1-614/14

1-614/14

Belgische Senaat

ZITTING 1998-1999

9 MAART 1999


Wetsvoorstel tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek en van de wet van 5 augustus 1991 tot bescherming van de economische mededinging

Wetsvoorstel tot invoeging van een artikel 309bis in het Gerechtelijk Wetboek en wijziging van artikel 20 van de wet van 5 augustus 1991 tot bescherming van de economische mededinging


AANVULLEND VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE FINANCIËN EN DE ECONOMISCHE AANGELEGENHEDEN UITGEBRACHT DOOR DE HEREN HOTYAT EN D'HOOGHE


I. INLEIDING VAN DE VOORZITTER

Op 6 januari 1999 heeft de commisse het verslag van de heren Hotyat en D'Hooghe over de twee wetsvoorstellen betreffende de wet van 5 augustus 1991 tot bescherming van de economische mededinging goedgekeurd.

Na de goedkeuring van het verslag heeft de parlementaire overlegcommissie gewezen op het probleem van de kwalificatie van sommige artikelen van die voorstellen.

Zonder dat dit punt op de agenda van de parlementaire overlegcommissie van 12 januari 1999 stond, heeft de Kamervoorzitter immers van de gelegenheid gebruik gemaakt om op het einde van de vergadering de door de commissie aangenomen tekst van het wetsvoorstel nr. 614 ter sprake te brengen.

Artikel 1 van die tekst bepaalt dat de artikelen 2, 3, 4, 7, 8, 10, 11, 12, 13, 16, 17, 21, 22, 26, 27, 28, 33, 34 en 35 een aangelegenheid regelen als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet en dat de andere artikelen aangelegenheden regelen als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

De Kamervoorzitter heeft zich afgevraagd waarom de Senaat zover is afgeweken van de afspraak die gemaakt was in het begin van de zittingsperiode. De overheveling bestaat erin het wetsvoorstel te splitsen in twee aparte voorstellen waarbij het ene de aangelegenheden als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet regelt en het andere de aangelegenheden als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet. Na de overzending van de tekst door de Senaat aan de Kamer zou de Kamer in ieder geval het wetsvoorstel nr. 614 gesplitst hebben en zou een pendelbeweging Kamer-Senaat noodzakelijk zijn geweest om de amendementen van de Kamer te onderzoeken.

De parlementaire overlegcommissie heeft vastgesteld dat de artikelen die de aangelegenheden als bedoeld in artikel 77 regelen en de artikelen die de aangelegenheden als bedoeld in artikel 78 regelen, zo nauw met elkaar verweven zijn dat het zeer moeilijk is ze van elkaar te onderscheiden. Men heeft er daarenboven op gewezen dat, ook al is er een sprake over dit punt gemaakt, die afspraak geen absolute regel is en men grondwettelijk niet verplicht is de twee voorstellen te splitsen. Het gaat eigenlijk om een aanbeveling van de Raad van State die de regering en ook het Parlement gevolgd hebben.

De voorzitter van de commissie voor de Financiën en de Economische Aangelegenheden heeft de parlementaire overlegcommissie erop gewezen dat de aangenomen tekst en het verslag in dit geval tot stand zijn gekomen met de actieve medewerking van de regering. Oorspronkelijk ging het om twee wetsvoorstellen die volstrekt in overeenstemming waren met de aanbevelingen van de Raad van State, doch in de loop van de debatten zijn amendementen ingediend die geen rekening meer hielden met het onderscheid. Opgemerkt zij dat de heer D'Hooghe in zijn amendement nr. 59 had voorgesteld te bepalen welke artikelen die aangelegenheden als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet regelen en welke artikelen de aangelegenheden als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet regelen. Dit amendement werd door de commissie aangenomen.

Om de dubbele pendelbeweging Kamer-Senaat te voorkomen, hebben de vertegenwoordigers van de Senaat in de parlementaire overlegcommissie beslist dat de Senaat zou overgaan tot de splitsing van het wetsvoorstel nr. 614.

Op 14 januari 1999 heeft de plenaire vergadering van de Senaat de twee wetsvoorstellen betreffende de wet van 5 augustus 1991 tot bescherming van de economische mededinging dus teruggezonden naar de commissie met het oog op de splitsing van de teksten overeenkomstig het advies van de overlegcommissie.

Die aanpassing is zeer ingewikkeld. Eerst moet de aard van elk artikel bepaald worden (dit kan er zelf toe leiden dat bepaalde artikelen in twee of meer delen worden opgesplitst) en vervolgens moeten de verwijzingen naar andere artikelen worden nagegaan.

Op 15 januari 1999 hebben de heer Hotyat c.s. een eerste reeks amendementen ingediend en op 26 januari 1999 hebben de heer D'Hooghe en mevrouw Williame-Boonen een tweede en een derde reeks ingediend.

Op 1 februari 1999 heeft de voorzitter van de Senaat de Raad van State om advies gevraagd over die drie reeksen amendementen. De Raad van State heeft zijn advies uitgebracht op 19 februari 1999 (zie Stuk Senaat, nr. 1-614/12).

Op 2 maart 1999 zijn nieuwe amendementen ingediend om de teksten aan te passen aan alle opmerkingen die in het advies van de Raad van State geformuleerd zijn. Die amendementen zijn door de commissie besproken tijdens haar vergadering van 9 maart 1999.

Een commissielid is van mening dat het advies van de Raad van State zeer nuttig was omdat het toegelaten heeft de amendementen te herzien, zodat de uiteindelijke aangenomen teksten minder betwist zullen worden door de Kamer van volksvertegenwoordigers.

Een ander commissielid voegt hieraan toe dat het advies van de Raad van State weliswaar klaar en duidelijk is, doch de gevolgde werkwijze om tegemoet te komen aan de opmerkingen van de Raad is voor betwisting vatbaar. Volgens spreker is de behandeling van deze wetsvoorstellen zeer onoverzichtelijk geworden en is het risico op fouten groot. Zo worden door de amendementen twee artikelen 43bis , met een verschillende inhoud, in de bestaande wet ingevoerd. Deze fout moet rechtgezet worden. Wellicht zijn er nog andere onjuistheden. Het is echter ondoenbaar een overzicht van het geheel te hebben. De commissie bewijst de Senaat een slechte dienst door de bespreking op een drafje af te werken. De voorgestelde wetswijziging kan al niet goedgekeurd worden; door de huidige werkwijze zullen er nog meer problemen rijzen.

II. BESPREKING VAN DE AMENDEMENTEN

1. Opschrift

Op de wetsvoorstel nr. 1-417 dienen de heer Hotyat c.s. amendement nr. 27 in :

Opschrift

« Het opschrift vervangen als volgt :

« Wetsvoorstel tot wijziging van sommige artikelen van de wet van 5 augustus 1991 tot bescherming van de economische mededinging. »

Verantwoording

Om de artikelen 77 en 78 van de Grondwet in acht te nemen is het gebruikelijk de aangelegenheden die onder het ene of onder het andere artikel vallen, ook in afzonderlijke wetsontwerpen of wetsvoorstellen onder te brengen.

Dat vergemakkelijkt zo nodig de werkverdeling tussen beide Kamers.

In dit voorstel werd dat niet gedaan. Dit wordt dan ook verholpen door de artikelen op te heffen die in het andere voorstel (Stuk 614), dat betrekking heeft op hetzlfde onderwerp en gelijktijdig is besproken, onder artikel 77 van de Grondwet vallen en ze in dit voorstel (Stuk 417) onder te brengen, dat alleen bepalingen bevat die onder hetzelfde artikel 77 van de Grondwet vallen.

Met dat doel zijn enkele bijkomende wijziginge nodig, zoals het opschrift en de bepalingen over de inwerkingtreding.

De Raad van State merkt op dat hoewel het gebruikelijk is te schrijven « wetsvoorstel tot wijziging van de wet van ... » het in voorkomend geval ook aanvaardbaar is te schrijven « voorstel van wet tot wijziging van sommige artikelen van de wet van 5 augustus 1991 » omdat de toepassing van de gebruikelijke regel tot gevolg kan hebben dat wetsvoorstel nr. 1-417 hetzelfde opschrift draagt als wetsvoorstel nr. 1-614.

Het amendement wordt eenparig aangenomen door de 10 aanwezige leden.

2. Artikel 1 van voorstel nr. 1-614

De heer Hotyat c.s. dienen amendement nr. 168 in :

« Dit artikel vervangen als volgt :

« Dit voorstel regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet. »

Verantwoording

Om de artikelen 77 en 78 van de Grondwet in ahct te nemen is het gebruikelijk de aangelegenheden die onder het ene of onder het andere artikel vallen, ook in afzonderlijke wetsontwerpen of wetsvoorstellen onder te brengen.

Dat vergemakkelijkt zo nodig de werkverdeling tussen beide Kamers.

In dit voorstel werd dat niet gedaan. Dit wordt dan ook verholpen door de artikelen op te heffen die in dit voorstel (stuk 614) onder artikel 77 van de Grondwet vallen en ze onder te brengen in het andere voorstel (stuk 417), dat over hetzelfde onderwerp gaat en gelijktijdig is besproken, maar dat alleen bepalingen bevat die onder hetzelfde artikel 77 van de Grondwet vallen.

Het amendement wordt aangenomen met 8 stemmen bij 2 onthoudingen.

3. Artikel 1bis van wetsvoorstel nr. 417-1 en artikel 5 van wetsvoorstel nr. 1-614

De heer D'Hooghe dient de volgende amendementen in :

­ amendement nr. 181 op wetsvoorstel nr. 1-614 :

« Dit artikel doen vervallen. »

­ amendement nr. 40 op wetsvoorstel nr. 1-417 :

« Een artikel 1bis (nieuw) invoegen, luidende :

« Artikel 1bis. ­ Artikel 10 van de wet van 5 augustus 1991 tot bescherming van de economische mededinging wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 10. ­ § 1. Voor de concentraties is de voorafgaande goedkeuring nodig van de Raad voor de Mededinging (1), die vaststelt of ze al of niet toelaatbaar zijn, rekening houdend met :

a) de noodzaak een daadwerkelijke mededinging op de nationale markt te handhaven en te ontwikkelen in het licht van met name de structuur van alle betrokken markten en van de bestaande of potentiële mededinging van binnen of buiten het Koninkrijk gevestigde ondernemingen;

b) de positie op de markt van de betrokken ondernemingen, hun economische en financiële macht, de keuzemogelijkheden en leveranciers en afnemers, hun toegang tot voorzieningsbronnen en afzetmarkten, het bestaan van juridische of feitelijke hinderpalen voor de toegang tot de markt, de ontwikkeling van vraag naar en aanbod van de betrokken producten en diensten, de belangen van de tussen- en eindverbruikers, alsmede de ontwikkeling van de technische en economische vooruitgang voor zover deze in het voordeel van de consument is en geen belemmering vormt voor de mededinging.

§ 2. Concentraties die geen machtspositie in het leven roepen of versterken die tot gevolg heeft dat een daadwerkelijke mededinging op de nationale markt of een wezenlijk deel daarvan op significante wijze wordt belemmerd, moeten toelaatbaar verklaard worden.

§ 3. Concentraties die een machtspositie in het leven roepen of versterken die tot gevolg heeft dat een daadwerkelijke mededinging op de gemeenschappelijke markt of een wezenlijk deel daarvan op significante wijze wordt belemmerd, moeten ontoelaatbaar verklaard worden.

§ 4. Indien de oprichting van een gemeenschappelijke onderneming die een concentratie vormt in de zin van artikel 9, de coördinatie beoogt of tot stand brengt van het concurrentiegedrag van ondernemingen die onafhankelijk blijven, dan wordt die coördinatie beoordeeld overeenkomstig de criteria van artikel 2, teneinde vast te stellen of de transactie al dan niet toelaatbaar is.

Bij die beoordeling houdt de Raad voor de Mededinging onder meer rekening met :

­ het significant en gelijktijdig actief blijven van twee of meer oprichtende ondernemingen op dezelfde markt als die van de gemeenschappelijke onderneming, op een downstream- of upstreammarkt van laatstgenoemde markt of op een nauw met die markt verbonden aangrenzende markt;

­ de mogelijkheid die aan de betrokken ondernemingen wordt gegeven om, via de coördinatie die het rechtstreekse gevolg is van de oprichting van de gemeenschappelijke onderneming, de mededinging voor een wezenlijk deel van de betrokken producten en diensten uit te schakelen.

§ 5. Wanneer het algemeen belang dit rechtvaardigt, mag de Ministerraad ambtshalve of op verzoek van de partijen, de oprichting toestaan van een concentratie die door de Raad voor de Mededinging als onaanvaardbaar wordt beschouwd volgens de bepalingen vervat in artikel 34bis. »

Die amendementen halen het ontworpen artikel 10 van de wet van 5 augustus 1991 uit wetsvoorstel nr. 1-614 om het onder te brengen in wetsvoorstel nr. 1-417. Dit artikel omschrijft de bevoegdheid van de Raad voor de Mededinging inzake concentraties.

Volgens de Raad van State ligt de eigenlijke bevoegdheidsopdracht aan de Raad vervat in de inleidende zin van § 1 van het ontworpen artikel 10. Enkel dit onderdeel valt onder de volledig bicamerale procedure; de overige bepalingen van § 1, alsook de §§ 2 tot 4 betreffen de criteria die de Raad hanteert bij het beoordelen van de concentraties, zodat het bepalingen betreft die volgens de gedeeltelijk bicamerale procedure moeten worden behandeld (2).

Ten gevolge van het advies van de Raad van State trekt de indiener zijn amendementen in en de heren Weyts c.s. dienen de volgende amendementen in :

­ amendement nr. 189 op wetsvoorstel nr. 1-614 :

« In artikel 10 van dezelfde wet, zoals gewijzigd door de wet van ... tot wijziging van sommige artikelen van de wet van 5 augustus 1991 tot bescherming van de economische mededinging, de volgende paragrafen toevoegen; de huidige tekst wordt § 1 :

« § 2. Bij de beslissing, zoals bedoeld in § 1, houdt de Raad rekening met :

a) de noodzaak een daadwerkelijke mededinging op de nationale markt te handhaven en te ontwikkelen in het licht van met name de structuur van alle betrokken markten en van de bestaande of potentiële mededinging van binnen of buiten het Koninkrijk gevestigde ondernemingen;

b) de positie op de markt van de betrokken ondernemingen, hun economische en financiële macht, de keuzemogelijkheden van leveranciers en afnemers, hun toegang tot voorzieningsbronnen en afzetmarkten, het bestaan van juridische of feitelijke hinderpalen voor de toegang tot de markt, de ontwikkeling van vraag naar en aanbod van de betrokken producten en diensten, de belangen van de tussen- en eindverbruikers, alsmede de ontwikkeling van de technische en economische vooruitgang voor zover deze in het voordeel van de consument is en geen belemmering vormt voor de mededinging.

§ 3. Concentraties die geen machtspositie in het leven roepen of versterken die tot gevolg heeft dat een daadwerkelijke mededinging op de nationale markt of een wezenlijk deel daarvan op significante wijze wordt belemmerd, moeten toelaatbaar verklaard worden.

§ 4. Concentraties die een machtspositie in het leven roepen of versterken die tot gevolg heeft dat een daadwerkelijke mededinging op de gemeenschappelijke markt of een wezenlijk deel daarvan op significante wijze wordt belemmerd, moeten ontoelaatbaar verklaard worden.

§ 5. Indien de oprichting van een gemeenschappelijke onderneming die een concentratie vormt in de zin van artikel 9, de coördinatie beoogt of tot stand brengt van het concurrentiegedrag van ondernemingen die onafhankelijk blijven, dan wordt die coördinatie beoordeeld overeenkomstig de criteria van artikel 2, teneinde vast te stellen of de transactie al dan niet toelaatbaar is.

Bij die beoordeling houdt de Raad voor de Mededinging onder meer rekening met :

­ het significant en gelijktijdig actief blijven van twee of meer oprichtende ondernemingen op dezelfde markt als die van de gemeenschappelijke onderneming, op een downstream- of upstreammarkt van laatstgenoemde markt of op een nauw met die markt verbonden aangrenzende markt;

­ de mogelijkheid die aan de betrokken ondernemingen wordt gegeven om, via de coördinatie die het rechtstreekse gevolg is van de oprichting van de gemeenschappelijke onderneming, de mededinging voor een wezenlijk deel van de betrokken producten en diensten uit te schakelen.

§ 6. Wanneer het algemeen belang dit rechtvaardigt, mag de Ministerraad ambtshalve of op verzoek van de partijen, de oprichting toestaan van een concentratie die door de Raad voor de Mededinging als onaanvaardbaar wordt beschouwd volgens de bepalingen vervat in artikel 34bis. »

Verantwoording

Zie de verantwoording bij amendement nr. 187.

­ amendement nr. 48 op wetsvoorstel nr. 1-417 :

« Een artikel 1bis (nieuw) invoegen, luidende :

« Artikel 1bis. ­ Artikel 10 van de wet van 5 augustus 1991 tot bescherming van de economische mededinging wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 10. ­ Voor de concentraties is de voorafgaande goedkeuring nodig van de Raad voor de Mededinging, die vaststelt of ze al of niet toelaatbaar zijn. »

Verantwoording

Zie de verantwoording bij amendement nr. 46.

De amendementen nrs. 189 en 48 worden aangenomen met 8 stemmen bij 2 onthoudingen.

4. Artikel 1ter van wetsvoorstel nr. 1-417 en artikel 8 van wetsvoorstel nr. 1-614

De heer D'Hooghe dient de volgende amendementen in :

­ amendement nr. 182 op wetsvoorstel nr. 1-614 :

« Dit artikel doen vervallen. »

­ amendement nr. 41 op wetsvoorstel nr. 1-417 :

« Een artikel 1ter (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 1ter. ­ § 1. In artikel 12, § 1, van dezelfde wet worden de woorden « bij de Dienst voor de Mededinging » vervangen door de woorden « bij de Raad voor de Mededinging » en worden de woorden « binnen een termijn van één week » vervangen door de woorden « binnen een termijn van één maand ».

§ 2. Artikel 12, § 1, van dezelfde wet wordt aangevuld als volgt :

« De partijen kunnen echter een ontwerpovereenkomst aanmelden mits alle partijen uitdrukkelijk verklaren dat zij de intentie hebben om een overeenkomst te sluiten die op alle mededingingsrechtelijk relevante punten niet merkbaar verschilt van het aangemelde ontwerp. »

§ 3. In artikel 12, § 5, van dezelfde wet worden de woorden « van één maand » vervangen door de woorden « van vijfenveertig dagen ».

In dezelfde § 5 worden de woorden « behoudens het geval van aanmelding van een ontwerpovereenkomst » ingevoegd tussen de woorden « de Raad voor de Mededinging zich » en de woorden « op verzoek van de ondernemingen ».

§ 4. Artikel 12, § 5, eerste lid, van dezelfde wet wordt aangevuld met een tweede zin, luidende :

« In dat geval vraagt de Raad voor de Medediging dat de verslaggever binnen twee weken een verslag neerlegt, bevattende de appreciatie-elementen om tot de in deze paragraaf bedoelde besluitvorming te komen. »

Deze amendementen hevelen de ontworpen wijzigingen van artikel 12 van de wet van 5 augustus 1991 over van wetsvoorstel nr. 1-614 naar wetsvoorstel nr. 1-417.

Volgens de Raad van State betreffen deze bepalingen echter enkel de rechtspleging voor de Raad voor de Mededinging, die een aangelegenheid is die volgens de gedeeltelijk bicamerale procedure moet worden behandeld.

Wegens het advies van de Raad van State neemt de indiener deze amendementen terug.

5. Artikelen 3 van wetsvoorstel nr. 1-417 en artikel 11 van wetsvoorstel nr. 1-614

De heer D'Hooghe dient de volgende amendementen in :

­ amendement nr. 183 op wetsvoorstel nr. 1-614 :

« Dit artikel doen vervallen. »

­ amendement nr. 42 op wetsvoorstel nr. 1-417 :

« In dit artikel een punt 1ºbis invoegen, luidende :

« 1ºbis. Artikel 18, § 3, van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling :

« § 3. Indien de wraking betwist wordt, doet de Raad voor de Mededinging daarover uitspraak in afwezigheid van het betrokken lid; deze laatste beschikt over de mogelijkheid gehoord te worden. De beslissing van de Raad voor de Mededinging is niet vatbaar voor beroep. »

Deze amendementen hevelen de ontworpen paragraaf 3 van artikel 18 van de wet van 5 augustus 1991 over van het wetsvoorstel nr. 1-614 naar het wetsvoorstel nr. 1-417.

In het eerste onderdeel van de eerste zin wordt aan de Raad voor de Mededinging de bevoegdheid verleend om uitspraak te doen omtrent de wraking van zijn leden wanneer deze wordt betwist. Die bevoegdheidstoekenning valt onder de volledig bicamerale procedure. Voor het overige bevat de ontworpen bepaling rechtsplegingsregels die bij de behandeling van het wrakingsverzoek moeten worden gevolgd. Voor het aannemen van zulke regels moet de gedeeltelijk bicamerale procedure worden gevolgd.

Wegens het advies van de Raad van State neemt de heer D'Hooghe amendement nr. 183 terug en dienen de heren Weyts c.s. amendement nr. 49 in, een subamendement op amendement nr. 42 en amendement nr. 190.

Amendement nr. 49 luidt als volgt :

« In de voorgestelde § 3 van artikel 18, de woorden « deze laatste beschikt over de mogelijkheid gehoord te worden. De beslissing van de Raad voor de Mededinging is niet vatbaar voor beroep » schrappen.

Verantwoording

Zie de verantwoording bij amendement nr. 46.

Amendement nr. 190 luidt als volgt :

« Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 11. ­ In artikel 18 een § 3bis (nieuw) toevoegen, luidende :

« In het geval van betwisting van de wraking dient het betrokken lid gehoord te worden. De beslissing van de Raad voor de mededinging is niet vatbaar voor beroep. »

Verantwoording

Zie de verantwoording bij amendement nr. 187.

Amendement nr. 49 wordt aangenomen met 9 stemmen bij 1 onthouding.

Het aldus gesubamendeerde amendement nr. 42 wordt aangenomen met 8 stemmen bij 2 onthoudingen.

Amendement nr. 190 wordt aangenomen met 9 stemmen tegen 2.

De heer Hatry dient amendement nr. 191 op wetsvoorstel nr. 1-614 in :

« De voorgestelde § 1 van artikel 11 vervangen als volgt :

« De bepalingen van deze afdeling zijn slechts van toepassing wanneer de betrokken ondernemingen samen in België een omzet, bepaald volgens de in artikel 46 bedoelde criteria, van meer dan 1 miljard frank totaliseren, minstens twee van de betrokken ondernemingen elk in België een omzet realiseren van minstens 400 miljoen frank en de concentratie een aanzienlijke invloed heeft op de betrokken markt in België. »

Verantwoording

Met dit amendement willen wij voorkomen dat ondernemingen concentraties moeten aanmelden die geen grote invloed hebben op de Belgische markt, zelfs al is de drempel van het omzetcijfer bereikt. We willen immers beletten dat de mededingingsautoriteiten en de ondernemingen nutteloos werk moeten verrichten.

De heer Hatry dient vervolgens amendement nr. 192 in dat een subamendement op amendement nr. 191 is :

« De voorgestelde § 1 van artikel 11 aanvullen met de woorden :

« tenzij de concentratie geen aanzienlijke invloed heeft op de betrokken markt in België. »

Verantwoording

Met dit amendement willen wij voorkomen dat ondernemingen concentraties moeten aanmelden die geen grote invloed hebben op de Belgische markt, zelfs al is de drempel van het omzetcijfer bereikt. We willen immers beletten dat de mededingingsautoriteiten en de ondernemingen nutteloos werk moeten verrichten.

Een lid merkt op dat deze amendementen niet ontvankelijk zijn omdat de plenaire vergadering van de Senaat op 14 januari 1999 beide wetsvoorstellen naar de commissie heeft teruggezonden, uitsluitend om de teksten zodanig te splitsen dat in de ene tekst de aangelegenheden worden geregeld die vallen onder artikel 77 van de Grondwet en in de andere tekst de aangelegenheden die vallen onder artikel 78 van de Grondwet.

Een ander lid is het met die interpretatie niet eens en beweert dat de plenaire vergadering de voorstellen niet uitsluitend met het oog op die splitsing naar de commissie heeft teruggezonden. Alle amendementen zijn dus ontvankelijk.

De amendementen nrs. 191 en 192 worden verworpen met 8 tegen 2 stemmen.

6. Artikel 3bis van wetsvoorstel nr. 1-417 en artikel 12 van wetsvoorstel nr. 1-614

De heer D'Hooghe dient de volgende amendementen in :

­ amendement nr. 174 op wetsvoorstel nr. 1-614 :

« Dit artikel doen vervallen. »

Verantwoording

Om de artikelen 77 en 78 van de Grondwet in acht te nemen, is het gebruikelijk de aangelegenheden die onder het ene of het andere artikel vallen, ook in afzonderlijke wetsontwerpen of wetsvoorstellen onder te brengen.

De meest voor de hand liggende bepalingen zijn opgenomen in de amendementen nrs. 168 tot en met 173 (Stuk Senaat, nr. 1-614/10) en de amendementen nrs. 27 tot en met 32 (Stuk Senaat, nr. 1-417/12) die voorstellen sommige artikelen te doen vervallen in het wetvoorstel nr. 614 en ze in te voegen in het wetsvoorstel nr. 417.

Naast de artikelen opgesomd in deze amendementen zijn er nog andere die aangelegenheden regelen als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.

In zijn advies van 10 oktober 1995, dat haast volledig gewijd is aan de heikele problematiek van de bicameraliteit van wetsbepalingen, stelt de Raad van State onomwonden dat uit de lezing van onderdeel 3º van artikel 77, eerste lid, van de Grondwet, de bevoegdheid en de organisatie van de Raad voor de mededinging tot de verplicht bicamerale materies behoort. Zo zal « de organisatie, de bevoegdheid en de taak van de administratieve rechtscolleges wel degelijk moeten worden geregeld volgens de werkwijze van het volledige bicameralisme. »

Volgens de Grondwet, (Wouter Pas (ed.), Die Keure, 1998) is de opdeling dan :

Aangelegenheden die vallen onder artikel 77 :

­ Inrichting administratief rechtscolleges en Raad van State;

­ Bevoegdheden administratief rechtscollege en Raad van State;

­ Rechtspleging voor Raad van State.

Aangelegenheden die niet onder artikel 77 vallen :

­ Rechtspleging voor administratieve (en andere) rechtscolleges.

De volgende artikelen van de tekst aangenomen door de commissie (Stuk Senaat, nr. 1-614/9) zouden dus nog in aanmerking komen :

­ Artikel 12 : geheimhoudingsplicht van de leden van de Raad voor de mededinging.

­ Artikel 17, § 2, leden 2 tot 7 : het zakengeheim wordt tijdens het onderzoek beschermd door een beslissing van de voorzitter van de Raad voor de mededinging.

§ 2, lid 1 en 8 : de Raad voor de mededinging kan een dossier seponeren.

§ 5 : mogelijkheid voor de Raad om een vraag tot bijkomend onderzoek te richten aan de verslaggevers.

­ Artikel 21, § 1, lid 2 en volgende : de voorzitter van de Raad voor de mededinging beschermt het zakengeheim.

§ 5 : de Raad voor de mededinging kan een bijkomend verslag vragen.

­ Artikel 27 : het nieuwe artikel 32ter : de voorzitter van de Raad voor de mededinging beschermt het zakengeheim en kan hierover een beslissing nemen.

­ Artikel 29 : de Raad voor de mededinging beslist inzake concentraties (alle §§).

­ Artikel 30, § 2 : « Wanneer de Raad voor de mededinging in zijn beslissing vaststelt dat de concentratie niet toelaatbaar is, beveelt hij met het oog op het herstellen van een daadwerkelijke mededinging, de splitsing van de gegroepeerde ondernemingen of activa, het stopzetten van de gemeenschappelijke controle of elke andere geëigende maatregel. »

­ Artikelen 37 en 38 : betreffen de bevoegdheid van het hof van beroep te Brussel, zowel wat de prejudiciële vraag betreft als het hoger beroep tegen beslissingen van de Raad voor de mededinging. Strikt genomen, betreffen alleen de §§ 1, 2 en 5 van artikel 37 en de §§ 1 en 4 van artikel 38 aangelegenheden als bedoeld in artikel 77. De rest gaat over de rechtspleging.

­ Artikel 39 : mogelijkheid van annulatieberoep bij de Raad van State. Strikt genomen betreft § 2 (bepaalt de onderdelen van het verzoekschrift) geen aangelegenheid als bedoeld in artikel 77.

­ amendement nr. 33 op wetsvoorstel nr. 1-417 :

« Een artikel 3bis (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 3bis. ­ In dezelfde wet wordt een artikel 18bis ingevoegd, luidende :

« Art. 18bis. ­ De leden van de Raad voor de mededinging zijn gebonden door het beroepsgeheim en mogen de vertrouwelijke gegevens waarvan zij kennis hebben gekregen op grond van hun functie, aan geen enkele persoon of autoriteit bekendmaken, behalve wanneer zij worden opgeroepen om in rechte te getuigen.

Overtredingen van dit artikel worden bestraft met de straffen bepaald in artikel 458 van het Strafwetboek.

De voorschriften van het eerste boek van het Strafwetboek, hoofdstuk VII en artikel 85 niet uitgezonderd, zijn van toepassing op de overtredingen van dit artikel. »

Verantwoording

Om de artikelen 77 en 78 van de Grondwet in acht te nemen, is het gebruikelijk de aangelegenheden die onder het ene of het andere artikel vallen, ook in afzonderlijke wetsontwerpen of wetsvoorstellen onder te brengen.

De meest voor de hand liggende bepalingen zijn opgenomen in de amendementen nrs. 168 tot en met 173 (Stuk Senaat, nr. 1-614/10) en de amendementen nrs. 27 tot en met 32 (Stuk Senaat, nr. 1-417/12) die voorstellen sommige artikelen te doen vervallen in het wetvoorstel nr. 614 en ze in te voegen in het wetsvoorstel nr. 417.

Naast de artikelen opgesomd in deze amendementen zijn er nog andere die aangelegenheden regelen als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.

In zijn advies van 10 oktober 1995, dat haast volledig gewijd is aan de heikele problematiek van de bicameraliteit van wetsbepalingen, stelt de Raad van State onomwonden dat uit de lezing van onderdeel 3º van artikel 77, eerste lid, van de Grondwet, de bevoegdheid en de organisatie van de Raad voor de mededinging tot de verplicht bicamerale materies behoort. Zo zal « de organisatie, de bevoegdheid en de taak van de administratieve rechtscolleges wel degelijk moeten worden geregeld volgens de werkwijze van het volledige bicameralisme. »

Volgens de Grondwet (Wouter Pas (ed.), Die Keure, 1998), is de opdeling dan :

Aangelegenheden die vallen onder artikel 77 :

­ Inrichting administratief rechtscolleges en Raad van State;

­ Bevoegdheden administratief rechtscollege en Raad van State;

­ Rechtspleging voor Raad van State.

Aangelegenheden die niet onder artikel 77 vallen :

­ Rechtspleging voor administratieve (en andere) rechtscolleges.

De volgende artikelen van de tekst aangenomen door de commissie (Stuk Senaat, nr. 1-614/9) zouden dus nog in aanmerking komen :

­ Artikel 12 : geheimhoudingsplicht van de leden van de Raad voor de mededinging.

­ Artikel 17, § 2, leden 2 tot 7 : het zakengeheim wordt tijdens het onderzoek beschermd door een beslissing van de voorzitter van de Raad voor de mededinging.

§ 2, lid 1 en 8 : de Raad voor de mededinging kan een dossier seponeren.

§ 5 : mogelijkheid voor de Raad om een vraag tot bijkomend onderzoek te richten aan de verslaggevers.

­ Artikel 21, § 1, lid 2 en volgende : de voorzitter van de Raad voor de mededinging beschermt het zakengeheim.

§ 5 : de Raad voor de mededinging kan een bijkomend verslag vragen.

­ Artikel 27 : het nieuwe artikel 32ter : de voorzitter van de Raad voor de mededinging beschermt het zakengeheim en kan hierover een beslissing nemen.

­ Artikel 29 : de Raad voor de mededinging beslist inzake concentraties (alle §§).

­ Artikel 30, § 2 : « Wanneer de Raad voor de mededinging in zijn beslissing vaststelt dat de concentratie niet toelaatbaar is, beveelt hij met het oog op het herstellen van een daadwerkelijke mededinging, de splitsing van de gegroepeerde ondernemingen of activa, het stopzetten van de gemeenschappelijke controle of elke andere geëigende maatregel. »

­ Artikelen 37 en 38 : betreffen de bevoegdheid van het hof van beroep te Brussel, zowel wat de prejudiciële vraag betreft als het hoger beroep tegen beslissingen van de Raad voor de mededinging. Strikt genomen betreffen alleen de §§ 1, 2 en 5 van artikel 37 en de §§ 1 en 4 van artikel 38 aangelegenheden als bedoeld in artikel 77. De rest gaat over de rechtspleging.

­ Artikel 39 : mogelijkheid van annulatieberoep bij de Raad van State. Strikt genomen betreft § 2 (bepaalt de onderdelen van het verzoekschrift) geen aangelegenheid als bedoeld in artikel 77.

Deze amendementen hevelen het ontworpen artikel 18bis van de wet van 5 augustus 1991, dat handelt over het beroepsgeheim van de leden van de Raad voor de Mededinging, over van wetsvoorstel nr. 1-614 naar wetsvoorstel nr.1-417.

Volgens de Raad van State betreft dat artikel het statuut van de leden van de Raad voor de mededinging en betreft bijgevolg een aangelegenheid waarvoor de volledig bicamerale procedure dient te worden gevolgd.

Deze amendementen worden aangenomen met 9 stemmen bij 2 onthoudingen.

7. Artikel 3ter van wetsvoorstel nr. 1-417 en artikel 17 van wetsvoorstel nr. 1-614

De heer D'Hooghe dient de volgende amendementen in :

­ amendement nr. 175 op wetsvoorstel nr. 1-614 :

« Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 17. ­ In artikel 24 van dezelfde wet zoals gewijzigd door de wet van ... tot wijziging van sommige artikelen van de wet van 5 augustus 1991 tot bescherming van de economische mededinging, de volgende wijzigingen aanbrengen :

A. Een nieuwe § 1 invoegen, luidende :

§ 1. De verzoeken en de klachten betreffende de restrictieve mededingingspraktijken worden ingediend bij de Raad voor de mededinging, die ze voor onderzoek aan het korps verslaggevers overzendt.

B. Voor de laatste paragraaf die § 5 wordt, twee nieuwe paragrafen invoegen, luidende :

§ 3. Op het einde van het onderzoek en vóór het opstellen van een gemotiveerd verslag delen de verslaggevers hun eventuele punten van bezwaar mede aan de betrokken ondernemingen en roepen deze bijeen opdat zij hun opmerkingen kunnen voorleggen.

§ 4. De verslaggever legt zijn gemotiveerd verslag voor aan de Raad. Dit verslag omvat het onderzoeksverslag, een voorstel van opsomming van de punten van bezwaar en een voorstel tot beslissing.

Het verslag omvat eveneens een gemotiveerd voorstel tot reglementering zoals bepaald in het tweede lid van artikel 28, § 1, indien de verslaggever meent dat de concrete feiten een algemene reglementering noodzaken. »

Verantwoording

Zie de verantwoording bij amendement nr. 174.

­ Amendement nr. 34 van wetsvoorstel nr. 1-417 :

« Een artikel 3ter (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 3ter. ­ In hoofdstuk III van dezelfde wet wordt een afdeling IVbis ingevoegd, bevattend een artikel 24 ter vervanging van het bestaande artikel 24 en luidend als volgt :

« Afdeling IVbis. ­ Specifieke onderzoeksregels betreffende restrictieve mededingingspraktijken

Art. 24. ­ § 1. Indien de verslaggever tot het besluit komt dat de klachten of verzoeken niet ontvankelijk of ongegrond zijn, legt hij aan de Raad een gemotiveerd voorstel tot sepot voor. Indien de Raad het wenselijk acht, maakt de verslaggever zijn voorstel bekend aan de indiener van de klacht en deelt hij hem mee dat hij het dossier op het secretariaat kan raadplegen, tegen betaling een kopie ervan kan krijgen en schriftelijke opmerkingen kan neerleggen bij de Raad.

De voorzitter van de Raad voor de mededinging kan, op eigen initiatief of op verzoek van de belanghebbende ondernemingen, de mededeling van stukken weigeren indien dit het zakengeheim zou schenden. In dat geval worden deze stukken uit het dossier verwijderd.

In afwijking van het vorige lid kan de voorzitter van de Raad beslissen het stuk niet uit het dossier te verwijderen indien hij meent dat het noodzakelijk is voor de beslissing en dat de mededeling ervan een kleiner nadeel met zich brengt dan het nadeel dat zou voortvloeien uit een aantasting van de mededinging.

De weigering van de voorzitter van de Raad om stukken uit het dossier te verwijderen maakt het voorwerp uit van een met redenen omklede beslissing, waarin de voorzitter van de Raad uiteenzet waarom hij meent dat de stukken noodzakelijk zijn voor de beslissing, waarom de mededeling ervan een nadeel met zich meebrengt dat kleiner is dan het nadeel dat zou voortvloeien uit een aantasting van de mededinging en waarom hij meent de vertrouwelijke aard van de stukken niet te moeten erkennen.

Deze met redenen omklede beslissing wordt door de secretaris van de Raad ter kennis gebracht van de belanghebbende ondernemingen.

De voorzitter van de Raad kan, in alle gevallen, aan de partijen of aan de verslaggevers een niet-vertrouwelijke versie vragen van de stukken waarvan de mededeling het zakengeheim zou schenden.

De beslissing van de Raad voor de mededinging over de grond van de zaak, kan niet steunen op stukken die uit het dossier verwijderd zijn.

Indien de Raad het voorstel tot sepot volgt, seponeert hij het dossier. Indien de Raad het voorstel tot sepot niet volgt, stuurt hij het dossier terug naar de verslaggever, die het onderzoek voortzet.

§ 2. Indien de Raad van oordeel is dat andere punten van bezwaar dan die welke de verslaggever in aanmerking neemt moeten worden onderzocht, onderzoekt de verslaggever die en gaat hij, indien nodig, over tot een bijkomend onderzoek. Hij vult zijn verslag aan en legt het neer bij de Raad. »

Verantwoording

Zie de verantwoording bij amendement nr. 33.

Deze amendementen hevelen een aantal bepalingen van het ontworpen artikel 24 van de wet van 5 augustus 1991 over van wetsvoorstel nr. 1-614 naar wetsvoorstel nr. 1-417.

Volgens de Raad van State betreffen deze bepalingen de rechtspleging voor de Raad voor de mededinging en betreffen dus een aangelegenheid waarvoor de gedeeltelijk bicamerale procedure moet worden gevolgd.

De indiener neemt zijn amendementen terug.

8. Artikel 3quater van wetsvoorstel nr. 1-417 en artikel 21 van wetsvoorstel nr. 1-614.

De heer D'Hooghe dient de volgende amendementen in :

­ Amendementen nr. 176 op wetsvoorstel nr. 1-614 :

« Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 21. ­ A. In artikel 27, § 1, eerste lid, van dezelfde wet zoals gewijzigd door de wet van ... tot wijziging van sommige artikelen van de wet van 5 augustus 1991 tot bescherming van de economische mededinging, een nieuw lid invoegen, luidende :

« § 1. Na het neerleggen van het in artikel 24, § 3 of § 4, bedoelde verslag, brengt de verslaggever de ondernemingen op wier activiteit het onderzoek betrekking had hiervan op de hoogte, evenals de indiener van de klacht zo de Raad dit aangewezen acht, en stuurt hen een kopie ten minste één maand vóór de datum van de zitting waarop de Raad de zaak zal onderzoeken. Hij brengt hen ter kennis dat zij op het secretariaat van de Raad voor de mededinging inzage kunnen nemen van het dossier en tegen betaling een kopie ervan kunnen krijgen.

B. In artikel 27, § 2, eerste lid, van dezelfde wet worden de woorden « of concentratie » opgeheven.

C. Artikel 27, § 2, derde lid, van dezelfde wet wordt aangevuld met de volgende bepaling :

« Voor de economische sectoren die onder de controle of het toezicht van een openbare instelling of een andere geëigende overheidsinstelling zijn geplaatst, worden deze instellingen of overheidslichamen geacht een voldoende belang te hebben.

In alle gevallen wordt de minister geacht een voldoende belang te hebben. »

D. Artikel 27, § 2, vierde lid, van dezelfde wet wordt opgeheven.

E. Artikel 27, § 2, van dezelfde wet wordt aangevuld met de volgende bepaling :

« In elk geval moet er binnen zes maanden nadat het verslag bedoeld in artikel 24, § 3 of § 4, en in artikel 29 bij de Raad is ingediend, een beslissing of een ministerieel besluit worden genomen. Die termijn is ook toepasselijk als het verslag een voorstel tot sepot bevat. »

Verantwoording

Zie de verantwoording bij amendement nr. 174.

­ Amendement nr. 35 van wetsvoorstel nr. 1-417 :

« Een artikel 3quater (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 3quater. ­ A. § 1. Artikel 27, § 1, eerste lid, van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling :

« De voorzitter van de Raad voor de mededinging kan, op eigen initiatief of op verzoek van de belanghebbende ondernemingen, de mededeling van stukken weigeren indien dit het zakengeheim zou schenden. In dat geval worden deze stukken uit het dossier verwijderd.

In afwijking van het vorige lid kan de voorzitter van de Raad beslissen het stuk niet uit het dossier te verwijderen indien hij meent dat het noodzakelijk is voor de beslissing en dat de mededeling ervan een kleiner nadeel met zich brengt dan het nadeel dat zou voortvloeien uit een aantasting van de mededinging.

De voorzitter van de Raad kan, in alle gevallen, aan de partijen of aan de verslaggevers een niet-vertrouwelijke versie vragen van de stukken waarvan de mededeling het zakengeheim zou schenden.

De beslissing van de Raad voor de mededinging over de grond van de zaak kan niet steunen op die stukken die uit het dossier zijn verwijderd.

De partijen dienen hun schriftelijke opmerkingen in bij de Raad.

B. Artikel 27, § 2, zesde lid, van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling :

De Raad voor de mededinging kan de verslaggever vragen een bijkomend verslag in te dienen en verduidelijkt de elementen waarop dit verslag moet slaan. De verslaggever verricht daaromtrent, in voorkomend geval, een bijkomend onderzoek. Het verslag wordt aan de partijen meegedeeld door de verslaggever en ingediend bij de Raad voor de mededinging.

De verslaggever brengt zijn opmerkingen aan op de eventuele schriftelijke opmerkingen die door de partijen ingediend zijn na het indienen van het verslag. »

Verantwoording

Zie de verantwoording bij amendement nr. 33.

Deze amendementen hevelen een aantal bepalingen van het ontworpen artikel 27 van de wet van 5 augustus 1991 over van wetsvoorstel nr. 1-614 naar wetsvoorstel nr. 1-417.

Volgens de Raad van State betreffen deze bepalingen de rechtspleging voor de Raad voor de Mededinging en betreffen dus een aangelegenheid waarvoor de gedeeltelijk bicamerale procedure moet worden gevolgd.

De indiener trekt zijn amendementen in.

9. Artikel 3quinquies van wetsvoorstel nr. 1-417 en artikel 27 van wetsvoorstel nr. 1-614

De heer D'Hooghe dient de volgende amendementen in :

­ Amendement nr. 177 op wetsvoorstel nr. 1-614 :

« Het voorgestelde artikel 32ter doen vervallen. »

Verantwoording

Zie de verantwoording bij amendement nr. 174.

­ Amendement nr. 36 op wetsvoorstel nr. 1-417 :

« Een artikel 3quinquies (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 3quinquies. ­ In dezelfde wet wordt een artikel 32ter ingevoegd, luidende :

« Art. 32ter. ­ De voorzitter van de Raad voor de mededinging kan, op eigen initiatief of op verzoek van de belanghebbende ondernemingen, de mededeling van de stukken weigeren indien dit het zakengeheim zou schenden. In dat geval worden deze stukken uit het dossier verwijderd.

In afwijking van het vorige lid kan de voorzitter van de Raad beslissen het stuk niet uit het dossier te verwijderen indien hij meent dat het noodzakelijk is voor de beslissing en dat de mededeling ervan een kleiner nadeel met zich brengt dan het nadeel dat zou voortvloeien uit een aantasting van de mededinging.

De weigering van de voorzitter van de Raad om stukken uit het dossier te verwijderen maakt het voorwerp uit van een met redenen omklede beslissing, waarin de voorzitter van de Raad uiteenzet waarom hij meent dat de stukken noodzakelijk zijn voor de beslissing, waarom de mededeling ervan een nadeel met zich meebrengt dat kleiner is dan het nadeel dat zou voortvloeien uit een aantasting van de mededinging en waarom hij meent de vertrouwelijke aard van de stukken niet te moeten erkennen.

Deze met redenen omklede beslissing wordt door de secretaris van de Raad ter kennis gebracht van de belanghebbende ondernemingen.

De voorzitter van de Raad kan, in alle gevallen, aan de partijen of aan de verslaggevers een niet-vertrouwelijke versie vragen van de stukken waarvan de mededeling het zakengeheim zou schenden.

De beslissing van de Raad voor de mededinging kan, wat de grond betreft, niet steunen op de stukken die uit het dossier zijn verwijderd. »

Verantwoording

Zie de verantwoording bij amendement nr. 33.

Deze amendementen hevelen het ontworpen artikel 32ter van de wet van 5 augustus 1991 over van wetsvoorstel nr. 1-614 naar wetsvoorstel nr. 1-417.

Volgens de Raad van State betreffen deze bepalingen de rechtspleging voor de Raad voor de mededinging en betreffen dus een aangelegenheid waarvoor de gedeeltelijk bicamerale procedure moet worden gevolgd.

De indiener trekt zijn amendementen in.

10. Artikel 3sexies van wetsvoorstel nr. 1-417 en artikel 29 van wetsvoorstel 1-614

De heer D'Hooghe dient de volgende amendementen in :

­ Amendement nr. 178 op wetsvoorstel nr. 1-417

« Dit artikel doen vervallen. »

Verantwoording

Zie de verantwoording bij amendement nr. 174.

­ Amendement nr. 37 op wetsvoorstel nr. 1-417 :

« Een artikel 3sexies (nieuw), invoegen, luidende :

« Art. 3sexies. ­ § 1. Artikel 33, § 1, van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling :

« § 1. Indien het onderzoek betrekking had op een concentratie, kan de Raad voor de mededinging, door een gemotiveerde beslissing, vaststellen dat :

1. de concentratie binnen het toepassingsgebied valt van deze wet;

2. de concentratie niet binnen het toepassingsgebied valt van deze wet. »

§ 2. Artikel 33, § 2, van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :

« § 2.1. Als de concentratie binnen het toepassingsgebied van deze wet valt, kan de Raad voor de mededinging door een gemotiveerde beslissing :

a) hetzij beslissen dat de concentratie toelaatbaar wordt verklaard. De aanmeldende partijen kunnen, tot op het ogenblik dat de Raad voor de mededinging een beslissing heeft genomen, de voorwaarden van de concentratie wijzigen. In dat geval slaat de beslissing van toelaatbaarheid op de aldus gewijzigde concentratie. Wanneer de betrokken ondernemingen samen minder dan 25 % van de betrokken markt controleren, wordt de concentratie toelaatbaar verklaard;

b) hetzij vaststellen dat er ernstige twijfels bestaan omtrent de toelaatbaarheid van de concentratie en beslissen de procedure bepaald in artikel 34 in te zetten.

2. De beslissingen van de Raad bedoeld in punt 1 hierboven, moeten overeenkomstig de bepalingen van artikel 32ter, § 1, binnen een maximumtermijn van vijfenveertig dagen verstrekt worden.

De verslaggever dient zijn verslag in binnen een termijn van ten hoogste een maand. Deze termijnen lopen vanaf de dag volgend op de dag van de ontvangst van de aanmelding of, wanneer de inlichtingen die bij de aanmelding moeten worden verstrekt onvolledig zijn, vanaf de dag volgend op de dag van de ontvangst van de volledige inlichtingen.

3. De concentratie wordt toelaatbaar geacht wanneer de Raad voor de mededinging binnen de termijn van 45 dagen geen beslissing heeft genomen.

§ 3. In artikel 33, § 3, eerste lid, van dezelfde wet worden de woorden « § 2.2, c) » vervangen door de woorden « § 2.1, c) ».

§ 4. Artikel 33, § 3, lid 3, van dezelfde wet wordt aangevuld met de volgende bepaling :

« Aan de beslissing tot toelaatbaarheid bedoeld in dit lid kunnen voorwaarden en verplichtingen worden gekoppeld. »

§ 5. Artikel 33, § 5, van dezelfde wet wordt aangevuld met de volgende bepaling :

« De termijn bedoeld in § 3 van dit artikel kan niet worden verlengd tenzij op uitdrukkelijk verzoek van de partijen en ten hoogste voor de duur die zij voorstellen. »

Verantwoording

Zie de verantwoording bij amendement nr. 33.

Deze amendementen hevelen het ontworpen wijzigingen van artikel 33 van de wet van 5 augustus 1991 over van wetsvoorstel nr. 1-614 naar wetsvoorstel nr. 1-417.

Volgens de Raad van State lijken de ontworpen bepalingen geen betrekking te hebben op de organisatie of de bevoegdheid van de Raad voor de mededinging en betreffen ze dus een aangelegenheid due volgends de gedeeltelijk bicamerale procedure moet worden behandeld.

De indiener trekt zijn amendementen in.

11. Artikel 3septies van wetsvoorstel
nr. 1-417 en artikel 30 van wetsvoorstel nr. 1-614

De heer D'Hooghe dient de volgende amendementen in :

­ Amendement nr. 179 op wetsvoorstel nr. 1-614 :

« Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 30. ­ In artikel 34 van dezelfde wet, zoals gewijzigd door de wet van ... tot wijziging van sommige artikelen van de wet van 5 augustus 1991 tot bescherming van de economische mededinging, worden een § 1 en een § 3 (nieuw) toegevoegd, luidende :

« Art. 34. ­ § 1. Indien, overeenkomstig artikel 33, § 2.1, b), de Raad voor de mededinging beslist de procedure in te zetten, dient de verslaggever een bijkomend verslag in bij de Raad voor de mededinging.

Na ontvangst van dit verslag stuurt de Raad een kopie ervan aan de partijen, overeenkomstig artikel 27, § 1.

§ 3. De termijn bedoeld in § 1 van dit artikel kan niet verlengd worden tenzij op uitdrukkelijk verzoek van de partijen en ten hoogste voor de duur die zij voorstellen. »

Verantwoording

Zie de verantwoording bij amendement nr. 174.

­ Amendement nr. 38 op wetsvoorstel nr. 1-417 :

« Een artikel 3septies (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 3septies. ­ Artikel 34 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :

« Art. 34. ­ De beslissing van de Raad voor de mededinging betreffende de toelaatbaarheid van een concentratie moet genomen worden uiterlijk 60 dagen na de beslissing om een procedure te beginnen. Aan die beslissing kunnen voorwaarden en verplichtingen gekoppeld worden.

De concentratie wordt geacht een gunstig advies te hebben gekregen wanneer de Raad voor de mededinging geen beslissing heeft genomen binnen de termijn van 60 dagen.

Wanneer de Raad voor de mededinging in zijn beslissing vaststelt dat de concentratie niet toelaatbaar is, beveelt hij met het oog op het herstellen van een daadwerkelijke mededinging, de splitsing van de gegroepeerde ondernemingen of activa, het stopzetten van de gemeenschappelijke controle of elke andere geëigende maatregel. »

Verantwoording

Zie de verantwoording bij amendement nr. 33.

Deze amendementen hevelen de nieuwe § 1, derde en vierde lid, alsook § 2 van het ontworpen artikel 34 van de wet van 5 augustus 1991, over van het wetsvoostel nr. 1-614 naar wetsvoorstel nr. 1-417.

Volgens de Raad van State lijken de ontworpen bepalingen geen betrekking te hebben op de organisatie of de bevoegdheid van de Raad voor de mededinging en betreffen ze dus een aangelegenheid die volgens de gedeeltelijk bicamerale procedure moet worden behandeld.

De indiener trekt zijn amendementen in.

12. Artikelen 3octies van wetsvoorstel nr. 1-417 en artikel 39 van wetsvoorstel nr. 1-614

De heer D'Hooghe dient de volgende amendementen in :

­ Amendement nr. 180 op wetsvoorstel nr. 1-614 :

« Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 39. ­ In dezelfde wet, zoals gewijzigd door de wet van ... tot wijziging van sommige artikelen van de wet van 5 augustus 1991 tot bescherming van de economische mededinging, wordt een artikel 43ter (nieuw) ingevoegd, luidende :

« Art. 43ter. ­ Het verzoekschrift, zoals bedoeld in artikel 43bis, § 1, bevat op straffe van nietigheid :

1º de aanduiding van dag, maand en jaar;

2º de naam, de voornaam, het beroep en de woonplaats van de verzoeker, indien het om een natuurlijke persoon gaat, evenals, in voorkomend geval, zijn inschrijvingsnummer in het handelsregister of in het ambachtsregister;

3º de benaming, de vorm, de maatschappelijke zetel en de identiteit en de hoedanigheid van de persoon of, indien het om een rechtspersoon gaat, het orgaan dat hem vertegenwoordigt evenals, in voorkomend geval, zijn inschrijvingsnummer in het handelsregister of in het ambachtsregister;

4º de vermelding van de beslissing waartegen beroep wordt ingesteld;

5º in voorkomend geval, de naam, de voornaam, de woonplaats of, bij gebreke daarvan, de verblijfplaats of de benaming, de vorm en de maatschappelijke zetel van de partijen waaraan de beslissing ter kennis wordt gebracht;

6º de uiteenzetting van de punten van bezwaar;

7º de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat. »

Verantwoording

Zie de verantwoording bij amendement nr. 174.

­ Amendement nr. 39 op wetsvoorstel nr. 1-417 :

« Een artikel 3octies (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 3octies. ­ Tussen de artikelen 43 en 44 van dezelfde wet wordt een artikel 43bis ingevoegd, luidende :

« Art. 43bis. ­ § 1. Tegen de beslissingen van de Ministerraad inzake concentraties kan bij de Raad van State een beroep tot vernietiging worden ingesteld.

Het beroep wordt ingediend bij de griffie van de Raad van State door middel van een verzoekschrift binnen een termijn van dertig dagen na de kennisgeving of de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad bedoeld in artikel 41, § 2, derde lid.

§ 2. Het beroep schorst de beslissingen niet waartegen beroep is ingesteld.

De minister kan, namens de Ministerraad, zijn schriftelijke opmerkingen indienen bij de Raad van State. Hij kan het dossier ter plaatse op de griffie raadplegen.

De Raad van State doet uitspraak inzake concentraties met voorrang boven alle andere zaken.

Inzake deze materie controleert de Raad van State de wettigheid van de beslissingen waartegen hoger beroep is ingesteld.

In geval van vernietiging van de bestreden beslissing beschikt de Ministerraad over een nieuwe termijn om uitspraak te doen. Die termijn is dezelfde als de termijn bepaald in artikel 34bis. Hij vangt aan op het ogenblik waarop het vernietigingsarrest van de Raad van State ter kennis wordt gebracht.

Voor het overige zijn de regels betreffende de procedure voor de afdeling administratie van de Raad van State van toepassing. De Koning kan van deze procedureregels afwijken bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit. »

Verantwoording

Zie de verantwoording bij amendement nr. 33.

Deze amendementen hevelen de §§ 1 en 3 van het ontworpen artikel 43bis van de wet van 5 augustus 1991 over van wetsvoorstel nr. 1-614 naar wetsvoorstel nr. 1-417 en handhaven de overige paragrafen, maar dan als een nieuw ontworpen artikel 43ter in wetsvoorstel nr. 1-614.

Volgens de Raad van State bevat het ontworpen artikel 43bis van de wet van 5 augustus 1991 bepalingen omtrent de bevoegheid van en de rechtspleging voor de Raad van State. Het regelt bijgevolg een aangelegenheid die volgens de volledig bicamerale procedure moet worden behandeld. Het ontworpen artikel moet derhalve in zijn geheel worden overgeheveld naar wetsvoorstel nr. 1-417.

De indiener trekt zijn amendementen in.

13. Artikel 3nonies van wetsvoorstel nr. 1-417 en artikel 13 van wetsvoorstel nr. 1-614

De heer D'Hooghe dient de volgende amendementen in :

­ Amendement nr. 184 op wetsvoorstel nr. 1-614 :

« De eerste paragraaf van dit artikel doen vervallen. »

­ Amendement nr. 43 op wetsvoorstel nr. 1-417 :

« Een artikel 3novies (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 3novies. ­ In artikel 19, § 2, van dezelfde wet worden de woorden « Hij kan, indien nodig, deskundigen aanwijzen en getuigen horen. » opgeheven. »

Deze amendementen hevelen de ontworpen wijziging van § 2 van artikel 19 van de wet van 5 augustus 1991 over van wetsvoorstel nr. 1-614 naar wetsvoorstel nr. 1-417.

Volgens de Raad van State betreft deze bepaling, die betrekking heeft op deskundigen en getuigen, enkel de rechtspleging voor de Raad voor de mededinging en moet ze dan ook worden aangemerkt als een bepaling die volgens de gedeeltelijk bicamerale procedure moet worden behandeld.

De indiener trekt zijn amendementen in.

14. Artikel 3decies van wetsvoorstel nr. 1-417 en artikel 45 van wetsvoorstel nr. 1-614

De heer D'Hooghe dient de volgende amendementen in :

­ Amendement nr. 185 op wetsvoorstel nr. 1-614 :

« Dit artikel doen vervallen. »

­ Amendement nr. 44 op wetsvoorstel nr. 1-417 :

« Een artikel 3decies (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 3decies. ­ In dezelfde wet wordt een artikel 54bis ingevoegd, luidende :

« Art. 54bis. ­ De wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen is van toepassing op de in deze wet bepaalde procedures. »

Deze amendementen hevelen het ontworpen artikel 54bis van de wet van 5 augustus 1991, dat de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken van toepassing verklaart op de in de wet van 5 augustus 1991 bedoelde procedures, over van wetsvoorstel nr. 1-614 naar wetsvoorstel nr. 1-417.

Volgens de Raad van State is de regeling van het gebruik der talen in gerechtszaken een gedeeltelijk bicamerale aangelegenheid. Deze regeling kan immers beschouwd worden als genomen met toepassing van artikel 30 van de Grondwet, dat de regeling van het taalgebruik voor handelingen van het openbaar gezag en voor gerechtszaken toevertrouwt aan de wetgever. Deze grondwetsbepaling komt niet voor in de lijst van de wetten opgesomd in artikel 77, eerste lid, 3º, van de Grondwet die volgens de volledig bicamerale procedure moet worden aangenomen. De regeling van het gebruik der talen kan evenmin beschouwd worden als een aspect van de « organisatie van hoven en rechtbanken » in de zin van artikel 77, eerste lid, 9º, van de Grondwet.

De indiener trekt zijn amendementen in.

15. Artikel 4 van wetsvoorstel nr. 1-417
en artikel 37 van wetsvoorstel nr. 1-614

De heer Hotyat c.s. dienen de volgende amendementen in :

­ Amendement nr. 169 op wetsvoorstel nr. 1-614 :

« Dit artikel doen vervallen. »

Verantwoording

Zelfde verantwoording als bij amendement nr. 168.

­ Amendement nr. 28 op wetsvoorstel nr. 1-417 :

« Dit artikel vervangen als volgt :

« Artikel 42 van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 42. ­ § 1. Het hof van beroep te Brussel spreekt zich bij wege van prejudicieel arrest uit over de vragen met betrekking tot het geoorloofde karakter van een mededingingspraktijk als bedoeld in deze wet.

Wanneer de oplossing van een geschil afhangt van het geoorloofde karakter van een mededingingspraktijk als bedoeld in deze wet, moet het gerecht waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, met uitzondering van het Hof van Cassatie, de uitspraak uitstellen en het hof van beroep te Brussel raadplegen.

§ 2. Het gerecht is daartoe evenwel niet gehouden wanneer de rechtsvordering niet ontvankelijk is om procedureredenen die ontleend zijn aan normen die zelf niet het onderwerp zijn van het verzoek tot het stellen van de prejudiciële vraag.

Het gerecht is daartoe evenmin gehouden :

1º wanneer het hof reeds uitspraak heeft gedaan over een vraag of een beroep met hetzelfde onderwerp;

2º wanneer het meent dat het antwoord op de prejudiciële vraag niet onontbeerlijk is om uitspraak te doen;

3º wanneer de mededingingspraktijk duidelijk geoorloofd is in de zin van deze wet.

Tegen de beslissing van de rechter om een prejudiciële vraag te stellen of een dergelijke vraag niet te stellen kan geen enkel rechtsmiddel worden aangewend.

§ 3. De griffier van het hof van beroep te Brussel stelt de partijen onverwijld in kennis van de prejudiciële vraag en nodigt hen uit om binnen een maand schriftelijk hun opmerkingen over te zenden.

§ 4. De Raad voor de mededinging, de verslaggevers en de minister kunnen elk hun schriftelijke opmerkingen indienen bij het hof van beroep te Brussel. Zij kunnen het dossier ter plaatse raadplegen.

Het hof kan de prejudiciële vraag herformuleren. Het hof neemt een met redenen omklede beslissing. Tegen deze beslissing kan geen enkel rechtsmiddel worden aangewend. Het hof doet uitspraak als in kort geding.

§ 5. Het rechtscollege dat de prejudiciële vraag heeft gesteld, evenals elk rechtscollege dat in dezelfde zaak uitspraak doet, met uitzondering van het Hof van Cassatie, moeten zich, voor de oplossing van het geschil naar aanleiding waarvan de vragen zijn gesteld, voegen naar het arrest dat het hof van beroep te Brussel heeft gewezen.

§ 6. Elk door de hoven en rechtbanken gewezen vonnis of arrest waarbij het gaat om het geoorloofde karakter van een mededingingspraktijk als bedoeld in deze wet, moet binnen acht dagen aan de Dienst voor de mededinging en de Raad voor mededinging meegedeeld worden door toedoen van de griffier van het bevoegde rechtscollege.

Bovendien is de griffier ertoe gehouden zonder verwijl de Dienst voor de mededinging en de Raad voor de Mededinging kennis te geven van de beroepen die zijn ingesteld tegen enig in het voorgaande lid bedoeld vonnis of arrest. »

Verantwoording

Zie verantwoording bij amendement nr. 27.

Deze amendementen hevelen het ontworpen artikel 42 van de wet van 5 augustus 1991, dat handelt over de prejudiciële vragen met betrekking tot het geoorloofde karakter van een mededingingspraktijk, over van wetsvoorstel nr. 1-641 naar wetsvoorstel nr. 1-417.

Volgens de Raad van State kent enkel het eerste lid van § 1 een bevoegdheid toe aan het hof van beroep van Brussel en kan alleen deze bepaling worden aangemerkt als een aangelegenheid waarvoor de volledig bicamerale procedure als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet moet worden gevolgd.

De overige bepalingen van het ontworpen artikel 42 kennen geen andere bevoegdheden toe aan andere rechtscolleges, maar bevatten een nadere regeling inzake het stellen van prejudiciële vragen. Het betreft de gevallen waarin een prejudiciële vraag moet worden gesteld, de procedure die hierbij moet worden gevolgd, alsook het gevolg van de uitspraak over de prejudiciële vraag. Dit zijn aspecten van de rechtspleging voor de betrokken colleges, wat een aangelegenheid is waarvoor de gedeeltelijk bicamerale procedure als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet moet worden gevolgd.

De indieners trekken deze amendementen in.

Vervolgens dienen de heer Hotyat c.s. de volgende amendementen in :

­ Amendement nr. 187 op wetsvoorstel nr. 1-614 :

« Dit artikel vervangen als volgt :

« Tussen de artikelen 42 en 43 van dezelfde wet wordt een artikel 42bis ingevoegd, luidende :

« Art. 42bis. ­ § 1. Wanneer de oplossing van een geschil afhangt van het geoorloofde karakter van een mededingingspraktijk als bedoeld in deze wet, moet het gerecht waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, met uitzondering van het Hof van Cassatie, de uitspraak uitstellen en het hof van beroep te Brussel raadplegen.

§ 2. Het gerecht is daartoe evenwel niet gehouden wanneer de rechtsvordering niet ontvankelijk is om procedureredenen die ontleend zijn aan normen die zelf niet het onderwerp zijn van het verzoek tot het stellen van de prejudiciële vraag.

Het gerecht is daartoe evenmin gehouden :

1º wanneer het hof reeds uitspraak heeft gedaan over een vraag of een beroep met hetzelfde onderwerp;

2º wanneer het meent dat het antwoord op de prejudiciële vraag niet onontbeerlijk is om uitspraak te doen;

3º wanneer de mededingingspraktijk duidelijk geoorloofd is in de zin van deze wet.

Tegen de beslissing van de rechter om een prejudiciële vraag te stellen of een dergelijke vraag niet te stellen kan geen enkel rechtsmiddel worden aangewend.

§ 3. De griffier van het hof van beroep te Brussel stelt de partijen onverwijld in kennis van de prejudiciële vraag en nodigt hen uit om binnen een maand schriftelijk hun opmerkingen over te zenden.

§ 4. De Raad voor de mededinging, de verslaggevers en de minister kunnen elk hun schriftelijke opmerkingen indienen bij het hof van beroep te Brussel. Zij kunnen het dossier ter plaatse raadplegen.

Het hof kan de prejudiciële vraag herformuleren. Het hof neemt een met redenen omklede beslissing. Tegen deze beslissing kan geen enkel rechtsmiddel worden aangewend. Het hof doet uitspraak als in kort geding.

§ 5. Het rechtscollege dat de prejudiciële vraag heeft gesteld, evenals elk rechtscollege dat in dezelfde zaak uitspraak doet, met uitzondering van het Hof van Cassatie, moeten zich, voor de oplossing van het geschil naar aanleiding waarvan de vragen zijn gesteld, voegen naar het arrest dat het hof van beroep te Brussel heeft gewezen.

§ 6. Elk door de hoven en rechtbanken gewezen vonnis of arrest waarbij het gaat om het geoorloofde karakter van een mededingingspraktijk als bedoeld in deze wet, moet binnen acht dagen aan de Dienst voor de mededinging en de Raad voor de mededinging meegedeeld worden door toedoen van de griffier van het bevoegde rechtscollege.

Bovendien is de griffier ertoe gehouden zonder verwijl de Dienst voor de mededinging en de Raad voor de mededinging kennis te geven van de beroepen die zijn ingesteld tegen enig in het voorgaande lid bedoeld vonnis of arrest. »

Verantwoording

Dit amendement heeft tot doel de tekst in overeenstemming te brengen met het advies van de Raad van State.

­ Amendement nr. 46 op wetsvoorstel nr. 1-417 :

« Dit artikel vervangen als volgt :

« Artikel 42 van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 42. ­ Het hof van beroep te Brussel spreekt zich bij wege van prejudicieel arrest uit over de vragen met betrekking tot het geoorloofde karakter van een mededingingspraktijk als bedoeld in deze wet. »

Verantwoording

Dit amendement heeft tot doel de tekst in overeenstemming te brengen met het advies van de Raad van State.

De amendementen nrs. 187 en 46 worden aangenomen met 9 stemmen bij 2 onthoudingen.

16. Artikel 5 van wetsvoorstel nr. 1-417 en artikel 38 van wetsvoorstel nr. 1-614

De heer Hotyat c.s. dienen de volgende amendementen in :

­ Amendement nr. 170 op wetsvoorstel nr. 1-614 :

« Dit artikel doen vervallen. »

Verantwoording

Zie de verantwoording bij amendement nr. 168.

­ Amendement nr. 29 op wetsvoorstel nr. 1-417 :

« Een artikel 5 (nieuw) invoegen luidende :

« Art. 5. ­ Artikel 43 van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepalingen :

« § 1. Tegen de beslissingen van de Raad voor de Mededinging en van de voorzitter kan beroep worden ingesteld bij het hof van beroep te Brussel.

Tegen beslissingen waarbij de Raad voor de Mededinging de zaak terugstuurt naar de verslaggever en die waarbij de voorzitter van de Raad elementen uit het dossier verwijdert, kan geen afzonderlijk beroep worden ingesteld.

§ 2. Het beroep waarin § 1 voorziet, kan worden ingesteld door de voor de Raad betrokken partijen, door de indiener van de klacht evenals door elke persoon die een belang kan doen gelden en die aan de Raad gevraagd heeft te worden gehoord. Het beroep kan eveneens door de minister worden ingesteld zonder dat deze een belang moet bewijzen.

Het beroep wordt, op straffe van onontvankelijkheid van rechtswege uitgesproken, ingesteld door middel van een ondertekend verzoekschrift dat wordt ingediend bij de griffie van het hof van beroep te Brussel binnen een termijn van dertig dagen na de kennisgeving van de beslissing en, wat derden betreft, na de bekendmaking van de beslissing.

Het verzoekschrift bevat op straffe van onontvankelijkheid :

1º de aanduiding van de dag, de maand en het jaar;

2º indien de verzoeker een natuurlijke persoon is, zijn naam, voornaam, beroep en woonplaats; indien de verzoeker een rechtspersoon is, de benaming, de vorm, de maatschappelijke zetel en het orgaan dat hem vertegenwoordigt; indien het beroep uitgaat van de minister, de benaming en het adres van de dienst die hem vertegenwoordigt;

3º de vermelding van de beslissing waartegen beroep wordt ingesteld;

4º de uiteenzetting van de middelen;

5º de plaats, de dag en het uur van de verschijning vastgesteld door de griffie van het hof van beroep;

6º de inventaris van de bewijsstukken en documenten die terzelfder tijd als het verzoekschrift bij de griffie zijn neergelegd.

Op straffe van onontvankelijkheid van het beroep, moet de verzoeker, binnen vijf dagen na de indiening van het verzoekschrift, bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs, een kopie van het verzoekschrift sturen aan de partijen die in kennis zijn gesteld van de bestreden beslissing zoals blijkt uit de kennisgevingsbrief waarin artikel 40bis voorziet, aan de Raad voor de Mededinging evenals aan de minister indien deze niet de appelant is.

Incidentieel beroep is mogelijk. Het is slechts ontvankelijk indien het is ingesteld binnen een maand na de ontvangst van de brief waarin het vorige lid voorziet.

Het hof van beroep te Brussel kan te allen tijde de personen die partij waren voor de Raad voor de Mededinging, van rechtswege in de zaak betrekken wanneer het hoofdberoep of het incidentieel beroep hun belangen of lasten kan aantasten.

Het hof van beroep te Brussel stelt de termijn vast waarbinnen de partijen hun schriftelijke opmerkingen aan elkaar moeten meedelen en een kopie ervan bij de griffie moeten neerleggen. Het stelt eveneens de datum van de debatten vast.

De Raad voor de Mededinging en de minister kunnen elk hun schriftelijke opmerkingen bij de griffie van het hof van beroep te Brussel indienen en het dossier ter plaatse op de griffie raadplegen. Het hof van beroep te Brussel stelt de termijnen vast om deze opmerkingen voor te leggen. De griffie brengt deze opmerkingen ter kennis van de partijen.

§ 3. Binnen vijf dagen na het plaatsen van de zaak op de rol, vraagt de griffie van het hof van beroep te Brussel aan het secretariaat van de Raad voor de Mededinging het dossier van de procedure te sturen. De verzending gebeurt binnen vijf dagen na ontvangst van het verzoek. De minister regelt de wijze van verzending van het dossier.

§ 4. Het beroep schorst de beslissing van de Raad voor de Mededinging of die van zijn voorzitter niet.

Het hof van beroep kan, op verzoek van de betrokkene en bij beslissing alvorens recht te doen, de verplichting tot het betalen van geldboeten en dwangsommen schorsen tot op de dag van de uitspraak van het arrest. Het hof van beroep te Brussel kan, in voorkomend geval, bevelen dat het betaalde bedrag van de geldboeten en dwangsommen aan de betrokkene wordt terugbetaald. Het hoeft zich ook niet onmiddellijk uit te spreken over de teruggave van de betaalde geldboeten of dwangsommen, voor zover deze beslissing de grond van de zaak zou raken. »

Verantwoording

Zie de verantwoording bij amendement nr. 27.

Door middel van deze amendementen wordt het ontworpen artikel 43 van de wet van 5 augustus 1991, dat betrekking heeft op de beroepsmogelijkheden tegen de beslissingen van de Raad voor de mededinging en van de voorzitter, overgeheveld van wetsvoorstel nr. 1-614 naar wetsvoorstel nr. 1-417.

Volgens de Raad van State kan alleen het eerste lid van artikel 43, § 1, beschouwd worden als een aangelegenheid waarvoor de volledig bicamerale procedure gevolgd moet worden, aangezien hierin een bevoegdheid wordt toegekend aan het hof van beroep van Brussel. Alle andere bepalingen hebben betrekking op de procedure die voor dit beroep geldt alsmede op de gevolgen van het beroep, en vormen dan ook aangelegenheid waarvoor de gedeeltelijk bicamerale procedure gevolgd moet worden.

De indieners trekken de amendementen nr. 29 en 170 in.

De heren Hotyat c.s. dienen daarna de volgende amendementen in :

­ Amendement nr. 188 op wetsvoorstel nr. 1-614 :

« Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 38. ­ Tussen de artikelen 43 en 44 van dezelfde wet wordt een artikel 43bis ingevoegd, luidende :

« Art. 43bis. ­ § 1. Tegen beslissingen waarbij de Raad voor de Mededinging de zaak terugstuurt naar de verslaggever en die waarbij de voorzitter van de Raad elementen uit het dossier verwijdert, kan geen afzonderlijk beroep worden ingesteld.

§ 2. Het beroep waarin artikel 43 voorziet, kan worden ingesteld door de voor de Raad betrokken partijen, door de indiener van de klacht evenals door elke persoon die een belang kan doen gelden en die aan de Raad gevraagd heeft te worden gehoord. Het beroep kan eveneens door de minister worden ingesteld zonder dat deze een belang moet bewijzen.

Het beroep wordt, op straffe van onontvankelijkheid van rechtswege uitgesproken, ingesteld door middel van een ondertekend verzoekschrift dat wordt ingediend bij de griffie van het hof van beroep te Brussel binnen een termijn van dertig dagen na de kennisgeving van de beslissing en, wat derden betreft, na de bekendmaking van de beslissing.

Het verzoekschrift bevat op straffe van onontvankelijkheid :

1º de aanduiding van de dag, de maand en het jaar;

2º indien de verzoeker een natuurlijke persoon is, zijn naam, voornaam, beroep en woonplaats; indien de verzoeker een rechtspersoon is, de benaming, de vorm, de maatschappelijke zetel en het orgaan dat hem vertegenwoordigt; indien het beroep uitgaat van de minister, de benaming en het adres van de dienst die hem vertegenwoordigt;

3º de vermelding van de beslissing waartegen beroep wordt ingesteld;

4º de uiteenzetting van de middelen;

5º de plaats, de dag en het uur van de verschijning vastgesteld door de griffie van het hof van beroep;

6º de inventaris van de bewijsstukken en documenten die terzelfder tijd als het verzoekschrift bij de griffie zijn neergelegd.

Op straffe van onontvankelijkheid van het beroep, moet de verzoeker, binnen vijf dagen na de indiening van het verzoekschrift, bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs, een kopie van het verzoekschrift sturen aan de partijen die in kennis zijn gesteld van de bestreden beslissing zoals blijkt uit de kennisgevingsbrief waarin artikel 40bis voorziet, aan de Raad voor de Mededinging evenals aan de minister indien deze niet de appelant is.

Incidentieel beroep is mogelijk. Het is slechts ontvankelijk indien het is ingesteld binnen een maand na de ontvangst van de brief waarin het vorige lid voorziet.

Het hof van beroep te Brussel kan te allen tijde de personen die partij waren voor de Raad voor de Mededinging, van rechtswege in de zaak betrekken wanneer het hoofdberoep of het incidentieel beroep hun belangen of lasten kan aantasten.

Het hof van beroep te Brussel stelt de termijn vast waarbinnen de partijen hun schriftelijke opmerkingen aan elkaar moeten meedelen en een kopie ervan bij de griffie moeten neerleggen. Het stelt eveneens de datum van de debatten vast.

De Raad voor de Mededinging en de minister kunnen elk hun schriftelijke opmerkingen bij de griffie van het hof van beroep te Brussel indienen en het dossier ter plaatse op de griffie raadplegen. Het hof van beroep te Brussel stelt de termijnen vast om deze opmerkingen voor te leggen. De griffie brengt deze opmerkingen ter kennis van de partijen.

§ 3. Binnen vijf dagen na het plaatsen van de zaak op de rol, vraagt de griffie van het hof van beroep te Brussel aan het secretariaat van de Raad voor de Mededinging het dossier van de procedure te sturen. De verzending gebeurt binnen vijf dagen na ontvangst van het verzoek. De minister regelt de wijze van verzending van het dossier.

§ 4. Het beroep schorst de beslissing van de Raad voor de Mededinging of die van zijn voorzitter niet.

Het hof van beroep kan, op verzoek van de betrokkene en bij beslissing alvorens recht te doen, de verplichting tot het betalen van geldboeten en dwangsommen schorsen tot op de dag van de uitspraak van het arrest. Het hof van beroep te Brussel kan, in voorkomend geval, bevelen dat het betaalde bedrag van de geldboeten en dwangsommen aan de betrokkene wordt terugbetaald. Het hoeft zich ook niet onmiddellijk uit te spreken over de teruggave van de betaalde geldboeten of dwangsommen, voor zover deze beslissing de grond van de zaak zou raken. »

Verantwoording

Zie de verantwoording bij amendement nr. 187.

­ Amendement nr. 47 op wetsvoorstel nr. 1-417 :

« Een artikel 5 (nieuw) invoegen luidende :

« Art. 5. ­ Artikel 43 van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepalingen :

« Art. 43. ­ Tegen de beslissingen van de Raad voor de Mededinging en van de voorzitter kan beroep worden ingesteld bij het hof van beroep te Brussel. »

Verantwoording

Zie de verantwoording bij amendement nr. 46.

De amendementen nrs. 188 en 47 worden aangenomen met 9 stemmen bij 2 onthoudingen.

17. Artikel 6 van wetsvoorstel nr. 1-417 en artikel 39 van wetsvoorstel nr. 1-614

De heer Hotyat c.s. dienen de volgende amendementen in :

­ Amendement nr. 171 op wetsvoorstel nr. 1-614 :

« Dit artikel doen vervallen. »

Verantwoording

Zie de verantwoording bij amendement nr. 168.

­ Amendement nr. 30 op wetsvoorstel nr. 1-417 :

« Een artikel 6 (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 6. ­ Tussen de artikelen 43 en 44 van dezelfde wet wordt een artikel 43bis ingevoegd, luidende :

« Art. 43bis. ­ § 1. Tegen de beslissingen van de Ministerraad inzake concentraties kan bij de Raad van State een beroep tot vernietiging worden ingesteld.

Het beroep wordt ingediend bij de griffie van de Raad van State door middel van een verzoekschrift binnen een termijn van dertig dagen na de kennisgeving of de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad bedoeld in artikel 41, § 2, derde lid.

§ 2. Het verzoekschrift bevat op straffe van nietigheid :

1º de aanduiding van de dag, de maand en het jaar;

2º de naam, de voornaam, het beroep en de woonplaats van de verzoeker, indien het om een natuurlijke persoon gaat, evenals, in voorkomend geval, zijn inschrijvingsnummer in het handelsregister of in het ambachtsregister;

3º de benaming, de vorm, de maatschappelijke zetel en de identiteit en de hoedanigheid van de persoon of, indien het om een rechtspersoon gaat, het orgaan dat hem vertegenwoordigt evenals, in voorkomend geval, zijn inschrijvingsnummer in het handelsregister of in het ambachtsregister;

4º de vermelding van de beslissing waartegen beroep wordt ingesteld;

5º in voorkomend geval, de naam, de voornaam, de woonplaats of, bij gebreke daarvan, de verblijfplaats of de benaming, de vorm en de maatschappelijke zetel van de partijen waaraan de beslissing ter kennis moet worden gebracht;

6º de uiteenzetting van de punten van bezwaar;

7º de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat.

§ 3. Het beroep schorst de beslissingen niet waartegen beroep is ingesteld.

De minister kan, namens de Ministerraad, zijn schriftelijke opmerkingen indienen bij de Raad van State. Hij kan het dossier ter plaatse op de griffie raadplegen.

De Raad van State doet uitspraak inzake concentraties met voorrang boven alle andere zaken.

Inzake deze materie controleert de Raad van State de wettigheid van de beslissingen waartegen hoger beroep is ingesteld.

In geval van vernietiging van de bestreden beslissing beschikt de Ministerraad over een nieuwe termijn om uitspraak te doen. Die termijn is dezelfde als de termijn bepaald in artikel 34bis. Hij vangt aan op het ogenblik waarop het vernietigingsarrest van de Raad van State ter kennis wordt gebracht.

Voor het overige zijn de regels betreffende de procedure voor de afdeling administratie van de Raad van State van toepassing. De Koning kan van deze procedureregels afwijken bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit. »

Verantwoording

Zie verantwoording bij amendement nr. 27.

Door middel van deze amendementen wordt het ontworpen artikel 43bis van de wet van 5 augustus 1991 overgeheveld van wetsvoorstel nr. 1-614 naar wetsvoorstel nr. 1-417.

Volgens de Raad van State bevat het ontworpen artikel 43bis van de wet van 5 augustus 1991 bepalingen met betrekking tot de bevoegheid van de Raad van State en de daar geldende procedure. Het regelt bijgevolg een aangelegenheid die behandeld moet worden volgens de volledig bicamerale procedure. Het betrokken artikel moet dan ook integraal overgeheveld worden naar wetsvoorstel nr. 1-417.

Een lid merkt op dat zowel het aangenomen amendement nr. 188 als amendement nr. 30 een artikel 43bis invoegen. Deze fout moet rechtgezet worden.

De commissie beslist om amendement nr. 30 te wijzigen in de zin dat het een artikel 43ter invoegt.

De amendementen nrs. 30 en 171 worden aangenomen met 9 stemmen bij 2 onthoudingen.

18. Artikel 7 van wetsvoorstel nr. 1-417 en artikel 39 van wetsvoorstel nr. 1-614

De heer Hotyat c.s. dienen de volgende amendementen in :

­ Amendement nr. 172 op wetsvoorstel nr. 1-614 :

« Dit artikel doen vervallen. »

Verantwoording

Zie de verantwoording bij amendement nr. 1-417.

­ Amendement nr. 31 op wetsvoorstel nr. 1-417 :

« Een artikel 7 (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 7. ­ Tussen de artikelen 56 en 57 van dezelfde wet wordt een artikel 56bis ingevoegd, luidende :

« Art. 56bis. ­ De Koning kan de bepalingen van deze wet en de bepalingen die deze uitdrukkelijk of impliciet zouden hebben gewijzigd op het ogenblik dat de coördinaties worden opgesteld, coördineren.

Daartoe kan Hij inzonderheid :

1º de ordening, de nummering en, in het algemeen, de voorstelling van de te coördineren bepalingen wijzigen;

2º de referenties wijzigen die vervat zouden zijn in de te coördineren bepalingen om ze in overeenstemming te brengen met de nieuwe nummering;

3º de formulering van de te coördineren bepalingen wijzigen om hun overeenstemming te waarborgen en de terminologie ervan eenvormig te maken zonder dat er afbreuk kan worden gedaan aan de principes die vervat zijn in die bepalingen.

De coördinaties zullen het opschrift dragen bepaald door de Koning. »

Verantwoording

Zie de verantwoording bij amendement nr. 27.

Door middel van deze amendementen wordt het ontworpen artikel 56bis van de wet van 5 augustus 1991 overgeheveld van wetsvoorstel nr. 1-614 naar wetsvoorstel nr. 1-417.

Volgens de Raad van State verleent dit artikel de Koning de bevoegdheid de bepalingen van de wet van 5 augustus 1991 en de bepalingen die deze wet uitdrukkelijk of impliciet zouden hebben gewijzigd, te coördineren. Het toekennen van zulke bevoegdheid valt onder geen enkele van de aangelegenheden waarvoor krachtens artikel 77 van de Grondwet de volledig bicamerale procedure moet worden gevolgd. Aan deze vaststelling doet geen afbreuk het gegeven dat op grond van de ontworpen bepaling ook volledig bicamerale bepalingen in de coördinatie kunnen worden betrokken : de Koning vermag immers geen inhoudelijke wijzigingen aan de te coördineren bepalingen aan te brengen, zodat hij door volledig bicamerale bepalingen bij de coördinatie te betrekken, niet de aangelegenheden regelt waarop die bepalingen betrekking hebben.

De indieners trekken de amendementen nrs. 31 en 172 in.

19. Artikel 8 van wetsvoorstel nr. 1-417 en artikel 49 van wetsvoorstel nr. 1-614

De heer Hoyat c.s. dienen de volgende amendementen in :

­ Amendement nr. 173 op wetsvoorstel nr. 1-614 :

In het tweede lid vgan dit artikel de woorden « of bij het hof van beroep van Brussel » doen vervallen.

Verantwoording

Men moet de nodige gevolgen trekken uit de wijzigingen die door de amendementen nrs. 168 tot 172 aangebracht zijn.

­ Amendement nr. 32 op wetsvoorstel nr. 1-417 :

« Een artikel 8 (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 8. ­ De artikelen 1 tot 3 van deze wet treden in werking de dag van haar bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.

De Koning bepaalt de datum van inwerkingtreding van elk van de andere bepalingen van deze wet, met dien verstande dat deze ten laatste in werking treden op de eerste dag van de zesde maand na die waarin de wet is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

Deze wet is niet van toepassing op procedures die hangende zijn bij de Raad voor de Mededinging of bij het hof van beroep te Brussel op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze wet. »

Verantwoording

Zie de verantwoordigers van amendement nr. 27.

Mevrouw Willame dient daarna de volgende amendementen in :

­ Amendement nr. 186 op wetsvoorstel nr. 1-614 :

« Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 49. ­ Deze wet treedt in werking op dezelfde dag als de wet van ... tot wijziging van sommige artikelen van de wet van 5 augustus 1991 tot bescherming van de economische mededinging.

De bepalingen van deze wet zijn niet van toepassing op de procedures die bij de Raad voor de mededinging hangende zijn op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze wet. »

Verantwoording

Met het oog op de naleving van de artikelen 77 en 78 van de Grondwet werden verschillende amendementen geformuleerd die ertoe strekten de aangelegenheden die onder het ene of onder het andere artikel vallen, in afzonderlijke wetsvoorstellen onder te brengen. Bijgevolg moet de inwerkingtreding van de twee voorliggende wetsvoorstellen aangepast worden. Daarom wordt bepaald dat de twee voorstellen op dezelfde dag in werking moeten treden.

­ Amendement nr. 45 op wetsvoorstel nr. 1-417 :

« Dit artikel vervangen als volgt :

« De Koning bepaalt de datum van inwerkingtreding van elk van de bepalingen van deze wet, met dien verstande dat deze wet ten laatste in werking treedt op de eerste dag van de zesde maand na die waarin de wet is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

De bepalingen van deze wet zijn niet van toepassing op de procedures die bij de Raad voor de Mededinging of bij het hof van beroep te Brussel hangende zijn op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze wet. »

Verantwoording

Met het oog op de naleving van de artikelen 77 en 78 van de Grondwet werden verschillende amendementen geformuleerd die ertoe strekten de aangelegenheden die onder het ene of onder het andere artikel vallen, in afzonderlijke wetsvoorstellen onder te brengen. Bijgevolg moet de inwerkingtreding van de twee voorliggende wetsvoorstellen aangepast worden. Daarom wordt bepaald dat de twee voorstellen op dezelfde dag in werking moeten treden.

Deze amendementen hebben betrekking op overgangsregeling. Aangezien de regeling van de procedure voor het hof van beroep en de Raad voor de Mededinging een aangelegenheid is waarvoor de gedeeltelijk bicamerale procedure gevolgd moet worden, moet het ontworpen artikel 49 van wetsvoorstel nr. 1-614 gehandhaafd blijven.

De indieners trekken de amendementen nrs. 32, 173, 45 en 186 in.

III. STEMMINGEN

Het aldus geamendeerde wetsvoorstel tot invoeging van een artikel 309bis in het Gerechtelijk Wetboek en wijziging van artikel 20 van de wet van 5 augustus 1991 tot bescherming van de economische mededinging (nr. 1-417) wordt aangenomen met 9 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.

Het aldus geamendeerde wetsvoorstel tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek en van de wet van 5 augustus 1991 tot bescherming van de economische mededinging (nr. 1-614) wordt aangenomen met 9 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.

Dit verslag is eenparig goedgekeurd door de 9 aanwezige leden.

De rapporteurs, De voorzitter,
Jacques D'HOOGHE.
Robert HOTYAT.
Paul HATRY.

TEKSTEN AANGENOMEN DOOR DE COMMISSIE


Zie Gedr. St. nrs. 1-417/17 en 1-614/15


(1) De commissie heeft zich gebogen over een voorstel om ook het tweede substantief van de benaming « le Conseil de la concurrence » met hoofdletter te schrijven. Volgens « Le bon usage » van Grévisse, André Goosse, Duculot, Paris-Louvain-la-Neuve, 1993, 13e uitgave, blz. 113, moet in benamingen van het genre substantief + de +substantief, alleen het eerste substantief een hoofdletter krijgen. Hoofdletters toevoegen aan de andere substantieven levert geen bijkomende informatie op. De schrijfwijze « Conseil de la concurrence » lijkt dus de meest geschikte.

(2) De commissieleden gebruiken meestal de termen « optionele bicamerale procedure » en « verplicht bicamerale procedure ». Ze stellen evenwel vast dat de Raad van State in zijn advies in het Nederlands de woorden « gedeeltelijk ­ volledig » gebruikt en in het Frans « imparfait ­ parfait ». De Nederlandse termen zijn wellicht verantwoord omdat het oude voorstel nr. 1-614 bepalingen van beide soorten bevatte, maar de Franse termen « imparfait ­ parfait » lijken hier niet geschikt.