2-152/4

2-152/4

Belgische Senaat

ZITTING 1999-2000

12 JULI 2000


De mensenhandel en de prostitutie in België


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE BINNENLANDSE ZAKEN EN VOOR DE ADMINISTRATIEVE AANGELEGENHEDEN UITGEBRACHT DOOR DE DAMES THIJS ET de T'SERCLAES


Op 12 juli heeft de commissie voor de Binnenlandse Zaken en Administratieve Aangelegenheden het verslag en de aanbevelingen van de subcommissie « Mensenhandel en prostitutie » onderzocht.

I. BESPREKING EN STEMMING VAN DE AANBEVELINGEN VAN DE SUBCOMMISSIE

Op de aanbevelingen dient mevrouw Kaçar een amendement in (Stuk Senaat, 1999-2000, nr. 2-152/3, amendement nr. 1), dat luidt als volgt :

Amendement nr. 1

« Doordat prostitutie geen wettelijk kader kent en hierdoor een clandestiene wereld is, is de sector zeer aantrekkelijk voor de mensenhandelaars die de meeste van hun slachtoffers in dat milieu dumpen. Daarom is het noodzakelijk prostitutie wettelijk te regelen zodat vrouwen die het slachtoffer zijn van mensenhandelaars niet tegen hun wil in de prostitutie terechtkomen en uitgebuit worden. »

Verantwoording

Tijdens de hoorzitting hebben verschillende sprekers duidelijk de link gemaakt tussen het feit dat prostitutie geen wettelijk kader heeft en daardoor te aantrekkelijk is voor de mensenhandelaars. Hoewel de naam van deze subcommissie « Mensenhandel en prostitutie » is, wordt geen aandacht besteed aan dit belangrijke pijnpunt. Ondanks het feit dat de commissie beslist heeft om zijn aandacht hoofdzakelijk te vestigen op het probleem van de mensenhandel kan de clandestiniteit van de prostitutie ervan niet losgekoppeld worden. Want de ene clandestiene wereld (prostitutie) dekt de andere clandestiene praktijk (mensenhandel).

Zonder een wettelijk kader voor prostitutie is de aanpak van de mensenhandel in de prostitutiewereld dweilen met de kraan open. »

Een lid verklaart dat dit amendement ertoe strekt de problematiek van het wettelijk statuut voor de prostitutie onder de aandacht van de commissie te brengen. De aanbevelingen, goedgekeurd door de subcommissie, zeggen hierover immers niets.

Verschillende leden merken op dat het door de indienster aangesneden thematiek als zodanig niet in de subcommissie is aan bod gekomen. Het is dan ook nogal eigenaardig dat de subcommissie een aanbeveling zou formuleren omtrent deze aangelegenheid.

Spreker is bereid de formulering van de aanbeveling aan te passen zodat wordt aanbevolen dat het thema van een statuut voor de prostituée in de toekomst moet worden onderzocht. Hierdoor wordt vermeden dat een aanbeveling wordt geformuleerd over deze problematiek zonder dat de subcommissie hierover onderzoek heeft gedaan.

De heer Lozie dient daarom een subamendement in op het amendement nr. 1 in (Stuk Senaat, 1999-2000, nr. 2-152/3, amendement nr. 2), dat luidt als volgt :

Amendement nr. 2

Subamendement op het amendement nr. 1

« In de tweede zin van het amendement nr. 1, de woorden « Daarom is het noodzakelijk prostitutie wettelijk te regelen » vervangen door de woorden « Daarom is het noodzakelijk na te gaan of een wettelijke regeling van de prostitutie wenselijk is. »

Een spreker stelt vast dat een eventuele wettelijke regeling voor de prostitutie niet werd onderzocht door de subcommissie en is van oordeel dat hieromtrent een aanbeveling dient te worden opgenomen in haar verslag. Ten minste zou de subcommissie, wanneer haar mandaat wordt verlengd, deze problematiek moeten onderzoeken.

Verscheidene leden verklaren er geen moeite mee te hebben deze problematiek in de toekomst te onderzoeken, maar vinden dat deze discussie thans, aan het einde van de werkzaamheden van de subcommissie, niet meer moet gevoerd worden. Het is wenselijk dat de problematiek van de wettelijke regeling van de prostitutie, alsmede van de eventuele bestraffing van de cliënten van de prostitutie, zou worden opgenomen in de doelstellingen van de subcommissie.

De indiener van het subamendement verklaart bereid te zijn de amendementen nrs. 1 en 2 terug te trekken indien de commissie bereid is deze materie in de toekomst te laten onderzoeken door de subcommissie.

De commissie gaat ermee akkoord om de subcommissie dit thema in de toekomst te laten onderzoeken.

De amendementen nrs. 1 en 2 worden ingetrokken.

De aanbevelingen, opgenomen onder punt 1 van hoofdstuk XIII van het verlag van de subcommissie « Mensenhandel en prostitutie » (Stuk Senaat, 1999-2000, nr. 2-152/1), worden eenparig aangenomen door de 12 aanwezige leden.

De aanbevelingen, opgenomen onder punt 2 van hoofdstuk XIII van het verlag van de subcommissie « Mensenhandel en prostitutie » (Stuk Senaat, 1999-2000, nr. 2-152/1), worden eenparig aangenomen door de 12 aanwezige leden.

De aanbevelingen, opgenomen onder punt 3 van hoofdstuk XIII van het verlag van de subcommissie « Mensenhandel en prostitutie » (Stuk Senaat, 1999-2000, nr. 2-152/1), worden eenparig aangenomen door de 12 aanwezige leden.

De aanbevelingen, opgenomen onder punt 4 van hoofdstuk XIII van het verlag van de subcommissie « Mensenhandel en prostitutie » (Stuk Senaat, 1999-2000, nr. 2-152/1), worden eenparig aangenomen door de 12 aanwezige leden.

De aanbevelingen, opgenomen onder punt 5 van hoofdstuk XIII van het verlag van de subcommissie « Mensenhandel en prostitutie » (Stuk Senaat, 1999-2000, nr. 2-152/1), worden eenparig aangenomen door de 12 aanwezige leden.

De aanbevelingen, opgenomen onder punt 6 van hoofdstuk XIII van het verlag van de subcommissie « Mensenhandel en prostitutie » (Stuk Senaat, 1999-2000, nr. 2-152/1), worden eenparig aangenomen door de 12 aanwezige leden.

Het geheel van de aanbevelingen wordt eenparig aangenomen door de 12 aanwezige leden.

II. VERLENGING VAN HET MANDAAT VAN DE SUBCOMMISSIE

Een lid verwijst naar het schrijven dat hij op 3 juli richtte tot de voorzitster van de commissie voor de Binnenlandse Zaken en de Administratieve Aangelegenheden, waarin hij pleit voor een verlenging van het mandaat van de subcommissie « Mensenhandel en prostitutie ». De mensenhandel werd door de subcommissie tot nu toe slechts vanuit één invalshoek bekeken, met name de sexuele exploitatie en de prostitutie. De actualiteit leert evenwel dat tal van andere aspecten, zoals de netwerken die vanuit Azië opereren, de betrokkenheid van de transportsector en de mensenhandel met het oog op de economische exploitatie eveneens de aandacht verdienen.

Een ander lid verwijst naar het voorstel tot instelling van een parlementaire onderzoekscommissie naar aanleiding van de dramatische dood van 58 migranten op een overzetboot van Zeebrugge naar Dover, dat zij heeft ingediend (Stuk Senaat, 1999-2000, nr. 2-481/1). Zij is van oordeel dat de verlenging van het mandaat van de subcommissie niet los kan worden gezien van de behandeling van dit voorstel. Eventueel kan dit ertoe leiden dat de subcommissie wordt omgevormd tot een onderzoekscommissie. Nog niet alle antwoorden op de vragen, gesteld door de commissieleden in verband met de gebeurtenissen in Dover, werden reeds gegeven. Spreekster benadrukt evenwel dat ook zij een verlenging van het mandaat van de subcommissie genegen is.

Nog een ander lid meent dat dit een betwistbaar standpunt is. Het voorstel tot instelling van een parlementaire onderzoekscommissie betreft immers slechts één specifieke aangelegenheid, daar waar de subcommissie een meer algemeen werkterrein heeft. Het is dan ook niet opportuun de bespreking van beide voorstellen aan elkaar te koppelen.

Verschillende leden onderschrijven deze opmerking.

Wat het onderzoek naar de gebeurtenissen te Dover betreft, vindt het lid dat alle fracties daarbij betrokken moeten worden. Wanneer deze opdracht aan de subcommissie zou worden toevertrouwd, dient een uitbreiding van het aantal leden zich dan ook op. Wellicht is het beter deze taak toe te vertrouwen aan de opvolgingscommissie inzake de georganiseerde criminaliteit, die in de Senaat werd opgericht.

Een senator meent integendeel dat de commissie voor de Binnenlandse Zaken en de Administratieve Aangelegenheden, alsmede de subcommissie die in haar schoot werd opgericht, vanuit het oogpunt van de continuïteit beter geplaatst zijn om de problematiek van de mensenhandel verder te onderzoeken. Hij gaat wel akkoord met de opmerking van de vorige spreker dat alle fracties bij deze werkzaamheden moeten worden betrokken en pleit ervoor het mandaat van de subcommissie niet enkel te verlengen, maar ook uit te breiden zodat men toegang krijgt tot een aantal documenten.

Een lid pleit er eveneens voor het aantal leden van de subcommissie uit te breiden, vermits hij heeft vastgesteld dat sommige senatoren hard hebben meegewerkt aan de werkzaamheden van de subcommissie, hoewel ze er geen lid van zijn, terwijl anderen, die wél lid zijn, weinig aanwezig waren.

De commissie beslist, met eenparigheid van stemmen van de 12 aanwezige leden, om het mandaat van de subcommissie te verlengen. De concrete inhoud van het mandaat evenals de verhoging van het aantal leden zal later door de commissie worden vastgelegd.

III. GOEDKEURING VAN HET VERSLAG

Het geheel van het verslag wordt eenparig goedgekeurd door de 12 aanwezige leden.

Vertrouwen werd geschonken aan de rapporteurs voor het opstellen van dit verslag.

De rapporteurs,
Erika THIJS.
Nathalie de T'SERCLAES.
De voorzitter,
Anne-Marie LIZIN.