1-1096/1

1-1096/1

Belgische Senaat

ZITTING 1997-1998

15 SEPTEMBER 1998


Voorstel van resolutie inzake een globaal en geïntegreerd beleid inzake gelijke deelname van vrouwen en mannen aan de politieke besluitvorming

(Ingediend door mevrouw de Bethune c.s.)


VOORSTEL VAN RESOLUTIE


De Senaat,

Verenigde Naties

1. Overwegende dat het principe van gelijke rechten voor vrouwen en mannen juridisch is vastgelegd in de aanhef en in de artikelen 1 en 55 van het Handvest van de Verenigde Naties van 26 juni 1945, door de Belgische wetgever goedgekeurd op 14 december 1945.

2. Overwegende dat bij resolutie van 21 juni 1946 van de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties de Commissie voor de Status van de Vrouw (CSV) werd opgericht, met als opdracht aanbevelingen, rapporten en verdragen tot bevordering van de rechten van de vrouw op politiek, economisch, sociaal enz. vlak voor te bereiden.

3. Overwegende dat de aanhef en artikel 2 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 10 december 1948 het principe vermelden van de gelijke rechten voor vrouwen en mannen en van het verbod van discriminatie, ondermeer op grond van geslacht.

Dat artikel 21 betrekking heeft op het recht om deel te nemen aan de politieke besluitvorming, waarbij ondermeer wordt gegarandeerd dat iedereen het recht heeft om deel te nemen aan het overheidsbeleid van zijn land, hetzij rechtstreeks, hetzij door middel van een vrij verkozen vertegenwoordiger (alinea 1) en om op gelijke voet openbare functies te bekleden in zijn land (alinea 2).

4. Overwegende dat het Internationale Verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten van 16 december 1966 werd goedgekeurd door de Belgische wetgever bij wet van 15 mei 1981. Dat dit Verdrag tot doel heeft uitwerking te geven aan de beginselen die zijn opgenomen in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Dat België zich in dit Verdrag ertoe verbonden heeft alle in het Verdrag erkende rechten te eerbiedigen en te verzekeren en daartoe de nodige maatregelen te nemen. Dat de artikelen 2, 3 en 26 van dit Verdrag de gelijke rechten voor vrouwen en mannen en het verbod van discriminatie, ondermeer op grond van geslacht, garanderen. Dat artikel 25 van het Verdrag aan iedereen, zonder enige vorm van onderscheid, het recht garandeert om deel te nemen aan het overheidsbeleid, hetzij rechtstreeks, hetzij door middel van een vrij verkozen vertegenwoordiger (punt a), zijn stem uit te brengen en verkiesbaar te zijn bij alle verkiezingen (punt b), en op gelijke voet openbare functies te bekleden in zijn land (punt c).

5. Overwegende dat op 31 maart 1953 een UNO-Verdrag tot stand kwam betreffende de politieke rechten van de vrouw, in België goedgekeurd bij wet van 19 maart 1964.

6. Dat op 18 december 1979 het UNO-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen tot stand kwam. Dat dit Verdrag, dat in België werd goedgekeurd bij wet van 11 mei 1983, een mijlpaal betekende in de erkenning van de gelijkheid van vrouwen en mannen : het Verdrag expliciteert niet alleen de gelijke rechten, op alle domeinen, van vrouwen en mannen, het somt ook de verplichtingen op welke de verdragsstaten verklaren op zich te nemen en die gericht zijn op het uitschakelen van iedere vorm van discriminatie van vrouwen. Dat het Verdrag bovendien toelaat dat, onder bepaalde voorwaarden, positieve maatregelen ten voordele van vrouwen worden genomen. Dat, specifiek wat de politieke besluitvorming betreft, artikel 7 van het Verdrag stelt : « De Staten die partij zijn bij dit Verdrag, nemen alle passende maatregelen om discriminatie van vrouwen in het politieke en openbare leven van het land uit te bannen, en verzekeren vrouwen in het bijzonder het recht om op gelijke voet met mannen : a) hun stem uit te brengen bij alle verkierzingen en volksstemmingen, en verkiesbaar te zijn in alle openbaar gekozen lichamen; b) deel te nemen aan de vaststelling van het overheidsbeleid en aan de uitvoering hiervan, alsook openbare ambten te bekleden en alle openbare functies op alle overheidsniveaus te vervullen; c) deel te nemen aan niet-overheidsorganisaties en verenigingen op het gebied van het openbare en politieke leven van het land ».

7. Overwegende dat, krachtens artikel 17 van het UNO-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen, « ten behoeve van de beoordeling van de voortgang die wordt gemaakt bij de uitvoering van het Verdrag » een commissie voor de uitbanning van discriminatie van vrouwen (CEDAW) werd ingesteld. Dat de rapportageprocedure, waarbij de verdragspartijen de wettelijke, bestuurlijke en andere maatregelen beschrijven die zij hebben genomen ter uitvoering van hun verdragsverplichtingen, voor CEDAW het belangrijkste instrument is in het kader van haar functie als toezichthoudend orgaan.

8. Overwegende dat over de jaren heen, en voor het eerst in 1975, door de Verenigde Naties, conferenties op wereldvlak zijn georganiseerd over de vrouw. Dat in de Verklaring en het Actieprogramma van de vierde UNO-Wereldvrouwenconferentie te Peking (september 1995) sterk de nadruk is gelegd op de noodzaak te zorgen voor een evenwichtige verdeling van verantwoordelijkheden, macht en rechten en dat de lidstaten zich ertoe verbonden hebben dit Actieprogramma uit te voeren.

Raad van Europa

9. Overwegende dat het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 4 november 1950, goedgekeurd door de Belgische wetgever bij wet van 13 mei 1955, in artikel 14 het principe bevestigt van het verbod van discriminatie, ondermeer op grond van geslacht, bij het genot van de door het Verdrag gewaarborgde rechten en vrijheden. Dat dit verdrag weliswaar niet slaat op politieke rechten, maar toch een algemeen gelijkheidsbeginsel uitdraagt.

10. Overwegende dat de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa herhaaldelijk heeft beklemtoond dat gelijkheid van mannen en vrouwen een noodzakelijke voorwaarde is voor een echte democratie. Dat zij in aanbeveling 1229 en in resolutie 1018 over gelijkheid van rechten van mannen en vrouwen van 24 januari 1994 de noodzaak beklemtoonde van de gelijke vertegenwoordiging van vrouwen en mannen in de politieke besluitvorming. Dat onder het Finse voorzitterschap van het Comité van ministers, in maart 1997 te Helsinki een seminarie werd georganiseerd met als thema « De Gelijkheid tussen vrouwen en mannen in het politieke besluitvormingsproces ». Dat tijdens dit seminarie concrete voorstellen werden geformuleerd teneinde de volwaardige participatie van vrouwen en mannen aan de politieke besluitvorming te realiseren. Dat ook tijdens de vierde Europese ministerconferentie over de gelijkheid van vrouwen en mannen, die in november 1997 plaatsvond in Istanbul, ruime aandacht ging naar de gelijke vertegenwoordiging van vrouwen en mannen in de politiek. Dat het belang van het thema verder werd onderstreept door de oprichting in januari 1998 van een commissie voor de gelijkheid van mannen en vrouwen (resolutie 1144).

Europese Unie

11. Overwegende dat het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, gesloten te Rome op 25 maart 1957 en door de Belgische Wetgever goedgekeurd bij wet van 2 december 1957, in artikel 119 het principe vastlegt van de gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijk werk. Dat, uitgaande van dit principe, de Raad van ministers richtlijnen heeft aangenomen die de gelijke behandeling van vrouwen en mannen voor de lidstaten tot norm verheffen. Dat bovendien het Europese Hof van Justitie gelijkheid tot een basisprincipe van de Europese wetgeving heeft gemaakt. Dat via vier communautaire actieprogramma's inzake gelijke kansen voor vrouwen en mannen de nadruk niet meer zozeer op formele gelijkheid als wel op feitelijke gelijkheid is komen te liggen.

12. Overwegende dat de volgende Europese acties specifieke aandacht besteden aan de toegang van vrouwen tot de besluitvorming :

­ de aanbeveling 84/635/EEG van de Raad van ministers van de Europese Unie van 13 december 1984 betreffende de bevordering van positieve acties voor vrouwen;

­ de tweede resolutie van de Raad van 24 juli 1986 betreffende de bevordering van gelijke kansen voor de vrouw;

­ de resolutie van de Raad van 21 mei 1991 betreffende het derde communautaire actieprogramma op middellange termijn inzake gelijke kansen voor vrouwen en mannen (1991-1995);

­ de resolutie van de Raad van 27 maart 1995 betreffende evenwichtige deelneming van vrouwen en mannen aan de besluitvorming;

­ besluit 95/593/EG van de Raad van 22 december 1995 betreffende een communautair actieprogramma op middellange termijn inzake gelijke kansen voor vrouwen en mannen (1996-2000).

13. Overwegende dat met het Verdrag van Amsterdam van 1997 Europa meer bevoegdheden heeft gekregen voor gelijke kansen en de Europese Unie voortaan bij al haar acties de ongelijkheden tussen vrouwen en mannen moet wegwerken.

14. Overwegende dat in de aanbeveling van de Raad van ministers van de Europese Unie van 2 december 1996 betreffende de evenwichtige deelneming van vrouwen en mannen aan het besluitvormingsproces (96/694/EG) de Lid-Staten worden aanbevolen om ondermeer « een allesomvattende, geïntegreerde strategie aan te nemen ter bevordering van een evenwichtige deelneming van vrouwen en mannen aan het besluitvormingsproces, en daartoe de passende maatregelen uit te breiden of te nemen, zoals in voorkomend geval wettelijke en/of bestuursrechtelijke en/of aansporingsmaatregelen ». Dat de instellingen, de organen en de gedecentraliseerde organen van de Europese gemeenschappen worden verzocht voor hun eigen organisatie « een strategie te bepalen om te komen tot een evenwichtige deelneming van vrouwen en mannen aan het besluitvormingsproces ». Dat de Europese Commissie ondermeer wordt verzocht « voor het eerst drie jaar na goedkeuring van deze aanbeveling en vervolgens ieder jaar, op basis van de door de Lid-Staten en de Instellingen, de organen en de gedecentraliseerde organen van de Europese gemeenschappen verstrekte gegevens, een verslag over de tenuitvoerlegging van deze aanbeveling aan het Europees Parlement, de Raad en het Economisch en Sociaal Comité voor te leggen ».

15. Overwegende dat de Europese Commissie sedert het begin van de jaren '80 ijvert met geïntegreerde, meerjarige actieprogramma's voor de omvorming van principes van gelijkheid naar een werkelijkheid waar die gelijkheid ook bestaat. Dat luidens het Derde Communautaire Actieprogramma (1991-1995) « de actieve deelname van vrouwen aan de besluitvorming één van de meest doeltreffende manieren zou kunnen zijn om gelijke kansen tussen vrouwen en mannen te realiseren en om een blijvende mentaliteitsverandering tot stand te brengen ».

16. Overwegende dat de Europese Commissie in 1992, in uitvoering van het derde Communautaire actieprogramma, een netwerk « vrouwen en besluitvorming » heeft opgericht met als opdracht, enerzijds, het onderzoeken van de obstakels die vrouwen belemmeren om volwaardig deel te nemen aan besluitvormingsprocessen, anderzijds, de ondersteuning van activiteiten die deze obstakels kunnen opheffen. Dat de werkzaamheden van dit netwerk werden beschreven en geëvalueerd in een eindrapport van juni 1996, getiteld « Women in decision-making, Panorama of activities in the framework of the third medium-term Community action programme on equal opportunities for women and men (1991-1995) ».

17. Overwegende dat in november 1992, tijdens een conferentie gewijd aan het thema « vrouwen in invloedrijke posities » en georganiseerd door het netwerk « vrouwen en besluitvorming », onder bescherming van de Europese Commissie en in samenwerking met de Europese Vrouwenlobby, de Verklaring van Athene werd ondertekend door een twintigtal Europese vrouwen in hoge politieke functies. Dat hierin het democratische tekort wordt onderstreept waaraan de landen van de Europese Unie lijden, een tekort dat te wijten is aan de ondervertegenwoordiging van vrouwen in de besluitvorming.

18. Overwegende dat in mei 1996, tijdens een conferentie rond « Vrouwen voor de vernieuwing van politiek en samenleving », georganiseerd door het netwerk « Vrouwen en Besluitvorming », onder de auspiciën van het Italiaans voorzitterschap van de Raad van ministers en in samenwerking met de Eenheid Gelijke Kansen van de Europese Commissie (DG V), het Handvest van Rome werd ondertekend door vijftien vrouwelijke ministers van de Europese Unie.

19. Overwegende dat de Europese Commissie « het invoeren van een evenwichtige verdeling tussen mannen en vrouwen bij de besluitvorming » één van de zes doelstellingen van haar vierde communautair actieprogramma op middellange termijn inzake gelijke kansen voor vrouwen en mannen (1996-2000) noemt.

20. Overwegende dat de resolutie van het Europees Parlement van 11 februari 1994 over vrouwen in besluitvormende organen en het daarbijhorende Verslag van de Commissie rechten van de vrouw van het Europees Parlement over vrouwen in het besluitvormingsproces (Verslag Larive ­ A3-0035/94) de Commissie verzoeken « ter bestrijding van de individuele belemmeringen voor vrouwen om deel te nemen aan de besluitvorming, kracht bij te zetten aan de uitvoering van het gelijke-kansenbeleid van het derde communautaire actieprogramma » en « maatregelen en acties te bepalen waardoor grotere participatie van vrouwen aan het besluitvormingsproces mogelijk wordt ».

Interparlementaire Unie

21. Overwegende dat de Interparlementaire Unie, in haar strijd voor de verbetering van de positie van de vrouw, vooral de klemtoon legt op de deelname van vrouwen aan de politieke besluitvorming. Dat, met het oog hierop, de Interparlementaire Raad, op 26 maart 1994 een Actieplan heeft aangenomen om het onevenwicht te herstellen in de deelname van vrouwen en mannen aan het politiek leven. Dat, in de geest van de vierde UNO-Wereldvrouwenconferentie te Peking en in navolging van de Verklaring en het Actieprogramma van deze conferentie, de Interparlementaire Unie in februari 1997 te New Delhi een conferentie heeft gewijd aan het thema « Naar een partnerschap tussen mannen en vrouwen in de politiek ». Dat de Verklaring van New Delhi, die bij deze gelegenheid werd opgesteld, concrete maatregelen bevat die een einde moeten maken aan het onevenwicht tussen mannen en vrouwen op het vlak van politieke besluitvorming.

België

22. Overwegende dat de Belgische regering, conform de verbintenissen die tijdens de derde UNO-Wereldvrouwenconferentie te Nairobi werden afgesloten, sinds 1986 begonnen is met een concreet institutioneel beleid voor gelijke kansen, via de oprichting van een staatssecretariaat voor Maatschappelijke Emancipatie, de eerste officiële structuur die zich bezighield met het gelijke-kansenbeleid. Dat dit in 1992 een volwaardig departement is geworden, dat geïntegreerd werd in het ministerie van Arbeid en Tewerkstelling. Dat in dit kader verscheidene acties werden georganiseerd die speciaal gericht zijn op de plaats van de vrouw in de politieke besluitvorming (gerichte actieplannen, structurele wijzigingen, sensibilisering).

23. Overwegende dat de doelstelling de participatie van vrouwen aan de politieke besluitvorming te vergroten verwoord wordt in het regeerakkoord van 1995 dat ondermeer vermeldt dat « de regering resoluut zal verder werken om een evenwichtige aanwezigheid van en taakverdeling tussen mannen en vrouwen in de verschillende domeinen van het maatschappelijk, economisch en politiek leven te bevorderen ».

24. Overwegende dat de wet van 24 mei 1994 ter bevordering van een evenwichtige verdeling van mannen en vrouwen op de kandidatenlijsten voor de verkiezingen bepaalt dat, vanaf 1 januari 1999, niet meer dan twee derden van de kandidaten op de voorgestelde lijsten met kandidaturen van hetzelfde geslacht mogen zijn.

25. Overwegende dat, krachtens de wet van 6 maart 1996 strekkende tot controle op de toepassing van de resoluties van de vierde UNO-Wereldvrouwenconferentie te Peking de federale regering de verplichting heeft jaarlijks verslag uit te brengen aan het Federale Parlement over het beleid gevoerd overeenkomstig de doelstellingen van de vierde UNO-Wereldvrouwenconferentie.

26. Overwegende dat de wet van 20 juli 1990 ter bevordering van de evenwichtige aanwezigheid van mannen en vrouwen in organen met adviserende bevoegdheid, gewijzigd bij wet van 17 juli 1997, de federale adviesorganen verplicht ervoor te zorgen dat ten hoogste twee derden van hun leden van hetzelfde geslacht zijn. Dat initiatieven werden genomen om ook op provinciaal en lokaal niveau te komen tot een meer evenwichtige samenstelling van de adviesorganen.

27. Overwegende dat het advies nummer 4 van 26 juli 1995 van de Raad van de Gelijke Kansen voor mannen en vrouwen betreffende de deelname van de vrouwen aan het politieke leven vraagt dat « gelet op de huidige overduidelijke ondervertegenwoordiging van vrouwen op alle niveaus, (...) positieve acties worden gevoerd waardoor een evenwicht kan worden tot stand gebracht ».

28. Overwegende dat in 1998, vijftig jaar na de invoering van het stemrecht voor vrouwen, Belgische vrouwen en mannen gelijke politieke rechten hebben. Dat vrouwen evenwel nog steeds een minderheid blijven daar waar de politieke beslissingen vallen.

29. Overwegende dat de huidige federale regering slechts twee vrouwelijke ministers telt op vijftien (11,7 %) en geen enkele vrouwelijke staatssecretaris (op twee). Dat 21 vrouwen zetelen in de Kamer van volksvertegenwoordigers op een totaal van 150 (14 %) en 19 in de Senaat op een totaal van 73 (26 %).

Dat op niveau van de deelgebieden de toestand er niet beter uitziet : in de parlementen is de verhouding vrouwen-mannen : Vlaams Parlement : 16,9 % (21/124); Waals Parlement : 12 % (9/75); Franse Gemeenschapsraad : 20,2 % (19/94); Raad van de Duitstalige Gemeenschap : 24 % (6/25); Brusselse Hoofdstedelijke Raad : 29,3 % (22/75); in de regeringen is de verhouding vrouwen-mannen : Vlaamse regering : 22,2 % (2/9); Waalse regering : 0 % (0/7); Franse Gemeenschapsregering : 25 % (1/4); regering van de Duitstalige Gemeenschap : 0 % (0/3); Brusselse regering : 0 % (0/7).

Dat ter vergelijking in de gemeenteraden en de provincieraden gemiddeld 20 % (2 569/12 811), respektievelijk 34,4 % (1 919/5 577) vrouwen zetelen. Dat er 13,1 % (404/3 075) vrouwelijke burgemeesters en schepenen zijn waarvan 5,4 % (32/589) vrouwelijke burgemeesters. Dat de Belgische provincies gemiddeld 8,6 % (6/70) vrouwelijke gedeputeerden en 10 % (1/10) vrouwelijke gouverneurs tellen.

30. Overwegende dat vrouwen ruim de helft van de bevolking uitmaken. Dat het feit dat zij niet in gelijke mate deelnemen aan de politieke besluitvorming betekent dat het systeem gekenmerkt wordt door een structureel democratisch deficit. Dat democratie betekent dat vrouwen ook in gelijke mate deelnemen aan de politieke besluitvorming.

31. Overwegende dat de geringe vertegenwoordiging van vrouwen in besluitvormingsfuncties verhindert dat ten volle rekening wordt gehouden met de belangen en behoeften van de hele bevolking. Dat gelijkheid een mensenrecht is en er van gelijkheid geen sprake kan zijn zonder een evenwichtige deelname van vrouwen en mannen aan de politieke besluitvorming. Dat een evenwichtige deelname van vrouwen en mannen aan besluitvormingsprocessen gericht is op een evenwichtiger beleid en een rechtvaardiger wereld.

32. Overwegende dat de geringe vertegenwoordiging van vrouwen in besluitvormingsfuncties een verlies betekent voor de hele samenleving en dat een evenwichtige deelneming van vrouwen en mannen aan besluitvormingsprocessen nieuwe ideeën, waarden en gedragspatronen kan voortbrengen. Dat vrouwen en mannen elkaar aanvullen. Dat de politiek er alleen maar baat bij heeft als vrouwen en mannen samen het beleid voeren.

Verzoekt de federale regering

een allesomvattend, geïntegreerd beleidsplan op te stellen gericht op het bereiken van een evenwichtige deelname van vrouwen en mannen aan de politieke besluitvorming. Deze evenwichtige deelname dient op alle beleidsniveaus (federaal, gemeenschaps- en gewestniveau, provinciaal, lokaal) te worden gerealiseerd.

Er zij aan herinnerd dat de evenwichtige deelname van vrouwen en mannen aan het besluitvormingsproces niet enkel dient te worden gerealiseerd op het vlak van de politieke beslissingen, maar een streefdoel is voor alle domeinen van het sociaal, economisch en cultureel leven. Ook op het niveau van de sport, de kunst, de media, het onderwijs, de financiën, de academische en wetenschappelijke instellingen, de vakbonden, justitie, de gezondheidszorg,... dient te worden geijverd voor een meer gelijke verdeling van de besluitvormingsfuncties.

Stelt

dat dit beleidsplan een institutioneel en structureel kader moet bieden voor activiteiten die de politieke participatie van vrouwen beogen te vergroten.

Daartoe dienen de volgende beleidslijnen en aandachtspunten in het beleidsplan te worden geïntegreerd :

1. STRUCTURELE MAATREGELEN

Er dienen wettelijke en structurele maatregelen te worden genomen die gericht zijn op het bereiken en het waarborgen van een evenwicht tussen vrouwen en mannen in de politieke besluitvorming. Deze maatregelen moeten verzekeren dat een evenwichtige vertegenwoordiging niet afhankelijk is van de politieke wil van een specifieke regering of partijleiding.

1.1. Het principe van de paritaire democratie dient te worden ingeschreven in de Grondwet als één van de basisbeginselen van ons democratisch staatsbestel. Door deze grondwettelijke erkenning wordt de paritaire democratie een blijvende opdracht voor de overheid, ongeacht de politieke prioriteiten van de verschillende regeringen.

1.2. De gelijke vertegenwoordiging van vrouwen en mannen binnen de federale regering dient grondwettelijk te worden vastgelegd. Dit is een noodzakelijke stap in het streven naar een paritaire democratie, waardoor niet alleen een einde wordt gemaakt aan de ondervertegenwoordiging van vrouwen op het vlak van de politieke besluitvorming, maar waardoor tevens de democratie als staatsvorm haar volle betekenis krijgt.

1.3. Van doorslaggevend belang is de samenstelling van de verkiezingslijsten. Maatregelen dienen te worden genomen om politieke partijen aan te moedigen de deelname van vrouwen aan de politieke besluitvorming te verwezenlijken door vrouwen op verkiesbare plaatsen te zetten door het ritssysteem, dit is door afwisselend vrouwen en mannen op de kandidatenlijsten te plaatsen.

1.4. Vrouwengroepen binnen de politieke partijen dienen te worden erkend en financieel ondersteund. Hiertoe dient de wet op de financiering van de politieke partijen te worden geamendeerd. Deze politieke vrouwengroepen vertalen wat vrouwen denken en willen in politieke eisen en standpunten en vormen aldus een cruciale brug tussen vrouwen en de politiek. Zij spelen ook een belangrijke rol inzake het begeleiden van (onervaren) politiek geïnteresseerde vrouwen, onder meer door het aanbieden van opleidingen, zoals opleidingen voor leiding en besluitvorming, spreken in het openbaar en assertiviteit, en het voeren van politieke campagnes.

1.5. Maatregelen dienen te worden genomen om de financiële moeilijkheden op te heffen van mensen met een vervangingsinkomen en van (thuisblijvende) partners (meestal vrouwen) wanneer zijzelf of hun partner een mandaat als schepen of burgemeester opnemen en die in de praktijk dan ook vaak een belemmering betekenen voor politieke deelname.

1.6. De paritaire democratie dient één van de pijlers te worden van de nieuwe politieke cultuur. Een nieuwe politieke cultuur heeft maar kans op slagen wanneer ook vrouwen erbij betrokken worden, mee verantwoordelijkheid dragen en wanneer gelijkheid van mannen en vrouwen een vanzelfsprekendheid wordt.

2. MENTALITEITSVERANDERING

Bewustmakingscampagnes, die de aandacht vestigen op het belang van een evenwichtige deelname van vrouwen en mannen aan het besluitvormingsproces, zijn van wezenlijk belang.

2.1. Er moet gestreefd worden naar een mentaliteitsverandering bij het grote publiek, en dit op een gerichte manier :

­ Zowel de instanties die verantwoordelijk zijn voor de samenstelling van de verkiezingslijsten als de kiezers dienen te worden overtuigd van de noodzaak van een evenwichtige deelname van vrouwen en mannen aan het besluitvormingsproces. De selecterende instanties dienen gewezen te worden op de verantwoordelijkheid die zij terzake hebben.

­ Vrouwen dienen te worden aangemoedigd om te participeren in politieke activiteiten.

­ Mannen dienen het belang in te zien van een grotere vrouwelijke deelname aan de politiek. Zij dienen zich ervan bewust te zijn dat zij hierbij een actieve, stimulerende rol te vervullen hebben. Opdat vrouwen met politieke ambitie zich daadwerkelijk zouden kunnen begeven op het politieke terrein is het belangrijk dat zij, samen met hun echtgenoot of partner, goede afspraken maken over een aangepaste verdeling van de gezinstaken.

2.2. De overheid kan in dit bewustmakingsproces zelf het voortouw nemen, door gebruik te maken van televisiezendtijd, het uitgeven van folders, het plaatsen van advertenties in kranten..., of kan (vrouwen) organisaties stimuleren en financieren om publieke bewustmakingscampagnes te houden.

2.3. Socialisatie en negatieve stereotypering van vrouwen en mannen, met inbegrip van stereotypering van de media, versterken de tendens om politieke besluitvorming voor te behouden aan mannen. De media hebben daarom een specifieke rol te vervullen : zij dienen bij de publieke opinie het beeld te verspreiden en te ondersteunen van de gelijkheid van vrouwen en mannen. Ook moeten ze vrouwen in hun management opnemen zodat die een invloed kunnen uitoefenen op de programmering.

2.4. Op alle niveaus van onderwijs en opleiding dienen jonge meisjes en vrouwen te worden gestimuleerd even volledig en actief deel te nemen aan en zich te uiten in de onderwijs- en opleidingsactiviteiten als jongens en mannen, teneinde hen voor te bereiden op een actieve rol in de maatschappij, met inbegrip van het politieke, economische, sociale en culturele leven, en in het bijzonder in het besluitvormingsproces.

3. STRATEGIEËN EN GOEDE PRAKTIJKEN

3.1. Initiatieven die tot voorbeelden van goede praktijken op diverse gebieden van het besluitvormingsproces leiden, dienen te worden bevorderd en gestimuleerd. Er is hierbij nood aan een forum voor de verspreiding en uitwisseling van ervaring en informatie tussen de actoren op de verschillende niveaus en met een diverse professionele achtergrond.

3.2. Passende maatregelen dienen te worden genomen teneinde de combinatie van de zorg- en opvoedingstaken met politieke activiteiten te kunnen combineren.

4. WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK

4.1. Het verzamelen én publiceren van naar geslacht opgesplitst cijfermateriaal is een noodzakelijk instrument om een beleid te kunnen voeren dat vrouwen en mannen ten goede komt. Daarom is het van essentieel belang dat ook over de vertegenwoordiging van vrouwen in de politieke besluitvorming relevant cijfermateriaal wordt verzameld en verspreid. Dit is een essentiële stap op de weg naar een toename van de politieke participatie van vrouwen. Overheden, politieke partijen en het grote publiek moeten op de hoogte zijn van het aantal vrouwen dat deelneemt aan de politieke besluitvorming.

4.2. Onderzoeksprojecten over de politieke deelname van vrouwen dienen te worden opgezet en gefinancierd. Dit onderzoek ­ zowel kwantitatief als kwalitatief ­ dient zich toe te spitsen op een analyse van de belemmeringen die leiden tot ondervertegenwoordiging van vrouwen in de politiek, en dit specifiek voor België en op alle niveaus, op een onderzoek naar de beweegredenen om aan politiek te doen, zowel bij vrouwen als bij mannen, en op een analyse van de institutionele factoren die de toegang tot het politieke systeem bepalen.

Daarbij dient tevens aandacht te gaan naar de cultuur van de besluitvorming en de achterliggende waarden, naar de impact van vrouwelijke politici, met name hun invloed op de politieke agenda en op de politieke besluitvorming, en naar het belang en de waarde van de paritaire democratie.

5. HET BELEID

Het thema « vrouwen en besluitvorming » moet een prioriteit blijven van het Belgisch gelijke kansenbeleid. De parlementaire instellingen hebben terzake een belangrijke rol te vervullen als gesprekspartner en initiatiefnemer.

5.1. In het jaarlijks verslag dat de Belgische regering dient uit te brengen aan het federale parlement, over het beleid gevoerd overeenkomstig de doelstellingen van de vierde UNO-Wereldvrouwenconferentie, dient een hoofdstuk « vrouwen en besluitvorming » te worden opgenomen.

5.2. In de aanbeveling van de Raad van de Europese Unie van 2 december 1996 betreffende de evenwichtige deelneming van vrouwen en mannen aan het besluitvormingsproces (96/694/EG) wordt de Europese Commissie verzocht, voor het eerst drie jaar na goedkeuring van de aanbeveling en vervolgens ieder jaar, een verslag over de tenuitvoerlegging van de aanbeveling aan het Europees Parlement, de Raad en het Economisch en Sociaal Comité voor te leggen. De Belgische regering dient hiertoe aan de Europese Commissie de nodige gegevens te verstrekken. Het verslag dat deze gegevens bevat moet, voor overhandiging aan de Europese Commissie, worden voorgelegd aan de adviescomités inzake gelijke kansen van mannen en vrouwen van de Wetgevende Kamers.

5.3. Een emancipatie-effectrapportage, die nagaat wat de gevolgen zijn van beleidsvoornemens op vrouwen en mannen, dient te worden geïntroduceerd en geïmplementeerd bij de beleidsvoorbereiding. Aan de hand van deze rapportage kan de, vaak verborgen, onbewuste en onopzettelijke scheve gender-dimensie in beleidsvoornemens worden blootgelegd en kan een beleid worden ontwikkeld dat minder eenzijdig gericht is op de behoeften van mannen, maar dat integendeel rekening houdt met de verschillende behoeften van vrouwen en mannen.

5.4. Positieve acties blijven aangewezen teneinde bepaalde feitelijke ongelijkheden die de kansen van de vrouwen nadelig beïnvloeden, op te heffen.

5.5. Het recht op gelijkheid van vrouwen en mannen is een fundamenteel beginsel, dat dient te worden beschouwd als de uitdrukkelijke doelstelling van iedere ware, paritaire democratie en dat daarom dient te worden ingeschreven in de Grondwet.

5.6. Er is nood aan een wet die iedere vorm van discriminatie op grond van het geslacht verbiedt en waarop zowel benadeelden als verenigingen zich voor de rechtbanken kunnen beroepen.

Sabine de BETHUNE.
Anne-Marie LIZIN.
Andrée DELCOURT-PÊTRE.
Martine DARDENNE.
Vera DUA.
Bea CANTILLON.
Erika THIJS.