Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 5-3430

van Sabine de Bethune (CD&V) d.d. 17 oktober 2011

aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking, belast met Europese Zaken

Gelijke kansen - Beleidsmaatregelen - Acties - Uitgaven - 2010

gelijke behandeling
gelijke behandeling van man en vrouw
gendermainstreaming

Chronologie

17/10/2011 Verzending vraag
1/12/2011 Antwoord

Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 5-3416
Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 5-3417
Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 5-3418
Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 5-3419
Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 5-3420
Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 5-3421
Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 5-3422
Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 5-3423
Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 5-3424
Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 5-3425
Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 5-3426
Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 5-3427
Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 5-3428
Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 5-3429
Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 5-3431
Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 5-3432
Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 5-3433
Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 5-3434
Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 5-3435
Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 5-3436

Vraag nr. 5-3430 d.d. 17 oktober 2011 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

Het beleid inzake gelijke kansen voor vrouwen en mannen is een horizontale opdracht, niet enkel voor de bevoegde minister maar ook voor alle departementen.

Graag had ik het antwoord op de volgende vragen gekregen:

1) Welke concrete beleidsmaatregelen en acties hebt u in 2010 genomen ter bevordering van de gelijke kansen voor vrouwen en mannen en met welk resultaat?

2) Hoeveel werd er in 2010 effectief uitgegeven (volgens de rekeningen), in globo en per post, ter bevordering van de gelijke kansen voor vrouwen en mannen binnen uw bevoegdheidsdomein?

Antwoord ontvangen op 1 december 2011 :

Ik kan het geachte lid, in antwoord op haar vraag, volgende elementen meedelen.

1. De gelijkheid tussen vrouwen en mannen is een fundamenteel mensenrecht, een kwestie van sociale rechtvaardigheid. Gendergelijkheid en empowerment van vrouwen behoren tot de hoekstenen van inclusieve groei, armoedebestrijding en vermindering van ongelijkheid en van duurzame ontwikkeling en is een van de pijlers voor de verwezenlijking van alle Millenniumontwikkelingsdoelstellingen. 

De gelijkheid tussen vrouwen en mannen vormt dan ook de kern van het ontwikkelingsbeleid.

Omdat het in 2010 15 jaar geleden was dat de Wereldvrouwenconferentie van Peking in het leven werd geroepen en 10 jaar geleden dat de Millenniumtop plaatsvond, werd dat jaar ook veel aandacht besteed aan de gendervraagstukken. In juni 2010 hechtte de Raad op Europees niveau zijn goedkeuring aan een actieplan van de Europese Unie (2010-2015), in antwoord op de mededeling en de conclusies van de Raad inzake gendergelijkheid en empowerment van vrouwen in de ontwikkelingssamenwerking (2007). België werkte actief mee aan dit actieplan van de EU en ijverde voor de tenuitvoerlegging ervan. In september van dit jaar werd een eerste opvolgingsverslag over 2010-2011 aan de Europese Commissie voorgelegd. Het verslag maakt melding van de verschillende initiatieven die door België werden genomen.

Onze aandacht gaat in de eerste plaats uit naar vier actiegebieden:

gezondheid en seksuele en reproductieve rechten;

de uitvoering van Resolutie 1325 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties (2000) met als titel «Vrouwen, vrede en veiligheid» : het luik “Ontwikkelingssamenwerking” van het Belgisch nationaal actieplan voor de uitvoering van deze resolutie (2009) legt de nadruk op (i) empowerment van vrouwen in post-conflict- en wederopbouwsituaties en (ii) de bestrijding van seksueel geweld;

onderwijs voor meisjes en opleiding voor vrouwen (technische en beroepsopleiding);

–  deelname van vrouwen aan de economische ontwikkeling, meer in het bijzonder in de landbouwsector.

Er wordt in drie domeinen actie ondernomen:

Politieke actie: het gendervraagstuk komt systematisch aan bod in de beleidsdialoog met onze partnerlanden (tijdens gemengde commissies maar ook tijdens partnercomités), met de internationale partnerorganisaties en met de indirecte Belgische en lokale actoren (ngo’s, wetenschappelijke instellingen, universiteiten, enz.).

Ontwikkelingssamenwerking: de centrale rol die vrouwen vervullen op het gebied van groei en armoedebestrijding en de problemen waarmee ze te maken hebben, alsmede het nationale beleid ter zake, moeten systematisch in aanmerking worden genomen bij de opstelling, de uitvoering en de follow-up van de Indicatieve Samenwerkingsprogramma’s die met de partners worden gesloten.

Versterking van de institutionele capaciteit van de DGD: er worden methodologieën en instrumenten verzameld en ter beschikking gesteld van het personeel bij het hoofdbestuur en op het terrein.  Tijdens de dagen voor de attachés ontwikkelingssamenwerking worden aan de attachés alsmede aan het personeel van de verschillende directies gerichte opleidingen gegeven.

Rekening houdend met deze actielijnen werd de laatste jaren een grotere inspanning geleverd om de genderdimensie in het beleid, de sectorgerichte strategieën en de verschillende samenwerkingskanalen te integreren.

Nadat in 2010 heel wat overleg werd gepleegd, vormen gendergelijkheid en empowerment van vrouwen op het platteland nu de vierde pijler van de nieuwe strategie van de Belgische ontwikkelingssamenwerking inzake landbouw en voedselzekerheid (2011). Deze strategie zet de bakens uit voor de doeltreffende uitvoering van het Belgische engagement om het aandeel van de landbouw in de officiële ontwikkelingshulp tegen 2015 te verhogen tot 15% en ze rekent plattelandsvrouwen tot de ontwikkelingsactoren. De Belgische interventies dienen de economische verzelfstandiging en de capaciteit van de vrouwen op het platteland te versterken, in het bijzonder door hun toegang tot hulpbronnen, productiemiddelen en besluitvorming op alle niveaus te verbeteren.

In het kader van de gouvernementele samenwerking.

- In 2010 werden nieuwe ministeriële instructies opgesteld met het oog op de voorbereiding van de Indicatieve Samenwerkingsprogramma’s (ISP's) en van de gemengde commissies met de partnerlanden. In februari 2011 werden deze instructies naar de diplomatieke posten gestuurd. Ze leggen, meer dan voorheen, de nadruk op een daadwerkelijke integratie van gendergelijkheid in het voorbereidingsproces van de ISP's, meer bepaald in de sectoranalyse. Ze bevestigen eveneens het streefdoel 50% van de bilaterale studie- en stagebeurzen voor te behouden voor vrouwelijke kandidaten en 50% van de microkredietprogramma’s voor lokale gemeenschappen aan te wenden voor activiteiten ter bevordering van het empowerment van vrouwen. Het budget dat wordt uitgetrokken voor de “gedelegeerde samenwerking” is specifiek bestemd voor programma’s die buiten de sectoren van de ontwikkelingssamenwerking vallen en die gericht zijn op transversale vraagstukken zoals gendergelijkheid, geweld tegen vrouwen enz.. Op basis van deze nieuwe instructies worden in het kader van de voorbereiding van de ISPs ter plaatse « genderworkshops » georganiseerd waar aandacht wordt besteed aan een betere integratie van de genderdimensie in de concentratiesectoren. In 2011 was de integratie van de genderdimensie in de ISP's met Rwanda (mei 2011) en Vietnam (juni 2011) gebaseerd op de analyse en de aanbevelingen van lokale vrouwelijke genderdeskundigen. Deze analyse en aanbevelingen werden goedgekeurd tijdens een specifieke workshop waaraan door de verschillende stakeholders werd deelgenomen. Om de integratie van de genderdimensie in de concentratiesectoren grondiger te bestuderen, onderwierp de BTC de concentratiesectoren aan een aantal analyses (Marokko, Burundi, DR Congo). Daarnaast zijn een aantal overeenkomsten voor gedelegeerde samenwerking toegespitst op gendergelijkheid.  Zo werd in 2010 een overeenkomst gesloten met UNIFEM in Burundi voor een bedrag van 5.108 miljoen dollar dat bestemd is voor het nationale programma "Burundi ondersteunen om zijn verbintenissen op het gebied van gendergelijkheid, vrouwenrechten en empowerment in daden om te zetten”.

- Met het oog op een goede opvolging van deze instructies worden regelmatig “genderspecifieke” opleidingen georganiseerd voor de attachés ontwikkelingssamenwerking en voor de landenbeheerders. Daarnaast ontwikkelde het Institute of Development Policy and Management van de Universiteit Antwerpen in 2009 en 2010, in het kader van een beleidsondersteunend onderzoek onder de naam « Improved aid architecteure and aid effectiveness », methodologieën voor een betere integratie van de genderdimensie in de voorbereiding van de ISP's en de Gemengde Commissies, met name in de sector landbouw/plattelandsontwikkeling. Er werd een werkgroep opgericht om richtlijnen op te stellen op basis van dit onderzoek en van de daaruit getrokken lessen.

- De jongste jaren werden grote inspanningen geleverd met het oog op de integratie van de genderdimensie in de ISP's met Benin, Mali, Niger, Marokko, Senegal, Burundi en de DR Congo en met het oog op de uitvoering van de ISP's..

- Op het terrein werden in een aantal partnerlanden op initiatief van de attachés samenwerking gendernetwerken opgericht. Zo werd in 2010 in Benin bijvoorbeeld gestalte gegeven aan een netwerk bestaande uit alle actoren van de Belgische ontwikkelingssamenwerking. De taak van dit netwerk behelst de integratie van de genderdimensie in de projecten inzake voedselzekerheid. Ook in Senegal, waar België op gendergebied een voortrekkersrol vervult in de sector water en sanitaire voorzieningen, werd een soortgelijk netwerk in het leven geroepen.

- In het kader van de multilaterale samenwerking, gaan sinds januari 2009 de bijdragen van het budget van de Belgische multilaterale samenwerking naar de financiering van de algemene middelen van de partnerorganisaties. De Belgische samenwerking financiert dus geen genderspecifieke programma’s meer.

In deze nieuwe situatie waarin een maximale bijdrage bestemd is voor de algemene middelen van de multilaterale organisaties, ziet de Belgische samenwerking erop toe dat de bevordering van gendergelijkheid en empowerment van vrouwen wordt meegenomen in de doelstellingen van de multilaterale VN-agentschappen die ze financiert en dat de genderdimensie op transversale wijze geïntegreerd wordt in hun beleidsmaatregelen, ontwikkelingsstrategieën en –acties en mee in aanmerking wordt genomen bij het meten van de resultaten.  Het genderthema staat op de agenda van de jaarlijkse overlegbijeenkomsten met deze organisaties en komt ook aan bod in de raden van bestuur.

In 2010 verleende België politieke steun aan de oprichting van UNIFEM (Resolutie 64/289 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties) en aan haar leidende positie op gendergebied, zowel uit normatief als uit operationeel oogpunt.

- In het kader van de indirecte samenwerking werd naar aanleiding van de Overeenkomst die de Minister van Ontwikkelingssamenwerking en de Belgische ontwikkelingsngo’s op 8 mei 2009 ondertekenden, een nieuw beoordelingsrooster uitgewerkt voor de programma’s en de projecten van de ngo’s. De genderdimensie werd in het beoordelingsrooster als transversaal criterium geïntegreerd om de nieuwe meerjarenprogramma’s en projecten te beoordelen. Ze komt ook regelmatig aan bod in de “politieke dialoog” met voornoemde organisaties. De genderdimensie wordt ook meegewogen in de werkzaamheden van de beleidsondersteunende werkgroepen waarin universitaire onderzoekers zich buigen over verschillende thema’s zoals landbouw en voedselzekerheid, gezondheid, hulpdoeltreffendheid, vrede en veiligheid, enz.

- De genderdimensie is ook een aandachtspunt in het kader van speciale interventies, meer bepaald van het nieuwe Belgisch Fonds voor Voedselzekerheid dat bij wet van 3 december 2009 werd opgericht. Gendergelijkheid en empowerment van vrouwen bekleden een belangrijke plaats in de multidimensionale strategie betreffende de strijd voor voedselzekerheid in sub-Sahara Afrika van het Fonds. Daarnaast moet melding worden gemaakt van de integratie van de genderdimensie in humanitaire hulp, met name de voorrang die wordt gegeven aan de seksuele en reproductieve gezondheid.

De DGD organiseerde in 2010 acties om het Belgische publiek voor het thema gendergelijkheid te sensibiliseren of ondersteunde sensibiliseringsacties ter zake die door derden op touw werden gezet (informatiecampagnes, publicaties, conferenties, films, enz.). Deze acties hadden plaats in het kader van de Millenniumtop + 10 en de Conferentie van Peking + 15.

2. Gendergericht budget en vooruitzichten

Wat de « gendermainstreaming » betreft, beschikt de DGD niet over een aparte budgetlijn voor de ondersteuning van de gelijkheid tussen vrouwen en mannen.

Om de vooruitgang inzake integratie van de genderdimensie te meten, gebruikt de DGD het notificatiesysteem van het Ontwikkelingscomité (DAC) van de OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling).  Dit systeem omvat, enerzijds, een sectorcode betreffende de ondersteuning van vrouwenorganisaties en –instellingen en, anderzijds, een “gender policy marker”.

De “gender policy marker” is een beoordelingssysteem met drie waarden:

Waarde 2: De interventie is hoofdzakelijk op gendergelijkheid gericht.

Waarde 1: De interventie draagt bij tot gendergelijkheid (belangrijke doelstelling), maar gendergelijkheid is niet het hoofddoel.

Waarde 0 : De interventie is niet op gendergelijkheid gericht.

Wordt er geen waarde vermeld (N), dan werd de activiteit niet getoetst aan de“gender policy marker”.

De gender policy marker wordt bij bepaalde vormen van hulp niet toegepast: staatsleningen, sommige acties in verband met schuldkwijtschelding.

Het gebruik van de “gender policy marker” werd in 2010 binnen de DGD geanalyseerd met de bedoeling de criteria voor het gebruik ervan door de verschillende diensten te verfijnen en de kwaliteit van de resultaten te verbeteren.

Zoals in de andere lidstaten van het DAC van de OESO bevordert de Belgische samenwerking de gendermainstreaming.  Budgettair vertaalt zich dat door het zeer grote aandeel van interventies waaraan een waarde 1 wordt toegekend (belangrijke doelstelling).

Volgens ramingen aan de hand van de “gender policy marker” werd in 2010 ten laste van de federale begroting ontwikkelingssamenwerking (ODA) 62 594 miljoen euro uitgegeven (5,03 % van de begroting), voor interventies die hoofdzakelijk gericht zijn op gendergelijkheid (hoofddoelstelling – waarde 2), terwijl dat in 2009 nog 75 987 miljoen euro was, wat dus wijst op een lichte daling.  Met betrekking tot de interventies die bijdragen tot gendergelijkheid (waarde 1 – belangrijke doelstelling), gaat het in 2010 over 738 354 miljoen euro (59,28 % van de begroting) tegenover 652 502 miljoen euro in 2009 (56,09 %), zijnde een stijging met meer dan 3 % in verhouding tot het totaal van de uitgaven.

In absolute cijfers stijgt het aandeel van de interventies die rekening houden met de genderdimensie tussen 2009 en 2010 met 72  459 239 euro (waarde 1 en 2).



Gender

Uitgaven

2009

Uitgaven 2010

% in 2009%

% in 2010%






Totaal N1

18.318.289

14.617.323

1,57%

1,17%

Totaal 0

416.493.707

429.913.528

35,80%

34,52%

Totaal 1

652.501.994

738.354.270

56,09%

59,28%

Totaal 2

75.986.745

62.593.708

6,53%

5,03%

Totaal 1 en 2

728.488.739

800.947.978

62,62

64,31

Volledig totaal

1.163.300.736

1.245.478.829

100%

100%



1N = marker niet gehanteerd