen openbare mandatarissen, anderen dan de oud-parlementsleden en de juristen, in de Commissie heeft een meerwaarde aangezien zij ervaring hebben met de categorieën van openbare mandatarissen die onder het toepassingsgebied vallen van deze wet. Het mandaat van de commissieleden duurt vijf jaar en kan éénmaal worden vernieuwd. De duur van dit mandaat stemt overeen met de nieuwe duur van de federale legislatuur.

De leden worden door de Kamer van volksvertegenwoordigers benoemd met een meerderheid van tweederden van de volksvertegenwoordigers, waarbij tweederden van de leden aanwezig moet zijn.

Het gaat om een permanent orgaan, rekening houdend met zijn initiatiefrecht, met dien verstande dat het slechts op gezette tijden zal vergaderen, in functie van de hoeveelheid werk.

De commissie zal een ontwerp van een Deontologische Code opstellen met verschillende aanbevelingen inzake deontologie, ethiek en belangenconflicten en is er verder mee belast om, op basis van deze code en de wettelijke en jurisprudentiële regels, op vraag van een openbaar mandataris, vertrouwelijk advies uit te brengen, of adviezen en aanbevelingen op eigen initiatief of op vraag van de Kamer of de regering. De Commissie heeft ook als taak om, op vraag van een minister of een staatssecretaris, vertrouwelijke adviezen te geven.

De Deontologische Code zal regels van deontologische aard, ethische regels, en regels inzake belangenconflicten bevatten, evenals elke richtlijn die de Commissie ter zake nuttig acht.

De Deontologische Code zal de vorm van een reglement aannemen voor de volksvertegenwoordigers en voor de senatoren.

Voor de andere openbare mandatarissen zal de Deontologische Code de vorm van een wet aannemen.

De Codes kunnen specifieke bepalingen bevatten naargelang de hoedanigheid van openbare mandatarissen, namelijk de volksvertegenwoordigers, senatoren, en de andere openbare mandatarissen.

De Commissie kan worden gevat, hetzij op vraag van een openbaar mandataris over een specifieke kwestie die hem betreft, hetzij door de federale regering of door de Kamer van volksvertegenwoordigers, die een advies of aanbeveling vragen.

De indieners van het huidige wetsvoorstel zijn van mening dat men een zekere datum moet kunnen geven voor deze aanvragen om de termijn van zestig dagen te kunnen berekenen waarin de Commissie haar advies moet geven. De procedure van aangetekend schrijven is dus in alle gevallen aanbevolen.

Bovendien kan de Commissie ook beslissen om een advies of aanbeveling op eigen initiatief uit te brengen, op voorstel van een lid en dit met een meerderheid van haar leden, waarbij een meerderheid van haar leden aanwezig moet zijn.

De Commissie wordt overeenkomstig dit voorstel bijeengeroepen door de voorzitter, zo vaak en met de frequentie die nodig is om de adviezen en aanbevelingen die haar worden voorgelegd of die ze op eigen initiatief aanvat, te onderzoeken.

De Commissie komt in ieder geval minstens éénmaal per jaar samen om aanbevelingen op te stellen en haar jaarverslag goed te keuren. De Commissie dient haar jaarverslag in en stelt het aan de Kamer van volksvertegenwoordigers voor. Het jaarverslag wordt ook via haar website bekendgemaakt.

Om onder andere de rust tijdens de werkzaamheden en de vertrouwelijkheid van de adviezen over de door openbare mandatarissen gestelde vragen te waarborgen, bepaalt dit artikel ook dat de vergaderingen van de Commissie niet openbaar zijn en dat de Commissieleden op straffe van onmiddellijk ontslag van rechtswege gebonden zijn aan de vertrouwelijkheid van de werkzaamheden van de Commissie.

IV. ALGEMENE BESPREKING

1. Opmerkingen en vragen van de leden

De heer Ide zal in zijn analyse van de voorliggende voorstellen thematisch te werk gaan.

Zijn basisstelling is dat de ingediende teksten de kwalificatie van grote staatshervorming niet verdienen.

Gezinsbijslag

Wel erkent hij dat, met de overheveling van de kinderbijslag — of is het gezinsbijslag ? — naar de gemeenschappen, deze laatste er inderdaad een fors pakket bevoegdheden bijkrijgen ter waarde van ongeveer zes miljard euro. Vermits het hier om een belangrijke tak van de sociale zekerheid gaat, is er geen reden om daarover minnetjes te doen. Dat neemt niet weg dat heel wat vragen rijzen over de praktische realiseerbaarheid van deze overheveling.

Gezondheidszorg

De overheveling van sommige onderdelen van de gezondheidszorg is dan weer slecht geregeld. De teksten die vandaag voorliggen kennen een lange wordingsgeschiedenis. Er werden hierover reeds onderhandelingen gevoerd naar aanleiding van de regeringsformatie in 2007. Vervolgens werd in 2011 het zogenaamde « Vlinderakkoord » afgesloten. Nu rijst de vraag of de voorgestelde teksten wel overeenstemmen met dat akkoord.

Op 29 november 2007 werd de zeventiende versie van een nota besproken over « een nieuwe consensus tussen de federale overheid en de deelstaten om samen de uitdagingen van de eenentwintigste eeuw te beantwoorden ». Inzake gezondheidszorg werd toen naar een consensus gezocht met betrekking tot de evenwichtige uitbouw van de Federale Staat inzake ouderenbeleid, het beleid inzake geestelijke gezondheidszorg en de steun aan personen met een handicap, met inbegrip van de federale financiële tussenkomst voor de zorgverzekering, het prijsbeleid voor de huisvestingskosten in de rusthuizen, de organisatie en ondersteuning van de eerstelijnsgezondheidszorg, de preventie, de vaccinaties en de screenings. De onderhandelingen zijn op dat ogenblik afgesprongen omdat ook toen de analyse werd gemaakt dat de beoogde bevoegdheidsoverdracht onvoldoende homogeen was en het budget ontoereikend.

De overheveling van het ouderenbeleid betekent, zeker voor Vlaanderen, een financiële strop. Dat is ook de mening van de heer Justaert, voorzitter van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten, die in de zakenkrant De Tijd op 13 juli 2013 hieromtrent het volgende heeft verklaard :

« De kosten voor de ouderenzorg zijn de voorbije tien jaar met 7 % per jaar gestegen. Om het geld tussen de deelstaten te verdelen, zijn de onderhandelaars uitgegaan van het aantal tachtigplussers vandaag. Maar in Vlaanderen komen de volgende jaren veel meer 80-plussers bij dan in Wallonië. Hoe we dat gaan oplossen, is me een raadsel. »

Ook in 2010 werd onderhandeld over de gezondheidszorg. Ook toen heeft de heer Ide nooit gepleit voor een volledige splitsing van de gezondheidszorg, hoewel de N-VA op dat ogenblik electoraal sterker stond dan in 2007 en, vanuit democratisch oogpunt, derhalve meer mocht eisen. CD&V en N-VA hebben toen voorgesteld om een groot deel van de gezondheidszorg over te hevelen naar de gemeenschappen, met name alles wat tot de bevoegdheid van de federale overheidsdienst Volksgezondheid behoort, maar niets wat tot de bevoegdheid van het RIZIV behoort. Hierdoor zou, bijvoorbeeld, een consultatie bij de huisarts evenveel kosten in het noorden als in het zuiden van het land. Tegelijk zouden er homogene gemeenschapsbevoegdheden zijn gecreëerd waar nu vele bevoegdheden versnipperd zijn tussen de federale overheid en de gemeenschappen. Bovendien zou men over voldoende middelen beschikken — ongeveer dertien miljard euro — om enkele prangende problemen aan te pakken, zoals bijvoorbeeld de ouderenzorg en de geestelijke gezondheidszorg.

Spreker brengt in herinnering dat Groen deze piste heeft ondersteund, in tegenstelling tot sp.a die meer vanuit het criterium van de kwaliteit te werk wenste te gaan. De realiteit bewijst overigens dat die laatste optie enkel tot meer conflicten leidt. De optie om tot een volledige overheveling van de bevoegdheden van de federale overheidsdienst Volksgezondheid over te gaan, is lang gevolgd, tot ze in april 2011 werd verlaten. Dat is jammer, vermits men hierdoor een kans heeft gemist om tot responsabilisering van zowel individuen als instellingen over te gaan.

De heer Ide is duidelijk : hij wenst homogene bevoegdheidspakketten en responsabilisering, niet alleen van de zorgverstrekkers, patiënten en ziekenfondsen maar ook van de gemeenschappen. Dat laatste is bijzonder moeilijk te realiseren. De heer Delpérée heeft in 2006 in « Le Soir » verklaard :

« Il y a des retouches à faire. Voyez la santé : la médecine préventive est communautaire, la médecine curative est fédérale. Cela ne va pas. Si la communauté fait des efforts, il y a moins de malades. Qui en profite ? Le fédéral. Si la communauté ne fait rien, le fédéral casque. Ça suscite des tensions. Il faut réunifier ça : tout aux communautés ou, selon moi, tout au fédéral. »

De heer Ide is het volstrekt eens met die analyse, maar verschilt van mening met de heer Delpérée over de meest aangewezen oplossing.

Volgens senator Ide zijn er voldoende argumenten om te stellen dat de gezondheidszorg beter georganiseerd wordt op gemeenschapsniveau. Vandaar dat in de onderhandelingen, tot op het niveau van de Vlindernota, altijd de piste open werd gehouden om te responsabiliseren, via een bonus/malus systeem. Wie het goed doet, wordt beloond met een bonus; wie het minder goed doet, krijgt een malus. Ook dat werd echter niet in aanmerking genomen. Wie inspanningen levert, zal niet worden beloond. De efficiëntie is dan ook totaal zoek.

De heer Beke vindt de historische analyse van de heer Ide interessant. De passage over Vollezele ontbreekt echter. De heer Beke herinnert zich dat hij de dag na Vollezele bij de toenmalige informateur werd geroepen, de huidige burgemeester van Antwerpen. De CD&V was niet aanwezig in Vollezele. Toen de heer Beke informeerde of ook de gezondheidszorg was besproken, was het antwoord negatief omdat dat heel gevoelig lag bij de PS. Op het ogenblik dat de N-VA de informateur leverde, was er dus geen enkele afspraak gemaakt over gezondheidszorg. De heer Beke heeft toen namens de CD&V verklaard dat er ook op dat vlak stappen vooruit moesten worden gedaan. Ook justitie lag bijzonder moeilijk, ditmaal voor de cdH, maar ook hier vond de heer Beke dat er stappen vooruit moesten worden gedaan. Als de heer Ide de teksten goed leest, zal hij niet anders kunnen dan vaststellen dat op beide punten inderdaad vooruitgang wordt geboekt.

Volgens de heer Ide werd de bevoegdheidsoverdracht inzake gezondheidszorg wel degelijk besproken, maar de reactie van de PS was dat dat zeer, zeer moeilijk lag. Spreker laat de uitspraken van de heer Beke voor zijn rekening. Hij stelt het niet op prijs dat er woorden in de mond worden gelegd van een persoon die tijdens deze bespreking niet aanwezig is, omdat hij geen deel meer uitmaakt van deze assemblee.

De heer Beke merkt op dat die persoon bij de bespreking van de voorstellen inzake de splitsing van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde wel deel uitmaakte van deze assemblee en toen schitterde door zijn afwezigheid.

Dat de PS eigenlijk nooit bereid is geweest inspanningen te leveren, stond volgens de heer Ide in de sterren geschreven. In « Le Soir » van 25 augustus 2010 gooide de PS het acquis op tafel, althans wat zij als acquis beschouwde, namelijk de ouderenzorg, de vaccinaties, het anti-tabaksfonds, de erkenning van zorgberoepen en de revalidatieovereenkomsten. Het enige nieuwe ten opzichte van 2007 was het verbouwen van ziekenhuizen. Dat laatste is inderdaad voor een stuk een homogenisering omdat de bevoegdheden inzake de bouw en verbouwing van ziekenhuizen nu samenkomen op gemeenschapsniveau. Hier moet echter wel de kanttekening bij worden gemaakt dat heel wat verbintenissen vastliggen voor de komende tien tot drieëndertig jaar, waardoor de beleidskeuze en -vrijheid van de gemeenschappen voor de komende tientallen jaren bijzonder beperkt zijn.

De heer Ide wijst erop dat de homogeniseringsoefening niet zomaar een fetisj is van de N-VA. Het is ook wat gezondheidseconomen vragen. Zij geven duidelijk aan dat de structuur van de gezondheidszorg zoals ze nu is, tot x-inefficiëntie van het beleid leidt, wat een economische term is om te zeggen dat de middelen niet efficiënt worden besteed.

In september 2010 kon er al worden vermoed dat het slecht zou aflopen, want toen opende mevrouw Onkelinx in « La Libre Belgique » de aanval op de quota voor zorgberoepen. Zij wenste ze af te schaffen, goed beseffende dat op dat ogenblik de Vlaamse kinesitherapeuten nog een uitgangsexamen moesten afleggen en dat het overtal artsen in Franstalig België gigantische proporties aannam, wat tot op heden doorgaat. Een dergelijke aanval stelt de zaken op scherp.

Senator Ide merkt op dat van de honderden dagen dat de regeringsvorming heeft geduurd, de heer De Wever er tien heeft doorgebracht als verduidelijker. Tien dagen om alle partijen te polsen over hoever ze konden gaan, en om eventueel een draagvlak te vinden. De verduidelijker heeft toen inderdaad water bij de wijn gedaan. Het ging niet meer om een pakket van dertien miljard euro in de gezondheidszorg, maar om zeven à acht miljard euro. Enkel de meest essentiële zaken bleven overeind.

Daarna was de heer Vande Lanotte gedurende een drietal maanden aan de beurt. Veel mensen vroegen zich af of zijn nota niet dezelfde was als die van de « verduidelijker ». In dat verband raadt de heer Ide iedereen de lectuur aan van het artikel van Bart Brinckman in De Standaard van 18 november 2010 : « Zwaar gezakt voor gezondheidszorg ». Het is een mooie exegese van de nota's van de heren De Wever en Vande Lanotte, waarin de journalist perfect inschat wat de betekenis van één woord kan zijn. In de nota van de « verduidelijker » staat dat de geestelijke gezondheidszorg moet worden overgeheveld. In de nota-Vande Lanotte staat dat het platform geestelijke gezondheidszorg moet worden overgeheveld. Dit éne woord verschil in tekst houdt een wereld van verschil in middelen en bevoegdheden in. Ook inzake ouderenbeleid kan hetzelfde worden vastgesteld. Zorgnet Vlaanderen heeft tot op het laatste gepleit om de thuisverpleging mee in het pakket op te nemen om zo op een min of meer coherente manier te kunnen schuiven tussen institutionele ouderenzorg en thuisverpleging. Terecht schrijft de heer Brinckman in « De Standaard » dat « het luik gezondheidszorg vanuit de N-VA een « dikke onvoldoende » meekrijgt.

Op een bepaald moment, nog vóór de heer Beke aan zet kwam, werd een nieuwe piste bewandeld : « less is more ». De N-VA heeft toen zwaar ingezet om meer te bereiken in de gezondheidszorg en het arbeidsmarktbeleid. Dat is toen misschien te sterk gecommuniceerd geweest waardoor dit misschien slecht gevallen is en die piste niet lang op tafel heeft gelegen.

De heer Ide belandt vervolgens bij de bemiddelingspoging van de heer Beke tussen PS en N-VA. In alle eerlijkheid zal ook de heer Beke moeten toegeven dat er weinig beweging in de zaak zat. De PS bleef geparkeerd op de piste van het acquis, zoals beschreven in « Le Soir ». Er kon geen sprake zijn van verdere homogenisering, van grotere budgetten die nodig zijn om aan de toekomstige uitdagingen het hoofd te bieden. Zoals iedereen weet, heeft het snel tot een breuk geleid waarbij de N-VA nog vasthield aan een grotere homogenisering en overheveling van bevoegdheden en budgetten, en de andere partijen niet meer.

De heer Di Rupo werd formateur en legde 4,9 miljard euro voor gezondheidszorg op tafel. Eigenlijk is dat cijfer niet helemaal correct want het gaat om 3,7 miljard euro gezondheidszorg en 1,2 miljard euro gehandicaptenbeleid. Als de stap verder gezet was naar 1,8 miljard euro, dan was het gehandicaptenbeleid een compleet en homogeen pakket geweest. Daardoor zou voor de gehandicapten een efficiënt één-loketsysteem kunnen worden ingevoerd. Dat zal nu niet gaan. Integendeel, het gaat maar om 600 miljoen euro.

Volgens de heer Di Rupo gaat het echter om 3,7 miljard euro, aldus de heer Ide. Het is net hetzelfde als in 2007, plus de A1 en A3 verbouwingen. In vergelijking met het Vlinderakkoord is het eigenlijk een achteruitgang. Hetzelfde geldt voor de bonus/malus, die helemaal sneuvelde. Het laatste voorstel was trouwens vrij hallucinant. Er zou tot maximaal 300 miljoen euro mogelijkse bonussen naar de gemeenschappen gaan. Daarvan vloeide 150 miljoen euro onmiddellijk terug naar de federale overheid. Van de overblijvende 150 miljoen moest de helft, te weten 75 miljoen, naar de ziekenfondsen gaan. In tijden van budgettaire krapte stoot dergelijk voorstel tegen de borst. Het voorstel werd echter niet in aanmerking genomen. Van responsabilisering is geen sprake meer.

Het ergert de heer Beke dat de heer Ide in zijn uiteenzetting teruggaat tot november 2007. Daarna weigerde de N-VA toe te treden tot de regering. In september 2008 weigerde de N-VA in een onderhandeling van gemeenschap tot gemeenschap te treden. In juli 2011 weigerde de N-VA opnieuw een definitieve onderhandeling aan te gaan. Gelet op deze feiten, is het niet correct de zaken voor te stellen zoals de heer Ide nu doet. Indien de N-VA in 2007 had onderhandeld en tot de regering was toegetreden, als de heer Ide in 2007 minister van Gezondheidszorg was geworden, dan had hij daar zijn volle gewicht in de schaal kunnen leggen. Hetzelfde geldt voor alle andere momenten die spreker heeft opgesomd. Welke hoop moeten de Vlamingen hebben dat het in 2014 anders zal zijn ?

De heer Ide merkt op dat de heer Beke een selectief geheugen heeft. In 2009 onderhandelde de N-VA wel degelijk. De partij is nog steeds een partner in de Vlaamse regering. Het is trouwens de Vlaamse regering die geconfronteerd zal worden met de tekst die hier zal worden aangenomen. Zijn partij zal zich in die regering loyaal gedragen.

Dat betekent echter niet dat wat hier voorligt een goed akkoord is. De heer Ide citeert verschillende commentatoren die de onvolledigheid van de over te dragen bevoegdheidspakketten en de ontoereikende financiering sterk bekritiseren :

— Jasper D'Hoore zei over gezondheidszorg in « De Tijd » van 11 juli 2013 : « Wel moet opgemerkt worden dat het zelden over homogene bevoegdheidspakketten gaat, waardoor de versnippering blijft. »;

— professor Lieven Annemans stelde in « De Tijd » van 17 augustus 2011 : « Tot besluit zitten er enkele voorzetten in de nota over het gezondheidsbeleid, maar de krachtige structurele veranderingen en concrete rolverdelingen worden gemist. »;

— Zorgnet Vlaanderen merkte op 20 maart 2013 op : « Nu is al duidelijk dat de bijkomende dotaties die de bijzondere financieringswet in het vooruitzicht stelt allicht onvoldoende zullen zijn om in de toekomst alle Vlaamse zorg- en welzijnsbehoeften te dekken. »;

— De Socialistische Mutualiteit zei over ouderenzorg : « Hoewel in de beginfase het principe « geen winnaars, geen verliezers » zal worden gehonoreerd, is het duidelijk dat op termijn de federale dotatie die Vlaanderen krijgt onvoldoende zal zijn. »;

— Rik Van Cauwelaert stelt het als volgt in De Tijd van 16 februari 2013 : « Voor de Vlaamse Gemeenschap, met haar snel verouderende bevolking, dreigt die overheveling bovendien een zware factuur te worden. ».

Er ligt hier volgens de heer Ide dus niet meer of niet minder dan een gedrocht van een akkoord over gezondheidszorg op tafel waarmee de Vlaamse regering geconfronteerd zal worden. Zij zal geen andere keuze hebben dan dit akkoord naar best vermogen uit te voeren. Dat belet spreker echter niet hier te concluderen dat het akkoord een totaal gemiste kans is. Blijkbaar is de heer Beke de enige Vlaamse senator die het akkoord verdedigt.

Wanneer het akkoord al de indruk geeft dat er hervormingsstappen worden gedaan, dan blijft het de federale schoonmoeder die bepaalt in welke mate de bevoegdheid kan worden uitgeoefend.

Het benieuwt hem waarom er in de gezondheidszorg geen bonus/malus wordt ingevoerd.

Nergens wordt duidelijkheid verschaft over de manier waarop de vergrijzingskosten zullen worden opgevangen. Dat wordt een echte financiële strop voor de Vlaamse Gemeenschap.

Waarom wordt de thuiszorg niet mee overgeheveld ?

De heer Ide is ervan overtuigd dat de huidige onvolledige overheveling van bevoegdheden reeds de aanzet geeft tot een zevende staatshervorming : de huidige, onvolledige hervorming maakt de situatie dusdanig complex dat een volgende hervorming gewoon noodzakelijk zal blijken.

Vervolgens overloopt hij een aantal van de problemen die het akkoord zal veroorzaken.

Hoe zullen de geïsoleerde G- en Sp-diensten worden aangepakt ?

Hoe zal de gemeenschapsbevoegdheid op het vlak van erkenningsnormen zich verhouden tot de federale bevoegdheid op het vlak van de basiskenmerken — ook de Raad van State opperde hierover een aantal bedenkingen. De procedures zullen bovendien bijzonder tijdrovend zijn omdat er samenwerkingsakkoorden moeten worden afgesloten die door het Rekenhof moeten worden getoetst. Dat zal leiden tot chaos in de procedures.

Hoe zal men omgaan met het verschillend personeelsstatuut in de algemene Ziekenhuizen en in de G- en Sp-diensten ? Komt daardoor het gelijkheidsprincipe niet in het gedrang ? Wat zullen de gevolgen zijn voor de hospitalisatieverzekering ? Wat zullen de gevolgen zijn van deze hervorming voor de maximumfactuur ? Hoe zal men omgaan met de sociale Maribel ?

Geen enkel van deze problemen wordt door de voorliggende voorstellen opgelost.

Het budget van het RIZIV stijgt jaarlijks met ongeveer 6 %. Voor ouderenzorg — precies dat deel van de gezondheidszorg dat wordt overgeheveld — is die stijging echter veel hoger en bedraagt ze jaarlijks 9,7 %. Op basis van de demografische verwachtingen zal die stijging nog toenemen, zeker in Vlaanderen. Tegelijk wordt slechts een deel van de middelen overgeheveld. Dit betekent dat de beleidsruimte van Vlaanderen bijzonder krap wordt. Wie haalt het in zijn hoofd om een dergelijke slechte regeling te aanvaarden ? De ouderenzorg is de « bad bank » van de gezondheidszorg. Heeft men er enig idee van hoe Vlaanderen de ouderenzorg in de toekomst gaat financieren ?

Daarnaast is er de problematiek van de rust- en verzorgingstehuizen (RVT) en de rustoorden voor bejaarden (ROB). In het ene geval wordt de kinesitherapie gefinancierd op basis van prestatie en in het andere geval is dat inbegrepen in de forfaitaire prijs.

De heer Anciaux wijst erop dat deze problemen niets met de bevoegdheidsoverdracht te maken hebben. De huidige situatie levert ook problemen op.

De heer Ide geeft een voorbeeld. De RVT blijven onder het federale RIZIV vallen. Vlaanderen kan dus niet overgaan tot een homogenisering.

De heer Anciaux antwoordt dat de ROB een 100 % Vlaamse bevoegdheid zullen worden terwijl dat nu niet het geval is. Hij begrijpt dat de N-VA pleit voor een volledige overheveling van de RVT, maar daarover is geen akkoord bereikt.

Wat de pediatrische verzorgingstehuizen (PVT) betreft, vraagt de heer Ide hoe de overheveling van de financiële middelen concreet zal verlopen, in het licht van het feit dat de bevoegdheden voor de A1 en A3 worden overgeheveld. Komt er dan een deel van het BFM (Budget van Financiële Middelen) naar Vlaanderen voor de financiering van de PVT ?

De heer Anciaux antwoordt dat dat in de financieringswet wordt geregeld. Hij herinnert eraan dat die wet op de huidige reële situatie gebaseerd is.

Staatssecretaris Verherstraeten bevestigt dat het voorliggende voorstel van bijzondere wet samen moet worden gelezen met het voorstel van bijzondere wet tot hervorming van de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, tot uitbreiding van de fiscale autonomie van de gewesten en tot financiering van de nieuwe bevoegdheden (zie stuk Kamer, nr. 53-2974/1). Dat laatste voorstel is gebaseerd op de reële bedragen van 2012.

De heer Ide stipt aan dat de toenemende vergrijzing ertoe zal leiden dat die regeling zeer nadelig zal uitvallen voor Vlaanderen.

De heer Anciaux meent dat er alleen kan worden gedebatteerd over het feit dat er slechts 85 % van de middelen zullen worden overgedragen. Hij wijst er echter op dat voor alle federale diensten een globale besparingsmaatregel geldt teneinde aan de begrotingsverplichtingen te beantwoorden die aan ons land zijn opgelegd.

De heer Verherstraeten stelt voor dit debat te voeren op het ogenblik dat deze commissie het ontwerp zal bespreken van bijzondere wet tot hervorming van de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, tot uitbreiding van de fiscale autonomie van de gewesten en tot financiering van de nieuwe bevoegdheden (zie stuk Kamer, nr. 53-2974/1). Hij bevestigt dat de cijfers van de begroting 2013 dienden als basis voor de wijziging van de bijzondere financieringswet. Wat het luik gezondheidszorg betreft, is er nog een actualisering geweest ingevolge het sociaal akkoord in de rusthuissector. In de Kamer is daartoe een amendement ingediend om de bijdragen te verhogen.

De staatssecretaris wijst er bovendien op dat de besparingen die in 2013 op federaal niveau zijn doorgevoerd, bijvoorbeeld op het vlak van de dienstencheques, niet in mindering zijn gebracht op de middelen die zullen worden overgeheveld.

De heer Laeremans heeft begrepen dat de 87,5 % aan middelen die worden overgeheveld slechts een overgangsmaatregel zijn voor de periode 2015-2016 en dat daarna de middelen op het oorspronkelijke niveau zullen worden gebracht. Is daar iets aan veranderd ?

De heer Anciaux antwoordt dat de beperking van de overgehevelde middelen geen tijdelijke maatregel is maar een definitieve regeling.

De heer Ide vestigt er de aandacht op dat de bespreking van dit voorstel van bijzondere wet niet kan worden losgekoppeld van de bespreking van het ontwerp van bijzondere financieringswet (zie stuk Kamer, nr. 53-2974/1). Men moet niet in detail op dat ontwerp ingaan, maar hij benadrukt dat bevoegdheden en budgetten onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.

Voorts wenst spreker meer verduidelijking over de nieuwe bepalingen inzake preventie : de gemeenschappen worden bevoegd voor de preventie, met uitzondering van de van nationaal belang geachte profylaxis. De verplichte inenting tegen polio is daarvan een voorbeeld. Een mogelijk veralgemeende vaccinatiecampagne tegen de Spaanse griep is een ander voorbeeld.

Spreker wenst er zich toch van te vergewissen dat de volledige preventie (primair, secundair én tertiair) aan de gemeenschappen wordt overgedragen.

Tot slot wenst spreker te weten hoe de nieuwe regeling inzake gezondheidszorg en de gezinsbijslagen concreet in Brussel zal worden toegepast : beide betreffen persoonsgebonden aangelegenheden, maar voor de gezinsbijslagen worden de gemeenschappen en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie (GGC) bevoegd, terwijl men voor de gezondheidszorg enkel voorziet in een overdracht aan de gemeenschappen. Maar overeenkomstig de Sint-Kwintensakkoorden is een overdracht van bevoegdheden aan de COCOF mogelijk en vandaar uit kan, aldus de heer Ide, een Wallo-Brux-as worden gecreëerd.

De heer Anciaux repliceert dat bovenstaande redenering niet juist is : het is wel zo dat het Waals Gewest en de COCOF bevoegd worden, maar dat betekent nog niet dat er een Wallo-Brux-as ontstaat.

De heer Ide wenst toch duidelijkheid over de vraag of het mogelijk zal zijn om vanuit Brussel aan te sluiten bij het Waals gezinsbijslagenstelsel.

De heer Anciaux antwoordt dat dat ongrondwettelijk zou zijn. Spreker erkent dat een aantal niet-Brusselse Franstalige politici hebben verklaard dat de beslissingen rond de gezinsbijslag die de Brusselse GGC zou nemen, niet zouden mogen verschillen van de beslissingen die de Franse Gemeenschap, zonder Brussel, zou nemen. Maar indien men deze wens juridisch hard wenst te maken, dan moet hierover een samenwerkingsakkoord worden gesloten tussen de Franse Gemeenschap en de GGC. Dat impliceert dat de GGC, die volledig paritair is samengesteld, hiermee instemt. Bovendien kan mutatis mutandis dezelfde beslissing worden genomen ten aanzien van de maatregelen inzake gezinsbijslag, die door de Vlaamse Gemeenschap worden uitgevaardigd.

Strikt juridisch-institutioneel is een as Wallo-Brux in deze persoonsgebonden aangelegenheden niet toegestaan, zo concludeert de heer Anciaux.

De heer Ide wenst toch de garantie dat een Brusselse Vlaming door deze nieuwe constructie niet onder het Waals-Brusselse gezinsbijslagensysteem zal kunnen vallen.

De heer Anciaux antwoordt dat dit inderdaad niet mogelijk is, maar dat betekent niet dat de uitkeringen niet identiek zouden kunnen zijn.

De heer Ide concludeert hieruit dat het dus mogelijk is dat een Vlaamse Brusselaar geen aansluiting meer heeft bij het gezinsbijslagenbeleid van de Vlaamse Gemeenschap.

De heer Anciaux wijst erop dat het omgekeerde eveneens mogelijk is : een Franstalige Brusselaar kan ook geen aansluiting meer hebben bij het gezinsbijslagenbeleid in Wallonië.

De heer Ide herinnert eraan dat de Brusselaar bij de invoering van de zorgverzekering een keuzevrijheid had waarover hij voor de gezinsbijslagen niet meer zal beschikken.

De heer Laeremans deelt de bezorgdheid van de heer Ide en wijst erop dat het gevaar zeer reëel is dat het beleid van de GGC volledig zal worden afgestemd op het Waalse beleid. Daarover is immers een afsprakennota gemaakt tussen de partijvoorzitters van PS, cdH, MR en Ecolo op 20 september 2013 : er zou een koepel komen die erover waakt dat het beleid in Wallonië en Brussel op een gecoördineerde manier wordt gevoerd.

Bovendien wijst spreker er nog op dat Brussels minister Grouwels in de pers nog heeft gewaarschuwd voor een eenzijdige as Wallonië-Brussel.

De heer Laeremans onderlijnt dat Brussel uiteraard meer is dan Wallo-Brux. Hij wenst dan ook te weten of er ook aan Vlaamse kant reeds overleg is gepleegd.

De heer Beke verduidelijkt dat verscheidene andere Vlaamse politici het standpunt van minister Grouwels delen. Voorts zal de verdere discussie in de schoot van de GGC moeten worden gevoerd. Het is immers om die reden dat er in een overgangsperiode wordt voorzien.

De heer Laeremans is van oordeel dat het gevaar bestaat dat de Vlaamse Gemeenschap verplicht zal worden om de afspraken tussen de GGC en het Waals Gewest zonder meer te volgen.

De heer Beke herinnert eraan dat de Brusselse regering bijna volledig paritair is samengesteld en de GGC volledig paritair is. In Brussel zullen de Franstaligen verplicht zijn om met de Vlamingen een akkoord te sluiten over de gezinsbijslagen. Juist om tijd te geven voor dit overleg, is in een overgangsperiode van vijf jaar voorzien.

De heer Anciaux voegt daaraan toe dat men in Brussel goed weet dat er nog grondig onderhandeld zal moeten worden tussen de beide gemeenschappen. Voor het overige is er geen enkel staatsrechtelijk verband tussen de beslissingen die door de Franse Gemeenschap moeten worden genomen in het kader van de gezinsbijslagen voor het eentalig Franstalig gebied buiten Brussel en de beslissingen die in de GGC zullen moeten worden genomen. Dat vloeit voort uit de Grondwet.

De heer Ide verklaart vervolgens ook nog heel wat vragen te hebben met betrekking tot de voorgestelde regeling inzake de contingentering van artsen en tandartsen. In de toekomst zullen de gemeenschappen de subquota kunnen bepalen, maar « met naleving van de door de federale overheid bepaalde erkenningsnormen ». Deze nieuwe autonomie voor de gemeenschappen is, aldus spreker, een lege doos. Het aantal toe te kennen RIZIV-nummers voor artsen en tandartsen wordt immers federaal vastgesteld. Vandaag kent de Vlaamse Gemeenschap een numerus fixus voor de artsen- en tandartsenstudies en wordt het quotum nageleefd; de Franse Gemeenschap kent geen numerus fixus voor deze studies en er worden nu reeds toekomstige RIZIV-nummers toegekend.

In de toekomst zullen de gemeenschappen zorgberoepen erkennen. In het voorliggende voorstel van bijzondere wet wordt echter niets bepaald over stageplaatsen, stagemeesters en de toekomst van de provinciale geneeskundige commissies.

De heer Ide concludeert dat de autonomie van de gemeenschappen inzake de subquota een valse autonomie is. Het enige wat de gemeenschappen kunnen bepalen, is dat er bijvoorbeeld meer huisartsen moeten zijn. Maar indien men dat wenst, dan moet de gemeenschap ook de middelen hebben om de eerstelijnszorg uit te bouwen. Bovendien, mocht een gemeenschap beslissen om enkel nog specialisten te erkennen, dan draagt zij daar niet alleen de budgettaire consequenties van. Op deze wijze worden de gemeenschappen niet geresponsabiliseerd.

De heer Anciaux verzet zich tegen de interpretatie van de heer Ide en wenst te onderlijnen dat overeenkomstig het nieuwe artikel 5, § 1, I, BWHI (artikel 6 van het voorstel), Vlaanderen toch volledig bevoegd zal worden voor het gezondheidsbeleid en voluit in de eerstelijnsgezondheidszorg zal kunnen investeren.

De heer Ide weerlegt dat. Hij is ervan overtuigd dat de gemeenschappen niet over voldoende middelen zullen beschikken om een autonoom volwaardig gezondheidsbeleid te voeren. Er is ook niet in responsabiliseringsclausules voorzien. Volgens de heer Ide dienen de voorliggende teksten de gezondheidszorg zeker niet. Integendeel, het voorgestelde geheel is niet homogeen, niet efficiënt, maar maakt de regels wel complexer. Bij elke bevoegdheid die wordt overgedragen, staat een federale schoonmoeder over de schouder mee te kijken.

Ten bewijze daarvan citeert spreker de volgende passages uit het voorgestelde artikel 5, § 1, I, BWHI (artikel 6 van het voorstel) :

« ... Elk voorontwerp of voorstel van decreet, elk amendement op een ontwerp of voorstel van decreet, evenals ieder ontwerp van besluit van een gemeenschap met als doel om de erkenningsnormen van ziekenhuizen, ziekenhuisdiensten, zorgprogramma's en ziekenhuisfuncties vast te leggen, dient voor verslag te worden voorgelegd aan de algemene vergadering van het Rekenhof zodat het de gevolgen kan evalueren op korte en lange termijn op de begroting van de federale overheid en van de sociale zekerheid. (...)

Na verplicht advies te hebben ingewonnen van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering en de bevoegde administratie van de betrokken gemeenschap en na, in voorkomend geval, het facultatief advies te hebben ingewonnen van het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg, brengt de algemene vergadering van het Rekenhof binnen de twee maanden na de ontvangst van het voorontwerp, het voorstel, het amendement of het ontwerp een omstandig verslag uit met betrekking tot de gevolgen van deze normen, op korte en lange termijn, op de begroting van de federale overheid en van de sociale zekerheid. Deze termijn kan met één maand worden verlengd (...)

Indien het verslag stelt dat de aanpassing van deze normen, op korte of lange termijn, een negatieve impact heeft voor de begroting van de federale overheid en van de sociale zekerheid, zal een overleg plaatsvinden tussen de federale regering en de gemeenschapsregeringen op vraag van de federale regering of de betrokken gemeenschapsregering. Indien dit overleg niet tot een akkoord leidt, zullen de normen onderworpen worden aan het akkoord van de federaal bevoegde ministers of aan het akkoord van de Ministerraad indien één van zijn leden de evocatie van het dossier vraagt. »

Kinderbijslag

De heer Ide stelt dat deze overheveling weliswaar een groot pakket betreft, maar ook hier blijven veel vragen.

Waarom wordt het recht op kinderbijslag ingeschreven in artikel 23 van de Grondwet, terwijl artikel 22bis handelt over de rechten van het kind ?

Verder wordt gestipuleerd dat het recht op kinderbijslag niet aanzienlijk mag worden verminderd. Wat is de implicatie hiervan ? Waarom wordt bijvoorbeeld ook niet de fiscale aftrek voor gezinslasten overgeheveld ? In hoever kunnen de gemeenschappen vrij beslissen over de gezinstoelagen ? Kan de kinderbijslag loonafhankelijk worden gemaakt ? Bijvoorbeeld : kan er beslist worden dat er geen kinderbijslag wordt toegekend voor kinderen wier ouders een jaarinkomen hebben van meer dan 1 miljoen euro ? Wat indien dit door slechts één gemeenschap wordt beslist en niet door de andere ?

In een opiniestuk in Knack.be heeft Bart Maddens (« De Brusselkeuze van de N-VA of de Brussel-inlijving van de Franstaligen », 5 november 2013) aangetoond dat de overheveling van de bevoegdheid inzake kinderbijslag naar de GGC tot heel wat problemen kan leiden. Zo zullen de Vlaamse Brusselaars niet meer onder een Vlaams, maar onder een Franstalig stelsel vallen.

De heer Laeremans heeft de indruk dat het de bedoeling is om zo weinig mogelijk te veranderen. Vandaar de standstill-verplichting. Immers, wat wordt hieronder precies verstaan ?

Zo heeft Open Vld onlangs verklaard dat het huidige stelsel van gezinsbijslagen niet correct is : voor een eerste kind wordt minder bijslag toegekend, terwijl dat voor een tweede en derde kind meer is. Volgens Open Vld moet dat worden omgekeerd. Toevallig is dat ook het standpunt van het Vlaams Belang. De grootste kost ligt immers vooral bij het eerste en het tweede kind, en niet bij een vijfde, zesde of zevende kind. Is het denkbaar het systeem van kinderbijslag te wijzigen zodat er meer wordt toegekend voor een eerste kind om nadien de bedragen stelselmatig te verminderen voor de volgende kinderen ? Kan dit of niet ? Indien niet, dan zal Vlaanderen in de toekomst louter als doorgeefluik fungeren.

De heer Beke onderstreept dat de gemeenschappen zeker over beleidsautonomie op het vlak van de gezinsbijslagen zullen beschikken. Trouwens, verschillende partijen hebben hierover reeds voorstellen geformuleerd.

De heer Anciaux voegt daaraan toe dat de standstill-verplichting een juridische term is volgens welke verkregen rechten uit het verleden verworven blijven. Dat zal dus ook gelden voor de kinderbijslag.

Ook de heer Delpérée bevestigt dat de standstill-verplichting een juridisch begrip is dat reeds geruime tijd wordt toegepast door de Raad van State en het Grondwettelijk Hof. Eenmaal de rechten verworven zijn, kan er niet op worden teruggekomen.

De heer Laeremans vraagt zich af of dit principe betekent dat de bedragen per kind dan ook niet kunnen worden gewijzigd.

De staatssecretaris stipt aan dat de keuze voor de grondwettelijke verankering van het recht op kinderbijslag in artikel 23 van de Grondwet ingegeven is door de overweging dat dit artikel de sociale zekerheid betreft en dat kinderbijslag tot de sociale zekerheid behoort.

Wat de standstill-verplichting betreft, verwijst de staatssecretaris naar de toelichting bij het voorstel tot herziening van artikel 23 van de Grondwet om het recht op kinderbijslag te waarborgen (stuk Senaat, nr. 5-2240/1, blz. 2) : « Die bepaling legt de wetgever dus de verplichting op om geen afbreuk te doen aan de rechten die in de wetgeving worden gewaarborgd. De standstill-verplichting impliceert dat twee elkaar in de tijd opvolgende algemene rechtsnormen globaal bekeken een gelijkwaardig niveau van bescherming moeten bieden, waarbij de nieuwe rechtsnorm het bestaande beschermingsniveau niet aanzienlijk kan doen dalen zonder dat redenen van algemeen belang dit zouden verantwoorden. »

Belangrijk hierbij is dat de rechtsnormen globaal bekeken evenwaardig moeten zijn en dat een wijziging kan worden doorgevoerd om redenen van algemeen belang.

De standstill-verplichting is niet nieuw in de sociale zekerheid, want reeds van toepassing. Daarom wordt eenieders recht op een minimum aan sociale bescherming grondwettelijk verankerd.

Het is trouwens de ambitie van de institutionele meerderheid om ervoor te zorgen dat de autonomie voldoende ruim is. De staatssecretaris verwijst hier naar de toelichting bij het voorstel van bijzondere wet met betrekking tot de Zesde Staatshervorming (stuk Senaat, nr. 5-2232/1, blz. 68) : « De bevoegdheid inzake gezinsbijslagen omvat de volledige bevoegdheid voor zowel de kinderbijslag als de geboortepremies als de adoptiepremies. Ze omvat de gehele kinderbijslagregeling voor werknemers, voor zelfstandigen, voor overheidspersoneel (met inbegrip van het personeel dat afhangt van de federale overheid en de diensten of instellingen die hiervan afhangen), alsook de gewaarborgde kinderbijslagregeling. Het betreft zowel de bevoegdheid voor de gewone kinderbijslag als voor de toeslagen.

De gemeenschappen en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie beschikken ter zake over de volledige wetgevings-, uitvoerings-, en controlebevoegdheid. De gemeenschappen zijn onder meer volledig bevoegd voor het bepalen van het toepassingsgebied, de rechthebbenden die het recht op kinderbijslag openen, de rechtgevende kinderen, de bijslagtrekkenden, het bedrag van de kinderbijslag, het ontstaan en behoud van het recht op kinderbijslag, de betaling van de kinderbijslag en het administratief beheer. Ze kunnen de bestaande regelgeving, elk wat hen betreft, opheffen, aanvullen, wijzigen of vervangen. Die bevoegdheid zal uiteraard met naleving van de hogere normen (met inbegrip van de internationale normen) worden uitgeoefend en onder meer van artikel 23 van de Grondwet. »

De kinderbijslag kan dus wel degelijk loonafhankelijk worden gemaakt of, zoals in de geciteerde voorbeelden, niet langer worden toegekend bij inkomens boven 1 miljoen euro. Eventueel kan worden beslist om meer kinderbijslag toe te kennen voor het eerste kind en minder voor de volgende kinderen. De grondwettelijke verankering moet wel steeds gerespecteerd blijven.

Volgens de heer Ide probeert de staatssecretaris de commissie ervan te overtuigen dat het in casu om een volledige bevoegdheidsoverdracht gaat. Maar de standstill-verplichting blijft steeds gelden. Met andere woorden, de federale « schoonmoeder » is nooit veraf.

Verder wil de heer Ide ook weten of de controlebevoegdheden mee worden overgeheveld. Als er onregelmatigheden worden vastgesteld, wie zal dan ingrijpen en bestraffen ? Wordt de controle door de RKW ook mee overgeheveld ? En wat met de controle door de sociale inspectie ?

Wat het administratief beheer betreft, moet er een samenwerkingsakkoord worden gesloten. Indien dat niet gebeurt, dan ontstaat er een bevoegdheidsvacuüm. Wat wordt hieronder verstaan en wie zal dat beoordelen ? Wat gebeurt er dan ?

Hoe zal de Vlaamse Gemeenschap kunnen beschikken over de gegevens (zoals de sociale status van de ouders) die nodig zijn voor de vaststelling van de kinderbijslag ? Zal hiervoor een bijdrage verschuldigd zijn aan de kruispuntbank ? Werden hierover al afspraken gemaakt ?

De heer Laeremans stelt dat de gemeenschappen en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie dus de bevoegdheid hebben om de bedragen van de kinderbijslag te wijzigen, maar dat globaal bekeken de bescherming niet aanzienlijk mag veranderen. Wat betekent dat concreet ? Mag een gemeenschap beslissen om de kinderbijslagen met 25 % te doen dalen ?

Spreker onderstreept dat de federale overheid slechts 87,5 % van de financiering voor haar rekening neemt, hetgeen uiteraard grote gevolgen zal hebben voor de kinderbijslag want het gaat hier om aanzienlijke bedragen.

Volgens staatssecretaris Verherstraeten vermengt de heer Laeremans twee debatten, namelijk het debat over de bijzondere financieringswet en het debat over het aandeel van de gemeenschappen in de sanering van de overheidsuitgaven. Dat is niet hetzelfde verhaal. Zowel de bevoegdheid als de middelen inzake gezinsbijslagen worden volledig overgeheveld. Kinderbijslagen mogen alleen aanzienlijk worden verminderd om redenen van algemeen belang. Betwistingen over de invulling van dat algemeen belang worden beslecht door het Grondwettelijk Hof.

De heer Ide vindt het niet logisch dat een volledige bevoegdheidsoverdracht gebonden is aan de verplichting om globaal alles bij het oude te laten. Wijzigingen kunnen enkel worden doorgevoerd wanneer zij door het algemeen belang zijn verantwoord.

Spreker haalt het Franse voorbeeld aan waar de kinderbijslag per gezin beperkt is tot een bepaald aantal kinderen. Hij wijst erop dat de demografie van een regio kan worden gestuurd door middel van de kinderbijslag. Een gelijkaardig beleid zou een serieuze besparing kunnen beteken en middelen vrijmaken voor andere beleidsgebieden, zoals bijvoorbeeld ouderenzorg. Is zoiets mogelijk ? Zo ja, waarom is er dan sprake van een verbod om globaal iets te veranderen ?

De heer Delpérée herinnert eraan dat artikel 22bis van de Grondwet niet de bedoeling heeft een volledige definitie te geven van de rechten van het kind. Het kind geniet alle rechten en vrijheden die in titel II van de Grondwet zijn opgenomen (artikelen 8 tot 32).

In artikel 23 wordt trouwens voortaan ook het recht op sociale zekerheid vastgelegd. Traditioneel onderscheidt men vijf pijlers in de sociale zekerheid. Één van die pijlers is de kinderbijslag.

Staatssecretaris Verherstraeten voegt daaraan toe dat de federale wetgever in het licht van artikel 23 van de Grondwet evenmin kan beslissen om de kinderbijslag af te schaffen. De bevoegdheid die de gemeenschappen binnenkort inzake gezinsbijslagen zullen hebben, is dus even ruim als de bevoegdheid waarover de federale overheid thans beschikt.

De heer Delpérée herinnert eraan dat de Grondwet geen federale norm is. De Grondwet geldt voor het federale, het gemeenschaps- en het gewestelijke niveau.

De heer Ide begrijpt nog steeds niet waarom er dan globaal niets aan de kinderbijslag mag worden gewijzigd.

Staatssecretaris Verherstraeten verduidelijkt nogmaals dat de gemeenschappen, net zoals de federale wetgever nu, de kinderbijslag niet aanzienlijk mogen verminderen, tenzij het algemeen belang dat verantwoordt. Het Grondwettelijk Hof zal een dergelijk decreet aan artikel 23 van de Grondwet toetsen.

De heer Delpérée merkt op dat er altijd maar gesproken wordt over een verlaging van de kinderbijslag. Waarom wordt er nooit aan een verhoging gedacht.

De heer Laeremans begrijpt dat de kinderbijslag tot de sociale zekerheid behoort en dat men een verkregen recht niet zomaar kan afnemen. Maar in welke mate kan er wel iets worden gewijzigd ?

Stel dat de Vlaamse regering voor nieuwgeboren kinderen een beleid wil voeren dat gelijkaardig is aan het Franse systeem en de situatie ongewijzigd laat voor kinderen voor wie al kinderbijslag wordt toegekend. Is dat mogelijk ?

De heer Verherstraeten, staatssecretaris voor Staatshervorming, antwoordt dat men de problematiek niet individueel maar globaal moet benaderen. Er wordt door de overdracht niet meer afbreuk gedaan aan de autonomie die de gemeenschappen in de toekomst zullen hebben, dan aan die waarover de federale wetgever nu beschikt.

De heer Anciaux sluit zich daarbij aan. De volle bevoegdheid wordt naar de gemeenschappen overgeheveld. Die bevoegdheid ligt vandaag in de handen van de federale overheid. Vandaag kan de federale overheid niet beslissen om bijvoorbeeld de gezinsbijslag af te schaffen. De federale overheid kan daarentegen wel beslissen om een verschuiving door te voeren of om voor de eerste twee kinderen meer kindergeld toe te kennen. Het globale pakket blijft in grote mate, min of meer, behouden. Als een wetgever of een decreetgever hieraan ernstige wijzigingen wil aanbrengen, dan moet dat op basis van het algemeen belang kunnen worden gerechtvaardigd. De meeste regels die vandaag worden uitgevaardigd, moeten trouwens op basis van het algemeen belang gemotiveerd worden. De staatssecretaris heeft verklaard dat de Grondwet één van de toetsstenen is in deze materie, onder controle van het Grondwettelijk Hof. Dat betekent dat wetgeving die strijdig is met het algemeen belang, door het Grondwettelijk Hof zal worden vernietigd. En dat, ongeacht of die wetgeving federaal, gewestelijk of communautair is.

De heer Ide wenst een verduidelijking van het bijzonder vage begrip « min of meer ».

De heer Verherstraeten, staatssecretaris voor Staatshervorming, repliceert dat elke regelgeving met algemene kwalificaties werkt. Elk detail of elke casus kan niet bij wet worden geregeld.

De essentie van deze hervorming is dat de standstill reeds bestaat. Wat de definiëring betreft, verwijst hij naar de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof die van toepassing blijft. Dit houdt in dat de deelstaten in de toekomst kunnen beslissen om de gezinsbijslag te vermeerderen of ongewijzigd te laten. Dat betekent ook dat de deelstaten in de toekomst kunnen beslissen om de gezinsbijslag beperkt te verminderen. Een aanzienlijke vermindering is en zal alleen maar mogelijk zijn indien het algemeen belang dat verantwoordt. Op dit ogenblik is ook de federale overheid aan die verplichting gebonden.

Ten slotte citeert hij de toelichting bij artikel 47 van het voorstel van bijzondere wet tot hervorming van de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, tot uitbreiding van de fiscale autonomie van de gewesten en tot financiering van de nieuwe bevoegdheden (stuk Kamer, nr. 53-2974/1) : « (...) De bepaling van de financiële middelen gaat uit van een basisbedrag dat is vastgesteld op 6 403 683 360 euro voor het begrotingsjaar 2013 en dat overeenstemt met de totale begrotingskredieten voor dat jaar, met inbegrip van het aandeel van de Duitstalige Gemeenschap. (...) »

De heer Ide dringt aan op een verduidelijking van het concept « aanzienlijke vermindering ». Spreekt men over een miljard of over een miljoen euro ? Wat bedoelt de staatssecretaris hier precies mee ?

De realiteit is dat de cdH jaren geleden heeft geëist dat het recht op kinderbijslag grondwettelijk verankerd zou worden. Met als gevolg dat de uiteindelijke beslissingsbevoegdheid nu naar het Grondwettelijk Hof wordt doorgeschoven terwijl het eigenlijk aan de wetgever toekomt om dergelijke beleidskeuzes te maken. Op die manier wordt het Grondwettelijk Hof een soort « superinstituut ».

De heer Laeremans is eveneens van oordeel dat de regering veel macht geeft aan het Grondwettelijk Hof.

De heer Mahoux herinnert eraan dat het Grondwettelijk Hof reeds een belangrijke plaats inneemt in ons institutioneel landschap. De voorgestelde hervorming vloeit voort uit de vaststelling dat de kinderbijslag een belangrijk onderdeel is van ons socialezekerheidssysteem en dat men, wanneer men die bevoegdheid overhevelt naar de deelstaten, moet garanderen dat de hiervoor bestemde budgetten niet krimpen.

Hij zou graag een concreet geval vernemen dat bewijst dat de kinderbijslag stevig verminderd moet worden met het oog op het algemeen belang.

De heer Ide tracht de bevoegdheden aan een concrete toets te onderwerpen. Mag de Vlaamse Gemeenschap bijvoorbeeld de helft van de miljarden die ze zal krijgen, gebruiken voor de organisatie van gratis kinderopvang en ter compensatie de kinderbijslag halveren ?

Volgens de heer Anciaux is dat mogelijk.

Senator Ide stelt het nog extremer : Vlaanderen beslist geen kinderbijslag meer toe te kennen, maar depots op te richten waar pampers, fopspenen, kleren en dergelijke kunnen worden opgehaald. Kan dat ?

Volgens de heer Anciaux is dat zonder enige twijfel mogelijk. Er wordt immers nergens bepaald dat er geld moet worden uitgekeerd.

Een andere vraag van de heer Ide betreft de samenwerkingsakkoorden. Hij leest dat er samenwerkingsakkoorden moeten worden gesloten, zowel in de overgangsfase als nadien. In de overgangsfase zijn er samenwerkingsakkoorden tussen de GGC en de gemeenschappen, voor de samenwerkingsakkoorden nadien komt het federale niveau erbij. Waarom dat verschil ? Ook de Raad van State maakte daar een opmerking over. Een tweede samenwerkingsakkoord is bijzonder belangrijk om tot uitvoering te komen vermits het de uitwisseling van administratieve gegevens regelt. Wat als er geen akkoord wordt gesloten omdat de federale overheid bijvoorbeeld een exuberante prijs vraagt voor het gebruik van de Kruispuntbank ? Wordt alles dan uitgesteld ? Kan dat worden aangegrepen om alles op de lange baan te schuiven ?

De heer Verherstraeten antwoordt dat dit tweede probleem bij amendement zal worden verholpen (zie amendement nr. 22 — stuk Senaat, nr. 5-2232/4).

Met betrekking tot de vraag van de heer Mahoux naar de definitie van het begrip algemeen belang verwijst de heer Verherstraeten naar de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof dat bijvoorbeeld budgettaire redenen als redenen van algemeen belang heeft aanvaard.

Inzake de vragen van de heer Ide wil staatssecretaris Verherstraeten zich niet op glad ijs wagen. Het komt de rechter toe over individuele casussen te oordelen. Het lijkt de heer Verherstraeten echter perfect mogelijk dat een gemeenschap met budgetten schuift, zodat een deel van de middelen bestemd bijvoorbeeld voor de kinderbijslag wordt doorgeschoven naar kinderopvang, of vice versa. Betwistingen daarover zullen door het Grondwettelijk Hof worden beslecht.

De heer Ide merkt op dat men zo op termijn terechtkomt in een « gouvernement des juges ». De wetgever moet weten wat hij wil.

De heer Anciaux meent dat, als de Vlaamse regering zou beslissen om de door de heer Ide geschetste maatregelen te nemen en kan aantonen dat de bijkomende investering in kinderopvang in het algemeen belang is, geen enkele rechter die beslissing zal vernietigen.

De heer Ide stelt tot zijn verbazing vast dat de heer Anciaux eerst twijfelde over de mogelijkheid, maar zijn mening nu blijkbaar herzien heeft nadat de staatssecretaris standpunt heeft ingenomen.

De heer Anciaux verduidelijkt dat een dergelijke beslissing, zonder motivering, moeilijk zou kunnen liggen. De toetsing gaat niet over de maatregel zelf, maar over de vraag of hij al dan niet in het algemeen belang is. Een forse ingreep is mogelijk op voorwaarde dat zij door het algemeen belang is ingegeven. Een regering die over een meerderheid in het Parlement beschikt en stelt dat bepaalde middelen in het belang van de gemeenschap worden overgeheveld om bijvoorbeeld gratis kinderopvang mogelijk te maken, zal niet snel door een rechter worden teruggefloten. Er kunnen natuurlijk wel problemen rijzen wanneer een dergelijke maatregel niet afdoende gemotiveerd is.

De heer Ide meent dat, aan het einde van de rit, het Grondwettelijk Hof nog steeds zal oordelen wat het algemeen belang inhoudt. Dat gaat behoorlijk ver.

De heer Delpérée merkt op dat standstill geen nieuw begrip is. Het is een bestaand juridisch principe dat net zoals het proportionaliteits- of het subsidiariteitsbeginsel door het Grondwettelijk Hof, de Raad van State en het Europees Hof voor de rechten van de mens wordt toegepast.

Spreker kan zich goed voorstellen dat een gemeenschap oordeelt dat bijvoorbeeld de geboortepremie meer belang moet krijgen ten nadele van de kinderbijslag, zonder dat het globale evenwicht wordt verstoord. De gemeenschappen hebben dus een zekere autonomie in de uitoefening van hun bevoegdheden. Men mag er dus niet van uitgaan dat hun bevoegdheden in dezen zouden worden beknot.

Artikel 23, tweede lid, van de Grondwet stelt dat de economische, sociale en culturele rechten worden gewaarborgd door de wet, het decreet of de ordonnantie, rekening houdend met de bevoegdheidsprincipes. Vanaf het ogenblik dat de kinderbijslag tot het bevoegdheidsdomein van de gemeenschappen behoort, behoort de regelgeving dienaangaande toe aan de decreetgever. Er wordt dus een globale overdracht van bevoegdheid gerealiseerd. Er blijft geen soort van immanente federale bevoegdheid.

De heer Deprez onderschrijft de visie van de heer Anciaux. Eenmaal de overdracht gerealiseerd is, zal Vlaanderen alles kunnen doen wat de federale overheid nu doet. De bevoegdheid inzake kinderbijslag wordt volledig overgedragen aan de gemeenschappen. De Vlaamse Gemeenschap zal in haar beleid natuurlijk wel rekening moeten houden met de door de Grondwet en internationale verdragen gewaarborgde rechten. Wil Vlaanderen stommiteiten uithalen, dan kan ze dat, maar dan zal de rechter tussenbeide komen, net zoals die dat nu reeds op federaal niveau kan doen. De Vlaamse Gemeenschap zal dus geen decreet kunnen uitvaardigen dat de kinderbijslag ontzegt aan de Franstaligen in de zes randgemeenten of dat migrantenkinderen geen recht openen op kinderbijslag. Het beginsel van het algemeen belang betekent dat iedereen aan dezelfde norm onderworpen is en dat een verschil in behandeling op een redelijke en objectieve rechtvaardiging gebaseerd moet zijn, met respect voor de Grondwet en het internationaal recht.

Vlaanderen zal dus alles kunnen doen wat België nu kan doen, maar het zal niet kunnen doen wat België nu ook niet kan doen krachtens de Grondwet en het internationaal en supranationaal recht. De vraagstelling van de heer Ide is daarom puur theoretisch.

De heer Ide denkt dat het Grondwettelijk Hof dit verslag ongetwijfeld met grote belangstelling zal doornemen, omdat het misschien wat duidelijkheid zal scheppen over de draagwijdte van het begrip algemeen belang.

Voorts wenst hij te weten of een gemeenschap het kindergeld kan koppelen aan de schoolplicht of aan een bezoek aan Kind & Gezin.

De heer Mahoux meent dat deze vraag moeilijker te beantwoorden is omdat ze van een andere orde is en niets te maken heeft met wat hier wordt besproken. Sommige beslissingen kunnen moeilijk liggen omdat zij als discriminatoir kunnen worden beschouwd. Het voorbeeld van de heer Ide bevat een element dat als discriminatoir zou kunnen worden beschouwd. Dat is natuurlijk een andere reden om een maatregel aan te vechten, maar deze kwestie valt buiten het bestek van de hervorming die hier besproken wordt.

Staatssecretaris Verherstraeten heeft op dit thema al uitvoerig commentaar gegeven. Hij heeft de algemene principes geschetst en verklaard niet aan casuïstiek te willen doen. Concrete geschillen dienen door rechters te worden beslecht. De wetgeving die op federaal, regionaal of communautair niveau wordt uitgevaardigd, kan gelukkig nog altijd door het Grondwettelijk Hof worden getoetst. Die rechterlijke controle zal ook blijven bestaan in de confederale Staat die de N-VA voorstaat.

De heer Ide wijst erop dat de Raad van State in zijn advies bezwaar heeft gemaakt omdat de toewijzing van de gezinsbijslagen aan de GGC in strijd is met artikel 128, § 2, van de Grondwet. Zal dat probleem bij amendement worden aangepakt ?

Staatssecretaris Verherstraeten ontkent dit en verwijst naar de artikelsgewijze bespreking.

Arbeidsmarktbeleid

De heer Ide stelt vast dat de bevoegdheid inzake arbeidsmarktbeleid vandaag verdeeld is over de gemeenschappen, de gewesten en de federale overheid. Men zou verwachten dat dit nu verandert en er homogene bevoegdheidspakketten worden overgedragen. Dat is echter geenszins het geval. Spreker citeert enkele opiniemakers :

— « De regering-Di Rupo spreekt van de grootste staatshervorming ooit, een Copernicaanse revolutie zelfs. Financieel gezien klopt dat, maar zal het Belgische financieel federalisme daardoor beter functioneren ? Het valt te betwijfelen. Eigenlijk rammelt deze Staatshervorming en vooral de nieuwe financieringswet aan alle kanten. Eigen aan het Belgische federaliseringsproces is dat uitgavenbevoegdheden en activa worden overgedragen, financieringsverantwoordelijkheden en passiva (de historische staatsschuld) blijven grosso modo federaal. » (Alain Mouton, Trends, 10 juli 2013);

— « Zorgt de zesde Staatshervorming voor homogene bevoegdheden ? Neen. Wel integendeel, haast nooit werden bevoegdheden op zo'n versnipperde wijze overgedragen » (professor Vuye, De Tijd, 11 juli 2013);

— « De jongste staatshervorming bevat ontzettend veel conflictstof. Er liep een rilling over mijn rug toen ik staatssecretaris Melchior Wathelet die duizend bladzijden tekst aan de premier zag geven. » (Hugo De Ridder, Humo, juli 2013);

— « Het arbeidsmarktbeleid oogt als een vette kluif in de staatshervorming. Gek veel responsabilisering levert dat echter niet op. » (Isabel Albers in de Standaard, november 2010 als reactie op de toen voorgestelde 4,8 miljard zogenaamde overdrachten arbeidsmarktbeleid).

Uit de inleidende uiteenzetting blijkt dat het doelgroepenbeleid wordt geregionaliseerd, maar hierop wordt in uitzonderingen voorzien, waarop dan opnieuw uitzonderingen worden ingesteld. Men zal moeten toegeven dat dit een regionalisering « op zijn Belgisch » is die de zaken enorm compliceert. De voorgestelde regeling leidt noch tot responsabilisering noch tot meer efficiënt beheer. Zo rijst bijvoorbeeld de vraag of het Vlaams Gewest een specifiek doelgroepenbeleid voor oudere werknemers mag voeren en de specifieke maatregelen voor andere doelgroepen mag stopzetten zodat de daaraan gekoppelde budgetten kunnen worden aangewend voor een structureel arbeidsmarktbeleid. Is dat mogelijk ? In ontkennend geval, blijft er telkens een federale « schoonmoeder ».

De heer Anciaux verwijst naar de toelichting bij het voorstel van bijzondere wet (stuk Senaat, nr. 5-2232/1, p. 116) dat hierover uitdrukkelijk het volgende stelt :

« Het voorstel strekt er verder eveneens toe om het doelgroepenbeleid over te dragen aan de gewesten, zoals hieronder bepaald. Deze bevoegdheid moet ruim uitgelegd worden. »

Spreker benadrukt dat de bevoegdheid van de gewesten derhalve zeer ruim is.

De heer Ide repliceert dat dit antwoord vaag is en geen rationele benadering inhoudt. Het voorstel van bijzondere wet stelt immers dat de gewesten geen structurele RSZ-verminderingen kunnen toekennen, vermits die bevoegdheid uitdrukkelijk federaal blijft. Derhalve kunnen de gewesten geen structureel arbeidsmarktbeleid voeren.

De heer Anciaux antwoordt dat aan de gewesten de bevoegdheid wordt verleend om verminderingen op de sociale werkgeversbijdragen toe te kennen voor doelgroepen. Dat is zeer duidelijk en houdt wel degelijk een responsabilisering van de gewesten in.

De heer Ide betwijfelt of alle Vlaamse werknemers tussen achttien en vijfenzestig jaar als een doelgroep kunnen worden beschouwd.

De heer Anciaux betwist niet dat de sociale zekerheid niet in zijn geheel wordt gesplitst.

De heer Laeremans meent dat het tegenovergestelde waar is : de sociale zekerheid wordt helemaal niet gesplitst, met uitzondering van enkele aspecten ervan, zoals bijvoorbeeld de gezinsbijslagen.

De heer Anciaux bestrijdt deze voorstelling van zaken : grote delen van de gezondheidszorg, het gezinsbeleid, het ouderenbeleid en het arbeidsmarktbeleid worden overgeheveld naar de gemeenschappen en de gewesten.

De heer Laeremans verwijst naar de toelichting bij het voorstel van bijzondere wet (stuk Senaat, nr. 5-2232/1, p. 12) dat hierover uitdrukkelijk het volgende stelt :

« De bevoegdheid voor structurele RSZ-verminderingen, bepaalde verminderingen van sociale bijdragen en de vrijstelling van het doorstorten van de bedrijfsvoorheffing blijft federaal. »

De federale overheid behoudt derhalve een zeer ruime bevoegdheid op het vlak van de sociale zekerheid.

De heer Ide stelt vast dat de gemeenschapsbevoegdheid inzake beroepsomscholing en -bijscholing in Brussel naar de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie wordt overgeheveld, dus de facto naar het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Dat is geen goede zaak, vermits het onderwijsbeleid op het niveau van de gemeenschappen behouden blijft en er derhalve geen afstemming mogelijk is van beide beleidsdomeinen : waar de VDAB in Vlaanderen wil bijdragen aan het onderwijsbeleid, zeker voor jonge schoolverlaters, zal Actiris dat in Brussel wellicht niet doen.

Bij alle bevoegdheden die naar de gewesten, de gemeenschappen en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie worden overgeheveld, zullen overigens de bijbehorende ambtenaren eveneens moeten worden overgeheveld, terwijl de federale overheid haar personeelsleden precies zoveel mogelijk wenst te behouden.

De heer Ide geeft nog een voorbeeld van een manke bevoegheidsoverdracht : de regelgeving voor de arbeidskaarten A en B wordt overgedragen aan de gewesten, maar het uitreiken van een verblijfsvergunning blijft een federale bevoegdheid. Het ene kan evenwel niet zonder het andere. Bovendien is er de Europese richtlijn van de « single permit ». Die richtlijn verplicht de lidstaten om aan migranten van derde landen (dus ook economische migranten) één document af te leveren dat zowel hun verblijfstatus als hun recht om arbeid te verrichten in die lidstaat attesteert. Deze richtlijn zal binnenkort moeten worden omgezet. De migrant moet dus terecht kunnen in één loket dat zowel zijn verblijfsstatus onderzoekt, als zijn recht op toegang tot de arbeidsmarkt attesteert. Als men dit toepast op de Belgische situatie waar deze twee aspecten bij verschillende beleidsniveaus worden ondergebracht, dan zal men creatief te werk moeten gaan om een goede en gedegen uitvoering van de richtlijn te kunnen bewerkstelligen.

Dit voorbeeld is illustratief voor de bevoegdheidsoverdrachten in sociale aangelegenheden, zoals ze door het voorstel van bijzondere wet nr. 5-2232/1 worden geregeld : sommige delen worden overgeheveld, maar telkens worden hierop zeer ruime uitzonderingen vermeld. De interpretatie daarvan wordt bewust vaag gelaten. Het is nochtans de bijzondere wetgever die precies de omvang van de bevoegdheden van elk niveau moet aflijnen, opdat het Grondwettelijk Hof de maatregelen van de verschillende overheden kan toetsen aan de bevoegdheidsverdelende regels. Dit gebeurt hier niet : de voorgestelde regeling is te vaag. Inzake gezondheidszorg en arbeidsmarktbeleid kan men dan ook spreken van een gemiste kans om een homogeen beleid te voeren. Telkens wordt een federale « schoonmoeder » behouden.

De heer Anciaux betwist dat dat het geval zou zijn in de sector van de gezinsbijslagen.


De heer Laeremans merkt op dat de voorgestelde staatshervorming zeer complex is. Alles wordt aan elkaar gekoppeld waarbij een bazige Belgische schoonmoeder blijft voortleven.

In dat licht had spreker, als eerste algemene vraag, graag vernomen welke budgetten zullen worden getransfereerd, in welke sectoren, onder welke voorwaarden — bijvoorbeeld inzake samenwerkingsakkoorden —, met welke verplichtingen en tegen welke kostprijs. Kan er ook worden meegedeeld hoeveel ambtenaren er zullen worden overgeheveld ? Klopt het dat het federale niveau nog altijd een zeer zwaar overwicht zal hebben ? Ook wat de ambtenaren betreft ? Kan er ook klaarheid worden geschapen over de toekomstige opdrachten van het Rekenhof ?

Spreker merkt ook op dat er een spectaculair aantal remmen worden ingebouwd. De staatssecretaris bevestigde dat er zevenentwintig samenwerkingsakkoorden zullen worden afgesloten. Sommige van die akkoorden worden in de toelichting aangekondigd, terwijl andere bij wet zullen zijn voorgeschreven. Wat is de rechtskracht van een vermelding in de toelichting ? Welke sanctie geldt er wanneer een dergelijk aangekondigd akkoord niet wordt afgesloten ?

Wat de voorgestelde bevoegdheidsoverdracht betreft, verklaart het lid dat de beloofde homogene samenvoeging van bevoegdheden slechts voor een aantal beleidsdomeinen is gelukt, bijvoorbeeld op het vlak van het ouderenbeleid. Maar meestal zullen de beleidsbevoegdheden nog meer versnipperd zijn. Bovendien blijven de belangrijkste beleidsbevoegdheden vaak aan het federale niveau voorbehouden. De bewegingsruimte van de deelstaten om in die domeinen een eigen beleid te voeren, wordt heel sterk ingeperkt door het federaal normatief kader waarbinnen zij dienen te opereren.

Gezondheidszorg en gezinsbeleid

Wat de problematiek van de gezondheidszorg en het gezinsbeleid betreft, verwijst de heer Laeremans naar de resoluties van het Vlaams Parlement uit 1999. Zij stelden duidelijk dat deze domeinen integraal naar de deelstaten moesten worden overgeheveld en dat aan de Brusselse inwoners de keuze moest worden gelaten om toe te treden tot één van de twee deelstaatsystemen. Zij stelden ook dat er voorrang moest worden verleend aan de opbouw van België vanuit twee deelstaten. Daar is nagenoeg niets van terecht gekomen. Brussel wordt zelfs vergewestelijkt, met bijvoorbeeld extra culturele bevoegdheden. Die worden echter wel uitdrukkelijk uitgesloten door artikel 39 van de Grondwet. Blijkbaar maakt men van Brussel dus een soort gewestgemeenschap.

Wat het gezinsbeleid betreft, is die vrije keuze er in Brussel absoluut niet. Bovendien wordt het gezinsbeleid ook niet in zijn geheel overgeheveld. Zo wordt de fiscale aftrek voor kinderen ten laste en voor de kinderopvang niet overgeheveld. Daardoor wordt een samenhangend gezinsbeleid erg moeilijk.

In verband met de gezondheidszorg had Vlaanderen gevraagd om dat domein exclusief aan de gemeenschappen toe te wijzen. Nu schat de heer Laeremans dat ongeveer 4,2 miljard euro wordt overgeheveld. Kan de staatssecretaris dat bevestigen ? Dat bedrag vertegenwoordigt nog altijd maar een klein deel van het gezondheidsbeleid. De hele ziekte- en invaliditeitsverzekering, alsook het belangrijkste instrument van dat beleid, het RIZIV, blijven immers federaal. Bovendien zal de federale overheid nog altijd een belangrijke regisseursrol blijven spelen, namelijk door de oprichting van het nieuwe Instituut dat moet dienen voor een gemeenschappelijk gezondheidsbeleid.

Voorts is de responsabilisering van de gewesten en gemeenschappen ook grotendeels op de lange baan geschoven. Zo zijn er te weinig stimuli voor een echt preventiebeleid.

Daartegenover staat dat de bevoegdheid inzake bouw en infrastructuur van ziekenhuizen naar de gemeenschappen wordt overgeheveld. De financiering van de ziekenhuizen, evenals de exploitatie ervan blijven echter een federale bevoegdheid. Regels inzake groot onderhoud en renovatie van ziekenhuizen worden dan weer een bevoegdheid van de gemeenschappen. De reconversie van ziekhuisbedden wordt dan weer onderworpen aan bilaterale akkoorden. Dat is voor de heer Laeremans hopeloos complex.

De procedure vastgelegd in artikel 6 is tevens hopeloos vertragend : elk voorontwerp of voorstel van decreet inzake ziekenhuisbeleid dient te worden voorgelegd aan het Rekenhof en de federale regering. Er wordt in een uitgebreid overleg voorzien met als gevolg een maandenlange procedure.

De volledige bevoegdheid inzake psychiatrische verzorgingstehuizen wordt weliswaar overgedragen, maar niet wanneer het ziekenhuizen zijn of een onderdeel van een ziekenhuis. Dus incoherentie troef.

De « long-term-care »-revalidatie gaat naar de gemeenschappen en wordt zelfs volledig uit het RIZIV gehaald. Maar de overige revalidatieovereenkomsten (met name de niet « long term care »-revalidatie) behoren nog tot de federale bevoegdheid inzake ziekte- en invaliditeitsverzekering. Hier ontstaan schemerzones en onduidelijke overgangssituaties.

De heer Laeremans concludeert dat de institutionele meerderheid een zeer ingewikkelde bevoegdheidsverdeling voorstelt. Spreker geeft daarvan nog het volgende voorbeeld :

« De federale overheid blijft bevoegd om de voortgang van de betaling van de inkomensvervangende tegemoetkoming of de integratietegemoetkoming te verzekeren, na het bereiken van de leeftijd van vijfenzestig jaar, van de personen met een handicap die reeds een tegemoetkoming ontvingen voor hun vijfenzestigste verjaardag. De deelstaten kunnen een toeslag geven in het kader van de THAB.

De gemeenschappen worden bevoegd voor de toekenning van de THAB aan personen waarvan de handicap erkend wordt na het bereiken van de leeftijd van vijfenzestig jaar. » (zie stuk Senaat, nr. 5-2232/1, toelichting, blz. 52).

Spreker pleit dan ook voor een integrale overheveling van de gezondheidszorg in plaats van zo'n ingewikkeld kluwen.

Arbeidsmarktbeleid

Het arbeidsmarktbeleid blijft volgens de heer Laeremans eveneens hopeloos ingewikkeld. De meeste bevoegdheden blijven federaal :

— de regels inzake arbeidsrecht (ook cao's) en sociale zekerheid;

— het sociaal overleg en het loonbeleid;

— de werkloosheidsvergoedingen;

—  de arbeidsongevallen en beroepsrisico's;

—  de jaarlijkse vakantie;

—  de faillissementsverzekering.

Volgens de heer Laeremans blijven zeer belangrijke beleidsinstrumenten in handen van de federale overheid : « Ingevolge dit communautaire akkoord wordt de bevoegdheid over enkele kleinere deelaspecten (controle op de beschikbaarheid, doelgroepenbeleid, enkele onderdelen met betrekking tot arbeidsbemiddeling, ...) verder naar de gemeenschappen en de gewesten overgeheveld, maar de federale overheid blijft zelfs voor deze kleinere deelaspecten meestal nog wel ergens een vinger in de pap houden. In een aantal gevallen worden enkel programma's overgedragen (leefloners, startbaanovereenkomsten, ...), maar blijven alle beleidsinstrumenten in handen van de federale overheid. Essentieel is evenwel dat het wetgevende aspect, dus het normatieve kader, waaronder de belangrijke regels met betrekking tot het arbeidsrecht en de sociale zekerheid, federaal verankerd blijven, wat de bewegingsruimte van de deelstaten zeer sterk beperkt. Ook de RVA blijft een federale instelling. Concreet zullen er daardoor bijvoorbeeld geen Vlaamse cao's kunnen worden afgesloten en zullen de werkloosheidsuitkeringen federaal geregeld blijven, en dit ondanks het feit dat er twee zeer verschillende arbeidsmarkten in dit land bestaan. Al bij al worden dus wel belangrijke middelen overgeheveld ter waarde van 4,3 miljard euro, maar houdt de federale overheid de touwtjes nog altijd stevig in handen door essentiële elementen van het arbeidsmarktbeleid in eigen hand te houden. Nefast is ook dat de gewesten te weinig worden geresponsabiliseerd voor het beleid dat ze voeren. » (nota « De zesde staatshervorming : Vlaanderen opgelicht » gepubliceerd op www.splits.be).

Economische migratie en tewerkstelling van buitenlandse arbeidskrachten

Het feit dat de gewesten voortaan bevoegd worden voor de arbeidskaarten A en B maar niet voor de arbeidskaarten C valt niet uit te leggen. Hierdoor blijft er een compleet overbodige federale instantie bestaan.

Controle op de beschikbaarheid

Ook hier is sprake van een zeer ingewikkelde bevoegdheidsverdeling tussen de federale overheid en de gewesten. Spreker meent dat de gewesten vooral het hulpje van de federale overheid worden, vermits het normatief kader federaal blijft.

Zeer complex is dat het doelgroepenbeleid naar de gewesten gaat, maar de rest van het loonbeleid tot het federaal niveau blijft behoren. Dat wordt zeer complex voor werkgevers, die nu volop met twee overheden zullen moeten onderhandelen. Dat zal tot conflicten leiden.

Outplacementregeling

Ook hier moet spreker een versplintering vaststellen :

—  de gewesten worden bevoegd voor de inhoudelijke vereisten voor outplacement die niet in de CAO's 51 en 82 vastliggen;

— de gewesten worden bevoegd voor de outplacement bij herstructurering;

in geval van collectief ontslag wordt het federale niveau bevoegd want dan is er een inschakelingsvergoeding en die behoort tot het arbeidsrecht;

—  de gewesten worden eveneens bevoegd voor het opleggen van sancties aan werkgevers maar de sanctieregeling ten aanzien van werknemers blijft federaal;

—  bij sociale conflicten zullen twee regeringen zich aangesproken voelen en tegelijk ook een paraplupolitiek voeren.

Ook energiebeleid en verkeersveiligheid blijven zeer zwaar versnipperd.

Provincies

Wat de mogelijke afschaffing van de provincies betreft, wordt er opnieuw niet in een echte autonomie voor de gewesten voorzien. Er zijn te veel beperkingen en voorwaarden.

Justitie

Wat de bevoegdheidsoverdrachten inzake justitie betreft, had de institutionele meerderheid ook hier veel verder kunnen gaan. De heer Laeremans wenst dat justitie integraal wordt gesplitst, maar dat wordt door de hervorming van het gerechtelijk arrondissement Brussel onmogelijk gemaakt. Ook hier worden de zaken zeer complex : spreker refereert bijvoorbeeld naar de overheveling van het Nationaal Centrum voor elektronisch toezicht (NCET) naar de gemeenschappen.

Veiligheidsbeleid in Brussel

Ten slotte heeft de heer Laeremans ook heel wat bedenkingen bij de regeling van het veiligheidsbeleid in Brussel, waarbij de Brusselse minister-president de bevoegdheden van de gouverneur krijgt, maar niet in zijn hoedanigheid van minister-president, wel als « orgaan van de agglomeratie ». Brussel wordt daardoor de facto wel een « supergewest », met belangrijke veiligheidsbevoegdheden die de andere gewesten niet hebben.

Algemene vragen

Spreker heeft uiteindelijk nog een reeks vragen :

—  wat is de budgettaire omvang van de bevoegdheden die aan de deelstaten zullen worden overgedragen ?

—  welke bevoegdheden blijven federaal, zowel met inbegrip van de sociale zekerheid, als zonder ?

—  welke repercussies heeft dit op de ambtenaren ? Hoeveel federale ambtenaren zijn er, zowel met inbegrip van als zonder diegenen die in het domein van de sociale zekerheid werkzaam zijn ?

—  hoeveel ambtenaren zullen er worden overgeheveld naar Vlaanderen, Wallonië, Brussel, naar elk van de drie gemeenschappen en naar de GGC ? Klopt het dat het in totaal slechts zou gaan om een transfert van 8 000 van de 122 000 federale ambtenaren ? Zal er overleg worden opgestart zodat de gemeenschappen en de gewesten een correct aandeel van de ambtenaren krijgen die op het vlak van opleiding en competenties aan de eisen voldoen ?

—  aan het Rekenhof worden nieuwe opdrachten toebedeeld. Zal deze instelling daarvoor extra personeel krijgen of gaat het eerder om een werkverschuiving ? Wie zal dat financieren ? Blijft het Rekenhof een volledig federale instelling ?

De heer Laeremans heeft een aantal vragen in verband met de gezondheidszorg.

Vragen inzake gezondheidszorg

De organieke wetgeving inzake ziekenhuizen blijft federaal, maar de bouw, de infrastructuur en de afschrijvingen worden overgedragen aan de gemeenschappen. Toch beschouwt men « zware apparaten » als een deel van de organieke wetgeving (zie stuk Senaat, nr. 5-2232/1, toelichting, blz. 35). Wat verstaat men onder « zware apparaten » ?

Wat de contingentering betreft, is er veel onduidelijkheid (zie stuk Senaat, nr. 5-2232/1, toelichting, blz. 47 en artikel 6, blz. 202). De gemeenschappen worden bevoegd voor de contingentering van de gezondheidsberoepen, met uitzondering van het bepalen van het globaal aantal kandidaten dat jaarlijks toegang heeft tot de uitoefening van de verschillende beroepen. Op die manier wordt de contingentering van zijn substantie ontdaan. Want wat blijft er nog over van die bevoegdheid ? Het is een pure contradictio in terminis.

In het kader van de geestelijke gezondheidszorg is het niet duidelijk wat er met de nieuwe interneringsinstellingen in Gent en Antwerpen gaat gebeuren. Welke aspecten blijven federaal ?

Psychiatrische ziekenhuizen blijven een federale bevoegdheid, terwijl de verzorgingstehuizen een gemeenschapsbevoegdheid worden. Bestaan er cijfers over het aantal ziekenhuizen en verzorgingstehuizen ?

De geestelijke thuisverpleging maakt geen deel uit van de geestelijke gezondheidszorg buiten het ziekenhuis en blijft een federale bevoegdheid. Valt een patiënt, verbonden aan een verzorgingstehuis, die ambulant verzorgd wordt, in het federale bevoegdheidsdomein ?

Wat gebeurt er met de grote instellingen die deels erkend worden als psychiatrisch ziekenhuis en deel als psychiatrisch verzorgingstehuis ?

Betreffende ouderenzorg en revalidatie vraagt spreker zich af of het budget van de zorgvernieuwingsprojecten aan de gemeenschappen zal worden overgedragen.

De ambulante zorgverlening is in Vlaanderen sterker uitgebouwd dan in andere landsdelen, waardoor er op basis van de gebruikte verdeelsleutel in de bijzondere financieringswet een risico bestaat op onderfinanciering. Kunnen er cijfers worden gegeven van het aantal instellingen en bedden per gemeenschap ? Hoe wordt rekening gehouden met de verschillende realiteit ?

Er wordt in de toelichting (stuk Senaat, nr. 5-2232/1, blz. 25-33) een lange opsomming gegeven van koninklijke en ministeriële besluiten in het kader van de ouderenzorg. Spreker vindt de formulering onduidelijk en vraagt of het de bedoeling is om de tekst te lezen in de zin dat de opgesomde materies een minimum betekenen. Was het niet beter geweest om uitdrukkelijk op te sommen welke materies federaal blijven ? Wat blijft er precies federaal ?

Preventie was voor een deel al gedefederaliseerd maar er was sprake van een soort usurpatie als men kijkt naar wat er op het vlak van bijvoorbeeld kankerpreventie gebeurde. De preventie wordt nu uitdrukkelijker overgeheveld zodat er minder discussie over bestaat, maar er ontbreekt nog een stukje responsabiliseringsbeleid.

Betreffende het onderdeel preventie, stelt spreker de vraag of de vaccins die via de apotheek worden verkocht, na de Staatshervorming ook als preventie zullen worden beschouwd.

In verband met de gezondheidszorgberoepen is het niet duidelijk of ook de erkenning van stagemeesters en stageplaatsen wordt overgedragen. Worden de taken van de Provinciale Geneeskundige Commissies overgedragen ?

De bevoegdheid inzake mobiliteitshulpstukken wordt eveneens overgedragen aan de gemeenschappen. Heeft men zicht op de actuele verdeling over de gemeenschappen ? De Vlaamse administratie waarschuwt ervoor dat ze in de toekomst ingevolge de vergrijzing van de bevolking veel meer op deze hulpmiddelen een beroep zal moeten doen.

Er is sprake van de creatie van een interfederale ontmoetingsplaats gezondheidszorg. Wat moet men zich daarbij voorstellen ? Wat is daarvan de omvang ? Hoe verloopt de financiering ? In hoeveel personeelsleden wordt er voorzien ? Wat zijn de bevoegdheden ? Volgens spreker was het veel logischer geweest dat het bestaande federaal kenniscentrum een soort van embryo zou zijn voor de nieuwe instelling. Hoe gaan beide instellingen zich tegenover elkaar verhouden ?

Het E-Health-systeem is bijzonder belangrijk aangezien het een databank wordt voor alle terugbetalingen. Wat is de kostprijs daarvan vandaag en wat is de inschatting op langere termijn ? Spreker wenst ook te weten in welke mate dit zal worden verdeeld en op basis van welke verdeelsleutel. Hoeveel mensen werken daar op dit moment en is het de bedoeling dat ze een federaal statuut behouden ? Heeft Vlaanderen de mogelijkheid om in de toekomst te beslissen om alle terugbetalingen via E-Health te laten verlopen en niet meer via de ziekenfondsen ? Spreker gelooft niet in de rol die momenteel aan de ziekenfondsen wordt gegeven. Hij denkt dat er een meer nuttige rol kan worden gevonden voor de ziekenfondsen.

Wat de arbeidsaspecten van het gezondheidsbeleid betreft, is het onduidelijk of het budget voor de uitvoering van sociale akkoorden mee wordt overgedragen aan de gemeenschappen. Dezelfde vraag kan worden gesteld over de tewerkstelling in de sector via het Fonds Sociale Maribel en de subsidies voor de eindeloopbaan bij verpleegsters. Worden ook deze middelen overgeheveld ?

Vragen inzake arbeidsmarktbeleid

De heer Laeremans herinnert eraan dat, wat het arbeidsmarktbeleid betreft, de stelsels van alternerend leren overeenkomstig artikel 4 van het voorstel van bijzondere wet, naar de gemeenschappen worden overgeheveld. Ook hier blijven vraagtekens bestaan : welke onderdelen van de bevoegdheid inzake leerlingenwezen worden overgedragen ? Quid met de bestaande bevoegdheden van de Nationale Arbeidsraad en de paritaire comités ? Hoe zullen de regionale overheden worden betrokken bij de besluitvorming inzake het leerlingenwezen, bijvoorbeeld op het vlak van de sociale bijdragen ? Zowel op regionaal als op federaal vlak werkt men aan een harmonisering inzake het leerlingenwezen. In welke mate worden deze ontwikkelingen op mekaar afgestemd ?

Wat de personen betreft die recht hebben op maatschappelijke integratie, is de toelichting zeer onduidelijk. Kan de staatssecretaris hierover meer duiding geven ? Welke zijn de « gebruikers, die tot het arbeidsrecht behoren dat federaal is gebleven » (stuk Senaat, nr. 5-2232/1, toelichting, blz. 108) ?

Nopens de buitenlandse arbeidskrachten merkt spreker op dat de gewesten bevoegd worden voor de arbeidskaarten A en B, maar niet voor de arbeidskaarten C. Welke is de ratio legis hiervoor ? Moet de federale overheid hierop nog toezicht houden of een samenwerkingsakkoord afsluiten ? Het gaat om « vreemdelingen die niet naar België zijn gekomen om te werken » (stuk Senaat, nr. 5-2232/1, toelichting, blz. 110). Gaat het hier ook om personen die naar België komen met het oog op een gezinshereniging, zoals bijvoorbeeld de gehuwde partner of de kinderen ? In dat geval gaat het om 30 000 personen per jaar ! Kan de staatssecretaris per gewest meedelen hoeveel mensen beschikken over een arbeidskaart A, B of C ? Welke zijn de onderlinge verhoudingen ? Blijft de vandaag geldende indeling bestaan in de toekomst ? Blijft er een federale administratie bestaan of werken de voor deze arbeidskaarten bevoegde diensten vandaag reeds volledig gescheiden van mekaar ?

Vermits het normatief kader inzake de controle van de beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt een federale aangelegenheid blijft, zullen de gewesten volgens de heer Laeremans niet meer dan een hulpje worden van de federale overheid. De administratie van het Vlaams Gewest vraagt zich bijvoorbeeld af of het de procedure met betrekking tot het activeren van het zoekgedrag al dan niet kan aanpassen. Ook hier wordt een ingewikkelde regeling voorgesteld : het gewest zal formeel de sanctie tegen de werkzoekende uitspreken, maar de federale overheid moet worden ingelicht over het beroep dat de betrokkene instelt en kan desgevallend tussenkomen in de procedure, aldus de toelichting bij het voorstel van bijzondere wet (stuk Senaat, nr. 5-2232/1, toelichting, blz. 114). Wat is daarvan de ratio legis ? Waarom staat dat niet uitdrukkelijk in het dispositief van het voorstel van bijzondere wet ? Mogelijk zullen hier juridische problemen rijzen.

Het beleid inzake vrijstellingen van beschikbaarheid in geval van studiehervatting of het volgen van een beroepsopleiding wordt overgedragen aan de gewesten, maar het belangrijkste deel blijft federaal. Welk is het budgettaire aandeel van dit globale beleid dat wordt geregionaliseerd ? Waarom deze versnipperingen ? Hoeveel ambtenaren van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening zullen er overblijven en hoeveel zullen er naar de gewesten worden overgeheveld ?

Vervolgens wijst de heer Laeremans op een potentieel conflict tussen het doelgroepenbeleid, waarvoor de gewesten bevoegd worden, en het algemene arbeidsmarktbeleid dat federaal blijft. Hoe ruim wordt het doelgroepenbeleid geïnterpreteerd ? Kan het gewest, bijvoorbeeld, verminderingen inzake sociale werkgeversbijdragen toekennen, tegelijk voor alle 55-plussers en voor alle werknemers jonger dan 40 jaar ? Hoe vermijdt men overlappingen in het beleid ? Spreker wijst op de volgende zin in de toelichting bij het voorstel van bijzondere wet (stuk Senaat, nr. 5-2232/1, toelichting, blz. 120) :

« De federale overheid behoudt evenwel haar beslissingsvrijheid in verband met de maatregelen met betrekking tot de loonkost, die onder haar bevoegdheid blijven vallen. »

Hiermee holt men de voorgestelde regionalisering uit, vermits alle beslissingen van de gewesten voor doelgroepen een impact hebben op de loonkosten. Kan de federale overheid de gewesten « overrulen » op basis van deze zin ?

Senator Laeremans wijst erop dat men zich voor de bevoegdheidsverdeling inzake outplacement baseert op bestaande cao's, maar quid indien deze cao's worden gewijzigd of vervangen ? Zullen de gewesten bevoegd worden voor de sancties ten aanzien van werkgevers en behoudt de federale overheid haar bevoegdheid inzake de sancties voor werknemers ? Bij collectief ontslag zal de federale overheid kunnen optreden, daar waar bij een herstructurering de gewesten bevoegd worden. Dit is al te gek ! Ook hier informeert spreker naar de verhouding tussen de budgetten en het aantal ambtenaren die federaal zullen blijven en diegenen die naar de gewesten zullen worden getransfereerd.

Vragen inzake kinderbijslag

Vervolgens snijdt spreker de problematiek van de kinderbijslag aan. Hier blijft grote onduidelijkheid op het vlak van de gelijkschakeling van de sociale statuten van de werknemers en de zelfstandigen. Zal de federale overheid deze volledige gelijkschakeling realiseren alvorens de bevoegdheidsoverdracht plaatsvindt ? Dat is wat de minister van Middenstand, KMO's, Zelfstandigen en Landbouw herhaaldelijk heeft verklaard, maar zijn de budgettaire middelen hiervoor voorhanden op het federale niveau ? Ten laatste op 1 januari 2016 kunnen de gewesten immers het volledige beleid op het vlak van de kinderbijslagen naar zich toe trekken. De heer Laeremans brengt in herinnering dat enkele verdragen op het vlak van de kinderbijslagen enkel van toepassing zijn op werknemers en niet op zelfstandigen.

Wat de personen betreft die in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wonen, wordt de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, met uitsluiting van de gemeenschappen, bevoegd voor de kinderbijslag. Waarom ? Waarom heeft geen overleg plaatsgevonden met de Vlaamse Gemeenschap terwijl een overleg tussen de Franstalige partijvoorzitters wel heeft plaatsgevonden met het oog op afspraken tussen Wallonië en Brussel ? Een concreet voorstel werd gedaan, maar wat is de draagwijdte daarvan ? Is de federale overheid daarvan op de hoogte ? Kunnen de Franstalige senatoren hierover meer toelichting geven ?

De heer Vanlouwe sluit zich aan bij deze opmerkingen over de hervorming van de kinderbijslagen. Klopt het dat de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie zich, voor wat de Brusselaars betreft, voorneemt om de regeling ter zake af te stemmen op de regelgeving die in de Franse Gemeenschap zal gelden ? Wordt Brussel op dat punt ingelijfd bij Wallonië ? Spreker is voorstander van de individuele keuzevrijheid van elke Brusselaar met betrekking tot het stelsel van hetzij de Vlaamse, hetzij de Franse Gemeenschap, maar uit het overleg tussen de Franstalige partijvoorzitters blijkt het tegendeel : alle Brusselaars, ook de Nederlandstaligen onder hen, zouden zich moeten aansluiten bij het stelsel van de Franse Gemeenschap.

De heer Moureaux is van oordeel dat van een inlijving van Brussel bij Wallonië helemaal geen sprake is. De Franstaligen mogen toch onder mekaar vergaderen en zich een opinie vormen over de problematiek van de kinderbijslagen ? Hij wijst erop dat, wat Brussel betreft, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie (GGC), waarin ook de Nederlandstalige Brusselaars vertegenwoordigd zijn die er bepaalde waarborgen hebben, een beslissing zal moeten nemen over deze aangelegenheid. Een dergelijke beslissing kan derhalve slechts genomen worden met instemming van de Nederlandstalige Brusselaars. Het is dan ook ongeoorloofd te spreken over een inlijving van Brussel bij Wallonië. Dat is niet correct.

De heer Anciaux benadrukt dat de wet maar één overleg verplicht stelt, namelijk het overleg tussen de Franstaligen en de Nederlandstaligen in Brussel in de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie (GGC).

De heer Laeremans vraagt of de dubbele meerderheid in alle gevallen geldt indien er bij dit overleg tussen Franstaligen en Nederlandstaligen geen consensus wordt gevonden. Of is het zo dat in bepaalde gevallen één derde van de Nederlandstalige stemmen volstaat ?

De heer Anciaux antwoordt dat er in de GGC twee drempels gelden :

—  binnen het Verenigd College van de GGC zijn er twee ministers bevoegd voor dezelfde materie. Tussen hen moet er dus al een akkoord bestaan en daarnaast moet er een akkoord zijn binnen het Verenigd College van de GGC;

—  in de Verenigde Vergadering van de GGC moeten beide taalgroepen hun akkoord verlenen. Dat vereist een meerderheid binnen beide taalgroepen.

De heer Laeremans vraagt of bij gebreke van akkoord tussen beide taalgroepen, er een tweede stemming volgt waarbij een derde van de stemmen binnen een bepaalde taalgroep volstaat.

De heer Anciaux antwoordt dat dat niet het geval is.

De heer Vanlouwe herinnert eraan dat overeenkomstig artikel 76 van de bijzondere Brusselwet een Brussels lid van de Vlaamse regering en een Brussels lid van de Franse Gemeenschapsregering met raadgevende stem de vergaderingen bijwonen van het Verenigd College.

Graag had hij vernomen of die bepaling correct wordt toegepast. Zijn er door het Verenigd College van de GGC al beslissingen genomen zonder dat die ministers waren uitgenodigd ? Zijn de beslissingen van dat college rechtsgeldig als die ministers niet zijn uitgenodigd ?

De heer Anciaux antwoordt dat die ministers niet worden uitgenodigd. Hij betreurt dat en vindt dat dat wel moet gebeuren. Hij heeft dat in het verleden al meermaals aangevochten. Het feit dat deze ministers niet worden uitgenodigd, doet echter geen afbreuk aan de rechtsgeldigheid van de beslissingen van het Verenigd College van de GGC.

De heer De Decker antwoordt dat deze ministers niet worden uitgenodigd omdat de Brusselaars hun beslissingen zelf willen nemen. Dat zal ook in de toekomst zo gebeuren.

De heer Vanlouwe repliceert dat de voormelde bijzondere wet uitdrukkelijk bepaalt dat die Brusselse ministers van de Vlaamse regering en de Franse Gemeenschapsregering moeten worden uitgenodigd. Zowel de heer Anciaux als de heer De Decker geven dus toe dat de wet niet wordt nageleefd. Hoe kunnen de beslissingen van het Verenigd College van de GGC dan geldig tot stand komen ?

Wat hem betreft, vindt de heer Moureaux het een vergissing om de gemeenschapsministers niet uit te nodigen, overeenkomstig de wettelijke bepalingen. Een dergelijke uitnodiging is bij wet bepaald en moet dus verstuurd worden.

Tezelfder tijd moet men wel vaststellen dat deze vergissing tot stand gekomen is met instemming van twee Nederlandstalige ministers.

Hij veronderstelt dat toen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest werd opgericht, er wel degelijk uitnodigingen zijn verstuurd naar de betrokken ministers, maar dat zij daar niet of slechts heel zelden zijn op ingegaan. Het lijkt waarschijnlijk dat de slechte gewoonte om hen niet meer uit te nodigen toen is ontstaan.

Volgens hem volstaat het dat één van de vier betrokken ministers deze uitnodiging eist. Men moet dus ophouden te insinueren dat het om kwaad opzet van de Franstaligen gaat.

De heer Laeremans stelt vast dat Brussel duidelijk geen pottenkijkers wenst en vooral probeert de Vlaamse Gemeenschap uit haar beleid uit te sluiten. Uitgerekend over de nieuwe bevoegdheid inzake kinderbijslag wordt in de toelichting bij artikel 12 bepaald dat : « De gemeenschappen zullen geen enkele bevoegdheid uitoefenen op het grondgebied van het tweetalige Brusselse Hoofdstedelijke Gewest inzake de gezinsbijslagen. Op dat grondgebied zal de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie exclusief bevoegd zijn, zoals artikel 52 van dit voorstel bepaalt. ».

De Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie is dus exclusief bevoegd maar dat belet niet dat de Franstalige partijvoorzitters zich hier al op voorhand mee moeien door de kinderbijslag vast te klikken aan Wallonië. Hoe ver gaat die exclusiviteit dan ?

De heer Beke wijst erop dat dit debat redelijk fictief is. Het Brussels Gewest wordt paritair geleid door Vlamingen en Franstaligen. De Franstaligen hebben het recht om hun visie op dat beleid te geven net zoals de Vlamingen dat hebben. Uiteindelijk zal men een compromis moeten vinden.

Waarover hebben we het hier ? Een perscommuniqué van vier Franstalige partijvoorzitters. Dat verandert niets aan de constitutionele afspraken die in deze teksten vastgelegd worden.

De heer Vanlouwe attendeert erop dat partijen soms manifest in strijd met de Grondwet handelen. In de Grondwet is er sprake van gemeenschappen. De vier Franstalige partijvoorzitters hebben bepaald dat de Franse Gemeenschap voortaan als « la Fédération Wallonie-Bruxelles » door het leven gaat. Vier partijvoorzitters wijzigen dus eenzijdig de Grondwet en voortaan wordt overal, ook in het Belgisch Staatsblad, de door hen gekozen benaming gebruikt. Voortaan worden er decreten gepubliceerd in naam van de « Fédération Wallonie-Bruxelles ». Dat is manifest in strijd met de Grondwet. Dit illustreert meteen dat Franstalige partijvoorzitters wel degelijk de Grondwet naast zich neerleggen. Hetzelfde zal in de toekomst gebeuren.

De heer Moureaux herinnert eraan dat het gebruik van de benaming « Fédération Wallonie-Bruxelles » geen juridische beslissing van de partijvoorzitters is geweest. Zij hebben een standpunt ingenomen, maar het is de Franse Gemeenschap zelf die de beslissing heeft genomen.

Hij vindt het wel erg vreemd dat het net diegenen zijn die pleiten voor een zeer ruime autonomie van de gemeenschappen, die op hun achterste poten gaan staan wanneer de Franstaligen van diezelfde autonomie gebruik maken. Voor het overige heeft hij er geen enkel bezwaar tegen dat de « Vlaamse Gemeenschap » « Vlaanderen-Brussel » wordt.

Het grote verschil is dat de Franstaligen het bestaan van het Brussels Gewest niet ontkennen, wat niet bij alle Nederlandstaligen het geval is. Het gaat om een heel oud verschil in onze institutionele geschiedenis.

De heer Cheron stelt vast dat zijn collega van de N-VA op twee punten afdwaalt. Ten eerste wanneer hij het heeft over de werking van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie in Brussel, die niets met de huidige bespreking te maken heeft. Ten tweede wanneer hij gewag maakt van de benaming « Fédération Wallonie-Bruxelles » in persartikelen, wat ook niets ter zake doet. Spreker herinnert eraan dat het de Vlaamse Raad is geweest die als eerste een resolutie heeft goedgekeurd om, in tegenspraak met de bijzondere wetten en de Grondwet, de benaming « Raad » te vervangen door « Parlement ».

Hij betwist bovendien formeel dat er in het Belgisch Staatsblad decreten zouden zijn gepubliceerd onder de benaming « Fédération Wallonie-Bruxelles ».

De heer Laeremans antwoordt dat niet alleen de Vlaamse Raad de benaming van Parlement heeft aangenomen. De reden daarvoor is eenvoudig : de decreten van deze raden stonden op voet van gelijkheid met federale wetten. Bovendien ging de keuze van deze benaming niet in tegen de belangen van andere instellingen. De « Fédération Wallonie-Bruxelles » noemt zich een federatie. In de Grondwet staat dat België een Federale Staat is die is samengesteld uit gemeenschappen en gewesten. In de Grondwet is er maar één federatie, dat is België zelf.

De heer Delpérée vindt dat deze discussie over persartikelen en het briefhoofd van de gemeenschappen niets ter zake doet. Hij zou graag de bespreking van het voorstel van bijzondere wet hervatten zonder te verdwalen in randproblemen.

Persoonlijk doet het hem niets wanneer een politicus over « Vlaanderen » spreekt terwijl hij het « Vlaams Gewest » bedoelt, en evenmin wanneer iemand over het « Brussels Hoofdstedelijk Gewest » spreekt terwijl het in artikel 3 van de Grondwet « het Brusselse Gewest » heet. Dit alles is weliswaar niet onschuldig, maar doet niets ter zake.

De heer Laeremans wil weten in welke mate het voorliggende voorstel van bijzondere wet te goeder trouw zal worden uitgevoerd. Spreker heeft redenen te over om daaraan te twijfelen. Horen we vandaag niet van een partijvoorzitter dat er een verplicht overleg zal moeten plaatshebben tussen de gemeenschappen en Brussel waardoor de exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie doorprikt wordt ? Net zoals de creatie van de Fédération Wallonie-Bruxelles gaat dat in tegen de federale loyauteit.

De heer Anciaux vindt het aandoenlijk dat de heer Laeremans zich hier nu opwerpt tot pleitbezorger van de goede trouw en de federale loyauteit.

Kinderbijslag

De heer Laeremans wenst te weten op welke wijze de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie in Brussel haar bevoegdheden inzake kinderbijslag zal uitoefenen. Is artikel 72 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen hierbij onverkort van toepassing ? Dat artikel bepaalt namelijk dat « elke beslissing van de Verenigde Vergadering wordt genomen met volstrekte meerderheid in elke taalgroep. Als deze meerderheid niet gehaald wordt in een taalgroep, wordt een tweede stemming gehouden. In dat geval wordt de resolutie aangenomen bij volstrekte meerderheid van de stemmen van de Verenigde Vergadering en met minstens een derde van de stemmen in elke taalgroep. Voor de ordonnanties bedoeld in artikel 68, § 1, en het reglement van de Verenigde Vergadering bepaald in het eerste lid, mag deze tweede stemming, doordat het verwijst naar artikel 44 van de bijzondere wet, niet vroeger dan dertig dagen na de eerste stemming worden gehouden. »

In de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie (GGC) hoeft dus slechts een derde van de Nederlandstaligen akkoord te gaan om voor de gezinsbijslagen een regeling te treffen die geldt voor alle Brusselaars.

In de veronderstelling dat er na de verkiezingen van mei 2014 in Brussel een meerderheid wordt gevormd van N-VA en Vlaams Belang, zou een Nederlandstalige minderheid van één derde van de taalgroep haar mening kunnen doordrukken.

De heer Anciaux verwijst naar de post-Lombard-meerderheden. Die worden, voor een aantal aspecten, zoals voor de zogenaamde « dubbele decreten », teruggeschroefd door de Zesde Staatshervorming. De heer Laeremans geeft ten onrechte de indruk dat voor alle aangelegenheden een ordonnantie kan worden aangenomen met een minderheid van één derde van de taalgroep.

Als een bepaald voorstel geen dubbele meerderheid haalt en het na dertig dagen, opnieuw in stemming wordt gebracht en wordt aangenomen door een derde van de Nederlandstalige taalgroep, dan zal het college geen stand houden en het voorstel niet kunnen bekrachtigen.

De heer Delpérée wijst erop dat er geen sprake kan zijn van een definitieve tekst zonder akkoord tussen de regering en het Parlement.

De heer Laeremans wenst te weten wat er zal gebeuren wanneer Vlaanderen in 2017 het beheer van de kinderbijslagen overneemt. Kan het dan de kinderbijslagkassen afschaffen en een Vlaamse administratie voor de Kinderbijslag oprichten of blijft dat federaal bepaald ?

In afwachting van de overheveling van het beheer, kunnen de bedragen van de gezinsbijslagen worden gewijzigd. De vaststelling of wijziging van categorieën is echter niet mogelijk. Kan dat onderscheid worden toegelicht ? Hoeveel ambtenaren zullen er naar de gemeenschappen worden overgeheveld en hoeveel blijven er federaal ?

Kan één van de gemeenschappen beslissen om een groter deel van de kinderbijslag zelf te financieren en het aldus los te koppelen van de sociale zekerheidsbijdragen ten laste van de werkgevers ? Wordt nu reeds een deel van de kinderbijslag betaald met algemene middelen ?

Justitie

Jeugdsanctierecht (artikel 9)

Volgens de heer Laeremans spreekt men ten onrechte van « jeugdsanctierecht ». Het gaat eigenlijk om « jeugdbeschermingsrecht ».

In de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade, is immers sprake van « minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd ».

Voor een aantal jongeren die in het crimineel milieu zijn beland, volstaat de door de voormelde wet bepaalde bescherming echter niet meer. Ze moeten ook gesanctioneerd kunnen worden. De GAS-boetes zijn daarvoor een surrogaatoplossing, bij gebrek aan een volwaardig jeugdsanctierecht.

Men gaat uit van de waanidee dat jongeren niet in staat zijn misdrijven te plegen, wat getuigt van misprijzen tegenover de jongere. In het Verenigd Koninkrijk en Nederland kan men jongeren echter wel zwaar sanctioneren en hun zelfs vrijheidsstraffen opleggen. Onze buurlanden treden op dat vlak dus repressiever op dan België.

Zal de Vlaams Gemeenschap de bevoegdheid hebben om het jeugdbeschermingsrecht om te vormen tot een jeugdsanctierecht ?

De heer Deprez wijst erop dat er wel degelijk een repressief aspect is in de wet op de jeugdbescherming, maar dat jongeren niet samen met volwassen misdadigers worden opgesloten.

De heer Laeremans vindt dat het zogenaamde jeugdsanctierecht bij gebreke van echte « uithandengeving » geen echt strafrecht kan worden genoemd. In extreme omstandigheden moet dat echter wel mogelijk zijn.

Mevrouw Taelman wijst erop dat het debat over het onderscheid tussen jeugdsanctierecht en jeugdbeschermingsrecht in de commissie voor de Justitie moet worden gevoerd. De gemeenschappen zullen zelf kunnen bepalen of er ten aanzien van jongeren beschermingsmaatregelen kunnen worden genomen dan wel sancties.

De heer Laeremans vraagt hoe de bevoegdheid zal worden uitgeoefend in Halle-Vilvoorde. Is de Vlaamse Gemeenschap daar bij uitsluiting bevoegd ? De Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie (GGC) is immers enkel bevoegd in Brussel. Zal een Franstalige uit Halle-Vilvoorde zijn zaak kunnen bepleiten voor een Franstalige jeugdrechtbank of zal de Vlaamse jeugdrechtbank bij uitsluiting bevoegd zijn en zal er dan met een tolk worden gewerkt ? Zo neen, waarom niet ?

Federale gesloten jeugdinstellingen worden overgedragen aan de gemeenschappen. De heer Laeremans vraagt zich af of het hier om een eigendomsoverdracht gaat van de gebouwen. Of gaat het ook om het beheer en het personeel ? Blijven bepaalde aspecten betreffende jeugdinstellingen zoals die van Tongeren en Everberg nog federaal of worden zij in hun totaliteit overgedragen ? Wat wordt het statuut van de jeugdinstelling in Brussel (Haren) ? Wordt die overgedragen aan de GGC ?

Op dit ogenblik zijn er in Brussel geen gesloten jeugdinstellingen. Franstaligen die naar een gesloten jeugdinstelling worden gestuurd, komen terecht in Braine-l'Alleud. Komen er jeugdinstellingen van de GGC in Brussel en kan elke gemeenschap eigen instellingen oprichten ? Tot waar reikt de bevoegdheid van de GGC ? Betreft zij enkel de organieke wetgeving of zal ze ook instellingen beheren ? Hoe zal de samenwerking verlopen met de GGC en het beheer ? Zal een Vlaamse instelling GGC-maatregelen kunnen uitvoeren in Brussel ?

Zal de uitvoering van Brusselse maatregelen mogelijk zijn buiten Brussel ? Stel dat er twee daders zijn, van wie de ene in Waterloo woont en de andere in Brussel. Kunnen zij onderworpen worden aan verschillende soorten maatregelen, die beide wel uitgevoerd worden in een instelling van de Franse Gemeenschap ? Kan de ene, vanwege zijn verschillende woonplaats, in Braine-l'Alleud een ander soort maatregelen opgelegd krijgen dan de andere ? Kan de Brusselaar een straf uitzitten in Braine-l'Alleud, terwijl de inwoner van Waterloo niet gestraft wordt maar enkel een beschermingsmaatregel opgelegd krijgt ?

Nationaal Centrum voor Elektronisch Toezicht

Inzake justitiehuizen wijst de heer Laeremans op een op het eerste gezicht banaal zinnetje in de toelichting : het Nationaal Centrum voor Elektronisch Toezicht (NCET) wordt overgeheveld naar de gemeenschappen. De heer Laeremans heeft dat niet teruggevonden in het voorstel van bijzondere wet nr. 5-2232/1, enkel in toelichting.

Staatssecretaris Verherstraeten antwoordt dat hierover een amendement zal worden ingediend.

Senator Laeremans benadrukt dat het hier niet om een fait divers gaat. Het NCET is een grote instelling, die in de huidige legislatuur qua impact en amplitude enorm is gegroeid en permanent 1 500 gedetineerden controleert. Het verbaast de heer Laeremans daarom dat dit zomaar mee wordt overgeheveld. Er is weliswaar een zekere logica omdat de gedetineerden vooral opgevolgd en begeleid worden door de justitiehuizen, maar toch blijft de transfer opmerkelijk. Op welke wettelijke basis gebeurt dat ? Hoe verhoudt zich dat tot de bepaling dat de strafuitvoering federaal is (zie stuk Senaat, nr. 5-2232/1, toelichting, blz. 63) ? Maakt elektronisch toezicht dan geen deel uit van de strafuitvoering ? Hoe kan men zeggen dat de strafuitvoering nog steeds federaal is als die hier wel degelijk wordt opgesplitst ? Of zal een deel van de taken van het NCET nog steeds federaal worden opgevolgd ?

Hoe zal dat in de praktijk in zijn werk gaan ? Worden de diensten effectief opgesplitst of blijven ze op één plaats samen ? Over hoeveel mensen gaat het ? Hoeveel gaan er naar de Vlaamse en de Franse Gemeenschap ? In Brussel is de GGC hiervoor allicht niet bevoegd vermits de problematiek samenhangt met de justitiehuizen. Kunnen gemeenschappen zelf procedures en regimes inzake elektronisch toezicht vastleggen ? Worden de gemeenschappen deels verantwoordelijk voor de strafuitvoering en kunnen ze bijvoorbeeld maximaal een kwart van de effectieve straf uitvoeren ? Of blijft dat een bevoegdheid van Justitie ? In welke mate kan het openbaar ministerie instructies geven aan deze diensten eens ze gesplitst zijn ?

Veiligheidsbeleid in Brussel (artikelen 20, c), 51, 55 en 56)

De bevoegdheden van de gouverneur van Brussel hangen samen met Justitie, aldus de heer Laeremans. In welke mate is de Brusselse minister-president vertegenwoordiger van de agglomeratie en heeft hij in die hoedanigheid verantwoording af te leggen aan het federale niveau ? Wordt de Brusselse minister-president voor een deel van zijn bevoegdheden ondergeschikt aan het federale niveau ? Of is dat enkel theorie en wordt zijn bevoegdheid als minister-president versterkt ? Kunnen hem door Binnenlandse Zaken veiligheidsinstructies worden opgelegd en is hij op dat vlak ondergeschikt aan het federale niveau ? Kan de federale overheid het Brussels Gewestelijk veiligheidsplan schorsen ? In welke mate kan de federale overheid tussenkomen inzake het begrotingsbeleid van de politiezones ? Zal de federale overheid hierdoor een andere bevoegdheid hebben ten aanzien van de Brusselse politiezones dan ten aanzien van alle andere zones van het land ?

De heer Laeremans stelt vast dat twee bevoegdheden hier zwaar met mekaar worden vermengd. Hij vreest dat de Brusselse macht ten opzichte van de andere gewesten hierdoor wordt versterkt. Zijn amendementen zullen dezelfde macht geven aan de Vlaamse en de Waalse minister-president.

Vervolgens snijdt senator Laeremans enkele kleinere bevoegdheden aan die worden overgeheveld.

Toerisme (artikelen 17 en 32)

Een eerste punt is toerisme, dat van gemeenschap naar gewest gaat, om de enkele reden dat men Brussel volledig bevoegd wil maken voor toerisme. De erkenning van toeristische centra wordt nu geregeld via koninklijk besluit. Artikel 32 van het voorstel van bijzondere wet nr. 5-2232/1 voegt in artikel 6 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 een nieuwe paragraaf 6bis in, maar de impliciet normatieve bevoegdheid blijft federaal : Vlaanderen zal dus geen eigen criteria kunnen hanteren voor de erkenning van toeristische centra. Waarom blijft dat federaal ? Wat is het voordeel daarvan voor de erkenning van toeristische centra ?

In de toelichting bij artikel 17 is sprake van een samenwerkingsakkoord tussen de gemeenschappen en het Brussels Gewest voor de promotie van Brussel. Toch wordt dat niet als een verplichting ingeschreven in artikel 92bis, enkel in de toelichting. Wat is de waarde van die vermelding ? Moet zij ernstig worden genomen of is het slechts een aanbeveling ? Wat is het verschil wanneer de verplichting om een samenwerkingsakkoord te sluiten in de wet staat, dan wel in de toelichting ? Is er een verschil in sanctionering als er geen samenwerkingsakkoord komt ? De heer Laeremans wijst erop dat er nog gevallen zijn waar een samenwerkingsakkoord in de toelichting wordt aangekondigd zonder dat het in de wet zelf staat. Wat is de rechtskracht van een dergelijke aankondiging in de toelichting ?

Filmkeuring (artikel 13)

Wat betreft de filmkeuring stelt de heer Laeremans vast dat er al sinds 2001 een samenwerkingsakkoord bestaat « dat uiteraard zal kunnen worden toegepast » (stuk Senaat, nr. 5-2232/1, toelichting, blz. 77). Wat zal er in de praktijk veranderen ? Hoeveel federale ambtenaren zijn er nog ? Binnen welk tijdsverloop zullen die worden overgeheveld ?

Landbouw (artikel 16)

Landbouw komt ter sprake in artikel 16 van het voorstel van bijzondere wet nr. 5-2232/1. Ook daar wenst spreker te weten hoeveel personeel er nog is op federaal niveau. Hoeveel personen blijven federaal en hoeveel gaan er naar de deelstaten ?

Prijs- en inkomensbeleid (artikel 18)

Artikel 18 van het voorstel van bijzondere wet nr. 5-2232/1 behelst het prijs- en inkomensbeleid. Betekent dat dat de wet van 22 januari 1945 op het prijs- en inkomensbeleid integraal tot de bevoegdheid van de FOD Economie blijft behoren of kan die worden omgezet in Vlaamse regelgeving voor de diensten waarvoor de gewesten bevoegd zijn ? De heer Laeremans merkt op dat dit een vraag is van de Vlaamse administratie.

Financiering van investeringen in het spoor (artikel 23)

De financiering van investeringen in het spoor komt aan bod in artikel 23. Gaat het om prefinanciering ? Krijgt men er later compensaties voor ? De heer Laeremans heeft het zo begrepen. Bij prefinanciering kunnen de gewesten een bepaald deel voorschieten omdat een project dringend is en de federale overheid op dat moment te weinig middelen heeft, die dan later worden teruggestort. Tot zijn verbazing leest de heer Laeremans echter dat het hier louter om financiering gaat, zonder compensatie. Is het puur extragulheid van de gewesten omdat het federale niveau Vlaanderen te weinig middelen geeft ? Wat wordt bedoeld met « in een door het samenwerkingsakkoord vastgelegde evenredigheid » ? Betekent dat dat Vlaanderen maar zelf kan financieren als Wallonië het ook doet ? Hoe moet die evenredigheid worden geïnterpreteerd ? De tekst is zeer onduidelijk.

Verkeersveiligheid (artikelen 23 en 25)

De artikelen 23 en 25 betreffen de overdracht van een deel van het verkeersveiligheidsbeleid. Ook hier moet men vaststellen dat deze bevoegdheid op beide niveaus wordt behouden. Zo worden de gewesten bevoegd voor de politie over het verkeer op waterwegen, met uitsluiting van de regelgeving inzake het vervoer van dierlijke stoffen die een gevaar vormen voor de bevolking. Waarop slaat dit ? Welke dierlijke stoffen kunnen een groter gevaar opleveren voor de bevolking dan andere stoffen waaromtrent het beleid wél wordt overgeheveld naar de regio's ? Wat is de ratio legis ? Heeft dit te maken met mest ? In dat geval zou de bevoegdheid naar de gewesten moeten gaan, gelet op hun bevoegdheid inzake landbouw.

Wat het Verkeersveiligheidsfonds betreft, blijft eveneens onduidelijkheid bestaan. Hoe zit het met een eventuele federale inning betreffende gewestelijk bepaalde inbreuken en met de criteria voor de verdeling van de laatste schijf door de gewesten ? Bepaalde bevoegdheden van het Belgisch Instituut voor de Verkeersveiligheid (BIVV) blijven federaal. Dat is onder meer het geval voor het vergaren van kennis en het voeren van onderzoek inzake federale verkeersmateries, de homologatie van bepaalde instrumenten enzovoort. Blijft een deel van het BIVV federaal functioneren en hoe lost men dat op ? Hoeveel ambtenaren werken hier en hoeveel zullen er naar de gewesten worden overgeheveld ? Dezelfde opmerking kan worden gemaakt voor wat de overdracht van de rijscholen en de examencentra betreft. Hoe zit het met de taalregeling ? Kunnen zij deze volledig autonoom bepalen ? Vandaag reeds kan men immers examens in een andere taal afleggen, ook al bevindt men zich in een eentalig gebied. Kan een gewest beslissen dit niet langer toe te staan ?

Dierenwelzijn (artikel 24)

Artikel 24 betreft de overdracht van de bevoegdheid inzake dierenwelzijn naar de gewesten. Er blijft evenwel onduidelijkheid bestaan over het aantal mensen, middelen en goederen die mee zullen worden overgedragen. De problematiek stelt zich immers in het Vlaams Gewest. Hoeveel personen worden aan de gewesten overgedragen en hoeveel blijven er federaal ? Er ontstaat voorts een nieuwe breuklijn tussen dierenwelzijn en dierengezondheid, vermits deze laatste bevoegdheid federaal blijft. Waarom is dit noodzakelijk ? Is het denkbaar dat de gewestelijke administraties inzake dierenwelzijn opdrachten zouden krijgen inzake dierengezondheid of worden beide zaken strikt gescheiden ?

Ondergeschikte besturen (artikel 27)

Vervolgens heeft de heer Laeremans enkele bedenkingen bij artikel 27 van het voorstel van bijzondere wet nr. 5-2232/1, dat de ondergeschikte besturen betreft. Uit de fiches van de Vlaamse regering blijkt dat de volledige uitoefening van de autonomie inhoudt dat de gewesten bevoegd worden voor de bepalingen inzake de arrondissementscommissarissen en de bepalingen inzake het Rekenhof. Bevestigt men die interpretatie ? Kan een gewest de totaal nutteloze functie van arrondissementscommissaris afschaffen ?

Openbaar ambt (artikel 41)

Artikel 41 van het voorstel van bijzondere wet handelt over de toekenning van bepaalde bevoegdheden inzake openbaar ambt aan de gemeenschappen en de gewesten. Wat zijn de plannen met de zogenaamde « minimale rechten », bepaald in het vakbondsstatuut en het koninklijk besluit genomen ter uitvoering daarvan. Kan de federale overheid die beperkingen opleggen aan de gemeenschappen en de gewesten bij de vaststelling van hun eigen rechtspositieregeling ? Wat met Selor ? De autonomie inzake de aanwerving van personeelsleden kadert binnen de eigen rechtspositieregeling, maar noch het politiek akkoord noch het voorstel van bijzondere wet maken daarvan gewag. Ook de arbeidsrechtelijke regelingen inzake uitzendarbeid blijven federaal, aldus het voorstel. Men kan zich afvragen welke aspecten de gemeenschappen en de gewesten dan zelf mogen regelen.

Buitenlandse handel

Verder vraagt de heer Laeremans zich af hoe het nu zit met de problematiek van de buitenlandse handel. Hij verwijst naar het regeerakkoord van de regering-Di Rupo I, waarin wordt gesteld dat de rol van de gewesten op dit vlak zal worden versterkt. Het voorstel van bijzondere wet bepaalt hierover evenwel niets. Wordt het regeerakkoord op dit punt uitgevoerd ? Is men dit aspect vergeten in het voorstel van bijzondere wet nr. 5-2232/1 ? Komen er hierover amendementen ?

De heer Beke antwoordt dat deze problematiek niet via een bijzondere wet dient te worden geregeld. Het bestaande samenwerkingsakkoord wordt opnieuw voorgelegd aan het Overlegcomité.

Federale loyauteit (artikelen 45 en 46)

De heer Laeremans snijdt vervolgens de problematiek van de federale loyauteit aan (artikelen 45 en 46). Dit concept krijgt een zeer belangrijke rol in het nieuwe België en zorgt er, samen met de nieuwe financieringswet, voor dat de federale overheid wordt versterkt. Er worden immers zodanig veel mechanismen ingevoerd dat de grotere autonomie van de regio's slechts schijn is. De federale loyauteit is op dat vlak een ankerpunt.

Spreker brengt de ontstaansgeschiedenis van het begrip « federale loyauteit » in herinnering, dat in het (huidige) artikel 143 van de Grondwet werd ingeschreven. Paragraaf 1 van dat artikel bepaalt :

« Met het oog op het vermijden van de belangenconflicten nemen de Federale Staat, de gemeenschappen, de gewesten en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, in de uitoefening van hun respectieve bevoegdheden, de federale loyauteit in acht. »

De inschrijving van die bepaling gebeurde in het kader van (het vermijden van) belangenconflicten. In de toelichting bij het voorstel werd heel duidelijk gesteld :

« Federale loyauteit is geen bevoegdheidsverdelend criterium. Ze valt niet onder de controle van het Arbitragehof, van de Raad van State of van enig ander rechtscollege. »

En verder :

« De niet naleving ervan [van de federale loyauteit] kan alleen aanleiding geven tot belangenconflicten. Dit blijkt trouwens duidelijk uit de woorden « Met het oog op het vermijden van belangenconflicten » en uit de plaats waar de federale loyauteit in de Grondwet wordt ingeschreven, namelijk in het artikel dat de belangenconflicten regelt. Bovendien geven de woorden « In de uitoefening van hun respectieve bevoegdheden » ook duidelijk weer dat het voorgestelde artikel niets te maken heeft met bevoegdheidsconflicten. ».

De Grondwetgever wenste dit uitdrukkelijk zo te regelen uit vrees voor een « gouvernement des juges ». Deze vrees is bijzonder actueel, zo blijkt uit de vernietiging van het zogenaamde « grond- en pandendecreet » van het Vlaams Gewest, dat door het Grondwettelijk Hof werd vernietigd. Amendementen die werden ingediend tijdens de bespreking van het (huidige) artikel 143, § 1, van de Grondwet die ertoe strekten het Grondwettelijk Hof hiervoor toch bevoegd te maken, werden dan ook uitdrukkelijk verworpen. Men wilde tijdens de parlementaire bespreking de federale loyauteit zelfs de kwaliteit van rechtsregel ontzeggen en haar beperken tot « een zuiver politieke notie », « een essentieel politiek begrip ». Het Grondwettelijk Hof werd er uitdrukkelijk van uitgesloten.

In weerwil van de uitdrukkelijke wil van de Grondwetgever heeft het Grondwettelijk Hof zich in een aantal gevallen — wederrechtelijk — toch gebaseerd op het beginsel van de « federale loyauteit » bij het beslechten van een aantal zaken die bij hem aanhangig werden gemaakt. Het parcours dat het Grondwettelijk Hof in dat verband heeft afgelegd is evenwel zeer grillig, zoals uit de rechtsleer blijkt. Voordat het federaal loyauteitsbeginsel in de Grondwet stond, heeft het Grondwettelijk Hof zich tussen 1985 en 1993 in zijn arresten al niet beperkt tot een strikte toetsing aan de bevoegdheidsverdelende regels, maar riep het ook al het beginsel van « proportionaliteit » en het « redelijkheids- en evenredigheidsbeginsel » in om daarin verder te gaan en werd er ook « teleologisch geïnterpreteerd ». Van 1993 tot en met 2004 is het Grondwettelijk Hof volgens de rechtsleer zeer omzichtig omgesprongen met de toetsing aan het in artikel 143, § 1, van de Grondwet vervatte principe van federale loyauteit en het gebruik ervan in zijn overwegingen. Het onderzoekt dit middel nooit als het wordt aangevoerd en in één geval (arrest nr. 35/2003) verklaart het zich zelfs ronduit onbevoegd. In 2004 verklaart het Grondwettelijk Hof zich in één zaak wel bevoegd en roept het het beginsel in in zijn arrest nr. 119/2004.

Sinds 2010 heeft het Grondwettelijk Hof zich uitdrukkelijk het federaal loyauteitsbeginsel als referentienorm toegeëigend — ondanks de uitdrukkelijke wil van de grondwetgever dat dit geen bevoegdheidsverdelende regel is. Dit gebeurde in communautair zeer gevoelige zaken ten nadele van Vlaanderen, zoals bijvoorbeeld in de problematiek van de schoolinspectie in de Franstalige scholen in de randgemeenten. Hier schorst en vernietigt het Grondwettelijk Hof voor het eerst bepalingen op grond van de federale loyauteit. Een geijkte formulering die het Grondwettelijk Hof gebruikt voor het federaal loyauteitsbeginsel, is dat de Federale Staat en de deelstaten de verplichting hebben om « wanneer zij hun bevoegdheden uitoefenen, het evenwicht van de federale constructie in haar geheel niet te verstoren : het betekent meer dan het uitoefenen van bevoegdheden : het geeft aan in welke geest dat moet geschieden. » En nog : « Het beginsel van de federale loyauteit [...] betekent dat elke wetgever ertoe gehouden is, in de uitoefening van zijn bevoegdheden, erover te waken dat door zijn optreden de uitoefening van de bevoegdheden van de andere wetgevers niet onmogelijk of overdreven moeilijk wordt gemaakt. » Het Grondwettelijk Hof ging tot op heden ook zijn grenzen te buiten door deelentiteiten te verplichten samenwerkingsakkoorden af te sluiten, daar waar de bijzondere wet dat niet verplicht. De heer Laeremans verwijst ter zake naar de arresten betreffende de telecommunicatie en de uitstoot van broeikasgassen inzake luchtvaart.

In het thans besproken voorstel van bijzondere wet nr. 5-2232/1 wordt het Grondwettelijk Hof bevoegd gemaakt om zich bij wege van arrest uit te spreken over schendingen van artikel 143, § 1, van de Grondwet, dus over de federale loyauteit. Het Grondwettelijk Hof kan voortaan ook prejudiciële vragen behandelen die hierop betrekking hebben. Het is echter belangrijk een onderscheid te maken tussen enerzijds bevoegdheidsconflicten en anderzijds belangenconflicten, zoals de grondwetgever dat destijds ook heeft gedaan, onder meer bij de invoeging van het federaal loyauteitsbeginsel in het kader van belangenconflicten. Belangenconflicten zijn eminent van politieke aard en het federaal loyauteitsbeginsel werd dan ook in dit kader geplaatst. Artikel 143 van de Grondwet handelt over de voorkoming en de regeling van belangenconflicten, niet over bevoegdheidsconflicten. Als dusdanig zijn zij, of zouden zij, niet toetsbaar mogen zijn voor een rechter omdat het politieke belangenconflicten betreft en geen juridische bevoegdheidsconflicten. Doet men dat toch, dan krijgen we een « gouvernement des juges » en wordt de scheiding der machten aangetast. Daarnaast zijn er de bevoegdheidsconflicten, waarvoor het Grondwettelijk Hof in het leven werd geroepen om die te beslechten. Bevoegdheidsconflicten zijn dus in essentie juridische conflicten, in tegenstelling tot belangenconflicten.

Vermits de eerste opdracht van het Grondwettelijk Hof erin bestond om bevoegdheidsconflicten te beslechten, kan men zich de vraag stellen wat de meerwaarde is om daar nog de bevoegdheid omtrent het federaal loyauteitsbeginsel aan toe te voegen, temeer daar het Hof al jarenlang wederrechtelijk instrumenten gevonden heeft en hanteert om arresten te motiveren buiten strikt juridische overwegingen omtrent de bevoegdheidsverdeling. Wat is het antwoord daarop van de institutionele meerderheid ? Het antwoord van spreker daarop is dat de meerwaarde erin bestaat dat het Grondwettelijk Hof hiermee de bevoegdheid krijgt om, meer dan in het verleden, in zijn arresten politieke overwegingen te betrekken teneinde de Belgische constructie in stand te kunnen houden wanneer louter bevoegdheidsverdelende argumenten daartoe niet volstaan. De interpretatiebevoegdheid van het Grondwettelijk Hof wordt met andere woorden fors opengetrokken, zodat men tendeert naar een « gouvernement des juges ». De twaalf rechters van het Grondwettelijk Hof zijn nochtans niet verkozen, niet afzetbaar, niet politiek verantwoordelijk en hebben dus geen enkele democratische legitimiteit, maar krijgen dus wel grote macht om verkozen organen de wet te dicteren. De federale loyauteit was tot op heden een zuiver politiek begrip dat politiek opgelost diende te worden. Nu maakt men er een juridisch-politiek begrip van dat juridisch en politiek kan worden aangewend door het Grondwettelijk Hof.

Het federaal loyauteitsbeginsel, toetsbaar door het Grondwettelijk Hof, is bijgevolg een bijkomend instrument om de armslag en de autonomie van de deelstaten te fnuiken. Het is een bijkomende beperking op de uitoefening van de bevoegdheden van de deelstaten. Op die manier wordt het federaal loyauteitsbeginsel een bevoegdheidsverdelende en dus een bevoegdheidsbeperkende regel, ook al heeft de grondwetgever dat uitdrukkelijk niet gewild. Het is een bijkomend middel om de deelstaten in het Belgisch gareel te dwingen en hun autonomie te fnuiken en wel op twee manieren. Door de autonomie van de deelstaten in te perken door bepaalde van hun handelingen te schorsen en te vernietigen (« negatieve zin »), maar ook door hen in een aantal gevallen te verplichten samen te werken (« positieve zin »). Het verschaft een normatieve grondslag voor de cohesieplicht van de samenstellende bestanddelen van de federatie.

Spreker verwijst naar het volgende citaat van Philippe Gérard in de bijdrage « Bundestreue » in de schemerzone tussen het juridische en het politieke in de Leuvense Staatsrechtelijke Standpunten 1 (die Keure, 2008, blz. 55-81) :

« De bevoegdheden van zowel de deelstatelijke als federale organen zijn juist bij uitstek potentiële middelen om een federale staat te desintegreren. Aldus zou de federale loyauteit de norm zijn die de bevoegdheden normeert met het oog op het behoud van de federale staat als een structureel gegeven dat een dialogische verhouding behelst tussen de verschillende gefedereerde entiteiten. »

Het spreekt vanzelf dat de heer Laeremans deze beperking van de autonomie van de deelstaten niet kan honoreren. Met deze regeling regulariseert men eigenlijk een bestaande feitelijke ongrondwettelijke toestand, in die zin dat het Grondwettelijk Hof wederrechtelijk in een aantal arresten reeds het federale loyauteitsbeginsel heeft aangevoerd om zaken die bij het Hof aanhangig waren te beslechten. In feite heeft het Grondwettelijk Hof misbruik gemaakt van het federaal loyauteitsbeginsel, dat eminent als een begrip van politieke aard werd beschouwd, door het in te schakelen in bevoegdheidskwesties. Met de toekenning van de toetsingsbevoegdheid aan het Grondwettelijk Hof omtrent de federale loyauteit « legt men een zware last op de schouders van die rechterlijke instantie, maar geeft het tegelijkertijd ook een aanzienlijke mate aan politieke macht », aldus nog Philippe Gerard (op.cit., blz. 78). Deze vaststelling stelt spreker des te minder gerust als men weet hoe het Grondwettelijk Hof is samengesteld : voor de helft uit politici van de traditionele partijen en voor de andere helft uit door diezelfde politieke partijen politiek benoemde rechters.

Dat is een mooie constellatie om de Belgische status quo te behouden en te versterken, zoals een aantal arresten van het Grondwettelijk Hof al meermaals hebben aangetoond.

Men opent hiermee overigens ook de doos van Pandora : voortaan zal het federaal loyauteitsbeginsel in heel wat zaken worden opgeworpen met als gevolg meer en meer politieke arresten. Zo dreigt de zaak volledig uit de hand te lopen.

Door het Grondwettelijk Hof met de federale loyauteit een brede politieke appreciatieruimte te geven in communautair gevoelige zaken, dreigt het zijn legitimiteit, voor zover het die al niet verloren heeft, helemaal te verliezen.

Het Grondwettelijk Hof heeft het federaal loyauteitsbeginsel tot op heden doorgaans zeer ten nadele van Vlaanderen toegepast, aldus nog de heer Laeremans : in 2001, naar aanleiding van het Lambermont-akkoord, werd het door de verzoekers aangevoerd in verband met de wijziging van het dubbele meerderheidsvereiste in de GGC ten nadele van de Brusselse Vlamingen door een tweede stemronde in te voeren (als er in een taalgroep — in de praktijk de Vlaamse dus — in de eerste stemronde geen meerderheid wed behaald), waarbij een goedkeuring door één derde in die taalgroep volstond voor een aanvaarding van ordonnanties. Het Grondwettelijk Hof wees deze klachten af.

Nog in 2010 velde het Grondwettelijk Hof een arrest omtrent een decreet van de Vlaamse Gemeenschap, betreffende het basisonderwijs in de faciliteitengemeenten. Onder meer op basis van het federaal loyauteitsbeginsel, werd dit decreet (deels) vernietigd, waardoor Vlaanderen geen zeggenschap kreeg over een aantal aspecten in de Franstalige scholen in de Vlaamse faciliteitengemeenten (onder meer schoolinspectie). Het Hof riep het federaal loyauteitsbeginsel in uit eigen beweging, zonder dat de partijen zich daarop hadden beroepen.

De heer Beke onderbreekt de heer Laeremans en stelt dat deze laatste een zeer zwaar intentieproces maakt van het Grondwettelijk Hof, als zou deze instelling voornamelijk samengesteld zijn uit rechters die « belgicistisch, wallingant of francofoon » zijn. Het is het prerogatief van het federale Parlement om de rechters van het Grondwettelijk Hof voor te dragen. Spreker herinnert er bovendien aan dat inzake de hervorming van BHV, de partij van de heer Laeremans zich, bij wijze van gezagsargument, juist op het Grondwettelijk Hof beriep.

De heer Laeremans preciseert zijn stelling als volgt : hoe meer macht men het Grondwettelijk Hof geeft, des te meer men de democratie aantast want men geeft het Hof de macht wetten om politieke redenen in te perken of te vernietigen.

Dit betekent niet dat hij van oordeel is dat alle door het Hof uitgesproken arresten niet terecht zouden zijn. Maar vanwege zijn samenstelling is het Grondwettelijk Hof in wezen een politiek orgaan, aldus de heer Laeremans.

De heer Delpérée preciseert dat de rechters van het Grondwettelijk Hof benoemd worden door de regering, op voordracht van het federale Parlement. Voorts is bij wet bepaald dat zes raadsheren gewezen politici moeten zijn en zes raadsheren worden aangesteld uit de magistratuur of academici-grondwetspecialisten. Bovendien is het Grondwettelijk Hof paritair samengesteld.

De heer Laeremans wijst er toch op dat, doordat het Grondwettelijk Hof aan het open begrip « federale loyauteit » zelf vorm mag geven, er toch een belangrijke politieke macht aan het Hof wordt toevertrouwd. Spreker verklaart niet gerust te zijn over deze evolutie.

Men kan zich, aldus de heer Laeremans, de vraag stellen in hoeverre de voorgestelde operatie grondwettelijk is. Tijdens de parlementaire behandeling van artikel 143, § 1, van de Grondwet, werd duidelijk gesteld dat het niet de bedoeling is de federale loyauteit als een bevoegdheidsverdelende regel te beschouwen, met als implicatie dat het Grondwettelijk Hof of enig ander rechtscollege zich hierover niet kunnen uitspreken. Toch wordt nu door de bijzondere wetgever, en dus niet door de Grondwetgever, bepaald dat het Grondwettelijk Hof hierover uitspraak kan doen. In het communautair akkoord en in de toelichting bij de artikelen 45 en 46 van het voorstel van bijzondere wet nr. 5-2232/1, wordt gesteld dat dit gebeurt op basis van artikel 142, tweede lid, 3, van de Grondwet, dat inderdaad bepaalt dat de bijzondere wet bevoegdheden aan het Grondwettelijk Hof kan verlenen. In de toelichting wordt eveneens gesteld dat het Grondwettelijk Hof wetgevende normen gaandeweg is gaan toetsen aan de federale loyauteit op basis van artikel 143, § 1, wat klopt, maar men voegt er niet aan toe dat dit in se ongrondwettig is. Men verwijst zelfs eenzijdig naar het federaal loyauteitsbeginsel in artikel 143, § 1, maar verzwijgt daarbij wel dat dit in het kader te situeren is van de voorkoming van belangenconflicten. Men negeert dus in de toelichting bij het voorstel van bijzondere wet nr. 5-2232/1 volledig de context waarin artikel 143, § 1, door de Grondwetgever van 1993 werd opgesteld. Het komt de heer Laeremans dan ook voor dat het aan de Grondwetgever en niet aan de bijzondere wetgever toekomt om hierin een wijziging aan te brengen, meer bepaald aan artikel 143, § 1, van de Grondwet.

Spreker vervolgt dat in de toelichting staat dat het voorstel van bijzondere wet « niet tot doel heeft zelf de draagwijdte van het principe van federale loyauteit te wijzigen » (zie stuk Senaat, nr. 5-2232/1, blz. 183). Wat is die draagwijdte dan volgens de institutionele meerderheid ? Is dit niet contradictorisch, gelet op het feit dat de grondwetgever in 1993 heel uitdrukkelijk de draagwijdte van de federale loyauteit heeft beperkt tot een politiek begrip zonder bevoegdheidsverdelende connotatie en zonder toetsingsbevoegdheid voor rechtbanken, wat men nu dus wel invoert ?

Wat zal voortaan de draagwijdte zijn van dit federaal loyauteitsbeginsel ? Houdt het een begrenzing van de bevoegdheidsuitoefening in ? Of dient het ook als grondslag voor actieve verplichtingen van de Federale Staat en de deelstaten ten opzichte van elkaar (zoals de Duitse Bundestreue), waardoor het Grondwettelijk Hof de Federale Staat en de deelstaten zou kunnen verplichten tot samenwerking bijvoorbeeld door middel van het sluiten van samenwerkingsakkoorden, ook als de bijzondere wet niet in die verplichting voorziet (hetgeen een forse inperking zou zijn van de autonomie van de deelstaten) ?

Volgens de constitutionalist Gérard kan men zich vragen stellen bij de vermeende scheidbaarheid van belangen- en bevoegdheidsconflicten. « De correspondentie tussen belangen en bevoegdheden heeft bovendien tot gevolg dat ook zogenaamde belangenconflicten getoetst zouden kunnen worden door het Grondwettelijk Hof » (GÉRARD, ibid., blz. 76). Onderschrijft de institutionele meerderheid deze stelling, nu ze, door de federale loyauteit aan de toetsing van het Grondwettelijk Hof prijs te geven, daarmee de grens tussen belangen- en bevoegdheidsconflicten grotendeels uitgomt ? Kunnen belangenconflicten getoetst worden door het Grondwettelijk Hof ?

In de rechtsleer wordt de kritiek geopperd dat, wanneer het Grondwettelijk Hof zich beroept op de federale loyauteit, het dat niet (afdoende) motiveert (zie hiervoor : RASSON Anne-Catherine. Le principe du vivre ensemble belge : une épopée constitutionnelle : Réflexions autour de la loyauté fédérale et de son intégration dans la jurisprudence de la Cour constitutionnelle. In : Chroniques de droit public, 16(2012)1, randnr. 107). Moet het Grondwettelijk Hof dit voortaan doen, nu het deze bevoegdheid krijgt ?

Het Grondwettelijk Hof beroept zich al lang en vaak op het « proportionaliteitsbeginsel » en het « redelijkheids- en evenredigheidsbeginsel » om zijn toetsingsbevoegdheid uit te breiden en zich niet louter te beperken tot het onderzoek van de vraag of de verschillende overheden wel binnen hun bevoegdheden zijn gebleven, wat in feite de grondwettelijke taak van het Hof is. Wat is het verschil in dezen met het « federaal loyauteitsbeginsel » ? Wat voegt dit laatste daaraan toe voor wat het Grondwettelijk Hof betreft ?

Op al deze vragen wenst de heer Laeremans een antwoord vanwege de institutionele meerderheid.

Bevoegdheid van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest voor biculturele aangelegenheden

Vervolgens snijdt de heer Laeremans de problematiek aan van de toewijzing van biculturele aangelegenheden aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Deze toewijzing strookt, aldus spreker, niet met artikel 39 van de Grondwet, luidende : « De wet draagt aan de gewestelijke organen welke zij opricht en welke samengesteld zijn uit verkozen mandatarissen de bevoegdheid op om de aangelegenheden te regelen welke zij aanduidt met uitsluiting van die bedoeld in de artikelen 30 en 127 tot 129 en dit binnen het gebied en op de wijze die zij bepaalt. Deze wet moet worden aangenomen met de meerderheid bepaald in artikel 4, laatste lid. »

In Brussel zijn overeenkomstig artikel 127, § 1, 1 en 3, van de Grondwet de gemeenschappen bevoegd voor culturele aangelegenheden voor de instellingen die één taalgemeenschap aanbelangen. De bevoegdheden op dat vlak, voor de instellingen die beide taalgemeenschappen aanbelangen (biculturele), behoren tot nog toe tot de residuaire federale bevoegdheden. Men wil nu enkele (of delen daarvan) van deze culturele bevoegdheden (het cultureel patrimonium, de musea en andere wetenschappelijk-culturele instellingen) overhevelen naar het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

De onderhandelingsvoorstellen werden metapolitiek voorbereid door de linkse Brusselse « bobo's » : zowel Franstaligen als Dansaert-Vlamingen, genre Brussels Manifest van VZW manifesto en andere dergelijke initiatieven, die van Brussel een « gewest-gemeenschap » willen maken.

Politiek vinden zij hun oorsprong in verzuchtingen die aan Brusselse Franstalige kant zijn ontstaan en die reeds voor een stuk illegaal werden geüsurpeerd door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Van januari tot maart 2008 werd er onder de interim-regering Verhofstadt III een Octopuswerkgroep opgericht waarin deze aangelegenheid ook ter sprake kwam.

Een aantal Brusselse Vlamingen in de Brusselse regering hebben toen gecapituleerd voor de Franstaligen. De heer Hugues Dumont, francofiel professor, noemde het feit dat Brussel over culturele bevoegdheden zou gaan beschikken :

« un fait politique majeur, puisque des responsables politiques flamands — en l'occurrence, les membres flamands du gouvernement bruxellois — acceptent que des matières gérées par la Communauté flamande soient confiées aux régions, donc à la Région bruxelloise. »

De heer Anciaux wijst erop dat de culturele bevoegdheden die vandaag aan de gemeenschappen toebehoren, daarvan uitgesloten zijn.

De heer Laeremans is van mening dat er vanuit een bepaalde politieke hoek toch een tendens is om het gewest te versterken ten nadele van de gemeenschappen.

Voor hem is het duidelijk dat het een Waals-Brusselse agenda is die hier wordt uitgevoerd. Deze elementen duiken op in de voorstellen van de heer Di Rupo van 3 september 2010. Zij komen niet of nauwelijks terug in de voorstellen van de heer De Wever, de heer Vande Lanotte en de heer Beke, om uiteindelijk toch weer terug integraal te worden opgevist in de basisnota van de heer Di Rupo van 4 juli 2011.

Deze Waals-Brusselse agenda en de toekenning van gemeenschapsbevoegdheden aan Brussel druisen uiteraard regelrecht in tegen de Vlaamse visie op de institutionele plaats van Brussel in het Belgische institutionele bestel. Ook de Vlaamse regering stelde een Octopusnota op, maar terwijl de (Franstalige) Brusselaars op hun wenken werden bediend, kregen de Vlamingen inzake Brussel nul op het rekest.

Met deze regeling wordt een flinke stap gezet op weg naar het Brussels Hoofdstedelijk Gewest als een gewestgemeenschap.

De uitgewerkte regeling is bovendien ongrondwettig, omdat zij in strijd is met artikel 39 van de Grondwet. Het minste wat kan gezegd worden is dat het om een overduidelijke impliciete grondwetwijziging gaat en dat wordt al zeker door de rechtsleer niet aanvaard.

De heer Delpérée wijst erop dat niet alleen Grondwetsartikel 39, maar ook andere bepalingen zoals de artikelen 127, 128, 129 en 135, de gemeenschapscommissies in Brussel organiseren. Het gaat niet op om één Grondwetsartikel te lichten en het tegenover een ander te plaatsen, om aan te tonen dat sommige Grondwetsartikelen ongrondwettelijk zouden zijn.

De heer Laeremans merkt op dat als men te allen prijze deze bevoegdheden aan de Brusselse instellingen wil toevertrouwen, de GGC de logische keuze zou zijn vermits die juist werd opgericht om gemeenschapsbevoegdheden uit te oefenen. Is het misschien omdat in de GGC met dubbele meerderheid moet worden gestemd en de Brusselse Vlamingen daar dus medebeslissingsrecht hebben ?

De heer Anciaux merkt op dat buiten de financiering en subsidiëring van de gemeentelijke sportinfrastructuur en het opzetten van programma's voor beroepsopleiding, uitdrukkelijk bepaald werd dat het gaat om bi-culturele aangelegenheden die zelfs vandaag niet uitgeoefend worden door de federale overheid en die geenszins behoren tot de bevoegdheden van de Franse en Vlaamse Gemeenschap.

De heer Laeremans is van mening dat men binnen het gewest een kern creëert van gemeenschapsbevoegdheden. In de praktijk was het immers zo dat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest reeds jaren op illegale wijze optreedt in die domeinen en deze biculturele aangelegenheden heeft geüsurpeerd

De heer Delpérée merkt op dat artikel 39 van de Grondwet de bevoegdheden van de gewesten bepaalt. Dit artikel luidt als volgt : « De wet draagt aan de gewestelijke organen welke zij opricht en welke samengesteld zijn uit verkozen mandatarissen de bevoegdheid op om de aangelegenheden te regelen welke zij aanduidt met uitsluiting van die bedoeld in de artikelen 30 en 127 tot 129 en dit binnen het gebied en op de wijze die zij bepaalt. Deze wet moet worden aangenomen met de meerderheid bepaald in artikel 4, laatste lid ».

Artikel 127 van de Grondwet betreft alleen de culturele aangelegenheden waarvoor een bepaalde gemeenschap bevoegd is. Het sluit de aangelegenheden waarvoor beide gemeenschappen bevoegd zijn dus niet uit.

De heer Laeremans vraagt of de bevoegdheden die aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zullen worden overgedragen, aan het eerste en derde pakket van de bestaande bevoegdheden worden toegevoegd. Biculturele aangelegenheden hebben alvast weinig of niets uit te staan met economisch beleid of energiebeleid. Waarom die keuze ?

De heer Moureaux legt uit dat deze staatshervorming een compromis is tussen de twee grote gemeenschappen, ook al hoort men bij de discussie alleen de vertegenwoordigers van één van de gemeenschappen. Hier wordt dus niet het programma van het Vlaams Parlement uitgevoerd, noch de hervorming die de Franstaligen hadden gewenst. Een deel van de Franstalige politieke wereld — waar spreker niet toe behoort — had eigenlijk liever een status quo behouden.

De hervorming is van belang op twee punten :

— ten eerste is er het bedrag dat naar de gewesten en de gemeenschappen wordt overgeheveld. Wat bevoegdheden betreft sluiten de deelstaten en de federale overheid dicht bij elkaar aan en dat overstijgt het federalisme. We staan op het punt een stap te zetten waarbij de federale staat fundamenteel wordt hervormd. De uitvoering ervan zal zwaar en delicaat tegelijk zijn.

— daarnaast is er de beperkte maar reële overheveling van de sociale aangelegenheden. Dit is voor de Franstaligen een zeer delicaat punt. Men dient hierbij te benadrukken dat de kinderbijslag stricto sensu geen deel uitmaakt van de sociale zekerheid. De Franstaligen zijn tevreden dat de overgehevelde sociale bevoegdheden in Brussel beheerd zullen worden door de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie. Er waren wrijvingen omdat sommigen vonden dat de gemeenschappen volledig bevoegd horen te zijn voor deze materies. In Brussel zou dit zeker tot situaties hebben geleid die het samenleven bemoeilijken, door het concept van « subnationaliteit » te introduceren. Hier heeft men echter een evenwichtige oplossing gevonden : een bicommunautaire instelling waarin Nederlandstaligen en Franstaligen gelijk vertegenwoordigd zijn, zal over deze materie beslissen. Door deze oplossing hoeft er in Brussel geen subnationaliteit te worden ingevoerd. Dit zou immers rampzalig zijn voor het evenwicht binnen de Brusselse bevolkingsgroepen.

De complexe, soms « priegelwerkachtige » kant van de hervorming, heeft veel kritiek uitgelokt. Men moet er zich echter bij neerleggen dat ons land nu eenmaal complex in elkaar zit.

De heer Moureaux benadrukt nogmaals dat deze hervorming het resultaat is van een compromis. Doordat het gaat om een compromis, is geen der partijen er volledig tevreden mee.

Spreker haalt als voorbeeld de veiligheidsproblematiek in Brussel aan : hiermee wordt aangetoond dat elke gemeenschap wel degelijk vooruitgang kan boeken in een dossier. De Nederlandstaligen willen een betere coördinatie van de politiediensten in Brussel, zodat de macht niet geconcentreerd ligt op het niveau van de politiezones. Blijkbaar wil de hervorming een meer geïntegreerd veiligheidsbeleid in Brussel invoeren. Dat komt dus deels tegemoet aan de wens van de Nederlandstaligen. Het zal echter wel de minister-president van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn die verantwoordelijk is voor de uitvoering van dit geïntegreerd stedelijk veiligheidsbeleid. De voorstanders van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest — in hoofdzaak Franstaligen — krijgen dus nu de kans om een geïntegreerd veiligheidsbeleid te organiseren, zonder dat daarbij de gemeentelijke en zonegebonden autonomie vervallen. Beide partijen kunnen dus zeggen dat ze hun doel gedeeltelijk hebben bereikt.

De heer Moureaux wenst ook nog te onderstrepen hoe complex de uitvoering van dit compromis is. Hij pleit er dus voor dat alle actoren, ook zij die reeds aan een zevende staatshervorming denken, de volgende regering de tijd zouden laten om deze hervorming ook echt door te voeren. Anders zou het land zeer onstabiel kunnen worden, wat voor de burgers ernstige gevolgen kan hebben.

De heer Vanlouwe wil eerst op de opmerkingen van de heer Moureaux antwoorden.

Spreker benadrukt dat de Vlaamse partijen van de institutionele meerderheid die de resoluties van het Vlaams Parlement hebben goedgekeurd, nu een volledig tegengesteld standpunt gaan innemen. In de resoluties van het Vlaams parlement wordt het principe van de tweedeling van het land met een speciaal statuut voor Brussel aanvaard. De nu voorliggende teksten beschouwen het land echter als samengesteld uit drie delen, waarbij Brussel een volwaardig gewest is.

Ook komt de inhoud van de « Octopus »-nota van de Vlaamse regering niet in de voorliggende teksten voor.

De heer Beke repliceert ter zake dat de Vlaamse regering op 12 oktober 2011 eenparig heeft vastgesteld dat de zesde staatshervorming niet in strijd is met het Vlaams regeerakkoord.

Wat de discussie over het bereikte compromis betreft, meent de heer Vanlouwe dat men zich moet afvragen of dat compromis wel evenwichtig is en of het de communautaire vrede zal herstellen. Hij betwijfelt het. Sinds het arrest van het Grondwettelijk Hof van 2003 met betrekking tot het arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde, is er sprake van een crisis tussen Franstaligen en Nederlandstaligen. Ondanks de nu aangenomen hervormingen, stelt spreker vast dat er nog veel onenigheid is met betrekking tot de meting van de werklast en de resultaten van de KPMG-studie. Het dossier van het gerechtelijk arrondissement Brussel kan echter niet los worden gezien van dat van het kiesarrondissement BHV. Hij betreurt nogmaals dat het genoemde KPMG-rapport vertrouwelijk blijft en niet aan de oppositie wordt doorgegeven.

Spreker vindt dan ook dat dit compromis niet gunstig is, noch voor Vlaanderen, noch voor Wallonië, noch zelfs voor Brussel.

Hoewel bepaalde bevoegdheden werkelijk overgeheveld worden, vraagt de heer Vanlouwe zich ook af waarom de meerderheidspartijen niet hebben gezorgd voor een volledige overheveling van de betrokken bevoegdheden. Hij stelt immers vast dat de bevoegdheden vaak slechts gedeeltelijk worden overgeheveld. Wat is het probleem ? Waar komt die angst vandaan om de gewesten en gemeenschappen meer bevoegdheden toe te kennen ?

Op het argument van de heer Moureaux als zou het moeilijk zijn om in Brussel verschillende bedragen uit te keren voor de kinderbijslag al naargelang het Franstalige of Nederlandstalige gezinnen betreft, antwoordt de heer Vanlouwe dat er voor de kinderbijslag nu ook al verschillen zijn, bijvoorbeeld op basis van het statuut van zelfstandige of werknemer. Die verschillen worden in 2014 weggewerkt, maar spreker merkt op dat hij in het verleden de meerderheidspartijen nooit heeft horen zeggen dat dit echt een probleem was. Spreker vindt dat het hier eigenlijk om een politieke keuze gaat. Op zich is er niets wat het uitkeren van verschillende sommen op basis van een vrije keuze van de gezinnen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in de weg staat.

De heer Anciaux verzet zich tegen die bewering en verduidelijkt dat er al tien jaar wordt geijverd voor de harmonisering van de statuten.

De heer Vanlouwe stelt vast dat er op dit ogenblik verschillende systemen bestaan op het vlak van kinderbijslag waardoor kinderen op uiteenlopende manier behandeld worden. Hij ziet dan ook niet in waarom er in Brussel geen verschillende stelsels mogelijk zouden zijn, afhankelijk van de vrije keuze die men maakt. Hij verwijst in dat verband trouwens naar de vrije keuze die bestaat op het vlak van de ziekenfondsen. De keuze voor een bepaald ziekenfonds leidt tot verschillen op het vlak van terugbetaling van medische kosten. Een verschillende behandeling die een gevolg is van een vrije keuze is geen discriminatie.


Vervolgens gaat de heer Vanlouwe nader in op de verschillende onderdelen van het voorstel van bijzondere wet nr. 5-2232/1.

Arbeidsmarktbeleid

Wat het arbeidsmarktbeleid betreft, stelt de heer Vanlouwe vast dat, na de zesde staatshervorming, het arbeidsrecht en de sociale zekerheid in elk geval federale materie blijven. Dat geldt ook voor het sociaal overleg en het loonbeleid. De beperkte bevoegdheden die naar de deelstaten worden overgeheveld, zijn bovendien onderworpen aan verschillende voorwaarden.

Zo zijn de gewesten voortaan bevoegd voor de controle op de beschikbaarheid van de werklozen. Indien nodig kunnen zij sancties opleggen. Dit was tot nog toe een bevoegdheid van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening die, op basis van informatie van de regionale diensten voor arbeidsbemiddeling, moest beslissen over een eventuele sanctie. Binnen deze regionale diensten voor arbeidsbemiddeling, VDAB, Actiris en FOREM, kon men vroeger al verschillende tendensen vaststellen in de werkwijze en de praktijk van de transmissie van dossiers aan de RVA.

Voortaan bepalen de gewesten autonoom welke studies en beroepsopleidingen een uitkeringsgerechtigde werkloze met behoud van zijn uitkering kan aanvatten. De gewesten zullen ook mogen bepalen welke werkzoekenden voor deze maatregelen in aanmerking komen.

Het doelgroepenbeleid wordt overgeheveld evenals de RSZ-kortingen voor doelgroepen en de activering van werkzoekenden.

Als belangrijke uitzondering blijven de RSZ-verminderingen een federale bevoegdheid en vormen zij dus een bron van mogelijke conflicten.

De budgetten voor het doelgroepenbeleid worden volledig overgeheveld naar de gewesten. De administratieve en financiële uitwerking van die beslissingen zal evenwel via de federale organen gebeuren. Dat kan opnieuw tot problemen leiden.

De dienstencheques worden geregionaliseerd maar de arbeidsrechtelijke aspecten blijven federaal, bijvoorbeeld de arbeidsvoorwaarden.

Op het vlak van het arbeidsmarktbeleid stelt men dus vast dat er sommige elementen worden overgeheveld terwijl daar dan toch weer uitzonderingen op blijven bestaan.

Inzake arbeidsbemiddeling en outplacement worden de programma's voor de arbeidsmarktbegeleiding van leefloners overgeheveld naar de gewesten. De arbeidsbemiddelaars van de PWA's en de bijbehorende middelen worden eveneens overgeheveld naar de gewesten. Outplacement wordt eveneens geregionaliseerd maar met een uitzondering voor de arbeidsrechtelijke aspecten.

Wat de economische emigratie betreft, wordt de regelgevende bevoegdheid voor de arbeidskaarten A en B, evenals de beroepskaart voor de zelfstandigen, overgedragen aan de gewesten.

De geschatte waarde van die overdracht van onderdelen van het arbeidsmarktbeleid wordt geraamd op 4,8 miljard euro. Zij worden uit de federale sociale zekerheid gehaald en gaan naar de gewesten.

Deze zomer verklaarde premier di Rupo dat de gewesten voortaan over de belangrijkste socio-economische hefbomen zouden beschikken. Verschillende partijen van de institutionele meerderheid beweren dat het zwaartepunt bij de deelstaten komt te liggen. De uitgaven van de federale overheidsdiensten bedragen, volgens de heer Beke, binnenkort nog maar 31 miljard euro terwijl de Vlaamse uitgaven 38 miljard euro zullen bedragen op het vlak van de sociale zekerheid. Bovendien, zo beweren zij, krijgen de deelstaten voor het eerst echt vat op het federale beleid. Blijkbaar is men echter vergeten de globale bedragen voor het geheel van de sociale zekerheid te vermelden.

De heer Anciaux herinnert eraan dat de heer Beke in zijn inleidende uiteenzetting heeft gesproken van 75 miljard euro voor het federaal niveau en 86 miljard euro voor de deelgebieden.

De heer Beke vestigt er de aandacht op dat minister-president Kris Peeters dezelfde cijfers gebruikt wanneer hij spreekt namens de hele Vlaamse regering. Het gaat om een vergelijking van de primaire uitgaven van de federale overheid met de primaire uitgaven van de deelstaten. De heer Vanlouwe vergeet daarbij gemakshalve dat de sociale zekerheid in wezen gefinancierd wordt door de sociale partners, werkgevers en werknemers. In die redenering moet het niveau van de deelstaten bij entiteit 2 worden gerekend, zoals de Europese Commissie dat doet en dan krijgt men een ander beeld. Hij stelt voor dat de discussie over de juiste cijfers wordt gehouden bij de bespreking van het ontwerp van financieringswet.

De heer Vanlouwe citeert een aantal politici van de institutionele meerderheid. In de volgende verklaringen stellen zij ten onrechte dat het arbeidsmarktbeleid in zijn geheel zou worden overgedragen : Zo verklaarde Di Rupo deze zomer triomfantelijk : « Vlaanderen, Wallonië en Brussel zullen binnenkort beschikken over de belangrijkste socio-economische hefbomen. » Verherstraeten volgde met de quote : « De deelstaten worden bevoegd van de wieg tot het rusthuis ». Wouter Beke deze zomer : « Het zwaartepunt komt bij de deelstaten te liggen. De uitgaven van de federale overheidsdiensten bedragen binnenkort nog maar 31 miljard euro, terwijl de Vlaamse Regering 38 miljard euro kan uitgeven. Een pak meer. Bovendien krijgen de deelstaten voor het eerst echt vat op het federale beleid ». « Daarom is het een goede zaak dat we het arbeidsmarktbeleid hebben kunnen regionaliseren. Nu kunnen we nog beter inspelen op de snel veranderende arbeidsmarkt en zo meer mensen aan een job helpen. » (Caroline Gennez, website sp.a, 2011). « Met de Zesde Staatshervorming is ons land klaar voor de XXIste eeuw. Het zwaartepunt komt op het regionale vlak te liggen, terwijl de federale overheid zich op de kerntaken focust en de solidariteit waarborgt in de sociale zekerheid ». (Gwendolyn Rutten, website OpenVLD juli 2013 ). Het gaat evenwel slechts om een aantal componenten ervan, waarop dan nog eens in uitzonderingen is voorzien. Het dan voorstellen alsof het zwaartepunt bij de gewesten komt te liggen, is dus niet juist.

De heer Anciaux merkt op dat de bevoegdheidsoverheveling in zijn geheel moet worden beschouwd. Wie heeft ooit beweerd dat het volledig arbeidsmarktbeleid zou worden overgeheveld ?

De heer Beke citeert de heer Jambon (N-VA) die twee weken geleden in de « Zevende Dag » beweerde dat het om een « gigantische » staatshervorming gaat. De institutionele meerderheid is het in elk geval volstrekt eens met die uitspraak.

De heer Vanlouwe herinnert eraan dat dit een sarcastische uitspraak was. Hij verwijst, bij wijze van voorbeeld, naar de commentaar van het weekblad Trends over de zogenaamde « Copernicaanse revolutie » die met deze staatshervorming zou worden gerealiseerd. Volgens het weekblad rammelt deze staatshervorming, en vooral de nieuwe financieringswet, aan alle kanten : « Eigen aan het Belgisch federaliseringsproces is dat uitgavenbevoegdheden en activa worden overgedragen, financieringsverantwoordelijkheden en passiva, de historische staatsschuld, blijven grosso modo, federaal. » Ook de Tijd stelt vast dat de zesde staatshervorming niet leidt tot homogene bevoegdheden, integendeel.

Mevrouw Isabel Albers schreef in de Standaard, in november 2010, als reactie op de toen voorgestelde overdracht van het arbeidsmarktbeleid ter waarde van 4,8 miljard euro : « Het arbeidsmarktbeleid oogt als een vette kluif in de staatshervorming. Gek veel responsabilisering levert dat echter niet op. »

De heer Beke verwijst naar een ander standpunt van mevrouw Albers in december 2011 waarin zij stelt : « We zijn dankzij dit regeerakkoord in enkele weken tijd van het Griekenland aan de Noordzee geëvolueerd naar een veilige haven. »

De heer Vanlouwe stelt zich inderdaad de vraag of ons land binnenkort niet het Griekenland aan de Noordzee zal zijn, als gevolg van deze staatshervorming.

Verder stelt hij dat de federale overheid te bescheiden is over de budgeten die ze in de toekomst zal beheren : het gaat immers niet om 37 miljard euro maar wel minstens om 116 miljard euro.

De federale begroting is veel meer dan die 37 miljard na 2014. De federale overheid blijft bevoegd voor de sociale zekerheid na 2014, wat neerkomt op 69 miljard euro in 2014. En de rentelasten voor de staatsschuld komen niet vanzelf en verdwijnen ook niet vanzelf. Als men daar dus minstens 10 van de 12 miljard euro rentelasten per jaar bijtelt, komt men aan 116 miljard euro bevoegdheden voor de federale overheid na de zesde staatshervorming ten opzichte van 67 miljard euro voor de gemeenschappen en de gewesten (waarvan 38 miljard euro voor Vlaanderen).

Het is dus manipulatief om te stellen dat de Vlaamse begroting van 38 miljard euro na de zesde staatshervorming groter zal zijn dan de federale begroting van 37 miljard.

Een bijkomend voorbeeld van het bedrieglijk karakter van de vergelijking is het volgende : het overgedragen budget voor arbeidsmarktbeleid (4,8 miljard euro) en gezinsbijslagen (6,8 miljard euro) komt uit de pot « sociale zekerheid » en niet uit de « federale begroting ». Na de zesde staatshervorming worden deze nieuwe bevoegdheden wel aangerekend op het Vlaams budget van 38 miljard euro.

Het arbeidsmarktbeleid en het sociaal-economisch beleid zijn meer dan een « administratieve » rol.

De regering zegt dat er voor meer dan 20 miljard euro bevoegdheidsoverdrachten zullen plaatsvinden van de federale overheid naar de gemeenschappen en gewesten. Daarvan situeert zich meer dan 11 miljard euro in de domeinen van het arbeidsmarktbeleid (4,8 miljard) en de gezinsbijslagen (6,8 miljard). Maar wat is de « bevoegdheidsoverdracht » ? Dat is het recht om voor die overgedragen bevoegdheden zelf de spelregels te bepalen en de financiële verantwoordelijkheid te dragen voor het goed of slecht beheer van die bevoegdheid.

Het individueel en collectief arbeidsrecht, het sociaalzekerheidsrecht, de loonvorming, de belastingen op arbeid, de beheersinstellingen zoals RVA en RSZ enzovoort blijven allemaal federale bevoegdheden. Dat zijn nu net de hefbomen voor het voeren van een « sociaal-economisch beleid » in het algemeen en een « arbeidsmarktbeleid » in het bijzonder.

Als men de werklozen mag controleren en sanctioneren maar daarbij voor 95 % gebonden is aan federale spelregels, dan is dat geen echte « bevoegdheidsoverdracht », maar wel het toewijzen van een « administratieve taak ». Iedereen die ooit een cursus leidinggeven heeft gevolgd, weet dat « taakgericht » werken het tegendeel is van autonomie en delegatie.

En als er dan al eens een betwisting bestaat over de uitvoering van die « administratieve taak », dan zal de federale overheid beslissen. Want wanneer de gesanctioneerde werkloze niet akkoord gaat met de sanctie, ligt de eindbeslissing op het federaal niveau. Spreker citeert : « De federale overheid moet door het gewest worden ingelicht van het beroep om, in voorkomend geval, te kunnen tussenkomen in de zaak ».

Het enthousiasme van de Vlaamse partijen in de federale regering is bijgevolg totaal misplaatst. Spreker verwijst naar het voorbeeld van de overdracht van het doelgroepenbeleid dat, inclusief de dienstencheques, het leeuwenaandeel van de enveloppe arbeidsmarkbeleid van 4,8 miljard euro uitmaakt.

Zo heeft de federale regering vastgelegd wat de gewesten en gemeenschappen niet mogen doen in het kader van het « doelgroepenbeleid ». Ze kunnen geen wijzigingen doorvoeren in de individuele of collectieve arbeidswetgeving, met als gevolg dat wijzigingen aan sociale wetten om de drempel naar werk te verlagen, volledig uitgesloten worden. Integendeel, de federale regering schaft de proeftijd af vanaf 2014. De federale regering blijft ook alle spelregels inzake arbeids- en of uitzendcontracten, arbeidsduur en arbeidsorganisatie, opzeggingsregels enzovoort zelf regelen.

Ook het collectief arbeidsrecht met nationale, sectorale en bedrijfs-cao's blijft federale materie. Hiermee wordt de deur gesloten om op Vlaams niveau een gemoderniseerd model van sociaal overleg op te starten, naar het Duits model van « Mittbestimmung ».

Er zijn ook geen structurele RSZ-verminderingen of andere verminderingen van sociale bijdragen die kunnen worden doorgevoerd, noch kunnen er vrijstellingen worden verleend voor het doorstorten van bedrijfsvoorheffing. Praktisch komt dat er dus op neer dat de gewesten geen enkele bevoegdheid krijgen om structureel iets te doen aan de lasten op arbeid voor werknemer en werkgever. Om alle creatievelingen de mond te snoeren werd volgend zinnetje toegevoegd : « De federale overheid behoudt evenwel haar beslissingsvrijheid in verband met de maatregelen met betrekking tot de loonkost, die onder haar bevoegdheid blijft vallen ».

In geen geval mag een vermindering van sociale bijdragen een invloed hebben op de sociale rechten van de werknemer : « De al dan niet gehele onderwerping van een werknemer aan de verschillende taken van de sociale zekerheid blijft immers een federale bevoegdheid » kunnen we letterlijk lezen.

Als een oudere werknemer, volgens de spelregels van de sociale zekerheid, vrijgesteld is om werk te zoeken, dan mag men wel bemiddelen en controleren maar moet men die vrijstelling respecteren. Er is dus geen bevoegdheid om bijvoorbeeld het werkloosheidsstelsel te hervormen en meer activerend te maken. Als de federale overheid beslist dat bij de herstructurering van Ford Genk of Caterpillar er nog steeds brugpensioen vanaf 62 of 62,5 jaar wordt toegekend, dan is dat ook na de zesde staatshervorming een « fait accompli » !

Maar daarmee is de kous nog niet af want de federale overheid heeft beslist nog een extra uitzondering door te voeren : doelgroepkortingen die in functie staan van de kenmerken van de werkgever of de activiteitensector worden eveneens federaal gehouden. Het gaat onder meer om : verminderingen voor eerste aanwervingen, verminderingen voor collectieve arbeidsduurvermindering en vierdagenweek, verminderingen voor aanwerving van wetenschappelijk personeel en loonmatiging voor de universiteiten, verminderingen voor werknemers met lage lonen (loonbonus), verminderingen voor de horeca en verminderingen voor de luchtvaartsector.

Maar er zijn bovendien uitzonderingen op de extra uitzondering. Volgende doelgroepkortingen die in functie staan van de werkgever of de activiteitensector worden dan wel weer geregionaliseerd : verminderingen voor onthaalouders, verminderingen voor huispersoneel, verminderingen voor kunstenaars, vermindering voor de bagger- en sleepsector en de koopvaardij en verminderingen voor de sector van de sociale economie.

Spreker betwijfelt of dat allemaal te volgen blijft, gelet op de complexiteit van de maatregelen. Voor de sociale economie en de bagger- en sleepsector is er nog een uitzondering op de uitzondering op de extra-uitzondering. Hier houdt de federale overheid toch nog in bepaalde omstandigheden de doelgroepenbevoegdheid voor zichzelf.

Dat is in het kort de gigantische bevoegdheidsoverdracht inzake doelgroepenbeleid. De regeringspartijen beweerden nochtans dat het zwaartepunt hiervan naar de regio's zou gaan, quod non.

Een ander voorbeeld van een manke bevoegdheidsovedracht betreft de regelgeving voor de arbeidskaarten A en B die overgedragen wordt naar de gewesten terwijl het uitreiken van een verblijfsvergunning federaal blijft. Fractiegenoot Ide heeft die problematiek al aangekaart.

Spreker is van oordeel dat dit de voorbode is van talrijke bevoegdheidsconflicten. Hij vraagt zich eveneens af of het de bedoeling is bij de burgers een afkeer te kweken voor het begrip « staatshervorming ».

De versnippering van bevoegdheden en de gebrekkige financiële responsabilisering staan haaks op wat een staatshervorming met visie moet zijn. Nergens zijn er in deze staatshervorming voor het onderdeel arbeidsmarktbeleid homogene bevoegdheidsoverdrachten op het gebied van doelgroepenbeleid inclusief de dienstencheques, de controle en sanctionering van werklozen, de programma's voor de rechthebbenden op een leefloon, de economische migratie en de arbeidskaarten, de vrijstellingen van beschikbaarheid bij studiehervatting of beroepsopleiding, educatief verlof, outplacement, PWA-s, ...

Op al die domeinen wordt een onderdeel overgedragen naar de gewesten of de gemeenschappen maar telkens is er wel een « maar » of een reeks uitzonderingen.

Spreker verwijst voorts naar de opleiding van werknemers. Beroepsscholing en bijscholing waren en blijven een gemeenschapsbevoegdheid maar het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wordt na de zesde staatshervorming eveneens bevoegd om in het gewest beroepsscholingen en -bijscholingen te organiseren. Spreker vreest dat dit zal leiden tot een zeer inefficiënte organisatie van de beroepsopleiding en -bijscholing in Brussel. Er zullen overlappingen en conflicten ontstaan tussen de gewesten en de gemeenschappen. Dit soort regeling lokt eigenlijk al een zevende staatshervorming uit om de zaken beter en efficiënter te regelen.

Is het in die omstandigheden wel juist te beweren dat het zwaartepunt van het arbeidsmarktbeleid naar de gewesten gaat terwijl er geen enkele homogene bevoegdheidsoverdracht op het gebied van arbeidsmarktbeleid of sociale zekerheid heeft plaatsgevonden ?

En daarbovenop wordt ook nog de financiering van de overgedragen bevoegdheden afgeroomd. Voor het arbeidsbeleid gaat het om 4,778 miljard, wat neerkomt op 90 % van de middelen. Dat bedrag wordt gekoppeld aan de index en 75 % van de groei.

De gewesten worden opgezadeld met halve bevoegdheden en tal van beperkingen om een volwaardig eigen beleid te voeren. Maar anderzijds gaat de federale overheid er wel van uit dat de gewesten het allemaal zullen financieren met 90 % van de oorspronkelijke middelen.

Zonder homogene bevoegdheden is het bijzonder moeilijk om doortastende moderniseringen in ons arbeidsmarktbeleid, in onze sociale zekerheid en onze sociale bijstand door te voeren. Hier worden de zaken op scherp gezet : met weinig of geen beleidsautonomie en 90 % van de middelen moeten de gewesten de uitdaging aangaan om minstens even goed en bij voorkeur beter werk te leveren dan vóór de staatshervorming.

Jeugdsanctierecht (artikelen 9, 28 en 42, 8)

In het tweede deel van zijn uiteenzetting komt de heer Vanlouwe terug op het luik jeugdsanctierecht (zie voorstel van bijzondere wet, stuk Senaat, nr. 5-2232/1).

Het vlinderakkoord voorziet immers met betrekking tot het jeugdsanctierecht :

« Communautarisering van volgende materies :

— het bepalen van de aard van de maatregelen ten aanzien van de minderjarigen die een als strafbaar omschreven feit hebben gepleegd;

— de regels inzake de uithandengeving;

— de regels inzake de plaatsing in een gesloten instelling;

— de gesloten instellingen, volgens nader te bepalen uitvoeringsregels. »

Artikel 9 van het voorstel van bijzondere wet voorziet in de overheveling van het jeugdsanctierecht naar de gemeenschappen. De Federale Staat blijft wel bevoegd voor het bepalen van de opdrachten in het kader van de gerechtelijke procedures alsook voor de uitvoering van de gerechtelijke beslissingen, maar moet overleg plegen met de gemeenschappen alvorens de opdrachten uit te breiden (cf. artikel 28, a).

Tot slot bepaalt artikel 42, 7 en 8, van het voorstel van bijzondere wet dat een samenwerkingsakkoord wordt opgesteld tussen de federale overheid en de gemeenschappen en gewesten.

Er is dus geen sprake van een globaal pakket maar van een opsomming. De rode draad doorheen deze overheveling is, net als bij het arbeidsmarktbeleid, de overdracht van beperkte bevoegdheden met een aantal uitzonderingen en het afsluiten van samenwerkingsakkoorden.

In de wet op de jeugdbescherming van 8 april 1965, die tot stand kwam bij een almaar stijgende jeugddelinquentie, wordt de nadruk gelegd op de beschermingsfunctie van het jeugdrecht.

Het jeugdbeschermingsrecht kan worden omschreven als het geheel van juridische regels met het oog op bijstand aan jongeren wier welzijn of ontplooiing onvoldoende wordt gewaarborgd door het gezinsmilieu.

Er wordt in de wet een onderscheid gemaakt tussen jongeren die in een moeilijke gezinssituatie of « problematische opvoedingssituatie » verkeren, genaamd POS-dossiers, en jongeren die een « als misdrijf omschreven feit » hebben gepleegd, genaamd MOF-dossiers.

Het jeugdsanctierecht daarentegen omvat het beleid, de regelgeving en de praktijk van de maatschappelijke reactie op jeugddelinquentie. Tot op heden werd dit evenwel niet uitgewerkt, omdat de wetgever al meer dan 50 jaar vasthoudt aan het idee dat een minderjarige beschermd moet worden en niet gestraft.

Wat betreft de instellingen dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de gemeenschapsinstellingen en de federale jongerencentra.

De jeugdrechter kan een jongere die een als misdrijf omschreven feit (MOF) heeft gepleegd of die zich in een problematische opvoedingssituatie (POS) bevindt, in een gemeenschapsinstelling plaatsen.

De Vlaamse Gemeenschapsinstellingen bestaan uit twee instellingen met elk twee campussen :

— de instelling De Kempen in Mol, met campus De Markt (open instelling voor jongens) en campus De Hutten (gesloten instelling voor jongens);

— de instelling De Zande met de campus Ruiselede (open en gesloten instelling voor jongens) en de campus Beernem (open en gesloten instelling voor meisjes).

In Wallonië bestaan er tot op heden geen gemeenschapsinstellingen.

Een jongere kan vandaag de dag ook geplaatst worden in de gesloten federale centra De Grubbe te Everberg (vanaf 14 jaar) of Tongeren (vanaf 16 jaar) indien het gaat om zeer ernstige feiten en er geen plaats is in de gemeenschapsinstellingen. De maximumtermijn van een dergelijke plaatsing bedraagt twee maanden en vijf dagen. Daarna moet de jeugdrechter een beslissing nemen.

Het centrum van Tongeren was initieel voorzien als een tijdelijke oplossing voor het tekort aan plaatsen in Everberg. Deze instelling zal waarschijnlijk openblijven om het tekort aan plaatsen op te vangen. Door het openblijven van de instelling in Tongeren, wordt een betere geografische spreiding van de jeugdinstellingen bekomen.

In Wallonië is er op heden slechts één federaal jongerencentrum in Saint-Hubert.

Het project voor de bouw van een nieuw federaal gesloten jeugdcentrum in Wallonië, in Achêne, past in het kader van het protocolakkoord van 3 mei 2007 dat gesloten werd tussen de minister van Justitie en de minister van Jeugdbijstand van de Franse Gemeenschap. De Regie der Gebouwen heeft de studie opgesteld voor de bouw van het centrum op een terrein in Achêne dat ze gekocht heeft. De stedenbouwkundige vergunning werd toegekend op 22 juli 2010, maar door de voorziene bevoegdheidsoverdracht werd met de uitvoer van het project niet gestart. Wat is intussen de stand van zaken ?

Brussel beschikt op dit moment niet over een eigen jeugdinstelling. In Haren wordt echter in de bouw van een nieuwe jeugdinstelling voorzien, die volledig geïncorporeerd zou worden in de nieuwe gevangenis aldaar. Wat is de stand van zaken van dit project ?

De federale overheid koos voor de bouw van de nieuwe gevangenis in Haren voor een publiek-private samenwerking door middel van een DBFM-overeenkomst (Design — Build — Finance — Maintain). Dit houdt in dat zowel het ontwerp, de bouw, de financiering en het onderhoud worden uitbesteed aan een privé-partner. Het gaat hier om geïntegreerde ontwerpen, waarbij de overheid en de privé-partner vanaf het begin samenwerken.

De privé-partner staat in voor de bouwkosten (inclusief BTW) en de financiering van het project. Hij stelt het gebouw gedurende 25 jaar ter beschikking van de Federale Staat die hiervoor een beschikbaarheidsvergoeding betaalt. Op het einde van het contract, neemt de Federale Staat de gevangenis over.

Het gebouw is in hoofdzaak een arresthuis en strafhuis voor zowel mannen als vrouwen, maar er werd ook een entiteit gepland voor uit handen gegeven jongeren met dertig plaatsen.

De gemeenschapsinstellingen en gesloten federale centra hebben als wettelijke opdracht :

— om hulp te verlenen aan jongeren in een problematische opvoedingssituatie die door de jeugdrechter worden toevertrouwd aan een open inrichting of een gesloten instelling;

— om opdrachten inzake opvang, oriëntatie, observatie en residentiële begeleiding uit te voeren van personen tot de leeftijd van maximaal 20 jaar, voor minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd.

In 2012 werden in Everberg gemiddeld 78,95 personeelsleden te werk gesteld. In Tongeren gemiddeld 59,25 mensen. Daarnaast is bij de FOD Justitie ook nog personeel werkzaam voor de administratie, ICT, ... van de instellingen.

Voor het personeel van jongerencentra is in de herziene federale begroting 2012 een budget van 10 923 000 euro voorzien. Voor de werkingskosten, duurzame bestedingen, voeding en onderhoud van de jongeren (in de drie jongerencentra) is een budget voorzien van 1 782 248 euro.

Spreker wenst nadere uitleg over volgende punten :

1. De onduidelijkheden op het vlak van de budgettaire implicaties. Hoe zit het met de 87,5 %-regel voor de vermindering van budgetten ? Werkt die ook door op het personeel ?

Wat betreft de justitiehuizen, het strafrechtelijk beleid en het veiligheidsbeleid werd op de laatste vergadering van de interkabinettenwerkgroep van 10 september 2013 het volgende besproken :

« Er is ondertussen een voorstel tot wijziging van de bijzondere financieringswet. De algemene regel van de 87,5 % wordt hierin niet opgenomen, omdat door deze bijzondere wet de financiering van de gemeenschappen en gewesten volledig wordt herzien. Dit betekent dat enerzijds de totaliteit van de middelen wordt overgedragen voor de nieuwe bevoegdheden, ook voor de justitiehuizen (dus overheveling van 100 % van het budget), maar anderzijds dat de gemeenschappen en gewesten wel een budgettaire inspanning zullen moeten leveren voor de sanering van de overheidsfinanciën. Deze inspanning verloopt in drie fasen (een eerste fase in 2015, een tweede fase waarbij 2,5 miljard moet worden bespaard tegen 2016, en een derde fase waarbij tegen 2030 een inspanning wordt gevraagd ten belope van 23 % van het BNP). Door deze inspanning niet te koppelen aan de bevoegdheden die nu worden overgeheveld, is het toegelaten dat de gemeenschappen en gewesten deze inspanning ook realiseren met het budget van hun huidige bevoegdheden. »

2. Toewijzing van het personeel van de FOD Justitie

Thans worden er bij de FOD Justitie personen te werk gesteld die verantwoordelijk zijn voor de administratie, payroll, ICT, enz. van de federale jeugdinstellingen. Over hoeveel personeelsleden gaat het en hoeveel komen er mee over bij de overdracht naar de gemeenschappen ?

3. Veroudering van de infrastuctuur van de instellingen van Everberg en Tongeren

Wat is de stand van zaken van de renovatieprojecten voor deze instellingen en zal de federale overheid hierin nog investeren ?

4. Overdracht van bevoegdheden inzake jeugdsanctierecht in Brussel

Hoe gebeurt de overdracht van bevoegdheden naar de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie (GGC) ? Er is thans voorzien dat in het gevangeniscomplex van Haren een jeugdinstelling zou komen. Financiert de federale overheid, de beschikbaarheidsvergoeding met betrekking tot het onderdeel « jeugdinstelling » van de gevangenis ?

Welke overheid wordt na 25 jaar, bij de overname van het complex door de federale regering, verantwoordelijk voor de entiteit « jeugdinstelling » ? De federale regering of de GGC ?

De heer Vanlouwe vraagt tevens de stand van zaken betreffende de bouw van een federaal gesloten jeugdcentrum in Achêne. De uitvoering van het project ligt, ten gevolge van de staatshervorming en de beslissing om de federale bevoegdheden inzake jeugdbescherming over te dragen naar de gemeenschappen, kennelijk stil. Wordt de realisatie van dit project gefinancierd door de federale overheid of dient de Franse Gemeenschap dit te budgetteren ?

Spreker vraagt ook verduidelijking over de gevolgen van de bijzondere wet voor de gevangenis van Tongeren. In de toelichting wordt gesteld dat de overdracht van de bevoegdheden tot het bepalen van de maatregelen ook de overheveling inhoudt van de infrastructuur waar (een gedeelte van) deze maatregelen worden uitgevoerd. Dit heeft betrekking op de federale centra van Everberg en Tongeren. De gevangenis van Tongeren heeft echter een hybride structuur van zowel federaal centrum als strafinrichting. Er dient dus een geëigende oplossing te worden gevonden voor de opdeling veroorzaakt door een gedeeltelijke overdracht.

De heer Vanlouwe vraagt wat er gaat gebeuren met deze hybride structuur. Blijft Tongeren deels een strafinrichting ? In voorkomend geval, wie staat dan in voor de financiering van de werkingsmiddelen van het strafinrichtingsgedeelte ? Zal de federale overheid deze kosten ten laste nemen ?

Justitiehuizen en eerstelijnsbijstand (artikelen 10 en 11)

Wat het onderdeel « Justitiehuizen en eerstelijnsbijstand » betreft, wijst de heer Vanlouwe op het feit dat het Vlinderakkoord voorziet in de « Communautarisering van de organisatie en de bevoegdheden van de justitiehuizen met betrekking tot strafuitvoering, slachtofferonthaal, eerstelijnshulp en betoelaagde opdrachten ». Een samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat en de deelstaten zal, ieder voor wat zijn bevoegdheden betreft, gesloten worden om het partnership te organiseren.

Artikel 10 van het voorstel van bijzondere wet nr. 5-2232 draagt de eerstelijnsbijstand over aan de gemeenschappen. Artikel 11 van hetzelfde voorstel draagt de volledige bevoegdheid over om eigen regels uit te vaardigen inzake de organisatie en de werking van de justitiehuizen alsmede om hen opdrachten toe te kennen binnen de eigen bevoegdheden. De Federale Staat blijft wel bevoegd voor het bepalen van de opdrachten in het kader van de gerechtelijke procedures alsook voor de uitvoering van de gerechtelijke beslissingen, maar moet overleg plegen met de gemeenschappen alvorens de opdrachten uit te breiden. Dit wordt geregeld in artikel 28 a).

Het wetsvoorstel nr. 2233/1 (artikelen 2 en 3) geeft de gemeenschappen, via de directeur-generaal van de justitiehuizen, inspraak in de selectie en evaluatie van de assessoren in de strafuitvoeringsrechtbank. Hiertoe wordt het Gerechtelijk Wetboek gewijzigd.

Tot slot bepaalt artikel 42, 8, van het voorstel van bijzondere wet dat een samenwerkingsakkoord wordt opgesteld tussen de federale overheid en de gemeenschappen en gewesten.

Spreker vindt dat deze overdracht van bevoegdheden op zich een goede zaak is. Hij betreurt echter dat het volledige strafbeleid niet naar de gemeenschappen wordt overgeheveld.

De justitiehuizen werden in 1997 opgericht in de nasleep van de zaak Dutroux met de bedoeling de veelheid aan begeleidings- en opvolgingsdiensten bij justitie onder één organisatie te brengen. Sinds 2007 vormen de justitiehuizen een eigen directoraat-generaal binnen de FOD Justitie.

Het directoraat-generaal Justitiehuizen bestaat uit centrale diensten, het Nationaal Centrum voor het Elektronisch Toezicht (NCET) en, ten slotte, uit 29 justitiehuizen : één per gerechtelijk arrondissement, behalve in Brussel-Halle-Vilvoorde waar er twee zijn (1 Nederlandstalig en 1 Franstalig), en een in Eupen.

De centrale diensten hebben 69 personeelsleden, de justitiehuizen 1211 en het NCET 66.

Het directoraat-generaal justitiehuizen heeft in de herziene federale begroting 2012 het budget van 76 142 000 euro als volgt opgedeeld : 63 063 000 euro voor de justitiehuizen, 10 104 000 euro voor het NCET en 2 975 000 euro voor de centrale diensten. Daarnaast zijn er ook middelen uit het Veiligheidsfonds (9 500 000 euro) en het Fonds voor de Verkeersveiligheid (5 800 000 euro). Het veiligheidsfonds subsidieert steden en gemeenten voor de organisatie van de begeleiding van alternatieve gerechtelijke straffen. Het Verkeersveiligheidsfonds financiert de uitvoering van alternatieve straffen die meer verkeersveiligheid beogen.

De justitiehuizen hebben verschillende opdrachten :

1. Strafrechtelijke opdrachten : dit is de hoofdbulk van de opdracht van de justitiehuizen. Zij staan onder meer in voor het toezicht en begeleiden van de vrijheid onder voorwaarden (voor wie in voorlopige hechtenis zit), de probatie (opschorting van veroordeling of uitstel van straf onder voorwaarden), de werkstraf, het elektronisch toezicht en de voorwaardelijke invrijheidstelling.

2. Slachtofferonthaal : justitieassistenten informeren slachtoffers over de fases van de gerechtelijke procedures en geven informatie over de mogelijkheden van juridische bijstand, psychosociale hulp, schadeloosstelling of financiële hulp.

Op momenten die voor het slachtoffer emotioneel moeilijk zijn, zoals inzage van het strafdossier of het bijwonen van de zitting van de rechtbank, kan de justitieassistent het slachtoffer bijstaan.

Justitieassistenten geven zelf geen juridisch advies of psychosociale hulp. Zij verwijzen naar de bevoegde instanties.

3. Burgerlijke opdrachten : voor burgerlijke geschillen kan een rechtbank aan de justitieassistent een sociale studie vragen. Deze geschillen zijn meestal het gevolg van een echtscheiding en gaan over ouderlijk gezag, huisvesting van de kinderen of omgangsrecht. De justitieassistent verzamelt informatie over de gezinstoestand in functie van de kinderen.

4. Bemiddeling in strafzaken : op vraag van het openbaar ministerie zal een justitieassistent trachten de communicatie tussen dader en slachtoffer op gang te brengen en een geschil te regelen zonder tussenkomst van een rechter. De basisvoorwaarde is dat de schade — op welke manier dan ook — hersteld wordt.

5. Eerstelijnswerking : hoewel deze taak wettelijk voorzien wordt, kunnen vele justitiehuizen deze taak niet meer uitvoeren wegens een tekort aan personeel. De taak van de justitieassistent bestaat in het onthaal van de burger of informatie over justitie. De justitieassistent geeft zelf geen juridisch advies. Daarnaast is wettelijk bepaald dat justitiehuizen lokalen ter beschikking stellen van de juridische eerstelijnsbijstand (via de commissies voor juridische bijstand), maar in de praktijk gebeurt dat niet en is deze eerstelijnsbijstand meestal gelegen in het gerechtsgebouw.

De heer Vanlouwe stelt de volgende vragen :

1. Wat zijn de budgettaire implicaties van de overdracht van bevoegdheden ? Op dit vlak bestaan nog grote onduidelijkheden :

a) wat met de 87,5 % regel voor de vermindering van budgetten ? Werkt die ook door op de justitiehuizen, het personeel, de budgetten ?

b) Wat zal er gebeuren met het federaal veiligheidsfonds ? De huidige middelen voor de justitiehuizen uit het Veiligheidsfonds bedragen 9 500 000 euro. Hiermee worden onder andere de zogenaamde dispatchers betaald (elke gemeente kan mits akkoord van de FOD Justitie een dispatcher aannemen die verantwoordelijk is voor het aanzoeken en coördineren van werkstrafplaatsen). Komt dit budget ook over ? Op basis van welke criteria ? Hoe zal de verdere verdeling van middelen gebeuren ? Dient een samenwerkingsakkoord dit niet te bepalen ?

c) Wat zal er gebeuren met het federaal Verkeersveiligheidsfonds ? Het fonds zou volgens het Vlinderakkoord naar de gewesten overkomen, met dien verstande dat de middelen die verband houden met bevoegdheden die federaal blijven, op federaal niveau blijven. Wat zijn de gevolgen daarvan voor justitiehuizen ?

2. Wat zijn de gevolgen van het voorliggend voorstel van bijzondere wet voor het Nationaal Centrum voor Elektronisch Toezicht (NCET) ?

Het NCET is verantwoordelijk voor de praktische uitwerking van het plaatsen en controleren van de verschillende systemen van elektronisch toezicht. De beslissing om elektronisch toezicht toe te kennen ligt bij de minister van Justitie (voor straffen beneden drie jaar) die daarmee de overbevolking in de gevangenissen wil oplossen, en bij de strafuitvoeringsrechtbank (voor straffen boven drie jaar).

De toelichting bij het voorstel van bijzondere wet (stuk Senaat, nr. 5-2232/1, blz. 65) stelt : « Het Nationaal Centrum voor elektronisch toezicht wordt eveneens overgeheveld naar de gemeenschappen. » In de memorie van toelichting in het ontwerp van samenwerkingsakkoord wordt vervolgens bepaald dat « het NCET gezamenlijk zal beheerd worden door de gemeenschappen. Inzake dit gezamenlijk beheer zullen zij een akkoord afsluiten. » Kortom, het federale niveau zou niet betrokken worden bij het NCET. Dit werd trouwens door de kabinetschef van de minister van Justitie bevestigd tijdens een interfederale interkabinettenvergadering over de samenwerkingsakkoorden justitie. Het enige dat geregeld zou worden met het federale niveau is de informatiedoorstroming. Hoe moet dit werken in de praktijk ? Wie betaalt de rekening ? Op basis van welke verdeelsleutel ?

De taak van het NCET is essentieel in de strafuitvoering. Een grote verantwoordelijkheid (en kosten) ten aanzien van de straffeloosheid wordt afgewenteld op de deelstaten. Nochtans komen andere aspecten van de strafuitvoering, maar niet het strafrecht, over naar de deelstaten, evenwel zonder beslissingsrecht en zonder budget. De minister van Justitie beslist welke straffen tot drie jaar uitgevoerd worden in de gevangenis dan wel bij elektronisch toezicht. Het huidige beleid probeert zoveel mogelijk mensen onder elektronisch toezicht te plaatsen. Kortom, de factuur voor de strafuitvoering wordt in de toekomst doorgestuurd naar de deelstaten, zonder dat zij evenwel beslissingsrecht krijgen.

Een minimum lijkt dan dat er duidelijke afspraken komen tussen de Federale Staat en de gemeenschappen. De tekst van het voorstel van bijzondere wet (artikelen 9 en 42) is voldoende ruim, aangezien bepaald wordt dat er een samenwerkingsakkoord komt over de justitiehuizen. Maar uit de toelichting blijkt niet dat er over het NCET een samenwerkingsakkoord zou komen. Kan de minister bevestigen dat het samenwerkingsakkoord ook betrekking zal hebben over de vraag welke straffen door de gemeenschappen zullen uitgevoerd worden ?

3. De federale overheid zou nog steeds het territoriaal bevoegde justitiehuis bepalen. De toelichting bij het voorstel van bijzondere wet (stuk Senaat, nr. 5-2232/1, blz. 63) stelt : « De Federale Staat blijft echter bevoegd voor de procedure die van toepassing is voor de rechtbanken alsook voor de uitvoering van de gerechtelijke beslissingen en voor de strafuitvoering, hierin begrepen de bepaling van het justitiehuis dat territoriaal bevoegd is voor de uitvoering van de opdrachten die eronder vallen, op basis van de criteria die de Staat vastlegt in de wet, de reglementaire bepalingen, de richtlijnen of de bestaande praktijken.

Aldus wijst de opdrachtgevende overheid op basis van de bestaande regels en praktijken het justitiehuis aan om de opdracht uit te voeren die ze het toevertrouwt indien in een gerechtelijk arrondissement meerdere justitiehuizen zijn gevestigd. »

De heer Vanlouwe vindt dat er nood aan verduidelijking is. Het is niet onlogisch dat de Federale Staat, die bevoegd blijft voor de uitvoering van de rechterlijke beslissingen, het bevoegde justitiehuis aanwijst, maar moet dat ook niet het voorwerp uitmaken van een samenwerkingsakkoord ?

Spreker haalt het volgende voorbeeld aan : naar analogie van de samenvoeging van de Oost-Vlaamse gerechtelijke arrondissementen zou Vlaanderen kunnen beslissen om de justitiehuizen van Dendermonde, Oudenaarde en Gent op organisatorisch vlak samen te voegen, met behoud van de locaties. Elke locatie zou haar specialisatie krijgen, bijvoorbeeld Dendermonde focust op zedenfeiten en drugs. Is het dan niet logisch in deze hypothese, dat de rechtbank van Gent die dossiers doorstuurt naar de rechtbank van Dendermonde eerder dan te blijven bij de « bestaande regels en praktijken ». Hoe moeten de woorden « op basis van de bestaande regels en praktijken » worden geïnterpreteerd ?

4. Verdeling van de rol federaal/gemeenschappen inzake sensibiliseringsopdrachten

De toelichting bij het voorstel van bijzondere wet (stuk Senaat, nr. 5-2232/1, blz. 64) stelt « Om dezelfde redenen behoudt dit voorstel van bijzondere wet de bevoegdheid van de Federale Staat om de opdrachten te bepalen die de justitiehuizen uitoefenen in het kader van de gerechtelijke procedure of van de uitvoering van de gerechtelijke beslissingen, met inbegrip van hun sensibiliserings- en ondersteuningsopdrachten. » Spreker vraagt wat hier precies onder begrepen wordt.

De heer Vanlouwe haalt nadien de problematiek aan van de eerstelijnsbijstand (artikel 10 van het voorstel van bijzondere wet nr. 5-2232/1). De juridische eerstelijnsbijstand wordt georganiseerd door commissies voor juridische bijstand. In deze commissies zetelen vertegenwoordigers van de balie en van het OCMW en erkende organisaties voor juridische bijstand. De bijstand wordt gegeven door een advocaat en is beperkt tot het geven van praktische inlichtingen, juridische informatie, een eerste juridisch advies of de verwijzing naar een gespecialiseerde instantie of organisatie. De advocaat gaat een dossier normaal dus niet onderzoeken of behandelen (wat tweedelijnsbijstand is, door een pro deo advocaat voor mensen met beperkte financiële middelen). De financiering van de commissies voor juridische bijstand gebeurt bij subsidie door de Staat (artikel 508/4 van het Gerechtelijk Wetboek). De begroting 2013 bedraagt 1 806 000 euro voor eerstelijnsrechtshulp. Naast deze bijstand kunnen ook andere organisaties juridische eerstelijnsbijstand aanbieden. Zo is wettelijk voorzien dat justitiehuizen ook eerstelijnsbijstand aanbieden. Hoewel dat vaak niet meer gebeurt, bieden zij wel vaak een lokaal aan. Ook andere organisaties (bijvoorbeeld de huurdersbond) kunnen bijstand bieden, maar dat is niet wettelijk geregeld.

De heer Vanlouwe vraagt wat zal er gebeuren met het budget voor de bijstand in de zin van het Gerechtelijk Wetboek (bijna 2 000 000 euro) ? Komt dat volledig over of met toepassing van de 87,5 % regel ? Hoe wordt dat verdeeld tussen de gemeenschappen ?

Dient hierover ook niets bepaald te worden in een samenwerkingsakkoord ? Artikel 42 van het voorstel van bijzondere wet spreekt niet over een samenwerkingsakkoord over de eerstelijnsbijstand. Het ontwerp van samenwerkingsakkoord voor de justitiehuizen dat opgesteld is door het kabinet Justitie spreekt evenmin over de eerstelijnsbijstand in de zin van artikel 508/5-6 van het Gerechtelijk Wetboek. Dient dat niet bepaald te worden ? Dat lijkt toch essentieel aangezien vele commissies voor juridische bijstand niet gehuisvest zijn in de justitiehuizen, maar in de gerechtsgebouwen ?

De heer Vanlouwe vraagt zich ook af of Boek IIIbis, Hoofdstuk III, van het Gerechtelijk Wetboek in zijn geheel overgedragen wordt aan de gemeenschappen. Zal het Vlaams Parlement voortaan bevoegd zijn om deze bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek te wijzigen ?

Artikel 42 van het voorstel van bijzondere wet voorziet dat een samenwerkingsakkoord gesloten wordt over deze nieuwe bevoegdheden. Heeft deze bepaling enkel betrekking op de justitiehuizen of bedoeld men ook de eerstelijnsbijstand ?

De heer Vanlouwe stelt vast dat de artikelen 2 en 3 van het wetsvoorstel 5-2233/1) inspraak geven aan de gemeenschappen, via hun directeur-generaal van de justitiehuizen, in de selectie en evaluatie van de assessoren in de strafuitvoeringsrechtbank. Hiertoe wordt het Gerechtelijk Wetboek gewijzigd (artikel 196bis voor de selectie en artikel 196quater voor de evaluatie).

De strafuitvoeringsrechtbank, die momenteel enkel verantwoordelijk is voor gevangenisstraffen van meer dan drie jaar, beslist over de modaliteiten bij de uitvoering van de straf zoals uitgaansvergunning, penitentiair verlof, beperkte detentie, elektronisch toezicht, voorwaardelijke invrijheidstelling. Deze rechtbank bestaat uit drie leden : een beroepsrechter (die voorzitter is) en twee lekenrechters (assessoren), van wie de ene gespecialiseerd is in penitentiaire zaken en de andere in sociale re-integratie. Deze assessoren worden benoemd voor een jaar, waarbij hun benoeming, na evaluatie, met drie jaar en vervolgens telkens met vier jaar wordt verlengd. Hun selectie en evaluatie gebeuren vandaag door de eerste voorzitter van het hof van beroep, de directeur personeel van de FOD Justitie en de directeur-generaal gevangeniswezen of hun vertegenwoordigers. Dit wetsvoorstel voegt daar nu ook de directeur-generaal van de justitiehuizen van de gemeenschappen aan toe.

In het huidige artikel 196bis en 196quater kunnen de eerste voorzitter, de directeur personeel en de directeur-generaal gevangeniswezen ook hun vertegenwoordiger die aangewezen werd door de minister van Justitie, sturen. In het wetsvoorstel wordt dit voor de leidende ambtenaar van de justitiehuizen niet bepaald. Dit lijkt moeilijk werkzaam. De gemeenschapsminister bevoegd voor de justitiehuizen zou ook een vertegenwoordiger moeten kunnen aanwijzen. De tekst zou dus moeten luiden « - de leidende ambtenaar van de Justitiehuizen of van de dienst die er de opdracht van overneemt, of zijn vertegenwoordiger aangewezen door de bevoegde minister. »

Strafrechtelijk beleid en veiligheidsbeleid

Het Vlinderakkoord over de zesde staatshervorming voorziet het volgende inzake strafrechtelijk beleid en veiligheidsbeleid : « De deelstaten zullen, via een door de deelstaatregering afgevaardigde minister, over een positief injunctierecht beschikken voor de materies waarvoor zij bevoegd zijn. De afgevaardigde minister van de deelstaat zal zijn aanvraag aan de federale minister van Justitie bezorgen die deze onmiddellijk zal laten uitvoeren.

In de materies die tot hun bevoegdheden behoren zullen de deelstaten met de Federale Staat een samenwerkingsakkoord sluiten dat betrekking zal hebben op :

— het vervolgingsbeleid van het Openbaar ministerie en het opstellen van richtlijnen inzake het strafrechtelijk beleid;

— het formaliseren van de vertegenwoordiging van de deelstaten in het College van procureurs-generaal;

— de kadernota Integrale veiligheid en het Nationaal veiligheidsplan. »

Daartoe worden een herziening van artikel 151 van de Grondwet en de invoeging van een nieuw artikel 11bis in de bijzondere wet van 8 augustus 1980 voorgesteld. Daarnaast zullen de federale overheid en de gemeenschappen en de gewesten over een samenwerkingsakkoord onderhandelen.

De heer Vanlouwe betreurt dat het volledige strafbeleid niet naar de gemeenschappen wordt overgeheveld. Spreker vindt het wel positief dat de gemeenschappen en gewesten, althans wat hun bevoegdheden betreft, inspraak krijgen in het strafbeleid, kunnen deelnemen aan de vergaderingen van het College van procureurs-generaal en een positief injunctierecht krijgen. Waar deze inspraak in theorie in orde lijkt, zal uit de praktijk moeten blijken hoe hier gevolg aan zal worden gegeven. In welke mate zal effectief rekening gehouden worden met de mening van de gemeenschappen en gewesten ?

Positief injunctierecht (artikel 11bis)

Wat het positief injunctierecht betreft wordt een nieuw artikel 11bis ingevoegd in de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. Het nieuw artikel bepaalt dat de afgevaardigde minister van de deelstaat, na beslissing binnen de deelstaatregering, zijn aanvraag aan de federale minister van Justitie bezorgt, die de vervolging « zonder verwijl » laat uitvoeren door het parket. Hij motiveert deze vraag door de decreet- of ordonnantiebepaling te specifiëren die voorziet in de inbreuk die hij wenst te vervolgen. De federale minister van Justitie oefent slechts een marginale legaliteitscontrole uit door na te gaan of deze voorwaarde is vervuld.

N-VA is blij dat aan de deelstaten eindelijk een positief injunctierecht wordt gegeven. Ze betreurt dat dit via de minister van Justitie moet worden uitgeoefend. Anderzijds is dit onvermijdelijk aangezien de organisatie van de rechterlijke orde, met inbegrip van het College van procureurs-generaal, nog federaal blijft.

De heer Vanlouwe stelt de volgende concrete vragen met betrekking tot het positief injunctierecht.

Hoe vaak heeft de minister van Justitie in de afgelopen jaren gebruik gemaakt van het injunctierecht ? In welke gevallen ?

Wat indien de minister van Justitie weigert de vervolging te bevelen ? Welke procedure moet dan gevolgd worden ?

De heer Vanlouwe vindt dat de voorgestelde procedure een vorm van ondergeschiktheid schept tussen de gewestminister en de federale minister van Justitie. Een dergelijke oplossing is strijdig met de logica die men tot dusver bij staatshervormingen hanteerde. Men heeft steeds de federale overheid en de gewestelijke overheid op gelijke voet behandeld. Men had beter gekozen voor een gewestelijk minister van Justitie met een positief injunctierecht, die niet via het federale niveau moet passeren.

Spreker vraagt zich af wat er zal gebeuren indien de federale minister van Justitie weigert gevolg te geven aan een vraag tot positieve injunctie van een minister van een gewest. Hij geeft het voorbeeld van zware overtredingen van de gewestelijke wetgeving inzake bouwvergunningen, waarvoor de minister van het gewest wenst dat het parket vervolging instelt. Hij motiveert zijn vraag in het licht van de bevoegdheid van de deelstaat en vermeldt hierbij de bepaling van het decreet die handelt over het misdrijf dat hij wil vervolgen. De federale minister van Justitie reageert niet of weigert de vraag aan het parket mee te delen, omdat hij vindt dat dergelijk misdrijf geen deel uitmaakt van de prioriteiten inzake strafbeleid.

Mevrouw Taelman wijst erop dat de federale minister van Justitie slechts een marginale legaliteitscontrole kan uitoefenen. De minister vergewist zich ervan dat de bedoelde feiten een misdrijf zijn overeenkomstig de wetgeving van het gewest. In het voorbeeld van de vorige spreker is dat duidelijk het geval. Nadat hij zijn marginale legaliteitscontrole heeft uitgeoefend, beveelt de minister van Justitie zonder verwijl vervolgingen, door de vraag over te maken aan het openbaar ministerie.

De heer Vanlouwe vraagt wat het begrip « marginale legaliteitscontrole » betekent.

Mevrouw Taelman denkt dat dit begrip uitgebreid gedefinieerd is in de rechtspraak. De federale minister oefent slechts legaliteitscontrole uit. Hij heeft geen bevoegdheid voor controle ten gronde.

De heer Anciaux wijst er tevens op dat de ingestelde procedure geen ondergeschiktheid of hiërarchie schept tussen de federale minister van Justitie en de gewestminister die gebruik wil maken van zijn injunctierecht. Men kan het argument net zo goed omkeren en zeggen dat de minister van Justitie een soort uitvoerder is van de injunctiebeslissing die de gewestminister genomen heeft.

De heer Vanlouwe denkt dat men het positief injunctierecht beter onmiddellijk aan een gewestminister had gegeven voor de aangelegenheden die tot de bevoegdheden van de gewesten behoren, zonder controle door de federale minister van Justitie.

De heer Moureaux wijst erop dat het geven van een injunctie aan het parket een vrij zeldzame procedure is. De indieners van de tekst hebben een bepaalde eenheid willen handhaven. Er is geen enkele ondergeschiktheid van een beleidsniveau ten opzichte van het andere. De minister van het gewest of de gemeenschap richt zijn vraag aan de federale minister van Justitie. Het enige wat die controleert, is of een bepaling in een decreet of een ordonnantie voorziet in een misdrijf voor wat de aangeklaagde feiten betreft. Indien dat zo is, dan is het de plicht van de minister van Justitie de vraag automatisch aan het parket over te zenden.

De heer Deprez preciseert dat de minister van Justitie gevolg moet geven aan de vraag zodra de legaliteit gecontroleerd werd. De minister van Justitie is een soort ambtenaar die de beslissing van de gewestminister uitvoert. Men zou er kunnen uit afleiden dat de voorgestelde regeling de voorrang van het gewestelijk niveau ten opzichte van de federale minister van Justitie instelt.

De heer Anciaux geeft toe dat de voorgestelde oplossing het resultaat is van een politieke keuze. De indieners hebben gekozen voor een oplossing die een vorm van eenheid handhaaft inzake de persoon die de vragen aan het parket overmaakt. Door, zoals de heer Vanlouwe voorstelt, een rechtstreeks injunctierecht aan de gewestministers te geven, had men het aantal actoren die in contact kunnen komen met het parket opgevoerd. Een dergelijke oplossing is geen waarborg voor efficiëntie, noch voor eenvoud.

De heer Vanlouwe vindt dat de voorgestelde procedure, waarbij men via de minister van Justitie passeert, een toestand van ondergeschiktheid schept.

De heer Moureaux is het daar niet mee eens. Hij beklemtoont dat wanneer de Belgische, federale eerste minister wil dat er een positieve injunctie aan het parket wordt gericht, hij zich tot de minister van Justitie moet wenden. Dat betekent evenwel niet dat hij ondergeschikt is aan de minister van Justitie.

De heer Vanlouwe vraagt of de minister van Justitie een injunctierecht behoudt, op eigen initiatief, ten aanzien van gewest- of gemeenschapsbevoegdheden. Of moet de minister van Justitie het initiatief afwachten van de gewestminister ? Dat is niet duidelijk geregeld in het voorstel van bijzondere wet.

Binnen welke termijn moet de minister van Justitie het injunctierecht uitoefenen ? De voorgestelde tekst van het nieuwe artikel11bis van de bijzondere wet tot hervorming der instellingen (art. 37 van het voorstel van bijzondere wet) bepaalt « zonder verwijl ». Moet hier geen duidelijke termijn bepaald worden ? Spreker verwijst naar het Groenboek van de Vlaamse administratie dat een termijn van 15 dagen voorstelt.

Vervolgingsbeleid

De heer Vanlouwe verwijst naar het voorgestelde artikel 11bis, tweede lid, (artikel 37 van het voorstel van bijzondere wet) dat bepaalt dat de regeringen van de gemeenschappen en de gewesten deelnemen aan de uitwerking van de bindende richtlijnen van het strafrechtelijk beleid, inclusief die van het opsporings- en vervolgingsbeleid, alsook aan de Kadernota Integrale Veiligheid en het Nationaal Veiligheidsplan.

Volgens het huidige artikel 151, § 1, van de Grondwet, uitgewerkt in artikel 143quater van het Gerechtelijk Wetboek, legt de minister van Justitie de richtlijnen van het strafrechtelijk beleid vast, na advies van het college van procureurs-generaal. Deze richtlijnen gaan over alle aspecten van het strafrechtelijk apparaat (tenminste, diegene waarover de minister bevoegdheid heeft). In de toekomst zouden de gemeenschaps- en gewestregeringen, voor wat hun bevoegdheden betreft, kunnen deelnemen aan de uitwerking van deze richtlijnen. Het ontwerp van samenwerkingsakkoord voorziet dit via de Interministeriële Conferentie Veiligheids- en Handhavingsbeleid, via deelname aan de vergaderingen van het college van procureurs-generaal en aan de expertisenetwerken van het College.

De Kadernota Integrale Veiligheid geeft een omvattende visie op het veiligheidsbeleid en de prioriteiten door alle betrokken actoren (gaande van preventie, reactie tot nazorg) met het doel versnippering van aanpak van criminaliteit, overlast en verkeersveiligheid tegen te gaan. In de toekomst blijft het initiatief hiertoe bij de federale ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken berusten met mogelijkheid tot advies door gemeenschappen en gewesten via de Interministeriële Conferentie Veiligheids- en Handhavingsbeleid.

De Interministeriële Conferentie Veiligheids- en Handhavingsbeleid werd opgericht in 2008 en heeft tot doel overleg te plegen over het veiligheidsbeleid op alle bestuursniveaus, aangezien diverse samenlevingsaspecten een (on)rechtstreekse impact hebben op het veiligheids- en handhavingsbeleid. De conferentie bestaat uit ministers van de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten en staat onder voorzitterschap van de minister van Justitie.

Om het vervolgingsbeleid te bepalen, wordt ook rekening gehouden met het Nationaal Veiligheidsplan dat het politiebeleid vastlegt. Het dient een globale en geïntegreerde aanpak van de veiligheid te waarborgen en de samenhang te verzekeren van het optreden van de politiediensten. Momenteel wordt dit voorbereid door de federale politie. In de toekomst blijft dit behouden maar opnieuw met mogelijkheid tot advies van de gemeenschappen en gewesten via de Interministeriële Conferentie Veiligheids- en Handhavingsbeleid.

Spreker heeft een aantal vragen met betrekking tot de deelname aan de vergaderingen van het college van procureurs-generaal.

Er wordt voorgesteld dat gemeenschappen en gewesten, voor de aangelegenheden die onder hun bevoegdheid vallen, deelnemen aan de vergaderingen van het college van procureurs-generaal, met inbegrip van de prioritisering van de richtlijnen van het strafrechtelijk beleid. Dit betekent ook deelname in de expertisenetwerken. De procureurs-generaal bij de hoven van beroep vormen samen het college van procureurs-generaal. Dit college, dat minstens eenmaal per maand vergadert, heeft als taak een coherent strafrechtelijk beleid uit te werken en waakt over de goede werking van het openbaar ministerie. Het kan daartoe beslissingen nemen die bindend zijn voor alle leden van het openbaar ministerie. Het college adviseert ook de minister van Justitie.

Er bestaan ook expertisenetwerken van het college van procureurs-generaal. Deze netwerken bestaan uit leden van het openbaar ministerie aangevuld met andere deskundigen. Zij bieden beleidsondersteuning in gespecialiseerde materies, zoals verdovende middelen, economische en financiële misdrijven, corruptie, verkeersveiligheid, mensenhandel, groot-banditisme, terrorisme enzovoort. Zij analyseren juridische en praktische problemen van het terrein en doen aanbevelingen. Verder staan zij in voor informatiedoorstroming binnen het openbaar ministerie.

De heer Vanlouwe vraagt zich af of de voorgestelde wijzigingen geen aanpassingen van het Gerechtelijk Wetboek meebrengen.

Strikt genomen heeft de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen hiërarchisch voorrang op het Gerechtelijk Wetboek. Doordat het voorgestelde artikel 11bis de nieuwe bevoegdheden van het College van procureurs-generaal bepaalt, moet het Gerechtelijk Wetboek dus in principe niet gewijzigd worden. Maar is dat niet wenselijk om verwarring te vermijden ?

Wat zijn de gevolgen van de hervorming voor het voorzitterschap van de vergaderingen van het college van procureurs-generaal (artikel 143bis, §§ 5-7, van het Gerechtelijk Wetboek) ? Volgens de huidige regeling zit de minister van Justitie de vergaderingen van het College voor. Zit de minister van Justitie ook het College voor wanneer het over gemeenschaps- en gewestbevoegdheden gaat ?

Wat zal er gebeuren als er geen consensus is binnen het College van procureurs-generaal (art. 143bis, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek) ? Het College van procureurs generaal staat in voor de coherente uitwerking en coördinatie van de ministeriële richtlijnen. Hiervoor beslissen zij bij consensus (enkel de procureurs-generaal, dus niet de minister van Justitie, en ook niet in de toekomst de deelstaatministers). Indien het College echter geen consensus bereikt en indien de uitvoering van de richtlijnen daardoor in het gedrang komt, mag de minister van Justitie alle noodzakelijke maatregelen nemen om de toepassing ervan te waarborgen (art. 143bis, § 2, laatste lid).

In de parlementaire voorbereiding met betrekking tot artikel 143bis van het Gerechtelijk Wetboek wordt over de noodzakelijke maatregelen het volgende gezegd : « De aard van die maatregelen moet in verhouding staan tot de toestand waarmee de minister wordt geconfronteerd. Zo kan de minister de draagwijdte van zijn richtlijnen preciseren, of het college opnieuw samenroepen of nog, zijn gezag uitoefenen over elke procureur-generaal afzonderlijk. De minister mag vanzelfsprekend niet zelf de strafvordering uitoefenen. Aan het begrip « noodzakelijke maatregelen » behoort derhalve een zo ruim mogelijke interpretatie te worden gegeven; de meest verstrekkende maatregel is de uitvaardiging van een nieuwe richtlijn of een wetswijziging. ».

De minister van Justitie krijgt dus een verregaande bevoegdheid, met uitzondering van de strafvordering. Daarover heeft de minister geen bevoegdheid, wegens de scheiding der machten, behoudens eventueel een positief injunctierecht.

Hoe moet dit begrepen worden in het licht van de zesde staatshervorming ? Artikel 37 van het voorstel van bijzondere wet stelt immers : « Voor de aangelegenheden die onder hun bevoegdheden vallen, nemen de regeringen van de gemeenschappen en de gewesten, elk wat hen betreft, deel aan de uitwerking van de bindende richtlijnen van het strafrechtelijk beleid, inclusief die van het opsporings- en vervolgingsbeleid. »

Kortom, wie neemt in dit geval de noodzakelijke maatregelen wanneer het bij de toepassing van de richtlijnen gaat over richtlijnen met betrekking tot bevoegdheden van de gemeenschappen of de gewesten ? Krijgen de deelstatelijke regeringen deze bevoegdheid ? Moeten ze dit dan samen uitvoeren ? Gaat dit zoals bij het positief injunctierecht of moet een nieuwe interministeriële conferentie bijeengeroepen worden en, zo ja, door wie ?

De heer Deprez merkt op dat de gewest- of gemeenschapsminister geen enkel gezag heeft over de magistratuur of de politie. Bijgevolg kan hij de richtlijnen van het strafrechtelijk beleid niet laten uitvoeren.

De heer Vanlouwe herinnert eraan dat hij het geval bedoelt waarbij er geen consensus bestaat binnen het college van procureurs-generaal. De gewest- en gemeenschapsministers wonen de vergadering bij aangezien die betrekking heeft op materies die onder hun bevoegdheid vallen. Wie is in die situatie gemachtigd om de nodige maatregelen te nemen ? De federale minister van Justitie of de gewestminister ?

De heer Moureaux verduidelijkt dat de vergaderingen van het college van procureurs-generaal meer bepaald bedoeld zijn om het te voeren strafrechtelijk beleid te bespreken. Momenteel zijn het nu eens de procureurs-generaal alleen, dan weer de procureurs-generaal en de minister van Justitie die de vergaderingen van het college bijwonen. Het voorstel van bijzondere wet bepaalt om, voor bepaalde materies, de gewest- of gemeenschapsministers hieraan toe te voegen. Het zijn echter de procureurs-generaal die onderling beslissen over het te voeren strafrechtelijk beleid in België. De minister van Justitie woont de vergaderingen bij om de zaken te coördineren maar legt niks op aan de procureurs-generaal. In de toekomst, wanneer een gewestminister de vergaderingen van het college zal bijwonen, zal hij zijn standpunt toelichten en zal hij bijvoorbeeld de procureurs-generaal kunnen vragen om een omzendbrief op te stellen die repressiever is inzake milieu. Indien de procureurs-generaal dit voorstel volgen, zal één van hen worden belast met het opstellen van een ontwerp van omzendbrief. Zodra de omzendbrief wordt goedgekeurd door het college, zal hij naar alle parketten worden gestuurd.

De heer Vanlouwe blijft ervan overtuigd dat de combinatie van het voorgestelde artikel 11bis van de bijzondere wet en artikel 143bis van het Gerechtelijk Wetboek moeilijkheden zal veroorzaken bij de uitvoering van die bepalingen.

De heer Moureaux meent dat er moet worden nagedacht om vast te stellen aan welke parketten de omzendbrieven en instructies moeten worden verstuurd. Momenteel worden de door alle procureurs-generaal goedgekeurde richtlijnen, naar alle parketten van het land gestuurd. Indien er geen consensus is binnen het college, dan mag een procureur-generaal desondanks instructies geven in zijn rechtsgebied. Wat gewestmateries betreft, kan men aannemen dat alleen de procureurs-generaal die voor het betrokken gewest bevoegd zijn, zullen overeenkomen over een omzendbrief. Het heeft immers geen zin om een omzendbrief over milieu, gebaseerd op Vlaamse decreten, naar de parketten in Wallonië te sturen. Spreker meent dat men zijn gezond verstand moet gebruiken bij de uitvoering van de nieuwe procedure. Het voorgestelde artikel 11bis geeft aan gewesten en gemeenschappen de mogelijkheid om op te treden voor gerechtelijke materies.

De heer Vanlouwe wijst erop dat het college van procureurs-generaal momenteel bij consensus beslist. Binnen één en hetzelfde handhavingsdomein zullen de deelstaten wellicht verschillende regels en beleidsopties ontwikkelen, waardoor het college verschillende beslissingen zal moeten nemen. Hoe beslist het college als het enkel over Vlaamse materies gaat ? Moeten dan niet enkel de procureurs-generaal van Gent, Antwerpen en eventueel Brussel beslissen ?

Artikel 42 van het voorstel van bijzondere wet bepaalt tot slot dat een samenwerkingsakkoord wordt gesloten over de nieuwe bevoegdheden opgenomen in het voorgestelde artikel 11bis van de bijzondere wet, met name het strafrechtelijk beleid en veiligheidsbeleid. Wanneer zal dat gebeuren ?

Voorstel tot herziening van artikel 180 van de Grondwet (stuk Senaat, nr. 5-2244/1)

Rekenhof

Mevrouw Stevens legt uit dat artikel 180 van de Grondwet geactualiseerd wordt door te bepalen dat de bijzondere wetgever het Rekenhof ook bevoegd kan maken voor de controle van de begroting en de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, de gemeenschappen en de gewesten kan toestaan om zelf die controle te regelen en bevoegd kan maken om taken die door het Rekenhof op datum van de inwerkingtreding van het herziene artikel 180 nog niet werden uitgevoerd, toe te kennen aan het Rekenhof tegen betaling.

De bijzondere wetgever kan de gemeenschappen en de gewesten toestaan om zelf de controle van hun begrotingen te organiseren, met andere woorden om hun eigen instelling — een soort van Vlaams Rekenhof — op te richten met het oog op de controle van hun begroting. De herziening heeft geen invloed op de bevoegdheid van de gemeenschappen en de gewesten om voor aangelegenheden waarvoor ze bevoegd zijn, indien ze dat wensen, hun eigen instelling op te richten om bepaalde controletaken uit te oefenen. Die bevoegdheid brengt echter niet de bevoegdheid met zich om de bevoegdheden die de bijzondere wet aan het Rekenhof toekent, te wijzigen of op te heffen, zelfs indien het aangelegenheden betreft waarvoor de gemeenschappen en de gewesten bevoegd zijn.

Dit voorstel bevestigt enkel de impliciete bevoegdheden die de deelstaten al hadden. De bevoegdheid van een eigen Vlaams Rekenhof zou hoe dan ook heel beperkt zijn. Men kan zich dan ook afvragen of het sop de kool wel waard is.

Naast het argument van de evidente autonomie zijn er nog de organisatorische redenen en het argument van de efficiëntie waarop spreekster hamert. De Vlaamse regering heeft in mei 2013 in het auditdecreet een nieuwe decretale basis gelegd voor haar interne auditing. Er komen twee auditcomités, respectievelijk bevoegd voor het opvolgen van de Vlaamse overheid zelf en de lokale besturen. De auditing van overheidsinstellingen vertrekt steeds meer van het principe van de single auditing, wat wil zeggen dat men maximaal tracht dubbel werk te vermijden onder andere door samenwerking met bedrijfsrevisoren en andere instanties. Op die manier tracht men tegemoet te komen aan de dwingende eis om met beperkte middelen toch effectief te blijven controleren in een steeds complexere omgeving. Dat is ook zeer duidelijk een internationale tendens. De Vlaamse auditingsinstanties zijn nu verplicht samenwerkingsakkoorden met het Rekenhof af te sluiten om te proberen samen efficiëntie te bekomen. Het ligt voor de hand dat de samenwerking met een echt Vlaams Rekenhof, inclusief de daarbij behorende bevoegdheden, kan leiden tot verdere efficiëntiewinsten door sterkere toepassing van het single auditing-principe. Hoewel het voornamelijk gaat over de uitbreiding van auditing naar lokale besturen vindt men in de memorie (1.4 organisatorische inbedding) efficiëntieargumenten voor het niet herhalen van audittaken door verschillende instanties. Die argumenten zijn mutatis mutandis ook hier toepasbaar en globaal gezien evolueert de controle op overheden naar de regelmatige evaluatie van de interne beheerscontrole. Dat maakt een identiek evaluatiekader voor de evaluatie van die beheerscontrole belangrijk, zodat departementen eenduidig weten hoe ze hun cijfers moeten verantwoorden.

Het enige concrete dat het voorstel bevat, is de invoering van een vergoedingsplicht in hoofde van de deelstaten ten aanzien van het Rekenhof voor bijkomende taken die in de toekomst aan het Rekenhof zouden worden toegekend. Spreekster vindt het logischer dat de deelstaat die bevoegd is, ook verantwoordelijk is voor de controle van de wijze waarop die bevoegdheid wordt uitgeoefend.

De bijzondere financieringswet zou dan ook best samen met het voorliggende voorstel in die zin worden aangepast dat de deelstaten het recht hebben om hun eigen begroting te controleren. Enkel indien die bevoegdheid wordt toegekend, heeft de oprichting van een Vlaams Rekenhof zin. Bovendien hebben in alle federale Staten de deelstaten hun eigen Rekenhof dat door de deelstaatparlementen wordt aangestuurd. De federale Belgische Staat blijft in dezen een bemoeizieke schoonmoeder die kost wat kost de rekeningen van de deelstaten wil blijven controleren, maar die beter eerst zelf orde op zaken zou stellen. Het is dan ook niet logisch dat enerzijds de grondwetgever niet bereid is om de deelstaten het recht te verlenen om zelf hun begroting te controleren en met het oog daarop een eigen Rekenhof te creëren, en dat anderzijds de deelstaten voor de toekenning van bijkomende taken aan het Rekenhof een vergoeding verschuldigd zijn die bepaald wordt op eensluidend advies van het Rekenhof.

Dierenwelzijn (artikel 24 van het voorstel van bijzondere wet nr. 5-2232/1)

Mevrouw Vermeulen wenst de bevoegdheid inzake dierenwelzijn aan te kaarten. Die bevoegdheid wordt overgeheveld naar de gewesten terwijl de federale overheid bevoegd blijft voor de normering en de daarop toepasbare controle inzake dierengezondheid en de kwaliteit van dierlijke producten met het oog op het verzekeren van de veiligheid van de voedselketen.

Spreekster wenst te wijzen op de nauwe relatie tussen dierenwelzijn en dierengezondheid. Er ontstaat een nieuwe breuklijn tussen de bevoegdheden dierenwelzijn en dierengezondheid. Het is bijgevolg raadzaam om overleg te plegen om beleidsmaatregelen van de federale overheid met betrekking tot dierengezondheid vooraf af te toetsen teneinde bevoegdheidsschendingen te vermijden. In de voorgestelde tekst wordt namelijk het verplichte akkoord van de gewestregeringen geschrapt, hetgeen een stap achteruit kan betekenen voor het gewestelijk landbouwbeleid. Zo zou de federale overheid bijvoorbeeld eenzijdig kunnen beslissen om chemische castraties bij varkens te verbieden waardoor Vlaanderen vanuit dierenwelzijnsoogpunt haar huidige wetgeving niet kan toepassen in de richting van een meer diervriendelijke behandeling naar analogie van Zwitserland en Nederland. De federale overheid zou ook eenzijdig een nultolerantie kunnen inbouwen voor antibioticagebruik. Voor de volksgezondheid is dat misschien volkomen te begrijpen, maar het zou een economische opdoffer kunnen betekenen voor de landbouwsector en zou vanuit dierenwelzijnsoptiek zelfs onethisch zijn. Spreekster pleit ervoor dat zolang deelbevoegdheden die verband houden met dierenwelzijn nog federaal blijven, overleg met de gewesten blijft bestaan. Er zal dan ook een amendement worden ingediend om het gewestelijk akkoord te behouden.

De afgelopen jaren heeft het Instituut voor landbouw- en visserijonderzoek een vooraanstaande rol gespeeld in het onderzoek naar dierenwelzijn. Dit instituut heeft via projectaanvragen een aanzienlijk deel van de middelen van de FOD Dierenwelzijn nuttig aangewend. De federale middelen voor dit onderzoek dienen eveneens te worden vervat in de politieke bespreking omtrent de uitvoering van de zesde staatshervorming. Om het dierenwelzijnsonderzoek in de toekomst met eenzelfde intensiteit te kunnen blijven waarborgen, zal een vergelijkbare financiële ondersteuning vanuit het Vlaams Gewest noodzakelijk zijn, mochten deze middelen niet overkomen. Spreekster pleit ervoor dat de middelen eveneens zouden worden overgeheveld.

Het institutioneel akkoord biedt geen informatie over het aantal mensen, middelen en goederen welke mee overgedragen zullen worden bij de overdracht van de aangelegenheid dierenwelzijn. Spreekster was verrast dat Selor nog vacatures uitschrijft voor tien Nederlandstalige controleurs dierenwelzijn.

Mobiliteit (artikelen 18, c), 23, 25, 26, 27, b), 28, b), 29, b), 30 en 42, 1º en 6º, van het voorstel van bijzondere wet nr. 5-2232/1)

De heer De Groote wenst de overdracht van de bevoegdheden inzake mobiliteit te bespreken die aan bod komen in het voorstel van bijzondere wet met betrekking tot de Zesde Staatshervorming (zie stuk Senaat, nr. 5-2232/1). Het gaat daarbij om :

— de homologatie van radars en andere instrumenten die gelinkt zijn aan de gewestbevoegdheden (art. 18, c), en art. 25, 5º);

— de regels van politie over het verkeer op waterwegen (art. 23, 10º) met uitzondering van het vervoer van dierlijke stoffen die een gevaar vormen voor de bevolking, het vervoer van radioactieve stoffen en het vervoer van ontplofbare stoffen (art. 23, 10º). Een overleg is voorzien tussen de betrokken regeringen en de betrokken federale overheid inzake het vaststellen van de regels van politie over het verkeer op waterwegen. (art. 28, b));

— de bemanningsvoorschriften inzake binnenvaart en regels inzake de veiligheid van binnenschepen en binnenschepen die ook voor niet-internationale reizen op zee worden gebruikt (art. 23, 11º);

— de minimale technische veiligheidsnormen inzake het bouwen en onderhouden van (water)wegen en hun aanhorigheden (art. 23, 12º). Een overleg tussen de betrokken regeringen (gewesten) is verplicht (art. 26, 4º) en er blijft een uitzondering bestaan voor dijken en havens. Hiervoor is overleg nodig met de federale overheid. De Raad van State stelde zich hier eveneens vragen bij;

— de reglementering inzake het vervoer van gevaarlijke goederen en uitzonderlijk vervoer over de weg (art. 23, 13º). Overleg tussen de betrokken regeringen (gewesten) is verplicht (art. 26, 5º). Het vervoer van dierlijke stoffen die een gevaar vormen voor de bevolking, het vervoer van radioactieve stoffen en het vervoer van ontplofbare stoffen vormen een uitzondering;

— de bijkomende financiering voor investeringen in de aanleg, aanpassing of modernisering van de spoorlijnen, indien deze verder gaan dan de investeringen die voorzien zijn in het meerjareninvesteringsplan (art. 23, 14º). De voorwaarde van een samenwerkingsakkoord (art. 42, 6º) wordt gesteld;

— het bepalen van de snelheidsbeperkingen op de openbare wegen (art. 25, 1º) met uitzondering van de snelwegen;

— de reglementering inzake het plaatsen en de technische eisen, evenals de controle op de verkeerstekens (art. 25, 2º), waar opnieuw in een uitzondering wordt voorzien met betrekking tot douanestroken, overwegen en kruisingen met spoorwegen en militaire wegen. Een bijkomende uitzondering legt vast dat de bepaling van de verkeerstekens een federale bevoegdheid blijft (toelichting, blz. 135);

— de regelgeving inzake maximaal toegelaten massa en massa's over de assen van de voertuigen die gebruik maken van de openbare wegen, de ladingzekering en de afmetingen en signalisatie van de lading (art. 25, 3º);

— het toezicht op de naleving van de technische federale voorschriften voor voertuigen en de technische keuring van voertuigen die op de weg rijden in toepassing van de federale normen, met dien verstande dat de natuurlijke personen en rechtspersonen gevestigd in een gewest vrij zijn om hun voertuig te laten controleren in een centrum voor technische keuring dat in een ander gewest is gelegen (art. 25, 4º). Iedere burger kan zijn wagen dus laten keuren in een gewest naar keuze. De gewesten erkennen automatisch de geldigheid van de technische keuring die op het grondgebied van een van de gewesten is uitgevoerd (toelichting, blz. 144);

— de reglementering inzake de scholing en examens betreffende de kennis en de vaardigheid die nodig zijn voor het besturen van voertuigen van elke categorie, met inbegrip van de organisatie en erkenningsvoorwaarden van rijscholen en examencentra en met inbegrip van het toezicht op de rijgeschiktheid van de bestuurders of de kandidaat-bestuurders die lijden aan een vermindering van hun functionele vaardigheden (art. 25, 6º). De federale bevoegdheid inzake het bepalen van de kennis en de vaardigheden die nodig zijn voor het besturen van voertuigen vormt een uitzondering, met dien verstande dat de inwoners van een gewest vrij zijn om een rijschool te kiezen die, of examen af te leggen in een centrum dat in een ander gewest is gelegen. Een rijschool die erkend is in een gewest mag eveneens werkzaam zijn in de andere gewesten (toelichting, blz. 146);

— de bevordering, de sensibilisering en de informatie inzake verkeersveiligheid (art. 25, 7º) met de uitzondering dat wanneer de gewesten samenwerkingsakkoorden sluiten voor nationale sensibiliseringsacties inzake verkeersveiligheid, de federale overheid hierbij dient te worden betrokken (art. 30).

Spreker wenst ook de mobiliteitsaspecten aan te halen die aan bod komen in het wetsvoorstel met betrekking tot de Zesde Staatshervorming inzake de aangelegenheden bedoeld in artikel 78 van de Grondwet (zie stuk Senaat, nr. 5-2234/1).

Artikel 8 voegt een lid toe aan artikel 15 van de wet op het Politieambt waardoor de leden van de politiediensten ook bevoegd zijn voor het vaststellen van de strafrechtelijke en administratieve inbreuken in geval van niet-naleving van de politieregels voor het wegverkeer die worden geregionaliseerd.

De artikelen 9 en 10 betreffen het verkeersveiligheidsfonds, vroeger bekend als het verkeersboetefonds. Het Verkeersveiligheidsfonds is een oud zeer voor de Vlamingen, want het is een manifest voorbeeld van financiële onrechtvaardigheid. De kwestie is communautair beladen, hoewel minder bekend dan andere, grotere dossiers. De middelen in het fonds zijn afkomstig van verkeersboetes, minnelijke schikkingen en onmiddellijke inningen. Het fonds is voornamelijk bedoeld om acties op het vlak van preventie, bewustmakingscampagnes, opleidingen en controle te ondersteunen. Het loopt echter mis bij de financiën. Recente cijfers zijn onvolledig, want die worden zelden integraal vrijgegeven door de federale ministeries. Niemand betwist echter dat Vlaanderen veel minder ontvangt dan het inbrengt, waardoor het fonds een klassiek transfermechanisme is waarlangs Vlaams geld naar Wallonië versluisd wordt.

Het voorliggend wetsvoorstel (zie stuk Senaat, nr. 5-2234/1) bepaalt dat het Verkeersveiligheidsfonds deels wordt geregionaliseerd (art. 9). De middelen worden immers maar geregionaliseerd voor zover het te regionaliseren verkeersovertredingen betreft. De boetes die geïnd worden naar aanleiding van overtredingen die federale bevoegdheid blijven, blijven in een federaal verkeersveiligheidsfonds. Een andere wet bepaalt dat de volgende overtredingen zullen worden geregionaliseerd zodat de boetes daarop naar de gewesten zullen gaan : inbreuken inzake snelheidsbeperkingen op de openbare weg, uitgezonderd de autosnelwegen, het niet naleven van de verkeersborden, de beveiliging van de lading en de hoogst toegelaten massa en massa's over de assen van de voertuigen op de openbare weg, het gevaarlijk en uitzonderlijk vervoer en de technische controle.

Vlaanderen heeft hier de bevoegdheid gekregen om de federale regels netjes uit te voeren. Waar de deelstaten iets meer ruimte krijgen, komt de federale overheid zich als een schoonmoeder bemoeien via verplicht overleg (bijvoorbeeld inzake sensibilisering). De versnippering van bevoegdheden is totaal, dit blijkt ook uit het aantal uitzonderingen. Men duikt zelfs onder de afspraken die gemaakt zijn in de nota-Di Rupo. Hiermee kunnen de deelstaten geen volwaardig beleid voeren.

Spreker vindt dat er enorm veel uitzonderingen zijn en dat klaarheid ontbreekt. Zo blijven bijvoorbeeld de bevoegdheden in het kader van het verkeersreglement federaal en mogen de gewesten de technische eisen van de verkeersborden regelen, maar niet de verkeersborden aan overwegen, douanestroken en militaire wegen.

De overdracht van bevoegdheden inzake veiligheidsnormen voor het bouwen en onderhouden van waterwegen en hun aanhorigheden kan eveneens als voorbeeld worden aangehaald. Voor het bouwen en onderhouden van de havens en dijken is er overleg nodig tussen de deelstaat en de federale overheid. Ook de Raad van State maakt deze opmerking (zie stuk Senaat, nr. 5-2232/3, blz. 39). Het komt erop neer dat Vlaanderen zonder problemen waterwegen zonder dijk mag bouwen en onderhouden, maar wanneer een dijk nodig is, is er ook overleg nodig. Spreker vraagt zich af of dit een fout is, zoals ook de Raad van State lijkt te suggereren.

Een aantal bevoegdheden houdt in dat men de federale regels moet controleren (cf. technische keuring, plaatsen verkeersborden) of het « slecht » beleid van de federale overheid moet compenseren. Waarom zou men anders een aanvullende financiering van de sporen wensen ?

Betreffende de technische keuringen stelt spreker zich een aantal vragen. Wordt er bedoeld dat de gewesten geen enkele bevoegdheid verwerven inzake bijvoorbeeld de periodiciteit van de keuring en het bijkomend aan de periodieke keuring of bepaalde aspecten ervan onderhevig stellen van bepaalde categorieën ?

Spreker wenst duidelijkheid over de vraag wie van beide partijen in voorkomend geval bij de uitvoering bevoegd zal zijn voor de interpretatie van deze bepalingen. Zal daartoe in overleg en/of samenwerking moeten worden voorzien ?

De heer De Groote merkt verder op dat de gewesten ook overleg dienen te plegen over de reglementering inzake vervoer van gevaarlijke goederen en uitzonderlijk vervoer over de weg, terwijl de federale overheid het gevaarlijkste vervoer zonder enige vorm van overleg mag reglementeren. Dat is niet correct.

Inzake snelheidsbeperkingen wordt het voorstel helemaal onbegrijpelijk : de gewesten mogen de snelheden reguleren voor alle wegen, behalve voor de snelwegen (artikel 11 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende het verkeersreglement), in woonerven (artikel 22bis, 3º), op verhoogde inrichtingen (artikel 22ter, 1º), de zone 30 (artikel 22quater), in voetgangerszones (artikel 22sexies2, tweede lid), in speelstraten (artikel 22septies2, eerste lid) en in fietsstraten (artikel 22nonies). Wat niet wordt overgeheveld, zijn de rijgedragsregels (artikel 10 van het verkeersreglement dat bepaalt dat elke bestuurder zijn snelheid moet regelen zoals vereist wegens de aanwezigheid van andere weggebruikers, in het bijzonder de meest kwetsbaren, de weersomstandigheden, de plaatsgesteldheid, haar belemmering, de verkeersdichtheid, het zicht, de staat van de weg, de staat en de lading van het voertuig).

De heer De Groote vraagt zich af of de voorliggende tekst überhaupt de uitvoering van de nota-Di Rupo is, want in die nota werd de overheveling van het verkeersreglement voorzien, inclusief de handhaving via administratieve en strafrechtelijke boetes. De voorliggende tekst herleidt deze overheveling tot het mogen voorstellen van wijzigingen (waarmee het andere gewest eerst akkoord moet gaan vooraleer de federale regering het kan opnemen in een verkeersreglement), de snelheidsbeperkingen (uitgezonderd als het echt snel gaat, met andere woorden op de snelweg), het mogen plaatsen van verkeersborden, bepalingen inzake lading en massa, het gevaarlijk en uitzonderlijk vervoer (tenzij het echt gevaarlijk wordt) en de technische controle (van federale voorschriften uiteraard).

Spreker peilt verder nog naar de reikwijdte van de snelheidsbeperkingen, de regelgeving omtrent gevaarlijk vervoer en de controle op de technische normering van de voertuigen. Wat in geval van « shopping » wanneer iemand een rijopleiding volgt in het ene gewest en examens aflegt in een centrum van een ander gewest, of wanneer iemand zijn wagen laten keuren in een ander gewest ?

Het behoud van een federaal verkeersveiligheidsfonds, naast het nieuwe regionale veiligheidsfonds, is een frappant voorbeeld van een overlappende bevoegdheid en komt de efficiëntie zeker niet ten goede. De facto is er eerder sprake van een verdubbeling van het verkeersveiligheidsfonds dan van een regionalisering.

Aangezien verkeersovertredingen op autosnelwegen een federale bevoegdheid blijven, zullen de financiële gevolgen van het groter aantal flitspalen in Vlaanderen dan in Wallonië ook verschillend blijven. Tot zo lang Wallonië op dat vlak geen actiever beleid voert, zal het meer geld blijven ontvangen uit het fonds. De perverse effecten van dat fonds blijven dus bestaan, zodat het fonds hoogstwaarschijnlijk een transfertinstrument is.

Het nieuw systeem van trajectcontrole op de autosnelwegen in Vlaanderen heeft zijn effect bewezen en levert ook veel boetes op, maar aangezien het voorlopig enkel op autosnelwegen wordt gebruikt, gaat de opbrengst ervan naar de federale overheid. Aan de verzuchting van de man in de straat dat het geld van zijn boetes minstens zou moeten dienen om betere wegen aan te leggen, zal dan geen gevolg kunnen worden gegeven want dat geld verdwijnt in de federale pot.

Aangezien de federale regering stelselmatig weigert cijfers vrij te geven over de herkomst van de gelden in het verkeersveiligheidsfonds (zelfs niet als antwoord op schriftelijke parlementaire vragen), kunnen we de financiële gevolgen van artikel 10 betreffende de verzekering van de financiering van de lokale politiezones, voor de communautaire geldstromen niet inschatten.

De bepaling bevat nog meer onduidelijkheden, want op geen enkele manier blijkt uit de teksten over de hervorming van het verkeersveiligheidsfonds dat de overgehevelde middelen deels aangewend blijven voor de omkadering van alternatieve gerechtelijke straffen en maatregelen. Dergelijke blinde vlekken maken deze staatshervorming weinig geloofwaardig.

De heer De Groote heeft nog enkele bijkomende vragen. Blijft het Belgisch Instituut voor Verkeersveiligheid (BIVV) bestaan ? Zo ja, in welke vorm ? Kunnen de deelstaten zelf een gelijkaardig orgaan oprichten dat de taken van het BIVV overneemt of niet ?

Energie en leefmilieu (artikelen 14, 19, 20, 29, 38 en 42 van het voorstel van bijzondere wet nr. 5-2232/1)

— Artikel 14 : Rampenfonds

Mevrouw Vermeulen stipt aan dat artikel 14 bepaalt dat de gewesten bevoegd worden voor het erkennen en vergoeden van schade aan slachtoffers voortkomend uit algemene rampen en landbouwrampen. De twee betrokken nationale Fondsen worden daartoe ontbonden en vereffend. Het Nationaal Fonds voor natuurrampen komt slechts bij uitzondering tussen bij schade veroorzaakt door natuurrampen aangezien de verzekering tegen natuurrampen sinds 2007 verplicht is opgenomen in de brandverzekering. In de toekomst kan zodoende de toekenning van een tussenkomst voor schade veroorzaakt door natuurrampen, afhankelijk worden gemaakt van het al dan niet verzekerd zijn voor natuurrampen.

Spreekster betreurt dat de instanties die nauw betrokken zijn bij dergelijke rampen (de brandweer, civiele bescherming, het leger) op een ander beleidsniveau georganiseerd blijven. Dat zal de coördinatie en de afwikkeling zeker niet bevorderen. Het gaat immers om mensen die op het terrein de eerste inschattingen maken en zij zijn dan ook goed geplaatst om de schade op te meten en te interveniëren.

Bij de opheffing en herverdeling van de twee Nationale Fondsen is de verdeelsleutel van cruciaal belang. Wat zal er gebeuren met de financiële middelen van deze fondsen (die nu ingeschreven zijn in de begroting van de FOD Financiën) ?

Kan er meer uitleg worden gegeven bij de opmerking van de Raad van State (stuk Senaat, nr. 5-2232 /3, blz. 27) dat uit de tekst niet uitdrukkelijk blijkt dat de gewesten voortaan bevoegd zullen zijn voor de erkenning van een natuurlijk fenomeen als algemene ramp ?

Wat de doorvoer van afvalstoffen betreft, stipt mevrouw Vermeulen aan dat de gewesten reeds bevoegd zijn voor het afvalstoffenbeleid, inclusief de bevoegdheid inzake de in- en uitvoer van afvalstoffen. De federale overheid bleef alsnog bevoegd voor de doorvoer van afvalstoffen, inclusief de handhaving van de regelgeving daarover. De voorliggende tekst voorziet in de overheveling van de bevoegdheid voor de doorvoer van afvalstoffen naar de gewesten. De tekst betreft evenwel niet het radioactief afval, een « gevoelig » beleidsaspect dat typisch tot de bevoegdheid van de federale overheid blijft behoren.

Mevrouw Vermeulen is van oordeel dat de nadere regels betreffende de overheveling van deze bevoegdheid symptomatisch zijn voor de hele staatshervorming, namelijk een gedeeltelijke overheveling van bepaalde beleidsaspecten, wat de heterogeniteit van het gevoerde beleid uiteindelijk dreigt te vergroten. Conform de BWHI blijft de federale overheid immers zowel bevoegd voor het vaststellen van de productnormen als voor de bescherming tegen ioniserende stralingen, met inbegrip van het radioactief afval. Ook de handhaving met betrekking tot de doorvoer van afvalstoffen is de facto sterk onderhevig aan de federale bestuurlijke controle, gelet op de competenties van de federale politie en douane op dat vlak, en de federale bevoegdheid inzake verkeersreglementering.

Vlaanderen wordt bovendien niet bevoegd voor de doorvoer van radioactief afval, wat deels te verklaren valt door het feit dat de bevoegdheid inzake kernenergie federaal blijft, terwijl de gewesten wel de bevoegdheid hebben verworven inzake hernieuwbare energie. De bestaande opsplitsing van bevoegdheden over verschillende bestuursniveaus naargelang van de energiebron komt natuurlijk een coherent en evenwichtig energiebeleid niet ten goede.

— Artikelen 19 en 20 : Distributienetten

De gewesten zijn reeds bevoegd voor de distributie en het plaatselijke vervoer van elektriciteit door middel van netten waarvan de nominale spanning lager of gelijk is aan 70 000 volt, én voor de gasdistributie. Het voorliggende voorstel voorziet in de overheveling van de bevoegdheid inzake de tarieven van gas- en elektriciteitsdistributie naar de gewesten. Principieel wordt dus voorzien in de overheveling van de distributienettarieven voor elektriciteit en gas naar de gewesten, maar tegelijkertijd wordt een achterpoortje opengehouden waarlangs de federale overheid — opnieuw — kan tussenkomen. Bovendien blijft de infrastructurele scheidingslijn tussen distributienet en transmissienet tevens een institutionele scheidingslijn, een vaststelling waarbij toch ernstige vraagtekens kunnen worden geplaatst.

Concreet wordt bijvoorbeeld via onderstations de hoogspanning van pakweg 380 000 volt getransformeerd naar middenspanning van 10 000 of 30 000 volt. Vanaf hier verdelen de distributienetbeheerders Eandis en Infrax de energie naar de elektriciteitscabines.

Netbeheerder Eandis waarschuwt nu al voor een « bruuske stijging » van de distributienettarieven in 2015. Dat komt omdat de huidige tarieven door de federale overheid geblokkeerd zijn tot eind 2014, terwijl de onderliggende kosten blijven stijgen. Het jaarverslag 2012 van Eandis stelt duidelijk dat : « De huidige blokkering van de tarieven betekent dat de kostenstijging wordt vooruitgeschoven in de tijd en pas bij de deblokkering in 2015 kan worden doorgerekend. Dat zal op dat ogenblik onvermijdelijk leiden tot een bruuske stijging van de tarieven. ». Volgens Eandis stijgen vooral de kosten waarover het bedrijf zelf geen controle heeft, maar die het wel moet doorrekenen in zijn tarieven.

Door de distributienettarieven nu federaal te bevriezen tot na de regionalisering, ontstaat de indruk dat de federale overheid de hele problematiek van de onderliggende prijsstijgingen op vlak van energie zal doorschuiven naar de deelstaten. Gemiddeld maken de distributienettarieven alleen al 41 % van de energiefactuur uit.

— Artikel 38 : Substitutierecht

Artikel 38 voorziet in een uitbreiding van het bestaande substitutierecht (dit wil zeggen de mogelijkheid voor de Federale Staat om in de plaats te treden van de gewesten) in het kader van de internationale klimaatverplichtingen. Is dit werkelijk noodzakelijk en/of wenselijk, zowel wetstechnisch als op het vlak van een ordelijke bevoegdheidsverdeling ?

Artikel 16, § 3, BWHI bevat reeds de algemene bepaling dat « na veroordeling door een internationaal of een supranationaal rechtscollege ten gevolge van het niet-nakomen van een internationale of supranationale verplichting door een gemeenschap of gewest, de Staat in de plaats kan treden van de betrokken gemeenschap of het betrokken gewest, voor de uitvoering van het beschikkend gedeelte van die uitspraak. ».

Het voorliggende voorstel gaat daarbij veel verder want, in plaats van de rechtspraak van het Hof van Justitie af te wachten, kan de Federale Staat middels dit voorstel reeds in de plaats treden nadat de Europese Commissie een advies heeft uitgebracht (over de naleving van emissiedoelstellingen). De Federale Staat hoeft dus niet langer de juridische veroordeling af te wachten.

Aangezien er met betrekking tot het substitutierecht reeds een algemene rechtsregel geldt, rijst de vraag of dat recht nog verder moet worden uitgebreid. Zou men niet eerder verwachten, in de zelfverklaarde geest van « samenwerkingsfederalisme », dat de Federale Staat er alles aan doet om in nauwere samenwerking en overleg te komen tot een gezamenlijke naleving van de internationale engagementen, eerder dan eigenhandig en unilateraal op te treden ?

Tot slot vraagt mevrouw Vermeulen een paragraaf in de toelichting over het substitutierecht te schrappen. Aangezien dat recht een uitzonderingsrecht is en de werkingssfeer ervan strikt geïnterpreteerd moet worden, mag de machtiging vervat in de wettekst niet ruimer uitgelegd worden dan de letterlijke bewoordingen ervan. In de toelichting (stuk Senaat, nr. 5-2232/1, blz. 175) wordt evenwel gesteld dat de bijzondere wetgever wenst dat de federale overheid, na eensluidend advies van de Europese Commissie, van het substitutiemechanisme gebruik kan maken in geval van een beweerde niet-nakoming van verplichtingen die strenger zijn dan deze gecreëerd door Europees recht. Volgens mevrouw Vermeulen moet die bepaling dus worden geschrapt.

Culturele bevoegdheden voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (artikelen 47, 49 en 50 van het voorstel van bijzondere wet nr. 5-2232/1)

De heer Vanlouwe snijdt de problematiek aan van de toekenning van culturele bevoegdheden aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

In het voorstel tot invoeging van een artikel 135bis in de Grondwet (stuk Senaat, nr. 5-2241/1) wordt voorgesteld om het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bevoegdheden toe te kennen die niet zijn toegewezen aan de gemeenschappen met betrekking tot culturele aangelegenheden (artikel 127, § 1, eerste lid, 1º, van de Grondwet) en de samenwerking tussen de gemeenschappen, alsook de internationale samenwerking, met inbegrip van het sluiten van verdragen hieromtrent (artikel 127, § 1, eerste lid, 3º, van de Grondwet).

De artikelen 49 en 50 van het voorstel van bijzondere wet met betrekking tot de Zesde Staatshervorming (stuk Senaat, nr. 5-2232/1) kennen aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bevoegdheden toe inzake culturele aangelegenheden, onverminderd de bevoegdheden van de Franse en de Vlaamse Gemeenschap. Dat zal zorgen voor spanningen tussen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de Franse en de Vlaamse Gemeenschap.

Deze bevoegdheden hebben betrekking op :

— de sport (artikel 4, 9º, BWHI) wat betreft de financiering en subsidiëring van de gemeentelijke sportinfrastructuur;

— de beroepsomscholing en -bijscholing (artikel 4, 16º, BWHI) wat betreft het opzetten van programma's voor beroepsopleidingen voor zover deze kaderen in het werkgelegenheidsbeleid en rekening houden met het specifieke karakter van Brussel (wat dat ook moge zijn). Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zal dus een soort concurrerende bevoegdheid hebben inzake programma's voor beroepsopleiding;

— de schone kunsten, het cultureel patrimonium, de musea en de andere wetenschappelijk-culturele instellingen (artikel 4, 3º en 4º, BWHI) wat betreft de bi-culturele aangelegenheden voor zover die van gewestelijk belang zijn.

Wat de sport betreft, kan de overheveling van de financiering en subsidiëring van de gemeentelijke sportinfrastructuur moeilijk als een homogeen bevoegdheidspakket worden beschouwd. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest krijgt de bevoegdheid over financiering alhoewel het voeren van een beleid inzake sport bij de gemeenschappen blijft. Door deze versnippering van bevoegdheden wordt het nog moeilijker om in Brussel een geïntegreerd sportbeleid te voeren.

De gangbare praktijk in Brussel is dat heel wat zwembaden gefinancierd worden door Beliris. Wanneer de Brusselse gemeenten niet over de nodige financiën beschikken om hun zwembaden te renoveren, vragen ze, via hun connecties, aan het comité dat het Beliris-fonds beheert, om de nodige middelen toe te kennen. Gemeenten die in de Vlaamse rand gelegen zijn, en die moeilijkheden hebben om hun zwembad te onderhouden, kunnen echter geen beroep doen op een dergelijk Beliris-fonds om de uitbating te verzekeren. Brusselse gemeenten hoeven geen inspanningen te doen en niet te besparen, maar beschikken over het Beliris-fonds om meer middelen te verkrijgen.

De heer Moureaux herinnert eraan dat Beliris gebaseerd is op een artikel van de wet betreffende het Brussels Hoofdstedelijk Gewest dat toen door het Parlement werd aangenomen. Men kan geen voorstander zijn van dat artikel, maar dit systeem is volstrekt wettelijk.

De heer Vanlouwe betwist niet dat dit wettelijk is. De wet bepaalt dat er een internationaal aspect moet bestaan of een aspect dat met de hoofdstad verbonden is. Spreker vraagt zich nog steeds af waarom de gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een beroep kunnen doen op een dergelijke bepaling terwijl de gemeenten uit het Vlaams en Waals Gewest dat niet kunnen.

De extrabevoegdheden voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest inzake beroepsomscholing en -bijscholing maken de zaken nodeloos complex.

Deze materie is immers een gemeenschapsbevoegdheid en dat blijft ook zo. Dus ook in Brussel ... Nu nog eens het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bevoegd maken voor diezelfde materie op basis van het criterium « werkgelegenheidsbeleid specifiek voor Brussel » zal leiden tot een zeer inefficiënte organisatie van de beroepsopleiding en -bijscholing in Brussel. Er zullen overlappingen en/of conflicten ontstaan. Een dergelijke regeling lokt eigenlijk al een zevende staatshervorming uit om de zaken beter en efficiënter te regelen. We moeten echt naar meer homogene bevoegdheidspakketten gaan in plaats van deze verregaande versnippering.

Er worden aldus binnen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest enerzijds usurperende bevoegdheden en anderzijds parallelle bevoegdheden gecreëerd :

— sport blijft een gemeenschapsbevoegdheid (zie artikel 4, 9º, BWHI) maar het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wordt (ook) bevoegd voor de financiering en subsidiëring van de gemeentelijke sportinfrastructuur; op die manier wordt er (deels) een usurperende bevoegdheid geïnstalleerd;

— ingevolge artikel 4, 16º, BWHI zijn de gemeenschappen bevoegd voor « de beroepsomscholing en -bijscholing, met uitzondering van de regeling van de tegemoetkoming in de uitgaven inherent aan de selectie, de beroepsopleiding en de nieuwe installatie van het personeel door een werkgever in dienst genomen met het oog op de oprichting van een onderneming, de uitbreiding of de overschakeling van zijn onderneming »; het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wordt ook bevoegd voor het opzetten van programma's voor beroepsopleidingen « voor zover deze kaderen in het werkgelegenheidsbeleid en rekening houden met het specifieke karakter van Brussel »; op die manier wordt er (deels) een parallelle bevoegdheid geïnstalleerd.

De heer Beke merkt op dat het specifieke karakter van Brussel erin bestaat dat het de hoofdstad is van ons land, dat het een gewest vormt waar de gemeenschappen bevoegdheden uitoefenen, en dat deze stad niet te vergelijken valt met Antwerpen, Gent of Luik. In de congressen van de N-VA wordt er trouwens ook een verschil gemaakt tussen Brussel en andere steden.

De heer Vanlouwe vraagt zich af waarom men dan voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een parallelle bevoegdheid creëert, in plaats van de gemeenschappen daar ten volle hun werk te laten doen, zoals blijkbaar aanvankelijk was voorzien.

De heer Anciaux verwijst daaromtrent naar de nood en de praktijk die vandaag bestaan.

Zoals door de vorige spreker werd onderstreept, bestaan er in Brussel inderdaad verschillende diensten, die elk voor een bepaalde materie bevoegd zijn : Actiris (bevoegd voor de gewestelijke aspecten van de arbeidsbemiddeling), de Forem, de VDAB (bevoegd zowel inzake opleiding als inzake bemiddeling vanuit de Vlaamse overheid).

Men heeft vastgesteld dat een van de grote uitdagingen in Brussel, de tewerkstelling is. Nergens anders in dit land ligt de jeugdwerkloosheid zo hoog.

Alle middelen om dat probleem aan te pakken zijn dus noodzakelijk.

In het verleden beweerde Actiris steeds over niet voldoende instrumenten te beschikken om een degelijk tewerkstellingsbeleid te voeren omdat ze enkel inzake arbeidsbemiddeling en niet inzake beroepsopleiding bevoegd was. Dat is de hoofdreden waarom men rond beroepsopleiding voor de eerste keer tewerkstellingsaspecten vermeldt die gewestelijke bevoegdheden betreffen.

De toekomst zal uitwijzen of dat dit de oplossing is.

Spreker besluit dat de link tussen beroepsopleiding en tewerkstellingsbeleid in Brussel vanuit de praktijk is gegroeid, en dat men bijgevolg het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in dat verband de volle verantwoordelijkheid moet geven.

De heer Moureaux verduidelijkt dat er in het begin twee strekkingen waren. Enerzijds vond men dat de opleiding helemaal moest worden toevertrouwd aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. In de werkgelegenheidsprogramma's — een onbetwistbare gewestmaterie — is het immers soms wenselijk een opleidingsprogramma op te nemen.

Dat zou uiteraard met de gemeenschappen kunnen worden geregeld. Maar daarvoor is een overeenkomst nodig met de twee gemeenschappen.

Anderzijds vond men dat de Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap een opleidingsbeleid moesten hebben.

Zo is men tot een compromis gekomen waarbij men zo verstandig is geweest om de gemeenschappen niet de mogelijkheid te ontnemen specifieke programma's te hebben, maar dat, wanneer het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een programma lanceert dat positief is voor de werkgelegenheid, er ook een opleidingsonderdeel aan kan worden toegevoegd om volledig operationeel te zijn. In dat geval krijgt het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een bevoegdheid.

Zo worden er kleine verbeteringen aangebracht aan beginselen die spreker vroeger heeft verdedigd maar waarbij bij de uitvoering problemen zijn gerezen.

Een vorige spreker sprak over de sportinfrastructuren. In Brussel zijn dat voor het overgrote deel gemeente-infrastructuren. Dat is een werkelijkheid die al decennia bestaat.

Moest er bijvoorbeeld in een atletiekpiste worden voorzien voor de Franstaligen en een andere voor de Nederlandstaligen ? Men heeft beseft dat het systeem dat voor het onderwijs of voor cultuur goed werkte, een kleine correctie nodig had voor die aangelegenheid. Wat sport betreft, was dit in feite een officiële bekrachtiging van een reeds lang bestaande werkelijkheid.

Daarmee wil men het belang van de gemeenschappen niet verminderen. Spreker, die lang aan het hoofd van een Brusselse gemeente heeft gestaan, heeft het altijd een voordeel gevonden om in Brussel een beroep te kunnen doen op het federale niveau, het gewest en de gemeenschappen. Zo is hij voorstander geweest van de oprichting van een Vlaamse bibliotheek in Brussel.

In Brussel zijn beide gemeenschappen aanwezig en levendig. Op cultureel gebied is de Vlaamse Gemeenschap erg actief, maar ze wenst ook met de Franstaligen samen te werken en dat gebeurt ook.

Van zijn kant, heeft spreker in zijn gemeente een huis van culturen opgericht wat een beetje een uitzondering was op het beginsel van gescheiden culturen.

Brussel is een multiculturele stad en die werkelijkheid, waar sommigen niet van houden, zal steeds meer plaats krijgen. Het is ook een kruispunt waar de twee gemeenschappen elkaar ontmoeten en waar zij samen met het Brussels Gewest moeten kunnen werken.

De gemaakte compromissen gaan in de goede richting, namelijk het behouden van een erg sterke aanwezigheid van de twee gemeenschappen in Brussel waarbij men op het terrein in staat wordt gesteld om samen te werken.

De heer Anciaux stelt vast dat zijn uiteenzetting gelijk loopt met wat de heer Moureaux net heeft gezegd en dat hij geen verdeeldheid tussen hen merkt.

De heer Vanlouwe deelt mee dat de uiteenzetting van de heer Moureaux interessant was. Hij is het over heel wat punten oneens met hem, maar hij is het eens over een aantal elementen. Het klopt dat een Brusselaar het voordeel heeft een beroep te kunnen doen op beide gemeenschappen. Spreker is ervan overtuigd dat dat daadwerkelijk een voordeel is. Hij is er ook van overtuigd dat in Brussel een samenwerking op gelijke voet tussen de twee gemeenschappen ook een voordeel is. Het treft hem daarom des te meer dat de voorgestelde bepaling de gemeenschappen een bevoegdheid ontneemt en die dan wil toevertrouwen aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

De heer Cheron is het eens met de heer Moureaux en benadrukt de culturele rijkdom van Brussel. Hij meent dat het in ieders belang is dat de gemeenschappen het onderling met elkaar kunnen vinden.

De heer Vanlouwe gaat hiermee akkoord en pleit ook voor een samenwerkingsakkoord tussen de gemeenschappen. Hij geeft als model het huidige samenwerkingsakkoord inzake arbeidsmarktbeleid waarbij de VDAB en Actiris overleg hebben gepleegd over het uitwisselen van vacatures. Hoewel spreker het betreurt dat er in het verleden een zekere impasse is geweest, heeft die samenwerking al vruchten afgeworpen.

De bevoegdheidsoverdracht inzake biculturele aangelegenheden van gewestelijk belang aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest met uitzondering van de federale culturele instellingen is van een ontstellende complexiteit. Spreker benadrukt dat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest opnieuw die bevoegdheid zal uitoefenen « onverminderd de bevoegdheden van de Franse Gemeenschap en de Vlaamse Gemeenschap ». Hoe zullen die « parallelle » bevoegdheden in de praktijk worden uitgeoefend ?

Waarom laat men de twee gemeenschappen niet volledig bevoegd voor die aangelegenheid, met daarbovenop een samenwerkingsakkoord ?

Spreker meent dat dit systeem dus veel problemen zal veroorzaken.

De heer Vanlouwe meent ook dat de gemeenschappen aldus worden afgezwakt en voorvoelt dat bij een volgende staatshervorming het risico bestaat dat die bevoegdheden helemaal zullen worden overgedragen aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

De heer Moureaux erkent op dat punt dat de logica van die bevoegdheidsoverdracht niet duidelijk is, maar het maakt deel uit van een compromis. Persoonlijk vindt hij dat die aangelegenheden federaal hadden moeten blijven. De grote culturele instellingen in een hoofdstad moeten worden beheerd in het belang van het hele land.

De heer Vanlouwe stelt dus vast dat de voorgestelde hervorming het Brussel Hoofdstedelijk Gewest in staat moet stellen om musea op te richten, om de voorwaarden vast te stellen voor subsidies voor het oprichten of verwerven van collecties voor zover dit van gewestelijk belang is. Spreker heeft echter vragen bij de exacte inhoud van het begrip « gewestelijk belang ». De eventuele oprichting van een Magritte-museum in Brussel, is dat van federaal belang, zoals de heer Moureaux laat doorschemeren, of is dit van gewestelijk of zelfs gemeentelijk belang ? Het is vrij onduidelijk.

Spreker leidt uit de toelichting ook af dat alleen de aangelegenheden die nog niet zijn toegewezen aan de gemeenschappen, zullen worden overgedragen aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. De « Zinneke-parade » zou deel uitmaken van die categorie. Hij wil dus weten welke culturele aangelegenheden nog niet zijn toegewezen aan de gemeenschappen. Gaat het concreet gezien alleen om de culturele instellingen met nationale uitstraling (De Munt, het Paleis voor Schone Kunsten ...) of zijn er nog andere ?

De heer Anciaux verduidelijkt dat men federale bevoegdheden beoogt die momenteel nog niet worden uitgeoefend.

De heer Vanlouwe vraagt welke bevoegdheden men bedoelt in het voorgestelde artikel 4bis, c). Kan men voorbeelden geven of moet men hieruit afleiden dat dit voorstel schijnbevoegdheden overdraagt aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ? De tekst creëert het begrip « biculturele aangelegenheden van gewestelijk belang ». Dat is een nieuw begrip dat de zaken op het terrein niet gemakkelijker zal maken.

In het advies van de Raad van State (zie stuk Senaat, nr. 5-2232/3, p. 53), werd een opmerking geformuleerd over de formulering van het voorgestelde artikel 4bis, c). Om interpretatieproblemen te voorkomen, stelt de Raad van State voor de woorden « voor zover deze van gewestelijk belang zijn » te vervangen door de woorden « voor zover ze niet van nationaal of internationaal belang zijn ». De Raad van State gaf toe dat « het niet noodzakelijk makkelijk zal zijn om in alle gevallen te bepalen wat in die kwesties onder het nationaal of het internationaal belang valt, maar het lijkt onmogelijk om in het dispositief een lijst op te maken van alle biculturele aangelegenheden die aldus nog steeds tot de federale bevoegdheid gerekend zouden worden. In de toelichting wordt alleen het voorbeeld gegeven van de Koninklijke Muntschouwburg en van het Paleis voor Schone Kunsten. Het zou evenwel een goede zaak zijn als tijdens de parlementaire voorbereiding nog voorbeelden zouden worden gegeven, die aldus een leidraad zouden kunnen zijn voor het latere interpreteren ervan. ».

Het advies van de Raad van State werd niet gevolgd. Het is bijgevolg moeilijk om, op basis van de voorgestelde tekst, nauwkeurig te bepalen wat de nieuwe bevoegdheden zijn die aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest worden toegekend.

De heer Vanlouwe verwijst ook naar de opiniebijdrage « Cultureel akkoord, leenrecht : is dit het nieuwe België ? » gepubliceerd door de heer Karl van den Broeck in De Morgen van 15 december 2012. De heer van den Broeck stelt dat « het communautaire akkoord een heel klein zinnetje bevat dat tot nog toe weinig aandacht kreeg. « Het is wenselijk om de bevoegdheid over de biculturele aangelegenheden van gewestelijk belang naar het Brussels Hoofdstedelijk Gewest over te hevelen, uitgezonderd de federale culturele instellingen. » Als dit door de PS geïnspireerde idee wordt uitgevoerd, betekent dat een kleine Belgische revolutie. Volgens de Grondwet zijn alleen de gemeenschappen en de federale regering (voor De Munt, de Koninklijke Musea, BOZAR, de Koninklijke Bibliotheek ...) bevoegd voor cultuur. Instellingen « van gewestelijk belang » naar het Brussels Hoofdstedelijk Gewest overhevelen, zou een precedent zijn.

In een voetnoot (stuk Senaat, nr. 5-2232/1, blz. 184, voetnoot 1) wordt alleen verwezen naar « De Zinneke Parade, enzovoort ». De lijst is niet limitatief, en initiatieven als Flagey en Kunsten Festival des Arts hebben duidelijk een « Brussels belang ». Ze werden tijdens de onderhandelingen ook expliciet genoemd, maar werden niet in de uiteindelijke tekst opgenomen. « Om geen onnodig rumoer te veroorzaken », zo verklapt een onderhandelaar.

Deze bevoegdheidsoverdracht aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest maakt de inbreng van Vlaanderen, dat nu het meeste betaalt, in deze organisaties problematisch. »

Niets belet dat er in de toekomst nieuwe « Brusselse » instellingen worden opgericht. En dan komen de federale musea in het vizier. Die blijven, ook in dit akkoord, onder federale voogdij. Toch dromen vele mensen in die instellingen van nieuwe musea. Die zouden dan een autonome structuur krijgen, maar wel gebruik maken van de prachtige collecties van het Jubelparkmuseum en van het Museum voor Schone Kunsten. « Brusselse » musea die pronken met federale collecties, zonder dat federale (dus ook Vlaamse) ministers er bevoegd voor zijn.

De heer Vanlouwe herinnert eraan dat de heer Anciaux, toen hij minister van Cultuur was, wilde dat het Vlaams decreet over de topstukken (« Topstukkendecreet »), dat betrekking had op de bescherming van kunstwerken van grote waarde, ook in Brussel toepasbaar zou zijn. Spreker is voorstander van dit idee want er kunnen zich natuurlijk topstukken in Brussel bevinden en het is uiteraard belangrijk over een mechanisme te kunnen beschikken waardoor die stukken in België blijven.

De heer Anciaux verduidelijkt dat de Raad van State heeft geoordeeld dat een gemeenschapsbevoegdheid wel degelijk in Brussel kan worden uitgeoefend voor biculturele zaken, voor zover dit binnen een samenwerkingsakkoord valt.

De heer Vanlouwe stipt aan dat hij voor het sluiten van samenwerkingsakkoorden is. Die techniek heeft zijn nut al bewezen. Het scheppen van een begrip « biculturele aangelegenheden van gewestelijk belang » maakt de zaken echter onnodig ingewikkeld. In de toekomst zal het sluiten van samenwerkingsakkoorden immers een overeenkomst tussen drie partijen behelzen — de twee gemeenschappen en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest — waar vroeger een overeenkomst tussen de gemeenschappen volstond.

De heer Anciaux meent dat het niet correct is om het akkoord voor te stellen als iets waardoor de gemeenschappen een deel van hun bevoegdheden verliezen. Het voorstel van bijzondere wet raakt niet aan de bevoegdheden van de gemeenschappen ter zake.

De heer Laeremans stelt zich vragen over de meerwaarde van de overheveling van de bevoegdheid inzake schone kunsten, cultuurpatrimonium en musea naar het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

De heer Vanlouwe denkt dat de overheveling van de bevoegdheid met betrekking tot biculturele aangelegenheden naar Brussel een verdere stap is naar het inrichten van een Brussels Hoofdstedelijk Gewest in de volle betekenis van het begrip.

Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (BHG) wordt een volwaardige deelstaat, of minstens een « gewestgemeenschap ». De gemeenschapsbevoegdheden over de instellingen in het onderwijs, de culturele sector en de zorgverlening in Brussel worden verder uitgeoefend door de Vlaamse en de Franse Gemeenschap. Maar belangrijke gemeenschapsbevoegdheden zoals de gezinsbijslagen gaan naar de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, en dat is een Brusselse instelling. Terwijl het eerste zorgt voor een band tussen Vlaanderen en Brussel, doet het tweede dat duidelijk niet.

Bovendien wordt het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bevoegd voor biculturele aangelegenheden van gewestelijk belang. Blijkbaar is er een aparte Brusselse cultuur ontdekt, terwijl bij de staatshervorming van 1970 net was vastgelegd dat cultuur voortaan een bevoegdheid van de Vlaamse en de Franse Gemeenschap zou zijn. Spreker herhaalt dat in een voetnoot van het akkoord over de nieuwe staatshervorming alleen de Zinneke Parade als voorbeeld wordt gegeven, maar iedereen weet dat daar veel meer achter schuilt.

De gouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad en het veiligheidsbeleid in Brussel (artikelen 20, c), 51, 55 en 56 van het voorstel van bijzondere wet nr. 5-2232/1)

De heer Vanlouwe haalt vervolgens het thema aan van de gouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad. De partij van spreker is op zich voorstander van de afschaffing van die functie, hetgeen trouwens ook kadert in haar pleidooi voor de afschaffing van de provincies en hun organen. De meerwaarde van de functie van (provincie)gouverneur, zeker binnen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, is immers onbestaande. Binnen de ondoorzichtige structuur van Brussel dringt een afschaffing zich des te meer op.

Het is positief dat de bevoegdheden van de gouverneur, in het voorliggende voorstel, toevertrouwd worden aan de minister-president van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in zijn hoedanigheid van orgaan van de Brusselse agglomeratie.

Spreker stelt vast dat de agglomeratie helaas blijft bestaan als afzonderlijk niveau, met dezelfde bestuursorganen als het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Waarom hier niet ingrijpen en de bevoegdheden van de agglomeratie herzien ?

De heer Anciaux antwoordt dat de agglomeratie een soort fusie is van gemeentelijke bevoegdheden. Er is een groot verschil tussen de agglomeratie en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wat de taalwetgeving betreft. Op gewestelijk niveau zijn er immers taalkaders, terwijl op het niveau van de agglomeratie tweetaligheid wordt vereist. Hij vraagt de vorige spreker dan ook om voorzichtig te zijn wanneer hij pleit voor de afschaffing van de agglomeratie.

De heer Moureaux legt uit dat de bemiddelaars bij de staatshervorming van 1988 een compromis hebben gezocht wat het statuut van het Brussels Gewest betreft. Om uit de patstelling te geraken, hebben ze één instelling behouden — de Brusselse agglomeratie — waarvoor complexe regels zijn blijven gelden. Die oplossing wordt vaak de Brusselse « bric-à brac » genoemd. Wat telt is echter dat de situatie voor de Brusselaars dezelfde is gebleven.

De heer Laeremans vraagt of het provinciaal veiligheidspersoneel ook onder de tweetaligheidsregel van de gemeenten valt. Hoe komt het dat voor de bevoegdheden inzake brandweer — toch ook op niveau van de agglomeratie — er wel taalkaders voorzien zijn ? Zullen de ambtenaren van het gewest behoren tot een verschillend taalkader dan die van de agglomeratie ?

De heer Vanlouwe is van mening dat in de politieke besluitvorming, het belang van de inwoner voorop moet staan. Wat Brussel betreft, heeft spreker echter de indruk dat het belang van de politici voorop staat.

De heer Anciaux stelt dat één enkele structuur natuurlijk het meest eenvoudig is, maar het statuut van Brussel is ingewikkeld omdat er een verschil bestaat tussen enerzijds de gewestvisie aan Franstalige kant en anderzijds de gemeenschapsvisie aan Nederlandstalige kant.

Volgens de heer Vanlouwe heeft de veelheid aan structuren in Brussel niet geleid tot minder armoede en meer werkgelegenheid. De huidige hervorming zal hiervoor zeker geen oplossing bieden. De gewone Brusselaar zal er niet op vooruitgaan.

De bevoegdheden van de gouverneur worden in dit voorstel toevertrouwd aan de minister-president van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in zijn hoedanigheid van orgaan van de Brusselse agglomeratie.

De agglomeratie blijft als afzonderlijk niveau bestaan, maar met dezelfde bestuursorganen als het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. De dubbele hoedanigheid van de minister-president, enerzijds als orgaan van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en anderzijds als orgaan van de agglomeratie (ondergeschikt bestuur van de federale overheid), heeft geen enkele zin, nu het grondgebied van beide instellingen volledig gelijklopend is.

Een gouverneur wordt geacht apolitiek te zijn, maar de minister-president is in de eerste plaats een politicus en dat wringt. Omdat men haast schizofreen moet zijn om aldus de functie van minister-president te kunnen uitoefenen, tovert het voorstel de volgende oplossing uit de hoed : de aanduiding van een hoge ambtenaar door de regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, op eensluidend advies van de federale regering, die (in ieder geval) de bevoegdheden zou krijgen die de hoge ambtenaar onder hiërarchische controle of onder het toezicht van de bevoegde federale minister(s), bijvoorbeeld de minister van Justitie in het kader van de wapenwetgeving, uitoefent.

De hoge ambtenaar oefent deze taken uit, naargelang van het geval, onder het gezag van de federale minister van Binnenlandse Zaken of van de minister van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest die bevoegd is voor de dringende medische hulp en brandbestrijding.

In feite wordt de functie van de gouverneur dus niet afgeschaft : een deel van de taken komt onder een veel grotere politieke invloed, de andere taken komen terecht bij een « ersatz-gouverneur » met een andere naam en met een grotere binding met het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Indien de nood aan een « gewestelijk veiligheidsbeleid » zo groot is, waarom dan niet één politiezone creëren ?

Waarom krijgen de andere gewesten niet dezelfde mogelijkheid om een « Veiligheidsraad » op te richten ? Hier krijgt het Brussels Hoofdstedelijk Gewest meer mogelijkheden dan de andere gewesten

De regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zal mogelijkerwijze in de Federale Politieraad vertegenwoordigd kunnen worden : « een gouverneur » maakt er deel van uit. Het Gewest zal op die manier advies kunnen verlenen en de globale evaluatie kunnen maken van de werking en de organisatie van de federale politie en van de lokale politiediensten. Bovendien geeft deze raad een advies over het nationaal veiligheidsplan en evalueert hij de uitvoering ervan. Waarom zullen de andere gewesten nooit deel uitmaken van deze Federale Politieraad ?

De heer Moureaux geeft toe dat er logica in die oplossing zit, maar merkt op dat er tegenstand is tegen dit soort formule in de twee andere gewesten. Het Brussels Gewest loopt een beetje achter op de andere gewesten wat een reeks van juridische aspecten betreft, maar het heeft meer bevoegdheden die « functioneel » van aard zijn. De alomvattende oplossingen die voor het Brussels Gewest zijn gekozen, roepen geen grote kritiek op, hoewel er wel kan worden gediscussieerd over bepaalde ad hoc aspecten.

De heer Vanlouwe vindt dat men hier toegeeft dat er weinig logica zit in de regeling die wordt voorgesteld. Waarom heeft de COMORI hiervoor geen oplossing geboden ? Spreker heeft de indruk dat er aldus op de duur een gemeenschapsgewest ontstaat.

De heer Anciaux merkt op dat er per provincie een gouverneur is. Voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is er ook een gouverneur die dezelfde functie uitoefent als de andere provinciegouverneurs. Als men stelt dat het Vlaams en het Waals Gewest bevoegd moeten worden, dan kan men de bevoegdheid van de gouverneur inzake veiligheid en rampenbestrijding beter op een hoger niveau brengen. Dat hoger bevoegd niveau bestaat al, met name de FOD Binnenlandse Zaken die de acties van alle provinciegouverneurs inzake veiligheid en rampenbestrijding coördineert. Het gaat er niet om dat men het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wil uitbreiden maar om het feit dat men de functie van gouverneur in Brussel opheft. Vlaams Belang en N-VA zijn daarvoor altijd vragende partij geweest.

Overlegcomité (artikelen 24 tot 26 van het wetsvoorstel met betrekking tot de Zesde Staatshervorming inzake de aangelegenheden bedoeld in artikel 77 van de Grondwet, nr. 5-2233/1)

De heer Ide komt terug op het Overlegcomité in het wetsvoorstel nr. 5-2233/1. In de artikelen 24 tot 26 van dat voorstel wordt uitdrukkelijk verwezen naar het Overlegcomité. Daaruit blijkt dat het Overlegcomité interministeriële conferenties kan organiseren om conflicten op te lossen. Spreker stelt vast dat er een evolutie is in de wetgeving in die zin dat dit Overlegcomité niet alleen kan maar eigenlijk verplicht wordt om een centrale rol te spelen. Men legt bijgevolg het zwaartepunt inzake overleg bij dit comité. Aldus institutionaliseert men in de wet het permanent diplomatiek overleg in België. Opnieuw werkt men met de dubbele pariteit Federale Staat versus de deelstaten, waarbij deze laatste per definitie geminoriseerd zijn. Dat is een hinderpaal bij het oplossen van belangenconflicten.

De heer Anciaux spreekt dat laatste standpunt tegen. In het federaal Overlegcomité zijn zowel de federale regering als het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (2 leden), als de andere regeringen van de deelstaten vertegenwoordigd. Elk heeft volle bevoegdheid.

De heer Ide herinnert aan de discussie rond Brussel-Halle-Vilvoorde. Er werd toen een advies gevraagd aan het overlegcomité, maar uiteindelijk heeft men daar politiek niets mee gedaan. De essentie van zijn uiteenzetting is dat dit onderdeel van de zesde staatshervorming de procedure opnieuw complexer en moeilijker maakt, wat voor de nodige vertragingen zal zorgen. Er zullen weer juridische en politieke blokkeringen en belangenconflicten ontstaan.

Hij stelt zich ook vragen bij de rol van het principe van de federale loyauteit in die belangenconflicten. In de discussie over de kinderbijslag heeft spreker al gesteld dat men in een « gouvernement des juges » terecht zal komen. Opnieuw schuift men politieke geschillen door naar rechters die in de plaats van de wetgever zullen oordelen.

De heer Laeremans wijst erop dat het Overlegcomité een andere rol krijgt toebedeeld. Spreker verwijst in dit verband naar een opiniestuk van de heer Van Cauwelaert in de zakenkrant De Tijd van 19 oktober 2013, waarin de auteur hieromtrent het volgende stelt :

« Zonder voortdurende samenspraak tussen de federale premier en de minister-presidenten van de deelregeringen dreigt de uitvoering van de zesde staatshervorming vast te lopen. Het Overlegcomité, dat bevoegdheidsconflicten moet beslechten en belangenconflicten gladstrijken, wordt een superregering boven de federale regering. (...) Om de zesde staatshervorming door te voeren en in één adem ook de relance vorm te geven, krijgt het Overlegcomité, dat bevoegdheidsproblemen en belangenconflicten beslecht, onvermijdelijk een nieuwe rol. Het wordt een superregering waar de toon zal worden gezet door de vertegenwoordigers van de deelregeringen, die er hun eigen problemen bespreken, hun prioriteiten vastleggen en de te treffen schikkingen met Europa voorbereiden. De federale regering zal noodgedwongen optreden als notaris. ».

Aangezien het Overlegcomité het « centraal punt » wordt voor overleg, samenwerking en coördinatie, kan er dan nog buiten het Overlegcomité worden samengewerkt of overlegd ? Kunnen er bijvoorbeeld nog gezamenlijke decreten worden geredigeerd of moet dit hoe dan ook binnen het Overlegcomité gebeuren ? Hoe exclusief of hoe vrijblijvend is dit Overlegcomité en hoe verhoudt het zich tot andere vormen van samenwerking ?

Wat is het statuut van het Overlegcomité na de doorvoering van de voorgestelde aanvullingen ? Blijft dit in essentie een politiek orgaan ? Is de naleving van de werkingsregels die nu bij wet worden voorgeschreven al dan niet afdwingbaar ? Hoe dwingend of bindend is het huishoudelijk reglement ? Hoe, en door wie, wordt het opgesteld ? Vereist dit een consensus van alle deelnemers aan het Overlegcomité ? Via welke procedure kan het worden gewijzigd ? Is hiervoor unanimiteit vereist ? Zijn de regels die vervat zijn in het huishoudelijk reglement juridisch afdwingbaar, bijvoorbeeld voor de Raad van State of het Grondwettelijk Hof ? Wat bij niet-naleving ervan door één van de partijen ?

Economisch en industrieel beleid

Betreffende het economisch en industrieel beleid voorziet het voorstel van bijzondere wet nr. 5-2232/1 in vijf onderdelen : de handelsvestiging en vestigingsvoorwaarden, het participatiefonds, de handelshuur, toerisme en prijsbeleid.

De heer Ide acht de voorwaarden rond de erkenning van bepaalde beroepen, eens te meer, veel te complex. Hij heeft dit reeds aangehaald bij het debat over de zorgberoepen waar de RIZIV-erkenning en de quota federaal blijven. Dit betekent dat de gemeenschappen subquota mogen invoeren en zelfs de erkenning van de zorgberoepen mogen invullen op voorwaarde dat ze overeenstemmen met de federale context. Het federale niveau gaat de erkenningsvoorwaarden dus blijven bepalen, hetgeen betekent dat de gemeenschappen de facto geen inhoudelijke inspraak zullen krijgen. Spreker betreurt dit aangezien dit thema aansluit bij het onderwijs. Opleiding en beroepserkenning hangen trouwens samen en opnieuw verhindert men een coherent beleid.

Ook voor de vestigingsvoorwaarden behoudt de federale regering het monopolie over een twintigtal beroepen.

— Handelsvestigingen (artikel 31 van het voorstel van bijzondere wet nr. 5-2232/1)

Betreffende de handelsvestigingen is er een kleine vooruitgang maar dat is eigenlijk een onderdeel van de « borrelnootjes » van 2008. Vlaanderen is zeker klaar voor de centralisering in één vergunning. Spreker stelt vast dat het voorstel van bijzondere wet arbitrair over 20 000 m² spreekt (art. 31). Kan de regering dat verduidelijken ?

De heer Ide verheugt zich wel over het feit dat een overleg wordt voorzien tussen de gemeenschappen in geval van grensoverschrijdend incident.

— Participatiefonds (artikelen 17 en 58 van het voorstel van bijzondere wet nr. 5-2232/1)

Betreffende het participatiefonds (artikelen 17 en 58) stelt spreker vast dat dit fonds reeds bestaat en de facto een black box is. Op welke basis heeft de regering beslist om slechts 53 % van dit fonds over te hevelen naar het Vlaamse Gewest (art. 58), terwijl 60 % van de KMO-activiteit zich in Vlaanderen bevindt ?

Hij stelt zich ook vragen bij de impliciete opdrachten van het participatiefonds (CBVA, Federaal aanspreekpunt, Kenniscentrum, Starterfonds enzovoort). Worden die opdrachten ook overgeheveld ?

— Toerisme (artikelen 3, 17 en 50 van het voorstel van bijzondere wet nr. 5-2232/1)

Over het luik toerisme is de heer Ide van oordeel dat dit voornamelijk een ideologische wetswijziging is. Toerisme is immers persoonsgebonden tenzij men het uitsluitend een economische invulling geeft. Toerisme bevat een culturele component en het regionaal karakter ervan werd historisch verankerd in de verschillende staatshervormingen. Spreker stelt nochtans vast dat een aantal facetten opnieuw federaal blijven, namelijk de erkenning van de toeristische centra die door de federale minister van Werk en Middenstand wordt toegekend. Toerisme wordt op die manier herleid tot een louter economische aangelegenheid. Ook hier wordt een coherent beleid verhinderd omdat men de procedure opnieuw complexer maakt.

— Prijsbeleid (artikel 18 van het voorstel van bijzondere wet nr. 5-2232/1)

Een laatste punt betreft het prijsbeleid. De wetsbepalingen omtrent prijscontrole zijn volgens de heer Ide onduidelijk. Wat wenst de meerderheid precies : het monitoren van prijzen of beoogt men ook de prijsblokkering ? Dit laatste zou inhouden dat een administratie op basis van een monitoring kan beslissen om bepaalde prijzen te blokkeren. Hij maakt een vergelijking met de recente situatie in Venezuela. Volgens hem laten de wetsbepalingen in hun huidige vorm dit reeds toe.

Onteigening (artikelen 33, 39 en 40 van het voorstel van bijzondere wet nr. 5-2232/1)

Mevrouw Maes heeft enkele bedenkingen bij de gerechtelijke procedure inzake onteigening. Het voorstel van bijzondere wet heeft als doelstelling de deelstaten — zowel de gemeenschappen als de gewesten — toe te laten specifieke normen met betrekking tot de gerechtelijke procedure inzake onteigening uit te werken. Vandaag kunnen de deelstaten onteigenen in de gevallen en volgens de regels bij decreet bepaald en kunnen ze personen machtigen om tot onteigening over te gaan. In de toekomst zullen de onteigeningen in een bepaald gewest onderworpen zijn aan de procedure, bepaald door dat gewest bij decreet of ordonnantie, aldus de artikelen 33 en 39 van het voorstel. De onteigeningen door de federale overheid en de door haar gemachtigde instellingen zullen onderworpen blijven aan de bestaande federale wetten. Voor Brussel zal de federale wetgever de gevallen en de nadere regels van de gerechtelijke procedure vastleggen, volgens welke de Vlaamse en Franse Gemeenschap kunnen onteigenen in culturele aangelegenheden (art. 40 van het voorstel van bijzondere wet). Het voorstel heeft eveneens als doel toe te laten dat de deelstaten kunnen bepalen wie handelingen met een onroerend karakter kan authentificeren waarbij een deelstaat, ondergeschikt bestuur, OCMW, of orgaan dat aan de controle het administratief toezicht van een van de voornoemde overheden of een dochterentiteit van deze entiteit onderworpen is, betrokken is en wie handelingen met betrekking tot de organisatie en het interne bestuur van een entiteit kan autentificeren.

Mevrouw Maes heeft hierover de volgende vragen. Waarom is, behoudens de toelichting bij het voorstel van bijzondere wet, verderop geen sprake meer van het Agentschap voor patrimoniale informatie ? Hoe zal dit Agentschap zich verhouden tot de deelstatelijke diensten, zoals bijvoorbeeld de dienst Vastgoedakten ? Wat is het lot van de bestaande federale procedurele onteigeningswetten ? Blijven die bestaan ? Kunnen de deelstaten zich daarop nog beroepen ? Als ze nog blijven bestaan, hoe zullen ze zich verhouden tot de deelstatelijke procedurele onteigeningsnormen ? Kan de Federale Staat zich van de deelstatelijke procedurele onteigeningsregel bedienen ? Wie legt de modaliteiten en procedures vast ten aanzien van de Vlaamse en Franse Gemeenschap in Brussel wat niet-culturele aangelegenheden betreft, zoals bijvoorbeeld onderwijs ? Waarom is de onteigeningsprocedure in en ten aanzien van Brussel niet gewoon federaal gelaten ? Waarom is er niet in inspraak voor de Vlaamse en Franse Gemeenschap voorzien bij het tot stand brengen van een gerechtelijke onteigeningsprocedure in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ?

Spreekster neemt aan dat een overheidsbedrijf een beroep kan doen op een aankoopcomité. Kan de staatssecretaris dit bevestigen ? De deelstaten kunnen de wijze waarop voornoemde handelingen worden geauthentificeerd, bepalen. Hoe ziet men dit ? Kan een deelstaat dan bijvoorbeeld een nieuw soort van authentieke akten in het leven roepen of de bewijswaarde ervan wijzigen ? Het lot van de bestaande aankoopcomités is niet duidelijk : de middelen en het personeel worden overgedragen aan de deelstaten. Betekent dit dat de aankoopcomités kunnen worden opgeheven ? Zo ja, hoe kan de federale overheid dan nog een beroep op hen doen ? Spreekster verwijst naar de toelichting bij het voorstel van bijzondere wet, waarin het volgende wordt gesteld :

« Zo blijft het beroep op de aankoopcomités verplicht voor de Federale Staat. » (stuk Senaat, nr. 5-2232/1, blz.165).

Kunnen de deelstaten en de federale overheid, gelet op de voorgaande zin, een beroep doen op een notaris indien zij dat wensen ? Doordat de Federale Staat de bevoegdheid over de gevallen, de modaliteiten en de gerechtelijke procedure in federale aangelegenheden behoudt over gans België, neemt de kans op discrepanties over de wijze van onteigenen, de waardebepalingen, de procedurele afwikkeling, en dergelijke meer toe. Daarom stelt mevrouw Maes voor dat de federale overheid gebruikt dient te maken van de deelstatelijke procedurele onteigeningsregels, afhankelijk van de locatie — het grondgebied — van de geplande onteigening. De federale wetgeving met betrekking tot de gerechtelijke procedures blijft in dat geval van kracht zolang de deelstaten geen eigen regelgeving hebben uitgewerkt.

Statuut van het ambtenarenkorps (artikelen 36, 41 en 57 van het voorstel van bijzondere wet nr. 5-2232/1)

Mevrouw Maes heeft enkele vragen over het statuut van het ambtenarenkorps, waarvan de regels zijn vervat in de artikelen 36, 41 en 57 van het thans besproken voorstel. Waarom krijgen de deelstaten wel een factuur voor de pensioenen van hun ambtenaren, maar geen bevoegdheid ? Wat is de logica om bevoegd te zijn voor de hele loopbaan van een persoon, behalve voor zijn pensioen ? Spreekster wijst erop dat in de artikelen 16 tot en met 23 van het voorstel van bijzondere wet staat dat de beperking wat betreft het bedrag dat gebruikt zal worden voor de bepaling van de pensioenen, enkel geldt voor de personeelsleden van de gemeenschappen en de gewesten. Wat is de bedoeling ? Bovendien, indien men artikel 21 leest — zoals de Raad van State suggereert — wordt er wat de bijdragen aan pensioenen betreft geen rekening gehouden met een maximumbedrag. Kunnen de deelstaten wel de lonen verhogen, en dus ook meer bijdragen aan de pensioenen, maar moeten de ambtenaren voor hun pensioenen rekenen op een goed geheugen van de regering ? Zal de regering eraan denken om telkens wanneer ze de maxima voor haar ambtenaren verhoogt, dat ook te doen voor de ambtenaren van de deelstaten ?

Wat is het antwoord van de staatssecretaris op de opmerking van de Raad van State in verband met het personeel van de Parlementen ? De berekening van de pensioenen van de personeelsleden van de Parlementen van de gemeenschappen en gewesten zal anders zijn dan die voor andere ambtenaren. Denkt de staatssecretaris, in tegenstelling tot de Raad van State, dat deze bepaling de toets van het gelijkheidsprincipe zal doorstaan ?

Uitzendarbeid (artikelen 22, 36, 41 en 57 van het voorstel van bijzondere wet nr. 5-2232/1)

Met betrekking tot uitzendarbeid wenst mevrouw Maes te weten in welke mate de deelstaten hun bevoegdheid inzake uitzendarbeid kunnen gebruiken ? Geldt dit enkel, zoals zou blijken uit de toelichting, voor de artikelen 1 en 32 van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid of kan men, zoals men voorstelt, alle regels inzake uitzendarbeid zelf bepalen ? Hoe zou dat dan te rijmen zijn met het federaal gebleven arbeidsrecht ?

Autonomie van de deelstaten inzake de provincies (artikelen 20, 21, 27, a), en 35 van het voorstel van bijzondere wet nr. 5-2232/1)

Vervolgens heeft mevrouw Maes enkele vragen over de autonomie van de deelstaten inzake provincies. Vanzelfsprekend is zij voorstander van een zo groot mogelijke autonomie van de deelstaten, ook wat betreft bestuurlijke organisatie. Met dit voorstel van bijzondere wet wordt hieraan — gedeeltelijk — tegemoetgekomen. De gewesten hebben de mogelijkheid om, met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen, de provincies af te schaffen indien zij dat wensen, zonder weliswaar afbreuk te doen aan de bijzondere bepalingen die voorzien zijn in de Pacificatiewet van 9 augustus 1988, noch aan de bijzondere bepalingen betreffende de functie van gouverneur. De deelstaten hebben ook de mogelijkheid om, in geval van afschaffing van de provincies, met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen, « bovengemeentelijke besturen » op te richten, waarbij de raden de uitsluitend bovengemeentelijke belangen regelen volgens de beginselen bij de Grondwet vastgesteld. De uitwerking van dit alles is evenwel allesbehalve duidelijk. De Grondwet en de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen zullen verschillende verwijzingen blijven bevatten naar provincies en provinciale organen, ook al zullen die dan niet meer bestaan.

Senator Maes wijst erop dat men in Vlaanderen thans bezig is met een vergaande « regioscreening », die zal moeten uitwijzen welke mogelijkheden door de gemeenten gedragen worden om de samenwerkingsverbanden te vereenvoudigen en efficiënter te structureren. De voorgestelde regeling is op zich derhalve niet zo slecht. Niettemin heeft zij enkele vragen. Kan een Gewest slechts één van de provincies afschaffen ? De provincies blijven bovendien in artikel 5 van de Grondwet staan, net zoals dat het geval is met de gewesten (artikel 3 van de Grondwet). Als de provincies mogen worden afgeschaft door de deelstaten — weliswaar binnen het kader van de Grondwet —, geldt dit dan ook voor de gewesten ? Beide grondwetsartikelen worden anders geïnterpreteerd, ondanks hun identieke formulering.

In verband met de overeenstemming van bijvoorbeeld artikel 5 van de Grondwet met een eventuele afschaffing van de provincies beroept men zich telkens, en uitsluitend, op het 1º van de overgangsbepaling bij artikel 195 van de Grondwet. Dat wil in feite zeggen dat deze overgangsbepaling in wezen geen overgangsbepaling is, maar een blijvende interpretatie geeft, ook na afloop van de termijn die wordt bepaald in artikel 195. Het is, met andere woorden, een norm van positief recht die van toepassing blijft. Dit is volgens mevrouw Maes een nieuw bewijs dat overgangsbepaling bij artikel 195 van de Grondwet geen de overgangsbepaling is.

Zij wijst er overigens op dat artikel 20, d), van het voorstel van bijzondere wet bepaalt dat, als een gewest de provinciale instellingen afschaft, de gouverneur de hoedanigheid van « commissaris van de regering van de Staat, de gemeenschap en het gewest » verkrijgt. In het voorstel tot herziening van artikel 41 van de Grondwet (stuk Senaat, nr. 5-2237/1) wordt evenwel enkel gesproken over « commissaris van de federale regering of de gemeenschapsregering ». Kan een provinciegouverneur ook commissaris van het gewest zijn ? Spreekster verwijst naar de opmerking van de Raad van State hierover.

Telecommunicatie (artikelen 2 en 42 van het voorstel van bijzondere wet nr. 5-2232/1)

Vervolgens snijdt mevrouw Maes de problematiek van de telecommunicatie aan. Een eerste probleem betreft de formuleringen en bevoegdheden ter zake, die leiden tot onduidelijkheid en mogelijke herfederalisering van deze aangelegenheid. De aanpassing van de wettekst aan de nieuwe media en de arresten van het Grondwettelijk Hof, is inderdaad nodig. In dit geval gebeurt dat echter op een manier die mogelijk nadelig is voor Vlaanderen. Dat de woorden « radio-omroep en televisie » in beide artikelen vervangen worden door de woorden « audiovisuele en auditieve mediadiensten », houdt risico's in op een herfederalisering van een deel van de bevoegdheid. De interpretatie van deze formulering heeft gevolgen voor de reikwijdte van de bevoegdheidsoverdracht, omdat het gebruik van de term « mediadienst » en de koppeling met de richtlijn 2010/13 het risico inhouden dat Vlaanderen niet langer bevoegd zou zijn voor omroepactiviteiten die geen economische activiteit behelzen, maar die vandaag wel degelijk onder het huidige concept « radio-omroep en televisie » vallen.

Volgens de toelichting bij het voorstel van bijzondere wet is het de bedoeling « om de huidige bevoegdheidsverdeling te bevestigen, maar wel aan te passen aan de technologische evoluties en aan de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof ». Men zal er echter over moeten waken dat de bedoelde « bevestiging » van de bevoegdheidsverdeling niet uitmondt in een inperking van de Vlaamse bevoegdheden. Mevrouw Maes verwijst in dit verband naar het zogenaamde « Vlaamse Groenboek Zesde Staatshervorming », waarin het volgende wordt voorgesteld :

« (...) een toevoeging van het concept « en -activiteiten » in het tekstvoorstel voor artikel 4, 6º, van de Bijzondere Wet tot Hervorming van de Instellingen van 8 augustus 1980, naar analogie met het begrip « omroepactiviteiten » in artikel 2, 25º, van het Vlaamse Mediadecreet, zou andersluidende interpretaties uitsluiten. Het gaat dan om activiteiten die geen economische activiteit behelzen.

Het nieuwe tekstvoorstel zou dan als volgt kunnen luiden : « 6º de inhoudelijke en technische aspecten van de audiovisuele en de auditieve mediadiensten en -activiteiten met uitzondering van het uitzenden van mededelingen van de federale regering; ».

Een tweede probleem met betrekking tot de bevoegdheidsverdeling inzake telecommunicatie betreft het nieuwe samenwerkingsakkoord, dat het bestaande overlapt en bijgevolg juridisch overbodig is. De toelichting heeft het over een uitbreiding van het bestaande samenwerkingsakkoord naar het spanningsveld van radio en internet. Maar, zoals de werkgroep van deskundigen aanstipt, geldt de samenwerkingsverplichting net uitsluitend voor dat thema. De voorgestelde bepaling in artikel 42 van het voorstel van bijzondere wet heeft het eveneens slechts over de « netwerken en elektronische communicatiediensten die gemeenschappelijk zijn aan zowel de audiovisuele en auditieve mediadiensten en de telecommunicatie ». Enige uitleg over de verhouding tot de huidige samenwerkingsovereenkomst zou nuttig zijn.

Het huidige samenwerkingsakkoord werd onderhandeld door Vlaams minister Bourgeois en spreekt al over « elektronische communicatienetwerken ». Aangezien dit een zeer ruime definitie is, is dat volgens mevrouw Maes de beste optie. Het is onduidelijk hoe een nieuw of uitgebreid samenwerkingsakkoord daarbij moet aansluiten. Mogelijk is de volledige bepaling zelfs overbodig. De Raad van State stipt aan dat de wettelijke verplichting voor een samenwerkingsakkoord al bestaat voor « grensoverschrijdende telecommunicatie- en telecontrolenetwerken », in de bijzondere wet van 8 augustus 1980. Men dreigt hier dus meer onduidelijkheid te creëren.

Senator Maes meent dat in deze aangelegenheid een kans werd gemist voor de overheveling van de volledige bevoegdheid. Ondanks eerdere politieke beloften missen de traditionele partijen de kans om de problematiek van de telecommunicatie over te hevelen naar het Vlaams niveau. Sinds 2004 staat in het Vlaams regeerakkoord dat telecommunicatie moet worden overgeheveld naar de gemeenschappen. Dat zou de gemeenschappen in staat stellen een coherent beleid te voeren over de twee deelgebieden. Nu is dat niet mogelijk. Frequenties die behoren tot de gemeenschappen, maar die eigenlijk beter voor telecommunicatie zouden worden ingezet (of omgekeerd), kunnen nu niet zomaar worden doorgeschoven, want eens afgegeven, verliest men ze voor altijd en kan men ze niet zomaar weer terugkrijgen. Met één beleidsniveau, dat over de twee materies zou oordelen, zou men een coherenter beleid krijgen voor de twee deelgebieden.

Volgens mevrouw Maes luidt de conclusie als volgt :

— de huidige regeling zorgt niet voor een heldere organisatie maar creëert integendeel verwarring op meerdere punten;

— mogelijk houden deze artikelen 2 en 42 zelfs een herfederalisering van bevoegdheden in;

— vooral het concept « media-activiteiten » moet duidelijker gedefinieerd worden;

— de versnippering van de bevoegdheid wordt bevestigd en de kans om een coherent regionaal beleid te voeren gaat verloren;

— de traditionele partijen hebben hun oude beloften over telecom helemaal opgedoekt en verbreken hun engagementen in de Vlaamse regering.

Wetsvoorstel houdende oprichting van een Federale Deontologische Commissie (stuk Senaat, nr. 5-2245/1)

Wat het wetsvoorstel houdende oprichting van een Federale Deontologische Commissie betreft, is de heer Ide het uiteraard eens met het doel dat door dit voorstel wordt nagestreefd. Een orgaan dat alleen een adviesbevoegdheid krijgt, zal echter weinig invloed hebben op de ethiek in de politiek. Omdat ze geen sancties kan opleggen, zal deze commissie het nagestreefde doel niet dichterbij brengen. Spreker is dus van mening dat alleen de pers en de media de ethiek in de politiek kunnen doen evolueren. Spreker heeft ook twijfels bij een commissie die zou worden samengesteld uit oud-parlementsleden. Hij vreest dat het slechts om een vorm van « windowdressing » gaat.

Ook stelt de heer Ide zich vragen bij de kostprijs van deze commissie. Is er een budget opgesteld voor haar werking ?

2. Slotbeschouwingen

De heer Ide sluit de opmerkingen van zijn fractie in de algemene bespreking af met een paar algemene beschouwingen :

— deze hervorming is uiterst complex en streeft efficiëntie noch kostenbesparing na;

— zij richt meer instellingen op en zorgt voor een grotere personeelsbehoefte;

— elke bevoegdheidsoverheveling gaat gepaard met een vorm van toezicht vanwege de Federale Staat, wat de overheveling van de bevoegdheid uiteindelijk afremt;

— in deze hervorming zit geen homogeniteit;

— er zijn verschillende bevoegdheden die te maken hebben met persoonsgebonden materies die eigenlijk naar de gemeenschappen moesten gaan en die worden overgeheveld naar de gewesten, wat tegen de logica van de vorige hervormingen ingaat.

Deze hervorming blijkt dus uiteindelijk een gemiste kans te zijn. Men heeft dan ook redenen om te denken dat de zesde staatshervorming een zevende hervorming met zich zal brengen.

De heer Anciaux wijst erop dat men slechts over een staatshervorming kan oordelen wanneer men ook rekening houdt met de hervormingen die eraan voorafgingen. Elke hervorming is immers gebaseerd op de beginselen van de vorige hervorming.

De beoordeling mag dus niet beperkt blijven tot de resultaten die geboekt werden op het terrein van iemands politieke programma.

Spreker onderstreept dat deze zesde staatshervorming anders is dan de voorgaande, omdat er voor het eerst bevoegdheden worden overgeheveld die te maken hebben met de sociale zekerheid en het sociaal beleid.

Bovendien, hoe meer persoonsgebonden materies en bevoegdheden inzake uitkeringen worden overgeheveld, hoe groter het probleem van de toepasbaarheid in Brussel wordt.

Voor de eerste keer worden er nu stapsgewijze bevoegdheden inzake sociaal beleid overgeheveld.

Enerzijds gaat het hierbij om duidelijke pakketten, zoals de overheveling van het gezinsbeleid met sterke bevoegdheden voor de gemeenschappen en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie in Brussel.

Anderzijds gaat het om pakketten, zoals inzake arbeidsmarkt, gezondheidszorg, hulp aan personen, maar ook om nieuwe bevoegdheden met betrekking tot ouderenzorg, huisvesting, landbouw, dierenwelzijn, verkeersveiligheid, mobiliteit, zelfs delen van justitie, die inderdaad niet als homogene pakketten kunnen worden beschouwd. Spreker beaamt dat de kritiek ter zake niet volledig uit de lucht is gegrepen. Er kunnen conflicten rijzen en dit zal waarschijnlijk ook niet de laatste staatshervorming zijn, want sommige aspecten ervan dragen wellicht reeds de kiemen van een volgende staatshervorming in zich. Dat is echter bij elke voorgaande staatshervorming ook zo geweest.

Maar tegelijkertijd zullen Vlaanderen, Wallonië en de Duitstalige gemeenschap aan de slag kunnen met nieuwe bevoegdheden en krijgen ze heel wat nieuwe verantwoordelijkheden om een beleid te voeren, gericht op hun eigen bevolking. Dat is het uitgangspunt van deze staatshervorming : de overheveling van instrumenten om dichter bij de bevolking te staan en dus een beter beleid te voeren.

In het verleden werden nog nooit zo veel bevoegdheden overgeheveld om een eigen sociaal beleid uit te stippelen, met verantwoordelijkheden voor alle domeinen. Het is juist dat het federale niveau enige bevoegdheden behoudt, maar niet als een « schoonmoeder » want er is geen hiërarchie in de normen en ook geen hiërarchie tussen de niveaus.

De voorstellen zijn ingewikkeld en conflicten zijn mogelijk. Samenwerkingsakkoorden zijn dus noodzakelijk. De zesde staatshervorming geeft ons land wel de kans om een nieuwe dynamiek te ontwikkelen, waarin respect tussen de gemeenschappen en de gewesten kan ontstaan. Dat zal ook de opdracht van de nieuwe Senaat zijn. Als men echter niet wil samenleven, dan zal het ook niet lukken. Om te weten hoe de instrumenten zullen worden aangewend, moeten we de volgende legislatuur afwachten.

Wat Brussel betreft, stelt de heer Anciaux dat Brussel een probleem, maar ook een uitdaging kan zijn.

Volgens de oude structuren behoorden alle persoonsgebonden materies tot de bevoegdheden van de gemeenschappen. Toen ging het steeds om instellingen (cultuur, onderwijs, welzijnsinstellingen) terwijl het nu gaat om bevoegdheden met een rechtstreekse impact op de mensen, zoals de toekenning van een vergoeding.

Voor Brussel kunnen er dan drie antwoorden worden gegeven :

De eerste mogelijkheid is de bevoegdheden federaal te houden. Volgens de visie van heel wat politieke partijen moeten de belangrijkste delen van de sociale zekerheid federaal blijven. Hiervoor werd echter niet gekozen.

De tweede mogelijkheid is de subnationaliteit. Dat is juridisch aanvaardbaar en minstens één politieke partij pleit voor deze oplossing, maar die wordt niet gedragen door een meerderheid van de bevolking noch door een meerderheid van de partijen.

De heer Ide merkt op dat de subnationaliteit de mensen wel de keuze laat, zoals ze nu ook al de keuze hebben om zich aan te sluiten bij een Vlaams of Franstalig ziekenfonds, of hun kinderen Nederlandstalig of Franstalig onderwijs te laten volgen. Of is het de bedoeling van de heer Anciaux om het onderwijs terug te federaliseren ?

De heer Anciaux antwoordt dat onderwijs precies instellingen betreft, waarover vroeger akkoorden zijn gesloten, terwijl de Vlaamse Gemeenschap bijvoorbeeld inzake woonzorgcentra nu rechtstreeks kan werken. Er wordt nergens beweerd dat dit geen gemeenschapsbevoegdheid meer zou zijn, integendeel, op dat vlak gaat het om een status quo, alleen met extra bevoegdheden voor de gemeenschappen.

De derde mogelijkheid is om de twee gemeenschappen in Brussel verantwoordelijk te maken. Uiteindelijk hebben de acht partijen van de institutionele meerderheid voor die oplossing gekozen : de twee gemeenschappen moeten hun verantwoordelijkheid opnemen op voet van volledige gelijkheid, zowel wat betreft het uitvoerend als het wetgevend instrument.

De Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie (GGC) is, volgens spreker, dan ook een eerbare keuze voor de rechtstreekse bevoegdheden inzake uitkeringen, omdat heel wat mensen zich afvragen of een totaal ander gezinsbeleid binnen een en hetzelfde appartementsgebouw wel zou kunnen werken. Dat gebeurt wel voor onderwijs en cultuur, maar dat gaat over instellingen, terwijl het nu over uitkeringen gaat. De meerderheid heeft hier geopteerd om de twee gemeenschappen in Brussel op gelijke voet verantwoordelijk te maken.

Spreker maakt wel enig voorbehoud bij het functioneren van de GGC, omdat dat volledig in handen zal liggen van de verkozenen in die GGC, zowel Vlamingen als Franstaligen. De leden van de GGC worden democratisch verkozen door de meerderheid van de burgers. Geen geloof hechten aan een democratisch gekozen instrument, is geen goede democratie. De GGC is dus zeker een eerbaar instrument, ook al is het niet de initiële keuze geweest van de heer Anciaux. De lakmoesproef is het respect voor de taalwetgeving.

Spreker geeft het voorbeeld van de rusthuizen en woonzorgcentra. Ongeveer 40 % van de rusthuizen en woonzorgcentra heeft gekozen voor een erkenning door de Franse Gemeenschap en zijn louter Franstalig, terwijl 1 % voor de Vlaamse Gemeenschap koos. Het overige deel, iets minder dan 60 %, koos voor de GGC. Echter, in de realiteit is ongeveer 80 % van die 60 % eentalig Franstalig en dat is niet correct, want het ondergraaft de geloofwaardigheid van de GGC.

Als de acht partijen van de institutionele meerderheid de GGC nu een belangrijke rol toebedelen, dan is het hoog tijd dat de taalwetgeving wordt gerespecteerd en dat alle Brusselse gezinnen daarop kunnen rekenen. De GGC moet dus een nieuwe start nemen. Het tweetalig functioneren van de GGC is daarbij essentieel.

De heer Ide stelt voor een gezamenlijk amendement in te dienen om dit tweetalig functioneren van de GGC te waarborgen.

De heer Anciaux antwoordt dat hij zich aan de afgesloten akkoorden houdt. Iemand met koudwatervrees zal nooit akkoorden kunnen sluiten.

Een laatste punt van de heer Anciaux betreft de biculturele aangelegenheden. Die zijn duidelijk in de wet omschreven en betreffen bevoegdheden die niet tot de gemeenschappen behoren. Het gaat om federale bevoegdheden, die niet door de federale overheid worden uitgeoefend en die van gewestelijk belang zijn.

In dat verband heeft de Raad van State een aantal suggesties opgeworpen, maar de acht partijen van de institutionele meerderheid hebben niet geoordeeld dat de gemeenschapsbevoegdheden naar het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zouden moeten worden overgeheveld; het gaat alleen om een gewestelijke bevoegdheid voor die federale biculturele aangelegenheden die niet door de federale overheid worden uitgeoefend. Het gaat dus niet om de bestaande wetenschappelijke en culturele federale instellingen. Dat is een compromis en in de teksten hebben de betrokken acht partijen inderdaad alleen het voorbeeld van de Zinneke Parade kunnen geven.

Voor de heer Anciaux zullen de federale bevoegdheden op een bepaald moment heel duidelijk moeten worden omschreven en gebetonneerd, zoals bijvoorbeeld de belangrijkste delen van de sociale zekerheid. Dan zullen die bevoegdheden niet meer systematisch in twijfel worden getrokken en kunnen er ook homogenere pakketten ontstaan. Het zal wel niet evident zijn om daarna te beoordelen wat aan de gemeenschappen en wat aan de gewesten wordt toevertrouwd. Door steeds meer bevoegdheden over te hevelen, worden de gewesten automatisch meer en meer versterkt en de gemeenschappen minder omdat het over aangelegenheden zal gaan die rechtstreeks uitkeringen betreffen. Daarom moeten die aangelegenheden federaal blijven.

Tot slot, om te kunnen oordelen over de voorliggende wetteksten en de zesde staatshervorming, verwijst de heer Anciaux naar de drie voorwaarden van de Frans Baert-doctrine :

— de eerste voorwaarde, bijkomende mogelijkheden en bevoegdheden voor de deelgebieden, is zonder twijfel vervuld. Er is een duidelijke verschuiving van het zwaartepunt van de federale overheid naar de deelgebieden;

— de tweede voorwaarde, geen belangrijke bevoegdheden die aan een gemeenschap worden onttrokken, is ook vervuld. Er zijn enkele nuances aangebracht, bijvoorbeeld dat het Brussels Hoofdstedelijk Gebied nu ook opleidingen mag organiseren in het kader van zijn tewerkstellingsbeleid. Er is geen enkel argument om geen tewerkstellingsbeleid te voeren. Door deze nuance worden de bevoegdheden van de gemeenschappen ook niet verminderd;

— de derde voorwaarde, geen belemmering voor de toekomst, kan ook als vervuld worden aanzien want er worden geen nieuwe grendels in de Grondwet ingeschreven. Er zijn keuzes gemaakt die andere visies mogelijk maken, maar de gemeenschapsbevoegdheden worden niet allemaal gewestbevoegdheden.

Aangezien aan die drie voorwaarden is voldaan, kan de heer Anciaux instemmen met deze staatshervorming.

De heer Ide verwijst naar de complexiteit en de onomkeerbaarheid van de Frans Baert-doctrine. De communautarisering wordt hier losgelaten.

De heer Anciaux meent dat men automatisch tot een versterking van het gewest komt doordat steeds meer en meer bevoegdheden naar de deelgebieden worden overgeheveld.

De heer Ide werpt op dat er een keuze moet worden gemaakt. Men kan perfect kiezen voor communautarisering in plaats van voor regionalisering. Hier heeft men onomkeerbaarheid geïntroduceerd.

De heer Deprez wijst erop dat inzake staatshervorming voorzichtigheid geboden is en geduld aan de dag moet worden gelegd.

Zo werd reeds in het begin van de jaren 1990 over de toen zogeheten laatste fase van de staatshervorming onderhandeld en zo stond het ook toen in de regeringsverklaring geschreven.

Men moet ook geduld hebben. De toekomst van België zal niet volgen uit onderhandelingen tussen de vertegenwoordigers van één gemeenschap. Het gezicht van een land kan niet bepaald worden door één Parlement wanneer er ook andere mede-eigenaars zijn.

Voorzichtigheid mag echter niet worden geïnterpreteerd als pessimisme. Een twintigtal jaar geleden was er voor een aantal partijen, waaronder de PSC, geen sprake van een debat over de overheveling van de toezichthoudende bevoegdheden met betrekking tot de provincies of de gemeenten, naar de gewesten of de gemeenschappen. In deze tekst wordt die overheveling volledig uitgevoerd.

Er komt dus een dag dat het onmogelijke mogelijk wordt, maar wanneer die dag komt, wordt niet door één der partijen bepaald.

Elke staatshervorming biedt de mogelijkheid om deuren te openen voor toekomstige hervormingen.

Met deze hervorming komen we zeker een stap dichter bij de overheveling van bevoegdheden in het belang van de deelstaten. Het zwaartepunt van de bevoegdheidsuitvoering in België verschuift.

Het pakket zelf van de overgehevelde bevoegdheden kan uiteraard bekritiseerd worden. Spreker verwijst bijvoorbeeld naar de asbelasting, waarbij eigenlijk een normerend kader nodig is voor deze overgehevelde bevoegdheid.

Uit de kritiek van de oppositie kunnen we verschillende dingen onthouden.

Om te beginnen is er een reeks precieze vragen waarvan er een aantal pertinent en legitiem zijn.

Er zijn echter ook uitingen van kritiek die gaan van « chaos » tot « bric-à-brac » en die niet op argumenten gebaseerd zijn en dus niet als pertinent beschouwd kunnen worden.

De drie voornaamste punten van kritiek van de oppositie zijn de volgende :

— ten eerste, dat er nog teveel bevoegdheden federaal blijven. Spreker legt uit dat er niet alleen confederalisten en separatisten rond de tafel zitten, maar ook federalisten. Het federalisme is ook een legitieme overtuiging. Dit akkoord is het resultaat van overleg tussen de politieke strekkingen van de meerderheid en vormt het enige mogelijke compromis;

— ten tweede, in verband met de consolidering van Brussel en meer bepaald van de Brusselse instellingen, die tot doel hebben alle Brusselaars aan dezelfde normen te onderwerpen. Spreker begrijpt niet waarom de gelijke behandeling van alle Brusselaars het onderwerp van kritiek is. Dit getuigt van een gebrek aan respect voor de Brusselaars;

— ten derde spreekt men over de complexiteit. Spreker is daar juist lovend over. Hij denkt aan het voorbeeld van de Bondsrepubliek Duitsland. Dat is een complexe staat. Die complexiteit vloeit voort uit het feit dat men de verschillende verwachtingen van de mensen in acht wil nemen, in een kader van wederzijds respect. Dit is vastgelegd in de Grondwet.

De heer Ide werpt op dat de vergelijking met Duitsland niet opgaat. Duitsland heeft een transparant maar totaal verschillend systeem. De overdrachten en ook de vork zijn duidelijk gekend. Men kan de Vlamingen trouwens niet verwijten niet solidair te zijn met het Zuiden van het land. Het Belgisch federalisme is een « top down federalisme ». Volgens spreker ligt de essentie in een bottom up-systeem.

Elkeen heeft zijn oordeel, maar spreker wenst formeel tegen te spreken dat hij niet met Brussel begaan zou zijn. Uit de voorliggende teksten blijkt immers dat zijn fractie meer grondgebonden — geen persoonsgebonden — bevoegdheden aan Brussel wenst toe te kennen.

De heer Laeremans dankt de meerderheid om een inhoudelijk debat te willen voeren, en dat in tegenstelling tot de debatten in de Kamer.

Spreker begrijpt de verschillende gevoeligheden met betrekking tot Brussel. Hij meent dat het nuttig is dat er concurrentie bestaat met betrekking tot de instellingen. Het lijkt hem bijvoorbeeld goed dat de Vlamingen in Brussel hun eigen onderwijsinstellingen hebben en die autonoom kunnen beheren. Anders is het gesteld met individuele rechten, bijvoorbeeld op kinderbijslag en sociale zekerheidsuitkeringen. Spreker uit zijn bezorgdheid vooral op het vlak van justitie. Hij meent bijvoorbeeld dat de bevoegdheid van de Franse Gemeenschap inzake jeugdcriminaliteit niet efficiënt wordt uitgeoefend. De Franse Gemeenschap stelt zich te laks op. Het gaat niet op dat men op eenzelfde grondgebied voor eenzelfde vergrijp gaat werken met een verschillende justitie, waardoor een beleid van twee maten en twee gewichten gaat ontstaan. Spreker meent aldus dat justitie, althans in Brussel, best federaal zou blijven. Dezelfde logica zou kunnen worden doorgetrokken voor de sociale zekerheid, en dat enkel voor Brussel. Op dat vlak heeft spreker een andere mening dan de N-VA-fractie, maar deze verschillende standpunten kunnen het debat verrijken.

3 Antwoorden van de heer Verherstraeten, Staatssecretaris voor Staatshervorming, en replieken

De staatssecretaris wenst de commissie in de eerste plaats te danken voor de grondigheid waarmee ze de voorliggende voorstellen bespreekt. Het bewijst dat de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden van de Senaat haar taak ter harte neemt.

A. Omvang van de bevoegdheidsoverdracht en van de fiscale autonomie

De heer Verherstraeten stelt vast dat sommige leden van de commissie bij hun standpuntbepaling vooruitlopen op de bespreking van het momenteel in de Kamer van volksvertegenwoordigers aanhangige voorstel van bijzondere wet tot hervorming van de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, tot uitbreiding van de fiscale autonomie van de gewesten en tot financiering van de nieuwe bevoegdheden (stuk Kamer, nr. 53-2974/1). De staatssecretaris ontkent niet dat dat voorstel en de in de Senaat ingediende voorstellen die hier ter tafel liggen, inhoudelijk samenhangen, maar hij stelt voor om de discussie over het voorstel van bijzondere wet betreffende de financieringswet te gepasten tijde te houden.

Wat de cijfers betreft, kan hij melden dat het federaal Vlinderakkoord in een bevoegdheidsoverdracht voorzag ter waarde van 17 miljard euro en in een fiscale autonomie ter waarde van 10 miljard euro. Met de voorliggende voorstellen stijgen die bedragen tot respectievelijk 20 miljard euro en 12 miljard euro. Deze verschillen zijn te verklaren door het feit dat er tijdens de onderhandelingen over het Vlinderakkoord werd gewerkt op basis van de cijfers die op dat ogenblik gekend waren, zijnde de begrotingscijfers 2011. In de wetsvoorstellen die ter tafel liggen, heeft de institutionele meerderheid op basis van de begrotingscijfers 2013 gewerkt. In de cijfers van het Vlinderakkoord werd bovendien geen rekening gehouden met de personeels- en werkingskosten. Er zijn eveneens beperkte perimeteruitbreidingen, zoals long term care-revalidatieovereenkomsten. Op die problematiek kan dieper worden ingegaan tijdens de bespreking van het voormelde voorstel van bijzondere wet betreffende de financieringswet.

De heer Ide wenst meer duidelijkheid over de personeels- en werkingskosten voor het luik gezondheidszorg, in het bijzonder van de ziekenfondsen. Zullen ook die kosten hoger liggen dan de aangekondigde 20 miljoen euro ?

De heer Verherstraeten, staatsecretaris voor Staatshervorming, geeft de cijfers die gediend hebben voor het opstellen van het voorstel van bijzondere wet tot wijziging van de financieringswet. Voor de FOD Sociale Zekerheid gaat het om 2 397,98 voltijdse equivalenten en voor de openbare instellingen Sociale zekerheid om 1 867,95 voltijdse equivalenten. Dat is een totaal van 4 265,93 voltijdse equivalenten, zonder de werknemers van de kinderbijslagkassen die in aparte VZW's tewerkgesteld zijn.

De overdracht van personeel zal bij koninklijk besluit worden geregeld krachtens respectievelijk artikel 88 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en de wet van 13 maart 1991 betreffende de afschaffing of de herstructurering van instellingen van openbaar nut en andere overheidsdiensten. Als hele diensten worden overgeheveld, gaat al het personeel verplicht mee. Als slechts een gedeelte van de dienst wordt overgeheveld, gebeurt de overdracht eerst op vrijwillige basis en, indien dat niet volstaat, op verplichte basis. Het spreekt voor zich dat hierover gesprekken moeten plaatsvinden tussen de federale en regionale administraties. Deze gesprekken zijn trouwens al aan de gang en komen nu in een stroomversnelling.

In dit opzicht bevestigt hij de woorden van de heer Moureaux, die heeft benadrukt dat de uitvoering van de zesde staatshervorming een werk van lange adem zal zijn. De overdracht van het personeel, de dossiers en de ICT zal ongetwijfeld enkele jaren duren.

Dit werk wordt voorbereid door de Kanselarij en de interfederale taskforce.

Over de vraag of deze zesde staatshervorming een budgettaire kanteling veroorzaakt, verklaart de staatssecretaris dat zijn kabinet onlangs een projectie heeft gemaakt waarbij men ervan uitging dat de gemeenschappen en gewesten na de zesde staatshervorming over een approximatief budget van 67 miljard zouden beschikken. De budgetten van de gemeenschappen en gewesten zullen dan ongeveer gelijk zijn aan het budget van de sociale zekerheid en zullen ongeveer het dubbele bedragen van het budget van de federale overheid die over ongeveer 33,5 miljard zou beschikken.

Entiteit II (gewesten, gemeenschappen en lokale besturen) beschikt dan over 49 % van het totale staatsbudget, terwijl entiteit I (federale overheid inclusief de sociale zekerheid) over ongeveer 51 % beschikt.

Over de vraag of dit een voldoende responsabilisering oplevert, verwijst hij naar de toekomstige discussie over de bijzondere financieringswet. Persoonlijk is de staatssecretaris van oordeel dat de zesde staatshervorming voor veel meer responsabilisering van de deelentiteiten zorgt. Er zal immers met globale dotaties en met fiscale autonomie worden gewerkt, aangezien de enveloppefinanciering verdwijnt. Een belangrijk aspect van de responsabilisering is te vinden in het arbeidsmarktbeleid. Door de fiscale autonomie zal 25 % van de personenbelasting worden overgeheveld naar entiteit II. Dat heeft tot gevolg dat elke regio er baat bij heeft dat een werkloze actief wordt begeleid en over een job beschikt.

Wat de budgettaire implicaties van de bevoegdheidsoverdracht betreft, werd er tijdens de bespreking vaak gesteld dat er per specifiek onderdeel van de staatshervorming slechts 87,5 % van de budgetten zal worden overgedragen. Dat is een verkeerde redenering : er is immers enerzijds de financiering aan 100 % anno 2015 en, los daarvan, het aandeel in de sanering van de overheidsuitgaven. Dat vertegenwoordigt ongeveer 2,5 miljard euro voor de gemeenschappen en de gewesten en ongeveer 6 miljard euro voor de federale overheid. Het grootste deel blijft dus bij het federale niveau, terwijl ook de interestlast federaal blijft.

Het voorstel van bijzondere financieringswet voorziet in de concrete over te dragen bedragen. Daarnaast voorziet dat voorstel ook in een globale saneringsinspanning die echter kan geleverd worden met alle middelen van de gemeenschappen en de gewesten.

De staatssecretaris wijst erop dat deze manier van werken niet nieuw is. Toen in 1988 de bevoegdheden inzake openbare werken werden geregionaliseerd, werd slechts 80 % van de investeringskredieten overgedragen.

De heer Ide herinnert eraan dat er geen overdracht van middelen heeft plaatsgehad toen de bevoegdheden inzake ontwikkelingshulp werden overgedragen aan de deelstaten. Het gebeurt vaak dat bevoegdheden worden overgedragen zonder dat de middelen volgen. Dat zijn bijkomende lasten die moeten worden gedragen door de gemeenschappen en gewesten, en die de bevoegdheidsoverdrachten erg pijnlijk maken op begrotingsvlak.

De heer Verherstraeten merkt op dat deze vragen buiten dit debat vallen aangezien ze de bijzondere financieringswet beogen.

B. Complexiteit en homogeniteit van de voorgestelde bevoegdheidsoverdracht

Onze institutionele geschiedenis leert ons dat ook de vorige staatshervormingen niet eenvoudig waren. De positie van « Brussel » en de uiteenlopende interpretatie die er ten noorden en ten zuiden van de taalgrens aan wordt gegeven, bewijst dat de discussies hierover nog steeds gespannen verlopen. Maar het is niet omdat het op politiek vlak complex is dat het ook op de werkvloer complex hoeft te zijn.

Er werd veel gediscussieerd over de vraag of deze zesde staatshervorming meer of minder homogeniteit in de bevoegdheidspakketten tot stand zal brengen. Persoonlijk twijfelt de staatssecretaris er niet aan dat er veel meer homogeniteit zal zijn. Er worden serieuze stappen vooruitgezet, onder meer voor ouderenzorg. De volledige bevoegdheid, inclusief de prijsbepaling voor de bewoners en de financiering, inzake rusthuizen (RVT), rustoorden (ROB), centra voor dagverzorging (CDV) en centra voor kortverblijf (CKV) wordt integraal aan de gemeenschappen overgedragen.

Hierdoor wordt een einde gemaakt aan de versnippering die vóór de zesde staatshervorming bestond, waarbij verschillende overheden (de gemeenschappen, de FOD Volksgezondheid, de FOD Sociale Zekerheid en de FOD Economie) specifieke bevoegdheden hadden die elkaar ook nog eens konden overlappen. Zo waren de gemeenschappen bevoegd voor de normering van de ROB's en de FOD Volksgezondheid voor de normering van de RVT's. Vermits de rusthuizen meestal gemengde structuren met ROB- en RVT-bedden hebben, werden zij in hun geheel gecontroleerd door de Inspectie van de gemeenschappen. De FOD Sociale Zekerheid (RIZIV) stond in voor een belangrijk deel van de kostenfinanciering van de ROB's en RVT's. De planning, de erkenning en het toezicht waren bevoegdheden van de gemeenschappen terwijl de prijsregulering tot de bevoegdheid van de FOD Economie behoorde.

De zesde staatshervorming zorgt in dit zeer belangrijk domein voor centralisatie en homogeniseert deze bevoegdheid in belangrijke mate.

Ook op het niveau van de dagverzorgingscentra is er een aanzienlijke homogenisering.

Momenteel zijn er vier verschillende soorten dagverzorgingscentra, met elk hun eigen planning-, vergunnings-, erkennings- en financieringsbeleid : de federaal erkende « Centra voor dagverzorging » (CDV), de Vlaamse dagverzorgingscentra (DVC), de Vlaamse Collectieve Autonome Dagopvang (CADO) die thans volledig losgekoppeld wordt van de RIZIV-financiering en van het woonzorgcentrum en georganiseerd wordt door de diensten voor gezinszorg en aanvullende thuiszorg, en de dagcentra voor palliatieve verzorging.

Ook in de mobiliteitshulpmiddelen wordt in een verregaande homogenisering voorzien. Het is bijvoorbeeld zo dat men zich voor een rolstoel tot het RIZIV moet wenden, maar voor de herstelling ervan tot het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap. In de toekomst zal dat enkel nog door de gemeenschappen worden geregeld.

Wat de bouw en verbouw van de ziekenhuizen betreft, heeft collega Ide zelf erkend dat er stappen vooruit worden gedaan.

Met betrekking tot de geestelijke gezondheidszorg heeft de heer Ide verklaard dat alleen het overlegplatform overgedragen wordt. Dat is niet correct. Ook de psychiatrische verzorgingstehuizen en initiatieven voor beschut wonen gaan over naar de deelstaten. In totaal gaat het over een budget van meer dan 200 miljoen euro voor geestelijke gezondheidszorg.

Wat de geïsoleerde G- en SP-diensten betreft, is er ook wel degelijk sprake van homogenisering. De geïsoleerde SP-diensten leunen immers zeer dicht aan bij de « long term care revalidatie » die wordt overgeheveld. De geïsoleerde G-diensten leunen dan weer zeer dicht aan bij de oudereninstellingen die worden overgeheveld.

Omtrent het personeelsstatuut verwijst de staatssecretaris naar blz. 9 van de toelichting (stuk Senaat, nr. 5-2232/1) : « (...) De federale overheid organiseert een overleg met de deelstaten voordat zij sociale akkoorden voor de gezondheidszorgberoepen in de zogenaamde « federale sectoren » afsluit (en, insgelijks, overleggen de deelstaten vooraf met de federale overheid). De wijze waarop dit overleg georganiseerd wordt, zal worden bepaald in het kader van de bevoegde interministeriële conferentie. (...) ».

Op de vraag over de hospitalisatieverzekeringen antwoordt de staatssecretaris dat de verzekeraar de geïsoleerde G- en SP-diensten steeds expliciet in zijn polis kan opnemen indien hij dat wenst. Hij verwijst in dat verband naar artikel 44 van het voorstel van bijzondere wet wat de verrekening met de maximumfactuur betreft (zie tevens de toelichting, stuk Senaat, nr. 5-2232/1, blz. 181 en 182).

Over het Fonds Sociale Maribel stelt de staatssecretaris dat de middelen daarvan niet worden getransfereerd. Het gaat hier om structurele RSZ-kortingen die federaal blijven. Enkel de specifieke doelgroepkortingen worden overgedragen.

De heer Verherstraeten, staatssecretaris, deelt de mening niet als zouden de voorstellen een gebrekkige financiering van de ouderinstellingen inhouden. De dotaties gaan in 2015 uit van een volledige financiering van de overgedragen bevoegdheden. Bij de financiering van de overdrachten wordt rekening gehouden met de behoeften (demografische sleutel en sleutel 80plussers). De dotaties evolueren ook mee met de inflatie en een deel van de economische groei. De gemeenschappen zullen zelf beslissen hoe ze hun budgetten besteden en in welke domeinen bespaard moet worden of meer kan worden geïnvesteerd. Dat de vergrijzingskosten soms sneller kunnen evolueren dan de economische groei klopt. De gemeenschappen zullen hier een deel van de verantwoordelijkheid krijgen, maar dus ook een deel van het financieel risico. Het grootste deel van het financiële risico blijft wel op federaal niveau liggen (pensioenen en ziekteverzekering).

Subquota in de zorgberoepen

De heer Verherstraeten, staatssecretaris voor Staatshervorming, legt uit dat de subquota in de zorgberoepen belangrijk zijn. De gemeenschappen kunnen bepalen welke specialisten zij specifiek willen en hoe zij de eerstelijnszorg organiseren.

Kinesitherapieverstrekkingen

Voor de kinesitherapieverstrekkingen in de ROB (Rustoorden voor Bejaarden) en de RVT (Rust en verzorgingstehuizen) worden de principes van de nomenclatuur gevolgd. Het basisprincipe van de zesde staatshervorming bestaat in het behoud van de federale nomenclatuur. Uiteraard bestaan hierop een aantal uitzonderingen, zoals de overdracht van de mobiliteitshulpmiddelen die ook de overdracht impliceert van de desbetreffende nomenclatuurnummers. De akten die geen deel uitmaken van de instellingsfinanciering van de oudereninstelling en die momenteel worden vergoed via de nomenclatuur, zullen ook na de zesde staatshervorming worden betaald door de federale overheid, met name door het RIZIV. Aangezien kinesitherapieverstrekkingen in een ROB worden vergoed via de nomenclatuur, zal de federale overheid hiervoor blijven instaan. De kinesitherapieverstrekkingen in een RVT zitten echter in de overgedragen RIZIV-financiering, waarbij de deelstaten zullen moeten instaan voor de betalingen ervan.

Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie in Brussel

Wat de bevoegdheden van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie in Brussel betreft, wordt verwezen naar de toelichting bij het voorstel van bijzondere wet(stuk Senaat, nr. 5-2232/1, blz. 6 en 7). Daarin wordt het algemeen principe verduidelijkt dat alle bevoegdheden inzake gezondheidszorg aan de gemeenschappen zullen worden overgedragen, maar dat er voor Brussel twee uitzonderingen zijn en de GGC bevoegd zal zijn :

« In zoverre de bevoegdheden — wat personen betreft — verplichtingen of rechten op een tegemoetkoming of toelage inhouden, of in de mate dat het om bicommunautaire instellingen gaat, zal in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie (GGC) de bevoegde overheid zijn.

Zo zal voor de volgende materies die overgedragen worden aan de gemeenschappen door dit voorstel van bijzondere wet, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie (GGC) bevoegd zijn op het grondgebied van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad :

— tegemoetkoming hulp aan bejaarden (THAB);

— Impulseo;

— consultaties voor tabaksontwenning;

— de gecommunautariseerde prestaties die ten laste genomen worden in het kader van de « maximumfactuur » (MAF);

— mobiliteitshulpmiddelen, met een verplicht Samenwerkingsakkoord gesloten tussen de GGC, de Vlaamse en Franse Gemeenschap met het oog op het instellen van één loket voor de gehandicapten wat betreft de mobiliteitshulpmiddelen bedoeld in artikel 5, § 1, II, 4 (zie infra). »

Overheveling van de erkenningen van zorgberoepen

Met betrekking tot de overheveling van de erkenningen van zorgberoepen, is er ook een overdracht van de erkenning van stagemeesters en van de provinciale geneeskundige commissies. Spreker verwijst naar de toelichting : « De federale overheid blijft evenwel bevoegd om de voorwaarden voor de erkenning van zorgverstrekkers te bepalen die voor geheel België gelijk zijn. Het gaat om de bevoegdheid om de voorwaarden te bepalen waaraan de uitoefening van een gezondheidszorgberoep moet voldoen. De gemeenschappen kunnen die federale voorwaarden toepassen teneinde een beleid te voeren dat aangepast is aan hun behoeften. (...) » (zie stuk Senaat, nr. 5-2232/1, blz. 47). Bovendien bestaat er een sterk verband met opleiding. Onderwijs is namelijk een gemeenschapsbevoegdheid.

Instituut

Wat het instituut betreft dat zal worden opgericht om overlegde antwoorden op de grote uitdagingen inzake de gezondheidszorg te waarborgen, wordt verwezen naar de toelichting (zie stuk Senaat, nr. 5-2232/1, blz. 8 en 9).

Preventie

Met betrekking tot het onderdeel « preventie » licht de heer Verherstraeten, staatssecretaris voor Staatshervorming, de reactie van de institutionele meerderheid toe op het advies van de Raad van State nr. 53.932/AV, blz. 22-23. De Raad van State stelt :« Aangezien de in de toelichting genoemde initiatieven (vaccinatiecampagne, screeningcampagne, nationaal voedings- en gezondheidsplan (NVGP), mondhygiëne in scholen, tabaksontwenning en Fonds ter bestrijding van verslavingen) al behoren tot de bevoegdheid van de gemeenschappen op grond van het bestaande artikel 5, § 1, I, 2, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, het niet nodig [is] om het voorgestelde artikel 5, § 1, I, 8, aan te vullen. Uit deze aanvulling zou men zelfs kunnen afleiden dat de woorden « de gezondheidsopvoeding alsook de activiteiten en diensten op het vlak van de preventieve gezondheidszorg » geen algemene draagwijdte hebben.

Volgens de Raad is het « dan ook aangewezen het ontworpen artikel 5, § 1, I, eerste lid, 8, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 niet aan te vullen maar wel de toelichting ter zake te bevestigen, samen met een toelichting ter zake bij het voorstel van bijzondere wet « tot hervorming van de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, tot uitbreiding van de fiscale autonomie van de gewesten en tot financiering van de nieuwe bevoegdheden » aangaande het overhevelen naar de gemeenschappen van de middelen die thans door de federale overheid voor de preventie-initiatieven worden besteed. » (zie stuk Senaat, nr. 5-2232/3, blz. 20).

Antwoord van de institutionele meerderheid

Zoals de Raad van State vraagt, bevestigen de stellers uitdrukkelijk dat het hun bedoeling is dat de federale overheid en de gewesten geen enkele bevoegdheid meer hebben inzake « de gezondheidsopvoeding alsook de activiteiten en diensten op het vlak van de preventieve gezondheidszorg », met uitzondering van de nationale maatregelen inzake profylaxis. De federale overheid en de gewesten zullen aldus geen dergelijke maatregelen meer kunnen invoeren op grond van welke bevoegdheid dan ook.

De stellers bevestigen ook dat uit de aanvulling van de woorden « alle preventie-initiatieven inzake de preventieve gezondheidszorg » in artikel 5, § 1, I, 8, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, geenszins mag afgeleid worden dat de woorden « de gezondheidsopvoeding alsook de activiteiten en diensten op het vlak van de preventieve gezondheidszorg » geen algemene draagwijdte zouden hebben.

De heer Ide vraagt of de heer Verherstraeten staatssecretaris voor Staatshervorming, met deze reactie bevestigt dat de primaire, secundaire en tertiaire preventie een gemeenschapsbevoegdheid is.

De heer Verherstraeten bevestigt dat, in de mate door de toelichting bepaald.


Vervolgens licht hij de reactie van de institutionele meerderheid toe op het advies nr. 53.932/AV van de Raad van State aangaande artikel 6 van het voorstel van bijzondere wet met betrekking tot de Zesde Staatshervorming (stuk Senaat, nr. 5-2232/1).

— Erkenningsnormen van de ziekenhuizen

In dat advies merkt de Raad van State op dat « Op grond van het voorgestelde artikel 5, § 1, I, 1º, de gemeenschappen voortaan bevoegd [zullen] zijn voor de erkenningsnormen van de ziekenhuizen. De « organieke wetgeving, met uitzondering van de investeringskost en de infrastructuur en de medisch technische diensten » blijft echter tot de bevoegdheid van de federale overheid behoren. Op grond daarvan blijft de federale overheid ook bevoegd om de « basiskenmerken » te bepalen van de ziekenhuizen, ziekenhuisdiensten, afdelingen, ziekenhuisfuncties, medische en medisch-technische diensten, zorgprogramma's, zware apparaten, netwerken en zorgcircuits.

De vraag rijst hoe de gemeenschapsbevoegdheid inzake de erkenningsnormen zich verhoudt tot de federale bevoegdheid inzake de basiskenmerken. Meer bepaald rijst de vraag of de door de federale overheid bepaalde basiskenmerken een normatieve draagwijdte hebben en of de gemeenschappen verplicht zijn ermee rekening te houden bij het bepalen van de erkenningsnormen. Het komt aan de bijzondere wetgever toe hierover duidelijkheid te verstrekken. » (zie stuk Senaat, nr. 5-2232/3, blz. 18).

Antwoord van de institutionele meerderheid

De indieners van het voorstel bevestigen vooreerst dat de basiskenmerken vastgesteld door de federale overheid een normatieve draagwijdte hebben (dat wil zeggen dat ze juridisch bindend zijn) en dat de gemeenschappen bij de uitoefening van hun bevoegdheid inzake de erkenningsnormen geen afbreuk mogen doen aan deze federale bevoegdheid, net zoals de federale overheid bij het uitoefenen van haar bevoegdheid inzake de basiskenmerken geen afbreuk mag doen aan de bevoegdheid van de gemeenschappen inzake de erkenningsnormen.

De wederzijdse afbakening van de federale en gemeenschapsbevoegdheid wordt nader toegelicht in de toelichting.

In dat verband verwijzen de indieners van onderhavig voorstel naar de toelichting van het onderhavig voorstel (stuk Senaat, nr. 5-2232/1, blz. 35-37) :

« 1) Organiek zijn :

a) de basiskenmerken van de :

i) ziekenhuizen (onder meer wat betreft de ziekenhuisgebonden prestaties, uitsplitsing over verschillende vestigingsplaatsen, minimaal activiteitsniveau), psychiatrische ziekenhuizen, universitaire ziekenhuizen;

ii) ziekenhuisdiensten, afdelingen, ziekenhuisfuncties, medische en medisch-technische diensten, zorgprogramma's, zware apparaten, netwerken en zorgcircuits. Zo kunnen basiskenmerken vernoemd worden die een direct verband vertonen met de programmatie en/of financiering alsook een structureel karakter vertonen (bijvoorbeeld noodzakelijke apparatuur, de aard van de verleende zorg binnen een ziekenhuis of ziekenhuisdienst of de doelgroep, het minimale personeelskader);

iii) samenwerkingsverbanden tussen ziekenhuizen.

b) de regelen met betrekking tot het beheer en de besluitvorming in de ziekenhuizen, met inbegrip van de interne adviesorganen;

c) het statuut van de ziekenhuisarts en de betrokkenheid bij de besluitvorming van ziekenhuisartsen en andere gezondheidszorgberoepen;

d) de algemene regelen met betrekking tot de structurering van de verpleegkundige en medische activiteiten;

e) de regelen inzake de boekhouding, de financiële controle en de mededeling van gegevens;

f) de implicaties van het al dan niet voldoen aan de basisregelen inzake programmatie of maximum aantal diensten, functies, enz., of aan de bepalingen van de organieke wetgeving;

g) de algemene regelen inzake de gevolgen van het al dan niet voldoen aan de erkenningsnormen van de diensten, functies, ..., of de toelatingen tot het opstellen van zware apparaten, (dit betreft bijvoorbeeld de regel « intrekking erkenning = geen financiering »).

2) Niet organiek zijn en behoren dus tot de bevoegdheden van de gemeenschappen :

a) het vaststellen van voorwaarden waaraan moet worden voldaan of het bepalen van aangelegenheden waarop de normen minimaal betrekking moeten hebben (dit valt onder de erkenningsnormen), met inbegrip van de regels met betrekking tot de kwaliteit van de ziekenhuisdienst, -instelling of -organisatie;

b) de procedures en uitvoeringsbesluiten met betrekking tot de bevoegdheden die niet tot de federale overheid zullen behoren (bijvoorbeeld de erkenningsprocedures (voorlopige erkenning, opschortend beroep ...);

c) in het kader van de overgedragen bevoegdheden, de regelgeving met betrekking tot de kwaliteitstoetsing en het uitwerken van de kwaliteitsevaluatie (dit interfereert sterk met de erkenningsnormen). De kenmerken van de zorg die te maken hebben met het proces en het resultaat (outcome) moeten — zo nodig — ingebed kunnen worden in de erkenningsnormen);

d) de bepaling van de medisch-sociale inrichtingen, de plaatsen beschut wonen, en doorgangstehuizen en de categorale (Sp- en G-) ziekenhuizen. »

De heer Verherstraeten, staatssecretaris voor Staatshervorming, legt een lijst neer van de categorale Sp- en G-ziekenhuizen (zie bijlage).

Zware apparaten

Met betrekking tot de zware apparaten zoals MRI, PET-scan en radiotherapie verwijst de heer Verherstraeten naar de toelichting (stuk Senaat, nr. 5-2232/1, blz. 34). Spreker concludeert dat enkele basiskenmerken van de zware apparaten tot de organieke wetgeving behoren.

Interneringsinstellingen

De nieuwe interneringsinstellingen in Gent en Antwerpen blijven federaal.

De heer Ide wenst te weten of ook de uitbating van die instellingen federaal blijft. Inzonderheid in Gent wordt gepoogd om van de interneringsinstelling een zorginstelling te maken. De congregatie Broeders van Liefde die ook actief is in de psychiatrie, zou kandidaat zijn om die instelling te beheren. De vraag is dus of die interneringsinstellingen een detentie-instelling zijn met zorgequipes of een interneringsinstelling met zorg ?

De heer Laeremans concludeert dat de interneringsinstellingen klinieken worden en geen verzorgingsinstellingen. Er werd daarenboven gesteld dat het geen gevangenissen zouden zijn.

De heer Verherstraeten, staatssecretaris voor Staatshervorming, antwoordt dat er op dit ogenblik in Gent en Antwerpen twee interneringsinstellingen worden gebouwd door de federale overheid en de Regie der Gebouwen. Wat Gent betreft, is er een aanbestedingsprocedure hangende bij de ministers van Justitie en Sociale Zaken en Volksgezondheid om de exploitatie toe te wijzen. Dat gebeurt dus op federaal niveau. De gemeenschappen zullen bevoegd zijn voor de zorgverstrekking in interneringsinstellingen voor zover de gemeenschappen bevoegd zijn voor zorgverstrekking in en buiten verzorgingsinstellingen.

De heer Laeremans vraagt of zowel de FOD Sociale Zaken als de gemeenschappen actief zijn in de gevangenissen voor de zorgverstrekking.

De heer Ide merkt op dat op federaal niveau de FOD Justitie en de FOD Volksgezondheid bevoegd zijn, maar het is niet steeds duidelijk wie de zorg zal financieren. Als de gemeenschappen dan ook nog bevoegd worden voor de zorgstrekking moet men hiermee uiteraard ook rekening houden bij de aanbesteding voor de uitbating van deze interneringsinstellingen.

De staatssecretaris antwoordt dat de interneringsinstellingen integraal federaal blijven.

Geestelijke thuisverpleging

De geestelijke thuisverpleging maakt geen deel uit van de gezondheidszorg buiten het ziekenhuis. Het blijft een federale materie ook al is de patiënt ambulant verbonden aan een psychiatrische verzorgingsinstelling. De zogenaamde « artikel 107 projecten » worden niet overgedragen aan de gemeenschappen.

Psychiatrische instellingen

Wat de psychiatrische instellingen betreft, blijven de psychiatrische ziekenhuizen als dusdanig federaal, terwijl de psychiatrische verzorgingstehuizen worden overgedragen aan de gemeenschappen.

Gezondheidszorg

Wat het budget van de zorgvernieuwingsprojecten aangaat, worden enkel de categorieën 1 en 4 overgedragen omdat er een link is met de RVT's.

Inzake de opsomming van koninklijke besluiten en ministeriële besluiten betreffende artikel 6 dat handelt over bevoegdheidsoverdrachten inzake gezondheidszorg en de hulp aan personen, wordt verwezen naar de toelichting bij het voorstel van bijzondere wet met betrekking tot de Zesde Staatshervorming (stuk Senaat, nr. 5-2232/1, blz. 23 tot 32). Die opsomming bevat bevoegdheden inzake gezondheidszorg en de hulp aan personen die in elk geval worden overgeheveld. De staatssecretaris verwijst wat dat betreft ook naar blz. 2 van de toelichting bij het voorstel van bijzondere wet.

Vaccins

De vaccins die via de apotheek worden verkocht, worden na de zesde staatshervorming ook als een vorm van preventie beschouwd en blijven een federale materie. Enkel de vaccinatiecampagnes worden overgedragen aan de gemeenschappen.

Mobiliteitshulpmiddelen

De staatssecretaris legt uit dat de middelen van de mobiliteitshulp integraal worden overgedragen en verdeeld over de gemeenschappen.

Arbeidsaspecten inzake gezondheidsbeleid

De arbeidsaspecten inzake gezondheidsbeleid betreffen de bijzondere financieringswet. Een amendement om een extrabudget van ongeveer 39 miljoen euro over te hevelen is net goedgekeurd door de Kamercommissie voor de herziening van de Grondwet en de hervorming van de instellingen.

Advies van de Raad van State

— Long term care revalidatie

In zijn advies nr. 53.932/AV merkt de Raad van State aangaande artikel 6 van het voorstel het volgende op : « Op grond van het voorgestelde artikel 5, § 1, I, 5, de gemeenschappen voortaan bevoegd [zullen] zijn voor « het beleid inzake long term care revalidatie ». Alhoewel het gebruik van het begrip « het beleid » suggereert dat het hele beleid ter zake aan de gemeenschappen wordt overgedragen, blijkt uit de toelichting dat het blijkbaar slechts de bedoeling is een aantal welbepaalde beleidsinstrumenten — meer bepaald een aantal revalidatieovereenkomsten — over te dragen, die nader worden gespecificeerd door de verwijzing naar de RIZIV-nummers die thans er op betrekking hebben. De toelichting geeft aan dat deze revalidatieovereenkomsten « volledig uit de federale ziekte- en invaliditeitsverzekering » worden gehaald en dat de « overige revalidatieovereenkomsten (met name de niet-'long term care »-revalidatie) » nog tot de federale bevoegdheid inzake ziekte- en invaliditeitsverzekering blijven behoren.

Deze wijze van bevoegdheidsoverdracht is niet helder. Indien het de bedoeling is dat de gemeenschappen uitsluitend bevoegd zijn voor het beleid met betrekking tot de aangelegenheden die het voorwerp uitmaken van de in de toelichting vermelde « long term care-revalidatie »-overeenkomsten, dient dit uitdrukkelijk te worden vermeld. Indien het echter de bedoeling is dat de gemeenschappen in de toekomst ook bevoegd zijn voor andere aspecten van het beleid inzake « long term care- revalidatie », terwijl de federale wetgever nog slechts voor het beleid inzake de « niet-long term care-revalidatie » bevoegd is, dient de bijzondere wetgever, minstens in de toelichting, het onderscheid tussen « long term care-revalidatie » en « niet-long term care-revalidatie » te verduidelijken. » (zie stuk Senaat, nr. 5-2232/3, blz. 18).

Antwoord van de institutionele meerderheid

« Overeenkomstig het voorgestelde artikel 5, § 1, I, 5 zullen de gemeenschappen voortaan bevoegd zijn voor het beleid inzake long term care-revalidatie. De artikelsgewijze toelichting van het voorstel van bijzondere wet met betrekking tot de Zesde Staatshervorming (zie stuk Senaat nr. 5-2232/1, blz. 37) dient dan ook zo te worden begrepen dat het ganse beleid inzake long term care-revalidatie wordt overgedragen en dus niet alleen de desbetreffende revalidatie-overeenkomsten die worden opgelijst.

Het beleid inzake long term care-revalidatie wordt gedefinieerd in de artikelsgewijze toelichting, met name het beleid inzake « de niet acute of post-acute zorg die op multidisciplinaire wijze wordt verstrekt, ongeacht de instelling waar deze zorgen worden verstrekt in het kader van de interactie ouders-kinderen, in het kader van mentale-, sensoriële-, verslavings-, stem- en spraakstoornissen, voor hersenverlamden, in het kader van kinderen met respiratoire en neurologische aandoeningen, evenals de niet acute of post-acute zorg die op multidisciplinaire wijze wordt verstrekt wat betreft motorische stoornissen buiten algemene en universitaire ziekenhuizen en ziekenhuizen waar tegelijkertijd chirurgische en geneeskundige verstrekkingen verricht worden exclusief voor kinderen of voor de behandeling van tumoren. ».

De in de toelichting opgelijste revalidatieovereenkomsten zijn daar toepassingsgevallen van. De bestaande revalidatieovereenkomsten die niet opgenomen zijn in de toelichting, behoren niet tot het beleid inzake long term care revalidatie. ».

— Subquota van gezondheidszorgberoepen

In zijn advies nr. 53.932/AV (blz. 19) merkt de Raad van State aangaande artikel 6 van het voorstel op dat : « Op grond van het voorgestelde artikel 5, § 1, I, 7, de gemeenschappen voortaan bevoegd [zullen] zijn, « wat de gezondheidsberoepen » betreft, voor « a) hun erkenning met naleving van de door de federale overheid bepaalde erkenningsvoorwaarden; b) hun contingentering, rekening houdende, in voorkomend geval, met het globale aantal dat de federale overheid per gemeenschap jaarlijks kan vaststellen voor de uitoefening van elk van de gezondheidszorgberoepen. »

In de toelichting bij het voorstel wordt enerzijds gesteld dat inzake de « erkenning van zorgberoepen en de subquota van gezondheidszorgberoepen » « de Vlaamse Gemeenschap of de Franse Gemeenschap de bevoegde overheid zijn wanneer de instellingen wegens hun organisatie moeten beschouwd worden uitsluitend te behoren tot de ene of de andere gemeenschap of de GGC, wanneer de instellingen wegens hun organisatie niet uitsluitend behoren tot de ene of de andere gemeenschap. »

Het komt aan de bijzondere wetgever toe, op zijn minst in de parlementaire voorbereiding, de uitoefening van deze bevoegdheid in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad te verduidelijken en aan te geven wanneer de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie dan wel de beide gemeenschappen zullen optreden, ermee rekening houdend dat volgens het voorgestelde artikel 5, § 1, I, 7, de federale overheid « per gemeenschap » — van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie is daar geen sprake — jaarlijks het globale aantal beoefenaars van de gezondheidszorgberoepen kan vaststellen. » (zie stuk Senaat, nr. 5-2232/3, blz. 19).

Antwoord van de institutionele meerderheid

In de toelichting wordt aangaande de zorgberoepen en de subquota van gezondheidszorgberoepen bepaald dat, « de Vlaamse Gemeenschap of de Franse Gemeenschap de bevoegde overheid zijn wanneer de instellingen wegens hun organisatie moet worden beschouwd uitsluitend te behoren tot de ene of de andere gemeenschap of de GGC wanneer de instellingen wegens hun organisatie niet uitsluitend behoren tot de ene of de andere gemeenschap » en wordt aldus de instellingsgebonden logica gevolgd.

In dat opzicht verwijst de Raad van State in zijn advies 53.932/AV (blz. 15) naar de bevoegdheidsverdeling in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad zoals die is verduidelijkt in de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof en in de adviespraktijk van de Raad van State.

« Daaruit blijkt dat de Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap respectievelijk de Franse Gemeenschapscommissie in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad uitsluitend bevoegd zijn ten aanzien van unicommunautaire instellingen en dat zij in dat gebied niet rechtstreeks rechten kunnen toekennen en verplichtingen kunnen opleggen aan natuurlijke personen.

Dit sluit evenwel niet uit dat natuurlijke personen « in bepaalde omstandigheden als een « instelling » beschouwd kunnen worden ». Dezelfde opmerking geldt voor publiekrechtelijke rechtspersonen, zoals een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of een naamloze vennootschap.

Anderzijds moet erop worden gewezen dat « natuurlijke personen (van welke taalaanhorigheid ook) » kunnen worden bereikt door de gemeenschapen « via de instellingen behorend tot de betrokken gemeenschap, waartoe de personen zich vrij kunnen wenden. »

Dat de residuaire bevoegdheid inzake persoonsgebonden aangelegenheden in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad toekomt aan de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie impliceert dat deze bevoegd is ten aanzien van de instellingen gevestigd in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad die, wegens hun organisatie, niet kunnen worden beschouwd uitsluitend te behoren tot de Vlaamse of de Franse Gemeenschap en tevens voor het beleid dat rechtstreeks rechten en/of verplichtingen oplegt aan natuurlijke personen. ».

Wat betreft de uitoefening van de bevoegdheden inzake de erkenning van gezondheidszorgberoepen in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, volgt uit het voorgaande dat indien natuurlijke personen zich in de omstandigheden bevinden zoals uiteengezet door de algemene vergadering van de Raad van State in zijn reeds vermeld advies (dit wil zeggen dat zij « een bepaalde « organisatie » van bestendige aard » kunnen vertonen), deze bijgevolg dus zullen kunnen worden beschouwd als « instellingen ». Voor deze zal de Vlaamse of Franse Gemeenschap bevoegd zijn, wanneer de instellingen moeten beschouwd worden uitsluitend te behoren tot de ene of de andere gemeenschap of de GGC, wanneer de instellingen wegens hun organisatie niet uitsluitend behoren tot de ene of de andere gemeenschap.

Voor de personen daarentegen die zich niet in de omstandigheden bevinden zoals uiteengezet door de algemene vergadering van de Raad van State in zijn reeds vermelde advies (dit wil zeggen dat zij « in geen enkel georganiseerd verband » werken) en die bijgevolg niet zelf kunnen worden beschouwd als « instellingen », zullen de gemeenschappen en de GGC deze natuurlijke personen kunnen bereiken via de instellingen behorend tot de betrokken gemeenschap of de GGC, waartoe de betrokken personen zich vrij zullen kunnen wenden.

Indien de gemeenschappen geen enkele instelling inrichten in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, zal de GGC bevoegd zijn.

De contingentering van de gezondheidszorgberoepen is heden ten dage van toepassing ten aanzien van de personen die hun diploma behaald hebben in een hogere onderwijsinstelling in België. Zo zal elke gemeenschap bevoegd zijn om zijn contingentering vast te stellen, in voorkomend geval met in achtneming van het globale aantal dat de federale overheid per gemeenschap jaarlijks kan vastleggen voor de uitoefening van elk van de gezondheidszorgberoepen. ».

— Crisisbeleid bij een acute pandemie

In zijn advies nr. 53.932/AV (blz. 20) merkt de Raad van State aangaande artikel 6 van het voorstel op dat : « In de toelichting bij het voorstel gesteld [wordt] dat de federale overheid bevoegd blijft voor het crisisbeleid wanneer een (acute) pandemie dringende maatregelen vereist, en dit op basis van haar residuaire bevoegdheid.

Die laatste stellingname is echter voor betwisting vatbaar. De Raad van State heeft in een recent advies, uitgebracht in verenigde kamers, immers geoordeeld dat niet de federale overheid, op grond van haar residuaire bevoegdheid, ter zake exclusief bevoegd is. De Raad stelde daarover :

« (...) Indien de bijzondere wetgever het crisisbeleid bij een acute pandemie uitsluitend aan de federale wetgever wil voorbehouden, beveelt de Raad van State dan ook aan dit uitdrukkelijk in het voorgestelde artikel 5, § 1, tweede lid, 2, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 te bepalen.

Ook verdient het aanbeveling om, op zijn minst in de parlementaire voorbereiding, te preciseren wat wordt begrepen onder « crisisbeleid ». Heeft dit enkel betrekking op bijvoorbeeld noodplanning, het opzetten van een coördinerende crisiscel (die al dan niet bestaat uit vertegenwoordigers van de verschillende betrokken overheden en kan optreden ten aanzien van de verschillende overheden), enz., of ook op het nemen van concrete maatregelen, ook al behoren die tot de materiële bevoegdheid van andere overheden dan de federale overheid. » (zie stuk Senaat, nr. 5-2232/3, blz. 20).

Antwoord van de institutionele meerderheid

« In de voorafgaandelijke opmerking in de toelichting van het voorstel van bijzondere wet met betrekking tot de Zesde Staatshervorming (zie stuk Senaat nr. 5-2232/1, p. 2) wordt dienaangaande aangegeven dat « het voorstel bijkomende bevoegdheden toe [kent] aan de gemeenschappen en de gewesten, en voor het overige geen wijzigingen aan [brengt] aan de bestaande bevoegdheidsverdeling en op geen enkele wijze de draagwijdte ervan [beïnvloedt]. ».

Het voorstel beoogt aldus geenszins de bestaande bevoegdheidsverdeling inzake het crisisbeleid bij een acute pandemie te beïnvloeden.

Zoals de Raad van State terecht aangeeft is « elke overheid [...] verantwoordelijk voor de bestrijding van een volksgezondheidscrisis binnen de grenzen van haar eigen materiële bevoegdheden ».

Het is dus zo dat de federale overheid op grond van haar residuaire bevoegdheid niet exclusief bevoegd is voor het crisisbeleid wanneer een (acute) pandemie dringende maatregelen vereist. De federale overheid is bevoegd binnen de grenzen van haar materiële bevoegdheden, net zoals de Gemeenschappen en Gewesten dit zijn binnen de grenzen van hun materiële bevoegdheden. De federale overheid is op grond hiervan, ook in elk geval bevoegd voor de coördinatie en het beheer van een crisissituatie met betrekking tot een pandemie.

In die zin hebben de federale overheid en de deelstaten, elk binnen de grenzen van hun eigen materiële bevoegdheden, de bevoegdheid om maatregelen aan te nemen inzake de strijd tegen een crisis die raakt aan de volksgezondheid.

— Tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden

In zijn advies nr. 53.932/AV merkt de Raad van State aangaande de overdracht van de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden het volgende op :

« Het door artikel 8 voorgestelde artikel 5, § 1, II, 4, a), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 beoogt ook de « tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden (THAB) » niet langer aan de federale overheid voor te behouden, als een uitzondering op de bevoegdheid van de gemeenschappen.

Zowel de tekst als de toelichting tonen aan dat het de bedoeling is om bij de bevoegdheidsoverdracht nauw aan te sluiten bij de bestaande wet van 27 februari 1987 « betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap ». Dit blijkt alleen al uit het gebruikte begrip « tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden » in de voorgestelde tekst van artikel 5, § 1, II, 4, a), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. Het blijkt ook uit de toelichting, die stelt dat de bevoegdheidsoverdracht onder meer betrekking heeft « op het bepalen van de toekenningsvoorwaarden en het bedrag van de tegemoetkomingen, het uitbetalen van de tegemoetkomingen en de volledige organisatie » en dat het « in elk geval [gaat] over de regels die momenteel vervat zitten in (...) de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap in zoverre deze betrekking hebben op de tegemoetkoming hulp aan bejaarden » alsook op enkele uitvoeringsbesluiten « in zover deze betrekking hebben op de tegemoetkoming voor bejaarden. »

Uit de toelichting blijkt evenwel ook dat de bevoegdheid van de gemeenschappen om de toekenningsvoorwaarden te bepalen, aan beperkingen onderhevig is.

Artikel 2, § 3, van de wet van 27 februari 1987 bepaalt :

« § 3. De tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden wordt toegekend aan de persoon met een handicap die ten minste 65 jaar oud is en van wie een gebrek aan of een vermindering van zelfredzaamheid is vastgesteld. De tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden wordt niet toegekend aan de persoon met een handicap die een inkomensvervangende of een integratietegemoetkoming geniet. »

Uit de toelichting bij het voorstel en de verklaring van de gemachtigden van de Voorzitster van de Senaat blijkt dat de indieners van het voorstel ervan uitgaan dat de gemeenschappen niet bevoegd zouden zijn om de in artikel 2, § 3, eerste lid, bepaalde minimumleeftijd te verlagen. In de toelichting wordt immers gesteld dat de gemeenschappen bevoegd zouden worden voor de toekenning van de THAB aan personen waarvan de handicap erkend wordt na het bereiken van de leeftijd van vijfenzestig jaar. Uit een verklaring van de gemachtigden van de Voorzitster van de Senaat blijkt dat deze passus impliceert dat de leeftijdsvoorwaarde niet kan worden verlaagd.

Uit de toelichting blijkt dat de indieners van het voorstel er eveneens van uitgaan dat de gemeenschappen slechts bevoegd zijn om de in artikel 2, § 3, tweede lid, bepaalde regeling gedeeltelijk te wijzigen. In de toelichting wordt immers gesteld :

« De federale overheid blijft bevoegd om de voortgang van de betaling van de inkomensvervangende tegemoetkoming te verzekeren, na het bereiken van de leeftijd van vijfenzestig jaar, van personen met een handicap die reeds een tegemoetkoming ontvingen voor hun vijfenzestigste verjaardag, Deelstaten kunnen een toeslag geven in het kader van de THAB. ».

De stellingname in de toelichting dat de gemeenschappen bevoegd zijn voor de « toekenningsvoorwaarden » dient met andere woorden, volgens diezelfde toelichting althans, te worden gerelativeerd. Beide hiervoor aangehaalde voorbeelden illustreren dat de toepassingsvoorwaarden voor de verschillende tegemoetkomingen onderling met elkaar zijn verweven en dat de indieners van het voorstel er kennelijk van uitgaan dat de gevolgen van die verwevenheid worden behouden. Uit het oogpunt van de rechtszekerheid volstaat een loutere toelichting niet om de aan de gemeenschappen overgedragen bevoegdheid inzake de toekenningsvoorwaarden te beperken; deze beperking dient in de tekst van de bijzondere wet zelf tot uiting te komen. » (zie stuk Senaat, nr. 5-2232/3, blz. 23).

Antwoord van de institutionele meerderheid

Het in artikel 8 voorgestelde artikel 5, § 1, II, 4, a), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 beoogt de « tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden (THAB) » die heden ten dage federaal was gebleven, over te dragen.

De indieners van het voorstel zijn van oordeel dat de toelichting bij het voorstel voldoende duidelijk de draagwijdte van deze overdracht verduidelijkt (zie toelichting, blz. 52).

Uit de toelichting blijkt duidelijk dat de gemeenschappen op grond van hun bevoegdheid inzake de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden, zoals toegevoegd wordt in artikel 5, § 1, II, 4º, a), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, bevoegd worden voor de toekenning van de THAB aan personen waarvan de handicap erkend wordt na het bereiken van de leeftijd van vijfenzestig jaar. Hierin wordt eveneens duidelijk aangegeven dat de federale overheid bevoegd blijft om de voortgang van de betaling van de inkomensvervangende tegemoetkoming of de integratietegemoetkoming te verzekeren, na het bereiken van de leeftijd van vijfenzestig jaar, van de personen met een handicap die reeds een tegemoetkoming ontvingen voor hun vijfenzestigste verjaardag.

De auteurs bevestigen ter zake dat de in het kader van de zesde staatshervorming van het federale niveau overgedragen bevoegdheid inzake THAB uiteraard geen afbreuk doet aan de beleidsvrijheid van de gemeenschappen om de THAB desgewenst stop te zetten en/of te integreren in andere beleidsinstrumenten waarvoor zij bevoegd zijn. Het beperken van de toekenningsvoorwaarden in het dispositief, zou aanleiding kunnen geven tota contrarioredeneringen ten aanzien van de bestaande bevoegdheden van de gemeenschappen, wat geenszins de bedoeling is van de stellers. Om die reden wordt de suggestie van de Raad van State niet gevolgd.

Arbeidmarktbeleid

— Alternerend leren

De staatssecretaris legt uit dat wat het alternerend leren betreft, de gemeenschappen daarvoor volledig bevoegd zijn (artikel 4 van het voorstel van bijzondere wet nr. 5-2232/1, zie toelichting, blz. 22). Het leerlingenwezen is een gemeenschapsbevoegdheid, in principe zijn de gewesten daar niet voor bevoegd. Het komt de betrokken beleidsmakers om deze bevoegdheden en instrumenten op elkaar af te stemmen.

— Personen die recht hebben op maatschappelijke integratie

Wat de tewerkstelling betreft van personen die recht hebben op maatschappelijke integratie (artikelen 7 en 22 van het voorstel van bijzondere wet nr. 5-2232/1, zie toelichting, onder meer blz. 49 en 107-109) krijgen de gewesten de ruimste bevoegdheid om dat via de artikelen 60 en 61 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn te regelen. De andere regels inzake terbeschikkingstelling blijven federaal.

— Arbeidskaarten A en B

De bevoegdheid voor de arbeidskaarten A en B wordt overgedragen aan de gewesten, wat voor de arbeidskaarten C niet het geval is. Die laatste hebben een band met de toegang tot het grondgebied, wat federaal geregeld wordt. De personen die vallen onder gezinshereniging en de vluchtelingen blijven een federale materie.

— Controle op de beschikbaarheid

Wat de controle op de beschikbaarheid betreft (artikel 22 van het voorstel van bijzondere wet nr. 5-2232/1, zie toelichting, blz. 209) verklaart de staatssecretaris dat de voorgestelde overdracht het volgende behelst : « 5 de beslissings-en uitvoeringsbevoegdheid om de actieve en passieve beschikbaarheid van de werklozen te controleren en het opleggen van sancties dienaangaande. ».

De vrijstellingen van beschikbaarheid in geval van studiehervatting, het volgen van een beroepsopleiding of een stage worden eveneens overgedragen en de staatssecretaris heeft al verwezen naar het responsabiliseringsmechanisme. De gewesten hebben er baat bij dat de mensen aan de slag gaan, want op die manier krijgen ze via de fiscale autonomie extra inkomsten.

— Doelgroepenbeleid

Als antwoord op de vraag of de federale overheid het doelgroepenbeleid kan « overrulen », antwoordt de heer Verherstraeten dat dit niet het geval is. Het doelgroepenbeleid gaat integraal over naar de gemeenschappen, maar de federale overheid blijft bevoegd voor structurele maatregelen en sectoriele maatregelen, met uitzondering van wat in de bijzondere wet is opgenomen.

— Krachtlijnen inzake de financiering van arbeid en de verdeling van de middelen

Wat de krachtlijnen inzake de financiering van arbeid en de verdeling van de middelen betreft, antwoordt de staatssecretaris dat er in principe een volledige overdracht komt van het bedrag — volgens het budget van 1 januari 2013 — dus zonder de besparingen in rekening te brengen. Deze besparingen werden, bijvoorbeeld, gerealiseerd op het vlak van dienstencheques. Er zullen in de toekomst ten voordele komen van de gewesten als zij die besparingen handhaven. Van die overdracht staat 0,9 % in de dotatie, de rest zit in het uitdovende overgangsmechanisme zodat iedereen constant beleid kan voortzetten. De saneringsbijdragen (cf. supra) ten belope van 6 en 2,5 miljard worden deels aangerekend op de dotatie werk maar er is een volledige bestedingsautonomie. Deze aanrekening van de saneringsbijdrage op de dotatie werk betekent dus niet dat er op werk bespaard wordt.

Advies van de Raad van State

— Outplacement

Staatssecretaris Verherstraeten verwijst ook naar de antwoorden van de institutionele meerderheidspartijen op de opmerkingen van de Raad van State over artikel 22.

Zo merkte de Raad van State op dat het voorstel van bijzondere wet met betrekking tot de Zesde Staatshervorming in zijn artikel 22 onder meer voorziet dat de volgende bevoegdheid overgaat naar de gewesten (zie stuk Senaat, nr. 5-2232/3, blz. 23).

« 12º in de aangelegenheid van de outplacement, de terugbetaling van de outplacementkosten aan de werkgevers, het opleggen van sancties aan de werkgevers bij gebrek aan outplacement en het opleggen van andere vereisten dan deze die het voorwerp uitmaken van de collectieve arbeidsovereenkomsten nr. 51, 82 en 82bis. ».

De Raad van State merkt op dat men in de federale regels rond outplacement een onderscheid kan maken tussen het collectief en het individueel outplacement.

Het collectief outplacement situeert zich op het vlak van een collectief ontslag. De ontslagen werknemers hebben recht op outplacement. Het is de werkgever die dat moet betalen. Evenwel kan de werkgever deze outplacementkosten — binnen de perken van bepaalde maxima — terugbetaald krijgen van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening. Dat deze terugbetaling van de outplacementkosten wordt overgeheveld naar de gewesten is duidelijk : het wetsontwerp van de bijzondere wet spreekt duidelijk van de terugbetaling van een outplacementkost.

In het kader van het individuele recht op outplacement voorziet de wet van 5 september 2001 tot de verbetering van de werkgelegenheidsgraad van de werknemers dat werknemers die ontslagen worden na de leeftijd van 45 jaar recht hebben op individueel outplacement. De werkgever die deze verplichting niet naleeft krijgt een sanctie. De bevoegdheid over deze sanctie gaat over naar de gewesten. Dat blijkt duidelijk uit de bewoordingen van het ontwerp van bijzondere wet.

Deze sanctie wordt opgelegd « teneinde de betaling te verzekeren van de outplacement begeleidingen voor de werknemers die niet hebben kunnen genieten van zulk outplacement zoals voorzien door de artikelen 13 en 14 van de wet, en die overeenkomstig artikel 4 hun wens te kennen hebben gegeven om ten laste van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening te genieten van outplacementbegeleiding », zo staat te lezen in artikel 8 van het koninklijk besluit van 23 januari 2003 tot uitvoering van de artikelen 15 en 17 van de wet van 5 september 2001 tot de verbetering van de werkgelegenheidsgraad van de werknemers. In dit geval gaat het om een betaling van de outplacement door de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening.

Antwoord van de institutionele meerderheid

« De indieners van het voorstel van bijzondere wet bevestigen dat de betaling door de overheid van de outplacementbegeleiding voor de werknemers in het kader van het individueel outplacement inderdaad overgaat naar de gewesten.

Dit blijkt zowel uit het dispositief als uit de toelichting van het voorstel. In het dispositief wordt immers aangegeven dat « het opleggen van sancties aan de werkgevers bij gebrek aan outplacement » een gewestelijke bevoegdheid wordt.

In de toelichting wordt dienaangaande verduidelijkt dat de gewesten bevoegd worden voor de aangelegenheid bedoeld in het geheel van de artikelen van het koninklijk besluit van 23 januari 2003 tot uitvoering van de artikelen 15 en 17 van de wet van 5 september 2001 tot de verbetering van de werkgelegenheidsgraad van de werknemers. Hieronder wordt dus ook artikel 8 van dit koninklijk besluit begrepen. De gewesten zijn dus bevoegd om sancties op te leggen aan werkgevers die hun verplichting tot outplacement niet nakomen, dewelke sancties het ten laste leggen van de werkgevers van de procedurekosten van de outplacement voor de werknemers die recht hebben op een outplacement omvatten. De betaling van de dienstverleners, die de outplacement van de betrokken werknemers op zich nemen, behoort tot deze bevoegdheid. »

— Territoriale afbakening van een aantal overgedragen bevoegdheden inzake arbeidsmarkt

De Raad van State heeft in zijn advies ook een opmerking gemaakt over de aanknopingspunten die als geschikt lokalisatiecriterium zullen fungeren voor de territoriale afbakening van een aantal overgedragen bevoegdheden inzake arbeidsmarkt. In zijn advies 53.932/AV stelde de Raad dat indien de bijzondere wetgever « het overleg over de wijziging van de aanknopingspunten, waarover in de toelichting gewag wordt gemaakt, dwingend wil opleggen als een bevoegdheidsgrens », hij dit in de tekst zelf dient op te nemen (zie stuk Senaat, nr. 5-2232/3, blz. 35).

Antwoord van de institutionele meerderheid

De indieners van het wetsvoorstel wijzen er evenwel wel op dat, zoals in de toelichting aangegeven wordt, het voor zich spreekt dat elke wijziging van de aanknopingspunten aangegeven in de toelichting van onderhavig voorstel aanleiding zal geven tot een overleg tussen de bevoegde overheden, zodat de voorgestelde wijziging de uitoefening, door de bevoegde overheden, van hun bevoegdheden niet onmogelijk of overdreven moeilijk maakt. Dit overleg is evenwel geen juridisch verplicht overleg, zodat het niet in het dispositief van de bijzondere wet dient te worden opgenomen.

— Bevoegdheidsoverdrachten inzake de tewerkstelling van buitenlandse arbeidskrachten

Omtrent de bevoegdheidsoverdrachten inzake de tewerkstelling van buitenlandse arbeidskrachten wijst de Raad van State in zijn advies 53.932/AV erop « dat krachtens richtlijn 2011/98/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 « betreffende één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om te verblijven en te werken op het grondgebied van een lidstaat, alsmede inzake een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven » de lidstaten van de Europese Unie vanaf 25 december 2013, met andere woorden voor de inwerkingtreding van de voorgestelde bijzondere wet, inzonderheid « één enkele aanvraagprocedure [moeten bepalen] voor het verstrekken van een gecombineerde vergunning aan onderdanen van derde landen om op het grondgebied van een lidstaat te verblijven met het oog op werk, teneinde de procedures in verband met hun toelating te vereenvoudigen en de controle van hun status gemakkelijker te maken ».

Volgens de Raad zou het « nuttig zijn bij de bespreking in het parlement van het voorliggende voorstel van bijzondere wet toe te lichten hoe, betreffende deze enige aanvraag, de richtlijn concreet kan worden uitgevoerd in het kader van de toekenning aan de gewesten van de bevoegdheid inzake tewerkstelling van buitenlandse arbeidskrachten (onder voorbehoud van het behoud van bepaalde federale bevoegdheden zoals uiteengezet in het voorgestelde artikel 6, § 1, IX, 3 en 4, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980) en in het kader van het behoud van de federale bevoegdheid inzake het administratief statuut van deze personen. » (zie stuk Senaat, nr. 5-2232/3, blz. 36).

Antwoord van de institutionele meerderheid

« De indieners van het voorstel benadrukken dat vanzelfsprekend de federale overheid en de gewesten elk bij de uitoefening van hun bevoegdheden gehouden zijn supranationale verplichtingen te respecteren.

In de mate dat de richtlijn 2011/98/EU de federale overheid en de gewesten opleggen één enkele aanvraagprocedure in te stellen, zullen de federale overheid en de gewesten aldus samenwerken om uitvoering te geven aan richtlijn 2011/98/EU, op straffe waarvan de richtlijn 2011/98/EU geschonden wordt.

Het staat de betrokken entiteiten vrij om te bepalen hoe hieraan uitvoering wordt gegeven. De indieners van onderhavig voorstel bevestigen overigens dat artikel 92bis, § 3, c) van de bijzondere wet tot hervorming der instellingen wordt behouden. ».

Kinderbijslagen

Over de kinderbijslagen is reeds een uitvoerig debat gehouden ingevolge de tussenkomst van senator Ide. De staatssecretaris benadrukt nogmaals dat de bevoegdheid voor de kinderbijslag volledig wordt overgeheveld naar de gemeenschappen en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie. Voor de gelijkschakeling van werknemers en zelfstandigen, verwijst hij naar de ministers Courard en Laruelle die een wetgevend initiatief voorbereiden.

Voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest worden de Verenigde Vergadering en het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie (GGC) bevoegd. De staatssecretaris verwijst naar de toelichting bij artikel 12 van het voorstel van bijzondere wet nr. 5-2232/1 (blz. 67) : « Artikel 128, § 2, van de Grondwet bepaalt dat de decreten van de Parlementen van de Vlaamse en de Franse Gemeenschap « respectievelijk kracht van wet hebben in het Nederlandse taalgebied en in het Franse taalgebied, alsmede, tenzij wanneer een wet aangenomen met de in artikel 4, laatste lid, bepaalde meerderheid er anders over beschikt, ten aanzien van de instellingen gevestigd in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad die, wegens hun organisatie, moeten worden beschouwd uitsluitend te behoren tot de ene of de andere gemeenschap. In toepassing van deze grondwettelijke bepaling en in overeenstemming met het Institutioneel akkoord bepaalt de onderhavige bijzondere wet dat de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie uitsluitend bevoegd is voor de gezinsbijslag op het grondgebied van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad. Dit houdt in dat de twee gemeenschappen, zelfs via instellingen die, wegens hun organisatie, moeten worden beschouwd uitsluitend te behoren tot de ene of de andere gemeenschap, geen gezinsbijslagen, geboortepremies en adoptiepremies, of uitkeringen van dezelfde aard als de gezinsbijslagen zullen kunnen toekennen. Het voorstel strekt ertoe de gezinsbijslagen over te dragen van het federale niveau naar de gemeenschappen en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie. Behoudens deze bevoegdheidsoverdracht aan de gemeenschappen en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, beïnvloedt het voorstel de bestaande regels ter verdeling van de materiële en territoriale bevoegdheden tussen de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten niet en beïnvloedt het de draagwijdte ervan niet. ».

De Raad van State valideert uitdrukkelijk dat de GGC bevoegd wordt voor de gezinsbijslagen wanneer het principes van de territoriale bevoegdheid herhaalt in persoonsgbonden aangelegenheden (zie advies van de Raad van State, stuk Senaat, nr. 5-2232/3, blz. 13).

— Socialezekerheidsbijdragen

De socialezekerheidsbijdragen blijven federaal. De gemeenschappen kunnen echter meer middelen inzetten voor gezinsbijslagen omdat zij over de volledige bestedingsautonomie beschikken.

— Overgangsfase en essentiële wijzigingen

Wat de overgangsfase betreft die start op 1 januari 2016 en die loopt tot uiterlijk 31 december 2019, verwijst de staatssecretaris naar artikel 43 van het voorstel van bijzondere wet nr. 5-2232/1 en de toelichting (blz. 72-75).

Deze overgangsregeling is er gekomen omdat de sector zich na het afsluiten van het Vlinderakkoord zorgen maakte over de continuïteit van het systeem. Daarom is er in overgangsperiode voorzien om enerzijds het integratieproces te realiseren waarbij de vier stelsels naar één stelsel overgaan en anderzijds om de gelijkschakeling te realiseren waarvoor regelgevend optreden vereist is. Dat proces moet voltooid zijn tegen eind 2019.

Wijzigingen aan de organisatie tijdens de overgangsperiode zijn mogelijk voor zover ze niet essentieel zijn. Een voorbeeld van een essentiële wijziging is de aansluiting via de werkgever. Een dergelijke wijziging kan slechts worden doorgevoerd na de bevoegdheidsoverdracht.

— Kinderbijslagkassen

De vraag is gesteld of de Vlaamse Gemeenschap de bevoegdheid heeft om, bijvoorbeeld, alle kinderbijslagkassen af te schaffen om ze te laten overnemen door één administratie in 2017. De staatsecretaris bevestigt dat dit juridisch mogelijk is. Ten persoonlijke titel stelt hij zich evenwel vragen bij de wenselijkheid van een dergelijke beslissing. Hij wijst erop dat alle expertise op dit ogenblik in die kassen aanwezig is.

Justitie

— Jeugdsanctierecht

Wat de hervormingen inzake justitie betreft, herinnert de staatssecretaris eraan dat er geen jeugdsanctierecht bestaat maar enkel een jeugdbeschermingsrecht. Het jeugdbeschermingsrecht gaat uit van de schuldonbekwaamheid van de minderjarige en verleent prioriteit aan zijn bescherming. Het is dan ook evident dat het kinderrechtenverdrag volledig van kracht blijft.

Minderjarigen kunnen niet naar de gevangenis worden gestuurd en het strafrecht is niet op hen van toepassing, behoudens in geval van « uithandengeving ». De regels omtrent die uithandengeving worden wel overgeheveld naar de gemeenschappen. De gemeenschappen kunnen dus hun volle autonomie aanwenden en, bijvoorbeeld, de regels voor de uithandengeving verstrengen.

De bescherming van de minderjarige, aan wie in eerste instantie jeugdbeschermingsmaatregelen worden opgelegd voor als misdrijf omschreven feiten, blijft het uitgangspunt. De gemeenschappen kunnen die maatregelen voortaan zelf invullen met inachtneming van het Kinderrechtenverdrag.

Men mag de twee systemen niet door elkaar halen : voor de jeugdbeschermingsmaatregelen kunnen de gemeenschappen nieuwe accenten leggen, voor het gemene strafrecht — dat voor bepaalde misdrijven straffen bepaalt — blijft het federale niveau bevoegd.

Het voorstel van bijzondere wet bepaalt dat de vaststelling van de voorwaarden waaronder een uitzondering kan worden gemaakt op dit jeugdbeschermingsrecht, met name een uithandengeving, eveneens een gemeenschapsbevoegdheid wordt. De gemeenschappen kunnen dus een sterker sanctionerend beleid voeren door die voorwaarden bij te stellen.

Een « eigen jeugdstrafrecht » is derhalve te begrijpen op twee niveau's. Enerzijds kunnen de gemeenschappen binnen het jeugdbeschermingsrecht zelf de bandbreedte van hun maatregelen bepalen. Anderzijds kunnen de gemeenschappen zelf bepalen wanneer het gemeen, federaal strafrecht van toepassing wordt op minderjarigen ingevolge een uithandengeving. De uithandengeving komt immers neer op een uitzonderlijke verlaging van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid.

Op de vraag van de heer Laeremans of de bevoegdheid bepaald wordt door het criterium van de verblijfplaats van de ouders en dit dus ook geldt voor, bijvoorbeeld, een Duitstalige of Franstalige die in Vlaanderen woont, verwijst de staatssecretaris naar de toelichting (stuk Senaat, nr. 5-2232/1, blz. 57).

Artikel 44 van de huidige jeugdbeschermingswet blijft dus van toepassing : « Met het oog op optimale coherentie inzake jeugdbescherming zal het territoriaal aanknopingscriterium en het bevoegdheidscriterium van de rechtbank identiek zijn. ».

Voor Halle-Vilvoorde betekent dit dat, aangezien de jeugdrechtbank deel uitmaakt van de in de toekomst ontdubbelde Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg, deze jeugdrechtbank in beginsel zal bevoegd zijn om deze maatregelen toe te passen overeenkomstig artikel 44 van de Jeugdbeschermingswet. Wat de uit handen gegeven jongeren betreft die voor een rechtbank moeten verschijnen, gelden de taalwetgevingsregels met inbegrip van de regels inzake taalwijziging.

De heer Laeremans wenst te vernemen of dergelijke jongeren uit Halle-Vilvoorde altijd voor een Nederlandstalige rechtbank zullen verschijnen, of is het mogelijk dat zij voor een Franstalige rechtbank kiezen. De staatssecretaris verklaart dat het criterium de woonplaats is.

De staatssecretaris antwoordt dat het territoriaal aanknopingspunt niet verandert net zo min als de taalwetgeving. Het zijn de taalverwijzingsregels die zullen bepalen welke rechtbank al dan niet bevoegd is.

De heer Laeremans stelt vast dat voor Franstalige jongeren uit Halle-Vilvoorde dus andere regels zullen gelden dan voor Nederlandstalige jongeren uit hetzelfde gebied.

Staatssecretaris Verherstraeten antwoordt dat er geen andere regels van toepassing zullen zijn maar dat deze minderjarigen de verwijzing naar een andere rechtbank kunnen vragen met toepassing van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

De staatssecretaris bevestigt verder dat de federale gesloten instellingen worden overgedragen aan de gemeenschappen. Zowel de gebouwen als het personeel van de instellingen in Everberg, Tongeren en Saint-Hubert zullen worden overgeheveld, mits een overgangsmaatregel voor Tongeren tot de finalisering van de bouwwerken te Haren. Deze overgangsmaatregel zal worden vastgelegd via een protocolakkoord tussen de minister van Justitie en de bevoegde gemeenschapsminister.

Wat de federale gesloten jeugdinstellingen betreft, wijst de heer Verherstraeten erop dat de instellingen van zowel Everberg, Tongeren als Saint-Hubert worden overgedragen aan de gemeenschappen, zowel gebouw als personeel. Voor Tongeren wordt in een overgangsregeling voorzien tot de finalisering van de bouwwerken te Haren. Dat zal geregeld worden in een protocolakkoord tussen de minister van Justitie en de bevoegde gemeenschapsminister.

Op het moment dat het behoeftenprogramma voor de bouw van de gevangenis van Haren werd opgemaakt, was er nog geen sprake van de bevoegdheidsoverdracht naar de gemeenschappen.

Het centrum dat in Haren voorzien is, was specifiek bedoeld voor de uit handen gegeven jongeren. Die zitten nu in Tongeren en Saint-Hubert, en het plan was om deze afdelingen te sluiten na de opening van Haren. Dus voor alle duidelijkheid, dit ging niet over een `normale » jeugdinstelling, maar wel over een afdeling enkel voor uit handen gegeven jongeren. Aangezien ondertussen een andere beslissing werd genomen voor deze jongeren, zal aan deze afdeling in Haren een andere invulling worden gegeven. Waarschijnlijk zullen hier gedetineerden komen die een andere behandeling nodig hebben dan een klassiek gevangenisregime. Spreker verwijst hiervoor naar de minister van Justitie.

Ondertussen werd in het kader van de staatshervorming beslist dat de uit handen gegeven jongeren onder de gemeenschappen zullen vallen. Daartoe wordt het centrum van Tongeren overgedragen.

In Wallonië wordt daartoe Saint-Hubert overgedragen. Binnen de federale gevangenis van Saint-Hubert bevindt zich immers een aparte jeugdentiteit met 50 plaatsen, die op haar beurt is onderverdeeld in 13 plaatsen voor uit handen gegeven jongeren en 37 plaatsen voor de zogenaamde « Everberg-jongeren ». Dit geheel wordt overgedragen, en vervangt de bouw/overdracht van Achêne. Het blijft wel de bedoeling om Achêne te bouwen, maar dan als een federale inrichting voor volwassen gedetineerden. Deze bestemmingswijziging moet vanuit de FOD Justitie nog wel ter validatie worden voorgelegd. Voor Vlaanderen werd daarnaast afgesproken dat het centrum van Everberg wordt overgedragen op basis van de huidige capaciteit. De bijkomende vleugel van 76 plaatsen zal dus niet door de federale overheid worden gebouwd. Een beslissing die overigens wordt onderbouwd door de bezettingsgraad van het huidige Everberg.

Wat het gesloten centrum van Tongeren betreft, merkt de heer Verherstraeten op dat er twee verschillende categorieën van personen in verblijven. Enerzijds zijn er minderjarigen die een misdrijf hebben gepleegd en door de jeugdrechter geplaatst zijn. Deze jongeren worden in Tongeren geplaatst wanneer er geen plaats meer is in het centrum voor jongeren in Everberg. Anderzijds zijn er primodelinquenten. Men heeft rekening moeten houden met deze feitelijke toestand tijdens de regeling van de overdracht naar de gemeenschappen. Er zal een protocolovereenkomst worden gesloten met de gemeenschapsminister zodat de primodelinquenten in het gesloten centrum van Tongeren kunnen blijven in afwachting van de voltooiing van de gevangenis van Haren. Wanneer zij naar Haren, een federale instelling, worden overgebracht, zal het gesloten centrum van Tongeren volledig worden overgeheveld naar de Vlaamse Gemeenschap.

De heer Ide vraagt of de federale overheid zal blijven investeren in het gesloten centrum van Tongeren, aangezien de overdracht van primodelinquenten naar de gevangenis van Haren pas binnen enkele jaren zal plaatsvinden.

De heer Verstraeten bevestigt dat de werkzaamheden in Haren nog enkele jaren zullen duren. In het algemeen is hij van plan de werken uit te voeren die in het investeringsplan waren voorzien. Hij herinnert zich dat er werken gepland zijn voor het centrum van Everberg in 2013 of 2014. Hij zal de uitvoering ervan aan het Regie der Gebouwen toevertrouwen. Als hetzelfde zich voordoet in Tongeren of Saint-Hubert, zal hij dezelfde houding aannemen en zullen de werken ook worden uitgevoerd. De federale overheid zal echter geen nieuwe vleugel bouwen in Everberg, noch een nieuw centrum bouwen in Achêne.

De heer Ide vindt het logisch dat de federale overheid blijft investeren in het centrum van Tongeren zolang zij het blijft gebruiken om primodelinquenten op te sluiten. Deze toestand zal inderdaad nog enkele jaren duren.

De heer Verherstraeten merkt op dat vanuit een puur theoretisch oogpunt, de federale overheid na de overdracht niet langer bevoegd is om werkzaamheden uit te voeren in de gebouwen die aan de gemeenschappen zijn overgeheveld. Dat zal ook afhangen van de precieze datum van de overdracht, die bij koninklijk besluit zal bepaald worden. Het institutioneel akkoord bepaalt bovendien dat de gemeenschappen tijdens een overgangsfase een budget van 5 miljoen euro zullen ontvangen om een aantal werken uit te voeren in de gebouwen die aan hen worden overgedragen. Daartoe zal een bepaling worden ingeschreven in de bijzondere financieringswet.

De heer Anciaux merkt op dat de minsiter van Justitie verklaard heeft dat de gevangenis van Haren operationeel zou zijn in 2018.

De heer Verherstraeten denkt dat men voorzichtig moet zijn, omdat er bij dergelijke grote projecten vele hindernissen kunnen opduiken. Het verkrijgen van de nodige vergunningen kan soms veel meer tijd in beslag nemen dan aanvankelijk gepland.

Op de vragen of er jeugdinstellingen van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie in Brussel komen en of elke gemeenschap eigen instellingen kan organiseren, antwoordt de heer Verherstaeten dat de uitvoering van de maatregelen die kunnen worden genomen ten aanzien van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, daarin begrepen de omkadering van die maatregelen en de infrastructuur waarbinnen ze worden uitgevoerd, een gemeenschapsbevoegdheid blijft die zal worden uitgebreid naar de federale gesloten centra. Zoals de Raad van State in het verleden meermaals heeft gesteld, kan de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie bij het uitoefenen van haar bevoegdheden een beroep doen op de diensten van de Vlaamse of de Franse Gemeenschap of van instellingen die afhangen van of erkend zijn door die gemeenschappen mits vooraf een samenwerkingsakkoord met de gemeenschappen gesloten is. Spreker verwijst ook naar de toelichting bij het voorstel van bijzondere wet (stuk Senaat, nr. 5-2232/1, blz. 58-59).

Op de vraag of de uitvoering van Brusselse maatregelen mogelijk zal zijn buiten Brussel, verwijst de heer Verherstraeten naar zijn antwoord op de vorige vraag. Ingevolge de bestaande samenwerkingsakkoorden kunnen maatregelen uitgevoerd worden door de diensten van de gemeenschappen. Indien de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie in een maatregel zou voorzien die niet bestaat in de Gemeenschappen, zal zij daartoe met de gemeenschappen een samenwerkingsakkoord dienen te onderhandelen om deze maatregel te doen uitvoeren door de gemeenschappen. Er wordt niet uitgesloten dat de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie zelf in een instelling daarvoor voorziet.

Wat de overdracht van de verschillende instellingen betreft, wijst de heer Verherstraeten erop dat Campus Ruiselede reeds een gemeenschapsinstelling is. De instellingen van Tongeren, Achêne en Everberg worden overgedragen.

— Nationaal Centrum voor elektronisch toezicht.

Spreker begint met de kwestie van de de juridische grondslag voor de overdracht van het Nationaal Centrum voor elektronisch toezicht. Amendement nr. 4 (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) op artikel 11 verduidelijkt de zaak, na een opmerking van de Raad van State. Er wordt expliciet voorzien in de overdracht van « de bevoegde dienst die de uitwerking en de opvolging van het elektronisch toezicht verzekert ».

— Juridische eerstelijnsbijstand

Wat de juridische eerstelijnsbijstand betreft, merkt de heer Verherstraeten op dat artikel 10 van het voorliggende voorstel van bijzondere wet de normatieve bevoegdheid ter zake overdraagt aan de gemeenschappen. Het Institutioneel akkoord voor de Zesde Staatshervorming voorziet in de overdracht van de middelen die de federale staat besteedt aan de juridische eerstelijnsbijstand die georganiseerd wordt door de commissies voor juridische bijstand.

Momenteel wordt de juridische eerstelijnsbijstand georganiseerd door de commissies voor juridische bijstand die in de justitiehuizen zijn gevestigd. Deze commissies beschikken over rechtspersoonlijkheid. De hun toevertrouwde subsidiëring vormt dus een afzonderlijk budget van dat van de justitiehuizen.

Voortaan is het aan de gemeenschappen om hun bevoegdheid inzake de juridische eerstelijnsbijstand uit te oefenen, met de middelen die hen worden toegekend door de bijzondere financieringswet. De gemeenschappen zullen bilaterale akkoorden kunnen sluiten met de federale staat of met andere partners wat betreft de uitwisseling van gegevens, de plaats waar juridische bijstand wordt geboden en de organisaties die deze bijstand geven. Het zal aan de gemeenschappen zijn om te beslissen of de juridische eerstelijnsbijstand beschikbaar moet zijn in de justitiehuizen of bij andere, door hen aangeduide organismen.

Artikel 508/6 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de advocaten die juridische eerstelijnsbijstand verlenen aan de commissie voor juridische bijstand een jaarverslag dienen over te zenden over hun prestaties in dat verband. De gemeenschappen zullen hierover een akkoord moeten tekenen met de minister van Justitie.

— Strafuitvoering

Wat de vraag betreft over in hoeverre de gemeenschappen betrokken zijn bij de strafuitvoering, herinnert de heer Verherstraeten eraan dat die betrokkenheid ligt in de deelname van de directeurs generaal van de justitiehuizen aan de selectie de assessoren van de strafuitvoeringsrechtbanken (artikel 196bis, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, artikel 2 van het voorstel van bijzondere wet nr. 5-2233/1). De artikelsgewijze toelichting verduidelijkt : « Het tweede lid wordt aangevuld opdat de leidende ambtenaar van de justitiehuizen of van de dienst die er de opdrachten van overneemt, zou kunnen deelnemen aan de selectie van de assessoren. » Het is aan de gemeenschappen om de leidende ambtenaar en, indien nodig, een vertegenwoordiger van die ambtenaar aan te wijzen die zitting heeft in het selectiecomité en het evaluatiecomité.

— Positief injunctierecht

Ingaand op de vragen met betrekking tot het positief injunctierecht, herinnert de heer Verherstraeten eraan dat de minister van Justitie slechts zelden van dit recht gebruik maakt. Men dient omzichtig om te gaan met deze materie. Spreker betwist dat de voorgestelde procedure een soort hiërarchie creëert tussen de gewest- of gemeenschapsminister en de minister van Justitie die het verzoek overmaakt aan het parket. De minister van Justitie kan, om opportuniteitsredenen, niet weigeren om het verzoek aan het parket over te maken. Zodra blijkt dat het verzoek van de gewestminister de wettigheidstoets doorstaat, moet de minister van Justitie het overmaken.

De heer Verherstraeten verwijst eveneens naar het voorstel tot herziening van artikel 151, § 1, van de Grondwet (stuk Senaat, nr. 5-2243/1) waar in de toelichting wordt gezegd dat de nieuwe procedure waardoor de gemeenschappen en de gewesten een injunctierecht krijgen, geen afbreuk doet aan de huidige bevoegdheid van de federale minister van Justitie om een vervolging te bevelen. Het leek nuttig om die mogelijkheid te behouden, zodat de federale minister van Justitie kan ingrijpen wanneer de deelstaten niet optreden, of zodat hij eventueel samen met de deelstaten zijn injunctierecht kan gebruiken.

Spreker voegt hieraan toe dat de indieners het niet nodig vonden om een termijn vast te leggen waarbinnen de minister van Justitie het verzoek aan het parket moet overmaken. De tekst zegt : « De federale minister van Justitie beveelt de vervolging zonder verwijl door de vraag over te maken aan het parket. »

Op de vraag of het Gerechtelijk Wetboek aangepast moet worden om rekening te houden met de wijzigingen die worden voorgesteld in de bijzondere wet betreffende het vervolgingsbeleid, antwoordt de heer Verherstraeten dat wat de rechtsbronnen betreft, de bijzondere wet voorgaat op het Gerechtelijk Wetboek. Het is de federale wetgever die eventueel de nodig geachte wijzigingen dient aan te brengen in het Gerechtelijk Wetboek.

Spreker verwijst nog naar de toelichting bij het voorstel van bijzondere wet, waarin staat dat het samenwerkingsakkoord inzake het vervolgingsbeleid tot doel heeft « het wijzigen of aanvullen van de actuele bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek die betrekking hebben op dit college van procureurs-generaal (cf. artikel 143bis, § 5 van het Gerechtelijk Wetboek). » Gezien deze wijzigingen rechtstreeks van toepassing zijn, is een wijziging van het Gerechtelijk Wetboek niet noodzakelijk, voor zover de betrokken parlementen hun voorafgaande goedkeuring hebben gegeven. » (stuk Senaat, nr. 5-2232/1, blz. 60). De Raad van State heeft hierover geen opmerkingen gemaakt.

Wat het voorzitterschap betreft bij de vergaderingen van het College van procureurs-generaal wanneer er wordt vergaderd over gewest- of gemeenschapsmateries, verwijst de staatssecretaris naar de toelichting bij het voorstel van bijzondere wet, waarin staat : « Het voorzitterschap van het college wordt in alle geval verder verzekerd door de federale minister van Justitie. » Senaat, nr. 5-2232/1, blz. 61).

Spreker herinnert eraan dat het College van procureurs-generaal een coördinerende opdracht heeft, met als doel een coherent vervolgingsbeleid te voeren, ongeacht of het zaken betreft die onder de federale bevoegdheid of onder de deelstaatbevoegdheid valt. Het is dus niet wenselijk om een roterend voorzitterschap te introduceren. Dat zou ook niet praktisch zijn.

Artikel 2, § 2, van het samenwerkingsakkoord stelt dat de gemeenschappen en de gewesten kunnen vragen om een vergadering van het College van procureurs samen te roepen. De gemeenschappen en de gewesten kunnen bovendien vragen dat er punten op de agenda komen die onder hun bevoegdheid vallen.

Wanneer er in het College van procureurs geen consensus wordt gevonden, bepaalt het voorgestelde artikel 11bis, derde lid, van de bijzondere wet (artikel 37 van het voorstel van bijzondere wet) : « De gemeenschappen en de gewesten nemen, voor de aangelegenheden die onder hun bevoegdheid vallen, deel aan de vergaderingen van het College van procureurs-generaal, met inbegrip van de prioritisering van de richtlijnen van het strafrechtelijk beleid in het algemeen ».

Conform artikel 5 van de Samenwerkingsovereenkomst inzake het vervolgingsbeleid, zoals afgesloten op het Overlegcomité van 18 september jongstleden, verloopt de werking van het College van Procureurs-Generaal, wat betreft de opmaak van een coherent strafrechtelijk beleid waarbij rekening gehouden wordt met de bevoegdheden van enerzijds de Federale Staat en anderzijds van de gemeenschappen en gewesten, overeenkomstig de artikelen 143bisen 143quatervan het Gerechtelijk Wetboek. Het College van procureurs-generaal beslist aldus steeds bij consensus, maar gezien de structurele inbreng van de deelstaten wordt ook een versterkte toepassing mogelijk van het principe waarbij elke procureur-generaal binnen diens ambtsgebied concreet uitvoering geeft aan die richtlijnen (artikel 143quater, derde lid van het Gerechtelijk Wetboek. (« De procureurs-generaal bij de hoven van beroep staan in voor de tenuitvoerlegging van deze richtlijnen binnen hun rechtsgebied » !). Het College kan aldus ook gezamenlijk akkoord gaan dat bepaalde richtlijnen enkel voor bepaalde ambtsgebieden gelden, gelet op art. 11bis (« prioritisering »).

De minister van Justitie kan conform art. 143bis steeds de noodzakelijke maatregelen nemen in geval van afwezigheid van consensus en zal hierbij beleidsmatig uiteraard kunnen overleggen met de deelstaten, bijvoorbeeld in het kader van de Interministeriële Conferentie Veiligheids- en Handhavingsbeleid.

Zoals door de heer Vanlouwe zelf aangegeven, wordt in de parlementaire werkzaamheden over artikel 143bisgesteld inzake de noodzakelijke maatregelen die de minister van Justitie kan nemen : « De aard van die maatregelen moet in verhouding staan tot de toestand waarmee de minister wordt geconfronteerd. Zo kan de minister de draagwijdte van zijn richtlijnen preciseren, of het College opnieuw samenroepen, of nog, zijn gezag uitoefenen over elke procureur-generaal afzonderlijk. De minister mag vanzelfsprekend niet zelf de strafvordering uitoefenen. Aan het begrip « noodzakelijke maatregelen » behoort derhalve een zo ruim mogelijke interpretatie te worden gegeven; de meest verstrekkende maatregel is de uitvaardiging van een nieuwe richtlijn of wetswijziging.

Vervolgens gaat de staatssecretaris namens de institutionele meerderheid in op het advies van de Raad van State inzake justitie

— Artikel 9

Met betrekking tot de opmerking van de Raad van State dient bevestigd te worden dat met het artikel 9 b) aan de gemeenschappen geen enkele bevoegdheid wordt toegekend nopens de in het advies van de Raad van State vermelde sancties en maatregelen. Dit geldt zowel voor de sancties als voor de alternatieve maatregelen, zoals die bijvoorbeeld kunnen worden opgelegd door de gemeenteraad krachtens de wet van 24 juni 2013 met betrekking tot de gemeentelijke administratieve sancties. Overigens bevestigen ook de adviezen van de Raad van State dat deze sancties of de alternatieve maatregelen voor zulke sancties behoren tot de federale bevoegdheid op het vlak van de organisatie van en het beleid inzake de politie, als bedoeld in artikel 6, § 1, VIII, eerste lid, 1, vierde streepje van de bijzondere wet. De voorgestelde opheffing van artikel 5, § 1, II, 6, d) van de bijzondere wet moet dan ook zo begrepen worden dat zij geen enkele weerslag heeft op dat andere federale bevoegdheidsvoorbehoud.

— Artikel 11

Met betrekking tot de beschrijving van de beoogde « parajuridische dienstverlening » die aan de Gemeenschappen wordt overgedragen, stelt de Raad van State zelf reeds dat de bespreking in de toelichting bij het wetsvoorstel hiertoe reeds duiding verschaft.

In concreto betreft het, zoals onder meer aangegeven op pagina 62 van de toelichting, zowel eigen opdrachten die de gemeenschappen kunnen toekennen aan de justitiehuizen in de aangelegenheden die onder hun materiële bevoegdheid vallen, alsmede de volledige bevoegdheid om eigen regels uit te vaardigen inzake de organisatie en de werking van justitiehuizen, en de volledige bevoegdheid inzake de uitvoering van de opdrachten die aan de justitiehuizen worden toevertrouwd overeenkomstig inzonderheid artikel 2 van het koninklijk besluit van 13 juni 1999 houdende de organisatie van de Dienst Justitiehuizen van het ministerie van Justitie en overeenkomstig artikel 1N, A2, van het bijvoegsel bij het ministerieel besluit van 23 juni 1999 tot vastlegging van de basisrichtlijnen aan de justitiehuizen.

Als voorbeeld van de eigen regels inzake organisatie en werking van de justitiehuizen, en van eigen opdrachten inzake aangelegenheden die onder hun eigen materiële bevoegdheid vallen, kan verwezen worden naar een versterkte samenwerking met welzijns- en gezondheidsvoorzieningen. Daarnaast wordt het in de toekomst ook mogelijk om eigen accenten inzake kruisverwijzingen te realiseren met sociaal ondersteunende diensten (bijvoorbeeld begeleiding van verslaafden, werkhervatting, maatschappelijke integratie, woonbegeleiding, geestelijke gezondheidszorg, ...) die maximaal aansluiten bij de eigen autonome beleidsvisie van de desbetreffende Gemeenschap in het kader van onder meer welzijnsbeleid.

Met betrekking tot de bevoegdheid inzake de uitvoering van de opdrachten die door het federale niveau aan de justitiehuizen — of de andere diensten die, in voorkomend geval, deze opdrachten worden toevertrouwd — kan verwezen worden naar bijvoorbeeld de taken die in artikel 2 van het K.B. van 13 juni 1999 worden opgesomd, zijnde :

1º de taken van toezicht, justitiële begeleiding en sociaal onderzoek die voortvloeien uit diverse wetgeving;

2º het onthaal van en de informatie- en adviesverlening aan de gebruikers van het Justitiehuis en de eventuele doorverwijzing naar de bevoegde instanties;

3º het structureren en bevorderen van de samenwerking en het overleg met de verschillende actoren in en om justitie voor het bereiken van de doelstellingen van het Justitiehuis;

4º de coördinatie, promotie en bekendmaking van de initiatieven rond alternatieve geschillenbeslechting en alternatieve maatregelen en straffen;

5º het ter beschikking stellen van lokalen voor het organiseren van de juridische eerstelijnsbijstand door de advocaten en voor de vergaderingen van de commissies voor juridische bijstand en voor de zittingen van de commissies voor de voorwaardelijke invrijheidstelling; de taken die voortvloeien uit de opdrachten die haar worden toevertrouwd door de voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg, zetelend in kortgeding, door de Jeugdrechtbank of door de procureurs des Konings.

De indieners van het voorstel zijn van oordeel dat een exhaustieve opname van de nieuwe bevoegdheden van de Gemeenschappen inzake eigen opdrachten, werking of organisatie met betrekking tot aangelegenheden die onder hun materiële bevoegdheden ressorteren, niet wenselijk is in het dispositief van de bijzondere wet zelf. De gehanteerde kaderformulering dient in samenhang gelezen met de toelichting bij het voorstel en is derhalve, zoals de Raad van State in voetnoot zelf overigens aangeeft, voldoende duidelijk. Ditzelfde geldt tevens voor een letterlijke overname van de hierboven vermelde bepalingen uit het koninklijk besluit en het ministerieel besluit in de tekst van de Bijzondere Wet.

— Artikel 37

De door de Raad vermelde « voorwaarden » betreffen concrete aspecten van de uitoefening van het bij het toekomstig artikel 151, § 1, tweede lid van de Grondwet voorziene vervolgingsrecht in hoofde van de regeringen van de gemeenschappen en gewesten.

Aangezien deze « voorwaarden » in essentie een concrete toepassing vormen van artikel 68 en 69 van de BWHI (die bepalen dat elke regering haar werkwijze regelt, en, onverminderd de door haar toegestane delegaties, collegiaal beraadslaagt volgens de in Ministerraad toegepaste procedure van consensus) is een opname in het dispositief volgens de indieners niet noodzakelijk. De « motivering » van het injunctierecht met aanduiding van de inbreuk waarop het vervolgingsrecht wordt uitgeoefend, gevolgd door een marginale legaliteitscontrole door de federale minister van Justitie, volgt uit de herziening van art. 151, § 1 Grondwet, waar de memorie van toelichting uitdrukkelijk melding maakt van deze voorwaarden.

De indieners bevestigen dat de bevoegdheden die aan de gemeenschappen en de gewesten worden toegekend in het voorgestelde artikel 11bis vanzelfsprekend dienen te worden uitgeoefend conform het vernieuwde artikel 151, § 1 Grondwet (stuk Senaat, 5-2243/1) en rekening moeten houden met de toelichting van deze bepaling.

Gezien de voorgestelde bepalingen inzake de « Kadernota Integrale Veiligheid'en « het Nationaal Veiligheidsplan » een concretisering vormen van de in het voorgestelde artikel 151,§ 1, derde lid Grondwet bedoelde « planning van het veiligheidsbeleid », is het niet noodzakelijk deze bepalingen te vervangen.

De opmaak en de opvolging van het Nationaal Veiligheidsplan zijn immers wettelijk geregeld. De sinds 2004 tot stand gebrachte « Kadernota Integrale Veiligheid » kadert in de door de federale overheid opgestelde overkoepelende strategische beleidsplannen. Het samenwerkingsakkoord tussen de federale staat, de gemeenschappen en de gewesten betreffende het strafrechtelijk beleid en het veiligheidsbeleid (Overlegcomité 18 september 2013) verwijst eveneens uitdrukkelijk naar de « Kadernota Integrale Veiligheid » en het « Nationaal Veiligheidsplan ».

Gouverneur van Brussel

De staatssecretaris bevestigt dat de functie van gouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad wordt afgeschaft. Zijn taken worden overgenomen door de minister-President in zijn hoedanigheid van orgaan van de agglomeratie. Het onderscheid tussen gewest en agglomeratie wijzigt voor het overige niet.


Advies van de Raad van State

Vervolgens reageert de staatssecretaris namens de institutionele meerderheid als volgt op het advies van de Raad van State betreffende de volgende punten :

— Erkenning toeristische centra (artikel 3)

De staatssecretaris bevestigt dat Vlaanderen geen eigen criteria zal kunnen hanteren. Maar de erkenning gebeurt op eensluidend advies van het betrokken gewest. Er bestaat dus een vetorecht voor de gewesten.

Spreker preciseert tevens dat het samenwerkingsakkoord waarvan sprake is in de toelichting van artikel 17 facultatief is. Men kan de gewesten niet verplichten om met Brussel samen te werken.

— Promotie van Brussel (artikel 5)

Zowel de staatssecretaris als de indieners van het voorstel wijzen erop dat het wel degelijk de bedoeling is om van de bevoegdheid om Brussel te promoten op nationaal en internationaal niveau een instrument te maken in het kader van de gemeenschapsbevoegdheden, net zoals het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, dat kan aangezien deze verschillende entiteiten bevoegdheden uitoefenen in Brussel, wat niet het geval is voor het Vlaamse en het Waalse Gewest of de Duitstalige Gemeenschap. Deze laatste entiteiten beschikken dus niet over dit in de bijzondere wet verankerde instrument om Brussel te kunnen promoten; zoals echter uit de memorie van toelichting blijkt is het « vanzelfsprekend dat de meerwaarde van Brussel ten opzichte van de andere gewesten en de Duitstalige Gemeenschap door deze entiteiten verder zal kunnen worden gevaloriseerd ». Er bestaat namelijk een verschil tussen het promoten van Brussel en het gebruiken van Brussel als troef om zijn eigen (Waalse of Vlaamse) gewest of zijn eigen gemeenschap (Duitstalige) te promoten.

Zoals de Raad van State overigens onderstreept, vereist de federale bevoegdheid om Brussel te promoten voor de federaal gebleven bevoegdheden geen uitdrukkelijke bepaling in de bijzondere wet van 8 augustus 1980 en wordt er niet aan geraakt bij deze bepaling.

— Filmkeuring (artikel 13)

De staatssecretaris bevestigt dat deze bevoegdheid nu aan de gemeenschappen wordt overgedragen. Er zijn maar 2 ambtenaren (een Nederlandstalig en een Franstalig). De modaliteiten van overdracht worden via koninklijke besluiten geregeld.

— Rampenfonds en landbouwrampenfonds (artikel 16)

De indieners verkiezen om niet in te gaan op deze suggestie van de Raad. De erkenning van algemene rampen is immers een nadere regel waarbij de wijze wordt bepaald waarop rampen worden vergoed, is op die manier inherent aan de bevoegdheid inzake « de financiële tegemoetkoming naar aanleiding van schade veroorzaakt door algemene rampen » zoals dit reeds beschreven staat in het dispositief. Daarom herhalen de indieners wat door de gemachtigden reeds was geantwoord naar aanleiding van een vraag in dit verband van de Raad van State : « De erkenning van een natuurramp is inherent aan de bevoegdheid om algemene rampen te vergoeden. De (geldende federale) wet voorziet pas in een vergoeding, nadat de natuurramp is erkend. De indieners van dit voorstel wensen de financiering en de erkenning niet los te koppelen van elkaar (door bijvoorbeeld te voorzien in gewestelijke financiering en federale erkenning), want dan zou de federale overheid nog wel rampen kunnen erkennen, maar waarvoor de gewesten financieel voor zouden moeten instaan. ».

Hieraan zou nog kunnen worden toegevoegd dat de doelstelling van het erkennen van een algemene ramp net is om de financiële tegemoetkoming mogelijk te maken.

Gelet op het feit dat bij een bevoegdheidsoverdracht, behalve indien de Grondwet of de bijzondere wet er anders over beschikt, de bevoegde entiteit over de volledige wetgevings-, uitvoerings-, controle- en financieringsbevoegdheid, wordt ook in dit geval dit principe gehanteerd. Bijgevolg zullen de gewesten zelf kunnen bepalen onder welke voorwaarden een financiële tussenkomst kan worden genoten voor schade veroorzaakt door een algemene ramp of een landbouwramp.

Zij zouden hierbij kunnen opteren voor de « erkenning » als determinerend criterium dat de tegemoetkoming mogelijk maakt. De gewesten zouden evenwel ook van deze mogelijkheid kunnen afzien en een door hen nader te bepalen automatisch mechanisme kunnen invoeren. Verder wijzen de indieners erop dat de tekst van het dispositief exact is aangepast aan de door de Raad van State gesuggereerde formulering in zijn advies van 2008 over de voorziene overdracht van het Landbouwrampenfonds (stuk Senaat, nr. 4-602/2, blz. 20-22). Ook toen maakte de erkenning van rampen deel uit van de overdracht. Dit blijkt trouwens expliciet uit een voetnoot bij het advies van de Raad zelf :

« Zoals het voorgestelde artikel 62bis, § 2, eerste lid, is geredigeerd, moet eruit worden afgeleid dat een gewest die middelen slechts kan genieten, voor zover er zich een landbouwramp heeft voorgedaan en als zodanig door het gewest is erkend, alsmede voor zover het gewest het bewijs levert dat een vergoeding aan de slachtoffers zal worden toegekend. ».

De door de in 2008 door Raad gesuggereerde formulering is mutatis mutandis toegepast op de overdracht van het Rampenfonds.

— Handelshuur (artikel 17)

Zowel de staatssecretaris als de indieners wensen naar aanleiding van de opmerking van de Raad van State te benadrukken dat het begrip « handelshuur » in de bijzondere wet een autonoom begrip is dat niet beperkt is tot het begrip van de handelshuur zoals het wordt gebruikt in het boek III, titel VIII, hoofdstuk II, afdeling 2bis, van het Burgerlijk Wetboek.

Zelfs indien de huurder enkel contacten onderhoudt met een beperkt en gesloten cliënteel (en niet met het publiek), valt de huur die betrekking heeft op de opslagruimten voor voorraad, de kantoorgebouwen van ondernemingen of andere gelijkaardige locaties verhuurd voor de uitoefening van daden van koophandel onder het begrip « handelshuur » dat wordt overgedragen naar de gewesten en dat betrekking heeft op de specifieke regels inzake de huur voor handelsdoeleinden.

Zoals de Raad van State aanduidt, is dit echter niet het geval voor de huur die eveneens een band heeft met een economische activiteit, maar is gesloten buiten het traditioneel kader van de handel en de ambachtsactiviteiten, zoals bijvoorbeeld de vrije beroepen, de medische sector en de ondernemingen van de non-profit sector. De gewesten worden volledig bevoegd inzake « de handelshuur » en worden dus bevoegd voor de wetgeving, uitvoering, controle en financiering van deze aangelegenheid.

— Pacht en veepacht (artikel 16)

De Raad van State verwees inzake de overdracht van bevoegdheid voor pacht en veepacht naar de gewesten, naar zijn opmerking inzake de overdracht van de handelshuur.

De indieners zien evenwel niet in op welke wijze de opmerking inzake handelshuur mutatis mutandis, zoals de Raad aanduidt, van toepassing zou kunnen zijn op de bevoegdheidsoverdracht voor pacht en veepacht.

De indieners wijzen er verder op dat deze bepaling ook als dusdanig was opgenomen in het voorstel nr. 4-602/1, dat ook voor advies werd voorgelegd aan de Raad van State, die er destijds geen opmerking over maakte.

— Prijs en inkomensbeleid (artikel 18)

Als antwoord op een vraag van een van de commissieleden preciseert de staatssecretaris dat de wet van 22 januari 1945 onlangs nog is gewijzigd door een wet van 13 april 2013. Het is dus moeilijk werken op basis van deze verwijzing. Zoals de toelichting voorziet, zijn de gemeenschappen en de gewesten bevoegd om gebruik te maken van instrumenten zoals het vaststellen van sectoriële of individuele maximumprijzen, aanvragen tot verhoging van prijzen of marge en de kennisgevingen van prijzen In het kader van hun eigen materiële bevoegdheden. Het gaat er dus om hun toe te staan deze instrumenten te gebruiken om hen de mogelijkheid te bieden een eigen beleid te voeren binnen het kader van hun materiële bevoegdheden en mits de Europese regels worden nageleefd.

De federale overheid is dus, op basis van het beginsel van de exclusieve verdeling van de bevoegdheden, niet bevoegd om in de aangelegenheden van de gemeenschappen en gewesten op te treden en bijvoorbeeld een Individuele maximumprijs op te leggen.

Zoals de toelichting verduidelijkt, zal de federale overheid bevoegd blijven inzake het prijs- en inkomstenbeleid. Ze kan uit hoofde hiervan de instrumenten van het prijsbeleid, zoals de prijsblokkeringen, gebruiken om de inflatie tegen te gaan of de mededinging te vrijwaren. In dit verband kunnen de maatregelen die ze treft betrekking hebben op de prijzen van diensten en producten die zowel tot de gewest-of gemeenschapsbevoegdheden behoren als op die die tot federale bevoegdheden behoren. Maar deze maatregelen mogen in geen geval tot doel hebben om het gemeenschaps- of gewestbeleid te beïnvloeden, noch tot gevolg hebben dat dit op onevenredige wijze wordt beïnvloed. Het werkelijke doel van de maatregel moet zijn de inflatie tegen te gaan of de mededinging te vrijwaren.

Het bepalen van het prijsbeleid wat betreft instellingen voor bejaardenopvang is bijvoorbeeld een aangelegenheid die behoort tot de bevoegdheden van de gemeenschappen. De federale overheid kan bijvoorbeeld in het licht van de bestrijding van de inflatie geen maatregel nemen in deze aangelegenheid, die enkel de vaststelling van de prijs wat betreft instellingen voor bejaardenopvang tot voorwerp heeft.

— Vestigingsvoorwaarden en toegang tot het beroep (artikel 17)

De Raad van State wijst in zijn advies op het betekenisverschil tussen de Nederlandse terminologie « vestigingsvoorwaarden » en de Franse term « conditions d'accès à la profession ». Deze divergentie vloeit voort uit de bestaande Nederlandse en de bestaande Franse tekst van artikel 6, § 1, VI, vijfde lid, 6 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.

De indieners wensen met het behouden van deze terminologie te benadrukken dat er geen wijziging wordt aangebracht aan de draagwijdte van de bevoegdheid inzake « vestigingsvoorwaarden/conditions d'accès à la profession » en dat het deze bevoegdheid is, die thans voorbehouden is aan de federale Overheid, die wordt overgedragen naar de gewesten. De federale overheid zal evenwel bevoegd blijven inzake de voorwaarden voor de toegang tot gezondheidsberoepen en tot dienstverlenende intellectuele beroepen.

In het licht van de continuïteit van de interpretatie van de bijzondere wet, verkiezen de indieners de oorspronkelijk gebruikte terminologie van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen te behouden.

— Participatiefonds (artikel 17)

De staatssecretaris verduidelijkt dat artikel 17 van het voorstel enkel de overdracht van de bevoegdheid naar de toekomst toe betreft. Na 1 juli 2014 zullen de gewesten bevoegd zijn om de activiteiten die het Participatiefonds thans uitoefent of kan uitoefenen (met uitzondering van de activiteiten inzake Impulseo). De indieners benadrukken dat de gewesten dus volledig autonoom zullen zijn om te bepalen welke activiteiten de gewesten voortzetten en op welke wijze. Zo zullen de gewesten, vanuit de bevoegdheidsverdelende regels tussen de federale overheid en de gemeenschappen en gewesten, geenszins verplicht zijn om een beroep te (blijven) doen op de overgedragen rechtspersoon om deze activiteiten uit te oefenen.

De overgangsbepaling van artikel 58 voorziet daarentegen in een overgangsperiode, waarbij de gewesten, in uitoefening van hun krachtens artikel 17 verkregen bevoegdheid en enkel indien zij dit wensen, een beroep zullen kunnen blijven doen op het Participatiefonds.

Daarnaast regelt artikel 58 de principes van overdracht van de activa en passiva naar de gewesten. Daartoe voorziet de overgangsbepaling in de oprichting van drie dochtervennootschappen. Zij zullen, na de overdracht van deze rechtspersonen volledig autonoom zijn om het statuut van deze rechtspersoon te wijzigen door bijvoorbeeld hun respectievelijke rechtspersoon op te slorpen in een bestaande rechtspersoon. De gewesten zijn echter niet verplicht om de bevoegdheid die zij verkrijgen krachtens artikel 17 te laten uitoefenen door die rechtspersonen.

— Handelsvestigingen (artikel 31)

Het lijkt de indieners inderdaad nuttig dit punt te verduidelijken. De overlegprocedure is met opzet soepel gehouden om de gewesten de kans te geven om deze verplichting desgewenst te integreren in hun bestaande vergunningsprocedures. De gewesten kunnen besluiten de vergunning voor handelsvestigingen te behouden, af te schaffen, te wijzigen of te integreren in andere vergunningsprocedures. indien een gewest zou beslissen dat een ontwerp van handelsvestiging tot geen enkele vergunningsregeling is onderwerpen blijft er voor dat gewest een verplichting tot het organiseren van het door dit artikel voorziene overleg, bijvoorbeeld op basis van een meldingsplicht van bet project voor de verantwoordelijke voor het ontwerp van de handelsvestiging. Het zou evenwel niet verplicht zijn een administratieve vergunningsprocedure te behouden.

— Financiering investeringen in het spoor (artikel 23)

De staatssecretaris verduidelijkt dat er geen sprake is van prefinanciering. Het Federaal overheid moet voldoende blijven investeren. Gewesten kunnen bovenop bij financieren voor eigen noden.

Vlaanderen kan ook bovenop financieren als Wallonië dan niet doet en omgekeerd.

— Politie over het verkeer op waterwegen, met uitzondering van dierlijke stoffen die een gevaar vormen voor de bevolking (artikelen 23 en 25)

De regelgeving met betrekking tot de het vervoer van dierlijke stoffen die een gevaar vormen voor de bevolking blijft sowieso federaal. Het gaat namelijk over dierlijk afval (bijvoorbeeld kadavers).

— Verkeersveiligheidsfonds (artikel 25)

Wat betreft het verkeersveiligheidsfonds, antwoordt de staatssecretaris dat de ontvangsten van federale inbreuken federaal blijven; de ontvangsten van gewestelijke inbreuken gaan naar de gewesten. De gewesten worden bevoegd voor verkeersovertredingen, inclusief de inning. Wat betreft het BIVV, blijven sommige zaken, zoals de homologatie van alcoholsloten, federaal. Wat de overdracht van rijscholen en examencentra betreft en de taalregelingen wordt er niets gewijzigd. De desbetreffende artikelen van de Grondwet blijven toepasselijk.

— Bevoegdheidsverdeling inzake havens en dijken (artikel 23)

Wat betreft de reactie op de opmerkingen van de Raad van State met betrekking tot artikel 23, bevestigen de indieners van het wetsvoorstel dat de huidige bevoegdheidsverdeling inzake havens en dijken niet worden gewijzigd. Bijgevolg wordt de huidige bevoegdheidsverdeling inzake de minimale technische veiligheidsnormen inzake het bouwen en onderhouden van havens en dijken behouden.

— Spoor

Met betrekking tot de vraag wat wordt verstaan onder « het bestaande spoorwegennet en de stations, en hun uitrusting (blz. 151 van het voorstel) », antwoordt de staatssecretaris dat daaronder wordt verstaan, de stations, de haltes, kunstwerken, bovenleidingen en elektrische uitrusting, seinen, seinhuisjes, automatische beschermingssystemen voor treinen, kruispunten, overwegen, telefoonlijnen.

Het betreft ateliers voor herstel, ateliers voor onderhoud van infrastructuur, materiaal, depots, speciale machines voor het onderhoud van de sporen en de bovenleidingen, enz.

— Verkeersveiligheid

Met betrekking tot de opmerking van de Raad van State op artikel 25, stipt de staatssecretaris aan dat de indieners van dit voorstel eveneens bevestigen dat de sensibilisering, de informatie en de bevordering inzake verkeersveiligheid onder de exclusieve bevoegdheid van de gewesten vallen.

Dit betekent bijvoorbeeld dat preventiecampagnes inzake verkeersveiligheid, ongeacht de aangelegenheid waarop ze betrekking hebben, tot de exclusieve bevoegdheid van de gewesten zullen behoren. Dit zal bijvoorbeeld het geval zijn voor de BOB-campagnes.

Kennis, studie en onderzoeksactiviteiten zijn accessoire bevoegdheden. Dit betekent dat de gewesten hiervoor bevoegd zijn in het kader van de overgedragen bevoegdheden, maar dat de federale overheid bevoegd blijft in het kader van de federaal gehouden bevoegdheden

Voor de gewesten betekent dit een bevoegdheid voor kennisopbouw in functie van de reglementering inzake aangelegenheden die inhoudelijk behoren tot de gewestelijke bevoegdheden (bijvoorbeeld kennisopbouw in functie van reglementering inzake maximumsnelheid op de wegen, buiten de autosnelwegen), alsook de sensibilisering, de informatie en de bevordering inzake verkeersveiligheid, ongeacht de aangelegenheid waarop ze betrekking hebben (bijvoorbeeld kennisopbouw in functie van een campagne over het gebruik van de gordel, alcoholgebruik, en dergelijkem.).

Voor de federale overheid heeft de bevoegdheid betrekking op de kennisopbouw in functie van de reglementering inzake aangelegenheden die inhoudelijk behoren tot de federale bevoegdheden.

Als reactie op de opmerking op de artikelen 28 en 29, stipt de staatssecretaris aan dat het voor zich spreekt dat als de verstrengeling van bevoegdheden dit rechtvaardigt, de gewesten en de federale overheid overleg zullen plegen om de aangelegenheid te regelen zodat de voorgestelde reglementering de uitoefening, door de bevoegde overheden, van hun bevoegdheden niet onmogelijk of overdreven moeilijk maakt. Dit overleg is evenwel geen juridisch verplicht overleg, zodat het niet in het dispositief van de bijzondere wet dient te worden opgenomen.

Met betrekking tot artikel 30, bevestigen de indieners van dit voorstel dat ze willen dat de federale overheid betrokken wordt bij het sluiten van een samenwerkingsakkoord betreffende de nationale bewustmakingsacties inzake verkeersveiligheid op de autosnelwegen. De federale overheid zal aldus de tekst van het samenwerkingsakkoord die wordt voorbereid moeten ontvangen en de gelegenheid hebben om suggesties hieromtrent te formuleren. De federale overheid zal ook met de gewesten de regels moeten kunnen bespreken die ze willen aannemen in het kader van gemeenschappelijk overleg. De federale overheid zal tot slot op de hoogte moeten worden gebracht van het gevolg dat de gewesten willen geven aan de suggesties die ze heeft geformuleerd en in voorkomend geval aan de redenen waarom ze deze niet wensen te volgen. De gewesten zijn echter geenszins gebonden aan de suggesties die de federale overheid aan de gewesten heeft overgemaakt in het kader van haar betrokkenheid.

Dierenwelzijn en dierengezondheid

Met betrekking tot dierenwelzijn en dierengezondheid, blijft de federale overheid bevoegd voor de normering en de toepasbare controle inzake dierengezondheid en de kwaliteit van de dierlijke producten, met het oog op het verzekeren van de veiligheid van de voedselketen. Deze normen zijn vervat in de dierengezondheidswet van 24 maart 1987. Dierenwelzijn is gewestbevoegdheid en betreft de aangelegenheden geregeld door of krachtens de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren.

De gewestelijke diensten kunnen geen opdracht krijgen van de federale overheid. Zelfs via een samenwerkingsakkoord kan er geen overdracht van bevoegdheid plaatsvinden. Dit is vaste rechtspraak van het Grondwettelijk Hof.

Ondergeschikte besturen

Met betrekking tot de ondergeschikte besturen (artikel 27), zijn de gewesten reeds bevoegd. Ter zake geldt het evenredigheidsbeginsel. De staatssecretaris verwijst naar de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof. Men kan deze besturen niet afschaffen gelet op de medebewindstaak. Op dat vlak wordt er niets gewijzigd.

Provincies

Met betrekking tot de provincies, antwoorden de indieners van het voorstel van bijzondere wet op het advies van de Raad van State dat zij dienaangaande de verklaring bevestigen die de gemachtigden van de Voorzitster van de Senaat op dit punt gegeven hebben aan de Raad van State. Indien het gewest beslist om de provincies af te schaffen, dan zal de gouverneur de medebewindstaken blijven uitoefenen als commissaris van de betrokken regering. Dit geldt niet alleen voor medebewindstaken van de federale overheid of de gemeenschappen, maar ook voor de medebewindstaken die het gewest hem opdraagt en waar hij aldus als commissaris van de gewestregering zal functioneren. De voorgestelde bepaling is dus ook van toepassing op de gewesten.

Openbaar ambt

In verband met het openbaar ambt worden de gemeenschappen en gewesten volledig bevoegd voor hun eigen rechtspositieregeling. Selor wordt evenwel niet overgedragen.

Arbeidsrechtelijke regelingen inzake uitzendarbeid

Wat de arbeidsrechtelijke regelingen inzake uitzendarbeid betreft, zoals op pagina 176 en 177 van de toelichting wordt aangegeven, strekt het voorgestelde artikel 87, § 3, tweede lid, ertoe, artikel 13 van het APKB in te schrijven in de bijzondere wet om te verzekeren dat de mobiliteit tussen de verschillende entiteiten mogelijk zal blijven na de bevoegdheidsoverdracht inzake het APKB.

Het begrip « ambtenaar » in de zin van het voorgestelde artikel 87, § 3, tweede lid, dient dan ook op dezelfde wijze begrepen te worden als het begrip « ambtenaar » in de zin van het huidige APKB.

Gelet op het specifiek en tijdelijk karakter van de functie van mandaathouder kan er geen sprake zijn van mobiliteit van het mandaat.

Een mandaathouder die tevens ambtenaar is valt vanuit zijn positie als ambtenaar wel onder de vermelde bepaling. Ook de draagwijdte van het begrip overheid is voldoende duidelijk. Gelet op de verwijzing naar het APKB in de toelichting, is het, zoals ook de Raad van State terecht aangeeft, duidelijk dat de bepaling van toepassing is op de diensten in het AKPB.

Telecommunicatie

Wat de telecommunicatie betreft bevestigt de staatssecretaris dat er geen enkel risico bestaat dat die bevoegdheid geherfederaliseerd wordt. Het is alleen de bedoeling ze aan te passen aan de nieuwe technologische ontwikkelingen, alsook aan de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof.

Voorts stipt de staatssecretaris aan dat het de indieners niet aangewezen lijkt om de gewesten formeel te betrekken bij het sluiten van een samenwerkingsakkoord.

Het voorwerp van dit samenwerkingsakkoord betreft immers zeer duidelijk een gemeenschapsbevoegdheid. Het samenwerkingsakkoord van 17 november 2006 maakt trouwens momenteel ook geen enkel gewag van gewestelijke bevoegdheden.

Bovendien was het steeds de bedoeling van de indieners van dit voorstel om niets te wijzigen aan de bestaande bevoegdheidsverdeling (zie de artikelsgewijze toelichting bij het voorstel, p. 21 : « Het is de bedoeling van de indieners van dit voorstel van bijzondere wet om de huidige bevoegdheidsverdeling te bevestigen, maar wel aan te passen aan de technologische evoluties en aan de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof. »). De rechtspraak van het Grondwettelijk Hof waaraan de indieners van dit voorstel zich wensen te conformeren voorziet nergens in het betrekken van de gewesten bij het sluiten van het samenwerkingsakkoord.

Veiligheidsbeleid in Brussel

Met betrekking tot de veiligheid in Brussel, menen de indieners van het voorstel dat het voorgestelde artikel 48, derde lid, in overeenstemming is met artikel 166, § 2, van de Grondwet, daar de hoge ambtenaar bedoeld in dit lid immers als een « orgaan » van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest kan worden gezien in de zin van die grondwettelijke bepaling. Bovendien zijn de hem toegekende bevoegdheden niet normatief. Ten slotte wijkt de bepaling op geen enkel vlak af van de taalwetten.

Opleidingsprogramma's

Wat de opleidingsprogramma's betreft, bevestigen de indieners van het voorstel dat de bevoegdheidsoverdracht het Brussels Hoofdstedelijk Gewest de volle bevoegdheid geeft om zelf de programma's voor beroepsopleiding te organiseren en te reguleren, binnen de limieten die in de voorgestelde bepaling worden vermeld. Het begrip « programma » in de zin van onderhavig voorstel beperkt zich dus niet tot de courante betekening van « lijst » of « overzicht », maar behelst ook het bepalen van de inhoud van de desbetreffende programma's.

Biculturele bevoegdheden

Wat de biculturele dimensie betreft (artikel 49), volgen de indieners van het voorstel de suggestie van de Raad van State niet. Het is de bedoeling de bevoegdheid van het Gewest in biculturele aangelegenheden « wat de schone kunsten, het cultureel patrimonium, de musea en de andere wetenschappelijk-culturele instellingen bedoeld in artikel 4, 3º en 4º, van de bijzondere wet[van 8 augustus 1980 houdende institutionele hervormingen] betreft », ondergeschikt te maken aan de voorwaarde dat ze van gewestelijk belang zijn. Zoals de afgevaardigden van de Voorzitster van de Senaat hebben verklaard, toen ze hierover door de Raad van State ondervraagd werden, kunnen biculturele aangelegenheden die van gemeentelijk belang zijn niet als van gewestelijk belang worden beschouwd. Het is het gewest dus niet toegestaan die bevoegdheid uit te oefenen voor aangelegenheden die van gemeentelijk belang zouden blijven.

Overeenkomstig de artikelen 41 en 162 van de Grondwet valt alles wat van gemeentelijk belang is onder de bevoegdheid van de gemeenteraden.

Dit principe doet geen afbreuk aan de verplichting van de gemeenten om, wanneer zij optreden op grond van het gemeentelijk belang, de hiërarchie der normen in acht te nemen.

De gemeenten moeten dus, bij het uitoefenen van hun bevoegdheid in de materies bedoeld in voornoemd artikel 4, 3 en 4, de normen naleven die de Federale Staat uitvaardigt in verband met diezelfde materies, wanneer deze bicultureel zijn en niet van gewestelijk belang, alsmede de normen die het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest uitvaardigt in diezelfde materies, wanneer deze bicultureel zijn en van gewestelijk belang, alsmede de normen uitgevaardigd door, naar gelang het geval, de Vlaamse of de Franse Gemeenschap in diezelfde materies, wanneer deze niet bicultureel zijn.

Van de in artikel 4, 3º, en 4º bedoelde voornoemde aangelegenheden kan het gewest een biculturele aangelegenheid die de gemeenten regelen enkel overnemen als deze aangelegenheid onder het gewestelijk belang valt. De federale overheid kan biculturele aangelegenheden regelen die van gewestelijk, nationaal of internationaal belang zijn.

Voor het overige vallen de regels die de Brusselse gemeenten moeten naleven wanneer ze een aangelegenheid van gemeentelijk belang regelen onder de bevoegdheid van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest krachtens artikel 6, § 1, VIII, lid 1, 1, eerste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, dat in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van toepassing is gemaakt door artikel 4 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen. Overeenkomstig artikel 162, lid 2, 3, van de Grondwet en artikel 6, § 1, VIII, eerste lid, 1, tweede lid, et VIII, lid 2, « beraadslagen en besluiten » de gemeenteraden echter « over elk onderwerp dat hen door de federale overheid of door de gemeenschappen is voorgelegd » en kunnen deze overheden hen belasten met opdrachten in hun respectievelijke bevoegdheidsdomein.

De federale overheid is bevoegd voor de biculturele aangelegenheden, behalve wat de biculturele aangelegenheden betreft bedoeld in het voorgestelde artikel 4bis van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen.

Rekenhof

Wat betreft het Rekenhof verwijst de staatssecretaris naar de opmerkingen van mevrouw Stevens. Hij kan bevestigen dat de deelstaten een eigen Rekenhof kunnen oprichten. Het lijkt spreker niet problematisch dat voor nieuwe bevoegdheden de gemeenschappen en gewesten een bijdrage betalen aan het Rekenhof. Spreker preciseert dat die regeling enkel taken betreft die nog niet worden uitgeoefend door het Rekenhof. Hij verwijst ter zake naar de toelichting bij het voorstel tot herziening van artikel 180 van de Grondwet (stuk Senaat, nr. 5-2244/1). Als Vlaanderen zelf een Rekenhof wenst in te richten, zal het dat zelf moeten financieren.

Landbouwbeleid

Wat het landbouwbeleid betreft, meent spreker dat er geen risico is op herfederalisering. Er worden aan de gewesten juist meer bevoegdheden toegekend en er worden hen geen bevoegdheden ontnomen. Tevens moet de federale overheid de bevoegdheden uitoefenen met respect voor de federale loyauteit, wat betekent dat men de bevoegdheden niet dusdanig kan uitoefenen dat de gewesten onevenredig zouden worden benadeeld.

Mobiliteit

Wat betreft de mobiliteit, verwijst spreker naar het eerste pakket, dat op een aantal punten wordt verbeterd. Zo worden de gewesten bevoegd voor de strafrechtelijke sancties van eigen overtredingen en inzake binnenvaart wordt de infrastructuur overgedragen. De technische keuring betreft de integrale bevoegdheid van het gewest. Productnormen blijven daarentegen federaal. Snelwegen blijven federaal wat niet onlogisch blijkt gelet op hun gewestgrensoverschrijdend karakter.

Distributienettarieven en de transmissienettarieven

Wat de distributienettarieven en de transmissienettarieven betreft, blijft de federale overheid bevoegd tot 30 juni 2014. Aangezien verschillende problemen zijn opgeworpen, kan de regelgeving nog worden aangepast tot die datum. Vanaf 1 juli 2014 ligt de bevoegdheid bij de gewesten.

Substitutierecht

Wat het substitutierecht betreft, gaat voorliggende regeling minder ver dan het eerste pakket. Nu gaat het enkel om klimaataangelegenheden. Er was ook de bemerking dat kon worden opgetreden voor de veroordeling. Dit lijkt spreker logisch. Spreker hoopt echter dat het substitutierecht niet nodig zal zijn en dat elkeen zijn verantwoordelijkheden zal opnemen. Als een overheid zijn verantwoordelijkheid niet opneemt, lijkt het spreker echter wel relevant dat er overleg plaatsvindt voor de veroordeling en dat er desgevallend en zeer uitzonderlijk kan worden opgetreden juist om de veroordeling te voorkomen.

Brussel

Inzake Brussel onderlijnt de staatssecretaris dat Brussel enkel bevoegd is in zoverre het gaat om tweetalige instellingen en binnen de grenzen van de bijzondere wet. Op het vlak van sportinfrastructuur wordt de huidige situatie geregulariseerd. De gemeenschappen blijven onverkort bevoegd voor beroepsopleiding, maar Brussel kan initiatieven nemen binnen de grenzen van de bijzondere wet met het oog op de tewerkstelling van Brusselaars. Aldus wordt mogelijk gemaakt dat Actiris mensen kan opleiden.

Inzake de biculturele aangelegenheden van gewestelijk belang preciseert de staatssecretaris dat de gemeenschappen bevoegd blijven voor de eentalige instellingen. De federale overheid blijft echter bevoegd voor de federale culturele instellingen. De biculturele aangelegenheden ten slotte die van gemeentelijk belang zijn kunnen niet worden beschouwd als instellingen van gewestelijk belang. Het gewest mag dus die bevoegdheid niet uitoefenen voor biculturele aangelegenheden die van gemeentelijk belang blijven.

Handelsvestigingen

Wat de handelsvestigingen betreft, bevestigt de staatssecretaris dat het criterium van 20 000 m² gekozen werd om automatisch overleg voor de vestiging van elke handelszaak te voorkomen. Het is een praktische oplossing.

Participatiefonds

Wat de vragen over het Participatiefonds en de aangelegenheden van toerisme en prijsbeleid betreft, verwijst de staatssecretaris naar de toelichting bij het wetsvoorstel en naar zijn vroegere uiteenzettingen.

Wetsvoorstel houdende oprichting van een Federale Deontologische Commissie (stuk Senaat nr. 5-2245/1)

Inzake het wetsvoorstel houdende oprichting van een Federale Deontologische Commissie, verwijst de staatssecretaris naar artikel 8 van het wetsvoorstel over de samenstelling van die commissie. Die commissie zal gefinancierd worden met een dotatie ingeschreven op de begroting van de Kamer van volksvertegenwoordigers. De adviezen van die commissie zullen geen bindende kracht hebben.

Federale loyauteit

Als antwoord op de opmerkingen van de heer Laeremans verklaart de heer Verherstraeten, staatssecretaris, dat het principe van de federale loyauteit reeds voorkomt in artikel 143 van de Grondwet. Het Grondwettelijk Hof was in principe niet bevoegd om de naleving van dat beginsel te toetsen, maar bedient zich van het evenredigheidsbeginsel om dat wel te doen. Deze rechtspraak bestaat sedert 1985 maar die toetsingsbevoegdheid mag uiteraard niet onredelijk worden uitgeoefend.

De rechtspraak van het Grondwettelijk Hof wordt dus bij bijzondere wet bekrachtigd zonder dat de draagwijdte van het beginsel zelf wordt gewijzigd.

De staatssecretaris zet zich voorts af tegen de kritische subjectieve opmerkingen die de heer Laeremans aan het adres van het Grondwettelijk Hof heeft geuit. Spreker is van mening dat de staatsmachten elkaar dienen te respecteren.

Volgens de heer Ide is het de vraag of er geen impliciete wijziging is van artikel 143 van de Grondwet, dat niet voor herziening vatbaar verklaard is. Hij verwijst op dit punt naar het standpunt van professor Patrick Peeters van de KU Leuven (« Evoluties in het Belgisch coöperatief federalisme », Die Keure, 2013).

De heer Delpérée verklaart dat de federale loyauteit opgenomen is in artikel 143 van de Grondwet, dat belangenconflicten, of met andere woorden politieke conflicten, regelt.

In die context kan de federale loyauteit beschouwd worden als een politiek concept dat politieke conflicten helpt op te lossen.

Maar zoals de staatssecretaris terecht heeft opgemerkt, wijzen het Grondwettelijk Hof en de afdeling Wetgeving van de Raad van State er al minstens tien jaar op dat de federale loyauteit niet alleen een politiek, maar ook een juridisch concept is.

De heren Ide en Laeremans hebben verwezen naar de Duitse Bundestreue. Dit concept wordt gehanteerd door het Bundesverfassungsgericht, het Duitse federale Grondwettelijk Hof, om bevoegdheidsconflicten op te lossen.

Sinds tien jaar is de federale loyauteit dus naast een politiek concept van artikel 143 ook een juridisch concept geworden. Er is geen tegenstrijdigheid tussen beide zienswijzen.

De heer Ide antwoordt dat de Bundestreue niet in de Duitse Grondwet is verankerd. Het is een zuiver jurisprudentieel concept.

De heer Delpérée antwoordt dat er andere concepten bestaan, zoals de proportionaliteit, die ook zijn opgenomen in de grondwettelijke rechtspraak, en die algemene principes zijn in de toepassing en de interpretatie van het recht.

De federale loyauteit is inderdaad verbonden met het Overlegcomité (zie artikel 143). Als belangenconflicten niets te maken zouden hebben met het Overlegcomité, kan men zich afvragen waartoe het dan dient. Spreker blijft de mening toegedaan dat er sprake is van een impliciete wijziging van Grondwetsartikel 143, dat niet voor herziening vatbaar verklaard werd.

De staatssecretaris verwijst naar de toelichting bij artikel 45 van het voorstel van bijzondere wet nr. 5-2232/1, waarin het volgende staat : « Overeenkomstig artikel 142 van de Grondwet doet het Grondwettelijk Hof bij wege van arrest uitspraak over de schending door een wet, een decreet of een ordonnantie van de door of krachtens de Grondwet vastgestelde bevoegdheidsverdelende regels, van de artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet en van de andere artikelen van de Grondwet die de bijzondere wet bepaalt.

De Grondwet biedt de bijzondere wetgever zo de mogelijkheid om de bevoegdheden van het Grondwettelijk Hof uit te breiden ». (stuk Senaat, nr. 5-2232/1, p. 182).

De heer Delpérée voegt eraan toe dat men artikel 143 niet zonder Grondwetsartikel 142, tweede lid, 3, kan lezen, dat bepaalt dat het Hof, bij wege van arrest, uitspraak doet over de schending van de regels die de wet — in dit geval een bijzondere wet — bepaalt.

De heer Ide blijft bij zijn standpunt en zou het gepaster vinden om het advies van de Raad van State hierover in te winnen.

De staatssecretaris stelt met genoegen vast dat de voorgaande spreker het gezag van de Raad van State in deze erkent. Het voorstel van bijzondere wet dat het voormelde artikel 45 bevat werd immers voor advies voorgelegd aan de Raad van State, die hierover geen enkele opmerking heeft gemaakt.

De Raad van State had kennis genomen van de wijzigingen die al dan niet in de Grondwet zouden worden aangebracht en heeft zich dus uitgesproken over de vraag van de heer Ide.

De heer Ide vindt dat men er niet mag van uitgaan dat zwijgen instemmen is.

De heer Delpérée antwoordt dat de Raad van State alleen opmerkingen maakt wanneer er een probleem is. In dit geval is zwijgen dus instemmen.


REPLIEKEN

De heer Mahoux is tevreden over de uitgebreide antwoorden van de staatssecretaris. Toch wil hij nog nadere informatie over de volgende punten :

— indien de federale overheid bevoegd blijft in geval van pandemie, wil spreker weten wie dan zal bepalen wanneer er sprake is van een pandemie;

— deze hervorming voorziet in een bevoegdheidsoverdracht inzake vaccinatiecampagnes. Wat met de verplichte vaccinatie ?

— tot slot herinnert spreker eraan dat de efficiëntie van een vaccinatiecampagne afhankelijk is van het aantal gevaccineerde personen. Een initiatief van een gemeenschap dat niet wordt gevolgd door de andere gemeenschap kan dus inefficiënt zijn. Heeft men die mogelijkheid voorzien en moet men in bepaalde gevallen niet voorzien in een algemene vaccinatie ?

Op dezelfde wijze blijven kernrampen zoals die van Tsjernobyl niet binnen gewestgrenzen. Hoe kan men voorkomen dat verschillende of zelfs tegenstrijdige beslissingen worden genomen bij een ramp die het hele land treft ? Welke bevoegdheid heeft de federale overheid in dergelijk geval ?

De heer Ide dankt eveneens de staatssecretaris voor zijn antwoorden. Er blijven echter nog enkele onbeantwoorde vragen. Spreker zal ze opnieuw stellen bij de artikelsgewijze bespreking.

Voor het overige blijft spreker ervan overtuigd dat deze zesde staatshervorming de kiemen in zich draagt van een zevende hervorming. Deze hervorming blijft complex, duur en inefficiënt. Evenmin heeft men van deze hervorming geprofiteerd om bepaalde aangelegenheden te harmoniseren, wel integendeel. Tot slot betreurt de heer Ide dat geen rekening werd gehouden met alle opmerkingen van de Raad van State, zoals die betreffende het bepalen van het crisisbeleid bij een pandemie.

Ook de heer Laeremans vindt dat niet al zijn vragen beantwoord zijn. Hij behoudt zich dus het recht voor bepaalde vragen opnieuw te stellen bij de artikelsgewijze bespreking.

Hij herinnert speciaal aan zijn vraag over het Sint-Emilie-akkoord en aan de problematiek van de Franse Gemeenschap, het Waalse Gewest en de COCOM op het gebied van de kinderbijslagen.

Hij drukt zijn verbazing uit over de houding van zijn collega's, die het akkoord minimaliseren.

Spreker verwijst naar een reeks artikelen over dit thema, die in Le Soir en in L'Avenir van 20 september 2013 verschenen zijn.

Zo verkaarde Paul Magnette : « Nous avons voulu plus de cohérence dans les matières, nous avons voulu des liens extrêmement forts entre Wallons et Bruxellois, et nous avons voulu assurer la continuité pour les gens. ». Er is ook sprake van een gemeenschappelijke koepel van ziekenfondsen, vakbonden, politici, die het Gewest en de COCOM zal overkapselen en die aan Franstalige kant allerlei beslissingen zal nemen.

Verderop kan men lezen : « Les présidents de parti disent vouloir garder les politiques les plus similaires possibles à Bruxelles et en Wallonie. Du reste, les partenaires de la Sécu, tels les mutuelles, siègeront dans les organes de gestion. » (..) « C'est le pacte de simplification (...). Il y a un espace de vie commun en Wallonie et à Bruxelles .(...) Quid de la Flandre ?« Il faudra là conclure des accords entre entités. Rien n'est encore fait. ».

Spreker vindt dit heel verregaand en wil graag meer informatie over het al dan niet geheime politieke akkoord dat misschien is gesloten.

De heer Deprez vindt dat het niet aan de federale regering is om op die vraag te antwooorden. Dat is iets wat zal gebeuren wanneer de overheveling van de bevoegdheden verwezenlijkt is.

Overigens, wanneer het Vlaams Parlement een aantal moties stemt over de staatshervorming, dan stelt het ze voor als het standpunt dat de Vlamingen bij de onderhandelingen gaan verdedigen.

De aanpak is vergelijkbaar met die waarover we hier praten. Het gaat om een « feitelijke vereniging » : de vergadering van de voorzitters van de Franstalige partijen legt een gemeenschappelijk standpunt vast, wat haar goed recht is. Ze weten dat wanneer de bevoegdheden overgedragen zullen zijn, er in Brussel zal moeten worden onderhandeld met de Vlaamse partners en dat ze geen eenzijdige beslissing zullen kunnen nemen.

Spreker ziet dus niet in wat de heer Laeremans zo alarmeert.

De heer Cheron sluit zich bij de woorden van de heer Deprez aan. Deze commissie behandelt teksten die bestaan uit een memorie van toelichting en een dispositief en zeker geen persartikelen, waarop overigens niet kan worden geamendeerd...

De teksten worden gestemd met eerbiediging van de Grondwet en de verdeling van de bevoegdheden, en brengen wijzigingen aan aan de Grondwet en de bijzondere wetten.In die teksten staan mechanismen waarmee andere bevoegdheidsniveaus aan de slag kunnen.

Spreker verwijst naar het interview dat onlangs in l'Echo is verschenen, waarin de minister-president van de Duitstalige Gemeenschap zijn wensen uit voor zijn eigen gemeenschap en waarin hij vaak verwijst naar artikel 139 van de Grondwet. Dat laatste biedt de mogelijkheid, aan de hand van gemeenschappelijke beslissingen van het Waals Gewest en de Duitstalige Gemeenschap, bepaalde aangelegenheden te veranderen. Maar daarover wordt hier niet gedebatteerd.

Tevens biedt artikel 138 (het vroegere 59quinquies) bepaalde instellingen de mogelijkheid akkoorden van een bepaalde aard te sluiten. Maar dat wordt evenmin hier beslist. Destaatssecretaris van de federale regering vragen zich uit te spreken over aangelegenheden waarvoor hij niet bevoegd is, is een vrij doorzichtige valstrik, en spreker weet dat hij daar niet zal intuinen.

V. ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING

1. Voorstel van bijzondere wet met betrekking tot de zesde Staatshervorming (ingediend door de heren Wouter Beke, Philippe Mahoux, Bert Anciaux, de dames Christine Defraigne, Martine Taelman, de heer Marcel Cheron, mevrouw Freya Piryns en de heer Francis Delpérée), nr. 5-2232/1

Artikel 1

Dit artikel wordt zonder bespreking aangenomen met 10 tegen 4 stemmen bij 1 onthouding.

Artikel 2

Amendement nr. 107 van de heer Vanlouwe c.s.

De heer Vanlouwe c.s. dient amendement nr. 107 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/5) dat ertoe strekt in artikel 2 na het woord « mediadiensten » de woorden « en -activiteiten » in te voegen.

Artikel 2 strekt ertoe artikel 4, 6º, van de BWHI van 8 augustus 1980 te vervangen als volgt : « de inhoudelijke en technische aspecten van de audiovisuele en de auditieve mediadiensten met uitzondering van het uitzenden van mededelingen van de federale regering ». Het amendement wil niet alleen mediadiensten maar ook media-activiteiten voorzien.

De heer Vanlouwe verwijst naar de schriftelijke verantwoording bij dit amendement en voegt eraan toe dat in het verleden de Vlaamse partijen voorstander waren om de volledige bevoegdheid inzake telecommunicatie over te hevelen. Immers, de praktijk leert ons dat het onderscheid tussen radio-omroep en televisie (een bevoegdheid van de gemeenschappen) en telecommunicatie (een bevoegdheid van de federale overheid) achterhaald is. Daarom moet het concept « media-activiteiten » duidelijker gedefinieerd worden, anders bestaat de vrees dat de versnippering van de bevoegdheden wordt bevestigd en de kans op een coherent beleid verloren gaat.

De heer Verherstraeten, staatssecretaris voor Staatshervorming, verwijst naar zijn eerder gegeven antwoord tijdens de algemene bespreking. De tekst van artikel 4, 6, wordt gewijzigd om de wet aan te passen aan de technologische evoluties en aan de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof. Spreker verwijst daarbij naar de toelichting (stuk Senaat, nr. 5-2232 /1, blz. 21) die de bezorgdheid van dit amendement weerlegt. Er is geen sprake van herfederalisering.

De heer Laeremans wenst te weten wat er precies wordt bedoeld met « met uitzondering van het uitzenden van mededelingen van de federale regering ». Hoe ver strekt die uitzondering ? Gaat het over de inhoud van de mededelingen of kan de federale overheid ook beslissen welke zenders ze uitzendt en op welk uur ?

De heer Anciaux antwoordt dat dit nu reeds wettelijk is bepaald. Er verandert ter zake niets aan de bestaande reglementering.

De heer Delperee voegt eraan toe dat deze uitzondering sinds de bijzondere wet van 1971 reeds in voege is.

De heer Vanlouwe verwijst naar het Groenboek van de Vlaamse administratie omtrent de Staatshervorming waarin duidelijk de toevoeging van het concept « media-activiteiten » wordt gevraagd, naar analogie van het begrip « omroepactiviteiten » zoals dat bestaat in het Vlaams Mediadecreet. Zijn amendement nr. 107 zou elke interpretatiemoeilijkheid uitsluiten.

Stemmingen

Amendement nr. 107 van de heer Vanlouwe wordt verworpen met 10 tegen 5 stemmen.

Artikel 2 wordt aangenomen met 10 tegen 4 stemmen bij 1 onthouding.

Artikel 3

Amendement nr. 1 van de heer Claes c.s.

De heer Claes c.s. dient amendement nr. 1 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) dat beoogt in artikel 4, 10º, van de bijzondere wet de woorden « en het toerisme » te schrappen.

De heer Beke verwijst naar de schriftelijke verantwoording bij dit amendement.

Amendement nr. 36 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 36 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) om het artikel 3 te schrappen.

De indiener verwijst naar de schriftelijke verantwoording bij dit amendement. Volgens spreker is het de achterliggende grondslag van artikel 3 duidelijk : men wil het Brussels Hoofdstedelijk Gewest veel meer bevoegdheden geven om zich internationaal op de kaart te zetten, los van Vlaanderen en liefst zo veel mogelijk in een soort samengaan van Wallonië-Brussel. Daardoor zal de greep van de Vlaamse Gemeenschap op Brussel nog verder afzwakken.

Het belang van de toeristische sector mag niet onderschat worden, vooral gezien de verwachte forse toename ervan, vooral uit Aziatische landen. Daarom zou het nuttig zijn dat de Vlamingen zich als gemeenschap manifesteren. Brussel maakt deel uit van het Vlaamse aanbod van kunststeden, net zoals Brussel uiteraard ook door de Franse gemeenschap mag gepromoot.

De heer Laeremans stelt voor om toerisme een gemeenschapsbevoegdheid te laten, zoals het vandaag is, gelet op de bevoegdheid van de gemeenschappen inzake cultuur, die er sterk mee samen hangt. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest kan wel initiatieven ter zake nemen, maar dan in samenspraak met de beide gemeenschappen die er vertegenwoordigd zijn.

De heer Anciaux antwoordt dat er op het principe van de overheveling van de bevoegdheid inzake cultuur van de gemeenschappen naar de gewesten twee uitzonderingen worden gemaakt. Zowel Vlaanderen als de Franse Gemeenschap blijven de bevoegdheid behouden om, in het kader van het beleid inzake toerisme, initiatieven te nemen ter promotie van Brussel. Bovendien wordt de subsidiëring van de toeristische infrastructuur gekoppeld aan de culturele bevoegdheden van de gemeenschappen. Dit impliceert dat de Vlaamse en de Franse Gemeenschap op het vlak van toeristische infrastructuur volledig hun bevoegdheid kunnen uitoefenen, ook in Brussel. In de praktijk betekent dit dat de mogelijkheden van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest toenemen, maar dat er geen afbreuk wordt gedaan aan de mogelijkheden die Vlaanderen en de Franse Gemeenschap hebben om in Brussel initiatieven te nemen. Meer wordt er vandaag overigens ook niet gedaan.

De heer Laeremans vraagt waarom de overheveling van de bevoegdheid van de gemeenschappen naar de gewesten dan plaatsvindt. Is dit omwille van de vraag van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ? Zal deze wijziging inzake de bevoegdheid ook financiële gevolgen hebben ? Worden subsidies, ambtenaren of administraties overgeheveld van de gemeenschappen naar de gewesten ?

De heer Verherstraeten, staatssecretaris voor Staatshervorming, antwoordt dat het amendement nr. 1 werd ingediend ingevolge de opmerkingen van de Raad van State en geen enkele invloed heeft op de bijzondere financieringswet. Hij verwijst voor het overige naar de verantwoording bij het amendement. Er worden geen ambtenaren overgeheveld van de gemeenschappen naar de gewesten ingevolge het voorstel van bijzondere wet.

De heer Moureaux wijst erop dat er vandaag reeds een financiering bestaat, met name via een instelling die afhangt van de stad Brussel. Intussen werd een akkoord gesloten met het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, maar dit is dus een intern Brussels akkoord dat geen impact heeft op de financiering van de gemeenschappen.

Stemmingen

Amendement nr. 1 van de heer Claes wordt aangenomen met 10 tegen 5 stemmen.

Amendement nr. 36 van de heer Laeremans wordt verworpen met 10 tegen 5 stemmen.

Het aldus geamendeerde artikel wordt aangenomen met 10 tegen 5 stemmen.

Artikelen 4 en 5

Over deze artikelen worden geen opmerkingen gemaakt.

Zij worden achtereenvolgens aangenomen met 10 tegen 5 stemmen.

Artikel 6

Amendement nr. 2 van de heer Claes c.s.

De heer Claes c.s. dient amendement nr. 2 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) dat in de Nederlandse tekst van het voorgestelde artikel 5, § 1, I, tweede lid, de woorden « federaal overheid » wenst te vervangen door de woorden « federale overheid ».

De heer Beke verklaart dat het een louter technisch amendement betreft.

Amendementen nrs. 37, 38, 39 en 40 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 37 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) dat ertoe strekt het voorgestelde artikel 6 volledig te vervangen.

In subsidiaire orde dient hij de amendementen nrs. 38, 39 en 40 in die in artikel 5 van de BWHI van 8 augustus 1980 enkele punctuele wijzigingen willen aanbrengen over de bevoegdheidsverdeling inzake de sociale zekerheid, inzonderheid wat de sector van de gezondheidszorg betreft.

De heer Laeremans verklaart dat het amendement nr. 37 beoogt de hele sector van de sociale zekerheid over te dragen naar de gemeenschappen. Spreker onderstreept dat hij deze communautarisering van de sociale zekerheid als amendement wil indienen, om toch nogmaals duidelijk te maken dat de zeer gedeeltelijke overdrachten die nu met deze zesde staatshervorming gebeuren toch nog altijd echt ondermaats zijn in vergelijking met het ideaalbeeld dat hij koestert, met name een onafhankelijk Vlaanderen.

Hij heeft enkele specifieke vragen over de bijkomende bevoegdheid van de gemeenschappen in verband met de gezondheidszorg, waar heel wat uitzonderingen blijven bestaan voor aangelegenheden waar de federale overheid bevoegd blijft. Deze blijft onder meer bevoegd voor de organieke wetgeving, de financiering van de exploitatie, wanneer deze geregeld is door de organieke wetgeving, de ziekte- en invaliditeitsverzekering, de basisregelen betreffende de programmatie en de basisregelen betreffende de financiering van de infrastructuur, met inbegrip van de zware medische apparatuur. De antwoorden, die de staatssecretaris op dit laatste aspect heeft verstrekt naar aanleiding van de algemene bespreking, wijzen op een zeer versnipperde bevoegdheid en zijn kafkaïaans te noemen. De federale overheid blijft ook bevoegd voor de nationale erkenningsnormen, uitsluitend voor zover deze een weerslag kunnen hebben op de voormelde bevoegdheden, en ook voor de bepaling van de voorwaarden voor en de aanwijzing tot universitair ziekenhuis overeenkomstig de wetgeving op de ziekenhuizen. Spreker meent dat al deze bevoegdheden naar de gemeenschappen moeten worden overgeheveld.

Dit geldt ook voor de nationale maatregelen inzake profylaxis, voor de vaststelling van het minimumbedrag, de toekenningsvoorwaarden en de financiering van het wettelijk gewaarborgd inkomen overeenkomstig de wetgeving tot instelling van het recht op een bestaansminimum, voor de aangelegenheden met betrekking tot de openbare centra voor maatschappelijk welzijn die geregeld zijn in de artikelen 1 en 2 en in de hoofdstukken IV, V en VII van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, de aangelegenheden met betrekking tot de openbare centra voor maatschappelijk welzijn die geregeld zijn in de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de commissies van openbare onderstand en dergelijkem.

In de optiek van de heer Laeremans moeten de uitzonderingen vervallen die vandaag gelden op de bevoegdheid van de gemeenschappen wat betreft de regelen betreffende en de financiering van de toelagen aan de minder-validen, met inbegrip van de individuele dossiers en de regelen betreffende de financiële tegemoetkoming voor de tewerkstelling van minder-valide werknemers, die toegekend wordt aan de werkgevers die minder-validen tewerkstellen.

Het volledige tewerkstellingsbeleid en de integrale sociale zekerheid dienen eveneens naar de gemeenschappen te worden overgeheveld. Aldus komt er een coherent bevoegdheidspakket in deze aangelegenheden. Een dergelijke regeling zou, in het kader van een onafhankelijk Vlaanderen, ook voor de Brusselaars een zeer voordelige zaak zijn.

De heer Laeremans heeft ook enkele vragen bij de voorgestelde bevoegdheidsverdeling op het stuk van de langetermijn- en de kortetermijn revalidatie. Dit is een heel willekeurig en kunstmatig onderscheid. Hoe kan men een dergelijke artificiële opdeling verantwoorden ? Quid met de grijze zone, bijvoorbeeld voor wie na een ongeval eerst in een kortetermijn revalidatie en daarna in een langetermijn revalidatie terecht komt wanneer blijkt dat de verwondingen ernstiger zijn dan eerst gedacht ? Hoe kan men tussen beide een duidelijke grens trekken zodat de gemeenschappen en hun instellingen weten hoe ver ze mogen gaan in de uitoefening van hun bevoegdheden ?

Spreker stelt vast dat de contingentering volledig federaal blijft en enkel de subquota door de gemeenschappen kunnen worden bepaald. Ook dit lijkt hem zeer onlogisch.

De heer Verherstraeten, staatssecretaris voor Staatshervorming, verwijst naar het uitgebreide antwoord dat hij heeft verstrekt tijdens de algemene bespreking voor wat de bevoegdheidsverdeling op het stuk van de gezondheidszorg betreft.

De heer Laeremans repliceert dat hij het helemaal niet eens is met de antwoorden die de staatssecretaris heeft verstrekt. De contingentering wordt helemaal van zijn substantie ontdaan ingevolge de voorgestelde bevoegdheidsverdeling. Hij heeft bovendien geen antwoord mogen ontvangen voor wat het verschil tussen de gemeenschappen betreft in hun initiatieven met betrekking tot de kortetermijn revalidatie.

Het antwoord van de staatssecretaris schoot eveneens tekort op het vlak van het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg, dat als interfederaal ontmoetingscentrum kan fungeren.

Stemmingen

Amendement nr. 2 van de heer Claes c.s. wordt aangenomen met 10 stemmen bij 5 onthoudingen.

De amendementen nrs. 37, 38, 39 en 40 van de heer Laeremans worden achtereenvolgens verworpen met 10 tegen 5 stemmen.

Het aldus geamendeerde artikel wordt aangenomen met 10 stemmen tegen 4 bij 1 onthouding.

Artikel 6/1 (nieuw)

Amendement nr. 41

De heer Laeremans dient amendement nr. 41 (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) in, dat ertoe strekt een nieuw artikel 6/1 in te voeren, waarin wordt voorgesteld het beleid inzake maatschappelijk welzijn over te hevelen naar de gemeenschappen.

De indiener verwijst naar de schriftelijke verantwoording bij het amendement.

Stemming

Amendement nr. 41 van de heer Laeremans wordt verworpen met 10 tegen 5 stemmen.

Artikel 7

Dit artikel wordt zonder bespreking aangenomen met 10 tegen 4 stemmen bij 1 onthouding.

Artikel 8

Amendement nr. 42 de M. Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 42 (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) in, waarin wordt voorgesteld het gehele beleid inzake mindervaliden met inbegrip van de toelagen over te dragen naar de gemeenschappen.

De heer Laeremans stelt vast dat de integratietegemoetkoming voor gehandicapten federaal blijft. De mindervalide bejaarden zijn dus aangewezen op twee overheden waardoor een belangrijk deel van het gehandicaptenbeleid en de ouderenzorg niet coherent wordt overgeheveld naar de gemeenschappen.

De heer Anciaux merkt op dat deze materies nu ook al onder de bevoegdheid vallen van verschillende overheden zoals de gemeente, de provincie, de gemeenschappen en de federale overheid.

Amendement nr. 119 van de heer Vanlouwe c.s.

De heer Vanlouwe c.s. dient amendement nr. 119 (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) in, waarin wordt voorgesteld het beleid inzake gehandicapten integraal over te hevelen naar de gemeenschappen.

Door de overheveling van mobiliteitshulpmiddelen naar de gemeenschappen, is het volgens de heer Vanlouwe, niet duidelijk of de integratietegemoetkoming en de inkomensvervangende tegemoetkoming federaal blijven.

De heer Verherstraeten, staatssecretaris voor Staatshervorming, verwijst naar de toelichting van de bijzondere wet waarin wordt bepaald dat : »De federale overheid blijft bevoegd om de voortgang van de betaling van de inkomensvervangende tegemoetkoming of de integratietegemoetkoming te verzekeren, na het bereiken van de leeftijd van vijfenzestig jaar, van de personen met een handicap die reeds een tegemoetkoming ontvingen voor hun vijfenzestigste verjaardag. De deelstaten kunnen een toeslag geven in het kader van de THAB » (stuk Senaat, nr. 5-2232/1, p. 52). Spreker verwijst verder naar zijn reactie op de opmerkingen van de Raad van State (advies nr. 53 932) inzake artikel 8.

De heer Vanlouwe betreurt dat de integratietegemoetkoming als dusdanig, niet wordt overgeheveld naar de gemeenschappen.

De heer Vanlouwe verwijst verder naar de schriftelijke verantwoording van zijn amendement.

Stemmingen

Amendement nr. 42 van de heer Laeremans wordt verworpen met 10 tegen 5 stemmen.

Amendement nr. 119 van de heer Vanlouwe c.s. wordt verworpen met 10 tegen 5 stemmen.

Artikel 8 wordt aangenomen met 10 stemmen bij 5 onthoudingen.

Artikel 9

Amendement nr. 3 van de heer Claes c.s.

De heer Claes c.s. dient het amendement nr. 3 (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) in dat ertoe strekt artikel 9 b) te vervangen om aldus de bevoegdheidsverdeling inzake de maatregel van de uithandengeving te verduidelijken.

Spreker verwijst naar de schriftelijke verantwoording van zijn amendement.

De heer Vanlouwe legt uit dat er al gesproken werd over de jeugdgevangenis van Tongeren. Het toeval wil dat er net een staking is geweest in deze gevangenis en dat in de media duidelijk werd dat de situatie daar ingewikkeld is. Blijkbaar vallen de cipiers van de ene verdieping onder de federale overheid en de cipiers van een andere verdieping onder de Vlaamse Gemeenschap.

De heer Verherstraeten verwijst naar zijn eerdere antwoord betreffende deze materie.

De heer Laeremans vraagt verduidelijking bij het amendement van de heer Claes. Wat gebeurt er met de oorspronkelijke tekst van punt d) die verwees naar de maatregelen die men kan nemen en naar de Gemeenschappen worden overgeheveld ? Het lijkt alsof dit wegvalt en de tekst is onduidelijk. De toelichting van het amendement verwijst wel naar het feit dat de Gemeenschappen deze bevoegdheid zullen hebben, maar in de tekst zelf komt dit niet meer aan bod.

De heer Verherstraeten vindt dat de draagwijdte van de tekst duidelijk is in de verantwoording van het amendement.

De heer Laeremans betreurt dat de tekst niet duidelijker is en vindt dat het lijkt alsof de tekst op die manier wordt uitgehold.

De heer Anciaux verduidelijkt dat het gaat over minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en die uit handen zijn gegeven. Op het moment dat men uit handen wordt gegeven, valt men onder de strafwet en gaat het over de uitvoering van de strafwet. Dit werd niet correct verwoord in de oorspronkelijke tekst, aangezien de maatregelen gaan over jeugdbescherming.

De heer Laeremans wenst te weten waar dan staat dat de Gemeenschappen bevoegd worden om al die maatregelen te treffen.

De heer Verherstraeten legt uit dat in de huidige wetgeving er sprake is van de jeugdbescherming, met inbegrip van de sociale bescherming en de gerechtelijke bescherming, maar met uitzondering van « d) de opgave van de maatregelen die kunnen worden genomen ten aanzien van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd ». Die uitzondering wordt geschrapt, waardoor dit ook overgeheveld wordt. De staatssecretaris verwijst verder naar zijn eerdere antwoorden in verband met de uitzonderingen met betrekking tot het strafrecht.

De heer Laeremans herhaalt dat de tekst na het amendement helemaal niet duidelijk zal zijn.

Amendementen nrs. 43, 44, 45, 46 en 123 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 43 (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) in dat ertoe strekt punt a) te vervangen als volgt :

« 6. De jeugdbescherming, met inbegrip van de sociale bescherming en de gerechtelijke bescherming. »

Spreker verwijst naar zijn schriftelijke verantwoording.

De heer Anciaux verwijst naar artikel 5, § 1, 2, 6 van de bijzondere wet waar er sprake is van « de ontzetting uit de ouderlijke macht en het toezicht op de gezinsbijslag of andere sociale uitkeringen ». Deze bepaling blijft federaal, maar spreker begrijpt niet helemaal waarom dit het geval is voor het toezicht op de gezinsbijslag.

De heer Verherstaeten, staatssecretaris voor de staatshervorming, legt uit dat het eerste gedeelte van de tekst een civielrechtelijk aspect betreft dat niet wordt overgeheveld en het tweede een aangelegenheid die eveneens federaal blijft.

De heer Laeremans denkt dat het een correcte opmerking is van dhr. Anciaux en dat het nuttig zou zijn om hierover een amendement in te dienen.

Subsidiair amendement nr. 44 op amendement nr. 43

De heer Laeremans dient een subsidiair amendement nr. 44 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) in dat ertoe strekt : »punt b) de strafrechtelijke regels waarbij gedragingen die inbreuk plegen op de jeugdbescherming, als misdrijf worden omschreven en waarbij op die inbreuken straffen worden gesteld, met inbegrip van de bepalingen die betrekking hebben op de vervolgingen, onverminderd artikel 11 » op te heffen.

Deze bevoegdheid dient volgens de indiener volledig naar de gemeenschappen overgeheveld te worden.

Subsidiair amendement nr. 45 op amendement nr. 43

De heer Laeremans dient een subsidiair amendement nr. 45 (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) in dat ertoe strekt in artikel 5, § 1, II, 6, van de BWHI van 8 augustus 1980, de bepaling onder c) « de organisatie van de jeugdrechtbanken, hun territoriale bevoegdheid en de rechtspleging voor die gerechten » op te heffen.

De indiener stelt dit amendement reeds te hebben toegelicht maar voegt eraan toe dat de territoriale bevoegdheid van de jeugdgerechten, zoals vastgelegd in de Jeugdbeschermingswet van 8 april 1965, niet langer bij de Federale Staat mag liggen, maar moet toekomen aan de deelstaten, zoals dit reeds (gedeeltelijk) het geval is voor wijziging en aanvulling van de materiële bevoegdheid. Uit de debatten en de antwoorden van de staatssecretaris bevoegd voor de Staatshervorming is trouwens gebleken dat als een persoon in de toekomst, ondanks het feit dat zij woonachtig is in het arrondissement Brussel-Halle Vilvoorde of Oostende, toch voor een Franstalige jeugdrechter kiest, zij dan berecht zal worden met het recht van Franstalige Gemeenschap. Dit leidt tot een soort extraterritoriale bevoegdheid. Neem een jonge Franstalige Congolees die in Antwerpen woont en daar gecontroleerd wordt. Het jeugdbeschermingssysteem verplicht hem om een gerechtstaal en een rechtbank te kiezen. Niks belet dat hij bijvoorbeeld doorverwezen wordt naar de jeugdrechtbank van Doornik waar totaal andere juridische regels van toepassing kunnen zijn, omdat ze misschien soepeler zijn. Dit houdt bijgevolg in dat de Vlaamse Gemeenschap niet over haar eigen territorium bevoegd is, terwijl jeugdbescherming een exclusieve bevoegdheid zou moeten zijn. Volgens de indiener is dit een juridische aberratie.

De heer Laeremans verwijst verder naar de schriftelijke verantwoording van zijn amendement.

Subsidiair amendement nr. 46 op amendement nr. 43

De heer Laeremans dient een subsidiair amendement nr. 46 (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) in dat ertoe strekt in in artikel 5, § 1, II, 6, van de BWHI van 8 augustus 1980, de bepaling onder e) « de ontzetting uit de ouderlijke macht en het toezicht op de gezinsbijslag of andere sociale uitkeringen » op te heffen.

Hij stelt dat hij hieromtrent een vervangend amendement zal indienen waarin de verwijzing naar de ontzetting uit de ouderlijke macht geschrapt zal worden. Wel hoopt hij dat de meerderheid zelf een initiatief zal nemen in dat verband. Dit zou aantonen dat er kan geluisterd worden naar redelijke voorstellen van de oppositie.

De heer Moureaux meent dat het probleem inderdaad complex is, maar volgens spreker gaat het om een fundamenteel rechtsbeginsel, namelijk het recht van de rechtzoekende om de taal te laten wijzigen in een gerechtelijke procedure. Dat beginsel blijft algemeen. Bijvoorbeeld, een Franstalige rechtzoekende begaat in het Vlaams Gewest een ernstige milieuovertreding. Indien het parket overgaat tot vervolging, kan de rechtzoekende om een taalwijziging verzoeken. Een Franstalige rechtbank zal dan uitspraak doen op grond van de bepalingen van het milieudecreet van het Vlaams Gewest. In die zin moet dezelfde redenering worden doorgetrokken voor het jeugdbeschermingsrecht. De regels die van toepassing zijn op een jonge misdadiger, zelfs al zou een Franstalige rechtbank oordelen, zijn de regels van het Vlaams Gewest.

Spreker begrijpt dus niet waarom de heer Laeremans van een tegenstrijdigheid spreekt.

De heer Anciaux deelt deze laatste mening maar denkt dat men zich toch één belangrijke vraag moet stellen wat betreft de sancties. Zal de Franstalige rechtbank een sanctie uitspreken die op dat moment in het Waalse Gewest van kracht is ?

De heer Delpérée antwoordt dat niet de straffen zullen worden uitgesproken die van toepassing zijn in het Waals Gewest, maar wel die van het Vlaams Gewest.

De heer Anciaux stelt bijgevolg vast dat de Franstalige jeugdrechter maatregelen zal moeten uitspreken die voorzien zijn binnen de Vlaamse regelgeving en niet noodzakelijkerwijze binnen de Franse regelgeving. Dit is een belangrijke verduidelijking.

De heer Verherstraeten, staatssecretaris voor de Staatshervorming, benadrukt nogmaals dat huidig voorstel van bijzondere wet niets wijzigt aan de procedureregels of aan de taalwetgeving.

De heer Laeremans meent dat dit duidelijk aantoont dat een heel belangrijk deel van het jeugdrecht nog steeds federaal blijft, wat hij ten zeerste betreurt. De vraag is of het om strafrecht gaat, dan wel eerder om beschermingsmaatregels. Volgens hem kadert jeugdbeschermingsrecht meer in de welzijnsproblematiek en moet het losgekoppeld worden van het strafrecht. In een moderne justitie is het niet logisch dat een Franstalige gerechtigde woonachtig in Vlaanderen anders behandeld word dan een Engelstalige of Spaanstalige in dezelfde situatie. Deze laatsten hebben recht op een tolk, overeenkomstig de elementaire mensenrechten. Alleen voor de Franstaligen wordt een uitzondering voorzien en dit is volgens hem problematisch. De taalwetgeving is op dat vlak achterhaald en zou moeten worden aangepast.

De heer Deprez stelt vast dat de heer Laeremans rechten wil afnemen van de Belgen om het probleem van enkele Congolezen te regelen. De wet op het gebruik der talen staat niet op de agenda van de commissie.

De heer Vanlouwe is van oordeel dat de opmerking van de heer Laeremans terecht werd aangehaald. Sommige leden geven de indruk dat de doorverwijzing naar een anderstalige rechtbank een automatisme is, quod non. Artikel 23 van de wet van 5 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken stelt uitdrukkelijk :

« De beklaagde die alleen Nederlands kent of zich gemakkelijker in die taal uitdrukt kan, wanneer hij terechtstaat voor een politierechtbank of een correctionele rechtbank waarvan de taal van rechtspleging het Frans of het Duits is, vragen dat de rechtspleging in het Nederlands geschiedt.

De beklaagde die alleen Frans kent of zich gemakkelijker in die taal uitdrukt kan, wanneer hij terechtstaat voor een politierechtbank of een correctionele rechtbank waarvan de taal van rechtspleging het Nederlands is, vragen dat de rechtspleging in het Frans geschiedt.

De beklaagde die alleen Duits kent of zich gemakkelijker in die taal uitdrukt kan, wanneer hij terechtstaat voor een politierechtbank of een correctionele rechtbank waarvan de taal van rechtspleging het Nederlands of het Frans is, vragen dat de rechtspleging in het Duits geschiedt.

In de gevallen bedoeld in de leden 1 tot 3, gelast de rechtbank de verwijzing naar het dichtstbij gelegen gerecht van dezelfde rang, waarvan de taal van rechtspleging de taal is die door de beklaagde is gevraagd. De rechtbank kan evenwel beslissen wegens de omstandigheden van de zaak niet op de aanvraag van de beklaagde te kunnen ingaan. »

De rechtbank heeft een bepaalde vrijheid om de doorverwijzing te weigeren. Het gaat dus niet om een automatisme maar om een mogelijkheid. De praktijk toont aan dat de politierechtbank in Vilvoorde, bijvoorbeeld, waar ook veel Franstaligen woonachtig op het grondgebied dagelijks worden gedagvaard, systematisch weigert om de zaak door te verwijzen naar een Franstalige rechtbank.

De heer Moureaux geeft toe dat de verwijzing van de zaak naar de dichtstbijzijnde rechtbank van een andere taalrol niet automatisch gebeurt. Het gebeurt nagenoeg automatisch. Indien de rechter de verwijzing weigert, dan moet hij die beslissing met redenen omkleden. Tegen die weigering kan overigens beroep worden ingesteld en zelfs cassatieberoep.

De heer Delpérée verduidelijkt dat de taalwijziging niets wijzigt aan het rechtsstelsel dat van toepassing is op de persoon die voor de rechter verschijnt. Een rechter in Luik naar wie een dossier wordt teruggezonden, zal, als het geval zich voordoet, oordelen op grond van de decreten van een ander gewest dan het Waalse Gewest.

Amendement nr. 123 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 123 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) dat ertoe strekt in artikel 5, § 1, 6, e), van de bijzondere wet tot hervorming der instellingen van 8 augustus 1980, de woorden« het toezicht op de gezinsbijslag » te doen vervallen. Aangezien deze teksten voorzien in een volledige overdracht van de gezinsbijslag naar de gemeenschappen, moet de uitzondering in de bijzondere wet van 8 augustus 1980 waarbij bepaald wordt dat het toezicht op de gezinsbijslag een federale bevoegdheid blijft, worden opgeheven.

De heer Anciaux verwijst naar de toelichting bij het voorstel van bijzondere wet :« De gemeenschappen en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie beschikken ter zake over de volledige wetgevings-, uitvoerings-, en controlebevoegdheid. De gemeenschappen zijn onder meer volledig bevoegd voor het bepalen van het toepassingsgebied, de rechthebbenden die het recht op kinderbijslag openen, de rechtgevende kinderen, de bijslagtrekkenden, het bedrag van de kinderbijslag, het ontstaan en behoud van het recht op kinderbijslag, de betaling van de kinderbijslag en het administratief beheer. Ze kunnen de bestaande regelgeving, elk wat hen betreft, opheffen, aanvullen, wijzigen of vervangen. »(stuk Senaat, nr. 5-2232/1, p. 68).

De heer Verherstraeten, staatssecretaris voor Staatshervorming, verwijst naar de vorige besprekingen. De inschrijving van het recht op gezinsbijslag in artikel 23 van de Grondwet (zie stuk Senaat nr. 5-2240/1) is neutraal voor de bevoegdheidsoverdracht tussen de Federale Staat, de Gemeenschappen en Gewesten.

De heer Laeremans stipt aan dat het voorstel van bijzondere wet artikel 5, § 1, II, 6, d), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 niet wijzigt. Men zou hieruit kunnen afleiden dat het toezicht op de gezinsbijslag een federale bevoegdheid blijft. Zijn amendement nr. 123 voorkomt interpretatieproblemen.

De heer Anciaux wijst erop dat er geen twijfel bestaat over de draagwijdte van de overdracht van de gezinsbijslag : het betreft de volledige materie, met inbegrip van het toezicht.

De heer Anciaux wijst er tevens op dat de bepaling van toezicht op de gezinsbijslag in het bedoelde artikel  5, § 1, II, 6º, e, enkel dient bekeken te worden in het raam van de bevoegdheid van de jeugdrechter, wanneer die oordeelt over de ontzetting uit de ouderlijke macht en de daaraan gekoppelde toekenning van de gezinsbijslag. Het artikel beperkt de omschrijving van « toezicht op de gezinsbijslag » tot de beoordeling van de jeugdrechter binnen de Jeugdbescherming.

De heer Verherstraeten, staatssecretaris voor Staatshervorming, denkt dat zowel de toelichting bij het voorstel van bijzondere wet als de parlementaire debatten er geen twijfel over laten bestaan dat de bevoegdheidsoverdracht betrekking heeft op de wetgeving, de uitvoering en het toezicht van de gezinsbijslag. Indien amendement nr. 123 tijdens de stemming wordt verworpen, zal dat enkel zijn omdat de bedoelde wijziging niet relevant is.

De heer Laeremans meent dat er geen enkele objectieve reden is om zijn amendement te verwerpen. Integendeel, door het amendement te verwerpen, blijft er in onze wetgeving een onsamenhangendheid bestaan.

De heer Verherstraeten betwist dat er een gebrek aan samenhang of kans op verwarring zou zijn.

Het « toezicht op de gezinsbijslag of andere sociale bijslagen », bedoeld in artikel 5, § 1,II, 6, e), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen is de maatregel bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade, dat bepaalt :

« Wanneer kinderen die recht geven op gezinsbijslag of andere sociale uitkeringen grootgebracht worden in omstandigheden die kennelijk en doorgaans niet voldoen aan de eisen inzake voeding, huisvesting en hygiëne, en wanneer het bedrag van de uitkeringen niet wordt aangewend in het belang van de kinderen, kan de jeugdrechtbank, op vordering van het openbaar ministerie, een persoon aanwijzen die ermede belast is het bedrag van die uitkeringen te innen en uitsluitend te gebruiken voor de behoeften van de kinderen en voor de gezinsuitgaven die hen betreffen. »

Dit betreft een burgerrechtelijke maatregel zoals de ontzetting uit het ouderlijk gezag.

Zonder afbreuk te doen aan de bestaande bevoegdheid van de gemeenschappen in deze aangelegenheid, maakt deze maatregel niet het voorwerp uit van de overdracht bedoeld in artikel 9 van het voorstel.

Er dient evenwel te worden herhaald dat « het toezicht op de gezinsbijslag en de andere sociale bijslagen » natuurlijk geen afbreuk doet aan de volledige bevoegdheid van de gemeenschappen inzake sociale bijstand (onder voorbehoud van de uitzonderingen bedoeld in artikel 5, § 1, II, 2) en na 1 juli 2014, inzake gezinsbijslagen, om de toekenningsvoorwaarden en de uitbetaling van de gezinsbijslagen en de sociale uitkeringen die tot hun bevoegdheden behoren te bepalen, met inbegrip van, het bepalen van de personen aan wie deze gezinsbijslagen en sociale uitkeringen worden toegekend en betaald, alsook de personen die, in voorkomend geval, belast zullen zijn deze te ontvangen in de hypotheses die de Gemeenschappen voorzien of nog de hypotheses en de voorwaarden waaronder deze bijslagen worden geschorst of afgeschaft.

Stemmingen

Amendement nr. 3 van de heer Claes c.s. wordt aangenomen met 10 stemmen tegen 1 stem bij 4 onthoudingen.

De amendementen nrs. 43, 44, 45, 46 en 123 van de heer Laeremans worden achtereenvolgens verworpen met 10 tegen 5 stemmen.

Het aldus geamendeerde artikel wordt aangenomen met 11 stemmen tegen 1 stem bij 4 onthoudingen.

Artikel 10

Dit artikel wordt zonder bespreking aangenomen met 11 stemmen tegen 1 stem bij 4 onthoudingen.

Artikel 11

Amendement nr. 4 van de heer Claes c.s.

De heer Claes c.s. dient amendement nr. 4 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) dat ertoe strekt in het voorgestelde artikel 5, § 1, III, het eerste lid te vervangen als volgt : « III. De organisatie, de werking en de opdrachten van de justitiehuizen en van de bevoegde dienst die de uitwerking en de opvolging van het elektronisch toezicht verzekert. ».

De heer Beke legt uit dat het amendement gevolg geeft aan een opmerking van de Raad van State. Spreker verwijst naar de schriftelijke verantwoording.

De heer Laeremans herinnert eraan dat hij, tijdens de algemene bespreking, erop had gewezen dat de overdracht van het Nationaal Centrum voor elektronisch toezicht naar de gemeenschappen maar heel bondig aan bod is gekomen in de toelichting. Het is nochtans geen kleinigheid. Het Centrum is een belangrijk instrument bij de strafuitvoering. Het is gericht op personen die onder elektronisch toezicht staan of personen in thuisdetentie. De heer Laeremens stelt vast dat die bevoegdheidsoverdracht naar de gemeenschappen, de verantwoordelijkheden inzake strafuitvoering fragmenteert. Een gedetineerde die zijn straf uitzit in de gevangenis zal dus onder de Federale Staat vallen, terwijl iemand in thuisdetentie, die nochtans dezelfde rechtspositie heeft, onder de gemeenschappen valt. Wat zijn de gevolgen van die bevoegdheidsoverdracht voor het sociale, medische enz. positie van de gedetineerden ? Kan het openbaar ministerie, dat belast is met de strafuitvoering, instructies geven aan de gemeenschappen ? Zal er, naast het personeel van het Nationaal Centrum voor elektronisch toezicht, ook een deel van het personeel van de federale overheidsdienst Justitie dat momenteel met de strafuitvoering is belast, worden overgedragen aan de gemeenschappen ?

Spreker vraagt of de gemeenschappen een samenwerkingsovereenkomst zullen moeten sluiten om samen het Nationaal Centrum voor elektronisch toezicht te beheren of zullen er twee verschillende centra worden opgericht ? Spreker betwijfelt of de indieners van het voorstel van bijzondere wet aan alle gevolgen van hun beslissing hebben gedacht.

De heer Verherstraeten, staatssecretaris voor Staatshervorming, antwoordt dat amendement nr. 4 alle dubbelzinnigheid opheft over de draagwijdte van de voorgestelde bevoegdheidsoverdracht. Het beoogt de organisatie, de werking en de opdrachten van de justitiehuizen en van de dienst die belast is met de uitvoering en de follow-up van het elektronisch toezicht.

Artikel 2, 8º, van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten definieert het Nationaal Centrum voor elektronisch toezicht als« de dienst binnen de federale overheidsdienst Justitie die bevoegd is voor de uitwerking en de opvolging van het elektronisch toezicht ». Met die overdracht beoogt men dus de organisatie, de werking en de opdrachten van de dienst die belast is met de uitvoering en de follow-up van het elektronisch toezicht.

Spreker leidt hieruit af dat, overeenkomstig het Institutioneel akkoord voor de zesde staatshervorming, de strafuitvoering een federale bevoegdheid blijft. Aangezien er nauwe banden bestaan tussen het Nationaal Centrum voor elektronisch toezicht en de justitiehuizen, wordt er daarentegen voorgesteld het Centrum naar de gemeenschappen over te dragen.

De voorwaarden om in aanmerking te komen voor elektronisch toezicht blijven een federale bevoegdheid. De samenwerkingsovereenkomst tussen de Federale Staat en de drie gemeenschappen, die gesloten werd tijdens de vergadering van het Overlegcomité van 18 september 2013, bepaalt in artikel 9 dat het Nationaal Centrum voor elektronisch toezicht gezamenlijk door de gemeenschappen zal worden beheerd die daartoe een overeenkomst zullen sluiten. De Federale Staat verbindt zich ertoe het Nationaal Centrum voor elektronisch toezicht alle noodzakelijke informatie te bezorgen met het oog op de goede uitvoering van zijn opdrachten. Het Centrum zal toegang hebben tot de informatiesystemen van het directoraat-generaal Penitentiaire Inrichtingen, de parketten en de strafuitvoeringsrechtbanken.

Het Nationaal Centrum bestaat uit 103 medewerkers van wie 8 personen niveau A zijn, 6 niveau B en 89 niveau C. De gemeenschappen zullen een samenwerkingsovereenkomst moeten sluiten met de federale overheidsdienst Justitie om het gezamenlijk beheer van het Centrum uit te voeren.

Aangezien de samenwerkingsovereenkomst een gezamenlijk beheer van het Nationaal Centrum voor elektronisch toezicht oplegt, leidt de heer Laeremans hieruit af dat het Centrum een ondeelbare entiteit blijft. Wat zal er gebeuren indien de Vlaamse Gemeenschap ooit de organisatie van het elektronisch toezicht wil wijzigen en bijvoorbeeld een deel van de ambtenaren dat belast is met de justitiehuizen wil overdragen naar haar overheidsdienst ? Is zoiets mogelijk ?

De heer Verherstraeten, staatssecretaris voor de Staatshervorming, verwijst naar amendement nr. 4 waarin de draagwijdte van de overdracht naar de gemeenschappen wordt verduidelijkt. De overdracht beoogt ook de dienst die belast is met de uitvoering en de follow-up van het elektronisch toezicht. Het beheer zal gezamenlijk door de gemeenschappen worden uitgevoerd die autonoom kunnen beslissen hoe ze die bevoegdheid zullen organiseren.

De heer Laeremans leidt hieruit af dat de gemeenschappen het eens kunnen worden om twee autonome diensten op te stellen die zullen samenwerken.

De heer Verherstraeten, staatssecretaris voor Staatshervorming, verduidelijkt dat de gemeenschappen het Centrum gezamenlijk zullen moeten beheren.

De heer Laeremans merkt op dat dit gezamenlijk beheer niet wordt bepaald in het dispositief van het amendement, noch in de verantwoording.

De heer Verhestraeten, staatssecretaris voor de Staatshervorming, verduidelijkt dat dit beginsel voortvloeit uit de tijdens het Overlegcomité van 18 september 2013 gesloten overeenkomst.

De heer Laeremans merkt op dat samenwerking geen wettelijke verplichting is, maar afhangt van de vrije wil van de gemeenschappen.

Spreker had graag de inhoud van het afgesloten samenwerkingsakkoord gekend. Kan de staatssecretaris dit mededelen ? Trouwens, er moeten nog 23 andere samenwerkingsakkoorden worden afgesloten. Hoe ver staat het met de voorbereiding hiervan ? Wanneer kan daarvan kennis worden genomen ?

De staatssecretaris stelt voor het samenwerkingsakkoord toe te voegen als bijlage bij dit verslag. De andere samenwerkingsakkoorden zijn in voorbereiding, maar de finalisering ervan zal tijd vragen. Men poogt zo snel als mogelijk te werken.

Amendement nr. 5 van de heer Claes c.s.

De heer Claes c.s. dient amendement nr. 5 in (stuk Senaat nr. 5-2232/4), dat strekt om in het voorgestelde artikel 5, § 1, III, tweede lid, de woorden « Federale staat » te vervangen door de woorden « federale overheid ».

De heer Beke beklemtoont dat het om een technisch amendement gaat, dat gevolg geeft aan een opmerking van de Raad van State.

Amendement nr. 47 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 47 in dat artikel 11 wil vervangen.

Spreker verwijst naar de schriftelijke verantwoording bij dit amendement.

Stemmingen

De amendementen nrs. 4 en 5 van de heer Claes c.s. worden achtereenvolgens aangenomen met 11 stemmen bij 5 onthoudingen.

Amendementen nr. 47 van de heer Laeremans wordt verworpen met 11 tegen 5 stemmen.

Het aldus geamendeerde artikel wordt aangenomen met 11 stemmen bij 5 onthoudingen.

Artikel 12

Amendement 6

De heer Claes dient amendement nr. 6 in (stuk Senaat, nr. 2232/4) dat ertoe strekt in de Franse tekst het woord « allocations » te vervangen door het woord « prestations » en verwijst daarbij naar de schriftelijke verantwoording bij dit amendement.

De heer Laeremans stipt aan dat in de toelichting bij artikel 12 wordt vermeld dat « de gemeenschappen zullen geen enkele bevoegdheid uitoefenen op het grondgebied van het tweetalige Brusselse Hoofdstedelijke Gewest inzake de gezinsbijslagen. Op dat grondgebied zal de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie exclusief bevoegd zijn, zoals artikel 52 van dit voorstel bepaalt. » (stuk Senaat, nr. 5-2232/1, blz. 66).

Spreker heeft grote bedenkingen bij die exclusiviteit want die wordt, enerzijds, de facto ondermijnd door de Franstaligen die meteen hebben laten weten dat het Brussels systeem volledig in overeenstemming moet zijn met het Waals systeem en, anderzijds, verhindert die exclusiviteit het noodzakelijk overleg tussen de gemeenschappen en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie om mekaar voorafgaandelijk op de hoogte te brengen. Bijvoorbeeld : wanneer Vlaanderen zou beslissen om de gezinsbijslagen gevoelig te vermeerderen, terwijl ze in Brussel worden verminderd, zou het voor grote gezinnen aantrekkelijk worden om te verhuizen uit Brussel naar Vlaanderen. Hierover moet op voorhand overleg worden gepleegd.

De staatssecretaris antwoordt dat overleg tussen de gemeenschappen en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie geen afbreuk doet aan de exclusiviteit van hun respectievelijke bevoegdheden ter zake.

Stemmingen

Amendement nr. 6 van de heer Claes c.s. wordt aangenomen met 11 stemmen bij 5 onthoudingen.

Het aldus geamendeerde artikel wordt aangenomen met 11 stemmen bij 5 onthoudingen.

Artikel 13

Amendement nr. 7 van de heer Claes c.s.

De heer Claes c.s. dient amendement nr. 7 in (stuk Senaat, nr. 2232/4) dat een louter technische aanpassing betreft aangezien in de Nederlandse tekst de woorden « met oog op » worden vervangen door « met het oog op ».

Amendement nr. 109 van de heer Vanlouwe c.s.

De heer Vanlouwe c.s. dient het amendement nr. 109 in (stuk Senaat, nr. 2232/4) dat ertoe strekt de woorden « artikel 5 » te vervangen door « artikel 4 ».

Spreker verwijst naar de verantwoording bij het amendement.

De staatssecretaris kan het amendement niet aanvaarden en verwijst daarbij naar de toelichting bij artikel 13 (stuk Senaat, nr. 5-2232/1, blz. 76 en 77).

De heer Vanlouwe merkt op dat in deze toelichting wordt verwezen naar een advies van de Raad van State van 26 januari 2007 waarin wordt gezegd dat « de bevoegdheid inzake de keuring van culturele gegevensdragers aan de gemeenschappen, best niet wordt toegewezen als een onderdeel van de aangelegenheid van de jeugdbescherming, of ruimer, als een aangelegenheid ressorterend onder de bijstand aan personen ». Daarom voorziet amendement 120 er dan ook in die bevoegdheid te laten aansluiten bij de culturele bevoegdheden die de gemeenschappen reeds hebben.

De staatssecretaris is van oordeel dat er wel gevolg werd gegeven aan het advies van de Raad van State omdat de filmkeuring niet onder « Bijstand aan personen » — hoofdstuk II van de Bijzondere Wet valt, maar wel onder hoofdstuk V — « Persoonsgebonden aangelegenheden ».

De heer Anciaux voegt eraan toe dat de keuze tussen culturele bevoegdheid of bijstand aan personen in de praktijk niet veel verschil uitmaakt aangezien het in beide gevallen persoonsgebonden, minstens gemeenschaps-, aangelegenheden betreft.

Stemmingen

Amendement nr. 7 van de heer Claes c.s. wordt aangenomen met 11 stemmen bij 5 onthoudingen.

Amendement nr. 109 van de heer Vanlouwe c.s. wordt verworpen met 11 tegen 5 stemmen.

Het aldus geamendeerde artikel wordt aangenomen met 11 stemmen bij 5 onthoudingen.

Artikel 13/1 (nieuw)

Amendement 48 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient het amendement nr. 48 in (stuk Senaat, nr. 2232/41) dat een artikel 13/1 wil toevoegen aan het voorstel. Dit amendement strekt er toe artikel 5, § 1, van de BWHI van 8 augustus 1980 aan te vullen met een punt III luidende : « III. Het justitiebeleid. Op het grondgebied van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest blijft justitie evenwel een federale bevoegdheid ».

De heer Laeremans verwijst naar de schriftelijke verantwoording van het amendement. Justitie moet inderdaad volledig worden overgeheveld naar de gemeenschappen, maar zo lang België blijft bestaan moet de bevoegdheid inzake justitie in Brussel, als onze hoofdstad, federaal blijven zodat de Nederlandstaligen de regels van justitie mee kunnen bepalen. Inzake jeugdrecht kan de federale bevoegdheid zelfs affirmatiever worden uitgedrukt omdat de Franse gemeenschap hier in gebreke blijft.

Stemming

Amendement nr. 48 van de heer Laeremans. wordt verworpen met 11 stemmen tegen 1 stem bij 4 onthoudingen.

Artikel 13/2

Amendement nr. 49

De heer Laeremans dient amendement nr. 49 in (stuk Senaat, nr. 2232/4) dat een artikel 13/2 wil toevoegen aan het voorstel om in de BWHI van 8 augustus 1980 een artikel 5bis in te voegen, luidende : « Art. 5bis. De Vlaamse en de Franse gemeenschap regelen, ieder wat haar betreft, de wijze waarop de collectieve arbeidsovereenkomsten of de bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten die betrekking hebben op aangelegenheden die tot hun bevoegdheid behoren, algemeen verbindend kunnen worden verklaard. »

Spreker verwijst naar de schriftelijke verantwoording bij het amendement.

Stemming

Amendement nr. 49 van de heer Laeremans. wordt verworpen met 11 stemmen tegen 1 stem bij 4 onthoudingen.

Artikel 14

Amendement nr. 50 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 50 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) dat ertoe strekt artikel 6, § 1, II, van de BWHI van 8 augustus 1980 te wijzigen teneinde de doorvoer van alle afvalstoffen als één homogeen bevoegdheidspakket te beschouwen.

Nadat met artikel 14 de doorvoer van afvalstoffen wordt overgedragen naar de gewesten, is het logisch dat dit ook betrekking heeft op het radioactief afval. Het integrale energiebeleid zou trouwens moeten overgeheveld worden naar de gewesten.

Stemming

Amendement nr. 50 van de heer Laeremans wordt verworpen met 11 tegen 5 stemmen.

Artikel 14 wordt aangenomen met 11 stemmen tegen 5 onthoudingen.

Artikel 15

De heer Laeremans vraagt naar de ratio legis van het feit dat een deel van de huurwetgeving federaal wordt gehouden. Wat betekent dit precies ? Om welk aandeel van alle huurovereenkomsten gaat het ? Spreker heeft immers begrepen dat ook de handelshuur wordt overgeheveld naar de gewesten. Waarom wil men huur dat noch valt onder de regeling van de handelshuur, noch onder de regeling van huur van woningen, federaal houden ? Spreker verwijst bijvoorbeeld naar de huur van schoolgebouwen of sportzalen. Hij meent dat deze opdeling zal leiden tot een versnipperd huurbeleid.

De heer Verherstraeten, staatssecretaris voor Staatshervorming antwoordt dat de overheveling telkens specifieke regels van welbepaalde aangelegenheden betreft, zoals de huisvesting, de handelshuur, de pacht en de regels in economische aangelegenheden. De algemene regels van de huur blijven federaal.

De heer Laeremans heeft de indruk dat 90 à 95 % van alle huur wordt overgeheveld. Hij vraagt zich dan ook het nut af om een federale administratie over te houden voor het kleine residuaire gedeelte.

De heer Vastersavendts werpt op dat de algemene regels inzake huur best zo ruim mogelijk en dus federaal blijven. Specifieke regels met bijzondere beschermingsfactoren gaan dan beter naar de gewesten. De sociale huisvestingshuur is trouwens al geregionaliseerd. Het gemeenrechtelijk aspect blijft beter een federale bevoegdheid. Spreker vergelijkt dit met de aansprakelijkheidsregeling van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, dat ook federaal is. Het algemeen huurrecht is de koepel en blijft federaal, en de bijzondere contracten worden geregionaliseerd.

De heer Vanlouwe heeft hierbij een concrete vraag. Hij verwijst naar het geval waarbij een appartement verhuurd wordt samen met een garage, maar in een afzonderlijk huurcontract. Worden zowel de overeenkomst met betrekking tot de huur van de woning als de overeenkomst met betrekking tot de garage dan federaal geregeld ? De wet met betrekking tot de hoofdverblijfplaats is nu een federale bevoegdheid, die echter niet geïntegreerd is in het Burgerlijk Wetboek. Artikel 1720 van het Burgerlijk Wetboek, dat bijvoorbeeld betrekking heeft op de huur van een garage of een vakantieverblijf, is daarentegen een bepaling met betrekking tot het algemeen huurrecht. Het voorliggende voorstel hevelt de bevoegdheden met betrekking tot de woninghuurwet over naar de gewesten. De bepaling van artikel 1720 van het Burgerlijk Wetboek blijft echter federaal. Er zijn nochtans vaak interferenties met betrekking tot de woninghuurwet en de bepalingen van algemeen huurrecht. Spreker vreest dat de zaken hierdoor nodeloos ingewikkeld zullen worden. Als er een conflict bestaat met betrekking tot de huur, zal de vrederechter steeds moeten nagaan welke regelgeving toepasselijk is. In de nota De Wever was er sprake van overheveling van het « huurrecht » en werd geen opsplitsing gemaakt.

De staatssecretaris antwoordt dat ook vandaag reeds verschillende regels bestaan met betrekking tot de huur van de woning en met betrekking tot de huur van de garage. In die zin kan men niet beweren dat de situatie complexer wordt.

De heer Moureaux geeft toe dat de opmerking van de heer Vanlouwe niet geheel onterecht is, maar dat men hier met een compromis heeft te maken.

De staatssecretaris verwijst naar de toelichting (stuk Senaat, 5-2232/1, blz. 83) : « Het voorstel van bijzondere wet maakt de gewesten bevoegd om specifieke regels van de huurcontracten vast te leggen die kunnen afwijken van het federaal vastgestelde gemeen recht. Er anders over oordelen zou impliceren dat het huurrecht wordt bevroren in zijn bestaande staat. Het huurrecht betreft immers per definitie een geheel van rechtsregels dat aanvullend of afwijkende bepalingen bevat ten aanzien van het gemeen recht. ».

Spreker stipt aan dat men hier te maken heeft met een toepassing van het principe « lex specialis derogat lex generalis ». Het is de regionale decreetgever die, in de toepassing van zijn bevoegdheden, bijvoorbeeld van het huurrecht, afwijkingen kan bepalen aan het federaal gemeen recht. Wat de handelshuur betreft, gaat de overheveling iets verder dan de handleshuurwet van 1951.

De heer Vanlouwe blijft erbij dat de federale bevoegdheid de uitzondering zal vormen. De belangrijkste bepalingen, zowel inzake woninghuur als handelshuur, staan immers in bijzondere wetten, die de basis geworden zijn van het huurrecht.

Dit zal voor complexiteit zorgen. Het zou eenvoudiger zijn als men alle aspecten van het huurrecht zou overhevelen naar de gewesten. Hij verwijst, bijvoorbeeld, naar de aansprakelijkheidsregeling bij brand. Waarom zou er in de verschillende gewesten hierover geen verschillende visie ontwikkeld worden ?

Volgens de staatsecretaris zullen de gewesten kunnen afwijken van de thans nog geldende federale regels maar dit geldt niet voor alle regels die op de huur van toepassing zijn. De heer Vanlouwe voorspelt dat dit onvermijdelijk tot conflicten zal leiden.

Stemming

Artikel 15 wordt aangenomen met 11 stemmen bij 5 onthoudingen.

Artikel 16

Amendement nr. 51 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient een amendement nr. 51 in (stuk Senaat, nr. 2232/4) dat er toe strekt de drie overblijvende federale bevoegdheden met betrekking tot landbouw te schrappen uit het voorliggend voorstel van bijzondere wet. Het heeft geen zin om een soort federale « rest »-administratie te behouden.

Van de staatssecretaris wenst hij te vernemen over hoeveel personeel de administratie « landbouw » op federaal vlak nog beschikt en hoeveel daarvan zal overblijven als de in dit artikel beoogde bevoegdheidsoverdracht wordt gerealiseerd.

Staatssecretaris Verherstraeten antwoordt dat hij niet over specifieke cijfers per departement beschikt. Hij suggereert dat senator Laeremans die vraag richt aan de bevoegde minister.

De heer Laeremans is verbaasd over het lage aantal ambtenaren dat van het federale naar het gewestelijke niveau zal worden overgedragen. In totaal zullen slechts 4 000 ambtenaren worden overgedragen terwijl hij dacht dat het om 8 000 ambtenaren zou gaan.

Staatssecretaris Verherstraeten antwoordt dat er grote bevoegdheidspakketten worden overgeheveld maar dat het inderdaad om relatief weinig ambtenaren gaat.

De heer Beke wijst er op dat de kinderbijslag, bijvoorbeeld, in België vooral georganiseerd wordt door verschillende kinderbijslagkassen. Deze zullen zich moeten gaan herorganiseren ingevolge de overdracht van deze bevoegdheid. Het totaal aantal ambtenaren dat betrokken is bij deze overdracht is echter beperkt. Er werken veel meer mensen bij de kinderbijslagkassen. Hij weet echter niet om hoeveel mensen het precies gaat.

Staatssecretaris Verherstraeten herinnert er aan dat de meeste van deze kassen VZW's zijn en dat de werknemers van deze kassen geen ambtenaren zijn maar contractuele werknemers. De vaktechnische bekwaamheid zit bij deze kassen en het zou hem verbazen moesten de gewesten geen beroep zouden doen op deze expertise.

De heer Laeremans stelt vast dat de gewesten de bevoegdheid niet zullen hebben om de kinderbijslag eventueel op een andere manier te financieren, bijvoorbeeld, vanuit de algemene middelen.

Staatssecretaris Verherstraeten preciseert dat de beheerskosten voor die kinderbijslagkassen mee zullen worden overgedragen in de bijzondere financieringswet. De wijze waarop de gemeenschappen hun solidariteit in de toekomst wensen te organiseren zullen zij zelf moeten beslissen.

De heer Laeremans vraagt of de Vlaamse Gemeenschap, bijvoorbeeld, kan beslissen om de kinderbijslag voortaan door haar eigen administratie te laten betalen.

De heer Beke antwoordt dat de gemeenschappen inderdaad de bevoegdheid krijgen om dit te doen. In elk geval zal de bevoegdheidsoverdracht het mogelijk maken dat de gemeenschappen zelf zullen kunnen beslissen hoe zij de sociale zekerheid in de toekomst zullen organiseren.Op dit ogenblik wordt de sociale zekerheid op vier verschillende manieren georganiseerd (door rechtstreekse bijdragen, door een federale evenwichtsdotatie, door een bijzondere financiering, ...). In elk geval is er geen een/een-relatie tussen ontvangsten en uitgaven. In de toekomst zal de Vlaamse Gemeenschap autonoom kunnen beslissen hoe zij dit alles wenst te organiseren.

De heer Laeremans vraagt of de Vlaamse Gemeenschap dan ook zal kunnen beslissen om, bijvoorbeeld, de werkgeversbijdragen af te schaffen.

Staatssecretaris Verherstraeten herinnert er aan dat de bevoegdheid inzake sociale bijdragen niet wordt overgeheveld. De bevoegdheid van de gemeenschappen op het vlak van de organisatie van de sociale zekerheid is volledig maar de financiering ervan blijft federaal.

De heer Delpérée herinnert eraan dat inzake sociale zekerheid en meer bepaald inzake kinderbijslagen, een onderscheid moet worden gemaakt tussen wie de normen bepaalt, wie de middelen int en wie de uitkeringen uitbetaaltt. Dat zijn drie verschillende organisaties. De kinderbijslagfondsen van de werkgevers zijn slechts uitbetalingsorganen.

De hervorming raakt niet aan de normeringsbevoegdheden. Indien echter een gemeenschap het morgen beter vindt via de ziekenfondsen te werken, in plaats van via de kinderbijslagfondsen van de werkgevers, of via de administratie zelf, dan behoort dat tot haar bevoegdheden.

Stemming

Amendement nr. 51 van de heer Laeremans wordt verworpen met 11 tegen 5 stemmen.

Artikel 16 wordt aangenomen met 11 stemmen tegen 1 stem bij 4 onthoudingen.

Artikel 16/1 (nieuw)

Amendement nr. 52 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 52 (stuk Senaat 2-2232/4) in dat er toe strekt een nieuw artikel 16/1 in te voegen dat de bevoegdheid inzake buitenlandse handel volledig overhevelt naar de deelstaten.

Indiener verwijst naar de schriftelijke verantwoording bij het amendement.

Stemming

Amendement nr. 52 van de heer Laeremans wordt verworpen met 11 tegen 5 stemmen.

Artikel 17

Amendementen nrs. 53, 54 en 55 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient op dit artikel drie amendementen in (amendement nr. 53 en, in subsidiaire orde, amendement nr. 54 en 55, stuk Senaat nr. 5-2232/4).

Amendement nr. 53 strekt er toe artikel 17 te vervangen teneinde het volledige economische en industriële beleid over te dragen aan de gewesten.

Amendement nr. 54, subsidiair op amendement nr. 53, strekt er toe in het voorgestelde punt 6, de uitzondering betreffende de toegang tot de gezondheidsberoepen en tot dienstverlenende intellectuele beroepen te schrappen.

Amendement nr. 55, subsidiair op amendement nr. 53, strekt er toe in het voorgestelde artikel 6,§ 1, VI, eerste lid, het 9 « het toerisme » te schrappen.

De heer Laeremans merkt op dat deze amendementen tegemoetkomen aan de resolutie van het Vlaams parlement waarin dit vroeg dat er homogene bevoegdheidspakketten zouden worden overgedragen.

De vestigingsvoorwaarden worden weliswaar overgeheveld maar meteen worden uitzonderingen voorzien voor de gezondheidszorgberoepen en de dienstverlenende intellectuele beroepen.

Wat wordt trouwens precies bedoeld met « dienstverlenende intellectuele beroepen » ? Vanaf wanneer kan men spreken van een intellectueel beroep ?

Toerisme is evident een gemeenschapsbevoegheid.

De heer Vanlouwe vraagt ook of er geen lijst kan worden gegeven van de beroepen die vallen onder de vestigingsvoorwaarden. Nu is dat volstrekt onduidelijk. Vallen « accountants » onder federale regeling of niet ?

Staatssecretaris verwijst naar het dispositief van het artikel. Dit voorziet twee uitzonderingen op de bevoegdheid op het vlak van vestigingsvoorwaarden : de voorwaarden voor toegang tot gezondheidsberoepen en tot dienstverlenende intellectuele beroepen. Voor het overige verwijst hij naar de toelichting bij dit artikel (St. Senaat 5-2232/1, blz. 90). De toelichting verwijst immers naar de definitie van deze dienstverlenende beroepen in artikel 20 van de kaderwet van 3 augustus 2007 betreffende de dienstverlenende intellectuele beroepen. In de toelichting worden trouwens enkele voorbeelden gegeven van dergelijke beroepen : notarissen, bedrijfsrevisoren, wisselagenten, advocaten, gerechtsdeurwaarders en architecten.

De heer Vanlouwe wijst er op dat in de toelichting bij dit wetsvoorstel de gegeven lijst wordt ingeleid met de bepaling « onder meer ». Het is hem echter niet duidelijk of deze lijst limitatief is of niet.

Zal de toegang tot het beroep van verzekeringsmakelaar in de toekomst onder de bevoegdheid van de gewesten vallen dan wel tot de federale bevoegdheid blijven behoren ?

De heer Laeremans wijst er op dat verzekeraars ook bancaire verrichtingen mogen doen. Zij worden echter niet vermeld in de voorbeelden van de toelichting.

De heer Verherstraeten, staatssecretaris voor Staatshervorming, verklaart dat de opsomming in de toelichting niet limitatief is. Om uit te maken of een bepaald beroep al dan niet onder de bevoegdheid van de gewesten valt dan wel tot de bevoegdheid van het federale niveau blijft behoren, verwijst hij naar de reeds geciteerde kaderwet van 3 augustus 2007. Indien aan alle voorwaarden van deze wet wordt voldaan, kan men spreken over een « intellectueel beroep » en wordt de bevoegdheid ter zake niet overgeheveld.

De heer Laeremans stelt vast dat deze wet geen duidelijkheid biedt : de staatssecretaris kan niet antwoorden op de vraag waarom de wisselagenten wel specifiek worden vermeld in de toelichting van het voorstel van bijzondere wet, terwijl men verzekeringsmakelaars en de banken niet heeft vermeld. Is hiervoor een reden ? Waarom wordt de bevoegdheid inzake alle financiële activiteiten niet overgeheveld ?

De heer Verherstraeten, staatssecretaris voor Staatshervorming, wijst op het evolutieve karakter van de arbeidsmarkt, inzonderheid voor wat de intellectuele beroepen betreft.

De heer Vanlouwe onderstreept dat er een juridisch onderscheid bestaat tussen een verzekeringsmakelaar en een verzekeringsagent. De eerste zal een zekere mate van onafhankelijkheid hebben, die de tweede niet heeft. Bevestigt de staatssecretaris de interpretatie, dat de bevoegdheid voor de vestigingsregels van de verzekeringsmakelaars, die als « intellectuele beroepen » kunnen worden beschouwd, federaal blijft terwijl de reglementering inzake de verzekeringsagenten wordt overgeheveld naar de gewesten ? Is er een limitatieve lijst van beroepen die worden geregionaliseerd ?

De heer Deprez verwijst naar de lijst die als bijlage werd gehecht aan het advies dat de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de KMO heeft uitgebracht op 5 juni 2012 over een eventuele regionalisering van de gereglementeerde beroepen uit de handel en het ambacht. Deze lijst bevat tal van beroepen die worden geregionaliseerd.

De heer Verherstraeten, staatssecretaris voor Staatshervorming, merkt op dat deze lijst tal van voorbeelden geeft van beroepen die worden geregionaliseerd, maar benadrukt dat deze lijst niet limitatief is. Hij herhaalt dat de reglementering over alle beroepen die voldoen aan de voorwaarden van de kaderwet van 3 augustus 2007 betreffende de dienstverlenende intellectuele beroepen op het federale niveau blijft. Wat betreft de beroepen in de verzekeringssector, blijft de erkennig door de FSMA een federale aangelegenheid. Wat de toegang tot het beroep betreft zouden eventuele regels dit verband voor wat betreft de verzekeringsmakelaar, federaal blijven, terwijl de regels inzake de toegang tot het beroep voor wat betreft verzekeringsagenten, in zoverre zij niet onder de definitie van intellectuele diensteverlenende beroepen zouden vallen, worden overgedragen naar de gewesten.

De heer Laeremans vindt het al te gek dat de reglementering voor verzekeringsagenten naar het regionale niveau gaat, daar waar dit voor de verzekeringsmakelaars niet het geval is. Een dergelijke versnipperde wetgeving is bijzonder inefficiënt. Bovendien kan de staatssecretaris voor beide beroepsgroepen deze bevoegdheidsverdeling niet met zekerheid bevestigen. Quid met de immobiliënmakelaars ? Wordt de uitoefening van dit beroep in de toekomst op het federale dan wel op het regionale niveau geregeld ?

Mevrouw de Bethune meent dat de Senaat zich in de toekomst als expertisecentrum moet ontwikkelen en een afdoend antwoord bieden op deze en andere vragen.

De heer Laeremans stelt voor dat de lijst die als bijlage werd gehecht aan het advies dat de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de KMO heeft uitgebracht op 5 juni 2012 over een eventuele regionalisering van de gereglementeerde beroepen uit de handel en het ambacht als bijlage aan het verslag van deze besprekingen wordt toegevoegd.

De heer Deprez merkt op dat deze lijst afkomstig is van een adviesorgaan en dus geen officieel karakter heeft.

De heer Moureaux meent dat het antwoord op de vraag welk beroep al dan niet als « intellectueel beroep » moet worden beschouwd eerder arbitrair is.

In verband met het punt 7, stelt de heer Vanlouwe vast dat de bevoegdheid met betrekking tot de specifieke regels betreffende het handelshuurrecht wordt overgedragen aan de gewesten. Gaat het om de handelshuurwetgeving van 1951 of ook de interpretatieve regels daaromtrent die zijn ontstaan in de rechtsleer en de rechtspraak ? Men had dit veel eenvoudiger kunnen maken door meteen de hele huurwetgeving en handelshuurwetgeving over te hevelen naar de gewesten, en niet enkel de « specifieke regels ».

De heer Verherstraeten, staatssecretaris voor Staatshervorming, verwijst naar de opmerkingen die de Raad van State heeft gemaakt voor deze aangelegenheid en naar het antwoord dat hij daarop vroeger al heeft gegeven.

Stemming

De amendementen nrs. 53, 54 en 55 van de heer Laeremans worden achtereenvolgens verworpen met 11 tegen 5 stemmen.

Artikel 17 wordt aangenomen met 11 tegen 5 stemmen.

Artikel 18

De heer Vanlouwe heeft een vraag met betrekking tot prijs- en inkomensbeleid. De memorie van toelichting bepaalt dat de gemeenschappen en gewesten beschikken over de marge die noodzakelijk is voor het regelen en controleren van de prijzen in het kader van bevoegdheden als afvalbeleid, waterbeleid, taxidiensten, diensten voor verhuur van auto's met bestuurder, huur van goederen bestemd voor bewoning, handelshuur, pacht en veepacht. Wat valt precies onder de huur van goederen bestemd voor bewoning ? Wat bijvoorbeeld met de regeling met betrekking tot tweede verblijven en vakantieverblijven ? Zal er een vaste huurprijs voor tweede verblijven kunnen opgelegd worden door de gewesten ?

De staatssecretaris antwoordt dat het prijsbeleid als het ware accessoir is en gekoppeld aan de bevoegdheid. De overheid die de bevoegdheid heeft bepaalt ook het prijsbeleid ter zake. De private huur wordt overgeheveld en dit is niet beperkt tot de voornaamste gezinswoning. Ook vakantieverblijven, tweede woningen en studentenwoningen vallen hieronder. Het prijsbeleid ter zake wordt door de regio's vastgelegd.

Amendement nr. 8 van de heer Claes c.s.

De heer Claes c.s. dient amendement nr. 8 (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) in dat ertoe strekt in artikel 18 de bepaling onder a) te vervangen.

De heer Beke verklaart dat dit amendement wordt ingediend als gevolg van de opmerking van de Raad van State nopens het prijs- en inkomensbeleid en verwijst voor het overige naar de schriftelijke verantwoording bij het amendement. Hij wijst erop dat het amendement nr. 8 moet worden gelezen samen met de amendementen nrs. 9 en 10, die op artikel 19 zullen worden ingediend.

Amendement nr. 56 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 56 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) dat ertoe strekt om in artikel 18 de bepaling onder a) te doen vervallen.

De heer Laeremans verwijst naar de schriftelijke verantwoording bij het amendement nr. 56, dat moet worden gelezen samen met de amendementen nrs. 57, 58 en 59.

Stemmingen

Amendement nr. 8 van de heer Claes c.s. wordt aangenomen met 11 tegen 5 stemmen.

Amendement nr. 56 van de heer Laeremans wordt verworpen met 15 stemmen tegen 1.

Het aldus geamendeerde artikel wordt aangenomen met 11 stemmen tegen 1 bij 4 onthoudingen.

Artikel 18/1 (nieuw)

Amendement nr. 57 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 57 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) dat ertoe strekt om een artikel 18/1 (nieuw) in te voegen, luidende :

« In artikel 6, § 1, VI, vijfde lid, 9º, worden de woorden « en de normalisatie » geschrapt. »

De heer Laeremans verwijst naar de schriftelijke verantwoording bij het amendement nr. 57, dat moet worden samen gelezen met de amendementen nrs. 56, 58 en 59.

Stemming

Amendement nr. 57 van de heer Laeremans wordt verworpen met 11 tegen 5 stemmen.

Artikel 18/2 (nieuw)

Amendement nr. 58 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 58 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) dat ertoe strekt om een artikel 18/2 (nieuw) in te voegen, luidende :

« In artikel 6, § 1, VI, vijfde lid, 12º, worden de woorden « en de sociale zekerheid » geschrapt. »

De heer Laeremans verwijst naar de schriftelijke verantwoording bij het amendement nr. 58, dat moet worden samen gelezen met de amendementen nrs. 56, 57 en 59.

Stemming

Amendement nr. 58 van de heer Laeremans wordt verworpen met 11 tegen 5 stemmen.

Artikel 18/3 (nieuw)

Amendement nr. 57 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 59 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) dat ertoe strekt om een artikel 18/3 (nieuw) in te voegen teneinde artikel 6, § 1, VI, vijfde lid, 12º, van de BWHI van 8 augustus 1980 te vervangen als volgt :

« 12º de sociale zekerheid en het arbeidsrecht, onverminderd de bevoegdheid van de gemeenschappen en de gewesten om de collectieve arbeidsovereenkomsten of de bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten die betrekking hebben op aangelegenheden die tot hun bevoegdheid behoren, algemeen verbindend te verklaren. ». »

De heer Laeremans verwijst naar de schriftelijke verantwoording bij het amendement nr. 59, dat moet worden samen gelezen met de amendementen nrs. 56, 57 en 58.

Stemming

Amendement nr. 59 van de heer Laeremans wordt verworpen met 11 tegen 5 stemmen.

Artikel 19

Amendement nr. 9 van de heer Claes c.s.

De heer Claes c.s. dient amendement nr. 9 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) dat ertoe strekt in artikel 19 het 4 te vervangen door wat volgt :

« 4º in het tweede lid wordt de bepaling onder d) vervangen als volgt :

« d) de tarieven, met inbegrip van het prijsbeleid, onverminderd de gewestelijke bevoegdheid inzake de tarieven bedoeld in het eerste lid, a) en b). ». ».

De heer Beke verwijst naar de schriftelijke verantwoording bij het amendement. Dit amendement moet worden samen gelezen met de amendementen nrs. 8 en 10.

Amendement nr. 10 van de heer Claes c.s.

De heer Claes c.s. dient amendement nr. 10 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) dat ertoe strekt in artikel 19 het 2 te vervangen door wat volgt :

« 2 in het eerste lid wordt de bepaling onder b), aangevuld met de woorden « , met inbegrip van de nettarieven voor de openbare distributie van gas, met uitzondering van de tarieven van de netwerken die ook een aardgasvervoersfunctie hebben en die worden uitgebaat door dezelfde beheerder als het aardgasvervoersnet; ». »

De heer Beke verwijst naar de schriftelijke verantwoording bij het amendement. Dit amendement moet worden samen gelezen met de amendementen nrs. 8 en 9.

De heer Laeremans stelt vast dat in amendement nr. 10 een onderscheid wordt gemaakt tussen « nettarieven voor de openbare distributie van gas » en « netwerken die ook een aardgasvervoersfunctie hebben ». Waar het ene wordt geregionaliseerd blijft het andere federaal, ook al worden ze uitgebaat door dezelfde beheerder. Kunnen de indieners hierbij meer toelichting verschaffen en verklaren waarom andermaal een bevoegdheid gesplitst wordt tussen het federale en het regionale niveau ?

De heer Verherstraeten, staatssecretaris voor Staatshervorming, antwoordt dat er netten zijn met een algemene transportfunctie en andere netten die gaan tot aan de eindleverancier.

De heer Laeremans wijst erop dat er netten zijn die de beide finaliteiten hebben, zo blijkt uit de libellering (« netwerken die ook een aardgasvervoersfunctie hebben »). Er zijn derhalve instanties die met beide netten worden geconfronteerd. Valt, bijvoorbeeld, een maatschappij als Fluxis volledig onder het federale niveau ? Ware het niet beter om intuitu materiae te werken, eerder dan intuitu personae ?

De heer Vastersavendts antwoordt dat het onderscheid moet worden gemaakt tussen het grote netwerk met hoge druk en het fijnmazig netwerk met lage druk, dat tot bij de eindgebruikers komt. Vandaar de voorgestelde bevoegdheidsverdeling.

Amendement nr. 60 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 60 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) dat er toe strekt om artikel 6, § 1, VII, van de BWHI van 8 augustus 1980 te vervangen door wat volgt : « VII. Het energiebeleid ».

Spreker betreurt dat het energiebeleid grotendeels federaal blijft en meent dat de deelstaten best een eigen beleid ter zake kunnen uitwerken. Men moet immers steeds weer vaststellen dat de overheid sedert jaren geen inspanningen levert om tot een geïntegreerd energiebeleid te komen. Er wordt geen enkele moeite gedaan om met de gewesten te overleggen en aldus tot een gemeenschappelijke visie te komen. Spreker verwijst naar de problemen inzake kernenergie, windenergie, enz, waarbij elke visie ontbreekt. Door de spreiding op twee niveau's, wordt door geen enkele overheid prioriteit gegeven aan dit beleid, dat nochtans cruciaal is. De versnippering van bevoegdheden wordt hier in stand gehouden en kan niet worden gerechtvaardigd.

Stemmingen

Amendement nr. 9 van de heer Claes c.s. wordt aangenomen met 11 tegen 5 stemmen.

Amendement nr. 10 van de heer Claes c.s. wordt aangenomen met 11 tegen 5 stemmen.

Amendement nr. 60 van de heer Laeremans wordt verworpen met 11 tegen 5 stemmen.

Het aldus geamendeerde artikel wordt aangenomen met 11 tegen 5 stemmen.

Artikel 20

Amendement nr. 11 van de heer Claes c.s.

De heer Claes c. s. dient amendement nr. 11 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4), dat tegemoetkomt aan een opmerking van de Raad van State en dus van zuiver technische aard is.

Amendementen nrs. 61, 62 en 63 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 61 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) dat er toe strekt om artikel 20 te vervangen teneinde de integrale bevoegdheid over de ondergeschikte besturen aan de gewesten over te hevelen.

De indiener is van oordeel dat de gewesten de bevoegdheid dienen te krijgen over de ondergeschikte besturen, met uitsluiting van elke inmenging van de federale overheid.

De heer Laeremans dient amendement nr. 62 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4), subsidiair op amendement nr. 61, dat in het voorgestelde artikel verschillende wijzigingen aanbrengt en dat de faciliteitengemeenten betreft.

Indiener is van oordeel dat de faciliteiten in Vlaanderen dienen te worden afgeschaft en stelt aldus voor alle bepalingen die daarop betrekking hebben te schrappen.

De heer Laeremans dient amendement nr. 63 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/5), subsidiair op amendement nr. 61, dat de functie van provinciegouverneur betreft.

Indiener is van oordeel dat het Vlaamse en Waalse gewest over de volle autonomie moeten beschikken om deze functie al dan niet af te schaffen. De bepaling van de institutionele meerderheid tot behoud van de functie van provinciegouverneur is overigens erg tegenstrijdig, vermits deze functie in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wordt afgeschaft. Men fnuikt hier de autonomie van het Vlaamse en Waalse Gewest, terwijl de bevoegdheden van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest worden aangedikt.

Stemmingen

Amendement nr. 11 van de heer Claes c.s. wordt aangenomen met 11 stemmen tegen 1 bij 4 onthoudingen.

De amendementen nrs. 61, 62 en 63 van de heer Laeremans worden achtereenvolgens verworpen met 11 tegen 5 stemmen.

Het aldus geamendeerde artikel wordt aangenomen met 11 stemmen bij 5 onthoudingen.

Artikel 21

Dit artikel wordt zonder bespreking aangenomen met 11 stemmen bij 5 onthoudingen.

Artikel 22

Amendement nr. 12 van de heer Claes c.s.

De heer Claes c. s. dient amendement nr. 12 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4), dat woorden vervangt in artikel 22, e), 11º met betrekking tot de PWA's.

De heer Beke legt uit dat het amendement tegemoetkomt aan een opmerking van de Raad van State en verduidelijkt dat het niet de bedoeling is het financieringsmechanisme van de PWA's afhankelijk te maken van een uitdrukkelijke beslissing van de gewesten. Verder strekt het amendement ertoe de tekst van het tweede lid van artikel 6 van de wet van 8 augustus 1980 af te stemmen op het voorgestelde artikel 35 novies, § 3 van de bijzondere wet van 16 januari 1989. Voor het overige verwijst spreker naar de verantwoording bij het amendement.

Amendementen nrs. 64 en 65 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 64 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) dat er toe strekt om artikel 6, § 1, IX, van de BWHI van 8 augustus 1980 te vervangen door wat volgt : « IX. Het tewerkstellings- en arbeidsmarktbeleid. ».

De heer Laeremans dient amendementen nr. 65 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4), subsidiair op amendement nr. 64, dat er toe strekt artikel 22 op te heffen.

Spreker verwijst ter zake ook naar de arbeidskaarten. Inzake tewerkstellings-en arbeidsmarktbeleid lopen de meningen in het Vlaamse en het Waalse gewest vaak uiteen. De indiener is van oordeel dat de deelstaten het best zelf verantwoordelijk zijn voor regelgeving en voor middelen op dat vlak. Dit is niet enkel een Vlaamse eis, maar komt ook aan de andere gewesten ten goede. Spreker verzoekt om duidelijk afgebakende bevoegdheidspakketten. De voorliggende bevoegdheidsverdeling is al te dubbelzinnig en zal aanleiding geven tot nieuwe conflicten.

De heer Laeremans wil nadere informatie over de wijze waarop wordt vastgesteld welk categorieën van werklozen in aanmerking komen voor een vrijstelling van de vereiste van beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt. Waarom is overigens een eensluidend advies van de Ministerraad vereist ?

De staatssecretaris bevestigt dat het voorgestelde artikel 22 erin voorziet dat de bevoegdheid voor het bepalen van de voorwaarden waaronder vrijstellingen van beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt kunnen worden toegekend, alsook de beslissing om deze vrijstelling al dan niet toe te kennen, naar de gewesten wordt overgeheveld. Het eensluidend advies van de Ministerraad blijft evenwel vereist, omdat de werkloze die door de gewesten wordt vrijgesteld van beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt een federale werkloosheidsuitkering (RVA) zal blijven ontvangen.

De heer Laeremans neemt er akte van dat wat de controle op die beschikbaarheid betreft, de gewesten voortaan bevoegd zullen zijn om formeel sancties uit te spreken, ze te motiveren en ze in rechte te verdedigen. Hij vraagt zich echter af waarom de federale overheid moet worden ingelicht over het beroep, om in voorkomend geval in de zaak op te treden. Welk belang kan de Federale staat hebben om ook op te treden, indien het gewest reeds partij is in de zaak ?

De staatssecretaris preciseert dat de federale overheid, aangezien ze bevoegd blijft voor het betalen van de werkloosheidsuitkering, ingelicht moet worden over de beslissing van het gewest om een werkloze uit te sluiten. Op dezelfde wijze moet ze worden ingelicht over het beroep dat tegen die sanctie is ingesteld. Aangezien het om twee verschillende rechtspersonen gaat, is het mogelijk dat de federale overheid naast het gewest in de zaak optreedt.

De heer Laeremans vraagt of die overheveling van bevoegdheden gevolgen zal hebben voor het personeel van de RVA.

De staatssecretaris verzoekt de heer Laeremans die vraag aan de bevoegde minister te stellen.

Tot slot wil de senator terugkomen op het probleem van het doelgroepenbeleid. Hij vreest dat die overdracht van bevoegdheden onvoldoende afgebakend is. De definitie van de doelgroep is immers zo ruim dat iedere werkzoekende onder een doelgroep kan vallen en bijgevolg in aanmerking kan komen voor maatregelen die tot de bevoegdheid van een gewest behoren.

De staatssecretaris wijst erop dat hij die vraag reeds beantwoord heeft. Hij herhaalt dat de federale overheid bevoegd blijft voor de structurele en sectorale bijdrageverminderingen. Vanaf 1 juli 2014 worden de gewesten bevoegd voor alles in verband met de doelgroepen. Ze zullen dus maatregelen kunnen treffen ter compensatie van de handicap van een groep op de arbeidsmarkt als gevolg van de kenmerken van diezelfde groep (ontoereikende scholing, onvoldoende beroepservaring ...).

De heer Moureaux wijst er tevens op dat er heel wat rechtspraak over de doelgroepen bestaat, waarop men kan terugvallen om dat begrip te definiëren.

De heer Laeremans vindt dat het beter was geweest de desbetreffende doelgroepen nauwkeurig te definiëren in plaats van achteraf te moeten terugvallen op een rechtspraak die in essentie veranderlijk is. Hij blijft ervan overtuigd dat die bevoegdheidsoverdracht conflicten zal veroorzaken.

Stemmingen

Amendement nr. 12 van de heer Claes c.s. wordt aangenomen met 11 tegen 4 stemmen bij 1 onthouding.

De amendementen nrs. 64 en 65 van de heer Laeremans worden achtereenvolgens verworpen met 11 tegen 5 stemmen.

Het aldus geamendeerde artikel wordt aangenomen met 11 tegen 4 stemmen bij 1 onthouding.

Artikel 22/1 (nieuw)

Amendement nr. 66 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 66 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) dat ertoe strekt in het voorgestelde artikel 6, § 1, X, eerste lid, 2bis, van de BWHI van 8 augustus 1980, de woorden « met uitzondering van de spoorwegen beheerd door de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen » te doen vervallen.

Het juridisch stelsel van de spoorwegen beheerd door de NMBS wordt in bovenvermeld artikel uitdrukkelijk federaal gehouden. De indiener is van oordeel dat in het kader van homogene bevoegdheidspakketten ook de spoorwegen in aanmerking komen om een bevoegdheid van de deelstaten te worden.

Stemming

Amendement nr. 66 van de heer Laeremans wordt verworpen met 11 tegen 5 stemmen.

Artikel 23

Amendement nr. 13 van de heer Claes c.s.

De heer Claes c.s. dient amendement nr. 13 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) dat ertoe strekt in het voorgestelde artikel 6, § 1, X, eerste lid, 14º, van de BWHI van 8 augustus 1980 een aantal wijzigingen aan te brengen, nl. bepaalde woorden in te voegen.

Indiener verwijst naar zijn schriftelijke verantwoording.

Amendementen nrs. 67, 68 en 69 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 67 in (stuk Senaat,nr. 5-2232/4) dat ertoe strekt artikel 6, § 1, X, te vervangen door wat volgt : « X. De openbare werken en het vervoer ».

De indiener is van oordeel dat, wanneer men abstractie maakt van de problematiek van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de deelstaten integraal bevoegd moeten worden voor de openbare werken en het vervoer, met inbegrip van onder meer de spoorwegen. Daardoor kan er beter tegemoet worden gekomen aan de vraag van het Vlaams Parlement — in haar vijf resoluties van 3 maart 1999 — naar homogene bevoegdheidspakketten.

De heer Laeremans dient amendement nr. 68 in (stuk Senaat,nr. 5-2232/4) dat subsidiair is op amendement nr. 67 en dat er toe strekt artikel 23 volledig te schrappen.

Hij licht toe dat dit amendement moet samen gelezen worden met andere amendementen over verkeersveiligheid en mobiliteit. Hij is van oordeel dat het volledige beleid inzake mobiliteit en verkeersveiligheid dient overgedragen te worden aan de deelstaten en wil dat de regelgeving ter zake niet langer een federale of een versnipperde bevoegdheid is. Zij vatten dit dan ook samen in een nieuwe rubriek XII.

Hij verwijst voor het overige naar de schriftelijke verantwoording bij het amendement.

De heer Laeremans dient amendement nr. 69 in (stuk Senaat,nr. 5-2232/4), dat subsidiair is op amendement nr. 67, en waarin wordt voorgesteld om de nieuwe bepaling onder 14º in het voorgestelde artikel 6, § 1, X, eerste lid, van de BWHI van 8 augustus 1980 te schrappen.

Indiener legt uit dat de nieuwe bepaling onder 14º de bijkomende bevoegdheid voor de deelstaten met betrekking tot de bijkomende financiering voor investeringen in spoorwegen afhankelijk maakt van het tot stand komen van een samenwerkingsakkoord. Spreker wil deze nieuwe bevoegdheid niet laten afhangen van een samenwerkingsakkoord, want volgens hem werd Vlaanderen op deze manier in het verleden belazerd.

Stemmingen

Amendement nr. 13 van de heer Claes c.s. wordt aangenomen met 11 tegen 5 stemmen.

Amendement nr. 67 van de heer Laeremans wordt verworpen met 11 tegen 5 stemmen.

Amendement nr. 68 van de heer Laeremans wordt verworpen met 15 stemmen tegen 1 stem.

Amendement nr. 69 van de heer Laeremans wordt verworpen met 11 tegen 5 stemmen.

Het aldus geamendeerde artikel wordt aangenomen met 11 tegen 4 stemmen bij 1 onthouding.

Artikel 24

Amendement nr. 70 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 70 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4), dat ertoe strekt het voorgestelde artikel artikel 6, § 1, van de BWHI van 8 augustus 1980 te vervangen door wat volgt : « XI. Wat betreft het dierenwelzijn :

1° het vaststellen van regels en de controle ervan met betrekking tot het dierenwelzijn;

2° de normering en de daarop toepasbare controle inzake de dierengezondheid en de kwaliteit van de dierlijke producten met het oog op het verzekeren van de veiligheid van de voedselketen. »

Indiener wil alle bevoegdheden inzake dierenwelzijn overhevelen naar de deelstaten. Hierbij zegt spreker even abstractie te maken van de problematiek van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Stemmingen

Amendement nr. 70 van de heer Laeremans wordt verworpen met 11 stemmen tegen 1 stem bij 4 onthoudingen.

Artikel 24 wordt aangenomen met 11 stemmen bij 5 onthoudingen.

Artikel 24/1 (nieuw)

Amendement nr. 108 van de heer Vanlouwe c.s.

De heer Vanlouwe c.s. dient amendement nr. 108 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4), dat ertoe strekt een artikel 24/1 om in artikel 6, § 1, XI, van de BWHI van 8 augustus 1980 een lid toe te voegen.

Spreker verwijst naar de schriftelijke verantwoording bij het amendement.

Stemming

Amendement nr. 108 van de heer Vanlouwe c.s. wordt verworpen met 11 tegen 5 stemmen.

Artikel 25

Amendement nr. 14 van de heer Claes c.s.

De heer Claes c.s. dient amendement nr. 14 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4), dat ertoe strekt het voorgestelde artikel 6, § 1, XII, 6º, van de BWHI van 8 augustus 1980 aan te vullen met de woorden « en met dien verstande dat een in een bepaald geweste erkende rijschool eveneens in de andere gewesten werkzaam mag zijn ».

De heer Beke geeft aan dat hiermee wordt ingegaan op het advies van de Raad van State.

Hij legt uit dat bedoeling van de indieners van de amendement is dat het in beginsel toegelaten moet zijn voor een in een gegeven gewest erkende rijschool om in een ander gewest een bijhuis te vestigen. Voor het overige berwijst hij naar de schriftelijke verantwoording bij het amendement

Amendement nr. 71 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 71 in(stuk Senaat, nr. 5-2232/4), dat ertoe strekt het voorgestelde artikel 6, § 1, XII, van de BWHI van 8 augustus 1980 te vervangen door wat volgt : « XII. Wat het mobiliteit en verkeersveiligheidsbeleid betreft. »

De heer Laeremans deelt mee dat dit amendement moet samen gelezen worden met andere amendementen over verkeersveiligheid. Hij is van oordeel dat, wanneer men abstractie maakt van de problematiek van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, het volledige beleid inzake mobiliteit en verkeersveiligheid dient overgedragen te worden aan de deelstaten en wil dat de regelgeving ter zake niet langer een federale of een versnipperde bevoegdheid is. Hij vat dit daarom samen in een nieuwe rubriek XII, die omvattend is.

Amendementen nrs. 111, 112, 113, 114 en 115 van de heer Vanlouwe c.s.

De heer Vanlouwe c.s. dient amendement nr. 111 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4), dat ertoe strekt het voorgestelde artikel 6, § 1, XII, 6º, van de BWHI van 8 augustus 1980 aan te vullen met de woorden :« en met dien verstande dat een in een bepaald gewest erkende rijschool eveneens in de andere gewesten werkzaam mag zijn, mits het voldoet aan de daar geldende gewestelijke reglementering. ».

Spreker verwijst naar de schriftelijke verantwoording van zijn amendement.

De heer Vanlouwe c. s. dient amendement nr. 112 in, (stuk Senaat, nr. 5-2232/4), dat ertoe strekt in het voorgestelde artikel 6, § 1, XII, 1º, van de BWHI van 8 augustus 1980 de volgende woorden weg te laten : « met uitzondering van de autosnelwegen zoals gedefinieerd in artikel 1, j), van het verdrag inzake het wegverkeer, gedaan te Wenen op 8 november 1968 ».

Spreker legt uit dat het bepalen van snelheidsbeperkingen op de openbare wegen wordt overgedragen aan de gewesten. Tegelijkertijd wordt de uitzondering voorzien dat autosnelwegen zoals gedefinieerd door het Verdrag van Wenen niet worden overgeheveld. Dit leidt tot een onlogische situatie. In de memorie van toelichting wordt het begrip « snelheidsbeperking » gedefinieerd in functie van het type weg, de categorie voertuig en de weersomstandigheden. Worden dit beperkingen voor de bevoegdheden van de gewesten ? Waarom kunnen autosnelwegen niet onder de bevoegdheid van de gewesten vallen ?

De heer Deprez vraagt nadere informatie over de categorie waaronder de Brusselse ring valt.

De heer Wathelet, staatssecretaris voor Staatshervorming, legt uit dat de memorie van toelichting deze vragen beantwoordt. De autosnelwegen blijven een federale materie omdat ze vaak over verschillende gewesten gelegen zijn.

De heer Vanlouwe verwijst naar de definitie van het begrip « autosnelweg uit het Verdrag van Wenen. Er wordt gesproken over « een openbare weg die speciaal is ontworpen en aangelegd voor het verkeer met motorvoertuigen en waarop aanpalende eigendommen geen uitweg hebben ». Spreker vindt het eerste deel van de definitie zeer duidelijk, maar stelt zich de vraag hoe het dan zit met bijvoorbeeld de expresweg Knokke-Antwerpen. Worden de snelheidsbeperkingen bepaald door het Vlaams Gewest of door de federale overheid ? Spreker vindt de voorziene uitzonderingen krankzinnig.

De heer Verherstraeten, staatssecretaris voor Staatshervorming, verwijst opnieuw naar de definitie van het begrip « autosnelweg » dat werd vastgelegd door het Verdrag van Wenen. Deze wordt niet gewijzigd.

De heer Valouwe legt uit dat zijn amendement nr. 112 tot doel heeft om die uitzondering ongedaan te maken, aangezien de uitzonderingsbepalingen de zaken complexer en onduidelijk maken. Spreker denkt dat de snelheidsbeperkingen voor autosnelwegen die over verschillende gewesten lopen beter geregeld zouden worden via samenwerkingsakkoorden.

De heer Vanlouwe c.s. dient amendement nr. 113 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4), dat ertoe strekt in het voorgestelde artikel 6, § 1, XII, 2º, van de BWHI van 8 augustus 1980 de volgende woorden weg te laten :« met betrekking tot douanestroken, aan overwegen en kruisingen met spoorwegen en op de militaire wegen ».

Spreker vindt dat de bevoegdheidsverdeling onduidelijk is en volgens hem zullen de uitzonderingsbepalingen aanleiding geven tot conflicten.

De heer Mahoux vindt de zaken volstrekt logisch. De uitzondering op de overhevelingen heeft te maken met bevoegdheden die federaal blijven. In dit geval gaat het om de douane, de spoorwegen en landsverdediging.

De heer Vanlouwe geeft het voorbeeld van de wegcode en wegverkeersreglement. Een instructie gegeven door een politieagent gaat voor op verkeersborden, verkeerslichten en wegmarkering. Valt die instructie van de politieagent dan onder de bevoegdheid van de federale overheid of van de regionale overheid, aangezien men de instructie kan opvatten als een vorm van verkeersteken ?

De heer Verherstraeten, staatssecretaris voor Staatshervorming, legt uit dat een verkeersbord of verkeerslicht overruled kan worden door het bevel van een politieagent, die handelt in toepassing van zijn wettelijke bevoegdheden op basis van de politiewet. De politiewet blijft uiteraard federaal en wijzigt noch de wegcode, noch het verkeersreglement.

De heer Vanlouwe c.s. dient amendement nr. 114 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4), dat er toe strekt het voorgestelde artikel 6, § 1, XII, 4º, van de BWHI van 8 augustus 1980 te vervangen door wat volgt :

« 4º de normen inzake technische voorschriften voor voertuigen met het oog op hun inverkeerstelling en de technische keuring van voertuigen die op de weg rijden en het toezicht op de naleving van deze normen, met dien verstande dat de natuurlijke en rechtspersonen gevestigd in een gewest vrij zijn om hun voertuig te laten controleren in een centrum voor technische keuring dat in een ander gewest is gelegen; »

Spreker verwijst naar de schriftelijke verantwoording bij het amendement.

De heer Vanlouwe c.s dient amendement nr. 115 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) dat ertoe strekt het voorgestelde artikel 6, § 1, XII, 6º, van de BWHI van 8 augustus 1980 te vervangen door wat volgt :

« 6º het bepalen van de kennis en de vaardigheden die nodig zijn voor het besturen van voertuigen van elke categorie, met inbegrip van de organisatie en erkenningsvoorwaarden van rijscholen en examencentra en met inbegrip van het toezicht op de rijgeschiktheid van de bestuurders of de kandidaat-bestuurders die lijden aan een vermindering van hun functionele vaardigheden, met dien verstande dat de inwoners van een Gewest vrij zijn om een rijschool te kiezen die, of examen af te leggen in een centrum dat in een ander Gewest is gelegen; ».

Indiener verwijst naar de schriftelijke verantwoording van zijn amendement.

Stemmingen

Amendement nr. 14 van de heer Claes c.s. wordt aangenomen met 11 stemmen bij 5 onthoudingen.

Amendement nr. 71 van de heer Laeremans wordt verworpen met 11 tegen 5 stemmen.

De amendementen nrs. 111, 112, 113, 114 en 115 van de heer Vanlouwe c.s. worden verworpen met 11 tegen 5 stemmen.

Het aldus geamendeerde artikel wordt aangenomen met 11 tegen 5 stemmen.

Artikel 25/1 (nieuw)

Amendement nr. 72 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 72 in (stuk Senaat,nr. 5-2232/4) dat ertoe strekt een artikel 25/1 in te voegen,om artikel 6, § 1, van de BWHI van 8 augustus 1980, met een nieuwe bepaling onder XIII aan te vullen, wat het veiligheidsbeleid betreft.

De heer Laeremans verwijst naar de schriftelijke verantwoording bij het amendement.

Hij betreurt dat de aangelegenheid inzake openbare veiligheid federaal verankerd blijft na de zesde staatshervorming, waardoor de gewesten op dat vlak maar weinig in de pap te brokken hebben. De autonomie van de federale wetgever in deze materie blijft aldus van kracht, terwijl toch kan gesteld worden dat er tussen de gewesten belangrijke verschillen bestaan in visie met betrekking tot het gevoerde veiligheidsbeleid. Volgens spreker doet men hier het omgekeerde van wat logisch zou zijn : men zou eigenlijk Vlaanderen en Wallonië maximaal bevoegd moeten maken, maar Brussel -als hoofdstad- inzake veiligheid onder nationale voogdij laten functioneren. Brussel zou hierbij wel lokale bevoegdheden kunnen uitoefenen. Zo zou het de politiezones kunnen fusioneren en één gemeenschappelijke politieraad kunnen creëren. Op die manier zou Brussel dan maximaal lokale bevoegdheid verkrijgen, zij het onder het federale niveau. Men doet in dit voorstel evenwel het omgekeerde : men geeft aan Brussel maximaal — veel meer dan aan Vlaanderen en Wallonië — veiligheidsbevoegdheden op federaal niveau en Vlaanderen en Wallonië staan erbij en kijken ernaar. Dit is volgens spreker de wereld op zijn kop.

Spreker vraagt zich ook af wat er kan gebeuren wanneer het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bijvoorbeeld een politiebegroting schorst. Kan de minister van Binnenlandse Zaken deze beslissing dan zomaar schorsen ? Spreker laat weten dat hij die vraag reeds heeft gesteld en dat men hem heeft verzekerd dat de bevoegdheid vergelijkbaar is met die van het federaal niveau ten aanzien van de gouverneurs en dat men wel degelijk schorsend gaat kunnen optreden. Juridisch gezien zou dit vergelijkbaar zijn, maar spreker heeft grote twijfels dat dit ook is wat er zal gebeuren.

Stemming

Amendement nr. 74 van de heer Laeremans wordt verworpen met 15 stemmen tegen 1.

Artikel 26

Amendement nr. 73 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 73 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) dat ertoe strekt dit artikel te doen vervallen.

De heer Laeremans verwijst naar zijn andere amendementen over openbare werken en vervoer. De indiener is van oordeel dat het volledige beleid inzake vervoer dient overgedragen te worden aan de deelstaten en dat de regelgeving ter zake niet langer een federale of een versnipperde bevoegdheid is.

Amendement nr. 116 van de heer Vanlouwe c.s.

De heer Vanlouwe c.s dient amendement nr. 116 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) dat ertoe strekt het 4º te doen vervallen.

De weglating laat de gewesten toe om volledig autonoom te beslissen over de minimale technische vereisten van wegen en waterwegen en hun aanhorigheden. Een vrijwillig overleg tussen de gewesten blijft mogelijk. Indieners dienen gelijktijdig een amendement in dat het verplichte overleg tussen de bevoegde federale overheid en de gewesten inzake havens en dijken schrapt.

Stemmingen

Amendement nr. 73 van de heer Laeremans wordt aangenomen met 11 tegen 5 stemmen.

Amendement nr. 116 van de heer Vanlouwe c.s. wordt verworpen met 11 tegen 5 stemmen.

Artikel 26 wordt aangenomen met 11 stemmen tegen 1 bij 4 onthoudingen.

Artikel 26/1 (nieuw)

Amendement nr. 74 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 74 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) dat ertoe strekt in artikel 6 § 3, van de BWHI van 8 augustus 1980, de bepalingen onder 1º, 2º, 3º, 4º, 6º, 7º te doen vervallen.

Indiener verwijst naar de schriftelijke verantwoording bij dit amendement.

Stemming

Amendement nr. 74 van de heer Laeremans wordt verworpen met 15 stemmen tegen 1.

Artikel 27

Amendement nrs. 117 en 118 van de heer Vanlouwe c.s.

De heer Vanlouwe c.s dient amendement nr. 117 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) dat ertoe strekt in artikel 6, § 3, 4º, van de BWHI van 8 augustus 1980, de woorden « wegen », havens », « waterwegen » en « dijken » op te heffen.

De opheffing van de woorden « havens » en « dijken » zorgt voor een coherente en meer logische tekst, zoals ook de Raad van State suggereert. De weglating laat de gewesten toe om volledig autonoom te beslissen over de minimale technische vereisten van wegen en waterwegen en hun aanhorigheden inclusief de dijken en havens. Een vrijwillig overleg tussen de gewesten blijft mogelijk. Het amendement verduidelijkt bovendien dat de federale overheid niet meer bevoegd zal zijn voor de minimale technische veiligheidsnormen inzake het bouwen en onderhouden van havens en dijken.

De heer Vanlouwe c.s dient amendement nr. 118 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) dat ertoe strekt in artikel 6, § 3, van de BWHI van 8 augustus 1980, een punt 7º in te voegen, luidende : « 7º de regelgeving inzake het vervoer van dierlijke stoffen die een gevaar vormen voor de bevolking, het vervoer van radioactieve stoffen en het vervoer van ontplofbare stoffen ».

Gezien de bevoegdheid van de gewesten in verband met het vervoer van gevaarlijke goederen en uitzonderlijk vervoer, is het logisch de gewesten te betrekken bij het beleid in verband met de genoemde goederen.

Stemmingen

De amendementen nrs. 117 en 118 van de heer Vanlouwe c.s. worden achtereenvolgens verworpen met 11 tegen 5 stemmen.

Artikel 27 wordt aangenomen met 11 stemmen tegen 4 bij 1 onthouding.

Artikel 28

Amendementen nrs. 75 en 76 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 75 in (stuk Senaat,nr. 5-2232/4) dat ertoe strekt in punt a), 4º, de woorden « de wijziging van » te doen vervallen.

De heer Laeremans verwijst naar de verantwoording van zijn amendement.

De heer Laeremans dient amendement nr. 76 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) dat ertoe strekt de bepaling onder b) te doen vervallen.

Dit amendement moet samen gelezen worden met andere amendementen over verkeersveiligheid. De indiener is van oordeel dat het volledige beleid inzake mobiliteit en verkeersveiligheid dient overgedragen te worden aan de deelstaten en dat de regelgeving ter zake niet langer een federale of een versnipperde bevoegdheid is. In de voorgestelde uitbreiding van artikel 6, § 3bis, wordt verplicht overleg ingevoerd over het vaststellen van de regels van politie over het verkeer op waterwegen. De indiener van dit amendement zit hiervan de noodzaak niet in.

Stemmingen

De amendementen nrs. 75 en 76 van de heer Laeremans. worden verworpen met 15 stemmen tegen 1.

Artikel 28 wordt aangenomen met 11 stemmen bij 5 onthoudingen.

Artikel 29

Amendement nr. 15 van de heer Claes c.s.

De heer Claes c.s dient amendement nr. 15 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) dat ertoe strekt artikel 6, § 4, van de BWHI van 8 augustus 1980 aan te vullen met een 8º luidende : « 8º het ontwerpen van de regels betreffende de organisatie en de werking van het nationaal crisiscentrum. ».

De heer Beke verwijst naar de schriftelijke verantwoording bij dit amendement.

Amendement nr. 77 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 77 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) dat ertoe strekt de bepaling onder b) te doen vervallen.

De heer Laeremans verwijst naar de schriftelijke verantwoording bij dit amendement.

Stemmingen

Amendement nr. 15 van de heer Claes c.s. wordt aangenomen met 11 stemmen bij 5 onthoudingen.

Amendement nr. 77 van de heer Laeremans. wordt verworpen met 15 stemmen tegen 1.

Het aldus geamendeerde artikel wordt aangenomen met 11 tegen 4 stemmen bij 1 onthouding.

Artikel 30

Amendement nr. 78 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 78 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) dat ertoe strekt dit artikel te doen vervallen.

De indiener is van oordeel dat de samenwerkingsakkoorden wel eens een rem op de bijkomende bevoegdheden van de deelstaten zouden kunnen zijn.

Stemmingen

Amendement nr. 78 van de heer Laeremans. wordt verworpen met 11 stemmen tegen 5.

Artikel 30 wordt aangenomen met 11 tegen 5 stemmen.

Artikel 31

Amendement nr. 79 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 79 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) dat ertoe strekt dit artikel te doen vervallen.

De heer Laeremans verwijst naar de schriftelijke verantwoording van zijn amendement.

Stemmingen

Amendement nr. 79 van de heer Laeremans. wordt verworpen met 11 stemmen tegen 1 bij 4 onthoudingen.

Artikel 31 wordt aangenomen met 11 tegen 5 stemmen.

Artikel 32

Amendement nr. 16 van de heer Claes c.s.

De heer Claes c.s dient amendement nr. 16 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) dat ertoe strekt het voorgestelde artikel § 6bis van de BWHI van 8 augustus 1980 te vervangen door wat volgt :

« § 6bis. In de aangelegenheden die tot de bevoegdheid van de federale overheid behoren, vereisen de individuele erkenning of de erkenning van rechtswege van één of meerdere plaatsen als toeristisch of gelijkaardig centrum, en de wijziging van de desbetreffende normering, het eensluidend advies van het betrokken gewest of de betrokken gewesten. ».

Het amendement komt tegemoet aan de suggesties die de Raad van State in zijn advies 53.932/AV maakt bij artikel 32 van het voorstel van bijzondere wet betreffende de zesde staatshervorming.

De heer Laeremans begrijpt niet waarom de bevoegdheden voor toerisme niet in hun geheel naar de gewesten zijn overgeheveld. Hij wil weten waarom de erkenning van toeristische centra een federale bevoegdheid moet blijven.

De heer Anciaux antwoordt dat de erkenning van toeristische centra vooral betrekking heeft op de reglementering van het zondagswerk. Het is dus een logisch gevolg van het feit dat het arbeidsrecht een federale bevoegdheid moet blijven.

Amendement nr. 80 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 80 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/5) dat ertoe strekt dit artikel te doen vervallen.

De heer Laeremans verklaart dat de federale wetgeving waarin wordt verwezen naar de individuele of normatieve erkenning van een of meerdere plaatsen als toeristisch of gelijkaardig centrum, zonder voorwerp wordt zodra de bevoegdheid inzake economie integraal is overgedragen aan de deelstaten.

De heer Anciaux verduidelijkt dat de institutionele meerderheid ervoor heeft geopteerd om alle aangelegenheden die betrekking hebben op het arbeidsrecht federaal te laten. De voorgestelde bevoegdheidsverdeling is daar het gevolg van. De heer Laeremans verzet zich koppig tegen deze beleidskeuze, die hij als een vergissing ziet.

De heer Deprez wijst er nog op dat, aangezien er een eensluidend advies zal moeten worden verstrekt door de gewesten, het de gewesten zullen zijn die zullen beslissen.

De heer Laeremans begrijpt niet dat er voor deze aangelegenheid dan toch nog een federale administratie moet behouden blijven. De institutionele meerderheid blijft koppig dezelfde vergissingen handhaven.

Stemmingen

Amendement nr. 16 van de heer Claes c.s. wordt aangenomen met 11 tegen 5 stemmen.

Amendement nr. 80 van de heer Laeremans. wordt verworpen met 11 stemmen tegen 1 bij 4 onthoudingen.

Het aldus geamendeerde artikel wordt aangenomen met 11 tegen 5 stemmen.

Artikel 33

Amendement nr. 119 van de heer Vanlouwe c.s.

De heer Vanlouwe c.s. dient amendement nr. 119 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) dat ertoe strekt artikel 33 te wijzigen zodat in het voorgestelde artikel 6quater van de BWHI van 8 augustus 1980, de woorden « , met uitzondering van de federale bevoegdheid voor het bepalen van de gevallen waarin en de modaliteiten, met inbegrip van de gerechtelijke procedure, volgens dewelke tot onteigening ten algemenen nutte kan worden overgegaan door de federale overheid en de rechtspersonen die door of krachtens de wet gemachtigd werden om tot onteigeningen ten algemenen nutte over te gaan » worden weggelaten.

De heer Vanlouwe verwijst naar de schriftelijke verantwoording bij het amendement. Hij is van oordeel dat op deze wijze het aantal gerechtelijke procedures zou kunnen worden afgebouwd.

Stemmingen

Amendement nr. 119 van de heer Vanlouwe c.s. wordt verworpen met 11 tegen 5 stemmen.

Artikel 33 wordt aangenomen met 11 stemmen bij 5 onthoudingen.

Artikel 34

Amendement nr. 17 van de heer Claes c.s.

De heer Claes c.s. dient amendement nr. 17 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) dat ertoe strekt de Nederlandse tekst van artikel 34 te vervangen.

De heer Verstreken verduidelijkt dat het een louter technische aanpassing betreft ingevolge het advies van de Raad van State op het voorstel van bijzondere wet.

Stemmingen

Amendement nr. 17 van de heer Claes c.s. wordt aangenomen met 11 stemmen bij 5 onthoudingen.

Het aldus geamendeerde artikel wordt aangenomen met 11 stemmen bij 5 onthoudingen.

Artikel 34/1 (nieuw)

Amendement nr. 18 van de heer Claes c.s.

De heer Claes c.s. dient amendement nr. 18 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) dat ertoe strekt in de bijzondere wet een artikel 6sexies in te voegen, luidende : « De gemeenschapsbevoegdheden omvatten de bevoegdheid om de toeristische infrastructuur te financieren op het grondgebied van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad. »

De heer Verstreken verwijst voor de verantwoording van dit amendement naar de verantwoording van het amendement nr. 1 op artikel 3 van het voorstel van bijzondere wet.

Stemming

Amendement nr. 18 van de heer Claes c.s. wordt aangenomen met 11 stemmen tegen 1 bij 4 onthoudingen.

Artikel 35

Amendement nr. 81 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 81 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) dat ertoe strekt artikel 7,§ 1, van de bijzondere wet integraal te vervangen.

De indiener is immers van oordeel dat de faciliteiten in de betreffende gemeenten dienen te worden afgeschaft ten einde de Vlaamse overheid de volledige en integrale bevoegdheid te geven over alle plaatselijke besturen die in Vlaanderen gelegen zijn.

Stemmingen

Amendement nr. 81 van de heer Laeremans. wordt verworpen met 11 tegen 5 stemmen.

Artikel 35 wordt aangenomen met 12 stemmen bij 5 onthoudingen.

Artikel 35/1 (nieuw)

Amendement nr. 82 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 82 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) dat ertoe strekt in de bijzondere wet een artikel 7ter in te voegen waardoor de gewesten CAO's zelf algemeen verbindend verklaren die betrekking hebben op aangelegenheden waarvoor ze zelf bevoegd zijn.

Stemming

Amendement nr. 82 van de heer Laeremans. wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 36

Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt. Het wordt aangenomen met 12 stemmen bij 5 onthoudingen.

Artikel 37

Amendement nr. 19 van de heer Claes c.s.

De heer Claes c.s. dient amendement nr. 19 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) dat ertoe strekt in het voorgestelde artikel 11bis van de BWHI een aantal taalkundige verbeteringen aan te brengen. Dit ingevolge het advies van de Raad van State op het voorstel van bijzondere wet.

Amendement nr. 83 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 83 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) dat ertoe strekt het voorgestelde artikel 11bis van de BWHI integraal te vervangen.

De indiener verduidelijkt dat hij met dit amendement een meer doorgedreven betrokkenheid van de gemeenschappen en de gewesten bij het strafrechtelijk beleid beoogt, met uitzondering van het Brussels Gewest.

Hoewel het voorgestelde artikel 11bis van de bijzondere wet voorziet in een positief injunctierecht en in een deelname van de gemeenschappen en gewesten aan de uitwerking van de bindende richtlijnen van het strafrechtelijk beleid, en aan de planning van het veiligheidsbeleid, betreurt de heer Laeremans dat dit nadrukkelijk beperkt blijft tot de bevoegdheid van deze gemeenschappen en gewesten. Het betekent immers dat deze overheden ook in de toekomst geen enkele inspraak zullen hebben in onder andere het vervolgingsbeleid van zowat alle misdrijven die in het Strafwetboek worden geformuleerd.

Aangezien de opvattingen en de visies tussen de deelstaten over het justitie- en veiligheidsbeleid nogal verschillend zijn, ligt het voor de hand dat de gemeenschappen en gewesten op zijn minst mogen participeren aan het uitwerken van het strafrechtelijk beleid.

De heer Anciaux wenst te vernemen waarom de heer Laeremans in zijn amendement het Brussels Hoofdstedelijk Gewest uitdrukkelijk uitsluit.

De heer Laeremans antwoordt dat hij toch van mening is dat er een verschil in status moet zijn tussen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de andere gewesten in het justitiële domein. Dit standpunt is conform de in het verleden goedgekeurde resoluties van het Vlaams Parlement. Het Brussels Gewest heeft een statuut sui generis : Brussel is immers vertegenwoordigd in de deelstaten.

Stemmingen

Amendement nr. 19 van de heer Claes wordt aangenomen met 12 stemmen bij 5 onthoudingen.

Amendement nr. 83 van de heer Laeremans. wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Het aldus geamendeerde artikel wordt aangenomen met 12 stemmen bij 5 onthoudingen.

Artikel 38

Amendement nr. 20 van de heer Claes c.s.

De heer Claes c.s. dient amendement nr. 20 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) dat ertoe strekt een aantal wijzigingen aan te brengen in het voorgestelde artikel 16,§ 4, van de bijzondere wet.

De heer Verstreken verduidelijkt dat dit geschiedt om tegemoet te komen aan twee in zijn advies nr. 53.932/AV geformuleerde opmerkingen betreffende het substitutierecht. (zie stuk Senaat, nr. 5-2232/2).

Stemmingen

Amendement nr. 20 van de heer Claes wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Het aldus geamendeerde artikel wordt aangenomen met 12 tegen 4 stemmen bij 1 onthouding.

Artikel 38/1 (nieuw)

Amendement nr. 84 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 84 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) dat tot doel heeft de parlementen van de deelstaten en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de bevoegdheid te geven een eigen eedformule te bepalen.

Stemming

Amendement nr. 84 van de heer Laeremans wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikelen 39 en 40

Er worden geen opmerkingen gemaakt over deze artikelen.

Artikel 39 wordt aangenomen met 12 stemmen bij 5 onthoudingen.

Artikel 40 wordt aangenomen met 12 tegen 4 stemmen bij 1 onthouding.

Artikel 41

Amendement nr. 21 van de heer Claes c.s.

De heer Claes c.s. dient amendement nr. 21 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) dat ertoe strekt in het voorgestelde artikel 41, 3º, een aantal wijzigingen aan te brengen.

De heer Verstreken verduidelijkt dat het amendement een antwoord biedt op een aantal opmerkingen van de Raad van State met betrekking tot de bevoegdheidsafbakening tussen de federale overheid en de gewesten inzake het werkgelegenheidsbeleid. Spreker verwijst naar de schriftelijke verantwoording bij het amendement.

Amendementen nr. 85 van de heer Laeremans en nr. 120 van de heer Vanlouwe c.s.

De heer Laeremans dient amendement nr. 85 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4), dat § 3 van artikel 87 van de bijzondere wet tot hervorming der instellingen wil vervangen. Het doel is de gemeenschappen en gewesten de volledige bevoegdheid te geven over het administratief en geldelijk statuut van hun personeel, met inbegrip van de pensioenregeling.

Spreker meent dat als de gemeenschappen en gewesten de pensioenkosten van hun ambtenaren moeten betalen, het logisch is dat zij ook de regeling van deze pensioenen kunnen bepalen.

Amendement nr. 120 van de heer Vanlouwe (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) streeft hetzelfde doel na. Spreker meent dat de deelstaten een coherent personeelsbeleid moeten kunnen voeren. Beslissingen die tijdens de loopbaan van ambtenaren worden genomen hebben gevolgen voor de pensioenen. Bovendien moet een versnippering van de bevoegdheden worden voorkomen.

Stemmingen

Amendement nr. 21 van de heer Claes c.s. wordt aangenomen met 12 tegen 4 stemmen bij 1 onthouding.

Amendement nr. 85 van de heer Laeremans. wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Amendement nr. 120 van de heer Vanlouwe c.s. wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Het aldus geamendeerde artikel wordt aangenomen met 12 stemmen tegen 1 bij 4 onthoudingen.

Artikel 42

De heer Laeremans vermeldt het 4º. De voorgestelde paragraaf 4septies voorziet erin dat de gemeenschappen en de federale overheid een samenwerkingsakkoord sluiten « over de samenstelling en de financiering van een Instituut om overlegde antwoorden op de grote uitdagingen inzake de gezondheidszorg te waarborgen ». De toelichting preciseert dat dit instituut wordt opgericht om overlegde antwoorden te waarborgen op de grote, onder meer budgettaire uitdagingen, met betrekking tot de toekomst van de gezondheidszorg (vergrijzing, knelpuntberoepen in dat domein, technologische ontwikkeling, maatschappelijke ontwikkelingen, leefmilieuaandoeningen, enz.). Dit instituut zal de permanente en interfederale ontmoetingsplaats vormen voor het overleg tussen de voor gezondheid bevoegde ministers.

Tevens plant men de handhaving en de ontwikkeling van het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg, waarvan de financiering gedeeltelijk door de gemeenschappen zal worden verzekerd.

Spreker vraagt of het niet beter is beide organen te fuseren, aangezien ze gedeeltelijk gelijklopende opdrachten hebben. Waarom moet men het Federaal Kenniscentrum op federaal niveau in stand houden ? De informatie, het wetenschappelijk onderzoek, de knowhow die het Kenniscentrum als basis zal gebruiken, kunnen heel nuttig zijn voor de gemeenschappen bij het vastleggen van hun gezondheidsbeleid. Het lijkt logischer er een interfederaal orgaan van te maken.

Overigens zal het « eHealth »-platform gezamenlijk worden gefinancierd door de federale overheid en de deelstaten. De heer Laeremans vraagt in welke mate Vlaanderen een ander beleid zal kunnen voeren dan Wallonië in de overdracht van de informatie inzake gezondheidszorg. Zal Vlaanderen bijvoorbeeld kunnen beslissen af te zien van het optreden van de ziekenfondsen voor de overdracht van gegevens ?

De heer Verherstraeten, staatssecretaris, denkt dat het volstrekt relevant is dat er twee verschillende organen voor de gezondheidszorg zijn : enerzijds het instituut om overlegde antwoorden op de grote uitdagingen te garanderen en anderzijds het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg. Beide organen hebben verschillende doeleinden.

De heer Laeremans denkt dat de doeleinden misschien verschillend zijn, maar dat ze toch complementair zijn. Overigens zou het logischer zijn dat men de deelstaten meer laat participeren in het management, in plaats van dat op het federaal niveau te laten, aangezien men een beroep op hen doet voor de financiering.

Amendementen nrs. 86 tot 92 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 86 in (stuk Senaat nr. 5-2232/4), dat strekt om de punten 1º tot 6º te doen vervallen. Het amendement vloeit voort uit het principiële standpunt van de indiener inzake mobiliteitsbeleid. Hij vindt dat de mobiliteit en de verkeersveiligheid volledig aan de gewesten moeten worden overgedragen.

De heer Laeremans dient amendement nr. 87 in (stuk Senaat nr. 5-2232/4), dat strekt om de in het 3º voorgestelde § 4sexies te doen vervallen. Het voorstel van bijzondere wet voorziet in het sluiten van een samenwerkingsakkoord tussen de federale overheid en de gemeenschappen over de regelgeving en de regulering van de elektronische communicatienetwerken. De indiener denkt dat die aangelegenheden moeten worden geregeld aan de hand van bilaterale akkoorden tussen de gemeenschappen, zonder inmenging van de federale overheid.

De heer Laeremans dient amendement nr. 88 in (stuk Senaat nr. 5-2232/4), dat strekt om de in het 4º voorgestelde § 4septies te doen vervallen. De indiener ziet het nut niet van het oprichten van een Instituut om overlegde antwoorden op de grote uitdagingen inzake gezondheidszorg te waarborgen. Het doel van dat Instituut is veel te vaag.

De heer Laeremans dient amendement nr. 89 in (stuk Senaat nr. 5-2232/4), dat strekt om de in het 5º voorgestelde § 4octies te doen vervallen. De indiener verwijst naar de schriftelijke verantwoording van het amendement.

De heer Laeremans dient amendement nr. 90 in (stuk Senaat nr. 5-2232/54), dat strekt om de in het 8º voorgestelde § 4undecies te doen vervallen. De heer Laeremans is er geen voorstander van dat de federale staat bevoegd blijft voor het bepalen van de opdrachten van de justitiehuizen en dat daarover een samenwerkingsakkoord moet worden gesloten. Hij stelt dan ook voor de bepaling te doen vervallen.

De heer Laeremans dient amendement nr. 91 in (stuk Senaat nr. 5-2232/4), dat strekt om een 9º (nieuw) in te voegen. De heer Laeremans vindt dat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, voor het bevoegdheden kan uitoefenen inzake biculturele aangelegenheden van gewestelijk belang, een samenwerkingsakkoord moet sluiten met de Vlaamse en de Franse Gemeenschap. Spreker wijst erop dat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest geen ervaring heeft in culturele aangelegenheden. Het moet dus overleggen met de gemeenschappen, die ter zake relevante ervaring hebben. Voor het overige verwijst spreker naar de schriftelijke verantwoording van het amendement.

De heer Anciaux wijst erop dat de biculturele aangelegenheden van gewestelijk belang niet tot de bevoegdheden van de gemeenschappen behoren. Men ziet dus niet goed in waarom de gemeenschappen daarover een samenwerkingsakkoord zouden moeten sluiten met het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Spreker is geen voorstander van het idee om de gemeenschappen en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest te verplichten een samenwerkingsakkoord te sluiten. Samenwerkingsinitiatieven op vrijwillige basis kunnen evenwel een meerwaarde opleveren. Hij denkt bijvoorbeeld aan het voorbeeld van het Flageycentrum in Brussel.

De heer Laeremans denkt integendeel dat het noodzakelijk is dat er een voorafgaande verplichting komt om een samenwerkingsakkoord te sluiten, want het Brussels Hoofdstedelijk Gewest schendt voortdurend de bevoegdheden van de gemeenschappen. Dankzij het amendement dat hij voorstelt kan dat verschijnsel een halt worden toegeroepen.

De heer Laeremans dient amendement nr. 92 in (stuk Senaat nr. 5-2232/4), dat strekt om in het 9º en het 10º de woorden « 4sexies tot 4 undecies » telkens te vervangen door het woord « 4decies ». Dit amendement vloeit voort uit de amendementen nrs. 86 tot 91.

Amendementen nrs. 121 et 122 van de heer Vanlouwe c.s.

De heer Vanlouwe c.s. dient amendement nr. 121 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) tot opheffing van artikel 42, 1º.

Dit moet de gewesten toelaten om volledig autonoom alle sensibiliseringsacties uit te voeren, aangepast aan de eigen realiteit van ieder Gewest. De Raad van State wijst er op dat in het verleden verschillende samenwerkingsakkoorden niet, niet volledig of niet correct, werden gesloten. De Raad van State vraagt bovendien aan de bijzondere wetgever om voor verschillende aangelegenheden een evaluatie te maken van de noodzaak een samenwerkingsakkoord te sluiten.

De heer Vanlouwe c.s. dient amendement nr. 122 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4), tot opheffing van artikel 42, 3.

De indiener verwijst naar de schriftelijke verantwoording bij dit amendement

Stemmingen

De amendementen nrs. 86 en 87 van de heer Laeremans worden achtereenvolgens verworpen met 12 stemmen tegen 1 bij 4 onthoudingen.

Amendement nr. 88 van de heer Laeremans wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Amendement nr. 89 van de heer Laeremans wordt verworpen met 16 stemmen tegen 1.

De amendementen nrs. 90 en 91 van de heer Laeremans worden achtereenvolgens verworpen met 12 stemmen tegen 1 bij 4 onthoudingen.

Amendement nr. 92 van de heer Laeremans wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

De amendementen nrs. 121 en 122 van de heer Vanlouwe c.s. worden achtereenvolgens verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 42 wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 43

Amendementen nrs. 22 en 23 van de heer Claes c.s.

De heer Claes c.s. dient amendement nr. 22 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) dat er toe strekt de woorden « na overleg met de in het eerste lid bedoelde instellingen » in te voegen.

De heer Verstreken licht toe dat de afdeling wetgeving van de Raad van State zich erover verwondert dat de federale overheid niet wordt betrokken bij het samenwerkingsakkoord waardoor wijzigingen kunnen worden aangebracht aan de essentiële elementen van het administratief beheer van de gezinsbijslagen. Het amendement geeft hieraan gevolg.

Het houdt in dat er een overleg wordt voorgeschreven met de betrokken openbare instellingen voordat een samenwerkingsakkoord wordt gesloten dat wijzigingen aanbrengt aan de essentiële elementen van de modaliteiten van het administratief beheer en van de uitbetaling van de gezinsbijslagen of aan de regels ten gronde die een significante impact hebben op het administratief beheer of de betaling van de gezinsbijslag. Dit overleg zou kunnen plaatsvinden binnen het beheerscomité van de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor werknemers (RKW) waarin de gemeenschappen en de gemeenschappelijke gemeenschapscommissie een beslissende stem hebben

De heer Claes c.s. dient tevens amendement nr. 23 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4), dat er toe strekt in de Franse tekst van het ontworpen artikel 94, § 1bis, het woord « allocations » telkens te vervangen door het woord « prestations ». Dit begrip omvat zowel de kinderbijslag, de geboortepremies als de adoptiepremies.

Amendement nr. 93 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 93 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4), dat ertoe strekt artikel 43 op te heffen.

De indiener is van oordeel dat de overdracht met betrekking tot gezinsbijslagen te veel wordt ingeperkt tot 31 december 2019, vermits aan de regels ten gronde niets fundamenteels kan worden gewijzigd tot die datum.

Stemmingen

Amendement nr. 22 van de heer Claes c.s. wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Amendement nr. 23van de heer Claes c.s. wordt aangenomen met 12 stemmen bij 5 onthoudingen.

Amendement nr. 93 van de heer Laeremans. wordt verworpen met 12 stemmen tegen 1 bij 4 onthoudingen.

Het aldus geamendeerde artikel wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 44

Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt.

Het artikel wordt aangenomen met 12 stemmen bij 5 onthoudingen.

Artikel 44/1 (nieuw)

Amendement nr. 24 van de heer Claes c.s.

De heer Claes c.s. dient amendement nr. 24 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) dat er toe strekt een artikel 44/1 in te voegen.

De heer Verstreken legt uit dat de bijzondere wet van 8 augustus 1980 nog talrijke verwijzingen bevat naar de nummering van de Grondwet van 1831. Zoals de Raad van State aangeeft, verdient het aanbeveling die te vervangen door verwijzingen naar de nummering van de gecoördineerde Grondwet van 1994.

Stemming

Amendement nr. 24 van de heer Claes c.s. wordt aangenomen met 12 stemmen bij 5 onthoudingen.

Artikel 45

Amendement nr. 94 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 94 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) dat er toe strekt artikel 45 te vervangen.

Dit amendement vult artikel 1 van de bijzondere wet op het Grondwettelijk Hof aan met een bepaling die inhoudt dat het Grondwettelijk Hof niet bevoegd is om schendingen van artikel 143, § 1, van de Grondwet vast te stellen of als referentienorm in zijn arresten aan te halen. De indiener verwijst voorts naar zijn tussenkomst tijdens de algemene bespreking.

Stemmingen

Amendement nr. 94 van de heer Laeremans. wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 45 wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 46

Amendement nr. 95 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 95 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4), dat ertoe strekt artikel 46 op te heffen. Dit amendement hangt samen met het amendement nr. 94.

Stemmingen

Amendement nr. 95 van de heer Laeremans. wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 46 wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 47

Amendement nr. 96 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 96 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) dat er toe strekt in artikel 47 de woorden « 3, 39 en 135bis » te vervangen door de woorden « 3 en 39 ».

De indiener verklaart dat de invoeging van artikel 135bis in de Grondwet en de dienovereenkomstige aanpassingen in de bijzondere wet van 12 januari 1989 ten doel hebben gemeenschapsaangelegenheden aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest toe te kennen. Niet alleen worden hiermee de communautaire evenwichten in België verbroken ten nadele van de Vlamingen door Brussel uit te bouwen tot een gewest-gemeenschap en zodoende steeds verder los te maken van Vlaanderen. Deze wijziging is ook in strijd met artikel 39 van de Grondwet dat stelt dat de gemeenschapsaangelegenheden vermeld in (onder meer) artikel 127 van de Grondwet niet door de gewesten kunnen worden uitgeoefend. De voorgestelde invoeging van artikel 135bis in het opschrift van Boek I van de bijzondere wet van 12 januari 1989 is bijgevolg ongrondwettig en onaanvaardbaar voor de Vlamingen. Derhalve stelt de indiener voor artikel 47 op te heffen.

Stemmingen

Amendement nr. 96 van de heer Laeremans wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 47 wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 48

Amendement nr. 25 van de heer Claes c.s.

De heer Claes c.s. dient amendement nr. 25 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4).

De heer Verstreken verantwoordt dit amendement met een verwijzing naar amendement nr. 12 op artikel 22.

Amendement nr. 97 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 97 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4), dat ertoe strekt dit artikel op te heffen.

In het voorgestelde artikel wordt onder meer ook toerisme een bevoegdheid van het Brussels Hoofdstedelijke Gewest. De indiener is de mening toegedaan dat aan Brussel geen bijkomende bevoegdheden moeten worden toegekend.

Stemmingen

Amendement nr. 25 van de heer Claes c.s. wordt aangenomen met 12 tegen 4 stemmen bij 1 onthouding.

Amendement nr. 97 van de heer Laeremans wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Het aldus geamendeerde artikel wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 49

Amendementen nrs. 98 en 99 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 98 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4), dat ertoe strekt dit artikel op te heffen.

De indiener verwijst naar de toelichting die hij verstrekte bij het amendement nr. 96.

De heer Laeremans dient tevens amendement nr. 99 in, subsidiair op amendement nr. 98, (stuk Senaat, nr. 5-2232/4), dat ertoe strekt het voorgestelde artikel 4bis aan te vullen met een bepaling die inhoudt dat de betrokken bevoegdheden alleen kunnen worden uitgeoefend met de meerderheden bedoeld in artikel 72, vierde lid, van de bijzondere wet met betrekking tot de Brusselse instellingen.

Aan het Brussels Hoofdstedelijke Gewest worden gemeenschapsbevoegdheden toevertrouwd die eigenlijk aan de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie zouden moeten worden toevertrouwd. Aangezien voor deze laatste door de bijzondere wetgever werd voorgeschreven dat beslissingen bij dubbele meerderheid moeten worden genomen, ligt het voor de hand dat dit ook moet gelden voor de gemeenschapsaangelegenheden die aan het Brussels Hoofdstedelijke Gewest worden toevertrouwd.

Stemmingen

De amendementen nrs. 98 en 99 van de heer Laeremans worden achtereenvolgens verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 49 wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 50

Amendement nr. 100 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 100 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4), dat ertoe strekt dit artikel op te heffen.

De indiener verwijst naar de toelichting bij amendement nr. 96.

Stemmingen

Amendement nr. 100 van de heer Laeremans wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 50 wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 51

Amendement nr. 26 van de heer Claes c.s.

De heer Claes c.s. dient amendement nr. 26 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) dat er toe strekt artikel 51 te vervangen.

De heer Verstreken verklaart dat het amendement technische aanpassingen aanbrengt zoals voorgesteld in het advies van de Raad van State.

De heer Laeremans merkt op dat amendement nr. 26 méér inhoudt dan een louter technische aanpassing.

Stemmingen

Amendement nr. 26 van de heer Claes c.s. wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Het aldus geamendeerde artikel wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 51/1 (nieuw)

Amendement nr. 27 van de heer Claes c.s.

De heer Claes c.s. dient amendement nr. 27 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) dat er toe strekt een artikel 51/1 (nieuw) in te voegen.

De heer Verstreken verklaart dat het eens te meer om een technisch amendement gaat.

Amendement nr. 101 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 101 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) dat ertoe strekt een artikel 51/1 (nieuw) in te voegen dat het opschrift van Boek III van de bijzondere wet van 12 januari 1989 vervangt.

De indiener verklaart dat, indien een parlementaire meerderheid ervoor kiest gemeenschapsbevoegdheden inzake culturele aangelegenheden naar Brusselse beleidsinstanties door te sluizen, dit moet gebeuren naar de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en niet naar de Brusselse gewestinstanties. Dit laatste is immers, in het licht van artikel 39 van de Grondwet, ongrondwettig. Een dergelijke maatregel waarborgt ook beter de inspraak en het medebeslissingsrecht van de Brusselse Vlamingen in deze aangelegenheden vermits beslissingen in deze instelling met een dubbele meerderheid dienen te gebeuren.

Stemmingen

Amendement nr. 101 van de heer Laeremans wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Amendement nr. 27 van de heer Claes c.s. wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 51/2 (nieuw)

Amendement nr. 102 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 102 (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) in dat ertoe strekt een artikel 51/2 in te voegen om biculturele materies van gewestelijk belang toe te kennen aan de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel.

Spreker verwijst voor zijn verdere toelichting naar de schriftelijke verantwoording van zijn amendement.

Stemming

Amendement nr. 102 van de heer Laeremans wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 52

Amendementen nr. 28 van de heer Claes c.s.

De heer Claes c.s. dient het amendement nr. 28 (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) in dat ertoe strekt om artikel 4bis van de bijzondere wet van 12 januari 1989 ook toepasselijk te maken op de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie. Het gaat hier om technische amendementen als gevolg van het advies van de Raad van State.

De heer Verstreken verwijst voor zijn verdere toelichting naar de schriftelijke verantwoording van het amendement.

Amendement nr. 29 van de heer Claes c.s.

De heer Claes c.s. dient het amendement nr. 29 (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) in dat ertoe strekt een restrictievere omschrijving te geven van de algemene term « mobiliteitshulpmiddelen » om te verduidelijken dat het hier gaat om bepaalde mobiliteitshulpmiddelen. Verder worden ook een aantal taalcorrecties doorgevoerd. Het gaat hier om technische amendementen als gevolg van het advies van de Raad van State

De heer Verstreken verwijst voor zijn verdere toelichting naar de schriftelijke verantwoording van het amendement.

Amendement nr. 103 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient het amendement nr. 103 (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) in dat ertoe strekt om het in het 2º ingevoegde lid inzake de overheveling van de bevoegdheid inzake kinderbijslag naar de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie in Brussel te doen vervallen.

Hij verwijst naar de schriftelijke verantwoording bij dit amendement.

Stemmingen

Amendement nr. 28 van de heer Claes c.s. wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Amendement nr. 29 van de heer Claes c.s. wordt aangenomen met 12 tegen 4 stemmen bij 1 onthouding.

Amendement nr. 103 van de heer Laeremans. wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Het aldus geamendeerde artikel wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 53

Amendement nr. 104 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 104 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) waarbij voorgesteld wordt artikel 53 te vervangen.

Het amendement strekt ertoe om de voorgestelde overheveling van biculturele aangelegenheden van gewestelijk belang, beroepsopleiding en de financiering en de subsidiering van gemeentelijke sportstructuur naar het Brussels Gewest te schrappen. Het is in strijd met artikel 39 van de Grondwet. Indien men dit toch zou beslissen, zou het beter zijn deze bevoegdheden over te hevelen naar de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel.

Voor zijn verdere toelichting verwijst de heer Laeremans naar de schriftelijke verantwoording van zijn amendement.

Amendement nr. 105 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 105 in, subsidiair op amendement nr. 104 (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) dat ertoe strekt in het 2 de woorden « en deze betreffende de gezinsbijslagen bedoeld in artikel 5, § 1, IV, van de bijzondere wet. » te schrappen.

Het strekt ertoe om de voorgestelde overheveling van de kinderbijslag naar de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie te schrappen.

Stemmingen

De amendementen nrs. 104 en 105 van de heer Laeremans worden achtereenvolgens verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 53 wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 54

Amendement nr. 106 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 106 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) dat er eveneens toe strekt de voorgestelde overheveling van de kinderbijslag naar de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie te schrappen.

Stemmingen

Amendement nr. 106 van de heer Laeremans. wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 54 wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 54/1(nieuw)

Amendement nr. 30 van de heer Claes c.s.

De heer Claes c.s. dient amendement nr. 30 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) om een nieuw artikel 54/1 in te voegen dat ertoe strekt een hernummering van de artikelen door te voeren. Het betreft hier dus een technisch amendement naar aanleiding van het advies van de Raad van State.

Stemming

Amendement nr. 30 van de heer Claes c.s. wordt aangenomen met 12 stemmen tegen 1 bij 4 onthoudingen.

Artikelen 55 en 56

Over deze artikelen worden geen opmerkingen gemaakt. Ze worden aangenomen met 12 tegen 4 stemmen bij 1 onthouding.

Hoofdstuk VI/1 (nieuw)

Amendement nr. 31 van de heer Claes c.s.

De heer Claes c.s. dient het amendement nr. 31 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) dat ertoe strekt om een hoofdstuk VI/1 in te voegen overeenkomstig het advies van de Raad van State. Dit hoofdstuk bevat drie artikelen : 56/1, 56/2 en 56/3.

De heer Verstreken legt uit dat door dit amendement een Overlegcomité wordt voorzien als samenwerking- en coördinatiepunt tussen de Federale Staat en de gemeenschappen en de gewesten.

Voor zijn verdere toelichting verwijst de heer Verstreken naar de schriftelijke verantwoording van het amendement.

Stemming

Amendement nr. 31 van de heer Claes c.s. wordt aangenomen met 12 tegen 4 stemmen bij 1 onthouding.

Hoofdstuk VI/2 (nieuw)

Amendement nr. 32 van de heer Claes c.s.

De heer Claes c.s. dient amendement nr. 32 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) dat ertoe strekt om een nieuw hoofdstuk VI/2 in te voegen inzake regels voor de mobiliteit van het personeel van de Senaat.

Stemming

Amendement nr. 32 van de heer Claes c.s. wordt aangenomen met 12 stemmen bij 5 onthoudingen.

Artikel 56/4 (nieuw)

Amendement nr. 33 van de heer Claes c.s.

De heer Claes c.s. dient amendement nr. 33 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) dat ertoe strekt in het nieuwe hoofdstuk VI/2 een artikel 56/4 in te voegen eveneens inzake de regels voor de mobiliteit van het personeel van de Senaat.

De heer Verstreken legt uit dat via dit amendement een wettelijke basis voor de mobiliteit van het personeel van de Senaat wordt voorzien. In het amendement worden twee vormen van mobiliteit voorzien : de terbeschikkingstelling (waarbij het personeelslid zijn juridische band met de Senaat behoudt) en de overplaatsing (die de integratie in de nieuwe administratie tot gevolg heeft).

Voor zijn verdere toelichting verwijst de heer Verstreken naar de schriftelijke verantwoording van zijn amendement.

Stemming

Amendement nr. 33 van de heer Claes c.s. wordt aangenomen met 12 stemmen bij 5 onthoudingen.

Artikel 57

Dit artikel wordt zonder bespreking aangenomen met 12 stemmen bij 5 onthoudingen.

Artikel 58

Amendement nr. 34 van de heer Claes c.s.

De heer Claes c.s. dient amendement nr. 34 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) dat betrekking heeft op de nadere regeling van de vereffening van het Participatiefonds en werd ingediend naar aanleiding van opmerkingen van de Raad van State.

Dit amendement dient te worden samengelezen met het amendement bij artikel 12 van het wetsvoorstel met betrekking tot de Zesde Staatshervorming inzake de aangelegenheden bedoeld in artikel 78 van de Grondwet (stuk Senaat, nr. 5-2234).

De heer Verstreken legt uit dat voorzien werd dat het Participatiefonds jaarlijks, tussen 1 juli 2014 en 1 juli 2022, aan de vennootschappen bedoeld in § 4 of de rechtspersonen die in hun rechten zijn getreden, een bedrag van 25 miljoen euro stort volgens de volgende verdeelsleutel :

— Participatiefonds — Vlaanderen : 53 %;

— Participatiefonds — Wallonië : 37 %;

— Participatiefonds — Brussel : 10 %.

De heer Laeremans wenst te weten waarop deze verdeelsleutel gebaseerd is.

De heer Verherstraeten, staatssecretaris voor Staatshervorming antwoordt dat deze verdeelsleutel voor de ene helft gebaseerd is op de gemiddelde verhouding van het aantal dossiers onder de gewesten voor de afgelopen vijf jaar en voor de andere helft op het activiteitencriterium (verhouding van het aantal ondernemingen en zelfstandigen in de gewesten). Hij verwijst wat dit betreft naar de toelichting bij artikel 58 van het voorstel van bijzondere wet.

Stemming

Amendement nr. 34 van de heer Claes c.s. wordt aangenomen met 12 tegen 4 stemmen bij 1 onthouding.

Het aldus geamendeerde artikel wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 59

Amendement nr. 35 van de heer Claes c.s.

De heer Claes c.s. dient amendement nr. 35 in (stuk Senaat, nr. 5-2232/4) betreffende de inwerkingtreding van artikel 56/4.

De heer Laeremans vraagt waarom voor dit artikel, een vroegere inwerkingtredingsdatum geldt.

De heer Verherstraeten, staatssecretaris voor Staatshervorming, antwoordt dat dit amendement tegemoet komt aan een aantal terechte sociale verzuchtingen van het personeel van de Senaat.

De heer Moureaux wijst erop dat men enkel dit artikel betreffende het statuut van het personeel van de Senaat sneller in werking wilt laten treden, omdat de Senaat zal worden hervormd vóór de voorgenomen datum van inwerkingtreding van de andere artikelen van het wetsvoorstel.

De heer Laeremans vraagt waarom de datum van inwerkingtreding van het wetsvoorstel voorzien is op 1 juli 2014, het begin van de grote vakantie. Een latere inwerkingtreding had de gemeenschappen en de gewesten de kans gegeven nog één en ander voor te bereiden.

De heer Verherstraeten, staatssecretaris voor Staatshervorming, legt uit dat deze datum van inwerkingtreding werd weerhouden om de verschillende parlementen maximaal de kans te geven om te kunnen legifereren vanaf het begin voor hun nieuwe bevoegdheden, die reeds consequenties zullen hebben op de begrotingen van 2015.

2. Wetsvoorstel met betrekking tot de Zesde Staatshervorming inzake de aangelegenheden bedoeld in artikel 77 van de Grondwet (ingediend door de heren Philippe Mahoux en Dirk Claes, mevrouw Chrisitne Defraigne, de heren Bert Anciaux en Marcel Cheron, mevrouw Martine Taelman, M. Francis Delpérée en mevrouw Freya Piryns), nr. 5-2233/1

Artikelen 1 tot 4

Over deze artikelen worden geen opmerkingen gemaakt.

Stemmingen

Artikel 1 wordt aangenomen met 12 tegen 4 stemmen bij 1 onthouding.

De artikelen 2 en 3 worden aangenomen met 12 stemmen bij 5 onthoudingen.

Artikel 4 wordt aangenomen met 12 tegen 4 stemmen bij 1 onthouding.

Artikel 5

Amendement nr. 25 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 25 in (stuk Senaat, nr. 5-2233/3), dat ertoe strekt de woorden « 4sexies, 4septies, 4octies, 4decies, 4undecies » te vervangen door het woord « 4decies ».

Indiener verwijst naar de schriftelijke verantwoording bij het amendement.

Stemmingen

Amendement nr. 25 van de heer Laeremans wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 5 wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 6

Amendementen nrs. 1 en 2 van de heer Mahoux c.s.

De heer Mahoux c.s. dient amendement nr. 1 in (stuk Senaat, nr. 5-2233/3), dat ertoe strekt in het voorgestelde artikel 11bis, tweede lid, laatste zin, de woorden « na de indiening ervan » te vervangen door de woorden « na de kennisgeving van het arrest waarbij de onwettigheid werd vastgesteld ».

De heer Istasse legt uit dat dit amendement tegemoet komt aan een opmerking van de Raad van State.

Voor het overige verwijst hij naar de schriftelijke verantwoording.

De heer Mahoux c.s. dient amendement nr. 2 in (stuk Senaat, nr. 5-2233/3), dat in het voorgestelde artikel 11bis, tussen het tweede en het derde lid een nieuw lid wil invoegen, luidende :

« Bij toepassing van artikel 38, moet het verzoek tot schadevergoeding uiterlijk worden ingediend zestig dagen na de kennisgeving van het arrest waarbij de beroepsprocedure wordt afgesloten. Er wordt een uitspraak gedaan over het verzoek tot schadevergoeding binnen de twaalf maanden na de kennisgeving van het arrest waarbij de beroepsprocedure wordt afgesloten. ».

De heer Istasse legt uit dat dit amendement tegemoet komt aan een opmerking van de Raad van State.

Voor het overige verwijst hij naar de schriftelijke verantwoording.

De heer Verherstraeten, staatssecretaris voor Staatshervorming, verwijst naar het advies van de Raad van State 53 933, blz. 7 : « 4. Zoals de tekst thans geredigeerd is, kan geen schadevergoeding toegekend worden aan een verzoeker die, in de loop van de procedure, zijn belang verliest om de vernietiging te vorderen (zoals een ambtenaar die onr.echtmatig een promotie wordt ontzegd en die tijdens de procedure gepensioneerd wordt :) zijn beroep wordt verworpen wegens gebrek aan belang zonder dat het arrest de eventuele onwettigheid van de bestreden behandeling vaststelt. Het voornemen om de Raad van State de mogelijkheid te bieden in dit geval een vergoeding toe te kennen — voornemen dat in de toelichting bij het voorstel bevestigd wordt — komt niet afdoende tot uiting in de voorgestelde wettekst. ».

De indieners van het voorstel zijn van oordeel dat de Raad van State, door het samenlezen van, enerzijds, de noties « benadeling » en/of « belang » van voornoemd artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals ze momenteel worden geïnterpreteerd en, anderzijds, het voorgestelde artikel 11bis, zoals toegelicht door de reacties en de huidige besprekingen, effectief in staat is om ook te oordelen over de wettigheid van een bestreden bestuurshandeling, zelfs indien zich een evolutie voordeed in de concrete persoonlijke situatie van de verzoeker. De termen « benadeling » en « belang » kunnen dusdanig worden geïnterpreteerd zodat zij, omwille van het geleden nadeel dat uitzicht kan geven op een vergoeding bij toepassing van artikel 11bis, effectief ook de wettigheid van de bestreden behandeling zal kunnen beoordelen zelfs als de tenietdoening van de bestreden handeling de verzoeker geen enkel rechtstreeks voordeel opbrengt, en een bijkomende aanpassing van de wetgeving derhalve niet is vereist.

Met betrekking tot opmerking 5 van de Raad van State omtrent hetzelfde artikel verklaart staatssecretaris dat de voorgestelde bepaling tot doel heeft om te vermijden dat de partij die een vernietiging van een onwettige handeling benaarstigde zich vervolgens tot de hoven en rechtbanken dient te richten om het hem door deze handeling veroorzaakte nadeel hersteld te zien. In die zin maakt het verzoek tot herstelvergoeding een accessorium uit van zijn vordering. Dit proces-economische doel kan enkel van toepassing zijn voor de partij die de vordering heeft ingeleid of voor diegene die zich hieraan verbindt. De begunstigde van een vergunning bevindt zich in feite in een onderscheiden situatie omdat hij zich, in de mate hij tussenkomt in de zaak, de geldigheid van de handeling benaarstigt. Indien aldus zou blijken dat de overheid door het stellen van een onwettige handeling hem schade toebracht, dan maakt een eventuele schadevergoeding van zijn kant geen accessorium van zijn tussenkomst uit, maar noodzaakt dit een afzonderlijke vordering. Aan hem is, in werkelijkheid, geenszins dergelijke vordering ontzegd, omdat hij, zoals op vandaag, kan beschikken over de mogelijkheid om schadevergoeding ingevolge burgerlijke aansprakelijkheid te bekomen voor de hoven en rechtbanken.

Met betrekking tot opmerking 7 van de Raad van State stelt staatssecretaris dat het wetsvoorstel het toepassingsgebied van het voorgestelde artikel 1bis inderdaad beperkt tot het vernietigingscontentieux bedoeld in artikel 14, § 1 of § 3 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.

In het geval de Raad van State zich uitspreekt op basis van artikel 16 van de gecoördineerde wetten, bevindt de verzoeker zich in voorkomend geval immers in een te onderscheiden situatie, gezien deze een beslissing verkrijgt die zich in de plaats stelt van diegene die hij aanvocht.

Het is de bedoeling van de indieners van het voorstel om de mogelijkheid om af te wijken van de bevoegdheidsregels van de rechtbanken op burgerrechtelijk vlak te beperken tot de specifieke situatie waarbij om de vernietiging van een bestuurshandeling wordt verzocht.

Met betrekking tot opmerking 11 van de Raad van State antwoordt staatssecretaris dat zodra een partij aldus een verzoek tot schadevergoeding tot herstel bij de Raad van State of een aansprakelijkheidsrechtsvordering voor de hoven en rechtbanken heeft ingesteld, het una via electa-principe van toepassing is, zelfs indien de partij afstand doet van geding of afziet van de rechtsvordering.

Het element dat de toepassing van het « electa una via »-principe in werking stelt is bijgevolg respectievelijk de indiening van het verzoek tot schadevergoeding tot herstel bij de Raad van State, of de instelling van een aansprakelijkheidsvordering voor de hoven en rechtbanken.

Er is aldus geen noodzaak om het artikel te wijzigen.

Met betrekking tot pagina 9, opmerking 2, van de Raad van State, stelt staatssecretaris dat in tegenstelling tot wat de Raad van State voorstelt, het niet noodzakelijk is om in artikel 19 van de Raad van State-wetten artikel 11bis toe te voegen. Gezien artikel 11bis op zich reeds verwijst naar artikel 14, dat opgenomen is in artikel 19, eerste lid van de Raad van State-wetten (en er aldus een benadeling of belang vereist), en anderzijds artikel 11bis reeds uitdrukkelijk stelt dat een schadevergoeding tot herstel enkel kan worden toegekend aan de verzoeker indien zij een nadeel heeft geleden omwille van de onwettigheid van de akte, is een dergelijke toevoeging volgens de indieners niet noodzakelijk.

De heer Laeremans verklaart dat de ervaring aantoont dat een procedure tot schadevergoeding voor een gewone rechtbank zeer lang kan duren, soms jaren. De schade moet geraamd worden, een expert moet worden aangesteld, eventueel komt er een tegenexpertise of moet men wachten op de consolidering van de schade ... De expertiseprocedure wordt vrij nauwkeurig geregeld in het gemene recht.

Hoe is de toestand hier ? De rechters van de Raad van State hebben uiteindelijk weinig of geen ervaring met het evalueren van een schadegeval. Wat gebeurt er met de termijnen waarin de tekst voorziet als de expertiseprocedure aansleept ?

Verwacht men een bijkomende werklast bij de Raad van State ten gevolge van de nieuwe bevoegdheden die hij krijgt ? Zal er bijkomend personeel nodig zijn ?

Zullen de wachttijden weer niet langer worden, terwijl de Raad van State een aantal rationaliseringsmaatregelen had genomen ?

De staatssecretaris antwoordt dat een schadeprocedure tijd in beslag kan nemen.

Het voordeel van het nieuwe stelsel is dat alles voor hetzelfde gerecht wordt geregeld, zodat men niet voor een ander gerecht opnieuw moet beginnen voor de schadevergoeding. Men wint dus tijd.

Wat de vergoedingen betreft, wijkt men enigszins af van het burgerlijk recht. Artikel 1382 is hier niet van toepassing, maar het is een herstelvergoeding.

De onvermijdelijke toename van de werklast ten gevolge van de hervorming is in dit stadium moeilijk in te schatten. Zoals de vorige spreker zei, heeft de Raad van State de laatste jaren veel inspanningen geleverd om een belangrijk deel van zijn achterstand weg te werken. Bovendien werd een deel van de geschillen weggehaald uit zijn bevoegdheden en werd het kader uitgebreid. Men mag dus hopen dat het huidige kader zal blijven volstaan.

Wat de termijnen betreft, bepaalt het voorstel dat een beslissing binnen twaalf maanden moet vallen. Dit is geen termijn op straffe van verval, maar een ordetermijn. Men zal moeten nagaan of de Raad van State steun zal moeten krijgen via referendarissen of op een andere manier.

De heer Delpérée merkt op dat de Raad van State al sinds 1946 bevoegd is voor de zogenaamde uitzonderlijke schade (art. 11 van de gecoördineerde wetten). Het is dus een beetje kort door de bocht om te stellen dat de Raad van State geen ervaring heeft met schadegevallen.

Spreker verwijst vervolgens naar de ontwikkelingen die aan het wetsvoorstel zijn voorafgegaan, en die verklaren waarom de nieuwe procedure niet verhindert dat een rechtzoekende kiest voor de procedure voor de burgerlijke rechtbanken en toepassing vraagt van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek.

De heer Laeremans vraagt of men bij het aanwijzen van een expert de onlangs hervormde gemeenr.echtelijke procedure voor de burgerlijke of strafrechtbanken zal volgen.

De staatssecretaris herinnert eraan dat het Gerechtelijk Wetboek van toepassing is, behalve bij afwijkende bepaling van de wetten op de Raad van State. De Raad kan dus de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek toepassen.

De heer Laeremans besluit hieruit dat het een gewone mogelijkheid is, en geen verplichting. De Raad van State kan dus ook zijn eigen rechtspraak ontwikkelen.

De staatssecretaris herinnert eraan dat koninklijke besluiten van toepassing zijn op de Raad van State.

De heer Laeremans vraagt of de Raad van State geraadpleegd werd over de hervorming, en of hij vragende partij was.

De heer Delpérée antwoordt dat de Raad van State vragende partij was. Hoge magistraten van dit gerecht werden hierover trouwens gehoord in de commissie Binnenlandse Aangelegenheden. Het team van de heer Wathelet, staatssecretaris voor staatshervorming, telt bovendien een Staatsraad.

Stemmingen

De amendementen nrs. 1 en 2 van de heer Mahoux c.s. worden aangenomen met 12 stemmen bij 5 onthoudingen.

Het aldus geamendeerde artikel wordt aangenomen met 12 stemmen bij 5 onthoudingen.

Artikel 6/1 (nieuw)

Amendement nr. 3 van de heer Mahoux c.s.

De heer Mahoux c.s. dient amendement nr. 3 in (stuk Senaat, nr. 5-2233/3), dat ertoe strekt een artikel 6/1 (nieuw) in te voegen, luidende :

« Art. 6/1. In artikel 27, § 1, eerste lid van dezelfdewetten, wordt het woord « 11bis » ingevoegd tussen decijfers « 11 » en « 14 ». ».

De heer Istasse legt uit dat dit amendementbeoogt tegemoet te komen aan een opmerking van de Raad van State.

Voor het overige verwijst hij naar de schriftelijke verantwoording.

Stemming

Amendement nr. 3 van de heer Mahoux c.s. wordt aangenomen met 12 stemmen bij 5 onthoudingen.

Artikel 6/2 (nieuw)

Amendement nr. 4 van de heer Mahoux c.s.

De heer Mahoux c.s. dient amendement nr. 4 in (stuk Senaat, nr. 5-2233/3), dat ertoe strekt een artikel 6/2 (nieuw) in te voegen, luidende :

« Art. 6/2. In artikel 29, eerste lid van dezelfdewetten, wordt het woord « 11bis, » ingevoegd tussen de cijfers « 11 » en « 12 ». ».

De heer Istasse legt uit dat dit amendementbeoogt tegemoet te komen aan een opmerking van de Raad van State.

Voor het overige verwijst hij naar de schriftelijke verantwoording.

Stemming

Amendement nr. 4 van de heer Mahoux c.s. wordt aangenomen met 12 stemmen bij 5 onthoudingen.

Artikel 7

Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt. Het wordt aangenomen met 12 stemmen bij 5 onthoudingen.

Artikel 7/1 (nieuw)

Amendement nr. 5 van de heer Mahoux c.s.

De heer Mahoux c.s. dient amendement nr. 5 in (stuk Senaat, nr. 5-2233/3), dat ertoe strekt een artikel 7/1 (nieuw) in te voegen, luidende :

« Art. 7/1. In artikel 53, eerste lid van dezelfdewetten, wordt het woord « 11bis, » ingevoegd tussen de woorden « 11 » en « en ». ».

De heer Istasse legt uit dat dit amendementbeoogt tegemoet te komen aan een opmerking van de Raad van State.

Voor het overige verwijst hij naar de schriftelijke verantwoording.

Stemming

Amendement nr. 5 van de heer Mahoux c.s. wordt aangenomen met 12 stemmen bij 5 onthoudingen.

Artikel 7/2 (nieuw)

Amendement nr. 6 van de heer Mahoux c.s.

De heer Mahoux c.s. dient amendement nr. 6 in (stuk Senaat, nr. 5-2233/3), dat ertoe strekt een artikel 7/2 inte voegen (nieuw), luidende : « Art. 7/2.In artikel 63, eerste lid van dezelfde wetten, wordt het woord « 11bis » ingevoegd tussen de cijfers « 11 » en « 12 ». ».

De heer Istasse legt uit dat dit amendementbeoogt tegemoet te komen aan een opmerking van de Raad van State.

Voor het overige verwijst hij naar de schriftelijke verantwoording.

Stemming

Amendement nr. 6 van de heer Mahoux c.s. wordt aangenomen met 12 stemmen bij 5 onthoudingen.

Artikelen 8 en 9

Over deze artikelen worden geen opmerkingen gemaakt.

Artikel 8 wordt aangenomen met 12 stemmen bij 5 onthoudingen.

Artikel 9 wordt aangenomen met 12 stemmen tegen 1 stem bij 4 onthoudingen.

Artikel 10

Amendement nr. 7 van de heer Mahoux c.s.

De heer Mahoux c.s. dient amendement nr. 7 in (stuk Senaat, nr. 5-2233/3), dat ertoe strekt de woorden « § 2ter » telkens te vervangen door de woorden « § 2 quater ».

De heer Istasse verduidelijkt dat het om een technisch amendement gaat dat gevolg geeft aan een opmerking van de Raad van State. Voor het overige verwijst hij naar de schriftelijke verantwoording.

Amendement nr. 26 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 26 in (stuk Senaat, nr. 5-2233/3), dat ertoe strekt in de voorgestelde § 2ter, in het 1º, de woorden « als bedoeld in de artikelen 128 en 129 » te vervangen door de woorden « als bedoeld in artikel 128 ».

De heer Laeremans verklaart dat dit artikel betrekking heeft op het onderdeel 4. « Versterking veiligheidsbeleid Brussel ». Hij verwijst naar de schriftelijke verantwoording bij het amendement.

Amendementen nrs. 37 en 38 van de heer Vanlouwe c.s.

De heer Vanlouwe c.s. dient amendementen nrs. 37 en 38 in (stuk Senaat, nr. 5-2233/3).

Amendement nr. 37 strekt er toe het 3º en het 5º van artikel 10 te doen vervallen.

Dit amendement moet samengelezen worden met amendement nr. 38 tot oprichting van één politiezone Brussel-Hoofdstad, dat ertoe strekt in het 4º van hetzelfde artikel het woord « politiezones » te vervangen door het woord « politiezone ».

Mits Brussel-Hoofdstad één zone dient te worden, zal het in het voorgestelde artikel 16 gewestelijke veiligheidsplan volledig samenvallen met het zonale veiligheidsplan. Hierdoor vervalt de noodzaak van het gewestelijk veiligheidsplan en dus het belang van de bepaling onder het 3º.

De bepaling onder 5 vervalt bij het samenvoegen van de politiezones tot één zone Brussel-Hoofdstad.

Staatssecretaris Verherstraten antwoordt dat het laatste punt al eerder werd besproken.

De institutionele meerderheid heeft niet gekozen voor een samensmelting van de zes politiezones, maar men beoogt een bepaalde harmonisatie wat het veiligheidsbeleid betreft en men streeft ernaar de rol van de minister-president te versterken.

Met betrekking tot tot hetzelfde artikel wenst staatssecretaris nog toe te voegen dat, in tegenstelling tot wat de Raad van State aangeeft, het niet enkel de bepalingen tot regeling van de organisatie van de Brusselse agglomeratie zijn die aangenomen zouden moeten worden op basis van de procedure van het volledige bicamerisme, maar ook de bepalingen die hun bevoegdheden bepalen.

Alle bepalingen bedoeld door de Raad van State hebben niet het aanpassen van de politie- en veiligheidsaangelegenheden als hoofddoel, maar wel het toekennen van bepaalde bevoegdheden binnen deze aangelegenheden aan de Brusselse agglomeratie.

Het is dus terecht dat de indieners van het voorstel meenden dat de tekst van het voorstel een in artikel 77 van de Grondwet bedoelde aangelegenheid betrof.

Wat de artikelen 128 en 129 van de provinciewet betreft, antwoordt staatssecretaris dat het bevoegdheden zijn van de gouverneur. In het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest is het dan ook logisch dat deze overgaan naar de minister-president.

De heer Laeremans vindt dit een heel zwak argument. De gouverneur is de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken. Spreker stelt vast dat men die bevoegdheid van Binnenlandse Zaken de facto naar het Brusselse Gewest verschuift en niet naar de andere gewesten. Hij vindt dat dit te ver gaat.

In de praktijk zal een gouverneur nooit de gewapende macht vorderen wanneer dit niet gesteund wordt door de federale minister van Binnenlandse Zaken.

Spreker is van mening dat dit per definitie op het federaal niveau thuishoort en niet bij de minister-president van Brussel.

Staatssecretaris verwijst naar zijn vorige antwoorden. De coordinerende veiligheidsopdracht van de minister-president wordt hem niet toegewezen in zijn hoedanigheid van voorzitter van de Brusselse Hoofdstedelijke regering maar als hoofd van de agglomeratie.

De heer Vanlouwe heeft een vraag met betrekking tot punt 7 bepaald in alinea 2ter, waarbij de Brusselse agglomeratie een harmoniserende tekst zou opstellen voor de politiereglementen met inachtneming van de specifieke kenmerken van de gemeenten. Wat zou de juridische waarde zijn van een dergelijke harmoniserende tekst ? Uiteindelijk zal men nog altijd geconfronteerd worden met negentien politiereglementen, hoewel de bedoeling altijd is om in meer gemeentelijke politiezones naar een vorm van eenheid te gaan.

Zullen de gemeenten nog de vrijheid hebben om een eigen politiereglement uit te vaardigen met gemeentelijke administratieve sancties, het opleggen van boetes, enz. ? Wat zal de verhouding zijn tussen dat gemeentelijk politiereglement en die harmoniserende tekst ?

De heer Anciaux heeft geen enkel probleem met de voorgestelde tekst, onder meer inzake de afschaffing van de functie van gouverneur, de overheveling van de bevoegdheden en dergelijkem. Het is hem niet duidelijk of de gouverneur vandaag de macht heeft om zomaar het leger op te vorderen. Hij hoopt niettemin dat in de wetgeving voldoende waarborgen worden voorzien opdat het leger enkel kan worden opgevorderd wanneer dit wordt gesteund door de ganse bevolking en het parlement. Spreker rekent erop dat de regering ter zake de nodige voorzichtigheid inbouwt, zodat de voorliggende tekst niet de macht geeft aan wie dan ook om zomaar het leger in te zetten.

De heer Verherstraeten, staatssecretaris voor Staatshervorming, antwoordt dat, overeenkomstig artikel 10 van het voorstel van bijzondere wet, de Brusselse agglomeratie de bevoegdheden uitoefent van de artikelen 128 en 129 van de Provinciewet. Artikel 129 van de Provinciewet bepaalt :

« In geval van woelige samenscholingen, van oproer of van gewelddadig verzet tegen de uitvoering van de wetten of van de wettelijke verordeningen, heeft de gouverneur het recht om de gewapende macht op te vorderen. Hij geeft hiervan terstond kennis aan de ministers van Binnenlandse Zaken en van Landsverdediging; de bevelvoerende officier is gehouden aan de schriftelijke vordering van de gouverneur te voldoen. »

Het gaat derhalve om een zeer uitzonderlijke maatregel die enkel kan worden toegepast indien aan de voorwaarden wordt voldaan.

De heer Moureaux meent dat het hier om een surrealistische discussie gaat. Het gaat in wezen om een keten van bevelen. Vandaag begint deze keten bij de burgemeester van Brussel die, in de praktijk, in 99 % van de gevallen de veiligheid en de publieke vrede verzekert met zijn eigen korps. Boven hem staat de gouverneur en daarboven staat de minister van Binnenlandse Zaken. De voorgestelde hervorming verandert deze keten, met name door ook de minister-president erbij te betrekken. Dit neemt niet weg dat de minister van Binnenlandse Zaken de juridische bevoegdheid heeft om een tussenkomst te bevelen van de gewapende macht en van de federale politie.

Vanzelfsprekend, indien men in geval van ernstige gebeurtenissen, eraan denkt om de tussenkomst van het leger te vorderen, moet de gouverneur tussenkomen. Bovendien beslist niet enkel de minister van Binnenlandse Zaken alleen, maar moet de ganse regering tussenkomen vermits ook de minister van Landsverdediging betrokken moet worden. Volgens de heer Moureaux betrekt het voorstel van bijzondere wet voortaan ook de minister-president van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bij de coördinatie van de veiligheid. In geval van grote operaties inzake handhaving van de openbare orde, beschikt de burgemeester van Brussel over een grote macht, die verder reikt dan de macht die vereist is voor de loutere bescherming van de inwoners van Brussel. Daarbij kan hij rekenen op de medewerking van Binnenlandse Zaken, die andere politiezones bij de operaties kan betrekken en zelfs de federale politie.

Dit systeem werd opgezet naar aanleiding van de politiehervorming, hetgeen enigszins vreemd is vermits een lokaal korps de veiligheid verzekert van de hoofdstad, bijvoorbeeld in geval van nationale manifestaties. Men kan zich hierbij vragen stellen maar de ervaring leert dat dit systeem op een zeer pragmatische wijze wordt toegepast en tot op heden goed heeft gewerkt. In 99 % van de gevallen besliste de burgemeester van Brussel alleen en kwam de gouverneur zelden tussen. Het enige effect van de voorgestelde hervorming is dat in de keten een tussenschakel wordt ingevoegd, met name die van de minister-president, die kan tussenkomen wanneer een beroep wordt gedaan op de gewapende macht. In een dergelijk geval, zou er volgens de heer Moureaux sprake zijn van een nationaal probleem, dat het Brusselse niveau overstijgt en waarbij ook de federale regering betrokken is.

De heer Delpérée wijst erop dat de openbare orde niet enkel nationale manifestaties betreft, maar ook de veiligheid en de volksgezondheid. In geval van tussenkomst van het leger neemt dit ook enkele burgerlijke taken over, zoals bijvoorbeeld bij overstromingen.

Bovendien meent spreker dat de voorgestelde hervorming zinvol is, vermits een persoon met een administratieve opdracht nu wordt vervangen door iemand die politieke verantwoording verschuldigd is aan zowel het niveau van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de gemeente Brussel en ook de federale overheid. De democratische controle wordt derhalve versterkt.

De heer Vanlouwe stelt zich vragen bij de juridische waarde van deze harmoniserende tekst.

De heer Verherstraeten, staatssecretaris voor Staatshervorming, antwoordt dat het 7 van de voorgestelde § 2ter, de ambitie heeft om een harmonisering door te voeren van de verschillende politiereglementen die vandaag op het ganse grondgebied gelden. De Brusselse agglomeratie kan deze harmoniserende tekst opstellen en invloed uitoefenen, maar vanzelfsprekend zal deze pas juridische waarde verwerven van zodra de betrokken gemeentebesturen hem goedkeuren. Daaraan worden enkele specifieke kenmerken gekoppeld die eigen zijn aan elke gemeente. De staatssecretaris gaat er van uit dat op het niveau van de agglomeratieraad enkele basisartikelen worden geredigeerd die voor elk van de gemeenten toepasselijk zijn en dat er per gemeente specifieke elementen worden toegevoegd die kenmerkend zijn voor de betrokken gemeente, die dan op het niveau van de politiezone of de gemeente worden bekrachtigd.

De heer Vanlouwe vraagt of het de bedoeling is dat de gemeenten elk afzonderlijk nog een politiereglement opstellen. Zullen zij kunnen afwijken van de harmoniserende tekst die op het niveau van de agglomeratie wordt opgesteld ? Zullen, bijvoorbeeld, gemeentelijke administratieve sancties kunnen verschillen van gemeente tot gemeente ? Of zal de harmoniserende tekst opleggen dat de gemeentelijke administratieve sancties identiek moeten zijn in de 19 gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ?

De heer Verherstraeten, staatssecretaris voor Staatshervorming, antwoordt dat de harmoniserende tekst slechts een gemeenschappelijke basis kan bieden voor elk politiereglement. Dit ontneemt de verschillende gemeenten echter niet hun bevoegdheid om specifieke elementen toe te voegen of bepaalde modaliteiten aan te passen.

Stemmingen

Amendement nr. 7 van de heer Mahoux c.s. wordt aangenomen met 12 stemmen bij 5 onthoudingen.

Amendement nr. 26 van de heer Laeremans wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

De amendementen nrs. 37 en 38 van de heer Vanlouwe c.s. worden achtereenvolgens verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Het aldus geamendeerde artikel wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikelen 11, 12 en 13

Er worden geen opmerkingen gemaakt over deze artikelen.

De artikelen 11 en 12 worden aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 13 wordt aangenomen met 12 stemmen tegen 4 stemmen bij 1 onthouding.

Artikel 13/2 (nieuw)

Amendement nr. 30 van de heer Vanlouwe c.s.

De heer Vanlouwe c.s. dient amendement nr. 30 in (stuk Senaat, nr. 5-2233/3) dat beoogt een artikel 13/2 (nieuw) in te voegen, luidend :

« In artikel 6 van dezelfde wet wordt het woord « gouverneur » vervangen door « provinciegouver-neur ». ».

De heer Vanlouwe verwijst naar de schriftelijke verantwoording bij het amendement.

Stemming

Amendement nr. 30 van de heer Vanlouwe c.s. wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 13/3 (nieuw)

Amendement nr. 31 van de heer Vanlouwe c.s.

De heer Vanlouwe c.s. dient amendement nr. 31 in (stuk Senaat, nr. 5-2233/3) dat beoogt een artikel 13/3 (nieuw) in te voegen, luidend :

« Art. 13/3 Er wordt in dezelfde wet een artikel 9/1 ingevoegd, luidende als volgt :

« Art. 9/1. Het grondgebied van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad vormt één politiezone, « Brussel-Hoofdstad ». Deze politiezone strekt zich uit over het grondgebied van de negentien gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. ».

De heer Vanlouwe verwijst naar de schriftelijke verantwoording bij het amendement.

Stemming

Amendement nr. 31 van de heer Vanlouwe c.s. wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 13/4 (nieuw)

Amendement nr. 32 van de heer Vanlouwe c.s.

De heer Vanlouwe c.s. dient amendement nr. 32 in (stuk Senaat, nr. 5-2233/3) dat beoogt een artikel 13/4 (nieuw) in te voegen, luidend :

« De politiezones Brussel/Elsene, Sint-Jans-Molenbeek/Koekelberg/Jette/Ganshoren/Sint-Agatha-Berchem, Anderlecht/Sint-Gillis/Vorst, Ukkel/Watermaal-Bosvoorde/Oudergem, Etterbeek/Sint-Pieters-Woluwe/Sint-Lambrechts-Woluwe en Schaarbeek/Evere/Sint-Joost-ten-Node worden opgeheven. ».

De heer Vanlouwe verwijst naar de schriftelijke verantwoording bij het amendement.

De heer Laeremans sluit zich aan bij dit amendement en verwijst naar de eigen voorstellen om in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest tot één politiezone te komen. Hoe ziet de indiener van het amendement de functionering van de politieraad ? Is dit een intergemeentelijke raad, bestaande uit afgevaardigden van de verschillende gemeenteraden ? Uit hoeveel leden zou een dergelijke politieraad bestaan ? Quid met de mogelijke overlapping met de bevoegdheden van het Brussels Hoofdstedelijk Parlement dat, in zijn hoedanigheid van agglomeratieraad, enkele veiligheidsbevoegdheden bij krijgt, inzonderheid voor de Brusselse minister-president ? Worden de bevoegdheden van de politieraad overgeheveld naar het Brussels Hoofdstedelijk Parlement ? Indien dit niet het geval is, welke is dan de verhouding tussen de voorzitter van de politieraad en de minister-president van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ?

De heer Vanlouwe meent dat het geen goede zaak is dat er op het grondgebied van Brussel verschillende politiereglementen bestaan. Over een kleine afstand en als men bijvoorbeeld de metro neemt, doorkruist men verschillende politiezones, die verschillende reglementen hebben. Dit zorgt voor problemen voor de agenten die de inbreuken vaststellen en die dan niet goed weten welke GAS-boete van toepassing is.

De heer Anciaux verwijst naar amendement nr. 31 van de heer Vanlouwe waarbij wordt verwezen naar een voorstel van spreker (wetsvoorstel nr. 5-913/& tot oprichting van de politiezone Brussel-Hoofdstad, ingediend door B. Anciaux, B. Tommelein, D. Claes, L. Sannen, K. Vanlouwe en H. Broers. Spreker verklaart dit voorstel nog steeds te steunen, maar verwijst naar het institutionele akkoord tussen acht partijen dat zoals steeds een stukje geven en nemen inhoudt. Spreker is er echter van overtuigd dat zaken die vroeger taboe bleken te zijn bespreekbaar worden. Hij trekt zijn voorstel waarnaar is verwezen niet terug.

De heer Moureaux wijst op het feit dat voorliggende tekst zorgt voor meer coördinatie en dus verbetering inhoudt ten opzichte van de huidige situatie.

De heer Vanlouwe heeft nog enkele concrete bedenkingen over de waarde van een eventuele harmoniserende ordonnantie vanuit het Brussels Parlement. Wat immers als één van de 19 gemeenten beslist om deze harmonisrende tekst niet te volgen maar wel een eigen politiereglement ? Wat is de waarde van een afwijkend politiereglement ? Wordt dit overruled door de harmoniserende ordonnantie ?

De heer Moureaux antwoordt dat het Gewest, door zijn rechtstreekse of onr.echtstreekse toezichthoudende bevoegdheid, kan optreden indien een gemeente zich weigerachtig opstelt. Spreker zegt overtuigd te zijn dat dit niet zal gebeuren.

Stemming

Amendement nr. 32 van de heer Vanlouwe c.s. wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 13/5 (nieuw)

Amendement nr. 33 van de heer Vanlouwe c.s.

De heer Vanlouwe c.s. dient amendement nr. 33 in (stuk Senaat, nr. 5-2233/3) dat beoogt een artikel 13/5 (nieuw) in te voegen, luidend :

« In artikel 20bis, § 1, eerste lid van dezelfde wet worden de woorden « Zij leggen in zijn handen de volgende eed af : « Ik zweer getrouwheid aan de Koning, gehoorzaamheid aan de Grondwet en aan de wetten van het Belgische volk. » vervangen door de woorden « Zij leggen in zijn handen de eed af die zij hebben afgelegd bij de aanvaarding van hun mandaat als gemeenteraadslid. ».

De heer Vanlouwe verwijst naar de schriftelijke verantwoording bij het amendement.

De heer Laeremans meent dat de problematiek van de eedaflegging een eerder perifeer aspect is van het hele verhaal.

Stemming

Amendement nr. 33 van de heer Vanlouwe c.s. wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 14

Amendement nr. 34 van de heer Vanlouwe c.s.

De heer Vanlouwe c.s. dient amendement nr. 34 in (stuk Senaat, nr. 5-2233/3) dat beoogt artikel 14 te doen vervallen.

De heer Vanlouwe verwijst naar de schriftelijke verantwoording bij het amendement.

Amendement nr. 27 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 27 in (stuk Senaat, 5-2233/3) dat ertoe strekt om het Vlaamse en Waalse Gewest diezelfde bevoegdheden op het vlak van openbare veiligheid toe te kennen die het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest kan uitoefenen. Meer in het bijzonder voorziet dit amendement in de uitwerking van een gewestelijk veiligheidsplan voor het Vlaamse en Waalse Gewest, waarmee de zonale veiligheidsplannen rekening mee zullen moeten houden. Het Vlaamse en Waalse gewest richten hiertoe, elk voor zich, een gewestelijke veiligheidsraad op die bestaat uit de gouverneurs, de procureurs-generaal, uit een vertegenwoordiging uit de coördinatie- en steundirecties en uit de gerechtelijke directies van de federale politie en uit een afvaardiging uit de politiecolleges.

Voor het overige verwijst de indiener naar de verantwoording bij zijn amendement.

Stemmingen

Amendement nr. 27 van de heer Laeremans. wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Amendement nr. 34 van de heer Vanlouwe c.s. wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 14 wordt aangenomen met 12 tegen 4 stemmen bij 1 onthouding.

Artikel 15

Amendement nr. 28 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 28 in (stuk Senaat, 5-2233/3) dat betrekking heeft op het onderdeel met betrekking tot de versterking van het veiligheidsbeleid in Brussel ». Het amendement strekt er toe het artikel te vervangen door wat volgt : « In titel II, hoofdstuk I, van dezelfde wet, wordt een afdeling 3bis ingevoegd, luidende : « afdeling 3bis. Specifieke bepaling voor het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad en voor het Vlaamse en Waalse Gewest. ».

De indiener betreurt dat de aangelegenheid inzake openbare veiligheid na de zesde staatshervorming federaal verankerd blijft, waardoor de gewesten op dat vlak maar weinig in de pap te brokken hebben. De autonomie van de federale wetgever in deze materie blijft aldus van kracht, terwijl toch kan gesteld worden dat er tussen de gewesten belangrijke verschillen bestaan in visie met betrekking tot het gevoerde veiligheidsbeleid.

Dit amendement, dat moet worden samen gelezen met andere amendementen, strekt er dan ook toe om het Vlaamse en Waalse Gewest diezelfde bevoegdheden op vlak van openbare veiligheid toe te kennen die het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest kan uitoefenen. Meer in het bijzonder voorziet dit amendement in de uitwerking van een gewestelijk veiligheidsplan voor het Vlaamse en Waalse Gewest. Hiertoe dient ook de benaming van de ingevoegde nieuwe afdeling 3bis gewijzigd te worden, die momenteel beperkt wordt tot de « specifieke bepalingen voor het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad ».

Voor het overige verwijst spreker naar de toelichting bij zijn vorig amendement en naar de schriftelijke verantwoording bij zijn amendement.

Amendement nr. 35 van de heer Vanlouwe c.s.

De heer Vanlouwe c.s. dient amendement nr. 35 in (stuk Senaat, 5-2233/3) dat ertoe strekt het artikel te doen vervallen.

Dit amendement moet samen gelezen worden met het amendement tot oprichting van één politiezone Brussel-Hoofdstad.

Mits Brussel-Hoofdstad één zone dient te worden, zal het in het voorgestelde artikel 16 gewestelijke veiligheidsplan volledig samenvallen met het zonale veiligheidsplan. Hierdoor vervalt de noodzaak van het gewestelijk veiligheidsplan en zal voorgesteld artikel 15 zonder voorwerp zijn.

Stemmingen

Amendement nr. 28 van de heer Laeremans. wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Amendement nr. 35 van de heer Vanlouwe c.s. wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 15 wordt aangenomen met 12 tegen 4 stemmen bij 1 onthouding.

Artikel 16

Amendement nr. 36 van de heer Vanlouwe c.s.

De heer Vanlouwe c.s. dient amendement nr. 36 in (stuk Senaat, nr. 5-2233/3) dat ertoe strekt het artikel te doen vervallen.

Dit amendement moet samen gelezen worden met het amendement tot oprichting van één politiezone Brussel-Hoofdstad.

Mits Brussel-Hoofdstad één zone dient te worden, zal het in het voorgestelde artikel 16 gewestelijke veiligheidsplan volledig samenvallen met het zonale veiligheidsplan. Hierdoor vervalt de noodzaak van het gewestelijk veiligheidsplan.

Stemmingen

Amendement nr. 36 van de heer Vanlouwe c.s. wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 16 wordt aangenomen met 12 tegen 4 stemmen bij 1 onthouding.

Artikel 16/1

Amendement nr. 29 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 29 in (stuk Senaat, nr. 5-2233/3) dat ertoe strekt een artikel 16/1 in te voegen, om het Vlaamse en Waalse Gewest diezelfde bevoegdheden op het vlak van openbare veiligheid toe te kennen die het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest kan uitoefenen. Meer in het bijzonder voorziet dit amendement in de uitwerking van een gewestelijk veiligheidsplan voor het Vlaamse en Waalse Gewest, waarmee de zonale veiligheidsplannen rekening mee zullen moeten houden. Het Vlaamse en Waalse gewest richten hiertoe, elk voor zich, een gewestelijke veiligheidsraad op die bestaat uit de gouverneurs, de procureurs-generaal, uit een vertegenwoordiging uit de coördinatie- en steundirecties en uit de gerechtelijke directies van de federale politie en uit een afvaardiging uit de politiecolleges.

Deze raad wordt regelmatig samengeroepen om de uitvoering van het gewestelijk veiligheidsplan bedoeld op te volgen.Voor het overige verwijst de indiener naar de schriftelijke verantwoording bij zijn amendement.

Stemming

Amendement nr. 29 van de heer Laeremans. wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikelen 17 tot 23

Er worden geen opmerkingen gemaakt over deze artikelen. Zij worden achtereenvolgens aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 24

Amendement nr. 8 van de heer Mahoux c.s.

De heer Mahoux c.s. dient amendement nr. 8 in (stuk Senaat, nr. 5-2233/3) dat ertoe strekt titel VI te doen vervallen.

De hoofdindiener voegt daaraan toe dat dit amendement tegemoet wil komen aan de opmerkingen van de Raad van State. Hij verwijst voor het overige naar de schriftelijke toelichting.

Stemmingen

Amendement nr. 8 van de heer Mahoux c.s. wordt aangenomen met 12 stemmen bij 5 onthoudingen.

Het aldus geamendeerde artikel 24 wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikelen 25 en 26

Er worden geen opmerkingen gemaakt over deze artikelen. Zij worden achtereenvolgens aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Titel VI/1 (nieuw)

Amendement nr. 9 van de heer Mahoux c.s.

De heer Mahoux c.s. dient amendement nr. 9 in (stuk Senaat, nr. 5-2233/3) dat ertoe strekt een titel VI/1 (nieuw) in te voegen met als opschrift « Wijzigingen van de wet van 13 maart 1991 betreffende de afschaffing of de herstructurering van instellingen van openbaar nut en andere overheidsdiensten ».

De indiener verwijst naar zijn schriftelijke verantwoording.

Stemming

Amendement nr. 9 van de heer Mahoux c.s. wordt met 12 tegen 5 stemmen aangenomen.

Artikel 26/1

Amendement nr. 10 van de heer Mahoux c.s.

Amendement nr. 10 van de heer Mahoux c.s. (stuk Senaat, nr. 5-2233/3) betreft het invoegen van een hoofdstuk XI betreffende het Belgisch Interventie- en Restitutiebureau.

De indiener verwijst naar de schriftelijke verantwoording bij het amendement.

Stemming

Amendement nr. 10 van de heer Mahoux c.s. wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 26/2

Amendement nr. 11 van de heer Mahoux c.s.

Amendement nr. 11 van de heer Mahoux c.s. (stuk Senaat, nr. 5-2233/3) voorziet in de opheffing van het Belgisch Interventie- en Restitutiebureau en regelt de overdracht van de bevoegdheid naar de gewesten.

De indiener legt uit dat het huidige Bureau wordt opgeheven, omdat de bevoegdheid inzake het Belgische Interventie- en Restitutiebureau wordt overgedragen naar de gewesten. Het amendement heeft dan ook de bedoeling de desbetreffende wettelijke bepalingen aan te passen.

Stemmingen

Amendement nr. 11 van de heer Mahoux c.s. wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikelen 26/3 en 26/4

Amendementen nrs. 12 en 13 van de heer Mahoux c.s.

De heer Mahoux c.s. dient amendement nr. 12 in (stuk Senaat, nr. 5-2233/3), dat een hoofdstuk XII wil invoegen, luidende « Het Nationaal Fonds voor algemene Rampen en het Landbouwrampenfonds, ingesteld bij de Nationale Kas voor de Rampenschade ».

De heer Mahoux c.s. dient vervolgens amendement nr. 13 in (stuk Senaat, nr. 5-2233/3), dat ertoe strekt de relevante wetsbepalingen te wijzigingen om het verdwijnen van het Nationaal Fonds voor algemene Rampen en het Landbouwrampenfonds, ingesteld bij de Nationale Kas voor de Rampenschade te regelen.

Stemmingen

De amendementen nrs. 12 en 13 van de heer Mahoux c.s. worden aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikelen 26/5 en 26/6

Amendementen nrs. 14 en 15 van de heer Mahoux c.s.

De heer Mahoux c.s. dient amendement nr. 14 in (stuk Senaat, nr. 5-2233/3) dat ertoe strekt een afdeling 5 in te voegen, luidende « Herstructurering ten gevolge van de Zesde Staatshervorming ».

De heer Mahoux c.s. dient amendement nr. 15 in (stuk Senaat, nr. 5-2233/3), dat ertoe strekt de wet van 13 maart 1991 aan te passen, teneinde de overdracht van het personeel, alsook de rechten en verplichtingen die betrekking hebben op de bevoegdheden van de RVA die zijn overgedragen naar de deelstaten, te regelen.

Stemmingen

De amendementen nrs. 14 en 15 van de heer Mahoux c.s. worden aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikelen 26/7 en 26/8

Amendementen nrs. 16 en 17 van de heer Mahoux c.s.

De amendementen nrs. 16 et 17 van de heer Mahoux c.s. (stuk Senaat, nr. 5-2233/3) betreffen het RIZIV en de overdracht van een aantal bevoegdheden van deze instelling naar de gemeenschappen. De wet van 1991 dient te worden aangepast teneinde de overdracht van het personeel, alsook van de rechten en verplichtingen te regelen.

De heer Laeremans meent dat de precieze inhoud van deze amendementen zeer onduidelijk is. Spreker verwijst naar amendement nr. 16. Welke bevoegdheden van het RIZIV worden juist overgeheveld naar de gemeenschappen en wat is de impact daarvan op het personeel ?

De heer Istasse antwoordt dat de inhoud van de overdracht in amendement nr. 17 wordt geregeld.

De heer Verherstraeten verwijst meer bepaald naar de verantwoording bij amendement nr. 17.

Stemmingen

Amendement nr. 16 van de heer Mahoux c.s. wordt aangenomen met 12 tegen 4 stemmen bij 1 onthouding.

Amendement nr. 17 van de heer Mahoux c.s. wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikelen 26/9 en 26/10

Amendementen nrs. 18 en 19 van de heer Mahoux c.s.

De amendementen nrs. 18 et 19 van de heer Mahoux c.s. (stuk Senaat, nr. 5-2233/3) betreffen het Belgisch Instituut voor Verkeersveiligheid. Amendement nr. 18 voegt een hoofdstuk III in, met als opschrift « Het Belgisch Instituut voor Verkeersveiligheid » en amendement nr. 19 geeft de Koning de bevoegdheid om, na overleg in de Ministerraad en na advies van de betrokken regeringen, de overdracht van het personeel, de goederen, de rechten en verplichtingen van het BIVV aan de gewesten te regelen.

De heer Istasse verwijst naar zijn schriftelijke verantwoording bij de amendementen.

Stemmingen

De amendementen nrs. 18 en 19 van de heer Mahoux c.s. worden aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikelen 26/11 en 26/12

Amendementen nrs. 20 en 21 van de heer Mahoux c.s.

De heer Mahoux c.s. dient amendement nr. 20 in (stuk Senaat, nr. 5-2233/3) dat ertoe strekt een hoofdstuk XIII in te voegen, luidende « Fonds voor Collectieve uitrustingen en Diensten ».

De heer Istasse verwijst naar de schriftelijke verantwoording bij het amendement.

De heer Mahoux c.s. dient amendement nr. 21 in (stuk Senaat, nr. 5-2233/3) dat in titel VIbis een artikel 26/12 wil invoegen, waardoor de Koning de bevoegdheid krijgt om, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van de betrokken regeringen, de overdracht van het personeel van de Rijksdienst voor de Kinderbijslag van Werknemers die de taken Fonds voor Collectieve Uitrusting en Diensten uitvoeren naar de gemeenschappen te regelen.

De heer Istasse verwijst naar de schriftelijke verantwoording bij het amendement.

Stemmingen

De amendementen nrs. 20 en 21 van de heer Mahoux c.s. worden aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Titel VI/2 (nieuw)

Amendement nr. 22 van de heer Mahoux c.s.

De heer Mahoux dient amendement nr. 22 in, dat ertoe strekt een titel VIter in te voegen,met als opschrift« Overgangsbepaling », dat een artikel 26/13 bevat, luidende :

« Art. 26/13. Vanaf de inwerkingtreding van artikel 6 en 7 van deze wet, is artikel 11bis van de wetten op de Raad van State van toepassing op de ingediende verzoeken tot herstelvergoeding die samenhangen met de vanaf dat ogenblik ingestelde beroepen met toepassing van artikel 14, § 1 of § 3 of met de vanaf dat ogenblik uitgesproken arresten met toepassing van artikel 14, § 1 of § 3 ».

De heer Istasse verwijst naar de schriftelijke verantwoording bij het amendement.

Stemming

Amendement nr. 22 van de heer Mahoux c.s. wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Titel VI/3

Amendement nr. 23 van de heer Mahoux c.s.

de heer Mahoux c.s. dient een amendement nr. 23 in, dat ertoe strekt een Titel VI/3 in te voegen, met als opschrift « Bepalingen betreffende de hervorming van het gerechtelijk arrondissement Brussel ». Onder die titel worden de artikelen 26/14 tot 26/45 gegroepeerd.

De heer Istasse verwijst naar de schriftelijke verantwoording bij het amendement.

Stemming

Amendement nr. 23 van de heer Mahoux c.s. wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 27

Amendement nr. 24 van de heer Mahoux c.s.

De heer Mahoux c.s. dient amendement nr. 24 in, dat ertoe strekt artikel 27 te vervangen zodat de wet in werking treedt op 1 juli 2014, behalve Titel VI/3, die in werking treedt de dag waarop hij in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt..

De heer Istasse verwijst naar de schriftelijke verantwoording bij het amendement.

De heer Laeremans begrijpt niet dat het dossier van de Brusselse rechters hier op een sluikse manier wordt ingevoerd en niets te maken heeft met wat tot nu toe besproken werd. Dit gaat niet over de staatshervorming en de overheveling van de bevoegdheden. Het is niet correct dat zo een belangrijk verhaal aan de hand van een amendement wordt geregeld, vooral aangezien de hervorming van de gerechtelijke arrondissementen net werd besproken in de commissie Justitie en nu aan bod zal komen in de plenaire zitting van de Senaat. De manier waarop de dossiers in beide commissies elkaar kruisen is een echte legistieke chaos.

Spreker is helemaal niet tevreden over de manier waarop deze dossiers worden aangepakt en heeft herhaaldelijk de minister van Justitie daarover aangesproken, zonder enig resultaat. Hij begrijpt ook niet waarom de cijfers in de tabellen verschillend zijn van de cijfers die mevrouw Turtelboom gebruikte.

De heer Laeremans is geschokt door de hele operatie, ook al wordt de discriminatie van de Vlamingen, met een oorspronkelijk voorstel van 20 % voor de rechtbank van eerste aanleg, een klein beetje rechtgezet. Er is enkel een rechtzetting wat de Vlamingen betreft, want de Franstaligen blijven op een onaanvaardbaar niveau en krijgen nog wat extra.

Het voorbeeld van de rechtbank van eerste aanleg is het meest schrijnende. Er is een globaal cijfer van 29 versus 71 rechters (verhouding voor een totaal van 100) en de Vlamingen evolueren van 28 naar 41. Wanneer men de verhouding van KPMG toepast, zou men moeten uitkomen op 99 Franstalige rechters, maar ze blijven met een cijfer van 112. Volgens spreker worden er drogredenen aangehaald, zoals achterstand of compensatie van politierechters, om deze verkeerde verhouding te rechtvaardigen. Daarbovenop krijgen de Franstaligen nog eens tien extra rechters, zodat men uitkomt op een totaal van 122. Dit komt helemaal niet meer overeen met de werklastmeting en de Franstalige kaders worden op éénzijdige wijze versterkt.

Spreker heeft ook bedenkingen bij de verdeling van de magistraten in het arrondissement Halle-Vilvoorde. Franstaligen worden dus beter gediend in het ééntalig gebied Halle-Vilvoorde, dan Nederlandstaligen in het tweetalig gebied Brussel.

De heer Laeremans wenst ook te wijzen op het feit dat het totaal verkeerd is om rechtbanken en parketten op dezelfde manier te benaderen.

Daarnaast is er voor het parket geen globaal cijfer beschikbaar, spreker zou dit graag ontvangen.

Volgens de heer Laremans lijkt het logisch dat er in het parket een minimum van 20 % Nederlandstaligen zou gehandhaafd worden. Temeer daar men die regel wel hanteert in het Nederlandstalige parket van Halle-Vilvoorde waar het minimumpercentage Franstalige magistraten wel geldt en wordt gebetonneerd. In Brussel echter mag dit niet en worden de Nederlandstaligen verder gemarginaliseerd. Deze beweging gebeurt al stoemelings en via een studie en cijfertabellen die dergelijke toekeninningen van personeel moeten rechtvaardigen.

Spreker stelt deze studie grondig te hebben bestudeerd en daarover een aantal vragen te willen stellen :

— Waarom zijn er wel cijfers beschikbaar over de griffiers per aparte rechtbank en niet over de griffiers in de parketten en de auditoraten ?

— Waar zijn de gegevens over de toebedeelde medewerkers aan de griffiers ? Welke rechtbanken hebben hierop recht ?

— Hoe komt het dat de Franstalige documenten betrekking hebben op oktober 2013 en de Nederlandstalige op juli 2013 ? In welke mate verschillen beide documenten ? Zijn er bepaalde compensaties ? Zware dossiers ?

— Waar vindt de spreker het globale cijfer van het parket ? Waarop zijn de cijfers van de regering gebaseerd ?

— In de arbeidsrechtbank zal er een verhouding zijn van 29/71, terwijl de werklastmeting een verhouding van 34/66 aangeeft. Vier Franstalige magistraten te veel, of twee Nederlandstalige te weinig.

— Bij de rechtbank van eerste aanleg is er een verhouding van 25/75. Ofwel 9 Nederlandstalige magistraten te weinig, ofwel 22 Franstalige magistraten te veel.

— Alles opgeteld zijn er 151 Franstalige banen te veel, namelijk 42 magistraten, 43 griffiers en 66 griffiebedienden. Een personeelskost van jaarlijks 10 miljoen euro. Dus een jaarlijkse verspilling van 10 miljoen die deze operatie inhoudt. Tegenover deze extra kostprijs valt de vraag van het hof van beroep om jaarlijks 500 000 euro extra te krijgen en die niet wordt ingewilligd, extra op. Wat is de mening van de staatssecretaris hierover ?

— Als men nu op basis van de amendementen de slotsom maakt, dan komen we aan een totaal van 377 Nederlandstalige rechters bij de rechtbanken van eerste aanleg. De Franstaligen krijgen er binnenkort 380. In België zijn de Franstalige magistraten dus binnenkort in de meerderheid. Hetzelfde voor de arbeidsrechtbanken : 72 Nederlandstalige en 74 Franstalige magistraten. Spreker kan deze verhoudingen moeilijk uitleggen aangezien de Vlamingen 58 % van de bevolking uitmaken. Kan de staatssecretaris hierop een antwoord geven ?

De heer Anciaux wenst een aantal globale cijfers mee te geven die aangeven dat de situatie veel evenwichtiger is dan als collega Laeremans wil meedelen :

— De bepalingen voorzien een voorlopig kader van 350 magistraten, verdeeld over 96 Nederlandstaligen (27 %) en 254 Franstaligen (73 %);

— De cijfers van KPMG, de werklastmeting dus, voorzagen een kader van 417 magistraten, in een verhouding van 118 Nederlandstaligen (28 %), en 299 Franstaligen (72 %). De verhouding op zich is dus niet zoveel gewijzigd maar de 67 extra magistraten vertegenwoordigen wel een serieuze supplementaire kostprijs.

— Het voorliggende amendement heeft als uitgangspunt 393 magistraten, 43 meer. Het stelt een kader voor van 114 Nederlandstaligen tegenover 279 Franstaligen, verhoudingsgewijs 29 % Nederlandstaligen en 71 % Franstaligen. Absoluut geen Vlaamse kaakslag dus.

De heer Vanlouwe merkt op dat de heer Anciaux zich baseert op de globale cijfers en het aantal magistraten. De werklast is echter verschillend per soort rechtbank en daarom moeten de cijfers per rechtbank worden beschouwd. Zo wordt in de rechtbank van eerste aanleg het aantal Nederlandstalige magistraten gebracht op 41 terwijl het aantal Franstaligen wijzigt naar 122, een andere verhouding. Hier situeert zich een duidelijke oververtegenwoordiging van het aantal Franstaligen die niet beantwoordt aan de noden want een overschot van 23 Franstaligen. Op die manier echter zal de gerechtelijke achterstand bij de Franstaligen wel sneller worden weggewerkt.

De heer Anciaux steunt deze redenering niet. Als men de globale cijfers analyseert en dat daaruit blijkt dat bepaalde bedragen in « plus » zijn, kan men niet hardmaken dat elk onderdeel in « min » is. Bij bepaalde parketten is het aantal Nederlandstaligen veel hoger dan het aantal Franstaligen ten opzichte van de werklastmeting.

De heer Laeremans antwoordt dat het parket van Halle Vilvoorde vergeleken moet worden met het parket van Leuven. Ze zijn ongeveer gelijklopend.

De heer Vanlouwe gaat verder en stalt vast dat als er rekening wordt gehouden met de werkmetingslast van KPMG voor de arbeidsrechtbank, men eigenlijk zou moeten komen tot 34 % Nederlandstalige magistraten en 66 % Franstalige magistraten. Dit betekent concreet 11 Nederlandstalige magistraten versus 22 Franstalige magistraten.

Uit de berekeningen van de meerderheid blijkt echter dat er slechts sprake is van 9 Nederlandse magistraten versus 22 Franstalige magistraten. Volgens spreker is dit een flagrante wanverhouding.

En dezelfde redenering geldt voor de andere rechtbanken.

Spreker meent dat de meerderheid zich vergist door de problematiek in één groot geheel te willen analyseren. Op die manier probeert men een correcte werklastverdeling te verbergen.

De resultaten van de werklastmeting van KPMG heeft niet geleid tot een correcte omzetting van het aantal magistraten die nodig zijn per rechtbank. Zijn fractie was voorstander van een eenheidsrechtbank terwijl de meerderheid voor drie verschillende rechtbanken heeft gekozen. Op die manier maskeert de meerderheid dat er eigenlijk geen rekening werd gehouden met de reële werklastmeting. Het aantal Franstalige magistraten wordt systematisch opgetrokken ten nadele van het aantal Nederlandstalige magistraten. Dit zorgt bovendien voor een aanzienlijke meerkost zowel voor magistraten als voor griffiepersoneel.

De heer Verherstraeten, staatssecretaris voor de Staatshervorming, komt terug op de procedure en stelt dat het amendement perfect in dit wetsvoorstel past.

Wat betreft het wetsontwerp van de minister van Justitie over de hervorming van het gerechtelijk landschap, merkt hij op dat men geconfronteerd wordt met twee aparte initiatieven, elke met een eigen chronologie. Het ontwerp over de hervorming van het gerechtelijk landschap stond en staat los van de herschikking en de splitsing van het gerechtelijk arrondissement Brussel-Halle- Vilvoorde.

De kaders werden vastgelegd teneinde tegemoet te komen aan de werklast waaraan elke rechtbank en parket het hoofd zal dienen te bieden. De indieners van de amendementen hebben zich hiertoe gebaseerd op de diverse elementen waarover zij beschikten, zoals de werkzaamheden van het Vast Bureau voor de Werklastmeting voor de zetel en het parket, het KPMG-rapport, waaromtrent door leden van de stuurgroep opmerkingen en correcties werden geformuleerd. Het is hierbij noodzakelijk gebleken om rekening te houden met elementen die niet of onvoldoende in rekening werden genomen zoals de gerechtelijke achterstand, de taalwijzigingen, megadossiers, de inleidingskamers of de impact van de werklast op het niveau van de zetel ingevolge de verhoging van het aantal parketmagistraten. Ten slotte werd rekening gehouden met de in artikel 57 van de wet van 19 juli 2012 ingeschreven regel volgens welke het kader van de magistraten per taalgroep niet kleiner mag zijn dan het kader dat bij deze wet werd vastgelegd.

De staatssecretaris herinnert eraan dat een parket bestaat uit een procureur, eerste substituten en substituten. In ons land is er momenteel slechts één adjunct-procureur en dat is een Nederlandstalige adjunct-procureur bij het parket van Brussel.

Wat het personeel van de parketten betreft, verwijst de staatssecretaris naar de studie van KPMG en citeert hij : « De werklastmeting voor de behandeling van strafrechtelijke dossiers binnen de afdeling van het openbaar ministerie is onafhankelijk van KPMG door het Vast Bureau van Werklastmeting en Organisatie uitgevoerd. De voorlopige meetresultaten zijn op 17 juli 2013 aan KPMG aangeleverd. De resultaten uit de werklastmeting voor de behandeling van strafrechtelijke dossiers binnen de afdeling van het openbaar ministerie werden geïntegreerd in het rapport. Er zijn dus voor het Vast Bureau voor Werklastmeting en Organisatie slechts twee functies onderkend, namelijk juridische en administratieve. Een volledige aansluiting met het wettelijk kader zoals het is bepaald in de circulaire nr. 200 van de FOD Justitie waarbij drie functies worden onderkend (magistraten, griffiers, secretarissen en ander personeel met inbegrip van het parketjuristen) is bijgevolg niet mogelijk voor het openbaar ministerie.

Hij verwijst naar de cijfers die al werden gegeven en die door de heer Anciaux werden bevestigd. Wat de magistratuur betreft, heeft de meerderheid 114 Nederlandstalige magistraten versus 279 Franstalige magistraten in het amendement weerhouden. Op basis van de werklastmeting suggereerde KPMG 118 Nederlandstaligen versus 299 Franstaligen. De heer Anciaux heeft reeds benadrukt dat hiervan werd afgeweken om budgettaire redenen. Concreet betekent dit min 4 voor de Nederlandstalige magistraten en min 20 voor de Franstaligen. Dit houdt in dat in globo een percentage werd genomen van 29 % -71 %, wat overeenstemt met het globale cijfer van KPMG.

De staatssecretaris heeft eerder al meermaals benadrukt dat de cijfers in globo werden gerespecteerd. Men kan uiteraard een analyse en een berekening maken per rechtbank of per parket op grond van percenten. Dan stelt men vast dat de situatie iets voordeliger is voor de Nederlandstalige parketten en iets voordeliger voor de Franstalige zetels. Persoonlijk kijkt hij niet naar percenten omdat ze niet genuanceerd zijn maar liever naar globale cijfers. Hieruit blijkt dat de percenten meer dan honorabel gerespecteerd werden. Hij geeft als voorbeeld de rechtbank van Eerste Aanleg. Voor de ontdubbeling van BHV waren er 39 magistraten tewerkgesteld. Na de ontdubbeling van BHV bedroeg dit cijfer 41 magistraten. Voor de rechtbank van Koophandel werd 1 extra magistraat voorzien. Hij begrijpt het probleem dus niet.

Verleden jaar bij de stemming van de ontdubbeling van het gerechtelijk arrondissement BHV heeft de staatssecretaris verklaard dat de Brusselse rechtbanken en het parket de nodige krachten zouden krijgen en dit werd ook gerespecteerd, zowel voor het Franstalige als voor het Nederlandstalige kader. Hij meent dan ook dat dit een zeer eerbaar compromis is. Bovendien stelt hij vast dat de kritieken die door Nederlandstalige partijen in 2012 werden geuit tegen de ontdubbeling ondertussen erg genuanceerd zijn geworden.

Hij stelt bijgevolg voor om te stoppen met het focussen op kleine percentverschillen of op de anderstalige kaders en om meer aandacht te bieden aan de burgers die recht hebben op een adequate en snelle behandeling van hun rechtszaak. Met dit compromis wordt dit eindelijk mogelijk.

De heer Laeremans komt terug op zijn vraag om cijfermateriaal te krijgen over de griffiemedewerkers per rechtbank en per taalrol. Dit staat niet in de wettekst vermeld.

Ten tweede wenst hij een globaal cijfer van de werklastmeting van het parket en auditoraat. Dit wordt niet vermeld in het samenvattend document. Hoe heeft de meerderheid de berekening van het aantal magistraten voor het parket kunnen maken ? Volgens hem heeft de meerderheid zich op een valse meting gesteund. De werklastmeting is immers gebeurd door KPMG, zonder rekening te houden met een apart parket voor Halle-Vilvoorde waarvan de eigenlijke werklast nog niet meetbaar is.

In verband met kleine afwijkingen in de percenten is hij natuurlijk akkoord dat er een kleine marge moet bestaan maar niet als er op een kader van 99 magistraten definitief 23 nieuwe magistraten bijkomen. Dit noemt men geen kleine marge en is onr.edelijk. De gerechtelijke achterstand is volgens hem ook geen argument. Ook het argument omtrent de politierechters houdt geen steek aangezien de acht politiemagistraten in een uitdovingsconcept zitten.

Hij waarschuwt voor de gevolgen van deze regeling en zijn fractie zal deze slechte wet bijgevolg afkeuren.

Stemmingen

Amendement nr. 24 van de heer Mahoux c.s. wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Het aldus geamendeerde artikel wordt aangenomen met 12 stemmen tegen 1 bij 4 onthoudingen.

3. Wetsvoorstel met betrekking tot de Zesde Staatshervorming inzake de aangelegenheden bedoeld in artikel 78 van de Grondwet (van de heren Bert Anciaux en Marcel Cheron, mevrouw Martine Taelman, de heer Francis Delpérée, mevrouw Freya Piryns, de heren Philippe Mahoux en Dirk Claes en mevrouw Christine Defraigne), nrs. 5-2234/1

Artikelen 1 tot 7

De artikelen 1 tot 7 geven geen aanleiding tot enige opmerking.

Artikel 1 wordt aangenomen met 16 stemmen bij 1 onthouding.

De artikelen 2 tot 7 worden achtereenvolgens aangenomen met 12 stemmen bij 5 onthoudingen.

Artikel 8

Amendement nr. 1 van de heer Anciaux c.s.

De heer Anciaux c.s. dient amendement nr. 1 in (stuk Senaat, nr. 5-2234/3) dat op basis van een technische correctie van de Raad van State, een technische correctie beoogt in de Franse tekst van artikel 8.

Stemmingen

Amendement nr. 1 van de heer Anciaux c.s. wordt aangenomen met 12 stemmen bij 5 onthoudingen.

Het aldus geamendeerde artikel wordt aangenomen met 12 stemmen bij 5 onthoudingen.

Artikelen 9 tot 11

Bij die artikelen wordt geen enkele opmerking gemaakt.

Ze worden achtereenvolgens aangenomen met 15 tegen 5 stemmen.

Artikel 12

Amendement nr. 2 van de heer Anciaux c.s.

De heer Anciaux c.s. dient amendement nr. 2 in(stuk Senaat, nr. 5-2234/3) dat ertoe strekt artikel 12 te vervangen.

De heer Anciaux legt uit dat dit amendement de invoering betreft van artikel 73bis aangaande de oprichting van drie vennootschappen door het Participatiefonds, ten laatste op 1 juli 2014.

Dit amendement dient te worden samen gelezen met het amendement 34 bij artikel 58 van het voorstel van bijzondere wet met betrekking tot de Zesde Staatshervorming (stuk Senaat, nr. 5-2232/4).

In zijn advies wijst de Raad van State erop dat de verwijzing naar de bekendmaking van « deze wet » in het voorgestelde artikel 12 moet worden gelezen als een verwijzing naar de wet van 28 juli 1992 houdende fiscale en financiële bepalingen, terwijl het inderdaad de bedoeling van de indieners was om te verwijzen naar de datum van inwerkingtreding van het voorliggende wetsvoorstel. Om alle verwarring te vermijden wordt de datum expliciet opgenomen in de bepaling.

De heer Laeremans vraagt welke invloed de opsplitsing van het Participatiefonds zal hebben op de personeelsleden en op de financiële toestand van dit fonds..

De heer Vanlouwe wenst de regeling te kennen van het beheer van een aantal producten van de business unit PMV van de participatiemaatschappij Vlaanderen. In dit kader zouden er ook complicaties kunnen bestaan wegens het niet homogeen karakter van de bevoegdheidsoverdracht. De voordelen op het vlak van de RSZ zijn nog federaal geregeld. Het is dus mogelijk dat er afspraken moeten gemaakt worden tussen het federaal en het gewestelijk niveau als de starterslening verder wordt gezet.

De heer Verherstraeten, staatssecretaris voor Staatshervorming, antwoordt dat het Startersfonds de obligatielening zal terugbetalen in 2016. Het Startersfonds, een Coöperatieve Vennootschap met Beperkte Aansprakelijkheid (CVBA), zal trouwens moeten worden opgedoekt.

De heer Vanlouwe vraagt of er geen samenwerkingsakkoord moet worden overwogen, omdat er een overgangsperiode is tot 2016. In de toekomst zal de raad van bestuur van het Participatiefonds volledig worden samengesteld door de gewesten en zij zijn er dus rechtstreeks bij betrokken waardoor er geen samenwerkingsakkoord nodig is.

Wat het personeel van het Participatiefonds betreft, is er machtiging aan de Koning gegeven overeenkomstig artikel 58 van de bijzondere wet met betrekking tot de Zesde Staatshervorming (stuk Senaat, nr. 5-2232/1, p. 228-230) om de regeling uit te werken in samenspraak met de vakbonden.

De heer Vanlouwe vraagt of er geen samenwerkingsakkoord moet worden overwogen gelet op het feit dat de federale structuur behouden blijft voor bepaalde lopende kredieten en leningen tot 2022.

De heer Verherstraeten, staatssecretaris voor Staatshervorming, legt uit dat de raad van bestuur van de structuur waarnaar de heer Vanlouwe verwijst, die de lopende opdrachten zal waarnemen, zal worden samengesteld overeenkomstig artikel 58 van de bijzondere wet met betrekking tot de Zesde Staatshervorming die voorziet in een meerderheidsvertegenwoordiging voor de gewesten. Hiervoor is dus geen samenwerkingsakkoord nodig.

De heer Laeremans is van mening dat dit specifiek aspect van artikel 58 nog niet besproken is. Zal het personeel ook verdeeld worden op basis van de sleutel : Vlaanderen 53 %, Wallonië 37 % en Brussel 10 % (stuk Senaat, nr. 5-2232/1, p. 229) ? Op wat is deze verdeelsleutel trouwens gebaseerd ?

De heer Verherstraeten, staatssecretaris voor Staatshervorming, verwijst voor de uitleg bij deze verdeelsleutel naar de toelichting bij artikel 58 van de bijzondere wet met betrekking tot de Zesde Staatshervorming (stuk Senaat, nr. 5-2232/1, p. 196 tot p. 200). Wat de overgang van het personeel betreft wordt verwezen naar § 3 van hetzelfde artikel 58 (stuk Senaat, nr. 5-2232/1, p. 229). Het behoort aan de Koning om deze regeling uit te werken in overleg met de vakbonden

De heer Laeremans vraagt zich af of er zo geen blanco-cheque aan de Koning wordt gegeven.

De heer Verherstraeten, staatssecretaris voor Staatshervorming, antwoordt dat dit voor elke Staatshervorming op deze wijze gebeurt. Er is hierover overleg met vakbonden aan de gang. Bij een volledige overgang naar de gewesten of gemeenschappen gaat het personeel verplicht mee over, bij een gedeeltelijke overgang wordt er eerst gewerkt op basis van vrijwilligheid en volstaat dit niet, wordt de overgang verplicht.

Stemmingen

Amendement nr. 2 van de heer Anciaux c.s. wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Het aldus geamendeerde artikel wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikelen 13 tot 15

Die artikelen geven geen aanleiding tot enige opmerking.

Ze worden achtereenvolgens aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikelen 16 tot 25

Amendement nr. 3 van de heer Anciaux c.s.

De heer Anciaux c.s. dient amendement nr. 3 in (stuk Senaat, nr. 5-2234/3) dat ertoe strekt om de artikelen 16 tot 22 te doen vervallen.

De heer Anciaux legt uit dat dit te maken heeft met de overgangsperiode, waarin de gewesten en gemeenschappen, beroep kunnen doen op diensten die door de federale overheid gepresteerd worden. Het gaat meer bepaald om de verschillen in wedden te vermijden van het personeel dat overgaat van het federaal niveau naar het niveau van de gewesten of de gemeenschappen,

Amendement nr. 19 van de heren Vanlouwe en Ide

De heren Vanlouwe en Ide dienen amendement nr. 19 in (stuk Senaat, nr. 5-2234/3) dat ertoe strekt de artikelen 16 tot 25 te doen vervallen.

De heer Vanlouwe legt uit dat dit amendement als doel heeft de beperking van de wedden en bijslagen die in aanmerking worden genomen om de pensioenen te berekenen op te heffen. Uit het advies van de Raad van State blijkt dat door afzonderlijke regels te bepalen voor het personeel van de gemeenschappen en gewesten, het bovendien niet langer gewaarborgd is dat het personeel van gemeenschappen en gewesten, zowel inhoudelijk als formeel, is onderworpen aan de wettelijke en statutaire regelen die van toepassing zijn op het vast, tijdelijk en hulppersoneel van het Rijk. De hoogste referentiewedden van het personeel van de gemeenschappen en gewesten worden immers op een andere wijze berekend, met name met toepassing van een bepaalde maximumgrens, terwijl dat niet zo is voor de referentiewedden van het personeel van het Rijk.

Stemmingen

Amendement nr. 3 van de heer Anciaux c.s. wordt aangenomen met 12 stemmen bij 5 onthoudingen.

Amendement nr. 19 van de heren Vanlouwe en Ide wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikelen 17 tot 22

Die artikelen vervallen als gevolg van amendement nr. 3 van de heer Anciaux c.s.

Artikel 23

Amendement nr. 5 van de heer Anciaux c.s.

De heer Anciaux c.s. dient amendement nr. 5 in (stuk Senaat, nr. 5-2234/3) dat ertoe strekt om artikel 23 te wijzigen.

De heer Anciaux legt uit dat dit amendement erop gericht is om de pensioenverschillen tussen het federaal niveau enerzijds en het gewestelijk en gemeenschapsniveau anderzijds op te vangen.

De heer Verherstraeten, staatssecretaris voor Staatshervorming, verklaart dat, wat artikel 23 betreft, de Raad van State erop wijst dat de lijst waarvan sprake in de voorliggende bepaling, in fine, zich niet bevindt in de bijlage bij het voorstel. De stellers wensen te benadrukken dat de lijst als bijlage, met de in aanmerking neming van bepaalde diensten en van met dienstactiviteit gelijkgestelde perioden voor het toekennen en berekenen van pensioenen, slechts geldt voor een statutaire bepaling die « na de inwerkingtreding van deze wet is bekendgemaakt », wat verklaart dat de inhoud van de bijlage bij aanvang leeg is. De statutaire bepalingen die bekendgemaakt worden voor de inwerkingtreding van deze wet, zullen op dezelfde wijze gebruikt worden in de pensioenberekening zoals dat heden ten dage het geval is.

Stemmingen

Amendement nr. 5 van de heer Anciaux c.s. wordt aangenomen met 12 tegen 4 stemmen bij 1 onthouding.

Het aldus geamendeerde artikel wordt aangenomen met 12 tegen 4 stemmen bij 1 onthouding.

Artikel 24

Amendement nr. 4 van de heer Anciaux c.s.

De heer Anciaux c.s. dient amendement nr. 4 in (stuk Senaat, nr. 5-2234/3) dat ertoe strekt artikel 24 te doen vervallen, eveneens om de pensioenverschillen tussen het federaal niveau enerzijds en het gewestelijk en gemeenschapsniveau anderzijds op te vangen.

Stemmingen

Amendement nr. 4 van de heer Anciaux c.s. wordt aangenomen met 12 stemmen bij 5 onthoudingen.

Het aldus geamendeerde artikel wordt aangenomen met 12 tegen 4 stemmen bij 1 onthouding.

Artikel 25

Bij dit artikel wordt geen enkele opmerking gemaakt. Het wordt aangenomen met 12 tegen 4 stemmen bij 1 onthouding.

Titel Vbis (nieuw)

Artikelen 25/1 en 25/2 (nieuw)

Amendement nr. 6 van de heer Anciaux c.s.

De heer Anciaux c.s. dient amendement nr. 6 in (stuk Senaat, nr. 5-2234/3) dat ertoe strekt een nieuwe titel Vbis in te voegen houdende de artikelen 25/1 en 25/2.

De heer Anciaux legt uit dat dit amendement de vertegenwoordiging van de gewesten betreft in het beheerscomité van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening. De volgende amendementen op dit wetsvoorstel zullen hiermee verband houden.

Stemming

Amendement nr. 6 van de heer Anciaux c.s. wordt aangenomen met 12 tegen 4 stemmen bij 1 onthouding.

Titel Vter (nieuw)

Artikelen 25/3 en 25/4 (nieuw)

Amendement nr. 7 van de heer Anciaux c.s.

De heer Anciaux c.s. dient amendement nr. 7 in (zie stuk Senaat, nr. 5-2234/3), dat ertoe strekt een Titel Vter in te voegen, die de artikelen 25/3 en 25/4 bevat.

De indiener licht toe dat het doel van dit technisch amendement is over te gaan tot ontbinding van het Fonds ter reductie van de globale energiekost.

Stemming

Amendement nr. 7 van de heer Anciaux c.s. wordt aangenomen met 12 tegen 4 stemmen bij 1 onthouding.

Titel Vquater (nieuw) — opschrift

Amendement nr. 8 van de heer Anciaux c.s.

De heer Anciaux c.s. dient amendement nr. 8 in (zie stuk Senaat, nr. 5-2234/3), dat ertoe strekt een nieuwe titel Vquater. « Wijzigingen aan de wet van 31 augustus 1939 op de Nationale Delcrederedienst », in te voegen.

De indiener licht toe dat dit amendement moet samen gelezen worden met de amendementen 9 en 10 bij dit voorstel. Op grond van het institutioneel akkoord voor de zesde staatshervorming van 11 oktober 2011 voorzien deze amendementen erin de rol van de gewesten binnen de Nationale Delcrederedienst te vergroten door in de raad van bestuur van de Nationale Delcrederedienst een plaats toe te kennen aan een overheidsdelegatie die in meerderheid uit vertegenwoordigers van de gewesten bestaat.

Senator Anciaux verduidelijkt dat er al betrokkenheid van de gewesten was, maar in een minderheidsvertegenwoordiging. Dit wordt nu een meerderheidsvertegenwoordiging, waardoor de invloed van de gewesten fors toeneemt.

De heer Laeremans vraagt waarom de Nationale Delcrederedienst federaal moet blijven. Zou het niet logischer zijn die integraal over te dragen ?

De heer Anciaux antwoordt dat dit het resultaat is van een politieke keuze. Er kan in elk geval niet ontkend worden dat door dit amendement een belangrijke beslissing wordt genomen, namelijk dat de gewesten voor het eerst een meerderheidsaandeel krijgen binnen het beheer van de Delcrederedienst.

Stemming

Amendement nr. 8 van de heer Anciaux c.s. wordt aangenomen met 12 tegen 4 stemmen bij 1 onthouding.

Artikel 25/5 (nieuw)

Amendement nr. 9 van de heer Anciaux c.s.

De heer Anciaux c.s. dient amendement nr. 9 in (zie stuk Senaat, nr. 5-2234/3), dat ertoe strekt een nieuw artikel 25/5 in te voegen.

De indiener verwijst naar zijn toelichting bij het amendement nr. 8.

De heer Laeremans stelt vast dat de vertegenwoordigers van de gewesten in de Delcrederedienst een meerderheid van 6 tegen 4 federale vertegenwoordigers zullen hebben. Bij de federale vertegenwoordigers zijn er 4 effectieven en 4 plaatsvervangers. Die 4 plaatsvervangers zetelen niet. Bij de gewesten zijn er 6 vertegenwoordigers, telkens één per gewest en één plaatsvervanger. De plaatsvervangers zetelen hier wel. Hoe kan verantwoord worden dat het ene soort plaatsvervangers niet zetelt, en het andere soort wel ? Hebben ze dan gelijkwaardig stemrecht als de effectief zetelende aanwezig is ?

De heer Verherstraeten, staatssecretaris voor Staatshervorming, wijst erop dat de regeling inzake de plaatsvervangers vandaag reeds bestaat, zowel voor de leden die worden aangeduid door de federale ministers als voor de leden die worden aangeduid door de gewestregeringen. De bestaande regeling inzake de plaatsvervangers blijft ongewijzigd behouden.

De heer Laeremans neemt genoegen met dit antwoord maar blijft het bizar vinden dat er twee soorten plaatsvervangers zijn. Het feit dat dit vandaag ook zo is, is enkel een gezagsargument, dat geen verantwoording ten gronde biedt.

Hij stelt nogmaals vast dat de federale overheid 4 effectieve vertegenwoordigers en 4 plaatsvervangers aanduidt, terwijl de 3 gewesten elk één effectieve en één plaatsvervangende vertegenwoordiger aanduiden.

De staatssecretaris ontkent dit. Hij wijst erop dat de gecoördineerde versie van artikel 12 van de wet van 1939 moet worden gelezen, waaruit blijkt dat in totaal vier effectieve leden en vier plaatsvervangers worden aangeduid door federale ministers, en zes effectieve leden en zes plaatsvervangers worden aangewezen door de gewesten.

Stemming

Amendement nr. 9 van de heer Anciaux c.s. wordt aangenomen met 12 tegen 4 stemmen bij 1 onthouding.

Artikel 25/6 (nieuw)

Amendement nr. 10 van de heer Anciaux c.s.

De heer Anciaux c.s. dient amendement nr. 10 in (zie stuk Senaat, nr. 5-2234/3), dat ertoe strekt een nieuw artikel 25/6 in te voegen.

De indiener verwijst naar zijn toelichting bij het amendement nr. 8.

Stemming

Amendement nr. 10 van de heer Anciaux c.s. wordt aangenomen met 12 stemmen bij 5 onthoudingen.

Titel Vquinquies (nieuw)

Amendement nr. 11 van de heer Anciaux c.s.

De heer Anciaux c.s. dient amendement nr. 11 in (zie stuk Senaat, nr. 5-2234/3), dat ertoe strekt een Titel Vquinquies. — « Wijzigingen aan de wetgeving betreffende het Fonds voor Collectieve uitrustingen en Diensten », in te voegen.

De indiener licht toe dat dat fonds opgeheven wordt en de middelen ervan verdeeld worden over de gemeenschappen. Het amendement moet samen gelezen worden met de amendementen 12 en 13 bij dit voorstel.

Stemming

Amendement nr. 11 van de heer Anciaux c.s. wordt aangenomen met 12 stemmen bij 5 onthoudingen.

Artikel 25/7 (nieuw)

Amendement nr. 12 van de heer Anciaux c.s.

De heer Anciaux c.s. dient amendement nr. 12 in (zie stuk Senaat, nr. 5-2234/3), dat ertoe strekt een nieuw artikel 25/7 in te voegen.

De indiener licht toe dat het amendement te maken heeft met het Fonds voor Collectieve uitrustingen en Diensten en hoe de middelen verdeeld worden over de gemeenschappen.

Stemming

Amendement nr. 12 van de heer Anciaux c.s. wordt aangenomen met 12 st