Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 5-1467

van Bert Anciaux (sp.a) d.d. 23 februari 2011

aan de staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst FinanciŽn, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de Fiscale Fraude, toegevoegd aan de minister van FinanciŽn

Overheid - Band met het bedrijfsleven - Deontologie en transparantie - Voorkomen van belangenvermenging

betrekking tussen overheid en burger
openbaarheid van het bestuur
politieke moraal
economische ethiek
belangenconflict
minister
ambtenaar

Chronologie

23/2/2011Verzending vraag
18/4/2011Antwoord

Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 5-1450
Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 5-1451
Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 5-1452
Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 5-1453
Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 5-1454
Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 5-1455
Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 5-1456
Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 5-1457
Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 5-1458
Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 5-1459
Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 5-1460
Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 5-1461
Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 5-1462
Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 5-1463
Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 5-1464
Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 5-1465
Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 5-1466
Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 5-1468
Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 5-1469
Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 5-1470

Vraag nr. 5-1467 d.d. 23 februari 2011 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

Er bestaan veel en soms zeer intensieve banden tussen de overheid en het bedrijfsleven. In die relaties zit altijd het gevaar van belangenvermenging verscholen. Voor een alert toezicht en om vage verdachtmakingen met kracht te kunnen ontkennen, is een absolute transparantie met betrekking tot de verbanden of de verhoudingen tussen regeringsleden en topambtenaren enerzijds en het bedrijfsleven anderzijds daarom cruciaal. Dat zorgt voor een sterk vertrouwen in de onkreukbaarheid van uitvoerende politici.

Graag kreeg ik een antwoord op de volgende vragen.

1) Heeft u of hebben uw rechtstreekse medewerkers of topambtenaren rechtstreekse banden met een of meerdere privaatrechtelijke ondernemingen? Bezit u of bezitten uw rechtstreekse medewerkers aandelen van firma's waarmee de federale overheid een contractuele of een structurele band onderhoudt? Zo ja, om welke firma's gaat het?

2) Bent u lid van een raad van bestuur of eigenaar of mede-eigenaar van een privaatrechtelijke firma? Stelde u de regering hiervan op de hoogte?

3) Nam u deel aan beraadslagingen die een invloed konden of kunnen hebben voor die firma's? Indien die firma's op een of andere wijze een rechtstreekse band verwierven of verwerven met de overheid, hoe kan u die persoonlijke band verantwoorden?

4) Welke deontologische regels gelden binnen de regering? Hoe voorkomen die regels heel concreet een mogelijke belangenvermenging? Zijn reeds vermoedens gerezen of hebben zich al feiten van belangenvermenging voorgedaan? Zo ja, welke en met welke gevolgen? Nam u ontslag uit een of andere raad van bestuur wegens een band met een overheid?

Antwoord ontvangen op 18 april 2011 :

1. Wat de vraag 1 betreft, heb ik de eer te verwijzen naar het antwoord dat terzake voor de Federale Overheidsdienst (FOD) Financiën zal worden gegeven door de vice-eerste minister en minister van Financiën Didier Reynders.

2. Nee, ik ben geen lid van een raad van bestuur of eigenaar of mede-eigenaar van een privaatrechtelijke firma.

3. Nee.

4. Gelieve hieronder het antwoord van de kanselarij te vinden : “Op federaal vlak gelden verschillende regels ter zake. In de eerste plaats is er de wetgeving betreffende de mandatenlijst en vermogensaangifte. Vervolgens omschrijft de omzendbrief van de Eerste Minister van 21 december 2007 betreffende de privé-mandaten de modus vivendi voor de regeringsleden voor het uitoefenen van privé-mandaten. Ten slotte zijn er specifieke regelingen, zoals onder meer het verbod voor regeringsleden om in bepaalde bestuursraden zitting te hebben, ook na de uitoefening van hun ambt, of nog specifieke regels ter voorkoming van situaties van belangenvermenging in bijvoorbeeld de wetgeving overheidsopdrachten.

De wetten van 2 mei 1995 betreffende de verplichting om een lijst van mandaten, ambten en beroepen, alsmede een vermogensaangifte in te dienen, bepalen de verplichtingen voor het aangeven van een jaarlijkse mandatenlijst bij het Rekenhof, alsook een vermogensaangifte bij een wijziging in het aangifteplichtig mandaat in het voorafgaandelijke jaar. Deze wetten werden aangevuld en uitgevoerd door de wetten van 26 juni 2004.

Deze regelgeving kadert in de “doorzichtigheid” alsook in de context van de gelijke behandeling, namelijk dat de uitoefening van een functie geen onterecht voordeel mag opleveren aan diegene die ze uitoefent. De vermogensaangifte kan een element vormen om aan te tonen dat er geen onterechte verrijking heeft plaatsgevonden naar aanleiding van het uitoefenen van een ambt of een mandaat. Zo is de onderzoeksrechter in het kader van een strafrechtelijk onderzoek gemachtigd deze vermogensaangifte in te zien.

Deze wetten zijn op federaal vlak onder meer van toepassing op de regeringsleden, de directeurs van de beleidsorganen (cellen algemeen beleid, beleidscellen en secretariaten) alsook op de houders van een mandaatfunctie of een staffunctie binnen de federale overheidsdiensten.

De omzendbrief van de eerste minister van 21 december 2007 betreffende de privé-mandaten wijst erop dat in hoofde van de regeringsleden uiterste voorzichtigheid is geboden bij het uitoefenen van privé-mandaten tijdens de duur van hun ambt. De omzendbrief schrijft voor dat een regeringslid vanaf zijn benoeming en voor de duur van het ministerieel ambt, ontslag neemt uit elke bestuursfunctie die hij of zij in een VZW bekleedt. Indien men dit toch wenst verder te zetten, brengt men dit ter kennis van de eerste minister.

Wat de bestuursmandaten in privaat- of publiekrechtelijke vennootschappen betreft, kunnen enkel die mandaten die een algemeen belang vertegenwoordigen, worden verdergezet.

Ten slotte schrijft de omzendbrief ook voor dat de regeringsleden zich moeten onthouden van deelname aan de bespreking van, of van het nemen van een beslissing in, een dossier dat betrekking zou hebben op de vereniging of vennootschap waarin zij een mandaat uitoefenen.

Inzake overheidsopdrachten kan worden gewezen op de bepalingen van artikel 10 van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten. Dit artikel verbiedt iedere ambtenaar, openbare gezagsdrager of ieder ander natuurlijk of rechtspersoon belast met een openbare dienst, op welke wijze ook, rechtstreeks of onrechtstreeks tussen te komen bij de gunning van en het toezicht op de uitvoering van een overheidsopdracht van zodra hij persoonlijk of via een tussenpersoon, belangen heeft in één van de inschrijvende ondernemingen. Tevens voorziet dit artikel in een aantal, weerlegbare en onweerlegbare, vermoedens van belangenvermenging, alsook in een wrakingsplicht voor de situaties die worden getroffen door een onweerlegbaar vermoeden van belangenvermenging.

Hierbij aansluitend kan worden gewezen op de federale omzendbrief van de FOD Kanselarij van de eerste minister en de FOD Budget en Beheerscontrole betreffende overheidsopdrachten – deontologie – belangenvermenging – verklaringen op erewoord, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 21 juni 2010, die de toepassing van artikel 10 van de voormelde wet van 24 december 1993 omkadert met het oog op het sensibiliseren rond en het activeren van de erin vervatte maatregelen, met name door de verplichting tot het afleggen van een verklaring op erewoord.

De voormelde maatregelen maken deel uit van het federale preventieve integriteitsbeleid dat zelf kadert in de internationale verplichtingen ter zake (zie m.n. artikel 9, e, van de wet van 8 mei 2007 houdende instemming met het Verdrag van de Verenigde Naties tegen de corruptie, gedaan te New York op 31 oktober 2003; Belgische Saatsblad van 18 november 2008).

Het federale preventieve integriteitsbeleid wordt ontwikkeld door het Bureau voor Ambtelijke Ethiek en Deontologie van de FOD Budget en Beheerscontrole, onder de bevoegdheid van de minister van Begroting en de Staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de minister van Begroting.”