3-1035/1

3-1035/1

Belgische Senaat

ZITTING 2004-2005

16 FEBRUARI 2005


Wetsvoorstel tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1967 betreffende de Orde der geneesheren

(Ingediend door de heren Alain Destexhe en Jacques Brotchi)


TOELICHTING


De Orde van geneesheren is de jongste jaren aan heel wat kritiek onderhevig geweest. Al is het zo dat de tekst, die van 1967 dateert, rekening moet houden met maatschappelijke ontwikkelingen, toch blijft het tuchtrecht een autonome rechtstak, die zijn eigen principes en regels heeft.

Dit voorstel wil daarom de organisatie van de Orde niet grondig omgooien maar de tekst aanpassen aan de opgedane ervaring en aan de maatschappelijke ontwikkelingen.

Het voorstel past de verkiezingsvoorwaarden aan voor de leden van de Orde. Het verruimt ook de tuchtstraffen door het invoeren van de geldboete en de schorsing met uitstel van het recht om de geneeskunde uit te oefenen. Er wordt een onderzoekscollege ingesteld en ook het begrip belangenconflict wordt ingevoerd. Om tegemoet te komen aan de zorg voor transparantie en opening van de Orde ten opzichte van de samenleving, zullen aan de nationale raad ook geneesheren deelnemen die door de Koning zijn benoemd op voordracht van de ministers die bevoegd zijn inzake volksgezondheid. De nationale raad zal voortaan door een geneesheer en niet door een magistraat worden voorgezeten.


De wijze waarop de raden van de Orde van geneesheren hun tuchtrechtelijke bevoegdheden uitoefenen stuit op heel wat onbegrip in de publieke opinie en roept soms heftige kritiek op van de belanghebbenden, of het nu om artsen gaat die tuchtrechtelijk worden vervolgd dan wel patiënten die bij de Orde een klacht tegen een arts hebben ingediend.

Om tegemoet te komen aan die kritiek moet er herinnerd worden aan de grondbeginselen van het tuchtrecht, want alleen zo kunnen verschillende situaties worden verklaard die op het eerste gezicht voor discussie vatbaar zijn.

In de eerste plaats is tuchtrecht een autonome rechtstak die eigen principes en regels heeft en die van andere rechtstakken onderscheiden moet worden.

Aan het tuchtrecht zijn alleen de burgers onderworpen die bepaalde beroepen of activiteiten uitoefenen.

Het tuchtrecht heeft tot doel om in het algemeen belang de regels voor de goede uitoefening van sommige beroepen vast te leggen en te handhaven. Het doel ervan is dus niet de directe bescherming van de belangen van particuliere personen.

Die bescherming wordt meer bepaald gewaarborgd door het strafrecht, het burgerlijk recht, het sociaal recht, door de gewone rechtbanken en niet door tuchtcolleges moeten worden toegepast.

In de ziekenhuizen heeft de recente wet op de patiëntenrechten bovendien het beroep op een ombudsman ingesteld. De patiënt beschikt dus beslist over rechtsmiddelen.

Indien de patiënten dan nog aan de raden van de Orde de feiten signaleren waarvan zij het slachtoffer zijn geweest, is dat omdat zij wensen dat de raad van de Orde zorgt voor een betere beoefening van het beroep en dat de feiten waarvan zij het slachtoffer zijn geweest, tuchtrechtelijk worden bestraft. Een dergelijke straf is echter niet direct bedoeld als bescherming van hun particuliere belangen.

In de eerste plaats moeten we erop wijzen dat aan de basis van het strafrecht het beginsel ligt van de wettelijkheid van misdrijven en straffen.

Dat beginsel is niet van toepassing in tuchtzaken omdat er geen definitie kan worden gegeven van alle mogelijke fouten waarop tuchtstraffen staan.

In tuchtzaken geldt ook het beginsel dat de fout moet worden bewezen tegen degene die wordt vervolgd. De draagwijdte van dit beginsel wordt echter sterk beperkt door de regel die zegt dat de rechtzoekende in tuchtzaken met het onderzoek moet meewerken. Hij moet tegenover zijn gelijken de waarheid vertellen. Indien aldus het tuchtrechtelijk dossier, de beslissing of de straf zouden worden meegedeeld aan de strafrechter, de rechter in burgerlijke zaken of de aanklager, zou dat een schending van de rechten van de verdediging zijn. Een strafrechtelijke of burgerrechtelijke veroordeling zou gegrond kunnen zijn op verklaringen die de geneesheer verplicht was te doen voor de tuchtrechter maar niet voor de strafrechter of de burgerlijke rechter. Met name om die reden is het niet mogelijk om aan de eiser officieel de uitgesproken straf mede te delen. In tuchtzaken wordt de eiser alleen op de hoogte gebracht van het feit dat zijn klacht het nodige gevolg zal krijgen of heeft gekregen.

De geneesheer die voor zijn gelijken verschijnt kan het beroepsgeheim niet inroepen. Hij mag het daarentegen wel inroepen ten aanzien van de strafrechter of de burgerlijke rechter. Deze regel is een bijkomende reden om het dossier noch de beslissing aan de strafrechter of de burgerlijke rechter en evenmin aan de aanklager mede te delen.

Om al die redenen zijn de indieners van het voorstel van oordeel dat het statuut van de Orde niet grondig herzien dient te worden maar dat een wetgeving die van 1967 dateert, moet aangepast worden om rekening te houden met de ervaring en de ontwikkelingen in de samenleving.

Het voorstel voorziet dus in een aanpassing van de verkiesbaarheidsvoorwaarden van de leden van de Orde.

De indieners wensen dat de twee afdelingen van de nationale raad door eenzelfde geneesheer en niet langer door een magistraat worden voorgezeten. In het buitenland (onder meer in Frankrijk) worden de raden van de Orde bijna altijd voorgezeten door een geneesheer en bij ons wordt de Orde van apothekers logischerwijze voorgezeten door een apotheker.

Om het aantal sancties uit te breiden die door het tuchtcollege kunnen worden genomen, voert het voorstel ook de geldboete in en de mogelijkheid om een schorsing met uitstel van het uitoefenen van de geneeskunde in te voeren.

Ten slotte wordt een systeem van eerherstel en het begrip belangenconflict ingevoerd.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel 2

Voor zover de nationale raad wordt voorgezeten door een geneesheer en een ondervoorzitter het ambt van plaatsvervangend voorzitter waarneemt, is het niet langer vereist dat zij door een ondervoorzitter worden bijgestaan. Bij het handhaven van de huidige regeling zou, omdat de plaatsvervangend voorzitter een ondervoorzitter is, deze laatste alleen kunnen optreden, terwijl de voorzitter zich zou moeten laten bijstaan door een ondervoorzitter.

Artikel 3

Om de provinciale raden meer rechtsprekende bevoegdheid te verlenen wordt het aantal magistraten, voorheen bijzitters, vermeerderd, alsook hun bevoegdheden.

Die wijziging beantwoordt aan de behoeften van het onderzoekscollege opgenomen in artikel 10 van het koninklijk besluit. Naast meer rechtsbevoegdheid betekent die wijziging ook een grotere vertegenwoordiging van de gemeenschap in de schoot van de Orde.

Artikel 4

Om de verkiezingsvoorwaarden van de provinciale raden te versoepelen wordt bepaald dat de kandidaten voor een mandaat in die raden sinds drie jaar en niet langer sinds tien jaar moeten ingeschreven zijn op een van de lijsten van de Orde.

Artikel 5

Om een onderscheid te maken tussen het tuchtrechtelijk onderzoek en de beslissing van de zaak wordt in de schoot van elke provinciale raad een onderzoekscollege ingesteld.

Dit college is samengesteld uit een van beide magistraten en twee geneesheren aangewezen door de provinciale raad. Het wordt voorgezeten door de magistraat.

De voorzitter van de raad mag echter geen deel uitmaken van het onderzoekscollege. Voor de andere bureauleden is er geen onverenigbaarheid.

Artikel 6

Deze bepaling streeft eveneens een versoepeling na van de verkiesbaarheidsvoorwaarden van de organen van de Orde. Om in de raad van beroep te kunnen worden verkozen moet de kandidaat nu sinds vijf jaar en niet langer sinds tien jaar ingeschreven zijn op een van de lijsten van de Orde.

Artikel 7

Dit artikel past de verkiesbaarheidsvoorwaarden van de leden van de nationale raad aan naar analogie van die van de leden van de raad van beroep.

Om tegemoet te komen aan het streven naar transparantie en openheid van de Orde ten opzichte van de samenleving, zullen aan de nationale raad geneesheren deelnemen die door de Koning zijn benoemd op voordracht van de ministers die bevoegd zijn voor de volksgezondheid.

De twee afdelingen van de nationale raad worden voorgezeten door eenzelfde geneesheer die benoemd wordt door de twee afdelingen van de nationale raad. Het is immers beter dat het voorzitterschap wordt waargenomen door een geneesheer, liever dan door een magistraat. De twee afdelingen van de nationale raad zijn vertegenwoordigd, in die zin dat de ondervoorzitter van de nationale afdeling van de taalrol die het voorzitterschap niet waarneemt, het ambt van plaatsvervangend voorzitter waarneemt.

Artikel 8

De bedoeling van het tuchtrecht is de geneesheren terecht te wijzen die de regels van de medische deontologie niet naleven.

Het aantal sancties die het tuchtcollege kan treffen moet worden verruimd. Het huidige systeem is veel te radicaal. Er is immers geen tussenweg tussen berisping en schorsing. De indieners stellen voor om een grotere gradatie van de straffen in te voeren. Het voorstel voorziet aldus in het invoeren van de tuchtrechtelijke boete, een sanctie die ook in Nederland voor de geneesheren wordt toegepast en die ook geldt voor de gerechtsdeurwaarders in België. Dit artikel stelt eveneens de mogelijkheid vast om een schorsing met uitstel voor het uitoefenen van de geneeskunde uit te spreken.

Artikel 9

Er is ook voorzien in een mogelijkheid tot eerherstel zoals dat in het Strafrecht en voor architecten bestaat.

De morele tuchtstraffen worden automatisch na drie jaar uitgewist, tenzij de betrokkene in die periode een nieuwe straf heeft opgelopen. In dat geval gaat een nieuwe termijn van drie jaar in, vanaf het ogenblik van de laatste straf.

Een verzoek om eerherstel kan na drie jaar worden ingediend voor de andere straffen, met uitzondering van de schrapping van de lijst van de Orde waarvoor voorzien wordt in een procedure van herinschrijving op de lijst. Het Gerechtelijke Wetboek stelt al een dergelijke procedure vast voor de advocaten.

Artikel 10

Dit artikel stelt onder meer de verjaring van de tuchtvordering in.

Er worden ook procedureregels ingesteld om het onderzoek van en de beslissing over het strafdossier volledig te splitsen.

Artikel 15

Het wetsvoorstel voert het begrip belangenconflict in. Wanneer een lid zich in een belangenconflict bevindt, neemt hij niet deel aan de beraadslaging, noch aan de beslissing. De nationale raad kan sommige niet-limitatieve criteria vastleggen waar de raden van de Orde zich naar richten om geval per geval te bepalen of er een belangenconflict is.

Dat begrip kan verschillende hypothesen dekken, zoals bijvoorbeeld een vriendschapsrelatie met de betrokken arts, deel uitmaken van eenzelfde serviceclub, dezelfde financiële belangen hebben, enz ...

De nationale raad zou zich kunnen richten naar de definitie van belangenconflict zoals geformuleerd in het koninklijk besluit van 8 maart 2004 tot bepaling van de bijzondere aanwervingsvoorwaarden van het statutaire en het contractuele personeel van het federaal agentschap voor de veiligheid van de voedselketen en tot regeling van de dienst met het oog op het voorkomen van belangenconflicten. Artikel 2 van dat koninklijk besluit bepaalt immers : « elk personeelslid is ertoe gehouden om spontaan en onmiddellijk om het even welke gebeurtenis, belang, omstandigheid of situatie aan zijn hiërarchische meerdere aan te geven, waardoor, gelet op zijn functies, zijn professionele onafhankelijkheid en objectiviteit in gevaar zouden kunnen worden gebracht en een belangenconflict zou kunnen ontstaan ». De indieners stellen voor dat de nationale raad deze definitie overneemt, mits aanpassing aan het medisch recht.

Alain DESTEXHE.
Jacques BROTCHI.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.

Art. 2

In artikel 3, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1967 betreffende de Orde der geneesheren vervallen de woorden « samen met een ondervoorzitter ».

Art. 3

Artikel 7, § 1, 2º, van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :

« 2º Twee gewone en twee plaatsvervangende leden gekozen onder de werkende magistraten van de rechtbanken van eerste aanleg, met uitsluiting van de onderzoeksrechters en van de leden van de parketten, alsook onder de eremagistraten van die rechtbanken, benoemd door de Koning voor een termijn van zes jaar, die niet hernieuwbaar is. Die magistraten zijn stemgerechtigd. Hun benoeming als raadsheer in het hof van beroep vormt geen beletsel voor de verdere uitoefening van hun ambt. De magistraten moeten hun woonplaats in de provincie hebben ».

Art. 4

In artikel 8, § 1, van hetzelfde besluit worden de woorden « op het ogenblik van de verkiezing sedert ten minste een jaar ingeschreven zijn op zijn lijst en sedert ten minste tien jaar op een der provinciale lijsten van de Orde en die geen andere sanctie dan de waarschuwing hebben opgelopen » vervangen door de woorden « die op het ogenblik van de verkiezing sedert ten minste drie jaar ingeschreven zijn op de lijst bedoeld in artikel 6, 1º, en die sedert ten minste vijf jaar geen andere sanctie dan de waarschuwing hebben opgelopen. »

Art. 5

In artikel 10 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :

A. In het eerste lid worden de woorden « met de bijzitter » vervangen door de woorden « met een van de magistraten bedoeld in artikel 7, § 1, tweede lid »;

B. Dit artikel, dat § 1 wordt, wordt aangevuld met de volgende bepalingen :

« § 2. De provinciale raad kiest uit zijn midden onder de geneesheren twee gewone en twee plaatsvervangende leden die, met een van de magistraten bedoeld in artikel 7, § 1, tweede lid, die indien nodig vervangen wordt door de tweede magistraat, een onderzoekscollege vormen dat belast is met het onderzoek van de tuchtzaken die bij de provinciale raad aanhangig zijn gemaakt.

Het mandaat van de leden van het onderzoekscollege duurt drie jaar en is één keer hernieuwbaar. Het onderzoekscollege wordt voorgezeten door de magistraat die daartoe is aangewezen door de provinciale raad, eveneens voor een termijn van drie jaar.

§ 3. Het ambt van voorzitter van de provinciale raad is onverenigbaar met dat van lid van het onderzoekscollege. ».

Art. 6

In artikel 12, § 1, 1º, laatste zin, van hetzelfde besluit worden de woorden « sedert ten minste tien jaar » vervangen door de woorden « sedert ten minste vijf jaar » en worden tussen de woorden « en die » en de woorden « geen andere sanctie » worden ingevoegd de woorden « gedurende de laatste vijf jaar ».

Art. 7

In artikel 14, § 1, van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :

A. in artikel 2, 1º, laatste zin, worden de woorden « sedert ten minste tien jaar » vervangen door de woorden « sedert ten minste vijf jaar » en worden tussen de woorden « en die » en de woorden « geen andere sanctie » ingevoegd de woorden « gedurende de laatste vijf jaar ».

B. het 3º wordt vervangen als volgt :

« 3º twee gewone en twee plaatsvervangende leden, voor een termijn van zes jaar door de Koning benoemd onder de geneesheren die gelijkelijk zijn voorgedragen door de minister die bevoegd is voor de sociale aangelegenheden en door de minister die bevoegd is voor de volksgezondheid, op lijsten van vier kandidaten »;

C. in dezelfde paragraaf wordt een 4º ingevoegd, luidende :

« 4º een gewone en een plaatsvervangend griffier, doctor of licentiaten in de rechten, voor een termijn van zes jaar door de Koning benoemd »;

D. paragraaf 2 van hetzelfde artikel wordt vervangen als volgt :

« § 2. de twee afdelingen van de Nationale Raad worden voorgezeten door eenzelfde geneesheer benoemd door de twee afdelingen van de Nationale Raad. Die geneesheer komt afwisselend uit de twee afdelingen van de Nationale Raad. Hij kent de twee landstalen. De ondervoorzitter van de nationale afdeling van de taalrol die niet het voorzitterschap heeft, vervult het ambt van plaatsvervangend voorzitter.

Elke afdeling kiest in haar midden een ondervoorzitter die ook ondervoorzitter van de Nationale Raad is.

De Koning stelt de regels vast voor de organisatie en de werkwijze van de Nationale Raad. ».

Art. 8

In artikel 16 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 26 december 1985 horen de volgende wijzigingen aangebracht :

A. in het eerste lid vervalt het woord « censuur »;

B. in hetzelfde lid worden tussen het woord « berisping » en het woord « schorsing » ingevoegd de woorden « geldboete van 250 euro tot 5 000 euro »;

C. na het tweede lid worden de volgende leden ingevoegd :

« de tuchtrechtelijke geldboete komt ten voordele van de Schatkist ». De Koning bepaalt de regels voor de inning van die boete.

De provinciale raad kan de schorsing in het recht om de geneeskunde uit te oefenen laten gepaard gaan met een uitstel van een termijn van ten hoogste twee jaar te rekenen van de datum van de uitspraak van de beslissing in laatste aanleg of van de verwerping van de voorziening in cassatie, bedoeld in artikel 26;

D. in het derde lid worden tussen de woorden « geschorst werden » en de woorden « verliezen voorgoed » ingevoegd de woorden « en die geen eerherstel hebben verkregen ».

Art. 9

In hetzelfde besluit wordt een artikel 16bis ingevoegd, luidende :

« Art. 16bis. — § 1. De tuchtstraffen die lichter zijn dan de schorsing in het recht de geneeskunde uit te oefenen worden ongedaan gemaakt na een termijn van drie jaar na de uitspraak van de beslissing in laatste aanleg of de verwerping van de voorziening in cassatie bedoeld in artikel 26. Indien de geneesheer echter gedurende die termijn een nieuwe sanctie heeft opgelopen, gaat een nieuwe termijn van drie jaar in, te rekenen van de laatste beslissing.

De sancties worden slechts tenietgedaan indien ze effectief werden ondergaan.

Het uitwissen van die sancties heeft dezelfde gevolgen als het eerherstel.

§ 2. Een geneesheer die een of meer tuchtstraffen heeft opgelopen die niet werden tenietgedaan met toepassing van § 1, kan een verzoek tot eerherstel indienen bij de raad van beroep.

Dat verzoek is slechts ontvankelijk indien :

1º een termijn van drie jaar verlopen is sinds de tenuitvoerlegging van de laatste sanctie;

2º het eerherstel werd verleend in strafzaken, indien de sanctie werd getroffen voor een feit dat tot een strafrechtelijke veroordeling heeft geleid.

3º de betrokkene sinds ten minste tien jaar geen eerherstel heeft gekregen;

4º de betrokkene effectief alle sancties heeft ondergaan waarvoor hij het eerherstel heeft gevraagd, onverminderd het voordeel van het uitstel.

Wanneer een verzoek tot eerherstel wordt ingediend na de verwerping van een vorig verzoek, is een nieuw verzoek slechts ontvankelijk na het verstrijken van een termijn van twee jaar sinds de beslissing tot verwerping definitief geworden is.

§ 3. Het eerherstel vernietigt voor de toekomst alle gevolgen van de sanctie voor de persoon die door de sanctie is getroffen.

§ 4. De Belgische geneesheer die van de lijst van de Orde geschrapt is kan, na het verstrijken van de termijn van drie jaar na de uitvoering van de sanctie, een verzoek indienen tot herinschrijving op de lijst van de Orde bij de provinciale raad van zijn woonplaats.

De inschrijving op de lijst wordt pas toegestaan na een gemotiveerd advies van de provinciale raad van de Orde waarvan de geneesheer deel uitmaakte.

Tegen de beslissing van de provinciale raad kan hoger beroep worden ingesteld.

Ingeval het verzoek tot herinschrijving wordt afgewezen, is een nieuw verzoek slechts ontvankelijk nadat een nieuwe termijn van drie jaar is verstreken. »

Art. 10

In artikel 20 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :

A. Paragraaf 1, tweede lid, wordt vervangen als volgt :

« De tuchtvordering mag slechts worden ingesteld na het verstrijken van de termijn van één jaar na de datum waarop de strafbare feiten werden vastgesteld of waarop de instanties van de Orde er kennis van hebben genomen.

In het geval van een strafvervolging voor dezelfde feiten gaat die termijn in op de dag waarop de gerechtelijke overheid de provinciale raad waarvan de geneesheer afhangt, in kennis stelt van het feit dat een definitieve beslissing is genomen of dat de strafrechtelijke procedure niet wordt voortgezet.

Het in artikel 10, § 2, bedoelde onderzoekscollege onderzoekt de zaak; het wordt bijeengeroepen door de voorzitter. Het college wijst een rapporteur aan. »;

B. in dezelfde § 1, laatste lid, worden de woorden « het bureau » vervangen door de woorden « het onderzoekscollege »;

C. dezelfde § 1 wordt aangevuld als volgt :

« De leden van de provinciale raad die een zaak hebben onderzocht als lid van het onderzoekscollege mogen niet deelnemen aan de beraadslaging noch aan de beslissing over de grond van de zaak.

De provinciale raad die optreedt als tuchtinstantie wordt voorgezeten door een van de magistraten bedoeld in artikel 7, § 1. »;

D. in § 2, tweede zin, wordt het woord « deze » vervangen door de woorden « hij wordt bijgestaan door een geneesheer die lid is van de raad van beroep. De rapporteur »;

E. dezelfde § 2 wordt aangevuld als volgt :

De rapporteur en het lid van de raad dat hem heeft bijgestaan, nemen niet deel aan de beraadslaging noch aan de beslissing over de zaak in kwestie, indien bijkomende onderzoeksverrichtingen werden uitgevoerd. ».

Art. 11

In artikel 21, eerste lid, van hetzelfde besluit worden de woorden « de bijzitter van de provinciale raad » vervangen door de woorden « de magistraat die het onderzoekscollege heeft voorgezeten ».

Art. 12

In artikel 24, § 2, eerste lid, van hetzelfde besluit, gewijzigd door de wet van 13 maart 1985, worden de woorden « de bijzitter van de provinciale raad » vervangen door de woorden « de magistraat bedoeld in artikel 7, § 1, 2º ».

Art. 13

In artikel 25, § 1, eerste lid, van hetzelfde besluit worden de woorden « de bijzitter van de provinciale raad » vervangen door de woorden « de magistraat voorzitter van het onderzoekscollege ».

Art. 14

In artikel 27, § 2, van hetzelfde besluit worden tussen de woorden « schrapping van die lijst » en de woorden « of beperking » ingevoegd de woorden « de herinschrijving op de lijst ».

Art. 15

In hetzelfde besluit wordt een artikel 31bis ingevoegd, luidende :

« Art. 31bis. Indien bij een tuchtrechtelijke procedure, op welk niveau dan ook, een lid zich in een positie van belangenconflict bevindt ten opzichte van de geneesheer die het voorwerp is van de tuchtrechtelijke procedure, neemt hij niet deel aan de beraadslaging noch aan de beslissing over de grond van de zaak.

De Nationale Raad kan niet-limitatieve criteria vastleggen waarop de raden van de orde zich kunnen beroepen om geval per geval te bepalen of er een belangenconflict is. ».

Art. 16

De wet is van toepassing op de lopende procedures, onverminderd de rechtsgeldige handelingen die gesteld zijn vóór de inwerkingtreding van de wet.

Art. 17

Deze wet treedt in werking bij de volgende vernieuwing van de provinciale raden, de raden van beroep en de nationale raad, volgend op de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.

8 december 2004.

Alain DESTEXHE.
Jacques BROTCHI.