1-98

1-98

Sénat de Belgique

Belgische Senaat

Annales parlementaires

Parlementaire handelingen

SÉANCE DU JEUDI 13 MARS 1997

VERGADERING VAN DONDERDAG 13 MAART 1997

(Vervolg-Suite)

PROJET DE LOI MODIFIANT LES LOIS SUR LE CONSEIL D'ÉTAT, COORDONNÉES LE 12 JANVIER 1973

Discussion générale et vote d'articles

WETSONTWERP TOT WIJZIGING VAN DE WETTEN OP RAAD VAN STATE, GECOÖRDINEERD OP 12 JANUARI 1973

Algemene bespreking en stemming over artikelen

M. le président. ­ Nous abordons l'examen du projet de loi modifiant les lois sur le Conseil d'État, coordonnées le 12 janvier 1973.

Wij vatten de bespreking aan van het wetsontwerp tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

La discussion générale est ouverte.

De algemene bespreking is geopend.

La parole est au rapporteur.

M. Mouton (PS), rapporteur. ­ Monsieur le président, le projet de loi modifiant les lois coordonnées sur le Conseil d'État constitue une étape importante dans le processus de rénovation de nos institutions.

En octobre dernier, le Parlement avait dû faire face à ce que l'on pourrait véritablement appeler une « affaire des nominations ». On se souvient en effet du climat tendu dans lequel la Chambre avait dû suspendre la nomination de six conseillers d'État, tandis que notre propre assemblée décidait de postposer d'un mois le remplacement d'un juge à la Cour d'arbitrage.

Une réflexion devait absolument être entreprise sur la problématique des nominations partisanes. Mais compte tenu des tâches auxquelles le Conseil d'État doit faire face, une solution rapide devait être apportée au problème des vacances ouvertes. Il fallait donc, en plus d'un débat de principe, dégager une solution pratique.

Dès ce moment, le Premier ministre émettait trois hypothèses.

La première consistait à ne pas modifier la loi, mais à proposer au Parlement d'aligner purement et simplement sa décision sur les noms avancés par le Conseil d'État.

La deuxième hypothèse ressemblait quelque peu à la première, le Parlement procédant à la consultation d'experts. Ces deux premières possibilités étaient cependant difficiles à appliquer. Avec ou sans consultation d'experts ou audition de candidats, on ne voyait pas très bien comment respecter l'esprit et la lettre de la loi si le Parlement se contentait d'entériner le choix opéré par le Conseil d'État lui-même. Une telle solution était d'ailleurs dommageable à tous : d'abord, à la haute magistrature, qui pouvait être taxée de corporatisme; ensuite, à toute l'institution parlementaire, qui abandonnait ainsi une partie de son pouvoir de contrôle démocratique.

La troisième solution représente sans doute la meilleure perspective d'un nouvel équilibre. Initialement, le Premier ministre envisageait que la présentation se fasse par un collège indépendant, dans lequel siégeraient, outre les conseillers d'État, des experts comme, par exemple, des professeurs d'université.

Dès la fin du mois d'octobre dernier, le gouvernement invitait le ministre de l'Intérieur à préparer une proposition en ce sens, en laissant une large part d'initiative au Parlement.

L'économie du projet examiné par la commission de l'Intérieur repose essentiellement sur deux principes : en premier lieu, la confiance faite à l'assemblée générale du Conseil d'État pour la présentation des candidats; en second lieu, une exigence de titres et de qualités supplémentaires.

L'exposé des motifs précise en effet qu'en plus des conditions déjà prévues par l'article 70 des lois coordonnées ­ à savoir, être âgé de 37 ans, être docteur ou licencié en droit et justifier d'une expérience professionnelle utile, de nature juridique et de dix ans au moins ­, il serait exigé de chacun des candidats qu'il justifie de ses mérites et qualifications sur une base objective. Cette base est constituée par la réussite de concours ou d'examens très sélectifs, organisés par la Fonction publique. Mais l'on prendra également en considération la qualité de haut fonctionnaire ­ rang 15 minimum ­, de magistrat du ministère public ou de juge effectif ainsi que celle de professeur de droit dans l'enseignement universitaire.

Quant au premier principe que j'ai rappelé, c'est l'assemblée générale du Conseil d'État qui reste l'organe compétent pour assurer la présentation des candidats conseillers d'État.

Cette assemblée générale opérera une sélection entre les différents candidats sur la base des qualités juridiques et humaines de chacun d'eux, mais aussi des besoins propres à l'institution. La présentation est donc maintenue à l'assemblée générale, d'autant plus que les choix s'accompagnent d'un supplément de transparence.

L'ensemble du dossier est ensuite transmis alternativement à la Chambre des représentants et au Sénat, qui disposent d'un pouvoir d'évocation à exercer dans un délai de 30 jours.

On remarquera donc que les réformes institutionnelles, qui ont défini le rôle du nouveau Sénat, ont, dans une certaine mesure, inspiré et même influencé le législateur. L'évocation prévue à l'article 3 du projet n'est en effet pas sans analogie avec le pouvoir d'évocation énoncé à l'article 78 de la Constitution.

Je voudrais terminer sur une précision qui me semble importante. La procédure de nomination est donc modifiée et les conditions d'accès au Conseil d'État en sont renforcées. Mais il est important de remarquer que l'accès au Conseil d'État reste le plus large possible. Les avocats, par exemple, par l'intermédiaire de l'examen d'aptitude professionnelle prévu par l'article 259bis du Code judiciaire, pourront également avoir accès à cette fonction. Il est en effet important que le choix des qualifications de ceux qui accéderont au Conseil d'État, compte tenu de la mission très vaste qui lui est assignée, présente le plus large éventail.

Enfin, on peut affirmer que ce projet de loi représente une étape vers une nouvelle conception des rapports entre la magistrature et le pouvoir politique.

Pour les détails, je vous renvoie bien sûr à mon rapport et je vous signale que l'ensemble du projet de loi amendé a été adopté par sept voix contre deux. (Applaudissements.)

De voorzitter. ­ Het woord is aan de heer Vergote.

De heer Vergote (VLD). ­ Mijnheer de voorzitter, in de eerste plaats dank ik de heer Mouton voor zijn uitstekend verslag.

Het belang van dit wetsontwerp tot wijziging van de wetten op de Raad van State kan door niemand worden ontkend. Het is immers het eerste ontwerp dat zowel de benoemingsvoorwaarden als de benoemingsprocedure voor de leden van een rechtscollege fundamenteel wijzigt met het oog op objectivering terzake. Alleen al daarom is het bijzonder jammer dat dit ontwerp op zo'n oppervlakkige wijze werd behandeld.

Het probleem van voordrachten door Kamer of Senaat doet zich ook voor bij bepaalde benoemingen in de rechterlijke macht. Voor de hervorming van die procedure heeft men wel magistraten en deskundigen gehoord en heeft men zelfs buitenlandse deskundigen uitgenodigd om zo ruim mogelijk geïnformeerd te zijn.

De hervorming van de procedure voor de benoeming van staatsraden wil de regering en de meerderheid echter op één dag afhandelen. Deze handelwijze getuigt van weinig respect voor de Raad van State. Minstens lijkt het erop dat men het belang van de Raad van State en de wijze waarop hij wordt samengesteld niet al te ernstig neemt. Hoe kan men anders verklaren dat bijvoorbeeld de eerste voorzitter en de auditeur-generaal over deze materie niet worden gehoord en dat er geen rechtsvergelijkende studie wordt gemaakt over de bevoegdheden en de benoemingswijze in de Nederlandse, de Franse en de Luxemburgse Raad van State. Dit alles is voor mij een punt van voorafgaande kritiek op het huidige ontwerp.

Ook wat de inhoud van het ontwerp betreft, zijn er ernstige bezwaren. De memorie van toelichting bij het ontwerp zegt letterlijk dat « de objectivering en de doorzichtigheid van de wijze van aanwerving van de staatsraden het mogelijk moeten maken om voor deze betrekkingen personen aan te wijzen... ­ en nu komt het ­ « ... met even uiteenlopende gevoeligheden als deze die men terugvindt bij de Belgische bevolking ».

Wat wil dat zeggen ? Elke vorm van partijpolitieke gebondenheid moet worden uitgesloten, maar er moet wel rekening worden gehouden met ideologieën en levensbeschouwingen. Als de Raad van State verondersteld wordt « personen met uiteenlopende gevoeligheden als deze die men terugvindt bij de Belgische bevolking » te bevatten, betekent dit dan niet dat naar een zeker evenwicht moet worden gestreefd ? Met deze passage van de memorie van toelichting van de minister kunnen wij niet akkoord gaan, omdat dit nog altijd ruikt naar de oude politieke cultuur.

Het komt ons voor dat er in de benoemingsprocedures van de leden van de verschillende rechtscolleges op langere termijn naar een zekere eenvormigheid moet worden gestreefd, uiteraard met respect voor de taken en eigenheden van elke instantie. De regering kiest voor een quasi bindende voordracht door de Raad van State, indien deze unaniem is. In de andere gevallen is er een keuzemogelijkheid voor de Koning en is evocatie mogelijk, beurtelings door Kamer of Senaat. Het zwaartepunt bij de voordrachten ligt dus bij de algemene vergadering van de Raad van State. Het amendement, dat ik samen met collega Boutmans bij artikel 3 heb ingediend, introduceert een advies door een selectiecommissie bestaande uit een gelijk aantal externen en ambtsdragers bij de Raad van State. Het advies van deze commissie moet normaal door de Koning worden gevolgd. Wel kan de minister in ons voorstel een tweede advies vragen indien hij van het eerste wenst af te wijken. Blijven de minister en de selectiecommissie ook na een tweede advies van mening verschillen, dan kan van dit tweede advies slechts worden afgeweken bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit.

De voordelen van ons alternatief zijn legio.

Een eerste voordeel is dat de selectie door een gemengde groep gebeurt. Hiervan maken naast magistraten ook buitenstaanders deel uit, zodat elke vorm van verstarring, eigen aan een systeem van louter interne voordrachten, wordt voorkomen.

Ten tweede is ons voorstel consequenter aangezien het een tussenkomst van een wetgevende kamer in de benoemingsprocedure vermijdt. Op dat vlak past ons voorstel in de huidige tijdsgeest die zich kant tegen mogelijke politieke inmenging bij benoemingen in de Raad van State of elders.

Ten derde respecteert ons voorstel het evenwicht en de verhouding tussen de verschillende machten. De uitvoerende macht blijft ­ zoals het hoort ­ bevoegd voor de benoemingen. Het uitzonderlijk karakter van afwijkingen van de gegeven adviezen wordt beklemtoond door de verplichting dat slechts kan worden afgeweken van een tweede advies bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit. Aldus wordt de voltallige regering tegenover het Parlement politiek verantwoordelijk voor haar benoemingsbeleid.

Met ons amendement bij artikel 4 willen wij een einde maken aan de detachering van auditeurs of referendarissen bij ministeriële kabinetten. Een dergelijke praktijk kan er immers toe leiden dat magistraten ­ onterecht ­ een etiket krijgen opgekleefd. Indien een minister advies nodig heeft beschikt hij over ruime mogelijkheden om dat aan de Raad te vragen, zonder dat daartoe detacheringen vereist zijn.

Het zal voor iedereen duidelijk zijn dat onze voorstellen perfect passen in de nieuwe politieke cultuur waar wij allen naar streven. Daarom zal onze fractie dit wetsontwerp slechts goedkeuren indien onze amendementen worden aangenomen. (Applaus.)

M. le président. ­ La parole est à Mme Cornet d'Elzius.

Mme Cornet d'Elzius (PRL-FDF). ­ Monsieur le président, comme l'a déjà souligné M. Mouton dans son excellent rapport, ce projet de loi s'inscrit dans le cadre du processus d'objectivation des nominations et de dépolitisation de nos juridictions. Vous le savez, le Conseil d'État et la Cour d'arbitrage n'appartiennent pas à l'ordre judiciaire et occupent donc une place à part.

À un moment où se développe une nouvelle culture politique tant attendue, nous ne pouvons qu'encourager ce type de réformes.

Je tiens toutefois à attirer votre attention sur le rôle particulier que joue le Conseil d'État par rapport aux pouvoirs exécutif et législatif. La section législation du Conseil d'État tient, en effet, une place importante dans le cadre de l'élaboration de notre législation. Ses avis éclairés permettent au gouvernement d'éviter une censure ultérieure et, le cas échéant, attirent l'attention des parlements sur les irrégularités et parfois même les monstruosités juridiques que voudrait nous faire avaler ce même gouvernement.

La section administration du Conseil d'État, elle, exerce ses pouvoirs de suspension ou d'annulation à l'égard d'actes des autorités administratives et, par conséquent, des ministres qui se trouvent à leur tête.

Un lien étroit existe donc entre le Conseil d'État et les autres pouvoirs. Cette spécificité que l'on ne retrouve pas dans le cadre de notre organisation judiciaire justifie, à mon sens, qu'une représentation de l'ensemble des tendances philosophiques et morales soit assurée.

J'espère alors que cette réforme, qui a pour but d'assurer davantage de garanties de qualité dans le recrutement des conseillers, n'induira pas d'effets pervers tels que le népotisme ou encore une politisation « à sens unique » par le ministre de l'Intérieur.

Je regrette aussi que l'on ne se soit pas inspiré des réflexions en cours au sujet des nominations dans le pouvoir judiciaire, par exemple en recourant à un organe externe.

Ce projet de loi a pour finalité d'apporter plus de transparence et de clarté dans la procédure de recrutement des conseillers d'État. Je souscris entièrement à cet objectif et j'ai d'ailleurs introduit, par le biais d'un amendement, une nouvelle disposition qui prévoit expressément l'obligation pour le Conseil d'État de motiver le choix des candidats qu'il présente. L'objectivité n'en sera que plus grande.

Avec ce même souci d'objectivité, nous avons présenté un deuxième amendement exigeant la présence d'au moins trois membres de l'assemblée générale du Conseil d'État pour l'audition des candidats. En effet, nous pensons que le rapport de cette audition sera plus équilibré si plusieurs avis y sont exprimés. Une seule opinion est tout à fait insuffisante pour obtenir une évaluation correcte du candidat. Le texte initial comportait, à notre sens, un risque de subjectivité.

En ce qui concerne le rôle des Chambres dans cette procédure de nomination, nous sommes favorables à l'idée du droit d'évocation dont disposent la Chambre et le Sénat en cas de non-unanimité sur le choix du candidat. J'ai déjà exposé au début de mon intervention les raisons qui justifient de ne pas écarter totalement le pouvoir législatif du processus de nomination, à moins, bien sûr, de recourir à un organe externe. Par contre, s'il y a un avis unanime au sein de cette assemblée générale, cette possibilité d'intervention du ministre n'est plus indispensable. En effet, 30 éminents juristes néerlandophones et francophones, issus de milieux différents, ayant sans nul doute des tendances idéologiques et philosophiques divergentes, auront réussi à se mettre d'accord sur un nom. C'est à mon sens quelque chose de tout à fait significatif et qui est le gage de la compétence et de l'impartialité du candidat.

Par ailleurs, nous regrettons que la commission ait décidé de maintenir la possibilité pour le ministre de refuser de nommer un candidat proposé à l'unanimité par le Conseil d'État quand il estime que les conditions de nomination ne sont pas respectées. Cela tombe sous le sens et nous semble superfétatoire. S'il est tellement indispensable d'inscrire cette évidence dans la loi, pourquoi ne pas la prévoir également lorsque le Conseil d'État n'est pas unanime ?

En ce qui concerne les exigences de qualification pour pouvoir se porter candidat, le projet reste un peu trop timoré puisqu'un diplôme d'agrégé en droit de l'enseignement supérieur suffit.

Enfin, j'ai introduit, ici, en séance plénière un nouvel amendement visant à étendre le champ d'une des conditions de nomination prévues dans l'article 70, paragraphe 2, 2º proposé, à savoir celle qui prévoit l'exercice d'une fonction de rang 15 au moins ou équivalente dans une administration.

Il conviendrait d'étendre cette disposition aux fonctionnaires de même rang travaillant dans les organismes publics belges. En effet, ce projet, dans sa formulation actuelle, exclut la possibilité de présenter des membres d'organes dirigeants d'organismes publics tels que la Banque nationale, les établissements publics de crédit, les établissements publics de sécurité sociale, etc., dont l'apport pourrait s'avérer précieux pour le Conseil d'État, tant en ce qui concerne les conseillers que les assesseurs. Après le dépôt du rapport, j'ai expliqué le sens de cet amendement à M. le ministre, qui a marqué son accord à ce sujet.

En conclusion, je considère qu'il serait présomptueux de présenter ce projet comme une réponse aux attentes de nos concitoyens. L'objectivation des nominations au Conseil d'État ne figure pas dans leur registre des préoccupations majeures. Même si les objectifs de ce projet sont louables, seule la pratique ultérieure pourra nous démontrer que la nouvelle procédure n'induit pas d'effets pervers. (Applaudissements.)

De voorzitter. ­ Het woord is aan de heer Caluwé.

De heer Caluwé (CVP). ­ Mijnheer de voorzitter, de CVP-fractie zal dit ontwerp goedkeuren. Wij maken er echter geen geheim van dat wij niet even enthousiast zijn over elk onderdeel ervan. Wij zijn er met name niet zo enthousiast over dat de discussie over de objectivering van de benoemingen bij de Raad van State in dit ontwerp uitmondt in een de facto absoluut coöptatierecht voor de algemene vergadering van de Raad van State. Hierin schuilt immers, hoe dan ook, het gevaar van een zekere vorm van corporatisme en van inteelt, hoe streng de criteria voor de benoemingen bij de Raad van State ook mogen zijn en ondanks het feit dat in de voorbije jaren de voordrachten die de Raad van State deed, steeds werden gevolgd. Toch was er nog altijd een stok achter de deur. Dat heeft er ongetwijfeld toe geleid dat er bij de Raad van State zelf een zekere zelfcensuur was die nu echter dreigt weg te vallen, hoezeer deze mogelijkheid van absoluut coöptatierecht ook is afgezwakt. Dat gebeurde ten eerste door de bepaling in het ontwerp dat in de commissie voorlag, namelijk dat er unanimiteit moest zijn, anders is er evocatierecht. Het coöptatierecht werd in de commissie nog verder afgezwakt door nog een evocatierecht in te voegen, zelfs wanneer er unanimiteit is, wanneer de voordracht van de Raad van State betrekking heeft op iemand die afkomstig is uit het auditoraat.

Ik herhaal dat wij dit ontwerp zullen goedkeuren, maar ik voeg er onmiddellijk aan toe dat, wanneer in de toekomst zou blijken dat de benoemingen en bevorderingen bij de hoven van beroep en bij het Hof van Cassatie zouden gebeuren met externe inmenging, wij er zullen op aandringen dat ook de benoemingen en bevorderingen bij de Raad van State op dezelfde leest worden geschoeid.

De voorzitter. ­ Het woord is aan mevrouw Van der Wildt.

Mevrouw Van der Wildt (SP). ­ Mijnheer de voorzitter, de SP-fractie zal het voorliggend ontwerp met betrekking tot de aanstelling van de staatsraden goedkeuren. De procedure die hierin wordt voorgesteld, moet een belangrijk signaal zijn in de richting van de depolitisering.

Niemand wil zich nog op politieke benoemingen beroepen, niemand wil een systeem met enige politieke invloed behouden. Iedereen wil de absolute zuiverheid of objectiviteit veilig stellen, in naam van de deskundigheid en de democratie. Eenieder zal dit kunnen onderschrijven. Wij willen er allemaal in geloven. De vraag is echter of een systeem zo waterdicht, zo rechtlijnig, zo ongeschonden kan zijn dat het eenieder kan overtuigen.

Het ontwerp is daartoe volgens ons alleszins een goede poging. Het heeft de verdienste in eerste instantie de Raad van State zelf te responsabiliseren en een voorstel van benoeming te laten formuleren op basis van welomschreven motivaties.

Hier wordt vertrouwen gegeven aan een hoge vergadering die zelf voldoende representatief en deskundig is samengesteld om dit voorstel op een ernstige basis te kunnen uitwerken. Wij willen erin geloven. Alhoewel wij met betrekking tot de garantie voor een objectieve keuze aanvankelijk gewonnen waren voor een selectiecommissie ­ zeg maar een examenprocedure ­ menen wij dat op dit niveau en met de gestelde degelijke kandidaatsvoorwaarden, een dergelijk examen uiteindelijk toch niet zinvol zou zijn.

Bovendien gaat de deskundigheid van de ondervraagden soms de kwalificaties en de mogelijkheden van de examinatoren te boven, wat meteen ook een beoordelingsprobleem kan stellen. Dit ontwerp opteert daarom voor de mogelijkheid dat de Raad van State de kandidaten kan laten horen door ten minste drie staatsraden. Omdat hierdoor het gevaar voor inteelt op termijn niet denkbeeldig is, is evenwel sinds lang voorzien in een beperkte aanwezigheid van leden van het auditoraat. Deze sleutel is eveneens expliciet opgenomen als een element voor evocatie door Kamer of Senaat of weigering door de minister.

Depolitisering kan echter niet betekenen dat deze aanstellingsprocedure helemaal losstaat van politieke verantwoordelijkheid. Ingevolge een unanimiem voorstel van de Raad van State is de rol van de minister ons inziens beperkt tot postbus. Dit kan voor de publieke opinie misschien een duidelijk teken zijn van de ontkoppeling van politieke bemoeienis inzake benoemingen. Toch menen wij dat de publieke, en dus in die strikte betekenis politieke, controle mogelijk moet blijven. Nochtans is de relatie tussen deze ministeriële ingreep en de beslissing van de Raad van State en de rol van het Parlement niet duidelijk omschreven in het ontwerp. De rol van Kamer en Senaat is enkel als veiligheidsklep ingebouwd indien geen unanimiteit wordt bereikt. Hoe zullen deze vergaderingen dit te weten komen ? De communicatie tussen de verschillende niveaus moet zeker worden georganiseerd, zoniet kunnen Kamer en Senaat hun rol in deze niet opnemen. Hoewel de minister ons tijdens de besprekingen verzekerde dat betwistingen en vergissingen in deze procedure zo goed als uitgesloten zijn, lijkt mij de vraag naar een objectief beroepsorgaan onvoldoende beantwoord. Op welke manier en waar kan een niet-benoemd kandidaat de benoeming van een concurrent aanvechten ?

Het systeem heeft veel goede kanten en moet een kans krijgen. Wij mogen onszelf echter niets wijsmaken. Ook dit systeem zal pas slagen als het met de nodige ernst wordt toegepast, als er voldoende objectieve controle is en vooral als er transparantie is. Alle elementen voor de magische depolitisering zijn voorhanden. Wij mogen ten slotte niet vergeten dat in onze samenleving niemand politiek anoniem is en elk van ons sporen draagt van een of ander engagement. Het komt er dus vooral op aan door de verscheidenheid in samenstelling in de uitvoering van de opdrachten van deze staatsraden een objectieve aanpak te garanderen.

Tot slot hebben wij naar aanleiding van dit ontwerp gemeend een aantal amendementen te moeten indienen die technische gevolgen of correcties inhouden van de wijzigingen van 4 augustus 1996 op dezelfde gecoördineerde wetten op de Raad van State.

M. le président. ­ La parole est à Mme Milquet.

Mme Milquet (PSC). ­ Monsieur le président, dans un premier temps, on ne peut que se réjouir du projet de loi qui sera soumis à notre vote tout à l'heure. Ce projet s'inscrit dans le cadre de l'objectivation et des tentatives de dépolitisation des nominations, cette dépolitisation constitue pour le moment l'objectif général poursuivi également dans d'autres matières, et notamment en matière de justice.

Le projet comporte quelques points positifs. En premier lieu, il renforce les conditions de nomination des membres du Conseil d'État et, principalement, des candidats extérieurs qui ne proviennent donc pas de l'auditorat. On exige désormais des conditions beaucoup plus strictes en matière de concours, d'examens et de profil des candidats.

Deuxième point positif : l'effort de professionnalisme qui sous-tend le projet.

Troisième point positif : la limitation drastique du pouvoir de nomination du ministre en tant que tel.

À l'instar de certains de mes collègues, je ne puis toutefois que déplorer qu'un pas supplémentaire en matière de dépolitisation et d'objectivation des nominations n'ait pas été accompli. Le fait de laisser le pouvoir à l'assemblée générale du Conseil d'État, tant en matière d'audition que de sélection et de présentation, relève encore d'un certain corporatisme et risque de permettre, en la matière, une vision trop étriquée et peut-être parfois partiale des choses.

Si je pense que cette modification doit avoir lieu pour une période relativement restreinte, j'estime cependant qu'elle ne doit être acceptée qu'à titre provisoire, dans la mesure où l'on devra se conformer, en ce qui concerne le Conseil d'État, aux décisions prises pour les nominations judiciaires.

Sachant qu'il existe une piste relative à un conseil ou un collège des nominations, composé notamment de personnes extérieures à la magistrature et qui devra présenter des listes au ministre, je pense qu'il faudra à l'avenir nous inscrire dans la ligne de cet exemple, de manière à éviter de sombrer dans une vision corporatiste.

Aussi, si cette disposition de l'article 2 peut paraître valable dans l'état actuel des choses, j'insiste pour que très rapidement, dès qu'une position aura été définie en matière de nominations judiciaires, nous réexaminions ce texte dans le but d'arriver à une équivalence des procédures de nominations tant pour le Conseil d'État que pour les juridictions de l'ordre judiciaire.

Je voudrais revenir maintenant sur quelques remarques que j'avais exprimées en commission. Parmi les conditions de nomination prévues au 2º de l'article 2, certaines ne sont peut-être pas suffisamment strictes. L'examen d'aptitude professionnelle tel qu'il est prévu par le Code judiciaire ne me semble pas être le plus adéquat parce qu'il ne prévoit rien quant aux exigences relatives à la connaissance du droit administratif, laquelle me paraît pour le moins nécessaire pour pouvoir postuler comme candidat conseiller d'État. Il faudra donc faire évoluer le contenu de l'examen d'aptitude professionnelle s'il constitue une condition d'accès à cette haute fonction.

Par ailleurs, je ne pense pas que la simple notion d'agrégation de l'enseignement supérieur en droit soit suffisamment élevée ni qu'elle soit équivalente, au stade actuel de l'évolution des législations communautaires, à la notion de doctorat telle que précisée dans le point 3.

Même si l'on tente une dépolitisation des nominations, je crains que, dans l'état actuel des choses, le pouvoir qui est laissé à la Chambre des représentants et au Sénat n'induise encore des équilibres politiques qu'il n'est peut-être plus souhaitable de respecter en la matière.

En conclusion, il s'agit d'un projet acceptable et mon groupe votera en sa faveur.

Toutefois, si, à l'avenir, lorsque nous aurons véritablement pris position sur le plan des nominations judiciaires, nous envisageons la création d'une commission neutre, beaucoup moins corporatiste et composée de personnes extérieures, il conviendra de revenir sur cette problématique pour essayer d'élaborer une procédure équivalente, comme le proposent les amendements de M. Vergote. (Applaudissements.)

De voorzitter . ­ Het woord is aan de heer Buelens.

De heer Buelens (Vl. Bl.). ­ Mijnheer de voorzitter, onder druk van de voorbije witte marsen en van de publieke opinie poogt de regering via dit wetsontwerp de Raad van State te depolitiseren. Dit is een hoogst behartigenswaardige en noodzakelijke poging. Het Vlaams Blok is hiervoor overigens al jaren eisende partij. Jammer genoeg is het enkel bij een poging gebleven, zoals mevrouw Van der Wildt het formuleerde.

De Raad van State is als administratief rechtscollege het hoogste orgaan waarbij de burger in dit land terecht kan voor geschillen met de overheid. Tevens oefent de Raad van State, die zijn taak in volle politieke onafhankelijkheid zou moeten kunnen uitoefenen, de controle uit op de overheid. Teneinde zijn goede werking te verzekeren moet de Raad van State dus zo snel mogelijk volledig worden gedepolitiseerd. De benoeming van de staatsraden is hierbij de eerste stap.

Dit wetsontwerp garandeert de noodzakelijke depolitisering hoegenaamd niet en wel om twee redenen.

Ten eerste worden de staatsraden voorgedragen door de huidige leden van de Raad van State die ingevolge de benoemingspolitiek van de voorbije jaren al volledig gepolitiseerd zijn.

Ten tweede worden deze kandidaten nogmaals gecontroleerd door de federale assemblee. Iedereen is het er ongetwijfeld mee eens dat deze beoordeling niet veel zal verschillen van voorgaande beoordelingen van voordrachten, waarbij het toetsen van de kennis nooit primeerde.

De eis van de bevolking ­ een gedepolitiseerd gerecht ­ wordt niet in daden omgezet. Indien dit wel het geval zou zijn, dan zou de bekwaamheid het enige criterium vormen voor de benoeming van de staatsraden. Het Vlaams Blok diende in die zin een amendement in dat in de commissie werd verworpen met zeven stemmen tegen één, bij één onthouding. Ik achtte het dan ook overbodig dit overigens goede amendement opnieuw in de plenaire vergadering in te dienen.

De meest bekwame kandidaat kan enkel via een vergelijkend examen naar voren worden geschoven. Om aan dit examen te mogen deelnemen moeten de kandidaten aan de verschillende voorwaarden inzake leeftijd, behaalde diploma's of aggregaties voldoen, zoals omschreven in paragraaf 2 van artikel 70 en zoals beschreven in ons amendement. Het is niet nodig dat de helft van de voorgedragen staatsraden uit leden van het auditoraat of het coördinatiebureau bestaat.

Wat de examencommissie betreft, steunen wij het amendement van de heren Boutmans en Vergote, waarbij uit verschillende geledingen ­ het auditoraat, het coördinatiebureau en de nationale orde van advocaten ­ één staatsraad uit de Raad van State en een paar hoogleraren worden voorgedragen door de respectieve instellingen. Deze commissie stelt dan een lijst op waarop de geslaagde kandidaten in volgorde van de behaalde resultaten worden voorgedragen. Die volgorde moet worden gerespecteerd bij de benoeming van de staatsraden door de Koning.

Enkel op die wijze kan worden tegemoetgekomen aan de begrijpelijke eis van de bevolking om komaf te maken met een gepolitiseerde magistratuur, zeker wanneer het gaat over het hoogste gerechtelijk administratief orgaan in deze, op zovele gebieden gecorrumpeerde « onstaat ». Het bewijs dat men zich niet al te veel aantrekt van de witte marsen en van de publieke opinie zal zo dadelijk worden geleverd bij de geheime stemming voor benoemingen bij het Hof van Cassatie.

In het belang van het volk zullen wij dit wetsontwerp dan ook niet goedkeuren. (Applaus.)

De voorzitter . ­ Het woord is aan de heer Boutmans.

De heer Boutmans (Agalev). ­ Mijnheer de voorzitter, de benoemingspolitiek in de rechterlijke macht in de enge zin van het woord en in de Raad van State, die hiervan strikt genomen geen deel uitmaakt, is sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog gebaseerd op wat wij politieke benoemingen plegen te noemen. Oorspronkelijk beoogde men met deze benoemingspolitiek corrigerend op te treden ten aanzien van het fenomeen dat slechts een bepaalde maatschappelijke laag bij de benoemingen aan bod kwam. Het correctief is echter geleidelijk verworden tot een platte politiek van geven en nemen en tot compromissen waarbij iedere benoeming een plaats had in de stellingenoorlog tussen de traditionele politieke families waarover vaak tijdens de conclaven tot vorming van de regering wordt beslist.

Dit systeem is niet langer houdbaar en de bevolking baalt ervan; door deze zogenaamde representatieve vertegenwoordiging voelt zij zich niet meer vertegenwoordigd.

Dit beleid van benoemingen is fundamenteel in strijd met de opdracht van de rechterlijke macht en misschien nog meer met de tweevoudige opdracht van de Raad van State, te weten het verstrekken van juridische adviezen aan de regering en aan de wetgevende macht en het optreden als de censor van de bestuurlijke overheid, de regering, de provinciale en gemeentelijke overheden en van de talloze ondergeschikte bestuurlijke tussenniveaus. Bij de benoemingen voor de Raad van State moet niet worden gezocht naar de weerspiegeling van de bestaande politieke evenwichten, maar dient de onafhankelijkheid van de staatsraden te worden nagestreefd waarbij eerder de verschillende opvattingen inzake bestuurskunde en staatsrecht aanwezig dienen te zijn.

Iedereen wil nu af van de politieke benoemingen. Dat is een goede zaak.

Noch voor de rechterlijke macht, noch voor de Raad van State mag de benoemingspolitiek enige inteelt met zich brengen. Het kan niet dat de Raad van State bekleed wordt met de bevoegdheid de staatsraden autonoom te benoemen, zoals het huidige regeringsontwerp stipuleert. De voordrachten kunnen gebeuren door de unanieme algemene vergadering van de Raad van State en in dat geval is de Raad van State zelf het benoemend orgaan. Hier ontstaat dus het gevaar voor inteelt. Bovendien valt te vrezen dat aan een unanieme voordracht door de algemene vergadering eindeloze onderhandelingen voorafgaan, die gepaard kunnen gaan met heel wat geven en nemen. Als er geen unanimiteit is voorziet het regeringsontwerp in een verfijnd systeem van politieke benoemingen.

Onzes inziens is dit geen goede oplossing, het is veeleer een combinatie van twee slechte oplossingen. Om die reden heeft mijn fractie een reeks amendementen ingediend die een objectieve en open benoemingspolitiek kunnen waarborgen omdat de kwaliteit en de geschiktheid van de kandidaten erin centraal staan.

Tenslotte hebben wij het er moeilijk mee dat ten minste de helft van de leden van de Raad van State uit het auditoraat komt. Deze vaste regel vinden wij onverstandig. Wanneer men de keuze heeft tussen twee voorgedragen kandidaten kan men er uit hoofde van voornoemde bepaling toe gedwongen worden de minst bekwame kandidaat te benoemen. Om al die redenen zullen wij tegen het ontwerp stemmen.

De voorzitter . ­ Het woord is aan de heer Loones.

De heer Loones (VU). ­ Mijnheer de voorzitter, enkele maanden geleden dachten wij nog dat wij op weg waren naar een depolitisering van de justitie, maar vandaag beleven wij op dit gebied opnieuw een zwarte dag, de tweede al. Straks is er de geheime stemming over de voordracht van een raadsheer voor het Hof van Cassatie, waarvan wij ons uitdrukkelijk zullen distantiëren, en nu bespreken wij het ontwerp op de Raad van State.

De argumenten zijn reeds uitgebreid aan bod gekomen. Wij hebben geen enkele reden tot tevredenheid over dit ontwerp. Ik kan alleen vaststellen dat de meerderheidspartijen, bij monde van de heer Caluwé en mevrouw Milquet, ten minste zo eerlijk zijn dit toe te geven. Het dossier is natuurlijk heel actueel. Dat destijds, onmiddellijk na de witte mars, bijna zes ­ en intussen zijn het reeds acht geworden ­ raadsheren politiek werden benoemd, werd door de politieke opinie niet aanvaard. Zij kijkt dan ook terecht met grote waakzaamheid uit naar de oplossing die wordt uitgedokterd.

Wanneer men het objectief bekijkt, is de hier voorgestelde oplossing volkomen ontoereikend. De interne consultatieronde bij de Raad van State is op zich reeds voor kritiek vatbaar. Er zijn hier reeds harde woorden gevallen. Men had het over inteelt, corporatisme en partijdigheid. Bovendien moet men zich afvragen of de Raad van State zoals hij nu is samengesteld, niet een te zeer gepolitiseerd orgaan is om nog onpartijdig te kunnen oordelen. Wanneer ik zie welke adviezen er op het ogenblik voor de lopende kandidaturen binnenkomen, dan heb ik toch wel mijn bedenkingen.

De VU-fractie is van oordeel dat er tot de commissie, die over de benoemingen moet oordelen, ten minste een bijdrage van buitenaf moet worden geleverd. Wij zullen het amendement dat collega's in dit verband hebben ingediend, dan ook steunen. Veel meer echter zijn wij voorstander van een totale objectivering. In de huidige prangende omstandigheden zijn radicale middelen nodig. Wij moeten door middel van examens naar een totale objectivering evolueren. Wij hebben overigens een voorstel in die zin ingediend. Voor het herstel van het vertrouwen in het gerecht in het algemeen en in de Raad van State in het bijzonder is het essentieel dit ontwerp niet goed te keuren. Een goed werkende en gedepolitiseerde Raad van State moet de hoeksteen zijn van de bescherming van de burger tegen misbruik door de overheid. De stap naar een volledige depolitisering niet doen, is dan ook onverantwoord. (Applaus.)

De voorzitter. ­ Het woord is aan vice-eerste minister Vande Lanotte.

De heer Vande Lanotte, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken. ­ Mijnheer de voorzitter, ik was niet van plan het woord te nemen, maar het verwondert mij dat de toon in deze plenaire vergadering zo anders is dan in de commissie. Daarom wil ik kort het volgende zeggen.

Het is evident dat dit ontwerp geen definitieve oplossing biedt. Natuurlijk zou het beter zijn dat de benoemingswijze bij de Raad van State overeenstemt met die voor de hele magistratuur.

Op het ogenblik dat de Hoge Raad voor de Magistratuur zal zijn opgericht ­ wat mij betreft komt die er zo vlug mogelijk ­ moet de benoemingswijze bij de Raad van State ook worden aangepast. In een overgangsfase hebben wij met dit ontwerp een aantal harde kanten van de huidige procedure wat verzacht. Ik heb er geen enkel probleem mee dit te verklaren.

Enerzijds zegt men dat benoemingen via een examen moeten gebeuren, maar anderzijds is men er niet voor te vinden dat er zoveel mensen uit het auditoraat komen. Indien de helft van de kandidaten uit het auditoraat komt, dan heeft ook de helft een specifiek examen moeten afleggen. Indien men blijft hameren op een selectiecommissie, dan blijf ik bij mijn vraag die ik ook in de commissie heb gesteld : wie kan voor deze selectiecommissie worden aangetrokken ? Wanneer wij zien wie nu kandidaat is, dan daag ik iedereen uit een jury samen te stellen die voldoende competent is om kandidaten voor de Raad van State effectief te examineren.

Het komt natuurlijk goed over te zeggen dat er speciale examens moeten komen, maar dan weet ik dat een aantal kandidaten die zich nu, gelukkig, kandidaat stellen niet zullen meedoen omdat niemand in staat zal zijn ze te examineren.

Men heeft het over « inteelt ». Welnu, ik stel alleen vast dat er van de acht kandidaten slechts drie van de Raad van State komen, de anderen zijn afkomstig uit het Rekenhof, het Arbitragehof, het hof van beroep, de universiteit en de advocatuur. Er is dus alles behalve sprake van inteelt.

M. le président. ­ Plus personne ne demandant la parole dans la discussion générale, je la déclare close, et nous passons à l'examen des articles du projet de loi.

Daar niemand meer het woord vraagt in de algemene beraadslaging verklaar ik ze voor gesloten en bespreken wij de artikelen van het wetsontwerp.

L'article premier est ainsi rédigé :

Article premier. La présente loi règle une matière visée à l'article 77 de la Constitution.

Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.

­ Adopté.

Aangenomen.

Art. 2. Dans l'article 14bis , alinéa 1er , des lois sur le Conseil d'État, coordonnées le 12 janvier 1973, inséré par la loi du 16 juin 1989 et modifié par la loi du 4 août 1996, le chiffre « 141 » est supprimé.

Art. 2. In artikel 14bis , eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, ingevoegd bij de wet van 16 juni 1989 en gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1996, wordt het cijfer « 141 » geschrapt.

­ Adopté.

Aangenomen.

M. le président. ­ L'article 3 est ainsi rédigé :

Art. 3. À l'article 70 des mêmes lois, coordonnées le 12 janvier 1973, modifié par les lois des 17 octobre 1990 et 24 mars 1994, sont apportées les modifications suivantes:

1º Au § 1er , les alinéas 1er et 2 sont remplacés par les dispositions suivantes:

« Les conseillers d'État sont nommés par le Roi sur une liste de trois noms formellement motivée, présentée par le Conseil d'État après qu'il a examiné la recevabilité des candidatures et comparé les titres et mérites respectifs des candidats.

L'assemblée générale du Conseil d'État entend les candidats d'office ou à leur demande. Elle peut, à cette fin, désigner au moins trois de ses membres qui lui feront rapport sur ces auditions.

Le candidat présenté premier à l'unanimité par l'assemblée générale du Conseil d'État peut être nommé conseiller d'État, sauf si le ministre qui a l'Intérieur dans ses attributions refuse cette présentation, soit parce que les conditions fixées au paragraphe 2 ne sont pas respectées, soit parce qu'il estime que le nombre des membres du Conseil d'État qui ont été nommés parmi les membres de l'auditorat est trop élevé par rapport au nombre des autres membres du Conseil d'État.

Dans ce cas, l'assemblée générale du Conseil d'État procède à une nouvelle présentation.

Après deux refus de la même présentation, la procédure pour celle-ci est entièrement recommencée.

En l'absence d'unanimité, en cas d'application de la disposition du troisième alinéa ou si la Chambre des représentants ou le Sénat estime que le nombre des membres du Conseil d'État qui ont été nommés parmi les membres de l'auditorat est trop élevé, par rapport au nombre des autres membres du Conseil d'État la liste présentée par le Conseil d'État est, avec l'ensemble des candidatures et les appréciations qui leur sont portées par le Conseil d'État, communiquée à la Chambre des représentants ou au Sénat qui peuvent alternativement, dans un délai ne pouvant dépasser trente jours à compter de cette réception, soit confirmer la liste présentée par le Conseil d'État, soit présenter une deuxième liste de trois noms qui fait l'objet d'une motivation formelle.

La Chambre des représentants ou le Sénat peut entendre les candidats.

Lorsque la Chambre des représentants ou le Sénat présente une deuxième liste de trois noms, le conseiller d'État ne peut être nommé que parmi les personnes qui figurent sur l'une ou l'autre des deux listes présentées.

Le ministre de l'Intérieur publie les vacances au Moniteur belge à l'initiative du Conseil d'État.

La publication mentionne le nombre de places vacantes, les conditions de nomination, le délai d'un mois au moins, pour l'introduction des candidatures et l'autorité à laquelle celles-ci doivent être adressées. »;

2º Au § 2, l'alinéa 1er est remplacé par la disposition suivante :

« Nul ne peut être nommé conseiller d'État s'il n'a trente-sept ans accomplis, s'il n'est docteur en droit ou licencié en droit, s'il ne peut justifier d'une expérience professionnelle utile de nature juridique de dix ans au moins et s'il ne satisfait à l'une des conditions suivantes:

1º avoir réussi le concours d'auditeur adjoint et de référendaire adjoint au Conseil d'État, le concours de référendaire à la Cour d'arbitrage, le concours d'auditeur adjoint à la Cour des comptes ou l'examen d'aptitude professionnelle prévu par l'article 259bis du Code judiciaire;

2º exercer une fonction administrative du rang 15 au moins ou équivalent dans une administration publique belge;

3º avoir présenté avec succès une thèse de doctorat en droit ou être agrégé de l'enseignement supérieur en droit;

4º exercer, en Belgique, des fonctions de magistrat du ministère public ou de juge effectif;

5º être titulaire d'une charge d'enseignement du droit dans une université belge. »

Art. 3. In artikel 70 van dezelfde gecoördineerde wetten, gewijzigd bij de wetten van 17 oktober 1990 en 24 maart 1994, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1º In § 1 worden het eerste en tweede lid vervangen door de volgende bepalingen :

« De staatsraden worden door de Koning benoemd uit een uitdrukkelijk gemotiveerde lijst met drie namen, voorgedragen door de Raad van State, nadat hij de ontvankelijkheid van de kandidaturen heeft onderzocht en de respectieve aanspraken en verdiensten van de kandidaten heeft vergeleken.

De algemene vergadering van de Raad van State hoort de kandidaten ambtshalve of op hun verzoek. Zij kan daartoe ten minste drie van haar leden aanwijzen, die bij haar verslag uitbrengen over het horen van de kandidaten.

De kandidaat die door de algemene vergadering van de Raad van State eenparig als eerste is voorgedragen, kan tot staatsraad worden benoemd, tenzij de minister die bevoegd is voor de Binnenlandse Zaken deze voordracht weigert wanneer niet aan de in paragraaf 2 vastgestelde voorwaarden voldaan is, dan wel omdat hij meent dat het aantal leden benoemd uit het auditoraat ten aanzien van het aantal andere leden van de Raad van State te hoog wordt.

In dat geval doet de algemene vergadering van de Raad van State een nieuwe voordracht.

Na twee weigeringen van dezelfde voordracht, wordt de procedure hiervoor volledig overgedaan.

Indien er geen eenparigheid van stemmen is, indien het derde lid toepassing vindt of indien de Kamer van volksvertegenwoordigers of de Senaat van oordeel is dat het aantal leden benoemd uit het auditoraat ten aanzien van het aantal andere leden van de Raad van State te hoog wordt, wordt de door de Raad van State voorgedragen lijst, samen met alle kandidaturen en de beoordeling hiervan door de Raad van State meegedeeld aan de Kamer van volksvertegenwoordigers of aan de Senaat, die beurtelings, binnen een termijn van ten hoogste dertig dagen vanaf de ontvangst van deze mededeling, hetzij de door de Raad van State voorgedragen lijst kunnen bevestigen, hetzij een tweede lijst met drie namen kunnen voordragen, die uitdrukkelijk wordt gemotiveerd.

De Kamer van volksvertegenwoordigers of de Senaat kan de kandidaten horen.

Indien de Kamer van volksvertegenwoordigers of de Senaat een tweede lijst met drie namen voordraagt, kan de staatsraad enkel worden benoemd uit de personen die voorkomen op een van de twee voorgedragen lijsten.

De minister van Binnenlandse Zaken maakt, op initiatief van de Raad van State, de vacante betrekkingen bekend in het Belgisch Staatsblad .

In de bekendmaking worden het aantal vacante betrekkingen vermeld, de benoemingsvoorwaarden, de termijn voor het indienen van de kandidaturen, die ten minste een maand bedraagt, en de overheid waaraan deze moeten worden gezonden. »;

2º In § 2 wordt het eerste lid vervangen door de volgende bepaling :

« Niemand kan tot staatsraad worden benoemd tenzij hij volle zevenendertig jaar oud en doctor of licentiaat in de rechten is, een nuttige juridische beroepservaring van ten minste tien jaar kan doen gelden en aan een van de volgende voorwaarden voldoet :

1º geslaagd zijn voor het vergelijkend examen van adjunct-auditeur en adjunct-referendaris bij de Raad van State, het vergelijkend examen van referendaris bij het Arbitragehof, het vergelijkend examen van adjunct-auditeur bij het Rekenhof of het examen inzake beroepsbekwaamheid bedoeld in artikel 259bis van het Gerechtelijk Wetboek;

2º een administratieve functie met minstens rang 15 of een gelijkwaardige rang uitoefenen bij een Belgische overheidsdienst;

3º met goed gevolg een proefschrift tot het verkrijgen van het doctoraat in de rechtsgeleerdheid hebben verdedigd of geaggregeerde zijn voor het hoger onderwijs in de rechten;

4º in België een ambt van magistraat van het openbaar ministerie of van werkend rechter uitoefenen;

5º houder zijn van een leeropdracht rechtswetenschappen aan een Belgische universiteit. »

De heren Boutmans en Vergote stellen volgend amendement voor :

« Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 3. Artikel 70 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 70. § 1. De staatsraden worden door de Koning benoemd na advies door een selectiecommissie. Deze commissie wordt, volgens de taalrol van het te begeven ambt, voor elke vacature samengesteld en bestaat uit :

­ één staatsraad die de commissie voorzit, hiertoe door de algemene vergadering van de Raad van State verkozen;

­ één lid van het auditoraat, hiertoe door zijn leden verkozen;

­ één lid van het coördinatiebureau, hiertoe door zijn leden verkozen;

­ één advocaat die regelmatig voor de Raad van State optreedt, hiertoe verkozen door de algemene raad van de Nationale Orde van Advocaten;

­ twee hoogleraren die rechtswetenschappen doceren aan een Belgische universiteit, hiertoe door de algemene vergadering van de Raad van State verkozen.

Iedere vacature wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. Die bekendmaking mag niet vroeger dan drie maanden voor het ontstaan van de vacature geschieden.

De selectiecommissie hoort de kandidaten ambtshalve of op hun verzoek. Zij rangschikt de kandidaten volgens hun bekwaamheid voor het te begeven ambt.

De adviezen en de rangschikking dienen omstandig gemotiveerd te zijn.

De adviezen en de rangschikking worden aan de minister van Binnenlandse Zaken en aan de betrokkene meegedeeld door de voorzitter van de selectiecommissie.

Indien de minister van Binnenlandse Zaken het advies van de selectiecommissie niet wenst te volgen, dient hij op omstandig gemotiveerde wijze de reden hiervoor alsmede zijn eigen keuze te laten kennen aan de selectiecommissie.

De selectiecommissie beschikt over een termijn van één maand om haar opmerkingen betreffende de keuze van de minister aan deze laatste over te zenden. Gedurende deze termijn kan zij eenieder horen waarvan zij het nuttig acht.

Indien de minister van Binnenlandse Zaken akkoord gaat met de bemerkingen van de selectiecommissie, geschiedt de benoeming door de Koning.

Indien de minister opnieuw van het advies van de selectiecommissie wenst af te wijken, geschiedt de benoeming bij een omstandig gemotiveerd en in Ministerraad overlegd koninklijk besluit.

§ 2. Niemand kan tot staatsraad worden benoemd tenzij hij volle zevenendertig jaar oud en doctor of licentiaat in de rechten is en een nuttige juridische beroepservaring van ten minste tien jaar kan doen gelden en aan één van de volgende voorwaarden voldoet :

1º geslaagd zijn voor het vergelijkend examen van adjunct-auditeur of adjunct-referendaris in de Raad van State of het vergelijkend examen van referendaris bij het Arbitragehof;

2º met goed gevolg een proefschrift tot het verdedigen van het doctoraat in de rechtsgeleerdheid hebben verdedigd of geaggregeerde zijn voor het hoger onderwijs in de rechten;

3º houder zijn van een leeropdracht rechtswetenschappen aan een Belgische universiteit.

Niemand kan tot staatsraad worden benoemd binnen de twee jaar nadat hij deel heeft uitgemaakt van een ministerieel kabinet.

§ 3. De Raad van State kiest uit zijn leden zijn eerste voorzitter, zijn voorzitter en zijn kamervoorzitters voor een periode van zes jaar, die kan worden hernieuwd. »

« Remplacer cet article par ce qui suit :

« Art. 3. L'article 70 des lois coordonnées sur le Conseil d'État est remplacé par la disposition suivante :

« Art. 70. § 1er . Les conseillers d'État sont nommés par le Roi après avis d'une commission de sélection. Cette commission est constituée pour chaque vacance, compte tenu du rôle linguistique de la fonction à attribuer, et elle se compose :

­ d'un conseiller d'État qui la préside et qui est désigné par l'assemblée générale du Conseil d'État;

­ d'un membre de l'auditorat qui est désigné par les membres de celui-ci;

­ d'un membre du bureau de coordination qui est désigné par les membres de celui-ci;

­ d'un avocat qui plaide régulièrement devant le Conseil d'État, et qui est désigné par le conseil général de l'Ordre national des avocats;

­ de deux professeurs d'université qui enseignent le droit dans une université belge et qui sont désignés par l'assemblée générale du Conseil d'État.

Toute vacance est publiée au Moniteur belge. Cette publication pourra avoir lieu au plus tôt trois mois avant la vacance.

La commission de sélection entend les candidats d'office ou à leur demande. Elle classe les candidats selon leur capacité à exercer la fonction à attribuer.

Les avis et le classement doivent être motivés de manière détaillée.

Les avis et le classement sont communiqués au ministre de l'Intérieur et à l'intéressé par le président de la commission de sélection.

Lorsque le ministre de l'Intérieur ne souhaite pas suivre l'avis de la commission de sélection, il doit communiquer la raison de son refus et son propre choix à la commission de sélection en les motivant de manière détaillée.

La commission de sélection dispose d'un délai d'un mois pour transmettre au ministre ses observations relatives au choix qu'il a fait. Pendant ce délai, elle peut entendre toutes les personnes dont elle estime l'audition nécessaire.

Lorsque le ministre de l'Intérieur admet les observations de la commission de sélection, le Roi procède à la nomination.

Lorsque le ministre souhaite déroger une nouvelle fois à l'avis de la commission de sélection, la nomination se fait par un arrêté royal motivé de manière circonstanciée et délibéré en Conseil des ministres.

§ 2. Nul ne peut être nommé conseiller d'État s'il n'a trente-sept ans accomplis, s'il n'est docteur en droit ou licencié en droit, s'il ne peut justifier d'une expérience professionnelle utile de nature juridique de 10 ans au moins et s'il ne satisfait pas à l'une des conditions suivantes :

1º avoir réussi le concours d'auditeur adjoint ou de référendaire adjoint au Conseil d'État ou le concours de référendaire à la Cour d'arbitrage;

2º avoir présenté avec succès une thèse de doctorat en droit ou être agrégé de l'enseignement supérieur en droit;

3º être titulaire d'une charge d'enseignement du droit dans une université belge.

Nul ne peut être nommé conseiller d'État dans les deux ans de la période pendant laquelle il a fait partie d'un cabinet ministériel.

§ 3. Le Conseil d'État choisit en son sein son premier président, son président et ses présidents de chambre pour une période renouvelable de six ans. »

Le gouvernement propose l'amendement que voici :

« A. À l'article 70, § 1er , proposé au 1º de cet article, insérer l'alinéa suivant entre l'alinéa 2 et l'alinéa 3 :

« Le Conseil d'État communique sa présentation, ainsi que l'ensemble des candidatures et les appréciations qui leur sont portées par le Conseil d'État, en même temps à la Chambre des représentants ou au Sénat, et au ministre qui a l'Intérieur dans ses attributions. »

B. Remplacer les alinéas 4, 5 et 6 par les alinéas suivants :

« Lorsque le ministre accepte la présentation unanime du Conseil d'État, il en informe la Chambre des représentants ou le Sénat qui, s'ils estiment que le nombre des membres du Conseil d'État qui ont été nommés parmi les membres de l'auditorat est trop élevé par rapport au nombre des autres membres du Conseil, peuvent, alternativement, dans un délai ne pouvant dépasser trente jours à compter de cette réception, refuser cette présentation.

En cas de refus du ministre ou de la Chambre des représentants ou du Sénat, l'assemblée générale du Conseil d'État procède à une nouvelle présentation.

En l'absence d'unanimité lors d'une première présentation ou lors d'une nouvelle présentation à la suite d'un refus, la Chambre des représentants ou le Sénat peuvent alternativement, dans un délai ne pouvant dépasser trente jours à compter de la réception de cette présentation, soit confirmer la liste présentée par le Conseil d'État, soit présenter une deuxième liste de trois noms qui fait l'objet d'une motivation formelle. »

« A. In artikel 70, § 1, voorgesteld onder het 1º van dit artikel, tussen het tweede en het derde lid het volgende lid invoegen :

« De Raad van State deelt zijn voordracht alsook alle kandidaturen en de beoordeling hiervan door de Raad van State, tegelijkertijd mee aan de Kamer van volksvertegenwoordigers of de Senaat, en aan de minister die bevoegd is voor de Binnenlandse Zaken. »

B. Het vierde, vijfde en zesde lid vervangen door de volgende leden :

« Wanneer de minister de unanieme voordracht van de Raad van State aanneemt, brengt hij de Kamer van volksvertegenwoordigers of de Senaat ervan op de hoogte die, indien zij van oordeel zijn dat het aantal leden benoemd uit het auditoraat ten aanzien van het aantal andere leden van de Raad van State te hoog wordt, beurtelings, binnen een termijn van ten hoogste dertig dagen vanaf de ontvangst van deze mededeling, de voordracht kunnen weigeren.

Ingeval van weigering van de minister of van de Kamer van volksvertegenwoordigers of de Senaat, doet de algemene vergadering van de Raad van State een nieuwe voordracht.

Indien er geen eenparigheid van stemmen is bij een eerste of bij een nieuwe voordracht naar aanleiding van een weigering, kunnen de Kamer van volksvertegenwoordigers of de Senaat beurtelings, binnen een termijn van ten hoogste dertig dagen vanaf de ontvangst van de mededeling van deze voordracht, hetzij de door de Raad van State voorgedragen lijst bevestigen, hetzij een tweede lijst met drie namen die uitdrukkelijk wordt gemotiveerd, voordragen. »

Het woord is aan vice-eerste minister Vande Lanotte.

De heer Vande Lanotte, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken. ­ Bij het aannemen van de amendementen in de commissie ontstond een technisch probleem, vandaar dit amendement dat in een technische aanpassing voorziet.

M. le président. ­ Mme Cornet d'Elzius et M. Foret proposent l'amendement que voici :

« Compléter l'article 70, § 2, alinéa 1er , 2º, proposé au 2º de cet article, par les mots « soit dans un organisme public belge. »

« Artikel 70, § 2, eerste lid, 2º, voorgesteld in het 2º van dit artikel, aanvullen met de woorden « of bij een Belgische overheidsinstelling. »

Het woord is aan vice-eerste minister Vande Lanotte.

De heer Vande Lanotte, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken. ­ Mijnheer de voorzitter, ik ben het volkomen eens met dit amendement. Ik heb er dan ook geen enkel probleem mee dat het wordt aangenomen.

M. le président. ­ Le vote sur les amendements et le vote sur l'article 3 sont réservés.

De stemming over de amendementen en de stemming over artikel 3 worden aangehouden.

L'article 4 est ainsi rédigé :

Art. 4. L'article 80 des mêmes lois coordonnées, modifié par la loi du 4 août 1996, est remplacé par la disposition suivante:

« Art. 80. Les assesseurs de la section de législation sont nommés par le Roi pour une période de cinq ans renouvelable, sur une liste de trois noms présentée par le Conseil d'État après qu'il a examiné la recevabilité des candidatures et comparé les titres et mérites respectifs des candidats.

L'article 70, § 1er , alinéas 2 à 10, est applicable à la présentation des assesseurs.

Les présentations ont lieu en observant les règles établies aux articles 348, alinéa 1er , 349, alinéa 4, deuxième membre de phrase, et alinéa 5, première phrase, du Code judiciaire.

Les articles 70, § 2, alinéa 1er , 73, § 1er , alinéa 3, et 74, alinéas 2 et 3, sont applicables aux assesseurs. »

Art. 4. Artikel 80 van dezelfde gecoördineerde wetten, gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1996, wordt vervangen door de volgende bepaling:

« Art. 80. De assessoren van de afdeling wetgeving worden door de Koning benoemd voor een hernieuwbare periode van vijf jaar, uit een lijst met drie namen, voorgedragen door de Raad van State, nadat hij de ontvankelijkheid van de kandidaturen heeft onderzocht en de respectieve aanspraken en verdiensten van de kandidaten heeft vergeleken.

Artikel 70, § 1, tweede tot tiende lid, is van toepassing op de voordracht van de assessoren.

De voordrachten geschieden met inachtneming van de regels die zijn vastgesteld in de artikelen 348, eerste lid, 349, vierde lid, tweede zinsnede, en vijfde lid, eerste zin, van het Gerechtelijk Wetboek.

De artikelen 70, § 2, eerste lid, 73, § 1, derde lid, en 74, tweede en derde lid, zijn van toepassing op de assessoren. »

­ Adopté.

Aangenomen.

Art. 5. À l'article 87 des mêmes lois coordonnées, modifié par la loi du 4 août 1996, il est inséré après l'alinéa 2 un alinéa nouveau, libellé comme suit :

« Une chambre de langue française connaît par priorité des demandes introduites contre les décisions administratives prises en application de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers. »

Art. 5. In artikel 87 van dezelfde gecoördineerde wetten, gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1996, wordt na het tweede lid een nieuw lid ingevoegd, luidende :

« Eén Franstalige kamer neemt bij voorrang kennis van de vorderingen ingediend tegen administratieve beslissingen die genomen zijn met toepassing van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. »

­ Adopté.

Aangenomen.

Art. 6. Aux articles 6bis , 84 et 120 des mêmes lois coordonnées, les mots « Chambres fédérales » et « assemblées fédérales, communautaires et régionales » sont remplacés par les mots « assemblées législatives ».

Art. 6. In de artikelen 6bis , 84 en 120 van dezelfde gecoördineerde wetten, worden de woorden « federale, gemeenschaps- en gewestassemblées » en « wetgevende Kamers » vervangen door de woorden « wetgevende vergaderingen ».

­ Adopté.

Aangenomen.

De voorzitter. ­ De heren Vergote en Boutmans stellen voor een artikel 7 (nieuw) in te voegen luidend :

« Art. 7. Artikel 111 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State wordt aangevuld met een zesde lid, dat luidt als volgt :

« Geen detachering is mogelijk bij een ministerieel kabinet. »

« Art. 7. L'article 111 des lois coordonnées sur le Conseil d'État est complété par un sixième alinéa, qui est rédigé comme suit :

« Aucun détachement auprès d'un cabinet ministériel n'est possible. »

De stemming over het amendement wordt aangehouden.

Le vote sur l'amendement est réservé.

Il sera procédé tout à l'heure aux votes réservés ainsi qu'au vote sur l'ensemble du projet de loi.

De aangehouden stemmingen en de stemming over het wetsontwerp in zijn geheel hebben zo dadelijk plaats.