2-876/6

2-876/6

Belgische Senaat

ZITTING 2001-2002

23 JANUARI 2002


Wetsontwerp betreffende de anonimiteit van de getuigen


Evocatieprocedure


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE JUSTITIE UITGEBRACHT DOOR MEVROUW LEDUC


PROCEDURE

Onderhavig optioneel bicameraal wetsontwerp werd door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden op 20 juli 2001.

Het ontwerp werd op 10 oktober 2001 geëvoceerd door 47 senatoren.

De commissie voor de Justitie heeft het wetsontwerp besproken tijdens haar vergaderingen van 7, 21 en 28 november 2001, 12 december 2001 en 23 januari 2002, in aanwezigheid van de minister van Justitie.

De onderzoekstermijn loopt, na beslissing tot verlenging van de parlementaire overlegcommissie van 19 december 2001, ten einde op 12 februari 2002.

I. INLEIDENDE UITEENZETTING DOOR DE MINISTER VAN JUSTITIE

De minister legt uit dat het voorliggend wetsontwerp met betrekking tot de anonimiteit van de getuigen er is gekomen ten gevolge van de aanbevelingen van een aantal parlementaire onderzoekscommissies. Het kan worden beschouwd als een bijzondere maatregel in de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit. Ook het Octopusakkoord legde de nadruk op de noodzaak van zulke maatregel.

Ter voorbereiding van deze tekst werd een rechtsvergelijkende studie uitgevoerd door de Universiteit van Gent en de Université Libre de Bruxelles. Tevens kwam ook de jurisprudentie van het Europees Hof van de rechten van de mens uitgebreid aan bod.

Het ontwerp voorziet in een processuele bescherming van een getuige doordat bepaalde identiteitsgegevens of zelfs de volledige identiteit van de getuige verborgen worden gehouden.

A. Gedeeltelijke anonimiteit

­ De onderzoeksrechter of de bodemrechter kunnen beslissen dat bepaalde (één of meer) identiteitsgegevens (leeftijd, naam, beroep, adres) van een getuige, waarvan de vermelding wettelijk is voorgeschreven, worden weggelaten.

­ Voorwaarden : er moet een redelijk vermoeden bestaan dat de getuige, of een persoon uit zijn omgeving, een ernstig nadeel zou kunnen lijden door het bekendmaken van deze gegevens en ten gevolge van de afgelegde verklaring.

­ De rechter beslist daartoe : ambtshalve, of op vordering van het openbaar ministerie, of op verzoek van de getuige, de inverdenkinggestelde of zijn raadsman. De beslissing moet gemotiveerd zijn.

­ Het ontwerp voorziet dat personen die in de uitoefening van hun beroepsactiviteit belast zijn met de vaststelling van en het onderzoek naar een misdrijf of naar aanleiding van de toepassing van de wet kennis nemen van omstandigheden waarin het misdrijf werd gepleegd en die in die hoedanigheid getuigenis afleggen niet hun woonplaats maar wel hun dienstadres moeten opgeven.

B. Volledige anonimiteit

­ Voorwaarden : de gedeeltelijke anonimiteit volstaat niet en de getuige, of een persoon uit diens naaste omgeving moet zich door het nog af te leggen getuigenis in zijn integriteit bedreigd voelen (= subjectief criterium) en daarom moet de getuige beslissen geen verklaring af te leggen. Is de getuige een overheidsagent dan moeten er precieze en ernstige aanwijzingen zijn dat de getuige of een naaste persoon gevaar lopen (= objectief criterium). Bovendien moeten de feiten waaromtrent getuigenis zal afgelegd worden een misdrijf uitmaken dat vervat is in de lijst van artikel 90ter, § 2 tot § 4, Wetboek van strafvordering (= misdrijven waarvoor kan « getapt » worden) of dat gepleegd is in het kader van een criminele organisatie, of dat een inbreuk inhoudt op de wet van 16 juni 1993 betreffende de bestraffing van de ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht.

­ Bijkomende voorwaarden zijn dat het moet gaan om uitzonderlijke omstandigheden en dat het onderzoek naar de feiten zulks vereist, met andere woorden de overige middelen van onderzoek volstaan niet (= subsidiariteitsprincipe).

­ Het is de onderzoeksrechter die volledig anoniem verhoort, ook als dit bevolen wordt door de bodemrechter. De onderzoeksrechter kent wel de volledige identiteit van de getuige, onderzoekt diens betrouwbaarheid en kijkt na of de ingeroepen motieven om volledige anonimiteit te verkrijgen juist zijn. Hij motiveert waarom hij anonimiteit toestaat.

­ Het wetsontwerp bepaalt verder hoe het (anoniem) verhoor verloopt.

Het volledig anoniem getuigenis kan alleen als steunbewijs gelden, tenzij de rechterlijke beslissing de redenen aangeeft, eigen aan de zaak, die het bewijs met verschillende anonieme getuigen rechtvaardigen.

De minister dringt aan op een snelle, maar grondige bespreking van dit ontwerp. Bepaalde zaken dienen nog verder te worden uitgediept. Zo verwijst de minister bijvoorbeeld naar het geval waarbij er sprake is van meerdere anonieme getuigen. Bij mensenhandel komt het vaak voor dat verschillende vrouwen seksueel werden misbruikt en een anonieme getuigenis wensen af te leggen. De vraag rijst dan of deze verschillende anonieme getuigenissen als een afdoend bewijs kunnen worden beschouwd.

II. ALGEMENE BESPREKING

De heer Lozie meent dat het in principe aan de rechter ten gronde toekomt te beslissen of er al dan niet voldoende bewijzen zijn voor het misdrijf. De wetgever moet dan ook de meest ruime vrijheid schenken aan de rechter ten gronde om deze overwegingen te kunnen maken. Is het nuttig dat de wetgever vaststelt dat verschillende anonieme getuigenissen al dan niet voldoende bewijsmiddelen kunnen leveren ? Ligt de beslissing niet bij de rechter ? Wat zeggen de deskundigen hierover ?

De minister onderstreept dat deze discussie zou moeten worden gevoerd. Het probleem rijst vooral bij de volledige anonimiteit. Hij verwijst naar de memorie van toelichting, waarbij een grondige analyse is opgenomen van alle uitspraken geveld door het Europees Hof van de rechten van de mens terzake. Het Europees Hof is van mening dat een volledig anonieme getuigenis kan, op voorwaarde dat er andere bewijsmiddelen zijn. Dit zou moeten worden opgenomen in de wet. Het thans voorliggend wetsontwerp ontneemt de rechter ten gronde niet de vrijheid over de voorgebrachte bewijzen te oordelen. De wet heeft enkel gesteld dat een veroordeling niet kan worden gebaseerd op een enkele anonieme getuigenis. Dit moet de wetgever kunnen bepalen.

Mevrouw Nyssens verwijst eveneens naar de rechtspraak van het Europees Hof, die de grenzen heeft vastgelegd waarbinnen de anonieme getuigenis als bewijs kan worden aanvaard. Garanties moeten worden ingebouwd. De bepaling die het meest onderhevig is aan kritiek is ontegensprekelijk deze waardoor de rechter zijn veroordeling zou kunnen baseren op verschillende anonieme getuigenissen [zie amendement van de heer Erdman in de Kamer ­ het voorgestelde artikel 189bis (artikel 14 van het ontwerp)].

De minister is zich bewust van het feit dat voormelde bepaling stof voor discussie oplevert. De indiener van het amendement in de Kamer, de heer Erdman, staat zelfs open voor amendering van de door hem voorgestelde bepaling.

Mevrouw Nyssens verwondert zich over het feit dat geen debat wordt ingebouwd over de beslissing beroep te doen op een anonieme getuige. De tekst lijkt geïnspireerd door het Nederlands recht.

De minister onderstreept dat de toekenning van het principe van de opening van een debat over de anonimiteit (volledige of gedeeltelijke) zal toelaten de identiteit van de getuige die om anonimiteit verzoekt gemakkelijk te achterhalen. Aldus omzeilt men als het ware de mogelijkheid van anonimiteit. De identiteit van de anonieme getuige wordt enkel gekend door de onderzoeksrechter. Deze kan zich wel degelijk een opinie vormen over de betrouwbaarheid van de persoon die om anonimiteit verzoekt.

Mevrouw Nyssens vraagt vervolgens of de anonimiteit enkel wordt toegelaten in de fase van het gerechtelijk onderzoek. Of kan dit reeds bij het opsporingsonderzoek ?

De minister antwoordt dat het oorspronkelijk wetsontwerp de anonimiteit toeliet, zowel in het onderzoek zelf, als bij de opsporing. Bij de debatten in de Kamer werd deze bepaling geamendeerd en werd de anonieme getuige beperkt tot het gerechtelijk onderzoek. Dit lijkt enigszins betreurenswaardig. De minister vindt dat deze mogelijkheid ook moet bestaan in het mini-onderzoek.

Mevrouw Nyssens laat opmerken dat de beslissingen van de onderzoeksrechter terzake niet vatbaar zijn voor beroep. Wat is de reden daarvan ?

De minister meent dat een mogelijkheid van beroep door de advocaten zou worden aangewend, enkel om de identiteit van de anonieme getuige te achterhalen. Bovendien betreft het hier slechts een bewijs, dat naar waarde zal worden geschat door de rechter ten gronde.

Mevrouw Nyssens begrijpt dat de minister de anonieme getuige waarneemt als een subsidiaire mogelijkheid van bewijs. Dit moet niet de regel worden.

Spreekster vraagt naar de voortgang van de andere wetsontwerpen die samenhangen met voorliggend wetsontwerp (de spijtoptanten, de bescherming van bedreigde getuigen, enz.).

De minister geeft een overzicht van betreffende samenhangende ontwerpen. Er is het ontwerp met betrekking tot de bescherming van de bedreigde getuigen en verder ook het ontwerp met betrekking tot de audiovisuele getuigenis. Beide ontwerpen zijn in behandeling in de Kamer.

Een ander wetsontwerp betreft het bezwarend bedrag van de buit en de verdeling van de bewijslast bij georganiseerde misdaad.

Dit ontwerp is momenteel voor advies bij de Raad van State.

Tevens zijn er de medewerkers van het gerecht.

Hiervoor wordt advies gevraagd aan de Raad van procureurs des Koning.

Het laatste middel heeft betrekking op de bijzondere opsporingsmethoden (de informanten, de pseudo-koop, enz.). Het werk van de verschillende kabinetten is op dit punt nagenoeg afgerond. Er blijven enkel nog enkele technische problemen van politieke aard over (bijvoorbeeld : Moet de onderzoeksrechter ingrijpen of kan het openbaar ministerie het mechanisme op gang brengen ?).

De oorspronkelijke bedoeling van de minister was al deze middelen globaal in één pakket te behandelen. Dan echter is het risico van blokkage groot. Aldus werd geopteerd voor een verknipte behandeling, optie die trouwens reeds werd genomen tijdens de vorige legislatuur.

Mevrouw de T' Serclaes meent dat de mogelijkheid van anonieme getuigenissen in bepaalde gevallen een belangrijke stap vooruit betekent. Zij denkt in het bijzonder aan de problematiek van de mensenhandel, waarbij de druk en het geweld jegens de betrokken personen (zelfs jegens de magistraten) niet mag worden onderschat. De anonieme getuigenis kan aldus in welbepaalde gewelddadige sectoren een belangrijke bijdrage leveren tot de ontmanteling van criminele organisaties. Uiteraard dienen de nodige garanties worden ingebouwd.

De heer Mahoux verwijst naar de uitvoerige debatten in de Kamer, die goed zijn weergegeven in het verslag. Hij heeft wel enkele opmerkingen aangaande de voorwaarden die worden opgesomd door het Europees Hof. Met name de vierde voorwaarde, « eerbiediging van de rechten van de verdediging met tegensprekelijk karakter », roept vragen bij hem op. Hoe kan men dit bewerkstelligen, hoe kan men de anonieme getuige horen zonder afstand te doen van de anonimiteit ?

Een tweede vraag betreft de beslissing van de onderzoeksrechter, die definitief is. Betekent dit dat de onderzoeksrechter er niet meer kan op terugkomen ? Precisering is hier noodzakelijk.

Wat gebeurt er wanneer de anonimiteit op een zeker moment niet meer is gegarandeerd (door lekken in de procedure, nalatigheid, enz.) ?

Tot slot wenst spreker het belang te onderstrepen van de noodzaak van het bestaan van een ander bewijsmiddel dan de anonieme getuigenis om tot veroordeling te komen. Spreker verwijst naar het amendement nr. 1 van mevrouw Leduc c.s. op artikel 14. Dit is trouwens het resultaat van een politiek akkoord tussen Kamer en Senaat.

Als antwoord op de vraag naar de gevolgen van een eventuele doorbreking van de anonimiteit, verwijst de minister naar het wetsontwerp betreffende de bescherming van de bedreigde getuigen, dat weldra zal worden behandeld en hiervoor het nodige antwoord biedt.

De beslissing van de onderzoeksrechter is inderdaad definitief. Enkel hij kent immers de identiteit van de getuige. De rechter ten gronde moet achteraf dit bewijsmiddel naar waarde schatten. Hij is vrij al dan niet rekening te houden met de getuigenis. Bovendien kan de anonieme getuigenis niet volstaan als enig bewijs. De minister wijst nogmaals op het specifiek geval van mensenhandel. De wet op de mensenhandel voorziet zelf reeds in een bescherming van de getuige, op voorwaarde dat zij een bijdrage levert tot de procedure. Het geval van verschillende anonieme getuigenissen zal in deze sector vaak voorkomen. Men zou best toch een duidelijke bepaling ter zake opnemen in voorliggende wet.

De rechten van verdediging moeten worden gewaarborgd. De raadsman van de verdediging kan perfect twijfel zaaien over de waarachtigheid van de anonieme getuigenis, om de rechter te beinvloeden in zijn mening. Hij mag echter niet de identiteit van de getuige kennen.

Mevrouw Nyssens vraagt of een minderjarige anonieme getuige kan zijn.

De minister antwoordt bevestigend. Er zullen wel bijkomende garanties worden ingebouwd in het ontwerp betreffende de audiovisuele getuigenis.

De heer Mahoux verklaart dat de anonieme getuigenissen weliswaar kunnen bijdragen tot het vinden van de waarheid, maar in geen geval kunnen volstaan als bewijs.

Spreker voegt eraan toe dat dit standpunt terug te vinden is in het amendement dat bepaalt dat de anonieme getuigenis gesteund moet worden door andere bewijsmiddelen (stuk Senaat, nr. 2-876/2, amendement nr. 1 van mevrouw Leduc c.s.).

De heer Lozie steunt dit amendement.

Spreker meent dat het een goede oplossing is voor dit wetsontwerp, maar hij had toch liever gezien dat de wetgever zich niet had uitgelaten over een voorrecht van de feitenrechter. Het is immers de feitenrechter die uiteindelijk moet beslissen of er voldoende materiële bewijzen zijn.

Spreker verklaart dat hoewel de wetgever van mening is dat het onontbeerlijk is dat de anonimiteit van de getuigen soms wordt gewaarborgd omdat de betrokken getuigen gevaar zouden kunnen lopen, men toch zou kunnen vrezen dat de rechters met deze nieuwigheid niet al te veel rekening zullen houden in de procedure. Dat betekent evenwel niet dat hij vindt dat een anonieme getuigenis dezelfde waarde moet hebben als een ander bewijsmiddel, zoals bijvoorbeeld een materieel bewijs.

Spreker is dus van mening dat, hoewel het in principe de rechter is die beslist over de waarde van de anonieme getuigenis, het niettemin voorzichtiger is het amendement te steunen dat een goede tussenoplossing aanreikt.

De minister antwoordt dat de tekst die oorspronkelijk in de Kamer is ingediend, bepaalde dat anonieme getuigenissen door de rechter slechts in aanmerking kunnen worden genomen als een steunbewijs. In de teskt werd dit als volgt geformuleerd : « op voorwaarde dat zij in belangrijke mate steun vinden in andere bewijsmiddelen ».

Spreker voegt eraan toe dat het duidelijk is dat het openbaar ministerie inzake de bewijslast in strafzaken de innerlijke overtuiging van de feitenrechter moet kunnen staven en dat het niet raadzaam is zich bezig te houden met de manier waarop die innerlijke overtuiging tot stand komt.

De minister erkent dat het overeenkomstig de jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de mens nuttig is in een wet te bepalen dat de feitenrechter die geconfronteerd wordt met een anonieme getuigenis, niet uitsluitend daarop kan steunen bij het vellen van zijn oordeel.

Spreker betoogt dat de tekst, zoals hij vandaag in de Senaat voorligt, het resultaat is van een amendement dat in de Kamer is goedgekeurd en dat werd ingediend nadat een voorbeeld gegeven werd over de mensenhandel. Daaruit bleek duidelijk dat slachtoffers van mensenhandel niet geneigd zouden zijn te getuigen wanneer ze hun identiteit moeten prijsgeven en dat er ook niet altijd andere bewijsmiddelen voorhanden zijn.

De tekst die in de Kamer werd goedgekeurd maakt het de rechter bijvoorbeeld mogelijk zich een mening te vormen op basis van drie anonieme getuigenissen voor zover hij kan verantwoorden waarom die drie getuigenissen hem hebben overtuigd en waarom die volstaan.

Spreker besluit dat hij de ratio van de tekst heeft toegelicht maar dat hij in het kader van de algemene bespreking niet anders kan dan herinneren aan de jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de mens waaruit blijkt dat een anonieme getuigenis slechts in aanmerking kan worden genomen als steunbewijs.

Mevrouw Nyssens stelt vast dat er geen volledig parallelisme is tussen de gedeeltelijk anonieme en de volledig anonieme getuigenis en dit zowel op het stuk van de rechtswaarborgen als op het gebied van de terminologie. De Raad van State had eveneens gewezen op dit gebrek aan parallellisme.

Spreekster vraagt zich af wat daarvan de reden is en waarom de anonimiteit beperkt blijft tot het gerechtelijk onderzoek.

Spreekster stelt vast dat het ontwerp overigens een ruime beoordelingsvrijheid toekent aan de rechter die de betrouwbaarheid van de getuigenis moet beoordelen. Zij vraagt of het niet mogelijk is deze beoordelingsvrijheid af te bakenen of te beperken door een aantal criteria vast te leggen waaraan moet worden voldaan.

Spreekster stelt ook vast dat die getuigenissen in een register zullen worden opgetekend aangezien het ontwerp bepaalt dat de procureur des Konings een register bijhoudt van alle getuigen van wie de identiteit niet is opgenomen in het proces-verbaal van het verhoor.

Spreekster heeft, net als de juristen in het veld, vragen over de concrete invoering van dit register en wil weten of de nadere regeling ervan zal worden overgelaten aan de verbeelding van de magistraten of indien daarvoor uitvoeringsbesluiten nodig zijn.

Spreekster stelt eveneens vast dat het niet mogelijk is beroep aan te tekenen wanneer de rechter een anonieme getuigenis toestaat en is van mening dat dit een goede zaak is.

Zij merkt niettemin op dat bij de hervorming van de strafrechtspleging (« de kleine Franchimont »), voorzien werd in een beroepsmogelijkheid in het kader van de aan de magistraat gevraagde aanvullende onderzoeksopdrachten.

Spreekster vraagt derhalve aan de minister of er andere redenen zijn dan het niet willen vertragen van de rechtsgang voor het ontbreken van deze beroepsmogelijkheid.

Spreekster stelt ook nog vast dat, volgens het ontwerp, de anonieme getuige ondervraagd kan worden door de onderzoeksrechter of door de rechtbank en zij vraagt zich derhalve af of de rechtbank een anonieme getuige kan ondervragen wanneer de onderzoeksrechter dat vooraf heeft geweigerd. Strekt de bevoegdheid van de rechtbank zich uit tot de getuige die al betrokken was bij het onderzoek of is die bevoegdheid uitsluitend beperkt tot de nieuwe getuigen ?

Ten slotte sluit spreekster zich aan bij de opmerkingen van vorige sprekers. Het is echter niet duidelijk of het amendement in kwestie (amendement nr. 1) beide soorten getuigenissen betreft, dus zowel gedeeltelijk als volledig anonieme getuigenissen.

De heer Vandenberghe merkt op dat het opschrift van het wetsontwerp misleidend is, aangezien de getuigen niet anoniem zijn : de beklaagden kennen hun identiteit niet, het zijn dus getuigen van wie de verdediging de identiteit niet kent.

Spreker verwijst naar de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens, dat meent dat getuigen alleen anoniem mogen getuigen als er wordt gevreesd voor hun veiligheid (zie arrest Kostovski/Nederland).

Volgens spreker is de vraag onder welke voorwaarden de feitenrechter, die de bewijzen moet beoordelen, een anonieme getuige tijdens de behandeling van de zaak kan horen of ondervragen.

In werkelijkheid is het probleem veeleer de beoordeling van de geloofwaardigheid van de getuigen, meer bepaald met betrekking tot de wapengelijkheid tussen het openbaar ministerie en de verdediging. De politie en ­ indien nodig ­ het openbaar ministerie kennen de identiteit van de getuige en kunnen dus zijn geloofwaardigheid beoordelen, terwijl de verdediging dit niet kan.

Het openbaar ministerie mag echter niet bevoordeeld zijn in vergelijking met de verdediging. De getuige verhoren in afwezigheid van de beklaagde, maar in aanwezigheid van zijn advocaten, die de identiteit van de getuige echter niet mogen meedelen aan hun cliënt, is geen oplossing aangezien een advocaat niet tegen zijn cliënt kan worden opgezet.

Volgens spreker moet het probleem van de geloofwaardigheid opgelost worden, maar dan nog blijft het zo dat iemand strafrechtelijk veroordeeld kan worden op basis van vermoedens, aangezien de rechter zijn uitspraak baseert op zijn innerlijke overtuiging.

Spreker merkt op dat iemand inderdaad uitsluitend strafrechtelijk veroordeeld kan worden op basis van overeenstemmende vermoedens die afgeleid moeten kunnen worden uit de feiten, terwijl tijdens het onderzoek een getuigenis op zich onvoldoende was om tot een veroordeling te komen krachtens het bekende adagium « testis unus, testis nullus ».

De heer Lozie merkt op dat sommige anonieme getuigen ook slachtoffers zijn en niet enkel een vermoeden uitspreken, maar de feiten kennen en ondergaan hebben.

De heer Vandenberghe antwoordt dat een anonieme getuigenis geen vermoeden is, aangezien deze laatste term gedefinieerd wordt in de wet.

Spreker merkt op dat getuigenverklaringen meer waarde hebben dan vermoedens, maar wil er enkel op wijzen dat men hogere eisen stelt aan een anonieme getuigenis dan aan het gebruik van vermoedens als men het net als in amendement nr. 1 heeft over bewijzen die « in overheersende mate gegrond moeten zijn » en « in belangrijke mate steun moeten vinden ».

Spreker heeft dus vragen bij de logica van het bewijsrecht in het algemeen en meent dat moet worden nagegaan op welke manier anonieme getuigenverklaringen in het bewijsrecht kunnen worden opgenomen.

Spreker meent ook dat vermoedens een gevaarlijker bewijsmiddel zijn dan een getuigenis.

Als er wordt uitgegaan van het principe dat een anonieme getuigenverklaring in belangrijke mate steun moet vinden in andere bewijsmiddelen, moet ook worden opgemerkt dat het vermoeden zulk een steunbewijs is. De vraag is dus belangrijk.

Spreker verwijst naar het Europees Hof voor de rechten van de mens, dat in het arrest-Kostovski zegt dat veroordelingen niet uitsluitend op basis van een anonieme getuigenverklaring kunnen worden uitgesproken.

Spreker is het inhoudelijk volledig eens met de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens, maar hij vraagt zich af welke kenmerken een anonieme getuigenverklaring moet hebben om beschouwd te kunnen worden als bewijs.

Spreker meent dat het erg moeilijk is om te beoordelen hoe beslissend een getuigenverklaring kan zijn aangezien het toch gaat om de innerlijke overtuiging van de rechter. Iedere rechter die zich een mening vormt, kan een ander feit doorslaggevend vinden.

In de huidige context, waarbij men te maken heeft met georganiseerde criminaliteit en waarin getuigen steeds vaker bedreigd worden, moet volgens spreker de anonimiteit van de getuigen gewaarborgd worden. Deze anonimiteit kan uiteraard alleen ingeroepen worden in een welbepaalde context, waarbij de vraag dan is in welke context en hoe die precies gedefinieerd moet worden.

De heer Dubié wenst drie opmerkingen te maken :

1. Artikel 12 van het wetsontwerp (artikel 86ter, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering) met betrekking tot de manier van meedelen, vindt hij ongepast.

In het kader van de volledige anonieme getuigenverklaring stelt het voorgestelde artikel 86ter, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering : « De beschikking waarbij de onderzoeksrechter overeenkomstig artikel 86bis beveelt dat de identiteit van de getuige verborgen zal worden gehouden, wordt door de griffier aan de procureur des Konings meegedeeld, en bij een ter post aangetekende brief aan de getuige, de persoon tegen wie de strafvordering werd ingesteld in het kader van een gerechtelijk onderzoek of de inverdenkinggestelde, de burgerlijke partij en hun raadslieden ter kennis gebracht, samen met de oproeping waardoor ze worden uitgenodigd aanwezig te zijn op een door de onderzoeksrechter bepaalde plaats en een door hem bepaald tijdstip teneinde het verhoor van de getuige bij te wonen, op straffe van nietigheid van de afgelegde getuigenverklaring. »

Deze bepaling vormt een probleem aangezien hier wordt gesteld dat de getuige die anoniem wenst te blijven, per post op de hoogte wordt gebracht van de beschikking waarbij hem de anonimiteit wordt verleend. Als de persoon tegen wie de getuigenis is gericht, dicht bij de getuige staat, kan hij die brief mogelijk in handen krijgen zodat de anonimiteit niet langer gewaarborgd is.

Bovendien moet ieder stuk dat de onderzoeksrechter verstuurt, worden opgenomen in het dossier. Wanneer in het proces de uitspraak valt, kunnen alle partijen de stukken van het onderzoeksdossier raadplegen krachtens het principe van het vonnis op tegenspraak. In beide stadia (onderzoek en uitspraak) kunnen de partijen dus makkelijk de getuige identificeren die eigenlijk anoniem wenst te blijven.

Spreker vraagt de minister dan ook een oplossing te zoeken zodat de anonieme getuige niet het risico loopt geïdentificeerd te worden.

2. Artikel 12 van het wetsontwerp (artikel 86ter, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering) met betrekking tot de mogelijke valse getuigenis vormt eveneens een probleem dat moet worden opgelost.

Artikel 86ter, tweede lid, stelt : « Voor het verhoor waarschuwt de onderzoeksrechter de getuige dat hij verantwoordelijk kan gesteld worden voor feiten, gepleegd in het kader van zijn getuigenis, die een misdrijf zouden uitmaken zoals bedoeld in hoofdstuk V van titel III of in hoofdstuk V van titel VIII van het tweede boek van het Strafwetboek. »

De bedoelde misdrijven zijn valse getuigenis, meineed, laster, eerroof en beledigingen.

Al kan men het principe aanvaarden dat de anonieme getuige in die gevallen vervolgd wordt, in de praktijk rijst er een technisch probleem. Spreker vraagt zich immers af of de getuige voor de onderzoeksrechter al dan niet onder eed verhoord wordt.

In principe moet de getuige voor de onderzoeksrechter de eed afleggen (artikelen 70 tot 86 van het Wetboek van strafvordering). Deze formaliteit moet echter niet vervuld worden op straffe van nietigheid. Het probleem is dat indien de getuige onder eed voor de onderzoeksrechter anoniem gehoord wordt, de partijen hierdoor niet kunnen nagaan of de getuigenis en de eed geldig zijn. Sommige personen mogen immers geen eed afleggen (zogenaamd « gewraakte » personen) en kunnen bijgevolg geen geldige getuigenis afleggen : ascendenten, nakomelingen, broers, zusters of aanverwanten in dezelfde graad, echtgenoten zelfs na een scheiding. Hoe kan men dan nagaan of de anonieme getuige tot deze categorie behoort ?

Als het antwoord ontkennend is (geen eedaflegging) dan is er geen vervolging wegens valse getuigenis mogelijk, zoals het betreffende artikel bepaalt.

3. Artikel 14 van het wetsontwerp (artikel 189bis, eerste lid van het ontwerp van Wetboek van strafvordering) betreft het probleem van de anonimiteit voor de feitenrechter.

Het voorgestelde artikel 189bis, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering luidt als volgt : « De getuige wiens identiteit met toepassing van de artikelen 86bis en 86ter verborgen werd gehouden, kan niet ter terechtzitting worden gedagvaard, tenzij hij daarin toestemt. Indien de getuige erin toestemt ter terechtzitting te getuigen, behoudt hij zijn volledige anonimiteit. In dit geval neemt de rechtbank de nodige maatregelen om de anonimiteit van de getuige te waarborgen. »

Spreker merkt op dat dit probleem mutatis mutandis hetzelfde is als het bovenvermelde probleem, behalve dat in de fase van het vonnis, de eedaflegging van de getuige een verplichte formaliteit is op straffe van nietigheid van de getuigenis.

Wordt de getuige al dan niet onder eed gehoord ?

In principe is de eedaflegging voor het vonnisgerecht een substantiële formaliteit (artikelen 155, 189 en 317 van het Wetboek van strafvordering), en dus verplicht. Het probleem is dat in het geval van een anonieme getuige, de partijen niet kunnen nagaan of de getuigenis en de eed geldig zijn.

Sommige personen mogen immers geen eed afleggen (zogenaamd « gewraakte » personen) en kunnen bijgevolg geen geldige getuigenis afleggen : ascendenten, nakomelingen, broers, zusters of aanverwanten in dezelfde graad, echtgenoten zelfs na een scheiding behalve indien de partij tegen wie de getuigenis gericht is zich er niet tegen verzet. Hoe kan men nagaan of de anonieme getuige tot deze categorie behoort ?

Als het antwoord ontkennend is, is elke getuigenis ongeldig (anoniem of niet, behalve bij goedkeuring van de partij tegen wie zij gericht is) in de vonnisfase, en wordt bijgevolg het vonnis nietig verklaard. Anderzijds is het ondenkbaar een (al dan niet anonieme) getuige die geen eed afgelegd heeft wegens valse getuigenis of valse eedaflegging te vervolgen, aangezien deze formaliteit aan de basis ligt van het strafbaar feit.

De heer Vandenberghe voegt hieraan toe dat in het verleden dikwijls met anonieme getuigen gewerkt werd, maar dat men het anders formuleerde. Zo begonnen grote onderzoeken met de woorden « het komt ons ter ore ». De mensen die het onderzoek uitvoerden wisten heel goed over wie het ging; soms was de informatie zelfs afkomstig van illegale afluistering van telefoongesprekken.

De heer Dubié merkt op dat dit een reden voor een nietigverklaring kan zijn.

De heer Vandenberghe legt uit dat hij gepleit heeft in verschillende dossiers waarvan het eerste proces-verbaal voortkwam uit een anonieme boodschap waaruit een grote zaak is gegroeid. Dit betekent wel dat de opsteller van het proces-verbaal goed wist over wie het ging. Immers, niet alle anonieme brieven die gestuurd worden naar het Brusselse hof van beroep of de procureur des Konings geven aanleiding tot een onderzoek.

Spreker besluit hieruit dat men reeds met anonieme getuigen werkte, zonder dat deze zo genoemd werden of de nodige garanties boden, waardoor dit soort bewijs veel gevaarlijker was dan andere omdat het gemakkelijk gemanipuleerd kon worden. Dit is trouwens een van de redenen waarom het Europese Hof zo streng is opgetreden. Zo had in de zaak Kostovski/Nederland de Hoge Raad de heer Kostovski, drugshandelaar, veroordeeld tot zware dwangarbeid op basis van één enkele anonieme getuigenis.

Gezien het enorme risico van manipulaties, moeten er waarborgen ingebouwd worden, maar de anonieme getuigenis moet gebruikt kunnen worden.

Spreker wenst te benadrukken dat de eisen die men aan een anonieme getuigenis stelt, ook gesteld kunnen worden met betrekking tot de kwaliteit van de vermoedens, in de veronderstelling dat men alleen daarop zou steunen om iemand te veroordelen.

De heer Mahoux stelt vast dat er wat de anonimiteit betreft wel degelijk een element van onzekerheid aanwezig is, wat verklaart dat de anonieme getuigenis op zich niet voldoende is voor het uitspreken van een arrest of een veroordeling. Dat is grotendeels de reden voor de indiening van amendement nr. 1.

Spreker legt uit dat hij de minister al heeft ondervraagd over de mogelijkheden om, in het kader van de anonieme getuigenis, de rechten van de verdediging te waarborgen. Er is hem geantwoord dat de verdediging bij een anonieme getuigenis de mogelijkheid krijgt om de samenhang van de getuigenis te controleren.

Spreker vindt echter dat de samenhang van de getuigenis slechts één van de elementen is die al dan niet het karakter van de getuigenis bepalen. Ook de kwaliteit van de getuige is immers een beoordelingselement dat niet door de verdediging kan worden ingeroepen.

Spreker stelt vast dat het vanuit het standpunt van de verdediging onvermijdelijk is dat er een amendement komt om het belang dat een anonieme getuigenis kan hebben in de ogen van de rechter te relativeren.

Spreker is het overigens met senator Vandenberghe eens dat het eerder genoemde voorbehoud ook kan gelden met betrekking tot de vermoedens en dat men het debat zou kunnen uitbreiden. Hij vindt echter dat men het uiteindelijke doel, namelijk de bestrijding van de misdaadorganisaties, niet uit het oog mag verliezen. Alleen een amendement dat het bewijskrachtige karakter van een anonieme getuigenis relativeert, kan meer waarborgen bieden met betrekking tot het gebruik van die getuigenissen en zo voor het nodige evenwicht zorgen tussen de uiteindelijke doelstelling en de rechten van de verdediging.

De heer Lozie onderstreept dat het niet is omdat men niet expliciet op de hoogte is van de identiteit van een getuige, dat men diens verklaring niet kan betwisten. Hij voegt hieraan toe dat wij ons hier op het randje bevinden van de omkering van de bewijslast.

Spreker merkt op dat het probleem volgens hem ligt in het feit dat men moet voorkomen dat de georganiseerde misdaad de anonieme getuigenis gebruikt als een vorm van tegenstrategie.

Spreker verduidelijkt dat er, alhoewel er bescherming dient te komen voor bepaalde getuigen die door de georganiseerde misdaad bedreigd kunnen worden of wier leven zelfs gevaar kan lopen, ook rekening mee moet worden gehouden dat de georganiseerde misdaad zelf anonieme getuigenissen gaat lanceren om de rechtsgang te beïnvloeden.

Spreker ziet de vervolging voor valse getuigenis als een gemeenrechtelijk instrument om hier tegenin te gaan, maar het is de moeite waard om te onderzoeken of wij wel over de adequate instrumenten beschikken.

Spreker meent dat het absoluut noodzakelijk is om een systeem in te stellen waarbij de anonimiteit gewaarborgd wordt en over een reglementering te beschikken waarbij die anonimiteit kan worden gerespecteerd, maar waarbij ook een aantal voorzorgen in acht worden genomen.

Spreker verwijst aldus naar een maatschappelijk debat dat momenteel plaatsheeft en dat tot doel heeft een stap te zetten in de richting van de spijtoptanten, zodat zij in ruil voor de anonimiteit hun medewerking zouden verlenen, terwijl men momenteel soms alleen met slachtoffers te maken krijgt.

Dat er naast de anonieme getuigenis ook ander bewijsmateriaal wordt geëist vormt een tweede waarborg, die de onderzoeksrechter ertoe verplicht ook bijkomende bewijzen te verzamelen.

De heer Vandenberghe herinnert eraan dat het in het wetsontwerp niet echt om een anonieme getuige gaat, maar om een getuige wiens identiteit door de onderzoeksrechter en de procureur des Konings gekend is.

Spreker denkt dat de identiteit van de anonieme getuige, indien zij door de onderzoeksrechter en de procureur des Konings gekend is, zeer waarschijnlijk ook door de rechters gekend is. Spreker zegt dat het immers niet onmogelijk is ­ en zelfs zeer menselijk ­ dat men die identiteit toevallig onthult.

Rechters en parketmagistraten ontmoeten elkaar niet alleen in de rechtszaal maar ook dagelijks in het gerechtshof.

Spreker legt de nadruk op het probleem van de ongelijkheid tussen de procureur die vordert en de onderzoeksrechter die het onderzoek leidt enerzijds ­ beiden kennen de getuige en gaan uit van zijn geloofwaardigheid ­ en de verdediging die de geloofwaardigheid niet afdoende kan weerleggen anderzijds.

Spreker snijdt een tweede probleem aan, namelijk de vereiste dat de getuigenverklaring door de feiten wordt bevestigd of ontkracht. Behalve in zeer eenvoudige zaken kunnen de feiten in strafzaken altijd op meerdere manieren worden geïnterpreteerd.

Het idee dat de feiten zelf steunbewijzen leveren voor de anonieme getuigenverklaring kan aanlokkelijk lijken, maar zal in de praktijk voor delicate zaken moeilijk toepasbaar blijken.

De feiten kunnen gemanipuleerd worden wanneer in een bepaalde interpretatie een doorslaggevend element wordt toegevoegd, dat misschien niet met de feiten overeenstemt.

Spreker vraagt of de jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de mens niet volstaat en waarom er nog nood is aan deze wet.

Spreker vermoedt dat de regering streeft naar meer rechtszekerheid aangezien zij verwijst naar de ontwikkeling van deze jurisprudentie. Hij vraagt zich evenwel af of dit geen toename van het aantal anonieme getuigenverklaringen tot gevolg zal hebben.

Momenteel duikt dit probleem in de Belgische jurisprudentie, in tegenstelling tot die van Nederland en Italië, nog niet vaak op, maar creëert het aanbod niet de vraag ?

Om op de vraag van de voorzitter te antwoorden, wijst spreker erop dat een anonieme getuige de eed niet aflegt aangezien een anonieme getuigenverklaring nooit kan worden beschouwd als een bewijs dat onder ede is verkregen.

Volgens spreker maakt dat dit soort bewijs uiterst fragiel, zodat het nooit een doorslaggevende rol kan spelen.

De heer Lozie acht een wetgevend optreden wel degelijk nodig om de mogelijkheid van de anonieme getuigenverklaring expliciet in de wet in te voeren en de procedure daarvoor vast te stellen. Het is daarbij de bedoeling om de anonimiteit van de getuigen te waarborgen en controle op de kwaliteit van deze getuigen door de onderzoeksrechter mogelijk te maken.

Spreker herhaalt dat uiteindelijk de feitenrechter oordeelt over de waarde van de anonieme getuigenverklaring door zijn uitspraken te vergelijken met de Europese jurisprudentie over deze materie. Hij vindt de oplossing die nu wordt voorgesteld voor dit probleem een goede poging.

Spreker heeft nog een opmerking aangaande de wapengelijkheid ten aanzien van het openbaar ministerie en geeft hierover een tegenvoorbeeld.

Spreker meent dus dat de wapenongelijkheid in de twee richtingen kan spelen.

Antwoord van de minister

De minister meent dat voorliggende wet wel degelijk noodzakelijk is, ook al is men volkomen vertrouwd met de rechtspraak van het Europees Hof van de rechten van de mens. Het hoofddoel van voorliggend ontwerp is immers niet het bewijs in strafzaken te regelen, maar bestaat wel in de getuigenbescherming. Het regelen van het bewijs en het remedieren van een bestaande praktijk (tegemoetkoming aan een wildgroei in de aanbreng van informatie ­ « het komt ons ter ore dat, van een persoon die onbekend wenst te blijven vernemen wij dat, via het openbaar gerucht vernemen wij » ...) zijn bijkomstig. De hoofdbekommernis is de bescherming van de getuigen. Het voorliggende ontwerp maakt deel uit van een geheel (zie wetsontwerp betreffende de bescherming van de bedreigde getuigen, dat in behandeling in de kamer is). Het anoniem houden van bepaalde identiteitsbestanddelen is een processuele bescherming van een bepaalde persoon die in een bepaalde strafzaak een getuigenis aflegt.

De term « wapengelijkheid » lijkt hier niet relevant. Het betreft hier immers allen partijen die op weg zijn in eenzelfde proces van waarheidsvinding. Het feit dat het Europees Hof stelt dat de informatie die gebaseerd is op een getuigenis afgelegd onder gehele of gedeeltelijke anonimiteit slechts kan gelden als steunbewijs, vindt zijn oorzaak in het feit dat het principe van de wapengelijkheid hier even wordt opzij geschoven. De loyauteit wordt in de bewijsgaring niet helemaal gerespecteerd, maar dit vindt zijn correctie in de regel dat de aldus vergaarde informatie niet dezelfde waarde krijgt. Ze mag immers enkel als steunbewijs dienen, niet als bewijs op zich.

Artikel 2 van het ontwerp geldt inderdaad enkel in het kader van het gerechtelijk onderzoek. De onderzoeksrechter beslist of een partiele anonimiteit al dan niet wordt toegestaan, maar dit kan wel gebeuren in het kader van een mini-onderzoek.

Het verschil in de gebruikte terminologie op het vlak van gedeeltelijke of gehele anonimiteit (het redelijk vermoeden dat de getuige een ernstig nadeel zou kunnen ondervinden vs de bedreiging van de integriteit van de getuige) vloeit voort uit de aard van de anonimiteit. De volledige anonimiteit kan immers enkel in zeldzame gevallen worden toegestaan.

Aldus is spreker van oordeel dat het aanbod de vraag niet zal creëren; het systeem van de volledige anonimiteit is immers vrij zwaar, waardoor men eerder wordt afgeschrikt dan aangemoedigd bij het gebruik ervan; de vraag zal niet zeer groot zijn. Dit is ook de mening van de mensen op het werkveld. De minister verwijst ook naar het feit dat men de bekwaamheid van de getuige als persoon niet mag verwarren met de betrouwbaarheid van diens getuigenis. Een onbetrouwbaar persoon kan een betrouwbaar getuigenis afleggen en vice versa.

De heer Vandenberghe stipt aan dat het woord betrouwbaarheid hier doelt op de geloofwaardigheid. Artikel 6.1 van het EVRM geeft het recht aan de verdachte geconfronteerd te worden met personen die voor hem belastende verklaringen afleggen. Niets belet een schurk betrouwbare verklaringen af te leggen.

Wat betreft de ratio legis van het register dat wordt bijgehouden door de procureur des Konings, antwoordt de minister dat de getuige die partiële anonimiteit inroept, kan gedagvaard worden om te getuigen voor de bodemrechter. Er moet een instantie zijn die deze getuige kan oproepen. Iemand moet dus over de volledige identiteit beschikken teneinde de oproeping te kunnen doen. Waarom bij de procureur des Konings ? In elke rechtbank van eerste aanleg heeft men een of meerdere onderzoeksrechters. Indien de gegevens daar worden bijgehouden, is het gevaar op een fuite groter. Vandaar werd beslist dit register te centraliseren bij de procureur des Konings. Moet er een uitvoeringsbesluit zijn om de vorm van het register vast te leggen ? Uiteraard kan dit, maar het is niet uitdrukkelijk voorzien. De vraag rijst of dit niet kan worden geregeld bij omzendbrief (ministeriële omzendbrief of omzendbrief van het College van procureurs-generaal).

Het bewijs in strafzaken alsdusdanig wordt hier niet geregeld. Het bewijs in strafzaken is trouwens zeer eenvoudig. Het bewijs is vrij en de bewijsappreciatie ook. Er zijn wel tal van uitzonderingen en beperkingen (getuigen onder eed, enz.). In strafzaken komt het er uiteindelijk op aan de innerlijke overtuiging van de bodemrechter te voeden. Dat is een mechanisme dat men niet in de hand heeft en oncontroleerbaar is. Vaak vormt de rechter zijn overtuiging en achteraf kleedt hij deze in. Een strikte hiërarchie van de bewijsmiddelen in strafzaken is dus niet aanwezig. De rechter krijgt wel impliciet een bijzondere motiveringsplicht door in te schrijven dat het anoniem getuigenis enkel als steunbewijs kan gelden.

De beslissing van de onderzoeksrechter om de anonieme getuigenis al dan niet toe te laten is voor geen enkel rechtsmiddel vatbaar. De universiteit van Gent heeft hier studie verricht naar de wenselijkheid van een rechtsmiddel. Zij kwam tot de conclusie dat het niet voorzien van een rechtsmiddel niet in strijd is met het EVRM. Bovendien zou elk rechtsmiddel als een dilatoir middel kunnen worden aangewend. Hoe meer etappes men gaat inbouwen, hoe groter het risico dat de volledige identiteit van de getuige zal bekend worden.

De rechter ten gronde is gebonden door de beslissing van de onderzoeksrechter over de volledige anonimiteit. Wanneer de vraag van anonieme getuigenis voor het eerst voorkomt voor de bodemrechter, zal de onderzoeksrechter nagaan of de getuige betrouwbaar is. Als de onderzoeksrechter oordeelt dat dit niet het geval is, zal hij in die zin statueren en dit terug overmaken aan de bodemrechter.

De onderzoeksrechter die volledige anonimiteit verleent, zal deze beslissing per aangetekende brief bezorgen aan de getuige. In het oorspronkelijk ontwerp werd de mogelijkheid voorzien de beslissing ook per fax te bezorgen. Dit werd verwijderd in de Kamer. De aangetekende brief houdt daarentegen weinig risico's in. De postbode wordt niet geacht de inhoud te kennen van de omslag. Spreker ziet hiervoor geen alternatief om op een rechtzekere manier een anonieme getuige op te roepen.

Zoals voor elke getuigenis onder eed, geldt ook hier dat de auto-incriminatie niet kan. Quid indien de getuige niet onder eed kan worden gehoord (bloedverwant, enz.). Dit is een element dat door de onderzoeksrechter moet worden onderzocht als de getuige zich aanmeldt. De onderzoeksrechter gaat de betrouwbaarheid na, en trekt ook deze elementen na.

Spreker meent dat er geen groot gevaar bestaat dat gegevens uit verschillende dossiers worden uitgewisseld in hoven en rechtbanken. Intra muros bestaat er weinig gevaar, rechters zijn niet kwistig met informatie uit hun dossiers. Een groter gevaar bestaat bij de politiediensten. Een persoon die een anonieme getuigenis wenst af te leggen wordt immers aangebracht door politiemensen.

Replieken van de leden

Mevrouw Nyssens wenst verduidelijking over het toepassingsgebied van amendement nr. 1.

Dit stelt dat niemand kan worden veroordeeld op basis van een anonieme getuigenverklaring. Die laatste moet in belangrijke mate steun vinden in andere bewijsmiddelen. Spreekster wenst verduidelijking of deze regel enkel toepassing vindt bij de volledige anonimiteit of ook moet gelden voor de gedeeltelijke anonimiteit. Waarom dit onderscheid ?

Spreekster merkt op dat de rechtspraak van het Europees Hof van de rechten van de mens geen onderscheid maakt tussen verschillende stelsels van anonimiteit.

De minister onderstreept dat de mogelijke inbreuken op de loyauteit van de bewijsgaring en de wapengelijkheid minder zijn bij de gedeeltelijke anonimiteit. Bovendien zijn de rechten van verdediging gewaarborgd bij de gedeeltelijke anonimiteit, aangezien de getuige verplicht is om ter terechtzitting, in aanwezigheid van de beklaagde of de beschuldigde, te verschijnen. De volledig anonieme getuige is daarentegen niet verplicht te verschijnen, zijn instemming is nodig. De bewijswaarde van de gedeeltelijk anonieme getuigenis kan dan ook hoger worden geschat.

Mevrouw de T' Serclaes vraagt wat er juist onder gedeeltelijke anonimiteit wordt verstaan, als men deze getuige kan verplichten aanwezig te zijn op de terechtzitting. In hoeverre is de getuigenis dan nog anoniem ?

De minister verklaart dat de filosofie achter de partiële anonieme getuige is dat het een toevallige getuige betreft. Het is niet iemand die zich in het milieu van de verdachte beweegt, maar een toevallig persoon die kennis neemt van een strafrechtelijk feit. De elementen die kunnen worden verborgen gehouden staan duidelijk vermeld in het ontwerp. In concreto zal men bij de gedeeltelijk anonieme getuige bij verschijning ter terechtzitting meestal geen gewag maken van de woonplaats, en in uitzonderlijke gevallen, ook van de naam. Het is uiteraard niet de bedoeling enkel gewag te maken van de staat van de persoon (gehuwd of niet gehuwd) of van zijn beroep, want dan komt men de facto te staan voor een volledige anonimiteit.

Spreker verwijst naar artikel 75ter, waarbij het de partiële anonimiteit betreft van de personen die in de uitoefening van hun beroepsactiviteit beslast zijn met een getuigenis. Zij zullen de mogelijkheid krijgen hun dienstadres op te geven of het adres waarop zij gewoonlijk hun beroep uitoefenen.

Aanvankelijk betrof deze mogelijkheid van partiële anonimiteit enkel de agenten en de officieren van gerechtelijke politie.Achteraf werd deze uigebreid, omdat er een vraag was van de cel voor financiële informatieverwerking voor de personen in banken. Nu betreft ze ook brandweerlieden, ambulanciers, maatschappelijk assistenten, enz.

Deze mogelijkheden van gedeeltelijke anonimiteit, zoals voorzien in de artikelen 75bis (beslissing van de onderzoeksrechter) en 75ter, mogen niet worden opgeblazen en zullen slechts toepassing vinden in beperkte gevallen.

De heer Istasse wenst op dat vlak te verwijzen naar de conclusies van de onderzoekscommissie naar de georganiseerde criminaliteit, die tot de bevinding kwam dat de agenten bijvoorbeeld als getuige een bijzondere bescherming moesten kunnen genieten.

Mevrouw de T' Serclaes meent dat de gedeeltelijke anonimiteit niet steeds de gewenste bescherming zal kunnen bieden. Zij denkt aan kleinere regio's waar de agenten door iedereen zijn gekend.

III. ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING

Artikel 2

A. Bespreking

Mevrouw Nyssens dient amendement nr. 3 (stuk Senaat, nr. 2-876/3) in dat ertoe strekt het voorgestelde artikel 75bis te vervangen. Dit amendement heeft verschillende doelstellingen. Ten eerste wenst het amendement tegemoet te komen aan de diverse opmerkingen van de Raad van State over dit artikel. Ook de interessante opmerkingen van de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » komen hier aan bod. Het amendement herschrijft het artikel om de diverse stappen in de procedure veel duidelijker aan te geven. De onderzoeksrechter moet eerst een proces-verbaal opmaken dat alleen betrekking heeft op de vraag of al dan niet gedeeltelijke anonimiteit kan worden toegekend. Als de onderzoeksrechter besluit de getuige gedeeltelijke anonimiteit te verlenen, neemt hij een met redenen omklede beslissing waarin hij aangeeft waarom gedeeltelijke anonimiteit gerechtvaardigd is. Pas dan wordt de getuige verhoord.

Verder wenst het amendement duidelijk te stellen dat de aanvraag van gedeeltelijke anonimiteit ook mogelijk moet zijn binnen het kader van een opsporingsonderzoek.

Het amendement geeft verder een aantal verduidelijkingen bij de betrouwbaarheid van de getuige; de onderzoeksrechter moet controleren of de getuige ernstige redenen heeft om bepaalde gegevens van zijn identiteit geheim te houden, of er banden en conflicten bestaan tussen de getuige en de partijen en of er tussen de getuige en de partijen en de getuige in rechte en in feite een mogelijke band van ondergeschiktheid bestaat.

Al de gegevens worden opgenomen in een proces-verbaal, dat wordt overgezonden aan de procureur des Konings en aan de Kamer van inbeschuldigingstelling (artikel 136 van het Wetboek van strafvordering).

Een laatste idee betreft de mogelijkheid van beroep.

Mevrouw de T' Serclaes wenst enkele verduidelijkingen over de door het ontwerp voorgestelde tekst. Zo merkt spreekster op dat de onderzoeksrechter een proces-verbaal zal opmaken waarin hij melding maakt van de redenen waarom hij tot de gedeeltelijke anonimiteit besluit. Wat gebeurt hier juist mee ? In de volgende zin maakt men gewag van de « beschikking » van de onderzoeksrechter. Wat bedoelt men juist met het register dat de procureur des Konings dient bij te houden ? Hebben de partijen toegang tot dit register ? Wat brengt dit bij ? Volstaat het niet dat de partijen toegang hebben tot het dossier van het onderzoek ? Bevat het dossier de getuigenis van de anonieme getuige ?

De minister antwoordt dat het evident is dat het proces-verbaal van verhoor, de beschikking, in het dossier zit. In het register bij de procureur des Konings worden alle partieel of volledig anonieme getuigen opgenomen. Dit laat toe dat de volledige identiteit van de getuige door de procureur des Konings is gekend, wat hem toelaat deze persoon later in het proces op te roepen. De onderzoeksrechter moet de betrouwbaarheid van de getuige nagaan, alvorens hij beslist tot de gedeeltelijke of volledige anonimiteit. Ook van deze verrichting waarbij de betrouwbaarheid van de getuige wordt onderzocht, wordt een proces-verbaal opgemaakt, met alle gegevens van de betreffende getuige. Dit proces-verbaal kan uiteraard niet in het gerechtelijk dossier figureren, maar wel in het register. Het feit dat er een centraal register is, en niet verschillende registers bij de onderzoeksrechters, draagt bij tot de confidentialiteit.

De heer Vandenberghe meent dat de mogelijkheid om anoniem te getuigen zo veel mogelijk moet worden beperkt. In dat kader is hij niet overtuigd van het nut van het onderscheid tussen de partiële en de volledige anonimiteit.

Bij ernstig nadeel kan men een anonieme getuigenis afleggen. Wat bedoelt men juist met « ernstig nadeel » ? Er wordt niets gezegd over de aard van het nadeel. Betreft het een fysiek of een moreel nadeel ? Bij getuigenissen in delicate zaken heeft men bijna automatisch een nadeel. De toepassing van de anonieme getuigenis, alsook het risico van misbruiken wordt hier uitgebreid. De anonieme getuigenis is een bijzonder gevoelig bewijsstuk, waardoor de rechten van de verdediging worden beperkt. Wat is « ernstig » en wat is « nadeel » ? Het betreft hier strafzaken en het toepassingsgebied van de termen « ernstig » en « nadeel » moet dus precies zijn gekend.

De minister antwoordt dat het systeem van de partiële anonimiteit een tussenoplossing biedt. De onderzoeksrechter zal beslissen of het gevaar van een ernstig nadeel bestaat. De onderzoeksrechter kan dan aan de toevallige getuige toch een zekere bescherming bieden. Het systeem moet niet worden overroepen. Indien een rechtsmiddel zou openstaan tegen de weigering van de rechter, wordt het systeem van de gedeeltelijke anonimiteit te zwaar en zal het niet worden toegepast.

De heer Vandenberghe vraagt naar het nut van het systeem van partiële anonimiteit. Bestaan hier studies over, eventueel rechtsvergelijkend ? Werkt men met gedeeltelijke anonimiteit in andere landen ? Het Europees Hof van de rechten van de mens heeft de anonimiteit aanvaard in zeer uitzonderlijke gevallen (zie arrest Kostovski). Als de anonieme getuige bijvoorbeeld een weinig voorkomende naam heeft, zal men hem vlugger kunnen aanwijzen. Vaak zal de betichte ook in het kader van een strafzaak een naam snel kunnen thuisbrengen. Het systeem lijkt weinig nut te hebben.

De minister onderstreept dat de gedeeltelijke anonimiteit wordt toegepast bij een toevallige getuige. De zoektocht naar wie die getuige is, is onvermijdelijk. A fortiori bij volledige anonimiteit waar het zware feiten betreft, zal de betichte zoeken wie schuilgaat achter de anonieme getuigenis.

Bij zijn weten bestaat de partiële anonimiteit niet in het buitenland.

Mevrouw de T' Serclaes meent dat artikel 2 weinig werkbaar is.

Mevrouw Nyssens verwijst naar haar amendementen die ertoe strekken een parallelle procedure op te bouwen voor de volledige anonimiteit en de gedeeltelijke anonimiteit.

De Raad van State had hierover een opmerking gemaakt. Zo zijn er bijvoorbeeld verschillende voorwaarden voor de mogelijkheden om beroep te doen op een anonieme getuigenis (ernstig nadeel voor gedeeltelijke anonimiteit en ernstige bedreiging van de integriteit voor de volledige anonimiteit).

B. Stemmingen

Amendement nr. 3 van mevrouw Nyssens wordt verworpen met 6 tegen 3 stemmen.

Artikel 3bis

Mevrouw Nyssens dient amendement nr. 36 in (stuk Senaat, nr. 2-876/4) dat een artikel 75quater invoegt in het Wetboek van strafvordering. Het gaat niet op om in het kader van de artikelen 75bis, 155bis en 317bis een onderscheid te maken tussen de bewijswaarde van een volledige dan wel van een gedeeltelijke anonieme getuigenverklaring [zie ook artikelen 6bis en 10bis (amendementen nrs. 37 en 38)]. Dit amendement wordt verworpen met 6 tegen 3 stemmen.

Artikel 5

A. Bespreking

Mevrouw Nyssens dient een amendement in (stuk Senaat, nr. 2-876/3, amendement nr. 4) dat ertoe strekt in het voorgestelde artikel 155bis de woorden « de rechtbank kan » te vervangen door de woorden « de rechtbank, die een getuige wil horen die niet door de onderzoeksrechter gehoord is ».

Volgens de Raad van State moet uit het eerste lid duidelijker blijken dat het alleen van toepassing is bij het verhoor van een nieuwe getuige die nog niet door de onderzoeksrechter is gehoord.

De minister kan instemmen met de gedachte vervat in het amendement. De formulering is echter niet helemaal duidelijk. Het gaat wel om een andere persoon; tevens dient ook het woord « kan » in fine in het amendement te worden ingevoegd.

Mevrouw Nyssens dient een amendement in (stuk Senaat, nr. 2-876/3, amendement nr. 5) dat in de mogelijkheid voorziet om beroep aan te tekenen tegen de beslissing van de rechtbank.

Spreekster verwijst naar de verantwoording van het amendement.

Het amendement betreft ook de wijze waarop de beslissing van de rechtbank om de gedeeltelijke anonimiteit toe te kennen of te weigeren wordt meegedeeld aan de betrokken partijen. Tevens rijst de vraag naar de wijze waarop de rechtbank te werk gaat bij het verhoor van een nieuwe getuige.

De minister antwoordt dat het verhoor wel degelijk plaatsvindt in aanwezigheid van de beklaagde. De getuigenis wordt gewoon afgenomen met het verschil dat bepaalde elementen van zijn identiteit worden weggelaten.

Spreker kan echter niet instemmen met het amendement, en dit om proceseconomische redenen. Het voorgestelde systeem van beroep is veel te zwaar.

Wat de mededeling van de beslissing betreft, stipt spreker aan dat het getuigenis wordt afgenomen ter terechtzitting en dus op het zittingsblad wordt genoteerd. Het openbaar ministerie is sowieso aanwezig. Het lijkt hem niet absoluut nodig de nadere regels voor de oproeping van de getuige in de wet op te nemen. Tevens gelden dezelfde regels als voor de gewone getuigenis. Er wordt aan het openbaar ministerie gevraagd de getuige op te roepen. Als deze niet antwoordt op een oproepingsbrief, zal er worden gedagvaard.

Mevrouw Nyssens wijst erop dat er voor de volledige anonieme getuigenis wel regels in de wet worden opgenomen.

Mevrouw Nyssens dient amendement nr. 6 in (stuk Senaat, nr. 2-876/3) dat ertoe strekt het tweede lid van het voorgestelde artikel 155bis te vervangen.

Dit amendement is zuiver technisch. Het amendement nr. 15 van de regering in de kamer (stuk Kamer, nr. 50-1185/004) lijkt immers, per vergissing, niet in zijn geheel te zijn overgenomen in de voorliggende tekst.

De minister gaat hiermee akkoord.

B. Stemmingen

Amendementen nrs. 4 en 6 van mevrouw Nyssens worden eenparig aangenomen door de 9 aanwezige leden.

Amendement nr. 5 van mevrouw Nyssens wordt verworpen met 6 tegen 3 stemmen.

Artikel 6bis

Mevrouw Nyssens dient amendement nr. 37 in (stuk Senaat, nr. 2-876/4) teneinde een artikel155quater in te voegen in het Wetboek van strafvordering. Voor de bespreking kan worden verwezen naar amendement nr. 36.

Amendement nr. 37 wordt verworpen met 6 tegen 3 stemmen.

Artikel 9

A. Bespreking

Mevrouw Nyssens dient amendement nr. 7 in (stuk Senaat, nr. 2-876/3) dat ertoe strekt duidelijker te laten blijken dat het eerste lid van het voorgestelde artikel 317bis enkel van toepassing is bij het verhoor van een nieuwe getuige die niet door de onderzoeksrechter is gehoord. De bedoeling van dit amendement is dezelfde als bij het amendement nr. 4, maar hier toegepast op de procedure voor het hof van assisen.

De regering kan hiermee instemmen.

Mevrouw Nyssens dient amendement nr. 8 in (stuk Senaat, nr. 2-876/3) dat verduidelijkt dat de voorzitter van het assisenhof enkel een appreciatiebevoegdheid heeft, wanneer het gaat om een nieuwe getuige. Zoniet is hij gebonden door de beslissing van de onderzoeksrechter om gedeeltelijke anonimiteit toe te kennen.

B. Stemmingen

Deze amendementen worden eenparig aangenomen door de 9 aanwezige leden.

Artikel 10bis

A. Bespreking

Mevrouw Nyssens dient amendement nr. 9 in (stuk Senaat, 2-876/3) dat ertoe strekt een artikel 10bis nieuw in te voegen. Het onderscheid tussen de volledige en gedeeltelijke anonimiteit valt niet te verantwoorden in het kader van de artikelen 75bis, 155bis en 317bis.

De minister heeft vooreerst technisch bezwaar tegen het amendement. Er wordt immers enkel een artikel ingevoegd in voorliggend ontwerp, en niet in het Wetboek van strafvordering.

Mevrouw Nyssens dient hiertoe het amendement nr. 38 in (stuk senaat, 2-876/4) en trekt amendement nr. 9 in. Voor de bespreking kan ook worden verwezen naar de amendementen nrs. 36 (artikel 3bis) en 37 (artikel 6bis).

De minister kan evenmin instemmen met het amendement op inhoudelijk vlak. De rechten van verdediging zijn bij partiële anonimiteit immers gewaarborgd, aangezien de getuige verschijnt ter terechtzitting, in aanwezigheid van de beklaagde of de beschuldigde.

De heer Vandenberghe stipt aan dat ook in Nederland de anonieme getuige kan worden gedagvaard. Aldus zijn de rechten van verdediging wel gerespecteerd. Volgens spreker kan men dan echter nog moeilijk gewag maken van een anonieme getuigenis. De advocatuur zal de grievende getuige automatisch laten dagvaarden, al was het maar om de geloofwaardigheid ervan te testen.

Mevrouw de T'Serclaes kan het amendement niet steunen. Zij is immers ook van mening dat de rechten van verdediging wel degelijk zijn gerespecteerd, als men de getuige kan oproepen ter zitting. De anonimiteit kan dan wel worden in vraag gesteld.

B. Stemmingen

Amendement nr. 9 wordt ingetrokken.

Amendement nr. 38 wordt verworpen met 6 tegen 3 stemmen.

Artikel 10ter

A. Bespreking

Mevrouw Nyssens dient amendement nr. 27 in (stuk Senaat, nr. 2-876/4) dat ertoe strekt een artikel 10ter in te voegen dat de overeenstemming wenst te bewaren tussen de gedeeltelijke en de volledige anonimiteit met betrekking tot de bepalingen inzake valse getuigenis, meineed, eerroof en laster. Voor deze feiten bestaat er immers met betrekking tot de volledige anonimiteit een specifieke bepaling in artikel 12, in tegenstelling tot met betrekking tot de gedeeltelijke anonimiteit.

De indienster wenst ook tegemoet te komen aan de opmerkingen van de Raad van State terzake. Zij verwijst naar de verantwoording van het amendement.

De minister meent dat de gevolgen die het onderzoek na een klacht wegens vals getuigenis, meineed, eerroof en laster kan hebben op het verloop van het andere onderzoek niet verschillend zijn bij volledig anonieme getuigenis, gedeeltelijk anonieme getuigenis of gewone getuigenis. Een specifieke procedure voor de gedeeltelijk anonieme getuigenis, die slechts van beperkt belang en uitzonderlijke toepassing is lijkt hem niet noodzakelijk. Het gemeenrecht is van toepassing.

Mevrouw Nyssens dient amendement nr. 28 in (stuk Senaat, nr. 2-876/4) dat subsidiair is op amendement nr. 27. De indienster begrijpt dat het gemeenrecht van toepassing is.

B. Stemmingen

De amendementen nrs. 27 en 28 worden verworpen met 6 tegen 3 stemmen.

Artikel 11

De heer Vandenberghe en mevrouw De Schamphelaere dienen amendement nr. 20 in (stuk Senaat, nr. 2-876/3), teneinde het artikel te doen vervallen. Er is geen enkele reden om het beroep op de volledige anonimiteit uit te sluiten van de mini-instructie.

De minister kan akkoord gaan met het principe dat een volledige anonimiteit moet kunnen in het kader van een mini-instructie. Uiteraard moet worden gewezen op de zwaarwichtigheid van de procedure van de volledige anonimiteit.

Het amendement wordt verworpen met 6 tegen 3 stemmen.

Artikel 12

A. Bespreking

Mevrouw Nyssens dient amendement nr. 10 in (stuk Senaat, nr. 2-876/3) dat ertoe strekt dat de persoon tegen wie een opsporingsonderzoek loopt kan vragen aan de onderzoeksrechter een gedeeltelijk anonieme getuige te horen via het openbaar ministerie.

Mevrouw Nyssens dient amendement nr. 11 in (stuk Senaat, nr. 2-876/3) dat van technische aard is. Het is duidelijk dat volledige anonimiteit mogelijk is voor ongeacht welk strafbaar feit in het Strafwetboek dat wordt gepleegd in het kader van een criminele organisatie.

De minister kan instemmen met deze tekstverduidelijking.

Mevrouw Nyssens dient amendement nr. 12 in (stuk Senaat, nr. 2-876/3) dat verduidelijkt dat de volledige identiteit van de getuige en de controle van zijn betrouwbaarheid moeten worden opgenomen in een proces-verbaal. Tevens worden aanvullingen gegeven op de controle van de betrouwbaarheid van de getuige.

De minister meent dat aan de onderzoeksrechter een zekere soevereniteit moet worden gelaten. Er moet niet worden voorgeschreven wat hij juist moet controleren, des te meer daar in § 4 van het artikel in ontwerp wel degelijk de plicht op de onderzoeksrechter rust zijn beslissing te motiveren.

Subsidiair merkt spreker op dat, in het eerste gedachtestreepje, een technische vergissing schuilt. Het betreft niet « bepaalde » identiteitsgegevens, maar wel de volledige identiteit.

De heer Vandenberghe vraagt of ieder die anoniem wenst te blijven noodgedwongen onder artikel 12 dient te vallen. Kan men dan geen formuleringen meer hebben in het strafdossier als « een getuige, die anoniem wenst te blijven, verklaart dat »? Wat is het statuut van een anonieme verklikking ?

Een anonieme verklikking is immers onaanvaardbaar en kan tot misbruik aanleiding geven. Veel anonieme verklikkingen zijn niets meer dan pesterijen. Waarom wordt hier de anonieme getuigenis geregeld, en niet de anonieme verklikking ?

De minister antwoordt dat artikel 12 toepasselijk is als de betreffende verklaring als basis van de strafvordering wordt gebruikt. De getuigenis is dan een bewijsmiddel, niet enkel een aanzet tot bewijsgaring (bijvoorbeeld bij de anonieme verklikking). Aan de anonieme verklikking kan geen bewijswaarde worden gehecht, het kan hoogstens een aanzet zijn voor het openbaar ministerie om verder onderzoek te starten en autonoom het bewijs te garen.

De heer Vandenberghe kan instemmen met dit argument, maar merkt op dat dit een louter formeel juridische redenering is. Onwettig verzameld bewijsmiddel is geen bewijsmiddel, maar kan wel aanzet zijn tot verder onderzoek. Anonieme verklikkingen in se zijn een ziekteverschijnsel in deze samenleving.

Mevrouw Nyssens dient amendement nr. 13 in (stuk Senaat, nr. 2-876/3) dat ertoe strekt het voorgestelde artikel 86bis, § 5, te vervangen. Er wordt verwezen naar de verantwoording bij het amendement nr. 3 op artikel 2. Het betreft het beroep, hier bij een volledig anonieme getuigenis.

Mevrouw Nyssens dient amendement nr. 14 in (stuk Senaat, nr. 2-876/3) dat ertoe strekt het gebruik en de raadpleging van het register met de lijst der getuigen te regelen. Wie heeft toegang tot dit register ?

De minister verduidelijkt dat enkel de procureur des Konings toegang heeft tot het register.

Mevrouw Nyssens dient amendement nr. 15 in (stuk Senaat, nr. 2-876/3) dat ertoe strekt het eerste lid van artikel 86quinquies te doen vervallen. Dit lid herhaalt immers wat is bepaald in artikel 86bis, § 2.

De minister werpt op dat er wel degelijk een onderscheid is tussen beide bepalingen. Artikel 86bis, § 2, gaat over het toepassingsgebied van de anonieme getuigenis. Men bevindt zich in het stadium waar het verhoor nog moet beginnen. In artikel 86quinquies bevindt men zich in het stadium waar het verhoor is afgenomen. Men vraagt dan naar de bewijswaarde ervan. Als blijkt dat de feiten waaromtrent werd getuigd niet onder de opgesomde beperkte lijst vallen (criminele organisaties, artikel 90ter, wet van 16 juni 1993), dan kan men de getuigenis niet gebruiken als steunbewijs, onverminderd artikel 29 van het Wetboek van strafvordering. Dit betekent dat de procureur des Konings wel kan worden ingelicht en dat dit de start kan zijn van een nieuw onderzoek.

Mevrouw Nyssens trekt het amendement in.

Zij wenst meer uitleg over de verwijzing naar artikel 90ter. Is anonieme getuigenis gerechtvaardigd voor alle inbreuken opgesomd in artikel 90ter, zoals bijvoorbeeld de inbreuken die op goederen betrekking hebben ? Is een algemene verwijzing naar artikel 90ter terecht, des te meer dat dit artikel zich steeds uitbreidt.

De minister is zich bewust van het feit dat artikel 90ter zeer omvangrijk is. Het bevat niet alleen misdrijven waarvan men redelijk aanneemt dat zij een zekere zwaarwichtigheid vertonen en een zware bedreiging vormen voor de samenleving, maar ook misdrijven die moeilijk te bewijzen zijn. Artikel 90ter biedt een zeker houvast en de verwijzing naar dit artikel heeft het voordeel dat er een zekere conformiteit is binnen de wetgeving.

De heer Vandenberghe meent dat de anonimiteit een echte uitzondering moet blijven en enkel mag gelden voor de gemeenschapsbedreigende misdrijven. De bewijswaarde van de telefoontap is van andere aard; daar moeten immers verschillende voorwaarden zijn vervuld en tegenspraak is mogelijk op dat vlak. De verwijzing naar artikel 90ter lijkt hem dus te ruim en het toepassingsgebied van artikel 90ter riskeert bovendien alsmaar uitgebreider kan worden.

De minister werpt op dat de telefoontap in belang afneemt. Vooreerst is er de capaciteitsproblematiek; bovendien telefoneren de criminelen steeds minder.

De heer Istasse besluit eveneens dat de anonieme getuigenis een ware uitzondering moet blijven. Met de geciteerde verwijzing loopt men het gevaar dat het toepassingsgebied steeds ruimer zal worden. Voor elk gebruik van bijzondere bewijstechnieken, zou men ook kunnen verwijzen naar artikel 90ter.

De heer Vandenberghe en mevrouw De Schamphelaere dienen amendement nr. 19 in (stuk Senaat, nr. 2-876/3) dat duidelijk stelt dat de volledige anonimiteit kan worden gewaarborgd voor ieder misdrijf dat gepleegd werd in het kader van een criminele organisatie.

Mevrouw Nyssens dient amendement nr. 21 in (stuk Senaat, nr. 2-876/4), dat ertoe strekt in het derde lid van het voorgestelde artikel 86ter, tussen de woorden « de onderzoeksrechter » en het woord « vragen », de woorden « vóór en tijdens het verhoor van de getuige » in te voegen.

Het gaat om een precisering die tot doel heeft te benadrukken dat de onderzoeksrechter de gestelde vragen kan beantwoorden vóór en tijdens dit verhoor, zoals de Raad van State ook suggereert.

De minister is voorstander van dit amendement : het is een verduidelijking van wat reeds impliciet uit de tekst bleek.

Amendement nr. 22 van mevrouw Nyssens (stuk Senaat, nr. 2-876/4) strekt ertoe in het derde lid van het voorgestelde artikel 86ter de laatste volzin te vervangen als volgt : « De onderzoeksrechter ontslaat de getuige van het antwoord op vragen die tot de bekendmaking van zijn identiteit zouden kunnen leiden ». Het begrip « ontslaan van » lijkt haar taalkundig gezien correcter.

De minister meent dat de term « ontslaan van » een keuzemogelijkheid impliceert, in tegenstelling tot het woord « beletten », dat een impliciet verbod bevat. Als de getuige de keuze wordt gelaten, kan die laatste eventueel elementen onthullen die tot de bekendmaking van zijn identiteit kunnen leiden. Dat druist in tegen de doelstelling van dit ontwerp.

Mevrouw Nyssens begrijpt de nuance en trekt haar amendement in.

Amendement nr. 23 van mevrouw Nyssens (stuk Senaat, nr. 2-876/4) strekt ertoe in het vierde lid van het voorgestelde artikel 86ter, de woorden « Indien het verbergen van de identiteit van de getuige het vereist, » te vervangen door de woorden « Indien de veiligheid van de getuige of van een persoon uit zijn omgeving zulks vereist ».

Zoals de Raad van State, meent mevrouw Nyssens dat de wijze waarop de getuige wordt verhoord en de plaats waar dat gebeurt, van belang zijn met betrekking tot de eerbiediging van de jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de mens.

Spreekster heeft vragen bij de ratio legis van de ontworpen tekst en vraagt wanneer de getuige in een afzonderlijke ruimte moet worden verhoord.

De minister vindt dit amendement overbodig. De maatregel is immers nodig om de anonimiteit van de getuige te vrijwaren, indien zijn veiligheid dit vereist.

De minister antwoordt dat zal worden besloten tot een verhoor in een afzonderlijke ruimte wanneer dat nodig is om de anonimiteit te vrijwaren.

Amendement nr. 24 van mevrouw Nyssens (stuk Senaat, nr. 2-876/4) wil in het vierde lid van het voorgestelde artikel 86ter de woorden « de Koning » te vervangen door de woorden « de wet ».

Zij benadrukt dat de Raad van State niets begrijpt van deze delegatie aan de Koning.

Spreekster vraagt zich af of het wetsontwerp de Koning hier geen te ruime delegatie geeft, die immers niet beperkt blijft tot de uitvoeringsmaatregelen en dat in een zo delicate materie als de telecommunicatie.

De minister antwoordt dat een voorontwerp van wet voor advies is voorgelegd aan de Raad van State. Het handelt over het verhoor met audiovisuele middelen en zal eerlang in de Kamer worden ingediend.

Dat voorontwerp van wet regelt alle principiële problemen inzake de afzonderlijke ruimte, de videoconferentie, enz.

De bepaling in dit wetsvoorstel dat de Koning de minimale vereisten vaststelt waaraan de telecommunicatievoorzieningen moeten beantwoorden, betreft enkel technische aspecten, zoals het aantal decibels van de installatie, het aantal rode en blauwe draden van de installatie, enz. Het gaat dus zeker niet op het principe zelf van de afzonderlijke ruimte.

Mevrouw Nyssens stelt dus vast dat dit wetsontwerp de principes toepast waarin een ander wetsontwerp of veeleer een voorontwerp van wet voorziet.

Amendement nr. 25 van mevrouw Nyssens (stuk Senaat, nr. 2-876/4) betreft de gevolgen van een gerechtelijk onderzoek naar een klacht wegens vals getuigenis.

De inhoud van dit amendement is reeds verdedigd naar aanleiding van de bespreking aangaande de gedeeltelijk anonieme getuigenverklaring.

Hetzelfde geldt voor amendement nr. 26 van mevrouw Nyssens (stuk Senaat, nr. 2-876/4), een subsidiair amendement op haar amendement nr. 25.

B. Stemmingen

Amendementen nrs. 10 en 11 van mevrouw Nyssens worden eenparig aangenomen door de 9 aanwezige leden.

Amendementen nrs. 12, 13 en 14 van mevrouw Nyssens worden verworpen met 6 tegen 3 stemmen.

Amendement nr. 15 van mevrouw Nyssens is ingetrokken.

Amendement nr. 19 van de heer Vandenberghe en mevrouw De Schamphelaere wordt aangenomen met 5 tegen 3 stemmen bij 1 onthouding.

Amendement nr. 21 van mevrouw Nyssens wordt eenparig aangenomen door de 9 aanwezige leden.

Amendement nr. 22 van mevrouw Nyssens is ingetrokken.

Amendementen nrs. 23, 24, 25 en 26 van mevrouw Nyssens worden verworpen met 6 tegen 3 stemmen.

Artikel 14

A. Bespreking

Amendement nr. 1 van mevrouw Leduc c.s. (stuk Senaat, nr. 2-876/2) is ondertekend door alle meerderheidsfracties van de Senaat en strekt ertoe het laatste lid van het voorgestelde artikel 189bis te vervangen als volgt :

« De veroordeling van een persoon mag niet uitsluitend of zelfs in overheersende mate gegrond zijn op anonieme getuigenverklaringen die met toepassing van de artikelen 86bis en 86ter zijn verkregen. Die laatste moeten in belangrijke mate steun vinden in andere bewijsmiddelen. »

Mevrouw Kaçar wijst erop dat met de huidige tekst van het wetsontwerp een veroordeling kan worden verkregen op basis van meerdere, met elkaar overeenstemmende anonieme getuigenverklaringen. Als de tekst behouden blijft, is hij strijdig met de jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de mens. Dit amendement strekt er dus toe de tekst in overeenstemming te brengen met die jurisprudentie, door te eisen dat de anonieme getuigenverklaring wordt bevestigd door minstens een element uit het dossier dat op een andere manier is vergaard.

De heer Vandenberghe stelt vast dat artikel 14, laatste lid, van de door de Kamer aangenomen tekst luidde : « Getuigenverklaringen die ingevolge de toepassing van de artikelen 86bis en 86ter werden verkregen, kunnen alleen in aanmerking genomen worden als bewijs op voorwaarde dat zij in belangrijke mate steun vinden in andere bewijsmiddelen, tenzij de rechterlijke beslissing de redenen aangeeft, eigen aan de zaak, die het bewijs met verschillende anonieme getuigen rechtvaardigen. »

Spreker stelt zich vragen bij de draagwijdte van de woorden « in overheersende mate » (« dans une mesure déterminante ») en « in belangrijke mate » (« largement »), die worden gebruikt in amendement nr. 1 van mevrouw Leduc c.s.

Spreker wijst erop dat in de eerste volzin van het amendement de woorden « in overheersende mate » (« dans une mesure déterminante ») worden gebruikt en in de tweede volzin de woorden « in belangrijke mate » (« largement »). Is er een verschil tussen beide ?

De heer Vandenberghe merkt op dat het bewijs in strafzaken steunt op de innerlijke overtuiging van de rechter die tot stand komt door alle elementen in acht te nemen. Het gaat dus niet om een mathematisch bewijs.

Het amendement bepaalt overigens dat « de veroordeling van een persoon niet uitsluitend gegrond mag zijn op anonieme getuigenverklaringen ... ». Dit is een overlapping aangezien ook bepaald wordt dat die anonieme getuigenverklaringen steun moeten vinden in andere bewijsmiddelen.

Ten slotte betekenen de woorden « of zelfs in overheersende mate » dat het kernbewijs gevormd zou worden door de anonieme getuigenverklaring.

Spreker verwijst naar zijn amendementnr. 18 (stuk Senaat, nr. 2-876/3), amendement van de heer Vandenberghe en mevrouw De Schampelaere. Dit amendement strekt ertoe het laaste lid van het voorgestelde artikel 189bis te vervangen als volgt :

« Getuigenverklaringen die ingevolge de toepassing van de artikelen 86bis en 86ter werden verkregen, kunnen alleen in aanmerking worden genomen als bewijs op voorwaarde dat zij in belangrijke mate steun vinden in andere bewijsmiddelen. »

Spreker steunt hierbij op de rechtspraak van het Europese Hof voor de rechten van de mens.

Spreker vraagt ten slotte of de tekst die in de Kamer is goedgekeurd, het standpunt van de meerderheid weergeeft.

De minister antwoordt dat de oorspronkelijke tekst eruit zag zoals de tekst die thans bij amendement wordt voorgesteld.

Mevrouw Kaçar verduidelijkt eveneens dat het amendement teruggrijpt naar de oorspronkelijke tekst zoals hij door de regering in de Kamer is ingediend en zoals hij kan worden teruggevonden op blz. 70 van het Kamerstuk nr. 50-1185/1.

Het gaat hier om meer dan één anonieme getuigenverklaring.

De heer Vandenberghe antwoordt dat dit niet in het amendement staat en dat het raadzaam is dit in het amendement op te nemen.

Spreker benadrukt het uitzonderlijk karakter van een anoniem getuigenis. Het zou immers niet realistisch zijn te denken dat er in elk strafdossier drie of vier anonieme getuigenissen kunnen voorkomen.

Spreker is van mening dat begonnen moet worden met het bepalen van de bewijskracht van een anonieme getuigenis. Die moet door de feiten voldoende gestaafd worden. Het is in eerste instantie zaak rekening te houden met de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens, want het bewijsrecht wordt geregeld door artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Deze wet kan dus door het Europees Hof voor de rechten van de mens worden onderzocht naar aanleiding van een beroep van een verdachte, zoals dat het geval was in de zaak-Kostovski, die handelde over de voorwaarden waaraan een anonieme getuigenverklaring moet voldoen, of omdat een burgerlijke partij meent dat de voorwaarden waaronder een anonieme getuigenverklaring kan worden gebruikt in een strafzaak in België, te streng zijn, gelet op de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens.

Mevrouw Taelman merkt op dat de verantwoordingen van de twee betrokken amendementen eigenlijk hetzelfde beogen. Zowel in het eerste als in het tweede amendement wil men voorkomen dat een veroordeling tot stand komt op basis van één anonieme getuigenverklaring of op basis van meerdere anonieme getuigenverklaringen, ook al zijn die met elkaar in overeenstemming.

Overeenkomstig de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens moet er met andere woorden een ander bewijs zijn.

De heer Vandenberghe antwoordt dat in amendement nr. 1 een systeem wordt ingevoerd voor de weging van de getuigenissen. De rechter zal moeten zeggen waarom één van de bewijzen overheersend is of waarom niet. Spreker wil dit juridisch debat dat de zaken alleen maar ingewikkelder maakt, voorkomen.

Spreker is van mening dat het moet volstaan dat de anonieme getuigenverklaring wordt gestaafd door voldoende andere bewijsmiddelen. Eist men daarenboven dat in het geval waarin er verschillende anonieme getuigenissen zijn, ze niet overheersend kunnen zijn, dan legt men een nieuwe voorwaarde op.

Men stelt inderdaad vast dat er strengere eisen gelden met betrekking tot de bewijslast wanneer men met verschillende anonieme getuigenissen te maken heeft, aangezien het feit dat zij vergezeld zijn van voldoende steunbewijzen niet volstaat. Bovendien zouden die anonieme getuigenissen niet overheersend mogen zijn.

Wanneer het dossier slechts één anonieme getuigenis bevat, zou het daarentegen volstaan als het dossier voldoende steunbewijzen bevat.

Spreker vindt dit verschil onverantwoord.

Mevrouw Nyssens merkt op dat in het Frans, de woorden « dans une mesure déterminante » volledig juist zijn. Deze uitdrukking wordt gebruikt door het Europees Hof voor de rechten van de mens, maar ook door de Raad van State, die in zijn advies op blz. 61 (stuk Kamer, nr. 50-1185/1) schrijft : « pour autant qu'ils soient corroborés dans une manière déterminante par d'autres moyens de preuve ».

Spreekster meent daarentegen dat het woord « largement » niet echt terzake is, en wijst erop dat zij hieromtrent een amendement ingediend heeft dat alleen de woorden « dans une mesure déterminante » hanteert.

De heer Vandenberghe antwoordt dat het woord « overheersend » niet in het arrest-Kostovski voorkomt.

Mevrouw Nyssens merkt op dat de Nederlandse versie van het advies van de Raad van State de woorden « in afdoende mate » gebruikt. Dit advies verwijst trouwens naar de Doorson-zaak.

De heer Vandenberghe dient amendement nr. 39 in, dat de woorden « belangrijke mate » vervangt door de woorden « beslissende mate ». Hij neemt de bewoordingen over van de rechtspraak van het EHRM in verband met de bewijskracht van de anonieme getuigenissen.

De heer Vandenberghe merkt op dat op blz. 61 van het advies van de Raad van State (stuk Kamer, nr. 50-1185/1) er geen sprake is van de eerste volzin van amendement nr. 1.

Mevrouw Nyssens vraagt zich af wat de oorsprong is van het amendement van de heer Erdman in de Kamer en van de wijziging ten opzichte van de oorspronkelijke tekst.

De minister antwoordt dat het amendement van de heer Erdman ingegeven is door de problematiek van de vrouwenhandel. Het is zeer waarschijnlijk dat de slachtoffers ervan alleen anoniem willen getuigen.

Amendement nr. 2 van mevrouw Nyssens (stuk Senaat, nr. 2-876/2) wil, in het derde lid van het voorgestelde artikel 189bis, de woorden « tenzij de rechterlijke beslissing de redenen aangeeft, eigen aan de zaak, die het bewijs met verschillende anonieme getuigen rechtvaardigen » doen vervallen.

Mevrouw Nyssens verduidelijkt dat als amendement nr. 1 van de meerderheid wordt aangenomen, haar amendement natuurlijk geen doel meer dient.

Mevrouw Nyssens wil bovendien haar amendement nr. 16B (stuk Senaat, nr. 2-876/3) intrekken, dat in het voorgestelde artikel 189bis telkens de woorden « van de artikelen 86bis en 86ter » wil vervangen door de woorden « van de artikelen 86bis, 86ter, 75bis, 155bis en 317bis ».

Dit amendement is immers niet langer pertinent in het licht van de huidige discussie.

Amendement nr. 16A van mevrouw Nyssens (stuk Senaat, nr. 2-876/3) wil in het derde lid van het voorgestelde artikel 189bis de woorden « in belangrijke mate » vervangen door de woorden « in afdoende mate ».

Amendement nr. 29 van mevrouw Nyssens (stuk Senaat, nr. 2-876/4) wil in het tweede lid van het voorgestelde artikel 189bis, tussen de woorden « de beklaagde » en de woorden « of van de burgerlijke partij », de woorden « van de getuige » invoegen.

Mevrouw Nyssens verduidelijkt dat dit de tegenhanger is van een amendement betreffende de gedeeltelijke anonimiteit van de getuigen, dat door de regering aanvaard werd.

Spreekster meent immers dat er geen objectieve en aanvaardbare reden is om het verhoor van de getuige niet op diens verzoek te laten plaatsvinden.

De minister antwoordt dat bij de gedeeltelijke anonimiteit, het ging om het geval van een getuige die gehoord wenste te worden.

Voorts meent de minister dat de omstandigheden hier anders zijn. Hij vraagt zich trouwens af welk belang de getuige kan hebben om gehoord te worden in de hypothese bedoeld in artikel 189bis, tweede lid.

Mevrouw Nyssens handhaaft haar amendement.

Amendement nr. 30 van mevrouw Nyssens (stuk Senaat, nr. 2-876/4) strekt ertoe in het tweede lid van het voorgestelde artikel 189bis, de woorden « of van de burgerlijke partij » te vervangen door de woorden « , de burgerlijke partij of hun raadslieden ».

Om het parallellisme te behouden acht mevrouw Nyssens het nuttig de raadslieden van de burgerlijke partijen de mogelijkheid te bieden te verzoeken om de getuige opnieuw te verhoren of om een nieuwe getuige te horen.

De minister is het eens met amendement nr. 30.

Amendement nr. 31 van mevrouw Nyssens (stuk Senaat, nr. 2-876/4) gaat uit van de vaststelling dat de voorgestelde tekst de feitenrechter machtigt om bevelen te geven aan de onderzoeksrechter.

Aangezien het gaat om rechters met dezelfde rang, meent mevrouw Nyssens dat deze oplossing moeilijk uitvoerbaar is.

Zij stelt zich, net als de Raad van State trouwens, vragen bij de relaties die kunnen bestaan tussen de feitenrechter en de onderzoeksrechter. Spreekster vraagt zich af of het gebruikelijk is dan wel als rechtsregel geldt dat de feitenrechter bevelen geeft aan een onderzoeksrechter.

De minister antwoordt dat er geen probleem zou zijn als het zou gaan om een raadsheer in het hof van beroep, aangezien de Kamer van inbeschuldigingstelling rechters met een lagere rang, in dit geval dus onderzoeksrechters, opdrachten en bevelen kan geven.

Voor een correctionele rechtbank die een bevel of een opdracht zou moeten geven aan een rechter van dezelfde rang, zou dit wel een probleem vormen.

In het ontwerp is toch voor deze oplossing gekozen om de gegevens die geheim moeten blijven, zo goed mogelijk te bewaren.

Als de rechtbank zou kunnen beslissen de getuige opnieuw te horen, zou ook het hof van assisen deze mogelijkheid moeten krijgen. Er zouden dan 15 personen (12 gezworenen en het hof) zijn die, overeenkomstig de rechtspraak van het Europees Hof, verplicht zouden zijn de volledige identiteit van de anonieme getuige te kennen.

Om de basisfilosofie van het ontwerp geen geweld aan te doen werd besloten de ondervraging telkens toe te vertrouwen aan de onderzoeksrechter.

Mevrouw Nyssens wijst erop dat het amendement ook een tweede idee bevat, namelijk een onderscheid te maken tussen een nieuw verhoor door de rechtbank van een getuige die reeds door de onderzoeksrechter verhoord is, en het verhoor van een nieuwe getuige. De voorgestelde tekst moet op dit punt duidelijker geformuleerd worden. Ook dit is trouwens een opmerking van de Raad van State.

Spreekster vraagt of de rechtbank tegelijkertijd kan beslissen een nieuwe getuige te verhoren en een getuige die reeds door de onderzoeksrechter verhoord is, opnieuw te verhoren.

Amendement nr. 32 van mevrouw Nyssens (stuk Senaat, nr. 2-876/4) strekt ertoe te voorzien in een beroep tegen de beslissing om al dan niet een nieuwe getuige te verhoren of een reeds verhoorde getuige opnieuw te verhoren, waarbij de volledige anonimiteit wordt toegekend.

De indienster weet dat de regering geen voorstander is van dergelijk beroep.

B. Stemmingen

Amendement nr. 1 van mevrouw Leduc c.s. wordt aangenomen met 7 stemmen bij 2 onthoudingen.

Hierdoor vervalt amendement nr. 2 van mevrouw Nyssens.

Amendement nr. 16A van mevrouw Nyssens wordt verworpen met 6 tegen 3 stemmen en amendement nr. 16B is ingetrokken.

Amendement nr. 18 van de heer Vandenberghe en mevrouw De Schamphelaere en subamendement nr. 39 van de heer Vandenberghe worden verworpen met 6 tegen 3 stemmen.

Amendement nr. 29 van mevrouw Nyssens wordt verworpen met 6 tegen 3 stemmen.

Amendement nr. 30 van mevrouw Nyssens wordt eenparig aangenomen door de 10 aanwezige leden.

Amendementen nrs 31 en 32 van mevrouw Nyssens worden verworpen met 6 tegen 4 stemmen.

C. Tekstverbetering

De commissie beslist eenparig tot het aanbrengen van een tekstverbetering, teneinde de coherentie van dit artikel met artikel 16 van het ontwerp te herstellen. Aldus worden de woorden « in belangrijke mate » vervangen door de woorden « in afdoende mate ».

Artikel 15

A. Bespreking

Amendement nr. 33 van mevrouw Nyssens (stuk Senaat, nr. 2-876/4) strekt ertoe in het voorgestelde artikel 315bis, tweede lid, tussen de woorden « de beschuldigde » en de woorden « of van de burgerlijke partij » de woorden « , van de getuige » in te voegen.

Dit amendement is de tegenhanger van amendement nr. 29 (stuk Senaat, nr. 2-876/4). Er moest immers ook voor het geval bepaald in artikel 315bis, tweede lid, een amendement worden opgesteld.

De minister geeft hetzelfde antwoord als bij amendement nr. 29.

Amendement nr. 34 van mevrouw Nyssens (stuk Senaat, nr. 2-876/4) strekt ertoe in het tweede lid van het voorgestelde artikel 315bis, de woorden « of van de burgerlijke partij » te vervangen door de woorden « , de burgerlijke partij of hun advocaten ».

De minister stemt in met dit amendement.

Amendement nr. 35 van mevrouw Nyssens (stuk Senaat, nr. 2-876/4) strekt er voornamelijk toe de gezworenen het recht te geven om, als zij de getuige niet rechtstreeks mogen ondervragen toch minstens het verhoor door de voorzitter bij te mogen wonen om hun persoonlijke mening te vormen.

Mevrouw Nyssens vraagt zich af de regels die gebruikelijk zijn in een assisenzaak, van toepassing zijn op artikel 315bis.

Spreekster stelt vast dat dit artikel over het hof van assisen erg kort is en vraagt zich af of er niet in moet worden opgenomen dat de anonieme getuigen via de voorzitter worden gehoord, als dit al niet stilzwijgend bedoeld wordt.

De minister antwoordt dat de onderzoeksrechter de anonieme getuige verhoort op vraag van de voorzitter, die kan beslissen of al dan niet aanwezig te zijn.

Spreker herhaalt dat alleen de onderzoeksrechter de identiteit van de getuige kent, en dus de voorzitter niet.

De heer Vandenberghe merkt op dat de voorzitter deze persoon kan herkennen.

B. Stemmingen

Amendement nr. 34 wordt eenparig aangenomen door de 10 aanwezige leden.

De amendementen nrs. 33 en 35 worden verworpen met 6 tegen 4 stemmen.

Artikel 16

Mevrouw Nyssens dient amendement nr. 17 in (stuk Senaat, nr. 2-876/3), dat ertoe strekt de woorden « in belangrijke mate » te vervangen door de woorden « in afdoende mate ».

Dit amendement wordt aangenomen met 8 tegen 2 stemmen.

IV. EINDSTEMMING

Het geamendeerde wetsontwerp in zijn geheel is aangenomen met 7 stemmen bij 3 onthoudingen.

Het verslag werd eenparig goedgekeurd door de 8 aanwezige leden.

De rapporteur, De voorzitter,
Jeannine LEDUC. Josy DUBIÉ.