1-984/1 | 1-984/1 |
15 MEI 1998
De « Overleggroep-Langendries » (staten-generaal van de democratie), die van december 1996 tot juni 1997 aan het werk is geweest heeft een aantal denksporen gevolgd om de kwaliteit van de democratische beleidsvoering te waarborgen en om de burger een gelijke toegang en behandeling te garanderen in zijn betrekkingen met de instellingen.
Dit voorstel is de vrucht van een politiek akkoord dat tijdens voormelde staten-generaal bereikt werd.
In dat verband heeft de werkgroep die de heer Busquin heeft voorgezeten, zich gebogen over de regels inzake de cumulatie van het parlementair mandaat met andere ambten.
De conclusies van de werkgroep, die worden gedeeld door alle politieke partijen die aan de staten-generaal hebben deelgenomen, bevestigen dat het parlementair mandaat « van essentieel belang » is. Om dat zo te houden, stellen zij een regel tot afschaffing van de cumulatie voor, die het inkomen tot een bepaald maximumbedrag beperkt.
Die regel bepaalt dat het mandaat van parlementslid kan worden gecumuleerd met ten hoogste één uitvoerend mandaat en dat de gecumuleerde vergoedingen niet hoger mogen liggen dan anderhalve maal de parlementaire vergoeding; eventueel wordt die parlementaire vergoeding « afgetopt ».
Dit voorstel moet samen gelezen worden met voorstel nr. 1-985/1, dat voormelde regel voor de federale en Europese parlementaire mandaten invult, en het strekt om die regels toe te passen op het mandaat van lid van de Vlaamse Raad, van de Waalse Gewestraad, van de Franse Gemeenschapsraad, van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad en van de Raad van de Duitstalige Gemeenschap.
Artikelen 2, 3 en 5
Deze artikelen zijn de weergave van de beslissing van de overleggroep-Langendries (23 juni 1996), luidens welke een parlementair mandaat gecumuleerd mag worden met ten hoogste één bezoldigd uitvoerend mandaat.
Ze bepalen dat als bezoldigde uitvoerende mandaten moeten worden beschouwd :
1º het mandaat van burgemeester, van schepen en van voorzitter van een raad voor maatschappelijk welzijn ongeacht het daaraan verbonden inkomen;
2º elk mandaat in een openbare of particuliere instelling uitgeoefend als vertegenwoordiger van het Rijk, van een gemeenschap, van een gewest, van een provincie of van een gemeente,
voor zover dat mandaat meer bevoegdheid verleent dan het loutere lidmaatschap van de algemene vergadering of van de raad van bestuur van die instelling (ongeacht het inkomen dat voornoemd mandaat oplevert), of
voor zover dat mandaat een maandelijks bruto belastbaar inkomen oplevert van minstens 20 000 frank (jaarlijks aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen).
Artikel 2 voert deze regeling in voor de leden van de Vlaamse Raad, de Franse Gemeenschapsraad en de Waalse Gewestraad.
Artikel 3 voert dezelfde regel in voor de Raad van de Duitstalige Gemeenschap, terwijl artikel 5 de regeling door verwijzing toepasselijk maakt op de Brusselse Hoofdstedelijke Raad.
Artikel 4
Artikel 4 voorziet in een regel voor de cumulatiebeperking op financieel vlak. Aangezien de uitoefening van het parlementslid voor zijn openbare mandaten ontvangen inkomen, de helft van de parlementaire vergoeding (1) niet overschrijden. Gesteld dat een parlementslid uit zijn openbare en politieke mandaten een totaalinkomen ontvangt dat anderhalve maal hoger ligt dan de parlementaire vergoeding, dan wordt die verhoudingsgewijs verminderd tot een bedrag dat dit totaal niet overschrijdt.
In casu zijn er drie mogelijkheden :
x = bedrag van de parlementaire vergoeding,
y = totaalbedrag van de ontvangen inkomsten uit openbare of politieke mandaten of ambten,
gesteld dat x + y < 3/2 x, dan rijst er geen probleem : het parlementslid ontvangt zijn integrale parlementaire vergoeding,
gesteld dat x + y = 3/2 x : idem,
gesteld dat x + y > 3/2 x, dan wordt x verhoudingsgewijs verminderd teneinde tot de toestand x + y = 3/2 x te komen.
Voor de berekening van y komen beloningen voor functies als loontrekkende of zelfstandige in de privé-sector niet in aanmerking.
Zowel voor de berekening van x als van y wordt het bedrag dat « als bezoldiging » voor de uitgeoefende activiteit wordt ontvangen, in aanmerking genomen. Er is dus geen sprake van de werkelijke of forfaitaire vergoedingen in aanmerking te nemen die de verkozene uitbetaald krijgt ter vergoeding van kosten die uit zijn ambt (of ambten) voortvloeien. Het referentiebedrag (x) is dus het bedrag van de parlementaire vergoeding, zonder de forfaitaire parlementaire vergoedingen die voor het dekken van reis- of andere kosten worden uitbetaald als werkingskosten. Ook bij de optelling van de berekende bedragen (y) wordt geen rekening gehouden met vergoedingen voor kosten die voortvloeien uit het parlementair mandaat, en evenmin met kostenvergoedingen die verband houden met andere door het parlementslid uitgeoefende openbare of politieke ambten.
De vermindering slaat hoe dan ook alleen op de wedde, niet op reisvergoedingen, kostenvergoedingen, noch op in het raam van het parlementair mandaat verkregen voordelen in natura.
De regeling waarbij absenteïsme financieel wordt bestraft, wordt bij de berekening van die bedragen buiten beschouwing gelaten : alleen het volle bedrag van de parlementaire vergoeding komt in aanmerking. Zulks betekent dat de regeling van de financiële bestraffing van absenteïsme van toepassing is op het eenmaal verminderde bedrag van de vergoeding.
Het reglement van iedere assemblee stelt uitvoeringsregels voor deze bepalingen vast, inzonderheid de wijze waarop het parlementslid inkomsten meedeelt die hij naast het parlementair mandaat heeft ontvangen, alsmede de berekeningswijze van de vermindering van de vergoeding.
Voor de toepassing van deze bepaling zal de Quaestuur van iedere assemblee zich kunnen informeren aan de hand van de gepubliceerde aangifte van mandaten die de parlementsleden, overeenkomstig artikel 2 van de wet van 2 mei 1995, jaarlijks moeten indienen. Elk parlementslid moet zijn assemblee van iedere activiteitswijziging op de hoogte brengen teneinde het bedrag van de vergoeding eventueel aan te passen volgens die wijzigingen.
Er zij opgemerkt dat het vigerende artikel 14 van de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap, gewijzigd bij de wet van 16 juli 1993, verwijst naar artikel 31ter van de bijzondere wet van 8 augustus 1980.
Het aldus door de anti-cumulatieregel gewijzigde artikel zal bijgevolg van toepassing zijn op de leden van de Raad van de Duitstalige Gemeenschap.
Artikel 6
Volgens artikel 6 is dezelfde regel van overeenkomstige toepassing op de leden van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad.
Artikel 7
Artikel 7 regelt de inwerkingtreding van deze wet.
| Philippe BUSQUIN. |
Artikel 1
Dit wetsvoorstel regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.
Art. 2
Artikel 24bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen ingevoegd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993, wordt aangevuld met een nieuwe § 2ter , luidende :
« § 2ter . Het mandaat van lid van de Vlaamse Raad, van de Franse Gemeenschapsraad en van de Waalse Gewestraad kan worden gecumuleerd met ten hoogste één bezoldigd uitvoerend mandaat.
Als bezoldigde uitvoerende mandaten in de zin van het vorige lid worden beschouwd :
1º het mandaat van burgemeester, van schepen en van voorzitter van een raad voor maatschappelijk welzijn, ongeacht het daaraan verbonden inkomen;
2º elk mandaat in een openbare of particuliere instelling uitgeoefend als vertegenwoordiger van het Rijk, van een gemeenschap, van een gewest, van een provincie of van een gemeente, voor zover dat mandaat meer bevoegdheid verleent dan het loutere lidmaatschap van de algemene vergadering of van de raad van bestuur van die instelling en ongeacht het daaraan verbonden inkomen;
3º elk mandaat in een openbare of particuliere instelling uitgeoefend als vertegenwoordiger van het Rijk, van een gemeenschap, van een gewest, van een provincie of van een gemeente, voor zover dat mandaat een maandelijks bruto belastbaar inkomen oplevert van minstens 20 000 frank. Dit bedrag wordt jaarlijks aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen. »
Art. 3
Artikel 10bis van de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap, ingevoegd bij de wet van 16 juli 1993, wordt aangevuld met een tweede en derde lid, luidende :
« Het mandaat van lid van de Raad van de Duitstalige Gemeenschap kan worden gecumuleerd met niet meer dan één bezoldigd uitvoerend mandaat.
Als bezoldigde uitvoerende mandaten in de zin van het vorige lid worden beschouwd :
1º het mandaat van burgemeester, van schepen en van voorzitter van een raad voor maatschappelijk welzijn, ongeacht het daaraan verbonden inkomen;
2º elk mandaat in een openbare of particuliere instelling uitgeoefend als vertegenwoordiger van het Rijk, van een gemeenschap, van een gewest, van een provincie of van een gemeente, voor zover dat mandaat meer bevoegdheid verleent dan het loutere lidmaatschap van de algemene vergadering of van de raad van bestuur van die instelling en ongeacht het daaraan verbonden inkomen;
3º elk mandaat in een openbare of particuliere instelling uitgeoefend als vertegenwoordiger van het Rijk, van een gemeenschap, van een gewest, van een provincie of van een gemeente, voor zover dat mandaat een maandelijks bruto belastbaar inkomen oplevert van minstens 20 000 frank. Dit bedrag wordt jaarlijks aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen. »
Art. 4
In artikel 31ter van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen ingevoegd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993, wordt een § 1bis ingevoegd, luidende :
« § 1bis . Het bedrag van de vergoedingen, de verschotten, de wedde of het presentiegeld, ontvangen als bezoldiging voor de door het lid van de Franse Gemeenschapsraad, van de Waalse Gewestraad en van de Vlaamse Raad naast zijn parlementair mandaat uitgeoefende activiteiten, mag de helft van het bedrag van de met toepassing van § 1 toegekende vergoeding niet overschrijden.
Voor de berekening van dat bedrag komen niet in aanmerking de beloningen, opbrengsten, gunsten, winsten, pensioenen, rentes of als zodanig geldende uitkeringen voortvloeiend uit een als zelfstandige of als loontrekkende uitgeoefende beroepsarbeid in de particuliere sector.
De som van de vergoedingen, de verschotten, de wedde of het presentiegeld, die het lid van de Franse Gemeenschapsraad, van de Waalse Gewestraad en van de Vlaamse Raad heeft ontvangen met toepassing van § 1, of als vergoeding voor de uitoefening van de in het eerste en tweede lid vermelde activiteiten, is gelijk aan of lager dan anderhalve maal het in § 1 vastgestelde bedrag.
Wordt dat bedrag overschreden, dan wordt de in § 1 vastgestelde vergoeding verminderd.
Nemen de in het eerste en tweede lid vermelde activiteiten een aanvang of een einde tijdens de duur van het parlementair mandaat, dan brengt het lid van de betrokken Raad de voorzitter van zijn assemblee daarvan op de hoogte.
Het reglement van elke assemblee stelt nadere regels voor de uitvoering van deze bepalingen. »
Art. 5
In artikel 12, § 2, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, gewijzigd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993, worden de woorden « Artikel 24bis , § 2, van de bijzondere wet is » vervangen door de woorden « Artikel 24bis , §§ 2 en 2ter , ... zijn ».
Art. 6
In artikel 25 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, gewijzigd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993, wordt een nieuwe paragraaf 1bis ingevoegd, luidende :
« Artikel 31ter , paragraaf 1bis van de bijzondere wet is van toepassing op de vergoeding die aan de leden van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad wordt toegekend. »
Art. 7
Deze wet treedt in werking na de eerstvolgende algehele vernieuwing van de Raden.
| Philippe BUSQUIN. Hugo VANDENBERGHE. Frederik ERDMAN. Michel FORET. Magdeleine WILLAME-BOONEN. Roger LALLEMAND. Joëlle MILQUET. Jean-François ISTASSE. |
(1) Onder parlementaire vergoeding wordt verstaan, de (basis)vergoeding bedoeld in artikel 27, tweede lid, 5º, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, met uitzondering van de vergoedingen voor de uitoefening van bijzondere functies in de parlementaire assemblees en met uitzondering van de terugbetaling door die assemblees van gemaakte kosten.