2-1255/4

2-1255/4

Belgische Senaat

ZITTING 2002-2003

28 JANUARI 2003


Wetsvoorstel tot interpretatie van artikel 7, eerste lid, van de wet van 16 juni 1993 betreffende de bestraffing van ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE JUSTITIE UITGEBRACHT DOOR MEVROUW LEDUC


De commissie voor de Justitie heeft dit wetsvoorstel besproken tijdens haar vergaderingen van 19 en 25 september 2002, 8, 22 en 28 januari 2003.

Dit wetsvoorstel hangt nauw samen met het wetsvoorstel van de heer Mahoux C.S. tot wijziging van de wet van 16 juni 1993 betreffende de bestraffing van ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht (stuk Senaat, nr. 2-1256/1).

Aangezien beide wetsvoorstellen meestal samen werden besproken, kan er ook worden verwezen naar het verslag over het andere wetsvoorstel (stuk Senaat, nr. 2-1256/5).

De Voorzitter van de Senaat verzocht de Raad van State, op 19 september 2002, een advies te verlenen over beide wetsvoorstellen.

Het advies werd verleend op 12 december 2002 (stuk Senaat, nr. 2-1255/2).

Tijdens de bespreking, meer bepaald tijdens de vergadering van 22 januari, werd door de heer Destexhe C.S. een nota neergelegd, als antwoord op de opmerkingen van de Raad van State. Deze nota wordt gepubliceerd als bijlage bij dit verslag.

I. INLEIDENDE UITEENZETTING VAN DE INDIENER VAN HET WETSVOORSTEL

De heer Destexhe onderlijnt dat voorliggend voorstel werd mede-ondertekend door acht andere senatoren, uit verschillende politieke fracties.

Drie recente arresten van de kamer van inbeschuldigingstelling van Brussel passen artikel 12 van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering toe op de wet van 16 juni 1993, de zogeheten wet op de extraterritoriale bevoegdheid. Dat betekent dat strafvordering op grond van de wet van 16 juni 1993 alleen ontvankelijk verklaard kan worden als de beschuldigde zich in België bevindt.

De indieners van het voorliggende wetsvoorstel menen dat een dergelijke interpretatie niet strookt met de wil van de wetgever en met de eensluidende interpretatie van de andere overheden (regering, gerecht en parlement). Sinds 1993 hebben deze overheden immers altijd geoordeeld dat rechtsvervolging mogelijk is als de vermoedelijke dader van ernstige misdrijven zich buiten het Belgische grondgebied bevindt.

In het Parlement zijn daarover sinds 1993 drie belangrijke besprekingen gehouden.

Spreker verwijst naar de parlementaire voorbereiding van de wet van 16 juni 1993. In de memorie van toelichting staat te lezen : « ... zullen de Belgische rechtbanken zelfs ingeval de vermoedelijke dader van het misdrijf niet op het Belgisch grondgebied aangetroffen wordt, bevoegd dienen te zijn. ».

Op grond van diezelfde wet werden klachten ingediend en onderzoeken ingesteld met betrekking tot verdachten die zich niet op het grondgebied bevonden. Niemand heeft zich verzet tegen die onderzoeken.

Het tweede debat in het Parlement werd in 1997 gehouden tijdens de werkzaamheden van de Rwanda-onderzoekscommissie. Spreker verwijst naar de uiteenzetting van onderzoeksrechter Vandermeersch betreffende de lopende onderzoeken (verslag stuk Senaat, nr. 1-611/7, blz. 664-678). Sommige zaken handelden over de vervolging van verdachten die zich niet op het Belgisch grondgebied bevonden. Geen enkel aanwezig parlementslid had daar iets tegen in te brengen.

In 1998 vond een derde debat plaats in het Parlement ingevolge een voorstel van de heer Forêt betreffende de bestraffing van genocide, dat door vele parlementsleden medeondertekend werd (stuk Senaat, nr. 1-749). De toelichting begint als volgt : « Met dit wetsvoorstel komen de leden van de PRL-FDF-Senaatsfractie een van de verbintenissen na die ze op zich hebben genomen tijdens een colloquium in Brussel op 26 september 1996 rond het thema : « Justice internationale : de Nürnberg à La Haye et Arusha ». » Tijdens die bespreking had geen enkel parlementslid en geen enkele minister bezwaar tegen de lopende onderzoeken, terwijl een aantal vervolgingen duidelijk verdachten betroffen die zich buiten het Belgische grondgebied bevonden. Deze bespreking vond plaats tijdens de zaak Pinochet. « Een spreker (blz. 18 van het verslag, stuk Senaat, nr. 1-749/3) wil weten of generaal Pinochet, oud-president van Chili, die momenteel gevangen wordt gehouden in Groot-Brittannië, in België vervolgd zou kunnen worden op basis van de strafbaarstellingen uit het regeringsamendement als in België verblijvende slachtoffers van zijn regime een klacht zouden indienen. » De minister van Justitie diende een nota in, samengevat op blz. 19 van datzelfde verslag, waaruit duidelijk blijkt dat het Belgische gerecht bevoegd is zelfs wanneer de dader zich niet op het Belgische grondgebied bevindt. Niemand had daar enig bezwaar tegen.

De regering had dus een amendement op dat wetsvoorstel ingediend, luidende : « De immuniteit welke verbonden is aan een officiële hoedanigheid staat de toepassing van deze wet niet in de weg ». De regering was dus van oordeel dat vervolging ook mogelijk was als de verdachte zich niet in België bevond.

Uit dit alles blijkt dat het Parlement eensluidend van oordeel was dat het Belgische gerecht ook bevoegd was wanneer de verdachte zich buiten het Belgische grondgebied bevond.

Dat is ook de interpretatie van de regering, zoals die uit twee zaken duidelijk blijkt.

De eerste betreft de uitlevering van majoor Ntuyahaga, die verdacht wordt in de zaak van de moord op de tien Belgische para's in Rwanda in 1994. De regering heeft een aantal actieve stappen ondernomen op basis van het onderzoeksdossier van onderzoeksrechter Vandermeersch om deze uitlevering te verkrijgen. De regering heeft op geen enkel ogenblik geoordeeld dat het onderzoek van Vandermeersch ongeldig zou zijn op grond van artikel 12 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering.

Toen België probeerde om generaal Pinochet te doen veroordelen heeft ook niemand gesproken van artikel 12.

Vele gerechtelijke overheden treden dit standpunt bij. Een aantal onderzoeksrechters zijn ervan uit gegaan dat zij op basis van de wet van 1993 onderzoek konden verrichten naar verdachten die zich niet op het Belgische grondgebied bevonden.

Dat geldt ook voor twee arresten van het Hof van Cassatie. In de zaak Ruggiu (animator van radio 1 000 collines), heeft Cassatie de zaak aan de Belgische rechter onttrokken en de overdracht van het dossier aan Arusha bevolen. Het Hof van Cassatie heeft daarbij niet geoordeeld dat het gerechtelijk onderzoek van de Belgische rechter vervallen was op basis van artikel 12.

In de zaak Bagsora volgde het Hof van Cassatie dezelfde redenering.

Spreker meent dat de Belgische rechtsleer ook in die richting evolueert. Hij verwijst naar artikelen van rechter Vandermeersch.

Spreker besluit dat het Parlement, de regering, de gerechtelijke overheden en de rechtsleer de wet van 1993 nu al bijna tien jaar op dezelfde manier interpreteren, namelijk zoals de wetgever ze heeft bedoeld in 1993 en heeft bekrachtigd in 1997 bij de zaak-Rwanda en in 1998-1999 bij de wetswijziging.

Spreker betreurt dat de zaak-Sharon heeft geleid tot een verschuiving van dit standpunt, dat nog nooit in twijfel was getrokken, ook niet ten tijde van de zaak-Pinochet bijvoorbeeld.

Het gerecht kan het probleem rond de werkingssfeer van de wet niet oplossen. Er is nood aan een interpretatieve wet die bevestigt dat het Belgische gerecht bevoegd is om een persoon te vervolgen die zich buiten het Belgische grondgebied bevindt. De onduidelijkheid rond de toepassing van de wet inzake de universele bevoegdheid enerzijds en artikel 12 van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering anderzijds moet worden opgeheven.

De hoofdindiener van het voorstel benadrukt dat de universele bevoegdheid zal verdwijnen als de wetgever niets onderneemt om dit te beletten.

Dat betekent dat alle onderzoekshandelingen en gerechtelijke handelingen die sedert bijna tien jaar zijn ondernomen als nietig ab initio zullen worden beschouwd (bijvoorbeeld het hele gerechtelijke onderzoek in de zaak van de moord op de tien para's in Rwanda). Dat zou neerkomen op rechtsweigering, vooral voor de slachtoffers.

Bovendien zou de afschaffing van de universele bevoegdheid een verschrikkelijke klap betekenen voor het imago van België en voor het beleid van de Belgische regering en het Parlement. De wet op de universele bevoegdheid doet ons land immers alle eer aan en kan de druk op de internationale justitie opvoeren.

II. STANDPUNT VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE

De minister sluit aan bij de uiteenzetting van de hoofdindiener van het wetsvoorstel met betrekking tot de aangehaalde uitgangspunten en de genese van de wet van 1993. Deze wet kwam tot stand in het kader van de moord op de tien paracommando's in Rwanda en de misdaden gepleegd door Pinochet. De Belgische slachtoffers van de moord op de tien paracommando's wachten trouwens ook nog vandaag op gerechtigheid. Tevens onderstreept de minister de specificiteit van deze materie, en het feit dat voormelde wet voortvloeit uit een parlementair initiatief.

De minister stipt aan dat het wetsvoorstel van de heer Mahoux C.S. (2-1256) wel een belangrijke steun heeft gekregen van de diverse ministeries betrokken in deze aangelegenheid, aangezien bleek dat zich bij de toepassing van de wet van 1993 bepaalde problemen voordeden.

Het voorliggende wetsvoorstel heeft de interpretatie van de wet van 1993 tot doel. Op verschillende niveaus zijn vonnissen gewezen. Er is het vonnis van het Internationaal Hof in Den Haag en de twee arresten van de Kamer van inbeschuldigingstelling in Brussel, waartegen voorziening in cassatie is ingesteld. Het is dus niet het juiste moment om stelling te nemen.

De minister meent dat in elk geval rekening moet worden gehouden met het vonnis van het Internationaal Hof van Den Haag; als het Hof van Cassatie een arrest wijst, moet dat ook bij de debatten worden betrokken.

De minister meent dat hij zich niet mag bemoeien met het democratische proces dat nu plaatsvindt in het Parlement, dat het volste recht heeft om zijn interpretatie te bevestigen (zie ook stuk Senaat, nr. 2-1256/5, blz. 3 en 27).

III. ALGEMENE BESPREKING

De heer Monfils wenst dat de Senaatscommissie nagaat of de wet over de universele bevoegdheid wel steek houdt. Er is blijkbaar een probleem, wat blijkt uit de verschillende interpretaties die de diverse jurisdicties aan de wet hebben gegeven.

De hoofdindiener stond erop dat geen afbreuk werd gedaan aan het imago van België terzake. België zou een belachelijke indruk kunnen geven door terug te komen op de universele bevoegdheid. Nochtans moet men ook rekening houden met het feit dat België zich evenzeer belachelijk zou kunnen maken door een wet die kant noch wal raakt.

Voor spreker is het belangrijk een wet op de universele bevoegdheid te hebben die zonder meer toepasbaar blijkt, zonder dat een hele resem interpretatieve wetten noodzakelijk zijn.

Spreker vreest verder dat men een vermenging zal maken van de verschillende machten. De heer Destexhe haalde reeds aan dat het niet aan de rechtbank toekwam de knoop door te hakken over dit conflict. Dit is een verkeerd argument. De rechtbank kan een bepaalde wet interpreteren en als de wetgever niet akkoord gaat met deze interpretatie, dient deze de wet te wijzigen. Dat is het normale en democratische spel van de scheiding der machten. Men kan aan de rechtbanken de mogelijkheid niet ontzeggen een bepaalde interpretatie te geven van een wet.

Verder vindt spreker dat de heer Destexhe soms wat ver is gegaan in zijn vaststellingen over bepaalde zaken. Neem bijvoorbeeld de zaak Pinochet. Kan men aan de steun van de regering aan de vraag tot uitlevering juridische gevolgen verbinden over de universele bevoegdheid ?

Een aantal verklaringen, of gebrek aan verklaringen, sinds 1993, tonen duidelijk aan dat er een probleem is, maar het wordt helaas niet geregeld. Het Parlement had tot drie maal toe de gelegenheid om de wet te wijzigen (artikel 12), maar heeft het niet gedaan.

Wat betreft de « interpretatieve » wet, reageert spreker nogal terughoudend. Hij onderstreept de terugwerkende kracht ervan en wijst erop dat het Hof van Cassatie zou kunnen tussenkomen om over de geldigheid van de interpretatieve wet te oordelen. Kan men geen andere oplossing vinden ? Spreker verwijst naar de statuten van het internationaal gerechtshof van Arusha, die als het ware zijn geïntegreerd in ons intern recht. Artikel 8 van deze statuten stellen een ware universele bevoegdheid in; de bevoegdheid van onze rechtbanken worden erdoor uitgebreid, en de aanwezigheid van de verdachte op ons grondgebied is niet meer noodzakelijk. De interne juridische orde wordt dan in zekere zin versterkt door de internationale juridische orde.

Uiteindelijk verwijst spreker naar een uitspraak van de heer Damien Vandermeersch (Actualités et droit international humanitaire, 6e dossier de la Revue de droit pénal et criminologie, 200, p. 155) : om de relevantie en de legitimiteit van de bemoeiing van de Belgische rechters te garanderen, zou er voor de uitoefening van de extraterritoriale bevoegdheid, de lege ferenda een territoriale band moeten gevonden worden met België (vertaling).

Spreker besluit dat de universele bevoegdheid een zeer complex juridisch probleem is en dat er een wet moet komen inzake de universele bevoegdheid die redelijk en toepasbaar is en die tevens de algemene regels in acht neemt van de interne juridische orde. Het is belangrijk dat men de wil vindt om deze materie te bespreken.

De heer Vandenberghe meent dat een van de belangrijkste evoluties van de 20e eeuw de afdwingbaarheid is van de mensenrechten tegenover de staten en de politici. Hij verwijst naar het statuut van het tribunaal van Nürnberg en van het Internationaal tribunaal van Tokyo. Hij verwijst ook naar de belangrijke redevoering van Churchill in Den Haag die aan de grondslag ligt van de stichting van de Raad van Europa. Deze evolutie heeft geleid tot een aantal internationale verdragen met betrekking tot de genocide (9 december 1948) en de 4 Rode-kruisconventies van Genève van 12 augustus 1949. Deze elementen werden ook weerhouden in de statuten van het internationaal tribunaal van Rwanda en voor het voormalig Joegoslavië. De Belgische wetgever heeft geruime tijd gewacht alvorens hij de internationale verdragen (Genève en het genocideverdrag) in de interne wet heeft ingelast (wet van 1993).

De uitvoering van deze internationale verplichtingen is dus wat België betreft laattijdig tot stand gekomen. De Belgische wetgever heeft deze laattijdigheid willen compenseren op inhoudelijk vlak, door het genocideverdrag en de conventies van Genève niet zonder meer als internationale verdragen goed te keuren en in het interne recht in te lassen, maar door inhoudelijke wijzigingen aan deze verdragen aan te brengen die verder gingen dan de initiële internationale benadering van de verdragen. Aldus heeft men een definitie van een aantal misdrijven gegeven, werden toepasselijke straffen uitdrukkelijk voorzien, vermeldt men dat elke politieke, militaire of nationale noodzaak niet als rechtvaardigingsgrond kan worden ingeroepen. Het bevel van de hogere overheid kan evenmin als rechtvaardiging gelden, en kan niet worden ingeroepen als verzachtende omstandigheid. De belangrijkste verdienste van de wet van 1993 is dat zij universele jurisdictie van de Belgische gerechten heeft erkend en de onverjaarbaarheid van de strafvordering ten aanzien van deze delicten heeft onderlijnd. De Belgische rechtbanken krijgen dus een zeer grote bevoegdheid ten aanzien van genocide, oorlogsmisdaden en misdaden tegen de mensheid en dit wordt uitgedrukt in één welbepaalde wet. De toenmalige commissie voor de Justitie van de Senaat heeft een amendement aanvaard waarin de geciteerde misdaden toepasselijk werden verklaard op de interne conflicten in de landen, wat totaal nieuw was. Deze stelling werd vervolgens overgenomen in de statuten van het internationaal strafgerechtshof en het Joegoslaviëtribunaal. Daarenboven is het probleem ook gekenmerkt door de vraag naar de draagwijdte van de internationale immuniteit die men voor strafrechtbanken kan inroepen. Spreker verwijst naar het arrest Yerodia van het internationaal gerechtshof van 14 februari 2002. De wet van 10 februari 1999 voegt aan artikel 5 van de genocidewet een derde lid toe waarbij wordt gesteld dat de immuniteiten de toepassing van de wet niet langer in de weg kunnen staan. Dit is geen echte revolutie, aangezien dit vroeger reeds werd verklaard in de statuten van het tribunaal van Nürnberg en Tokyo. Een bevestiging van deze regel vindt men in het statuut van het Rwandatribunaal, het tribunaal van Joegoslavië en van Rome. Anderzijds rijst de vraag naar de draagwijdte van de immuniteiten van de staatsleiders en de ministers van Buitenlandse Zaken. Het arrest Yerodia heeft vastgesteld dat uit het internationaal gewoonterecht moet worden afgeleid dat de ministers van Buitenlandse Zaken een volledige immuniteit in strafzaken genieten voor de gerechten van andere staten, voor officiële en private handelingen, omwille van de functionaliteit; dit kan echter niet worden gelijkgesteld met een straffeloosheid. Zonder in te gaan op alle juridische vragen, heeft het Hof vier uitzonderingen voorzien waarbij de immuniteit niet zal gelden. De minister van Buitenlandse Zaken zal in principe kunnen worden berecht voor misdrijven gepleegd voor, tijdens of na zijn ambtstermijn, maar voor de misdrijven tijdens diens ambtstermijn op voorwaarde dat het gaat om misdrijven die hij heeft gepleegd als privépersoon.

Een laatste punt betreft de vraag of het voorliggend interpretatieve wetsvoorstel de problemen wel degelijk oplost. Het kan niet de bedoeling zijn dat de wetgevende macht zich op een of andere wijze rechtstreeks mengt wanneer bepaalde processen worden gevoerd. Dit zou strijdig zijn met de grondwet en met het principe van de scheiding der machten.

Vanwaar heeft de Belgische wetgever in 1993 het principe van de universele jurisdictie gehaald ? Uiteraard uit de geciteerde conventies van Genève. Inderdaad staat hierin dat iedere verdragsluitende partij verplicht is personen die ervan verdacht worden een van deze ernstige inbreuken te hebben gepleegd, dan wel bevel tot het plegen ervan te hebben gegeven, op te sporen en moet zij hen, ongacht hun nationaliteit, voor haar eigen gerechten brengen. Zij kan hen ook ter berechting overleveren aan een andere bij de vervolging belanghebbende verdragsluitende partij. Dit stelt niet duidelijk of de conventie van Genève de verplichting impliceert de universele jurisdictie in absentia (bij afwezigheid, indien men de dader niet in het land aantreft, of indien er onvoldoende aanknopingspunten bestaan) uit te oefenen. Over het algemeen is men van oordeel dat dit niet het geval is, maar betekent dat indien de dader van de geciteerde misdrijven zich bevindt op het grondgebied van het land in kwestie, dat land op dat ogenblik de verplichting heeft krachtens de Conventie van Genève om de vervolging in te zetten, de dader op te sporen, en hetzij te berechten of uit te leveren aan het land dat hem dient te berechten.

De wetgever heeft bij de uitvoering van de Conventie van Genève en het genocideverdrag, in 1993, een stap verder willen gaan.

Aan de orde is nu het stemmen van een interpretatieve wet die de wil van de wetgever zou uitdrukken zoals deze aanwezig was bij de voorbereidende werken die geleid hebben tot de wet van 1993. De memorie van toelichting bij het wetsontwerp van 1993 stelt dat de Belgische gerechten ook bevoegd moeten zijn wanneer de vermoedelijke dader niet in België wordt aangetroffen. Daarbij is de vraag of er geen enkel materieel aanknopingspunt moet aanwezig zijn niet volledig opgelost. Men stelt wel dat in beginsel de uitoefening van de universele jurisdictie in absentia mogelijk is, maar de memorie van toelichting stelt duidelijk dat artikel 12 van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering zal worden afgeschaft. De wetgever stelt dus dat de bedoeling van de wet van 1993 de universele jurisdictie is; er is inderdaad een probleem met artikel 12, maar dit artikel zal in een latere wet worden afgeschaft. De regering heeft de toen geuite bedoeling niet uitgevoerd; artikel 12 werd noch afgeschaft, noch gewijzigd. De eerste vraag is dus of deze situatie objectief gesproken aanleiding kan geven tot een interpretatieve wet.

De vraag is dan of men een interpretatieve wet kan stemmen die tot gevolg heeft dat men in feite artikel 12 afschaft met terugwerkende kracht naar 1993. Dat is de werkelijke draagwijdte van deze interpretatieve wet.

De juridisch-technische vraagstelling is dus helemaal niet eenvoudig. De eerste vraag is of er ruimte is voor een interpretatieve wet.

Bovendien gaat het om een strafwet. Artikel 2 van het strafwetboek en artikel 7 van het EVRM verbieden de terugwerkende kracht van het strafrecht. Artikel 7 van het EVRM is absoluut, en kent geen uitzondering; iedere terugwerkende kracht op strafrechtelijk vlak is strijdig met de Europese Conventie tot bescherming van de rechten van de mens.

Er is uiteraard ook een andere argumentatie, namelijk dat de regering in 1993 zich heeft vergist en ten onrechte heeft verwezen naar artikel 12 van de voorafgaande titel, omdat dit hier volstrekt niet toepasselijk zou zijn; inderdaad is dat artikel niet van toepassing op alle misdrijven, maar enkel op de misdrijven bedoeld in het strafwetboek en dus niet op de lex specialis. Men kan dan wel niet stellen dat men een interpretatieve wet zal stemmen over de wil van de wetgever, die zich in dat geval zou hebben vergist.

Spreker verwijst ook naar artikel 6 van het EVRM. Een wet stemmen om de lopende procedure te beïnvloeden in strafzaken is zeer twijfelachtig.

Gezien deze argumenten, en onder voorbehoud van het advies van de Raad van State, is spreker geen voorstander van het stemmen van een wet, zolang het Hof van Cassatie geen uitspraak heeft gedaan over de te geven interpretatie aan de samenloop van beide bepalingen.

Zelfs indien het Hof van Cassatie de jurisprudentie van de kamer van inbeschuldigingstelling volgt, betekent dit niet het einde van de zaak. Het beginsel non bis in idem is immers niet toepasselijk op deze procedure. Het betreft immers een procedurekwestie (over de bevoegdheid) en geen eindarrest over de grond van de zaak.

Spreker stelt voor in ieder geval het arrest van het Hof van Cassatie af te wachten.

Tot slot verwijst hij naar een artikel van de heer Robert Badinter, dat het probleem stelt van de universele jurisdictie vanuit politiek oogpunt :

« Ce principe signifie que la justice belge serait compétente pour tout crime contre l'humanité commis où que ce soit, par qui que ce soit. Le fait qu'un seul État agisse ainsi entraînerait pour les juridictions un formidable appel d'air. Mais, comment juger un crime commis à l'autre bout du monde sans les victimes, sans les témoins et sans les preuves ? Ouvrir un dossier, et après ? Lancer des mandats d'arrêt contre qui ? Instruire comment ? Je suis partisan de la compétence universelle dans le cas d'actions diligentées à la requête du conseil de sécurité des nations unies, pour le reste, un critère de rattachement au pays (fait, auteur présumé, victime, complice, conséquences) me paraît s'imposer. »

Mevrouw Nyssens verwijst naar de stemming van de wetten van 1993 en 1999, waaruit blijkt dat de wetgever ja heeft gezegd aan het principe van de universele bevoegdheid. De rechtspraak en de rechtsleer hebben echter een vette kluif aan dit onderwerp, omdat dit gevolgen heeft op het vlak van de mensenrechten.

Het voordeel van het bestaan van deze wet van de universele bevoegdheid in België is dat het ertoe heeft geleid dat het probleem aan de orde is gekomen en dat men de politieke vraag heeft gesteld hoe er gereageerd kan worden op afschuwelijke misdaden die elders worden gepleegd. België heeft zich door zijn pioniersrol in elk geval verdienstelijk gemaakt, door het onderwerp ter sprake te hebben gebracht en de strijd voor de mensenrechten te zijn bijgetreden. Het gaat er nu om te weten of de wet de lege ferenda herwerkt moet worden, op basis van een lijst van prioriteiten en aanknopingspunten.

Mevrouw Nyssens zegt zich veeleer aangetrokken te voelen door de denkpiste die advocaat-generaal Wynants heeft uiteengezet in zijn openingsrede, waarin hij zegt dat het systeem van de universele bevoegdheid behouden moet worden. Men dient te weten te komen hoe dit systeem bewaard kan worden en ook hoe dit in overeenstemming kan blijven met het internationaal- en gewoonterecht. Spreekster vindt dat men zich moet concentreren op een lijst van prioriteiten en aanknopingspunten.

Spreekster vraagt zich af of het wetsvoorstel 2-1255 wel aan het gestelde doel beantwoordt, namelijk het uitleggen van een wet uit 1993 en een wet uit 1999. De arresten van de kamers van inbeschuldigingstelling hebben immers de bevoegdheid van de rechtbanken erkend, maar de ontvankelijkheid ter discussie gesteld. De interpretatieve wet echter betreft een bevoegdheidsprobleem.

Wat de kwestie van de ontvankelijkheid en de bevoegdheid betreft en meer bijzonder het verband tussen artikel 7 van de wet inzake de universele bevoegdheid en artikel 12 van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering, benadrukt spreekster dat de artikelen 12 en 12bis tot het gemeenterecht behoren. De wet inzake de universele bevoegdheid is een bijzondere wet. Waarin verschilt deze bijzondere wet, waarvan artikel 7 de bevoegdheid van de Belgische rechtbanken betreft, van het gemeenterecht ? De kamer van inbeschuldigingstelling verklaart bevoegd te zijn, maar zegt dat de strafvordering niet ontvankelijk is. Dit juridische probleem lijkt niet opgelost te worden door het voorstel van interpretatieve wet.

Spreekster verwijst naar haar schriftelijke vraag van juli 2001 betreffende het toepassingsgebied van de artikelen 12 en 12bis, ten opzichte van een wetswijziging. Artikel 12bis was aangenomen met de bedoeling de ontvankelijkheid en de bevoegdheid van de Belgische rechtbanken te bepalen en te toetsen aan het internationaal recht. De minister heeft geantwoord dat de artikelen 12 en 12bis de aanwezigheid van de betrokkene op het grondgebied veronderstelden en dat de wetten van 1993 en 1999 een uitzondering inhouden op dit gemeenterecht en dus afwijken van de artikelen 12 en 12bis.

Spreekster vraagt zich dan ook af of het niet beter zou zijn artikel 12 te wijzigen of zelfs op te heffen.

Een interpretatieve wet is niet retroactief; de wetgevende macht legt zelf de betekenis van een bestaande wet uit door een algemene bepaling die de burgers en de rechtbanken bindt. Het gaat niet om een nieuwe wet. Rechters worden geacht zich naar de interpretatieve wetten te voegen in alle betwistingen waar het rechtspunt niet definitief beslecht is op het moment dat deze wetten bindend worden.

Uiteindelijk vraagt spreekster zich ook af of het nodig is om twee wetten te hebben.

De heer Van Quickenborne verwijst naar de stemmingen van de wetsontwerpen van 1993 en 1999, die eenparig zijn aangenomen. Tijdens de toenmalige besprekingen werd op geen enkel ogenblik een opmerking gemaakt over de mogelijke beperking van de universele bevoegdheid in absentia.

Blijkbaar is men nu wakker geschud door de diplomatieke en politieke effecten die de wet van 1993 heeft gecreëerd. In de internationale justitie is het volgens spreker echter niet mogelijk te werken met twee maten en twee gewichten. Het zou verkeerd zijn de voornoemde wet aan te passen om een onderscheid te kunnen maken tussen de zogenaamde slechte slechteriken en de goede slechteriken. De ambitie van dit parlement moet zijn dat de weg van de internationale justitie zo breed mogelijk moet worden gehouden. Men mag niet wijken voor de politieke druk, die ook bestaat voor de instelling van een internationaal strafgerechtshof.

De wet van 1993, aangepast in 1999, was de eerste stap in de oprichting van een internationale strafrechtbank. Deze wet blijft echter relevant en belangrijk, ook indien het internationaal strafgerechtshof zou zijn opgericht. De wet blijft immers relevant voor feiten gepleegd voor 1 juli 2002 en ook voor feiten die erna zijn gepleegd, gezien helaas niet alle landen tot het verdrag betreffende het internationaal strafgerechtshof zijn toegetreden. België heeft dus de morele verplichting deze wet aan te houden en op de juiste manier te interpreteren.

Is het voorliggende wetsvoorstel (2-1255) in wezen een voorstel tot interpretatieve wet of gaat het om een wijzigingsvoorstel ? Spreker wijst erop dat niet voor het eerst een interpretatieve wet wordt gestemd. Spreker verwijst naar een interessante studie van de KUL onder leiding van prof Wauters en mevrouw Panken, waar een eerste beschouwing is gebeurd over het voorliggende wetsvoorstel. De beoordeling is zeer positief. Er wordt gesteld dat een interpretatief wetsvoorstel niet mogelijk is als het een duidelijke wetsbepaling betreft. Als de rechtsnorm echter onvoldoende duidelijk blijkt kan de wetgever beroep doen op een interpretatieve wet. Professor Wauters stelt dat het, alles in acht genomen, in casu voorkomt dat een interpretatieve wet aanvaardbaar is. Noch artikel 7, noch een ander artikel van de wet, maakt gewag van de aanwezigheid van de vermoedelijke dader op het Belgisch grondgebied. Niemand, noch van het Parlement, noch vanuit de regering, lijkt dit als een voorwaarde voor vervolging te beschouwen. De parlementaire voorbereiding heeft het zonder twijfel over universele rechtsmacht in absentia. De enige fout is de ongelukkige verwijzing naar artikel 12 van de voorafgaande titel van het wetboek van strafvordering; dit is een eerste reden om te stellen dat het voorliggende voorstel geen wijzigingsvoorstel betreft, maar wel een interpretatief wetsvoorstel.

Indien men er toch zou van uitgaan dat het een wijzigingsvoorstel betreft, zou dit niet zoveel veranderen ten aanzien van de slachtoffers, aangezien het principe non bis in idem hier geen toepassing vindt. (zie uiteenzetting van de heer Vandenberghe). De slachtoffers zouden dan opnieuw klacht kunnen indienen omdat de strafrechter geen definitieve uitspraak heeft geveld over de grond van de zaak.

Het verschil zou zich situeren op het vlak van het reeds verrichte werk door de Belgische justitie. Er zijn in een aantal zaken immers reeds heel wat inspanningen geleverd die door een foutieve interpretatie van de wet nu nietig zouden kunnen worden verklaard.

Met het interpretatieve wetsvoorstel valt er dus enkel te winnen en niets te verliezen. Het is dan ook belangrijk dat het wordt gestemd vóór een beslissing van het Hof van Cassatie. Het Hof oordeelt trouwens zelf in dit verband dat een interpretatieve wet dient te worden toegepast, zelfs indien het bestreden arrest van voor de inwerkingtreding van deze wet dateert. Het Hof van Cassatie verzet zich dus niet tegen het stemmen van een interpretatief wetsvoorstel.

Nog een derde reden noopt tot het aannemen van een interpretatief wetsvoorstel. Het was immers de wil van de wetgever van deze bijzonder ernstige internationaal strafrechtelijke misdaden op te nemen in een afzonderlijke wet (lex specialis), om te vermijden dat het gemeen strafprocesrecht van toepassing zou zijn (artikel 12). Strikt genomen moest de wetgever in de genocidewet niet expliciet artikel 12 buiten toepassing verklaren.

In antwoord op de opmerking van de heer Vandenberghe over artikel 7 van het EVRM, verwijst spreker naar het tweede lid en volgende leden van dit artikel.

Ten slotte hebben voldoende rechtsbronnen zich uitgesproken tegen de interpretatie van de kamer van inbeschuldigingstelling over de universele jurisdictie in absentia (rechtsleer, onderzoeksrechter Vandermeersch in de zaak Pinochet, Hof van Cassatie ­ 4 november 1996, en de regering bijvoorbeeld bij het verzoek tot uitlevering van een Rwandese verdachte van de moord op de Belgische blauwhelmen).

De heer Vandenberghe merkt op dat er in dit laatste geval wel een duidelijk aanknopingspunt bestaat; het betreft immers Belgische slachtoffers. Dit is een andere situatie dan een misdrijf gepleegd in het buitenland door een buitenlander, zonder dat er Belgische slachtoffers aanwezig zijn; indien er een Belgisch slachtoffer is, kan hij zich immers in België burgerlijke partij stellen.

De heer Vanquickenborne oppert tenslotte dat het feit dat het interpretatief wetsvoorstel zou worden beschouwd als een wijzigingsvoorstel zou betekenen dat de wijziging van de wet enkel van toepassing zou zijn op feiten gepleegd na de inwerkingtreding van het wijzigingsvoorstel. Dan zou er een enorme cesuur zijn met de feiten gepleegd vóór het wijzigingsvoorstel, waarvoor men zou vereisen dat de verdachte op het Belgisch grondgebied dient te verblijven. Is dat geen schending van de anti-discriminatiewetten ?

Spreker besluit met de volgende stelling. De twijfel die vandaag bestaat in het Parlement is veeleer gevoed door een bepaalde politieke angst die is gecreëerd door de universele toepassing van deze wet op personen en gevallen op wie men de toepassing in 1993 en 1999 niet had voorzien. Deze politieke overweging zou moeten worden opzijgeschoven en de initiële wil van de wetgever en de voortrekkersrol van België terzake moet worden verdergezet.

Mevrouw de T'Serclaes heeft de indruk dat niemand de wet op de universele bevoegdheid ter discussie wil stellen. Het Parlement heeft toen pionierswerk verricht en heeft zeker veranderingen op internationaal niveau teweeggebracht.

Vandaag rijzen er moeilijkheden met betrekking tot de interpretatie en de uitvoering van de wet. Het is zaak te weten hoe en wanneer die moeilijkheden opgelost moeten worden. Het probleem is voorgelegd aan het Hof van Cassatie dat zich daarover nog moet uitspreken.

Het is niet duidelijk of het Hof van Cassatie de houding van de kamer van inbeschuldigingstelling zal volgen. Zij kan ook stellen dat de wet van 1993 een uitzondering creëert en dat artikel 12 hier dus niet van toepassing is. Spreekster meent dat de wetgever niet overhaast een wet moet stemmen. Een interpretatieve wet is trouwens geen goede zaak en komt de rechtszekerheid niet ten goede. Spreekster meent dat het beter zou zijn het standpunt van het Hof van Cassatie af te wachten. Bovendien werd het advies van de Raad van State gevraagd.

Een interpretatieve wet moet volgens spreekster uitzonderlijk blijven. Het is bovendien uiterst gevaarlijk een interpretatieve wet te stemmen in strafzaken. Het basisprincipe van een democratische staat is de scheiding der machten. Het is niet gezond dat de wetgever tussenkomt, terwijl er zaken hangende zijn voor de rechtbanken, juist omdat hij indertijd niet voldoende duidelijk was of artikel 12, zoals voorzien, niet heeft gewijzigd. De wetgever had in 1993 duidelijk voorzien dat hij artikel 12 zou wijzigen. Daartegenover stellen sommigen nu dat de wet van 1993 een « lex specialis » is en dat artikel 12 dus geen uitstaans heeft met deze wet. Er zijn dus duidelijk verschillende interpretaties; men moet pogen, op juridisch technisch vlak, de beste oplossing te vinden om de rechtszekerheid te waarborgen en ervoor te zorgen dat de reeds gestelde handelingen niet als nietig worden beschouwd. Spreekster is geen voorstander van een interpretatieve wet.

De heer Cornil meent dat er een bepaald aantal relevante argumenten werden naar voor gebracht door de commissieleden. Hij denkt dat het mogelijk moet zijn een akkoord te vinden tussen de commissieleden. Het is wel belangrijk dat men de politieke wil van de wetgever van 1993 duidelijk voor ogen houdt, en dat de effectieve toepasbaarheid van de wet van 1993 wordt gewaarborgd. Men moet vermijden dat de behandelde zaken niet nietig worden. Het is ook belangrijk dat de Belgische wet zich aansluit bij de evolutie van het internationaal recht.

De heer Vanquickenborne meent dat ieder eerst moet uitmaken wat het objectief is. Blijkbaar zijn er verschillende opinies. Sommigen willen misschien niet dat personen die misdrijven in het buitenland plegen, zonder dat er Belgische slachtoffers mee zijn gemoeid, in België kunnen worden vervolgd. Verder meent spreker dat men geen andere oplossing heeft dan een interpretatieve wet, indien men wenst dat deze ook van toepassing is op feiten gepleegd voor de inwerkingtreding van deze wet. Een wijzigingsvoorstel zal enkel betrekking hebben op feiten gepleegd na de inwerkingtreding.

De heer Destexhe kan zich hierbij aansluiten. De mogelijkheid van een interpretatieve wet is voorzien door de wetgever. Er zal geen andere oplossing bestaan, ook voor de reeds behandelde dossiers. De essentie is te weten wat de wetgever juist heeft gewild in 1993. Volgens spreker is het duidelijk. Op verschillende ogenblikken heeft de wetgever te kennen gegeven dat de wet moest kunnen worden toegepast op personen aanwezig in het buitenland. Dit blijkt duidelijk uit de voorbereidende werken.

De heer Vandenberghe meent dat een zorgvuldig onderzoek van de ingevoerde argumenten absoluut nodig is. Inderdaad zal deze interpretatieve wet onmiddellijk gevolg hebben op het verloop van het strafproces en aldus juridisch worden beoordeeld. De efficiënte toepassing van de wet van 1993 moet worden voor ogen gehouden.

IV. ADVIES VAN DE RAAD VAN STATE

De voorzitter van de Senaat verzocht de Raad van State, op 19 september 2002, een advies te verlenen over beide wetsvoorstellen.

Het advies werd verleend op 12 december 2002 (stuk Senaat, nr. 2-1255/2).

V. HERVATTING VAN DE ALGEMENE BESPREKING, NA HET ADVIES VAN DE RAAD VAN STATE

Er kan voor deze bespreking worden verwezen naar het verslag van het wetsvoorstel van de heer Mahoux cs. tot wijziging van de wet van 16 juni 1993 betreffende de bestraffing van ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht (stuk Senaat, nr. 2-1256/5).

Tevens werd, in de loop van de besprekingen, een nota ingediend door de heer Destexhe cs., in antwoord op de opmerkingen van de Raad van State (zie bijlage).

VI. ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING

Opschrift

Amendement nr. 2

Mevrouw Nyssens dient een amendement in nr. 2 (stuk Senaat, nr. 2-1255/3) dat ertoe strekt het opschrift van het voorstel te wijzigen tot : Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 12 van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering.

Gezien de indiener het amendement nr. 3 waarop dit nieuwe opschrift is gebaseerd, zal intrekken, trekt zij ook het amendement nummer 2 in (cf. infra artikel 2).

Artikel 1

Het artikel wordt eenparig aangenomen door de 11 aanwezige leden.

Artikel 2

Amendement nr. 5

De heer Monfils dient een amendement in nr. 5 (stuk Senaat nr. 2-1255/3) dat ertoe strekt het voorgestelde artikel 2 te vervangen als volgt : « Artikel 8 van het Statuut van het Internationaal Tribunaal voor Rwanda moet geïnterpreteerd worden als zijnde van toepassing ongeacht de plaats waar de vermoedelijke dader van het misdrijf aangetroffen wordt ».

Spreker stelt dat zijn amendement ertoe strekt alle daden van onderzoek in het dossier van de para's in Rwanda te behouden en hij verwijst naar zijn schriftelijke verantwoording. Daarbij benadrukt de spreker dat de door hem voorgestelde bepaling minder juridische problemen zal stellen dan de in het wetsvoorstel voorgestelde tekst.

De heer Mahoux erkent het belang van de zaak Rwanda maar vindt de interpretatie die de heer Monfils in zijn amendement voorstelt te beperkend.

Het amendement nr. 5 wordt verworpen met 9 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.

Amendement nr. 3

Mevrouw Nyssens dient een amendement nr. 3 in (stuk Senaat 2-1255/3). Het voorgestelde amendement strekt ertoe het artikel 12 van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering aan te vullen en poogt aldus de bezwaren met betrekking tot de terugwerkende kracht in strafzaken op te vangen. Een wet met betrekking tot de procedure is daarenboven onmiddellijk van toepassing.

Spreker stelt dat deze werkwijze tegemoet komt aan de bezwaren die de Raad van State heeft geuit in zijn advies nr. 34.153 en aan de beperkingen die een interpretatieve wet nog altijd bezit. Toch trekt de indienster het voorgestelde amendement in aangezien ook het voorgestelde amendement geen oplossing biedt voor het behoud van de onderzoeksdaden die momenteel reeds werden uitgevoerd door de magistraten.

Amendement nr. 4

Mevrouw Nyssens dient een amendement nr. 4 in (subsidiair amendement op amendement nr. 3) (stuk Senaat 2-1255/3) dat ertoe strekt het voorgestelde artikel te vervangen.

De spreekster verwijst in eerste instantie naar voorafgaande discussies. Zij benadrukt dat haar amendement een antwoord wil bieden aan de arresten van de kamer van inbeschuldigingsstelling met betrekking tot het probleem van de ontvankelijkheid.

De heer Mahoux bevestigt dat de voorgestelde bepalingen de bevoegdheid en de ontvankelijkheid betreffen.

Na deze uitleg trekt de auteur haar amendement in.

Amendement nr. 1

Amendement nr. 1 van Mevrouw Nyssens, dat hetzelfde voorwerp heeft als het amendement nr. 4, wordt ingetrokken.

Het artikel wordt aangenomen met 10 stemmen bij 1 onthouding.

VII. EINDSTEMMING

Het wetsvoorstel in zijn geheel wordt aangenomen met 9 stemmen bij 1 onthouding.

Het verslag is eenparig goedgekeurd door de acht aanwezige leden.

De rapporteur, De voorzitter,
Jeannine LEDUC. Josy DUBIÉ.

De door de Commissie aangenomen tekst
is dezelfde als deze
van het wetsvoorstel
(zie stuk Senaat, nr. 2-1255/1)


BIJLAGE


NOTA VAN DE HEER DESTEXHE C.S. OVER HET VOORSTEL VAN WET ­ STUK 2-1255/1

1. Deze nota strekt ertoe te antwoorden op de argumenten van de Raad van State in het advies van 12 december 2002 betreffende het wetsvoorstel.

De argumenten kunnen worden verdeeld in een hoofdargument, toegespitst op artikel 12bis van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van strafvordering, en in een reeks van bijkomende argumenten.

Ten slotte wordt in de nota ingegaan op de andere in overweging genomen mogelijkheden die evenwel niet mogen worden gevolgd.

I. HOOFDARGUMENT

2. De reflectie van de Raad van State kan in twee delen worden verdeeld.

3. Vooreerst erkent de Raad van State dat het perfect mogelijk is een interpretatieve wet goed te keuren inzake artikel 7 van de wet van 1993 en stelt ter zake inderdaad het volgende :

« Gezien die uiteenlopende interpretaties van de bedoeling van de wetgever, zoals die is weergegeven in de parlementaire voorbereiding van de wet van 1993, is het in beginsel geoorloofd dat gebruik wordt gemaakt van een interpretatieve wet. Los (...), rijst de vraag of de voorgestelde uitlegging te rijmen valt met de huidige wettelijke context. »

4. Daarna wordt een analyse gemaakt van de huidige wettelijke context, waarbij de Raad van State zich enkel concentreert op artikel 12bis van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van strafvordering zoals gewijzigd bij de wet van 18 juli 2001.

De Raad geeft een verbazingwekkende uitlegging aan artikel 12bis die noch overeenstemt met de tekst ervan, noch met de parlementaire werkzaamheden en evenmin met de plaats van deze bepaling in het normenstelsel.

5. Uit de analyse van de tekst, van de plaats van invoeging van deze bepaling en van de memorie van toelichting blijken duidelijk dat het gaat om een algemene bepaling houdende invoering van een beginsel van gemeen recht, dat tot doel heeft een algemene regeling te treffen voor de tenuitvoerlegging in het Belgische recht van de internationale verdragsrechtelijke verplichtingen inzake de uitbreiding van de rechtsmacht van de Belgische rechtbanken, waarbij de wetgever zijn internationale verplichtingen inzake de uitbreiding van rechtsmacht inzake bepaalde misdrijven te boven mag gaan.

6. Artikel 7 van de wet van 16 juni 1993 betreffende de bestraffing van ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht voorziet met ingang van 1993 in een stelsel dat afwijkt van het gemeen recht, inzonderheid inzake de uitbreiding van de rechtsmacht van de rechtbanken.

7. Deze bepaling is zonder onderscheid van toepassing op alle misdrijven waarop de wet betrekking heeft. Sedert 1993 gaat het zowel om schendingen omschreven in een verdrag (oorlogsmisdaden in geval van een internationaal of van een als internationaal beschouwd gewapend conflict) of om schendingen van het gewoonterecht (oorlogsmisdaden in geval van een niet-internationaal gewapend conflict). Krachtens de wet van 10 februari 1999 is het toepassingsgebied uitgebreid tot twee nieuwe categorieën van misdrijven, te weten schendingen van verdragen (misdaad van genocide) en van het gewoonterecht (misdaden tegen de menselijkheid). In de memorie van toelichting bij de wet van 1999 is uitdrukkelijk gesteld dat de ongewijzigd gebleven bepalingen, onder meer artikel 7, zonder onderscheid gelden voor de twee nieuwe categorieën van misdrijven, zulks op dezelfde wijze waarop zij reeds van toepassing waren op de misdrijven omschreven sedert 1993. Ten einde het gebrek aan relevantie van het door de Raad van State gemaakt onderscheid nogmaals aan te tonen, moet worden onderstreept dat bepaalde schendingen omschreven in een verdrag verband houden met een regel van het gewoonterecht die Staten verplicht hun rechtsmacht uit te breiden (oorlogsmisdaden in geval van een internationaal gewapend conflict, met uitzondering van de oorlogsmisdaden bedoeld in het Protocol II bij het Verdrag van 's-Gravenhage van 1954), terwijl andere schendingen omschreven in een verdrag verband houden met een verdragsregel die Staten verplicht hun rechtsmacht uit te breiden (de misdaad van genocide).

Er moet overigens worden gerefereerd aan het voorbeeld dat tijdens de parlementaire werkzaamheden in 1999 meer dan eens is aangehaald, te weten de zaak Pinochet, een geval waarin de universele rechtsmacht wordt toegepast zonder dat de aanwezigheid van de vermoedelijke dader op het Belgische grondgebied vereist is.

8. In het kader van de relatie tussen artikel 7 van de wet van 1993 en voornoemd artikel 12bis, moet dus logischerwijze het beginsel lex specialis derogat generali worden toegepast.

Er kan worden gesteld dat artikel 7, een artikel van een bijzondere wet die op zich afwijkt van het Strafwetboek en van het gemeen recht, afwijkt van artikel 12bis van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van strafvordering, dat in algemene bewoordingen is gesteld, en niet omgekeerd.

9. De minister van Justitie, auteur van een ontwerp van wet dat de wet is geworden van 18 juli 2001 houdende wijziging van artikel 12bis van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van strafvordering [vraag nr. 1438, BVA, Senaat, 4 september 2001 (nr. 2-40)], heeft deze interpretatie uitdrukkelijk meegedeeld aan senator Clotilde Nyssens.

10. Destijds sloot de minister zijn redenering af met de volgende woorden :

« De wet van 18 juli 2001 doet dan ook geen afbreuk aan artikel 7 van de wet van 16 juni 1993 dat de algemene bevoegdheid van de Belgische gerechten regelt inzake genocide, misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden. Enkel een amendement op dat artikel kan de draagwijdte ervan wijzigen. »

11. Dit antwoord is strikt conform de redenering tijdens de voorbereidende werkzaamheden met betrekking tot de wet van 18 juli 2001, inzonderheid tijdens de besprekingen in de Kamer van volksvertegenwoordigers (stuk Kamer, nr. 50 1178/002, 2000-2001, in het bijzonder de bladzijden 4 tot 7).

12. Aangezien de analyse van de Raad van State inzake de tekst van artikel 12bis en de draagwijdte ervan onjuist is, kan het eindbesluit van de Raad niet worden gevolgd. Er moet dus worden verwezen naar het voorlopige besluit van de Raad van State over de mogelijkheid een interpretatieve wet goed te keuren inzake artikel 7 van de wet van 1993. Zoals supra reeds gesteld was de Raad terecht van oordeel dat het :

« Gezien de uiteenlopende interpretaties (...), in beginsel geoorloofd is dat gebruik wordt gemaakt van een interpretatieve wet » (blz. 31).

14. De interpretatieve wet doet vanzelfsprekend geen afbreuk aan enige wijziging die in de toekomst kan worden aangebracht in de wet van 1993, zulks door middel van een wijzigende wet.

II. BIJKOMENDE ARGUMENTEN

15. Het gaat ter zake om vier argumenten.

1. Afbreuk aan de voorzienbaarheid van de strafprocedure voor de vermoedelijke dader van een van deze misdrijven

16. Het is verbazingwekkend dat wordt gesproken over afbreuk aan de voorzienbaarheid in hoofde van de vermoedelijke dader, ingeval de ruime draagwijdte van het begrip universele rechtsmacht ingevoerd krachtens artikel 7 van de wet, in de interpretatieve wet wordt omschreven. Deze interpretatie geldt sedert tien jaar en is op vrijwel unanieme wijze gevolgd in de rechtspraak en in de rechtsleer, zoals de Raad van State trouwens erkent.

Het is evenwel het tegenovergestelde standpunt dat de kamer van inbeschuldigingstelling te Brussel sedert een aantal maanden aanneemt, waarbij de kamer het trouwens volledig oneens is met het parket. Dit standpunt brengt de voorzienbaarheid van de strafprocedure in hoofde van de rechtzoekende in het gedrang met betrekking tot de draagwijdte van de wet.

2. Beginsel dat de strafwet geen terugwerkende kracht heeft

17. Het is evenzeer verbazingwekkend te stellen dat het beginsel dat de strafwet geen terugwerkende kracht heeft op de helling wordt geplaatst ingeval het ontwerp van wet wordt goedgekeurd want, en wij onderstrepen zulks nogmaals, artikel 7 is vrijwel tien jaar op extensieve wijze toegepast. De tot dusver gangbare interpretatie wordt enkel door drie recente beslissingen van de kamer van inbeschuldigingstelling te Brussel op de helling geplaatst.

3. Gegeven dat in het tweede ontwerp van wet wordt geopteerd voor een wijzigende wet

18. Uit de lezing van het tweede voorstel van wet blijkt overduidelijk dat de opzet van dit voorstel niets gemeen heeft met die van het eerste voorstel : het wijzigende voorstel heeft tot doel nieuwe bepalingen in te voegen of bepalingen te wijzigen zodat zij een andere betekenis krijgen dan de niet-betwiste betekenis die zij tot dusver hadden. In het eerste geval, en de Raad van State erkent zulks ondanks zijn slotopmerking, kan « in beginsel » de wet een autentieke uitlegging van de wetten geven.

Overeenkomstig artikel 84 van de Grondwet is evenwel enkel de wetgever daartoe bevoegd.

4. Ander stelsel met betrekking tot de rechtsmacht naar gelang van de rechtsbron waarop het misdrijf gegrond is

19. Het is nooit de bedoeling van de tekst, noch van de uitlegging van de wet van 1993 geweest, te voorzien in afzonderlijke stelsels met betrekking tot de rechtsmacht naar gelang van de rechtsbron waarop de misdrijven bedoeld in de wet van 1993 zijn gegrond, wel integendeel. Artikel 7 is zonder onderscheid van toepassing op alle misdrijven bedoeld in de wet en huldigt de regel van de extraterritoriale rechtsmacht die voor die misdrijven geldt.

III. MOGELIJKHEDEN DIE MOETEN WORDEN UITGESLOTEN

20. Twee andere mogelijkheden moeten worden uitgesloten : een procedurewet en een wijzigende wet.

1. Procedurewet

21. Overeenkomstig het gemeen recht inzake de gerechtelijke procedure zijn procedurewetten, zodra zij zijn goedgekeurd, van toepassing op lopende zaken, dus ook op de feiten begaan voor de goedkeuring van de wet. In 1950 heeft het Hof van Cassatie gesteld dat zulks tevens geldt voor de procedurewetten die de rechtsmacht van de rechtbanken om kennis te nemen van bepaalde misdrijven met terugwerkende kracht uitbreiden (Cass., 5 juni 1950, Ps., 1950, I, 695).

In 1964 heeft het Hof van Cassatie met betrekking tot een zaak die veel gelijkenis vertoont met het huidige probleem evenwel geopteerd voor een totaal andere rechtspraak.

In het arrest van 12 oktober 1964 onderstreept het Hof van Cassatie met betrekking tot de toepasselijkheid van de wet van 16 maart 1964 tot wijziging van de wet van 17 april 1878, waarbij het Hof ermee instemde dat het misdrijf van afzetterij gepleegd in het buitenland door een Belg tegen een vreeemdeling in België werd vervolgd, het volgende :

« dans la mesure où elle étend la répression en Belgique à des faits commis hors du territoire du royaume, qui ne pouvaient pas être punis en Belgique sous l'empire des articles 7 et 8 de la loi du 17 avril 1878, la loi du 16 mars 1964 n'est pas applicable aux faits commis avant son entrée en vigueur » (Pas., 1965, I, 154).

Deze rechtspraak is veertig jaar later nog steeds actueel.

Dit soort voorstel van oplossing moet bijgevolg worden uitgesloten aangezien de wil van de wetgever in 1993 daaruit niet duidelijk blijkt en het niet overeenstemt met de ter zake doende bepaling van de Grondwet (artikel 84).

2. Wijzigende wet

22. Een wijzigende wet wordt gekenmerkt door het gegeven dat zij enkel van toepassing is op de feiten gepleegd na de inwerkingtreding ervan. Er is zopas aangetoond dat wetten die de procedure wijzigen in het kader van het onderzochte voorstel van wet exact dezelfde draagwijdte zouden hebben.

Ook dat voorstel van oplossing moet bijgevolg worden uitgesloten, aangezien de wil van de wetgever in 1993 daaruit niet duidelijk blijkt en het niet overeenstemt met de ter zake doende bepaling van de Grondwet (artikel 84).

23. Om die redenen moet worden geopteerd voor de goedkeuring van een interpretatieve wet.

24. Het arrest d.d. 19 december 2002 van het Arbitragehof (nr. 189/2002) inzake een interpretatieve wet brengt geen wijzigingen aan in de ter zake doende regelgeving.

Het Arbitragehof, dat zich uitspreekt over een interpretatieve wet inzake verjaring in burgerlijke zaken, onderstreept enkel dat zijn analyse met betrekking tot de geldigheidscriteria van een interpretatieve wet niet gelden voor de strafwetten. Bijgevolg moet men zich baseren op de traditionele rechtspraak van het Arbitragehof inzake interpretatieve wetten, zoals de Raad van State onderstreepte in zijn advies met betrekking tot het onderzochte voorstel van wet, dat aan de Raad van State in het kader van zijn voorlopig besluit de mogelijkheid bood erop te wijzen dat een interpretatieve wet in deze aangelegenheid in beginsel toegelaten is.

Alain DESTEXHE.
Philippe MAHOUX.
Vincent VAN QUICKENBORNE.
Jean CORNIL.
Josy DUBIÉ.
Meryem KAÇAR.
Martine TAELMAN.