5-1055/1

5-1055/1

Belgische Senaat

ZITTING 2010-2011

30 MEI 2011


Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen, wat betreft de berekening van de solidariteitsbijdrage voor de pensioenen

(Ingediend door de heer Dirk Claes c.s.


TOELICHTING


Dit wetsvoorstel neemt de tekst over van een wetsvoorstel dat op 28 december 2010 werd ingediend in de Kamer van volksvertegenwoordigers (stuk Kamer, nr. 53-0914/001).

Sedert 1 januari 1995 is er sprake van een solidariteitsbijdrage die van toepassing is op de pensioenbedragen die een welbepaald niveau overschrijden. Het bijdragepercentage varieert tussen 0,5 en 2 % van het pensioenbedrag, afhankelijk van de hoogte ervan. De motivatie voor de invoering van deze solidariteitsbijdrage was de aftopping van de hogere pensioenen ten voordele van een verhoging van de kleinere pensioenen.

Voor de vaststelling van het globaal pensioen worden ook de kapitalen uit groepsverzekeringen in aanmerking genomen. Deze keuze van de wetgever valt niet te betwisten, gezien de opbouw van aanvullende pensioenrechten vooral plaatsvond onder de hogere inkomenscategorieën. Wel betwistbaar was dat men bij de inwerkingtreding van de wet in 1995 ervoor opteerde om ook kapitalen in aanmerking te nemen die vóór deze inwerkingtreding waren ingegaan. Dit ging zelfs tot vijftien jaar terug. Door heel wat seniorenorganisaties werd deze bepaling in strijd geacht met artikel 1 van het Burgerlijk Wetboek : « De wet beschikt alleen voor het toekomende; zij heeft geen terugwerkende kracht. » Verschillende seniorenorganisaties gingen naar de rechtbank om deze regel met terugwerkende kracht aan te vechten. Andere organisaties gingen in overleg met het kabinet van de minister van Pensioenen en met het Raadgevend Comité voor de Pensioenen (RCP). Uiteindelijk kwam er in het najaar van 1996 een overeenkomst tot stand die inhield dat de kapitalen die ingegaan waren vóór de inwerkingtreding van de wet, na een periode van 15 jaar niet meer in aanmerking zouden genomen worden voor de berekening van de hoogte van de solidariteitsbijdrage. De motivatie lag in het feit dat men ervan uitging dat het kapitaal tegen dan toch helemaal opgebruikt zou zijn.

Tot hun onaangename verrassing kwamen de seniorenorganisaties nadien bij het zien van de uitvoeringsbesluiten tot de vaststelling dat er weliswaar geen solidariteitsbijdrage meer geheven wordt op de fictieve rente, maar dat deze rente wel nog meetelde bij het bepalen van het percentage van de solidariteitsbijdrage. Als argument voor deze beslissing werd door het kabinet Pensioenen aangehaald dat pensioenen die in het buitenland verworven zijn en door buitenlandse instanties betaald worden, ook op dergelijke wijze behandeld worden. Deze vergelijking kan echter niet opgaan aangezien de buitenlandse pensioenen werkelijk uitbetaald worden terwijl de fictieve renten in een systeem van verleving niet meer bestaan.

Een wijziging van de wetgeving is dan ook dringend vereist. Het kan nooit de bedoeling zijn dat door het in aanmerking nemen van fictieve renten uit verleefd kapitaal een hele reeks gepensioneerden solidariteitsbijdrage moet betalen in tegenstelling tot anderen die nochtans een reëel hoger pensioen kunnen hebben. Het is daarom noodzakelijk dat er een volledige uitdoving komt van aanrekening van pensioenkapitaal ongeacht de datum van uitbetaling, vanaf 1 juli van het jaar dat volgt op de vijftiende verjaardag van de uitbetaling van het kapitaal of de ingangsdatum van het pensioen.

Na deze periode mag er dus geen solidariteitsbijdrage meer geheven worden op pensioenkapitaal. Eveneens mag het pensioenkapitaal dan niet meer meetellen voor het bepalen van het percentage van de solidariteitsbijdrage.

Dirk CLAES
Cindy FRANSSEN
Rik TORFS.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

Artikel 68, § 9 van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen, wordt vervangen als volgt :

« § 9. De met toepassing van paragraaf 4 uit te voeren afhouding, die overeenstemt met fictieve renten die beantwoorden aan in de vorm van in kapitaal uitbetaalde pensioenen of aanvullende voordelen, wordt niet meer uitgevoerd :

a) vanaf 1 juli 1997, op de vóór 1 juli 1981 uitbetaalde kapitalen, indien het pensioen is ingegaan vóór 1 juli 1981 of vanaf 1 juli van het jaar dat volgt op de vijftiende verjaardag van de ingangsdatum van het pensioen, als dit is ingegaan na de uitbetaling van het kapitaal;

b) op de vanaf 1 juli 1981 uitbetaalde kapitalen, hetzij vanaf 1 juli van het jaar dat volgt op de vijftiende verjaardag van de uitbetaling van het kapitaal, indien het pensioen reeds ingegaan is op het ogenblik van de uitbetaling van het kapitaal, hetzij vanaf 1 juli van het jaar dat volgt op de vijftiende verjaardag van de ingangsdatum van het pensioen, als dit is ingegaan na de uitbetaling van het kapitaal.

De in het eerste lid bedoelde kapitalen worden niet in aanmerking genomen voor de berekening van de hoogte van het percentage van de met toepassing van paragraaf 4 uit te voeren afhouding. »

24 maart 2011.

Dirk CLAES
Cindy FRANSSEN
Rik TORFS.