1-704/3

1-704/3

Belgische Senaat

ZITTING 1997-1998

13 JANUARI 1998


Wetsontwerp tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek


Evocatieprocedure


AMENDEMENTEN


Nr. 154 VAN DE HEER LALLEMAND

(Subamendement op amendement nr. 139 van de dames Milquet en Delcourt-Pêtre)

Art. 5

In het voorgestelde artikel 28quinquies de §§ 5 en 6 vervangen als volgt :

« § 5. De procureur des Konings kan, wanneer het openbaar belang zulks vereist, informatie verstrekken aan de pers. Hij zorgt ervoor dat het vermoeden van onschuld, de rechten van de verdediging, de rechten van het slachtoffer, het privéleven en de waardigheid van personen geëerbiedigd worden. Voor zover mogelijk wordt de identiteit van de personen die in het dossier vermeld worden, niet vrijgegeven.

§ 6. De advocaat kan, wanneer het belang van zijn cliënt zulks vereist, informatie verstrekken aan de pers. Hij zorgt ervoor dat het vermoeden van onschuld, de rechten van verdediging van derden en de rechten van het slachtoffer, het privéleven, de waardigheid van personen en de beroepsregels worden geëerbiedigd. Voor zover mogelijk wordt de identiteit van de personen die in het dossier worden vermeld, niet vrijgegeven. »

Nr. 155 VAN DE HEER LALLEMAND

Art. 5

In het tweede lid van het voorgestelde artikel 28septies de woorden « evenwel souverein » doen vervallen.

Nr. 156 VAN DE HEER LALLEMAND

(Subamendement op amendement nr. 144 van de dames Milquet et Delcourt-Pêtre)

Art. 8

De §§ 5 en 6 van het voorgestelde artikel 57 vervangen als volgt :

« § 5. De procureur des Konings kan, met instemming van de onderzoeksrechter en wanneer het openbaar belang het vergt, informatie mededelen aan de pers. Hij ziet toe op de eerbiediging van het vermoeden van onschuld, van de rechten van de verdediging en de rechten van het slachtoffer, van het privéleven en van de waardigheid van personen. Voor zover mogelijk wordt de identiteit van de in het dossier genoemde personen niet vrijgegeven.

§ 6. De advocaat kan wanneer het belang van zijn cliënt zulks vergt, informatie aan de pers verstrekken. Hij ziet toe op de eerbiediging van het vermoeden van onschuld, van de rechten van verdediging van derden en van de rechten van het slachtoffer, van het privé-leven, van de waardigheid van personen en van de regels van het beroep. Voor zover mogelijk wordt de identiteit van de in het dossier genoemde personen niet vrijgegeven. »

Roger LALLEMAND.

Nr. 157 VAN DE HEER ERDMAN

Art. 18

Het voorgestelde eerste lid van artikel 68 vervangen als volgt :

« Elke burgerlijke partij is gehouden in België keuze van woonplaaats te doen, indien ze er haar woonplaats niet heeft. »

Nr. 158 VAN DE HEER ERDMAN

Art. 5

In het voorgestelde artikel 28bis , § 1, tussen de woorden « een criminele organisatie » en de woorden « waarin ze worden begaan » invoegen de woorden « , zoals door de wet bepaald, » en de woorden « de voorafgaande toestemming » vervangen door de woorden « de voorafgaande schriftelijke toestemming ».

Frederik ERDMAN.

Nr. 159 VAN DE HEREN ERDMAN EN DESMEDT

Art. 5

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 5. ­ In hetzelfde Wetboek wordt in hoofdstuk IV van boek I een afdeling 1bis ingevoegd, die de artikelen 28bis tot 28septies bevat, luidend als volgt :

« Afdeling 1bis

Het opsporingsonderzoek

Art. 28bis. ­ § 1. Het opsporingsonderzoek is het geheel van de handelingen die ertoe strekken de misdrijven, hun daders en de bewijzen ervan op te sporen en de gegevens te verzamelen die dienstig zijn voor de uitoefening van de strafvordering.

De algemene beginselen volgens welke de politiediensten autonoom kunnen optreden, worden vastgelegd bij wet en volgens de bijzondere regels vastgesteld bij richtlijn genomen overeenkomstig de artikelen 143bis en 143ter van het Gerechtelijk Wetboek.

Ongeacht hetgeen is bepaald in de vorige leden, wordt het opsporingsonderzoek gevoerd onder de leiding en het gezag van de bevoegde procureur des Konings. Hij draagt hiervoor de verantwoordelijkheid.

§ 2. Het opsporingsonderzoek strekt zich uit over de proactieve recherche. Hieronder wordt verstaan, met het doel te komen tot het vervolgen van daders van misdrijven, het opsporen, het verzamelen, registreren en verwerken van gegevens en inlichtingen op grond van een redelijk vermoeden van te plegen of reeds gepleegde maar nog niet aan het licht gebrachte strafbare feiten, en die worden of zouden worden begaan in het kader van een criminele organisatie, zoals gedefinieerd door de wet, of misdaden of wanbedrijven zoals bedoeld in artikel 90ter, §§ 2, 3 en 4, uitmaken of zouden uitmaken. Voor het opstarten van een proactieve recherche, is de voorafgaande en schriftelijke toestemming van de procureur des Konings, de arbeidsauditeur of de nationaal magistraat, in het kader van hun respectieve bevoegdheid, vereist, overminderd de naleving van de specifieke wettelijke bepalingen die de bijzondere opsporingstechnieken regelen.

§ 3. Behoudens de wettelijke uitzonderingen mogen de opsporingshandelingen geen enkele dwangmaatregel inhouden en geen inmenging inhouden in de individuele rechten en vrijheden. Deze handelingen kunnen evenwel de inbeslagneming van de zaken vermeld in artikel 35 inhouden.

De procureur des Konings waakt over de wettelijkheid van de bewijsmiddelen en de loyauteit van de bewijsverkrijging.

Art. 28ter. ­ § 1. De procureur des Konings heeft een algemene opsporingsplicht en een algemeen opsporingsrecht.

In het kader van het overeenkomstig de artikelen 143bis en 143ter van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde opsporingsbeleid, bepaalt de procureur des Konings de materies waarin in zijn arrondissement de misdrijven prioritair worden opgespoord.

§ 2. De officieren en agenten van gerechtelijke politie die op eigen initiatief handelen, lichten de procureur des Konings in over de gevoerde opsporingen binnen de termijn en volgens de regels die deze bij richtlijn vastlegt. Als deze opsporingen een belang hebben voor een opsporingsonderzoek of een gerechtelijk onderzoek dat loopt in een ander arrondissement, wordt de betrokken gerechtelijke overheid hierover onmiddellijk ingelicht door de officieren en agenten van gerechtelijke politie en door de procureur des Konings.

§ 3. De procureur des Konings heeft het recht de politiediensten te vorderen om, met uitzondering van de door de wet ingestelde beperkingen, alle voor het opsporingsonderzoek noodzakelijke handelingen van gerechtelijke politie te doen volbrengen.

Deze vorderingen worden gedaan en uitgevoerd overeenkomstig artikel 6 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt en, wat betreft de rijkswacht, overeenkomstig de artikelen 44 tot 50 van de wet van 2 december 1957 op de rijkswacht. De gevorderde politiediensten zijn gehouden gevolg te geven aan de vorderingen en de voor de uitvoering noodzakelijke medewerking van de officieren en agenten van gerechtelijke politie te verlenen.

Wanneer een politiedienst aan de procureur des Konings niet het vereiste personeel en de nodige middelen kan geven, kan deze laatste het dossier meedelen aan de procureur-generaal, waarbij hij hem inlicht over de toestand. De procureur-generaal kan het dossier voorleggen aan het college van procureurs-generaal dat de nodige initiatieven neemt.

§ 4. De procureur des Konings kan de politiedienst of -diensten aanwijzen die in een bepaald onderzoek met de opdrachten van gerechtelijke politie worden belast en waaraan, behoudens uitzondering, de vorderingen zullen worden gericht. Indien meerdere diensten worden aangewezen, waakt de procureur des Konings over de coördinatie van hun tussenkomsten.

De politieambtenaren van de overeenkomstig het vorige lid aangewezen politiedienst lichten dadelijk de bevoegde gerechtelijke overheid in over de informatie en inlichtingen in hun bezit en over elke ondernomen opsporing volgens de door de procureur des Konings vastgelegde regels. Voor al de opdrachten van gerechtelijke politie betreffende deze aanwijzing hebben deze politieambtenaren voorrang op de andere politieambtenaren, welke dadelijk de bevoegde gerechtelijke overheid en de aangewezen politiedienst inlichten over de informatie en inlichtingen in hun bezit en over elke ondernomen opsporing, volgens de regels die de procureur des Konings bij richtlijn vastlegt.

Art. 28quater. ­ Rekening houdend met de richtlijnen van het strafrechtelijk beleid, vastgesteld krachtens artikel 143ter van het Gerechtelijk Wetboek, oordeelt de procureur des Konings over de opportuniteit van de vervolging. Hij geeft de reden aan van de beslissingen tot sepôt.

Hij oefent de strafvordering uit op de wijze door de wet bepaald.

De opsporingsplicht en het opsporingsrecht van de procureur des Konings blijven bestaan nadat de strafvordering is ingesteld. Deze plicht en dit recht houden evenwel op te bestaan voor de feiten waarvoor de onderzoeksrechter geadieerd is inzoverre het opsporingsonderzoek zijn prerogatieven bewust zou aantasten, onverminderd de vordering bepaald in artikel 28septies, eerste lid, en voor zover de gevorderde onderzoeksrechter niet zou beslissen het gehele onderzoek zelf voort te zetten.

Art. 28quinquies. ­ § 1. Behoudens de wettelijke uitzonderingen is het opsporingsonderzoek geheim.

Iedere persoon die beroepshalve wordt geroepen zijn medewerking te verlenen aan het opsporingsonderzoek, is gebonden door het geheim. Hij die dit geheim schendt, wordt gestraft met de straffen bepaald in artikel 458 van het Strafwetboek.

§ 2. Onverminderd de bepalingen in de bijzondere wetten delen de procureur des Konings en elke politiedienst die een persoon ondervragen, deze persoon mee dat hij een kopie van het proces-verbaal van zijn verhoor kan vragen, die hem gratis wordt bezorgd.

Deze kopie wordt onmiddellijk of binnen een maand overhandigd of verstuurd.

Evenwel, in geval van ernstige en uitzonderlijke omstandigheden kan de procureur des Konings, met een gemotiveerde beslissing, het tijdstip van deze mededeling uitstellen voor een eenmalig hernieuwbare termijn van maximaal drie maanden. Deze beslissing wordt opgenomen in het dossier.

§ 3. De procureur des Konings kan, indien het openbaar belang het vereist, aan de pers gegevens verstrekken. Hij waakt over de eerbiediging van het vermoeden van onschuld, de rechten van verdediging van de verdachte, van het slachtoffer en van derden, het privé-leven en de waardigheid van personen. Voor zover als mogelijk wordt de identiteit van de in het dossier genoemde personen niet vrijgegeven.

§ 4. De advocaat kan, indien het belang van zijn cliënt het vereist, aan de pers gegevens verstrekken. Hij waakt over de eerbiediging van het vermoeden van onschuld, de rechten van verdediging van de verdachte, van het slachtoffer en van derden, het privé-leven, de waardigheid van personen en de regels van het beroep. Voor zover als mogelijk wordt de identiteit van de in het dossier genoemde personen niet vrijgegeven.

Art. 28sexies. ­ § 1. Onverminderd de bepalingen in de bijzondere wetten kan iedere persoon die geschaad wordt door een opsporingshandeling met betrekking tot zijn goederen, aan de procureur des Konings de opheffing ervan vragen.

§ 2. Het verzoekschrift wordt gemotiveerd en houdt keuze van woonplaats in België in, indien de verzoeker er zijn woonplaats niet heeft. Het wordt ingediend bij het secretariaat van het parket en wordt ingeschreven in een hiertoe bestemd register.

De procureur des Konings doet uitspraak uiterlijk binnen vijftien dagen na de indiening van het verzoekschrift.

De gemotiveerde beslissing wordt ter kennis gebracht van de verzoeker en, in voorkomend geval, van zijn advocaat bij faxpost of bij een ter post aangetekende brief binnen acht dagen na de beslissing.

§ 3. De procureur des Konings kan het verzoek afwijzen indien hij van oordeel is dat de noodwendigheden van het onderzoek het vereisen, indien door de opheffing van de handeling de rechten van partijen of van derden in het gedrang komen, indien de opheffing van de handeling een gevaar zou opleveren voor personen of goederen, of wanneer de wet in de teruggave of de verbeurdverklaring van de betrokken goederen voorziet.

Hij kan een gehele, gedeeltelijke of voorwaardelijke opheffing toestaan. Eenieder die de vastgelegde voorwaarden niet naleeft, wordt gestraft met de straffen bepaald in artikel 507bis van het Strafwetboek.

§ 4. De kamer van inbeschuldigingstelling kan geadieerd worden binnen vijftien dagen na de kennisgeving van de beslissing aan de verzoeker.

De kamer van inbeschuldigingstelling wordt geadieerd door een verklaring gedaan op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg en ingeschreven in een hiertoe bestemd register.

De procureur des Konings zendt de stukken over aan de procureur-generaal, die ze ter griffie neerlegt.

De kamer van inbeschuldigingstelling doet uitspraak binnen vijftien dagen na de neerlegging van de verklaring. Deze termijn wordt geschorst tijdens de duur van het uitstel verleend op vraag van de verzoeker of van zijn advocaat.

De griffier stelt de verzoeker en zijn advocaat per faxpost of bij een ter post aangetekende brief, uiterlijk achtenveertig uur op voorhand, in kennis van plaats, dag en uur van de zitting.

De procureur-generaal, de verzoeker en zijn advocaat worden gehoord.

De verzoeker die in het ongelijk wordt gesteld, kan veroordeeld worden tot de kosten.

§ 5. Indien de procureur des Konings geen beslissing heeft genomen binnen de bij paragraaf 2, tweede lid, bepaalde termijn, kan de verzoeker de kamer van inbeschuldigingstelling adiëren. Het gemotiveerde verzoekschrift wordt ingediend bij de griffie van de rechtbank van eerste aanleg en wordt ingeschreven in een daartoe bestemd register. De procedure verloopt overeenkomstig § 4, derde tot zesde lid.

§ 6. De verzoeker mag geen verzoekschrift met hetzelfde voorwerp indienen vooraleer een termijn van drie maanden verstreken is te rekenen van de laatste beslissing die betrekking heeft op hetzelfde voorwerp.

Art. 28septies. ­ De procureur des Konings kan de onderzoeksrechter vorderen een onderzoekshandeling te verrichten waarvoor alleen de onderzoeksrechter bevoegd is, met uitzondering van het bevel tot aanhouding bedoeld in artikel 16 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, de bewakingsmaatregel bedoeld in artikel 90ter en de huiszoeking, zonder dat een gerechtelijk onderzoek wordt ingesteld. Na de uitvoering van de door de onderzoeksrechter verrichte onderzoekshandeling zendt deze het dossier terug aan de procureur des Konings die instaat voor de voortzetting van het opsporingsonderzoek.

De gevorderde onderzoeksrechter beslist of hij uitsluitend de gevorderde onderzoekshandeling uitvoert en het dossier terugzendt zoals in het vorige lid bepaald, dan wel of hij het gehele onderzoek zelf voortzet, in welk geval er verder wordt gehandeld overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk VI van dit boek. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open. »

Nr. 160 VAN DE HEREN ERDMAN EN DESMEDT

Art. 8

Het voorgestelde artikel 57 vervangen als volgt :

« Art. 57. ­ § 1. Behoudens de wettelijke uitzonderingen is het gerechtelijk onderzoek geheim.

Iedere persoon die beroepshalve wordt geroepen zijn medewerking te verlenen aan het gerechtelijk onderzoek, is gebonden door het geheim. Hij die dit geheim schendt, wordt gestraft met de straffen bepaald in artikel 458 van het Strafwetboek.

§ 2. Onverminderd de bepalingen in de bijzondere wetten delen de onderzoeksrechter en elke politiedienst die een persoon ondervragen, deze persoon mee dat hij een kopie van het proces-verbaal van zijn verhoor kan vragen, die hem gratis wordt bezorgd.

Deze kopie wordt door de onderzoeksrechter onmiddellijk of binnen achtenveertig uur overhandigd of verstuurd, en onmiddellijk of binnen een maand door de politiediensten.

Evenwel, ingeval van ernstige en uitzonderlijke omstandigheden, kan de procureur des Konings, met een gemotiveerde beslissing, het tijdstip van deze mededeling uitstellen voor een eenmalige hernieuwbare termijn van maximaal drie maanden. Deze beschikking wordt opgenomen in het dossier.

§ 3. De procureur des Konings kan, met instemming van de onderzoeksrechter en indien het openbaar belang het vereist, aan de pers gegevens verstrekken. Hij waakt over de eerbiediging van het vermoeden van onschuld, de rechten van verdediging van de inverdenkinggestelde, het slachtoffer en derden, het privé-leven en de waardigheid van personen. Voor zover als mogelijk wordt de identiteit van de in het dossier genoemde personen niet vrijgegeven.

§ 4. De advocaat kan, indien het belang van zijn cliënt het vereist, aan de pers gegevens verstrekken. Hij waakt over de eerbiediging van het vermoeden van onschuld, de rechten van verdediging van de inverdenkinggestelde, het slachtoffer en derden, het privé-leven, de waardigheid van personen en de regels van het beroep. Voor zover als mogelijk wordt de identiteit van de in het dossier genoemde personen niet vrijgegeven. »

Nr. 161 VAN DE HEREN ERDMAN EN DESMEDT

Art. 12

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 12. ­ In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 61ter ingevoegd, luidende als volgt :

« Art. 61ter. ­ § 1. De niet aangehouden inverdenkinggestelde en de burgerlijke partij kunnen de onderzoeksrechter verzoeken het deel van het dossier betreffende de feiten die tot de inverdenkingstelling of tot de burgerlijke-partijstelling hebben geleid, in te zien.

§ 2. Het verzoekschrift houdt keuze van woonplaats in België in, indien de verzoeker er zijn woonplaats niet heeft. Het wordt ingediend bij de griffie van de rechtbank van eerste aanleg ten vroegste een maand na de inverdenkstelling, het instellen van de strafvordering of de burgerlijke-partijstelling. Het wordt ingeschreven in een daartoe bestemd register. De griffier zendt hiervan onverwijld een kopie over aan de procureur des Konings. Deze neemt de vorderingen die hij nuttig acht.

De onderzoeksrechter doet uitspraak uiterlijk acht dagen na de indiening van het verzoekschrift.

De beschikking wordt door de griffier medegedeeld aan de procureur des Konings en per faxpost of bij een ter post aangetekende brief ter kennis gebracht van de verzoeker en, in voorkomend geval, zijn advocaat binnen acht dagen na de beslissing.

§ 3. Ingeval het verzoek wordt ingewilligd, wordt het dossier binnen een maand na de beschikking van de onderzoeksrechter en ten vroegste na de termijn, bepaald in § 4, eerste lid, in origineel of in kopie, gedurende ten minste achtenveertig uur, voor inzage ter beschikking gesteld van de verzoeker en diens advocaat. De griffier brengt de verzoeker en diens advocaat per faxpost of bij een ter post aangetekende brief op de hoogte van het tijdstip waarop het dossier kan worden ingezien.

De inverdenkinggestelde of de burgerlijke partij kan de door de inzage in het dossier verkregen inlichtingen alleen gebruiken in het belang van zijn verdediging, op voorwaarde dat hij het vermoeden van onschuld eerbiedigt, alsook de rechten van verdediging van derden, het privé-leven en de waardigheid van de persoon, onverminderd het recht waarin artikel 61quinquies voorziet.

§ 4. De procureur des Konings en de verzoeker kunnen de kamer van inbeschuldigingstelling adiëren bij een gemotiveerd verzoekschrift dat wordt ingediend bij de griffie van de rechtbank van eerste aanleg, binnen een termijn van vijftien dagen. Ten aanzien van de procureur des Konings gaat die termijn in vanaf de dag waarop de beschikking hem wordt meegedeeld en, ten aanzien van de verzoeker, vanaf de dag waarop die hem ter kennis wordt gebracht. De aanwending door de procureur des Konings van het rechtsmiddel heeft opschortende werking ten aanzien van de beschikking van de onderzoeksrechter.

De kamer van inbeschuldigingstelling doet uitspraak zonder debat binnen vijftien dagen na het indienen van het verzoekschrift.

De griffier stelt de verzoeker of diens advocaat per faxpost of bij een ter post aangetekende brief uiterlijk achtenveertig uur op voorhand in kennis van plaats, dag en uur van de zitting.

De procureur-generaal kan zijn schriftelijke vorderingen richten aan de kamer van inbeschuldigingstelling en de onderzoeksrechter kan een rapport richten aan de kamer van inbeschuldigingstelling. De kamer van inbeschuldigingstelling kan afzonderlijk de procureur-generaal, de onderzoeksrechter, de verzoeker of diens advocaat horen.

§ 5. Indien de onderzoeksrechter geen uitspraak heeft gedaan binnen de bij § 2, tweede lid, bepaalde termijn, kan de verzoeker de kamer van inbeschuldigingstelling adiëren. Het gemotiveerd verzoekschrift wordt ingediend bij de griffie van de rechtbank van eerste aanleg en wordt ingeschreven in een daartoe bestemd register. De procedure verloopt overeenkomstig paragraaf 4, tweede lid.

§ 6. De verzoeker mag geen nieuw verzoekschrift indienen met hetzelfde voorwerp vooraleer een termijn van drie maanden is verstreken te rekenen van de laatste beslissing over hetzelfde voorwerp. »

Nr. 162 VAN DE HEREN ERDMAN EN DESMEDT

Art. 13

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 13. ­ In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 61quater ingevoegd, luidende als volgt :

« Art. 61quater. ­ § 1. Iedere persoon die geschaad wordt door een onderzoekshandeling met betrekking tot zijn goederen, kan aan de onderzoeksrechter de opheffing ervan vragen.

§ 2. Het verzoekschrift wordt gemotiveerd en houdt keuze van woonplaats in België in indien de verzoeker er zijn woonplaats niet heeft. Het wordt ingediend bij de griffie van de rechtbank van eerste aanleg en ingeschreven in een daartoe bestemd register. De griffier maakt hiervan onverwijld een kopie over aan de procureur des Konings. Deze neemt de vorderingen die hij nuttig acht.

De onderzoeksrechter doet uitspraak uiterlijk binnen vijftien dagen na de indiening van het verzoekschrift.

De beschikking wordt door de griffier medegedeeld aan de procureur des Konings en ter kennis gebracht van de verzoeker en, in voorkomend geval, zijn advocaat bij faxpost of bij een ter post aangetekende brief binnen acht dagen na de beslissing.

§ 3. De onderzoeksrechter kan het verzoek afwijzen, indien hij van oordeel is dat de noodwendigheden van het onderzoek het vereisen, indien door de opheffing van de handeling de rechten van partijen of van derden in het gedrang komen, indien de opheffing van de handeling een gevaar zou opleveren voor personen of goederen, of wanneer de wet in de teruggave of de verbeurdverklaring van de betrokken goederen voorziet.

Hij kan een gehele, gedeeltelijke of voorwaardelijke opheffing toestaan. Eenieder die de vastgestelde voorwaarden niet naleeft, wordt gestraft met de straffen bepaald in artikel 507bis van het Strafwetboek.

§ 4. Ingeval het verzoek wordt ingewilligd, kan de onderzoeksrechter de voorlopige tenuitvoerlegging van de beslissing uitspreken wanneer elke vertraging zou leiden tot een onherstelbaar nadeel.

§ 5. De procureur des Konings en de verzoeker kunnen hoger beroep instellen tegen de beschikking van de onderzoeksrechter binnen een termijn van vijftien dagen. Deze termijn loopt ten aanzien van de procureur des Konings te rekenen van de dag waarop de beschikking hem medegedeeld wordt en, ten aanzien van de verzoeker, te rekenen van de dag waarop deze hem ter kennis wordt gebracht.

Het hoger beroep wordt ingesteld door een verklaring gedaan op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg en ingeschreven in een daartoe bestemd register.

De procureur des Konings zendt de stukken over aan de procureur-generaal, die ze ter griffie neerlegt.

De kamer van inbeschuldigingstelling doet uitspraak binnen vijftien dagen na de neerlegging van de verklaring. Deze termijn wordt geschorst tijdens de duur van het uitstel verleend op vraag van de verzoeker of van zijn advocaat.

De griffier stelt de verzoeker en zijn advocaat per faxpost of bij een ter post aangetekende brief uiterlijk achtenveertig uur op voorhand, in kennis van plaats, dag en uur van de zitting.

De procureur-generaal, de verzoeker en zijn advocaat worden gehoord.

Het hoger beroep heeft opschortende werking, tenzij de voorlopige tenuitvoerlegging is bevolen.

De verzoeker die in het ongelijk wordt gesteld, kan worden veroordeeld in de kosten.

§ 6. Indien de onderzoeksrechter geen uitspraak heeft gedaan binnen de bij § 2, tweede lid, bepaalde termijn, kan de verzoeker de kamer van inbeschuldigingstelling adiëren. Het gemotiveerde verzoekschrift wordt ingediend bij de griffie van de rechtbank van eerste aanleg en wordt ingeschreven in een daartoe bestemd register. De procedure verloopt overeenkomstig § 5, derde tot zesde lid.

§ 7. De verzoeker mag geen verzoekschrift met hetzelfde voorwerp indienen vooraleer een termijn van drie maanden verstreken is te rekenen van de laatste beslissing die betrekking heeft op hetzelfde voorwerp. »

Nr. 163 VAN DE HEREN ERDMAN EN DESMEDT

Art. 14

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 14. ­ In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 61quinquies ingevoegd, luidende als volgt :

« Art. 61quinquies ­ § 1. De inverdenkinggestelde en de burgerlijke partij kunnen de onderzoeksrechter verzoeken een bijkomende onderzoekshandeling te verrichten.

§ 2. Het verzoekschrift wordt gemotiveerd en houdt keuze van woonplaats in België in, indien de verzoeker er zijn woonplaats niet heeft; het beschrijft nauwkeurig de gevraagde onderzoeksdaad, dit op straffe van niet-ontvankelijkheid. Het wordt ingediend bij de griffie van de rechtbank van eerste aanleg en ingeschreven in een daartoe bestemd register. De griffier zendt hiervan onverwijld een kopie over aan de procureur des Konings. Deze neemt de vorderingen die hij nuttig acht.

De onderzoeksrechter doet uitspraak uiterlijk binnen een maand na de indiening van het verzoekschrift. Deze termijn wordt teruggebracht tot acht dagen indien een van de inverdenkinggestelden zich in voorlopige hechtenis bevindt.

De beschikking wordt door de griffier medegedeeld aan de procureur des Konings en ter kennis gebracht van de verzoeker en, in voorkomend geval, zijn advocaat bij faxpost of bij een ter post aangetekende brief binnen acht dagen na de beslissing.

§ 3. De onderzoeksrechter kan dit verzoek afwijzen indien hij de maatregel niet noodzakelijk acht voor de waarheidsvinding of indien hij deze maatregel op dat ogenblik nadelig acht voor het onderzoek.

§ 4. Tegen de beschikking van de onderzoeksrechter kan hoger beroep worden ingesteld overeenkomstig artikel 61quater, § 5.

§ 5. Indien de onderzoeksrechter geen uitspraak heeft gedaan binnen de bij paragraaf 2, tweede lid, bepaalde termijn, kan de verzoeker de kamer van inbeschuldigingstelling adiëren overeenkomstig artikel 136ter.

§ 6. De verzoeker mag geen verzoekschrift met hetzelfde voorwerp indienen vooraleer een termijn van drie maanden verstreken is, te rekenen van de laatste beslissing die betrekking heeft op hetzelfde voorwerp. »

Nr. 164 VAN DE HEREN ERDMAN EN DESMEDT

Art. 21

In het zesde lid van het voorgestelde artikel 127, het woord « tien » vervangen door het woord « vijftien ».

Frederik ERDMAN.
Claude DESMEDT.

Nr. 165 VAN MEVROUW DELCOURT-PÊTRE

(Subamendement op amendement nr. 115 van de heren Vandenberghe en Bourgeois)

Art. 25bis (nieuw)

Het 3º van § 1 van het voorgestelde artikel 131 doen vervallen.

Andrée DELCOURT-PÊTRE.

Nr. 166 VAN DE HEREN ERDMAN EN DESMEDT

Art. 27

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 27. ­ Artikel 135 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 20 juli 1990, wordt vervangen als volgt :

« Art. 135. ­ § 1. Het openbaar ministerie en de burgerlijke partij kunnen hoger beroep instellen tegen alle beschikkingen van de raadkamer.

§ 2. De inverdenkinggestelde kan in geval van onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden bedoeld in artikel 131, § 1, of met betrekking tot de verwijzingsbeschikking, beroep instellen tegen de verwijzingsbeschikkingen bepaald in de artikelen 129 en 130, onverminderd het in artikel 539 van dit Wetboek beoogde hoger beroep. Hetzelfde geldt voor de gronden van onontvankelijkheid of van uitdoving van de strafvordering. Het hoger beroep is in geval van onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden bedoeld in artikel 131, § 1, slechts ontvankelijk indien het middel bij schriftelijke conclusie ingeroepen werd voor de raadkamer. Hetzelfde geldt voor de gronden van onontvankelijkheid of van uitdoving van de strafvordering, behalve wanneer ze ontstonden na de debatten voor de raadkamer.

§ 3. Het hoger beroep moet worden ingesteld binnen een termijn van vijftien dagen door een verklaring ter griffie van de rechtbank die de beschikking heeft gewezen. Deze termijn loopt vanaf de dag waarop de beschikking is gewezen.

De procureur des Konings zendt de stukken over aan de procureur-generaal.

De griffier stelt de partijen en hun advocaten per faxpost of bij een ter post aangetekende brief in kennis van plaats, dag en uur van de zitting. Het dossier wordt ten laatste vijftien dagen vóór de zitting ter beschikking gesteld.

De kamer van inbeschuldigingstelling doet uitspraak over het hoger beroep, nadat de procureur-generaal, de partijen en hun advocaten zijn gehoord.

Zij hoort, in openbare terechtzetting indien ze op vraag van een van de partijen beslist daartoe over te gaan, de opmerkingen van de procureur-generaal, de burgerlijke partij en de inverdenkinggestelde.

§ 4. Is echter een van de inverdenkinggestelden van zijn vrijheid beroofd, dan wordt het hoger beroep door het openbaar ministerie en door elkeen van de partijen ingesteld overeenkomstig artikel 30 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis. »

Nr. 167 VAN DE HEREN ERDMAN EN DESMEDT

Art. 28

In dit artikel de volgende wijzigingen aanbrengen :

A. In de derde volzin van het tweede lid van het voorgestelde artikel 136 de woorden « zal ... uitspraak doen » vervangen door de woorden « doet ... uitspraak. »

B. Het voorgestelde artikel 136ter doen vervallen.

Nr. 168 VAN DE HEREN ERDMAN EN DESMEDT

(Subamendement op amendement nr. 150 van de regering)

Art. 29

In de aanhef van § 5 van het voorgestelde artikel 235bis de woorden « de in artikel 131, § 1, bedoelde onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden » vervangen door de woorden « de onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden bedoeld in artikel 131, § 1, of met betrekking tot de beschikking van verwijziging ».

Nr. 169 VAN DE HEREN ERDMAN EN DESMEDT

Art. 34

In het voorgestelde tweede lid van artikel 416 het cijfer « 235 » doen vervallen.

Frederik ERDMAN.
Claude DESMEDT.

Nr. 170 VAN DE HEREN DESMEDT EN FORET

(Subamendement op amendement nr. 152 van mevrouw Delcourt-Pêtre)

Art. 43

In het voorgestelde derde lid de woorden « kunnen (...) vragen om (...) gehoord te worden « vervangen door de woorden « hebben (...) het recht om (...) gehoord te worden ».

Nr. 171 VAN DE HEREN DESMEDT EN FORET

(Subamendement op amendement nr. 153 van mevrouw Delcourt-Pêtre)

Art. 43

In het voorgestelde derde lid de woorden « kunnen (...) vragen om (...) gehoord te worden » vervangen door de woorden « hebben (...) het recht om (...) gehoord te worden ».

Claude DESMEDT.
Michel FORET.

Nr. 172 VAN DE HEREN ERDMAN EN HOTYAT

(Subamendement op amendement nr. 49 van de heren Vandenberghe en Bourgeois)

Art. 44bis (nieuw)

In het voorgestelde artikel 5quater , eerste lid, tussen de woorden « te verdedigen » en het woord « kunnen » invoegen de woorden « en die op de dag van de feiten minstens vijf jaar rechtspersoonlijkheid genieten ».

Frederik ERDMAN.
Robert HOTYAT.

Nr. 173 VAN DE DAMES DELCOURT-PÊTRE EN MILQUET

(Subamendement op amendement nr. 49 van de heren Vandenberghe en Bourgeois)

Art. 44bis (nieuw)

Het voorgestelde artikel 44bis vervangen als volgt :

« Art. 44bis. ­ In de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering wordt een artikel 5quater ingevoegd, luidende :

« Art. 5quater. ­ Instellingen van openbaar nut en verenigingen zonder winstoogmerk die rechtspersoonlijkheid hebben en zich statutair tot doel stellen de rechten van slachtoffers van misdrijven te verdedigen, kunnen door de minister van Justitie vooraf gemachtigd worden om in rechte op te treden naar aanleiding van misdaden en wanbedrijven gepleegd tegen de persoon van minderjarigen.

De Koning bepaalt onder welke voorwaarden en op welke wijze deze machtiging toegekend of ingetrokken wordt. »

Verantwoording

Aangezien amendement nr. 49 in eerste lezing van de tekst bij stemming aangenomen is, beoogt de indiener van dit amendement het aldus aangenomen nieuwe artikel 44bis van het ontwerp, dat in de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering een artikel 5quater invoegt, te doen wijzigen.

Dit amendement beoogt naar analogie van de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme en xenofobie ingegeven daden het recht om in rechte op te treden te verlenen aan verenigingen die rechtspersoonlijkheid hebben en die zich statutair tot doel stellen de rechten van slachtoffers van misdrijven in het algemeen te verdedigen.

In tegenstelling tot wat het beginsel van de vervanging van de procespartij beoogt, voert artikel 5quater voor de daartoe gemachtigde verenigingen een recht in om op te treden in het collectief belang. Het is dus niet de bedoeling dat deze verenigingen op een of andere wijze een belang verdedigen dat eigen is aan het slachtoffer.

Andrée DELCOURT-PÊTRE.
Joëlle MILQUET.

Nr. 174 VAN MEVROUW MILQUET

(Subamendement op amendement nr. 49 van de heren Vandenberghe en Bourgeois)

Art. 44bis (nieuw)

Het voorgestelde artikel 44bis (nieuw) doen vervallen.

Verantwoording

Aangezien amendement nr. 49 in eerste lezing van de tekst bij stemming aangenomen is, beoogt de indiener van dit amendement dit nieuwe artikel 44bis van het ontwerp, dat in de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering een artikel 5quater invoegt, te doen vervallen.

Het is immers verkeerd zich te beroepen op een of andere vorm van analogie en te verwijzen naar de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme en xenofobie ingegeven daden. Krachtens de genoemde wet kunnen verenigingen met rechtspersoonlijkheid immers in rechte optreden om het collectief belang te verdedigen, en niet om in plaats van het slachtoffer een recht te verdedigen dat eigen is aan dit slachtoffer.

De slachtoffers hebben er in het proces geen baat bij dat ze als procespartij vervangen worden want in de rechtsgang hebben ze reeds genoeg actoren tegenover zich staan, zonder dat daartussen een nieuwe instantie geplaatst wordt die moeilijk, zo niet onmogelijk gecontroleerd kan worden, met name wat de kwaliteit van hun werk betreft. Dit wordt bovendien niet gevraagd door de meeste verenigingen, die zonder dat ze het slachtoffer vervangen in de rechtsgang, reeds in staat zijn om de slachtoffers te helpen in hun contacten met het gerecht.

Men moet dus vermijden de slachtoffers te infantiliseren, ook al kan het zeer nuttig zijn ze meer hulp te verlenen bij de verschillende stappen die ze ondernemen.

Joëlle MILQUET.

Nr. 175 VAN DE HEER LALLEMAND

Art. 41

In het voorgestelde artikel 460ter tussen de woorden « dat tot doel » en het woord « heeft » invoegen de woorden « en tot gevolg ».

Roger LALLEMAND.

Nr. 176 VAN DE HEER WEYTS

Art. 12

In artikel 61ter de volgende wijzigingen aanbrengen :

A. In het tweede lid van § 2, de woorden « acht dagen » vervangen door de woorden « één maand ».

B. In het eerste lid van § 3, de woorden « binnen een maand na de beschikking van de onderzoeksrechter » vervangen door de woorden « binnen vijftien dagen na de beschikking van de onderzoeksrechter ».

C. In het eerste lid van § 4, de woorden « vijftien dagen » vervangen door de woorden « acht dagen ».

Johan WEYTS.

Nr. 177 VAN DE HEER VANDENBERGHE

Art. 14

In het voorgestelde artikel 61quinquies, § 5, de woorden « artikel 136ter » vervangen door de woorden « artikel 61quater, § 6 ».

Hugo VANDENBERGHE.