5-197/1

5-197/1

Belgische Senaat

BUITENGEWONE ZITTING 2010

30 SEPTEMBER 2010


Voorstel van resolutie over internationale kinderontvoeringen door een ouder

(Ingediend door mevrouw Christine Defraigne c.s.)


TOELICHTING


Dit voorstel van resolutie neemt de tekst over van een voorstel dat reeds op 14 april 2008 in de Senaat werd ingediend (stuk Senaat, nr. 4-1634/1 - 2009/2010).

Ingevolge het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind, heeft ieder kind het recht om regelmatig persoonlijke omgang met beide ouders te hebben, ook al worden ze door grenzen van elkaar gescheiden (artikelen 9, 10.2 en 11 van het Verdrag). Het welzijn en het hoger belang van het kind zijn fundamenteel. Internationale kinderontvoering door een ouder is een schending van dat Verdrag.

In België is er sprake van een internationale kinderontvoering « wanneer een ouder (of voogd) zijn kind(eren) zonder wettelijke toestemming van de andere ouder meeneemt naar een ander land dan dat waar het kind gewoonlijk verblijft (...). Deze definitie heeft ook betrekking op internationale dossiers waarin het bezoekrecht van de andere ouder niet wordt gerespecteerd. » (1) .

Wanneer een kind ontvoerd wordt, duikt het verschijnsel van oudervervreemding op : de « ouder-ontvoerder » wil de andere ouder doen vergeten of het kind of de kinderen een geringschattend beeld van de andere ouder voorhouden. Het leven van het kind wordt volledig overhoopgegooid : een nieuw land, een nieuwe cultuur, een nieuwe school, eventueel een andere taal leren en zijn moedertaal verleren, enz. Het kind wordt hier het slachtoffer van en wordt als pasmunt tussen zijn ouders gebruikt.

In 2008 behandelde Child Focus 231 dossiers. Het betrof 333 kinderen die door een ouder naar het buitenland waren ontvoerd.

Daarnaast zijn er nog de internationale kinderontvoeringen door een ouder waarvan sommige uitsluitend door de Centrale Autoriteit worden opgevolgd en andere door de directie van Consulaire Zaken van de Federale Overheidsdienst (FOD) Buitenlandse Zaken wanneer de ouder-ontvoerder zich in een land bevindt waarmee België geen verdrag heeft afgesloten. Ten slotte zijn er nog de ontvoeringen die de politie opvolgt wanneer, en dat komt vrij vaak voor, de gedupeerde ouder zelfs het bestaan van de Centrale Autoriteit of de rol van de FOD Buitenlandse Zaken niet kent.

Door de open grenzen, de nieuwe sociale netwerken, toegankelijkere reizen en het vrije verkeer van personen (studenten, werknemers), krijgt ons land steeds meer te maken met de complexe en pijnlijke problematiek van de internationale kinderontvoeringen door een ouder.

Dit toenemend verschijnsel heeft de Staat, met name de FOD Justitie, ertoe aangezet om in 2005 het Federale Aanspreekpunt « Internationale kinderontvoeringen » op te richten. De opdracht van dat Federale Aanspreekpunt is de ouder die slachtoffer werd van een internationale kinderontvoering door de andere ouder, te helpen op gerechtelijk, psychologisch en financieel vlak, met name voor de repatriëringskosten van het kind. Het is bevoegd wanneer het kind door een ouder ontvoerd werd naar een land dat een internationaal of multilateraal Verdrag heeft ondertekend (2) .

Wanneer er geen internationaal of multilateraal verdrag bestaat met het land waar het ontvoerde kind zich bevindt, dan is de dienst Internationale Gerechtelijke Samenwerking binnen de FOD Buitenlandse Zaken bevoegd. Hij kan een beroep doen op Belgische ambassades en consulaten in het buitenland om te achterhalen waar het kind zich bevindt en contact op te nemen met de « ouder-ontvoerder » om het kind te ontmoeten. De FOD Buitenlandse Zaken organiseert de repatriëring en de opvang van het ontvoerde kind.

De bedoeling van het Verdrag van 's-Gravenhage van 25 oktober 1980 betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen is het kind te beschermen door ervoor te zorgen dat het kind onmiddellijk kan terugkeren naar de Staat waar het zijn gewone verblijfplaats heeft wanneer het op een onrechtmatige manier werd weggehaald of vastgehouden in een overeenkomstsluitende Staat (hoofdstuk III van dat Verdrag). Toch zijn er uitzonderingen bij de terugkeer van het kind naar zijn woonplaats, met name als er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht (3) .

Het Verdrag van Luxemburg van 20 mei 1980 bepaalt : « cette convention constitue un code de la protection de la personne de l'enfant. Elle a pour objectif la reconnaissance et l'exécution des décisions de justice en matière de garde des enfants ainsi que le rétablissement de la garde (titre II de cette convention), tendant à apporter une solution aux problèmes de déplacements et rétention illicites d'enfants. » (4) . Om dat doel zo goed mogelijk na te streven, moeten de overheden onderling samenwerken (artikel 3). Dat verdrag werd ondertekend door de lidstaten van de Raad van Europa.

De bedoeling van Brussel IIbis is elke beslissing van een lidstaat van de Europese Unie van rechtswege erkend te laten worden in een andere lidstaat (artikel 21). Die beslissing kan uitvoerbaar worden verklaard via een vereenvoudigde procedure (artikel 42). Die verordening bepaalt ook de onmiddellijke terugkeer van het ontvoerde kind en verwijst hiervoor naar de regels van het Verdrag van 's-Gravenhage.

Ondanks die Verdragen en die verordening nemen de internationale kinderontvoeringen door een ouder toe. Soms faalt men, met name wanneer de kinderen niet kunnen worden opgespoord of die opsporing te traag verloopt, er geen strafmaatregelen zijn bij het niet-naleven van gerechtelijke beslissingen, de procedures te lang duren en in het voordeel spelen van de ouder-ontvoerder, bepaalde landen waar de ouder-ontvoerder zich bevindt, zich verschuilen achter de bewering dat het kind gevaar loopt en dat als rechtvaardiging gebruiken om het kind niet te laten terugkeren.

Ook de Belgische Centrale Autoriteit zou volgens meerdere verenigingen niet goed werken. Traagheid, ontmenselijking van het dossier, niet geneigd zijn om ouders die het slachtoffer werden van internationale kinderontvoering door de andere ouder, aan te sporen iets te ondernemen, onbeschikbaarheid van of gebrek aan personeel, ontoegankelijkheid van het oproepnummer tijdens de kantooruren hoewel er dag en nacht telefonische permanentie is (volgens Child Focus), de FOD Justitie en de FOD Buitenlandse Zaken, die elkaar de bal toespelen ... zorgen ervoor dat de Belgische Centrale Autoriteit haar opdrachten niet naar behoren uitvoert. Kortom, er wordt niet voldaan aan de verwachtingen van de gedupeerde ouders, die in grote mate afhangen van die Autoriteit.

Bovendien zijn de procedure-, griffie-, deurwaarder- en vertaalkosten, erelonen van advocaten, kosten voor logement, telefoon en vervoer al te vaak ten laste van de gedupeerde ouder. Door een gebrek aan financiële middelen geven velen de moed op. Daarbij komen nog de moeilijkheden om inzage te krijgen in hun dossier, op de hoogte te blijven van het verdere verloop ervan en kennis te nemen van de verschillende contacten die de gerechtelijke of bestuurlijke overheden hebben gelegd. De gedupeerde ouders worden over het algemeen in het ongewisse gelaten.

De internationale aard van de zaak maakt het er niet eenvoudiger op. Aangezien het kind ook de nationaliteit heeft van het gastland, zal dat gastland geneigd zijn om in zijn ogen, zijn onderdanen te beschermen, dus ook het kind. Bovendien menen bepaalde ouders en verenigingen dat België niet geneigd is zich te mengen in de zaken van andere Staten, met name om de economische relaties tussen beide landen niet in gevaar te brengen. Aangezien België echter gebonden is door verschillende Verdragen en een verordening, zou het ook zijn onderdanen moeten beschermen en moeten optreden.

Tegenover die alarmerende vaststelling moet het beleid het huidige systeem herzien om ouders die het slachtoffer zijn van internationale kinderontvoering door de andere ouder, bij te staan in hun ontreddering en wanhoop. Wij moeten begaan zijn met deze complexe en pijnlijke problematiek die veel verder reikt dan het louter privéconflict.

Christine DEFRAIGNE.
Jacques BROTCHI.
Gerard DEPREZ.
Richard MILLER.

VOORSTEL VAN RESOLUTIE


De Senaat,

A. overwegende dat België gebonden is door verschillende internationale instrumenten ter bestrijding van het ongeoorloofd overbrengen van kinderen uit hun gewone verblijfplaats en ter bescherming van de persoonlijke omgang van kinderen met hun ouders over de grenzen heen (5)  : het Verdrag van Luxemburg van 20 mei 1980 betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen inzake het gezag over kinderen en betreffende het herstel van het gezag over kinderen, het Verdrag van 's-Gravenhage van 25 oktober 1980 betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen en de Europese verordening 2201/2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, « Brussel IIbis » genoemd;

B. overwegende dat er steeds meer internationale kinderontvoeringen door een ouder plaatsvinden bij conflicten of echtscheidingen tussen koppels met een verschillende nationaliteit;

C. overwegende dat de bestuurlijke en gerechtelijke overheden kinderontvoeringen door een ouder dringend op een doeltreffende en menselijke manier moeten aanpakken;

D. overwegende dat het welzijn en het hoger belang van het kind van fundamenteel belang zijn;

E. overwegende dat elk kind het recht heeft om regelmatige persoonlijke omgang te hebben met beide ouders en dat dit recht hem wordt ontnomen bij een ontvoering door de andere ouder;

F. overwegende dat het kind gegijzeld wordt door één van de ouders wanneer het door die ouder wordt ontvoerd en daardoor vaak een moeilijk te verwerken trauma oploopt;

G. gelet op het trauma voor de ouder die het slachtoffer werd van een internationale kinderontvoering door de andere ouder als gevolg van een conflict dat niet beperkt blijft tot de privésfeer;

H. gelet op de complexe procedures en de kosten van de gerechtelijke stappen voor de ouders, zowel in België als in het buitenland;

I. gelet op de eisen van de organisaties die internationale kinderontvoeringen door een ouder bestrijden om betere gerechtelijke, financiële, logistieke en psychologische hulp te verkrijgen;

J. overwegende dat het Federale Aanspreekpunt « Internationale Kinderontvoeringen » en Child Focus niet doeltreffend zijn voor dossiers over kinderontvoeringen door een ouder;

K. gelet op het feit dat er geen adequate opleiding is voor de betrokken actoren (politie, advocaten, magistraten);

L. gelet op het gebrek aan coördinatie tussen en communicatie met de verschillende actoren, zowel in België als in de contacten met de overige Staten;

I. Vraagt de regering :

1. Inzake een betere bescherming van het « ontvoerde » kind en de gedupeerde ouders :

— de dossiers van « internationale kinderontvoering door een ouder » als een prioriteit te beschouwen. Er dient in dat opzicht bijzondere aandacht te worden besteed aan de situatie van de gedupeerde ouder wiens kind werd ontvoerd. Bovendien moet België zich inzetten voor het probleem van de internationale kinderontvoeringen door een ouder om zijn onderdanen, zowel kinderen als volwassenen, te steunen;

— het recht van het kind om regelmatige persoonlijke omgang te hebben met beide ouders afdwingbaar te maken, ook al worden ze door grenzen van elkaar gescheiden (België heeft het Internationaal Verdrag van de rechten van het kind ondertekend);

— passende maatregelen te treffen om de gedupeerde ouder in staat te stellen zijn kind naar school te sturen wanneer het in België terugkeert, wat momenteel niet het geval is (inschrijving in een school, de taal leren, herintegratie van het kind in het Belgische schoolsysteem op een reëel kennisniveau door de kennis op te frissen, enz.). Een kind dat de Belgische nationaliteit heeft, mag niet aansluiten bij de klassen van de nieuwkomers (6) , aangezien die klassen enkel bestemd zijn voor kinderen van vreemde nationaliteit;

— nieuwe koppels op de hoogte te brengen van hun rechten en plichten tegenover hun kinderen;

— de ouders te betrekken bij de verschillende besprekingen, vergaderingen en werkgroepen die de gerechtelijke en bestuurlijke overheden organiseren in verband met internationale kinderontvoeringen door de andere ouder;

— de betrokken personen in staat te stellen vrij toegang te hebben tot hun dossier en aldus het verdere verloop te kennen;

— de verenigingen die ouders helpen die het slachtoffer werden van internationale kinderontvoering door de andere ouder, te laten deelnemen aan het debat, de belangrijke rol die zij vervullen inzake informatie en preventie te erkennen en hun de nodige subsidies en steun te geven voor hun opdrachten;

2. Inzake de opleiding :

— te zorgen voor een gepaste opleiding voor de betrokken actoren (politie, advocaten, magistraten, rechters, psychologen enz.) en specialisten op te leiden in de problematiek van de internationale kinderontvoeringen door een ouder;

— de behandeling van zaken van internationale kinderontvoeringen door een ouder op te dragen aan gespecialiseerde kamers, opgericht binnen de rechtbank van eerste aanleg, opdat die zaken behandeld kunnen worden door daartoe opgeleide en gespecialiseerde magistraten, de procedures te versnellen en de gerechtelijke stappen te vereenvoudigen;

— een beter systeem van samenwerking in te voeren tussen de verschillende betrokken Belgische (de politie, de Belgische Centrale Autoriteit, de FOD Buitenlandse Zaken om de verschillende stappen te vereenvoudigen) en internationale diensten;

3. Inzake instrumenten die bijdragen tot betere informatie om internationale kinderontvoeringen door een ouder te voorkomen en op te lossen;

— een duidelijke brochure op te stellen die uiteenzet welke stappen moeten worden genomen wanneer er een internationale kinderontvoering door een ouder plaatsvindt (met de Verdragen of de verordening die België heeft ondertekend, de namen en adressen van contactpersonen, hoe een Belgische beslissing uitvoerbaar moet worden verklaard, enz.) of uitlegt wat men moet doen om een internationale kinderontvoering te voorkomen (verbod om het grondgebied te verlaten voor de « potentiële ouder-ontvoerder », vermoedens doorgeven aan de politie, enz);

— gezinsbemiddeling te organiseren om internationale kinderontvoering door een ouder te voorkomen en om gezinsconflicten te helpen oplossen;

4. Inzake de Centrale Autoriteit :

— het telefoonnummer van de Belgische Centrale Autoriteit bij de noodnummers van het telefoonboek te voegen;

— ervoor te zorgen dat het nummer van de Centrale Autoriteit 24 uur per dag bereikbaar is, wat momenteel helaas niet het geval is;

5. Inzake de kosten voor de ouders die het slachtoffer werden van internationale kinderontvoeringen door de andere ouder;

— geheel of gedeeltelijk de procedurekosten, erelonen van advocaten, griffie-, deurwaarder-, telefoon-, en vertaalkosten ten laste te nemen, net als de kosten voor logement en vervoer om Belgische onderdanen zo goed mogelijk te helpen bij het beschermen van hun rechten in het buitenland of in België. Een wetsvoorstel tot oprichting van een Commissie voor hulp aan ouders die het slachtoffer zijn van internationale kinderontvoeringen door de andere ouder werd trouwens al ingediend door de indiener van deze resolutie.

6. Inzake de maatregelen om duidelijke lacunes te verhelpen :

— werkgroepen in het leven te roepen die de voor- en nadelen van de Verdragen en de verordening die België mee heeft ondertekend, analyseren en een diepgaande analyse te maken van de werking en de bevoegdheden van de Belgische Centrale Autoriteit en Child Focus (die een overheidsfinanciering krijgt);

II. Vraagt :

— de conclusies van de werkgroepen te bezorgen aan de Raad van Europa, de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht en de Raad van de Europese Unie;

— andere landen die de Verdragen en de verordening in verband met de internationale kinderontvoeringen door een ouder nog niet hebben ondertekend, uit te nodigen hiertoe toe te treden.

20 juli 2010.

Christine DEFRAIGNE.
Jacques BROTCHI.
Gerard DEPREZ.
Richard MILLER.

(1) http://www.childfocus.be/uploads/documents/160-548-child%20focus%2008%20ra%20fr%5B1%5D.pdf.

(2) Het Verdrag van Luxemburg van 20 mei 1980 betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen inzake het gezag over kinderen en betreffende het herstel van het gezag over kinderen, het Verdrag van 's-Gravenhage van 25 oktober 1980 betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen en de Europese verordening 2201/2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, « Brussel IIbis » genoemd.

(3) Artikel 13 b van het Verdrag van 's-Gravenhage van 25 oktober 1980 betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen.

(4) https://pastel.diplomatie.gouv.fr/editorial/francais/familles/enlevements/convention_mu03.html#1.

(5) http://www.just.fgov.be/index_nl.htm.

(6) « Certaines écoles accueillent un grand nombre d'élèves originaires de pays étrangers qui se retrouvent sans bagage scolaire ni connaissance de la langue française au sein d'un système éducatif qu'ils ne connaissent pas. Ces élèves ont besoin d'un soutien ciblé afin de leur assurer, comme aux autres élèves, des chances d'émancipation par l'éducation. » (http://www.enseignement.be/index.php?page=23677).