1-814/3

1-814/3

Belgische Senaat

ZITTING 1997-1998

11 FEBRUARI 1998


Wetsontwerp houdende sociale bepalingen


Evocatieprocedure


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE SOCIALE AANGELEGENHEDEN UITGEBRACHT DOOR DE HEREN SANTKIN EN D'HOOGHE


INHOUD

  1. Sociale zaken
    1. Inleidende uiteenzetting van de minister van Sociale Zaken
    2. Algemene bespreking
      1. Algemene opmerkingen
      2. Arbeidsongevallen
      3. Beroepsziekten
      4. Gezinsbijslagen
      5. Sociale zekerheid
      6. Verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen
        1. Forfaitaire betaling van geneesmiddelen
        2. Palliatieve verzorging
        3. Farmaceutische specialiteiten
        4. Honorariumsupplementen
        5. Statuut van de ziekenhuisgeneesheer
        6. Chronische ziekten
        7. Uitkeringsverzekering
        8. Organisatie van RIZIV
        9. Ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen
        10. Heffing op de omzet van de farmaceutische producten
        11. Financiële bepalingen
        12. Nationaal Instituut voor Oorlogsinvaliden
        13. Handvest van de sociaal verzekerde
    3. Artikelsgewijze bespreking
  2. Volksgezondheid en Pensioenen (201-244)
  3. Sociaal statuut van de zelfstandigen en de KMO's
  4. Sociale integratie
    1. Uiteenzetting van de staatssecretaris voor Veiligheid, Leefmilieu en Maatschappelijke Integratie
    2. Algemene bespreking
      1. Dringende geneeskundige hulpverlening
      2. Tegemoetkomingen aan gehandicapten
      3. Armoede en sociale integratie

De commissie voor de Sociale Aangelegenheden heeft haar vergaderingen van 15, 20 en 22 januari en 5 februari 1998 besteed aan de bespreking van dit wetsontwerp dat op 9 januari 1998 door de Senaat werd geëvoceerd.

Bij de aanvang van de commissievergadering van 5 februari 1998 heeft een lid bij ordemotie het woord gevraagd om te protesteren tegen het feit dat, in tegenstelling tot een eerder gemaakte afspraak, dit wetsontwerp op de agenda van de commissievergadering van die dag werd geplaatst.

De voorzitster heeft hierop gerepliceerd dat de commissie zelf op 3 februari 1998 heeft beslist tot een wijziging van de agenda van de commissievergadering van 5 februari 1998.


I. SOCIALE ZAKEN

A. INLEIDENDE UITEENZETTING VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN

Op het gebied van de arbeidsongevallen werd de nadruk gelegd op het vrijwaren van het recht op een gewaarborgde minimale schadeloosstelling voor de personen die door een arbeidsongeval zijn getroffen, door de toekenning van een aanvullende bijslag, en op de taak van het Fonds voor Arbeidsongevallen in dit verband.

Andere bepalingen zijn meer van technische aard, zoals de bepalingen die betrekking hebben op :

­ het boekhoudkundig criterium voor het aanwijzen van de ondernemingen waarvoor de wederkerigheid van de mogelijke opzegging van de overeenkomst na het voorvallen van een ongeval niet geldt;

­ de stilzwijgende verlenging van verzekeringscontracten met een duur van minder dan een jaar;

­ het toe te passen tarief voor het berekenen van het kapitaal wanneer de waarde van de rente als kapitaal wordt uitbetaald;

­ het behoud van een boekhoudkundig evenwicht zodat de indexering van de renten kan worden uitbetaald;

­ het subrogatierecht van het Fonds voor Arbeidsongevallen tegenover de verzekeraar en de werkgever van een gepensioneerde getroffene.

Om een eventuele belangentegenstelling te voorkomen, werd voorzien dat het beheer betreffende arbeidsongevallen van werknemers wier werkgevers actief zijn op het gebied van verzekeringen tegen arbeidsongevallen moet verricht worden door een verzekeraar die geen enkele band heeft met de vennootschap van de werkgever.

Zoals voor de belastingen en taksen ten voordele van de provincies en gemeenten, is het Fonds voor Arbeidsongevallen voortaan vrijgesteld van de belastingen en taksen ten gunste van de gewesten en gemeenschappen.

De bepaling die voorkomt in het hoofdstuk objectieve aansprakelijkheid heeft betrekking op het subrogatierecht van de rechtspersoon of van de openbare instelling die de schadeloosstelling toekent bij toepassing van de wet op de arbeidsongevallen in de overheidssector.

Het hoofdstuk over de beroepsziekten bevat voornamelijk twee bepalingen :

­ de wettelijke grondslag voor de preventieve opdracht van het Fonds voor de Beroepsziekten;

­ het principe van de verhoging van 1 % tot 3 % voor blijvende arbeidsongeschiktheden boven de 35 %.

Er wordt ook voorzien in de mogelijkheid, voor de persoon die door een beroepsziekte is getroffen en die in een ziekenhuis is opgenomen, een aanvraag om herziening in te dienen opdat zijn arbeidsongeschiktheidsgraad 100 % zou bedragen tijdens zijn hospitalisatie.

De bepalingen in verband met de Dienst voor overzeese sociale zekerheid zijn het gevolg van een opmerking van het Rekenhof en hebben tot doel de wettelijke bepaling waarbij de jaarlijkse Rijkstegemoetkoming wordt vastgelegd aan te passen aan de huidige budgettaire praktijk.

Hoofdstuk III van het ontwerp bevat bepalingen inzake kinderbijslag.

In de eerste instantie beogen deze bepalingen een aanpassing van de wetgeving om te voldoen aan een aantal praktische en juridische eisen. Het gaat bijvoorbeeld om wijzigingen die nodig zijn omwille van de afschaffing van de burger- en legerdienst, de opheffing van de wetgeving inzake beteugeling van de landloperij en de bedelarij, de communautarisering van de jeugdbescherming, om aanpassingen aan de ZIV-wetgeving inzake moederschapsrust, om aanpassingen inzake toekenning van de verhoogde kinderbijslag, enz.

In tweede instantie bevat het ontwerp een aantal technische wijzigingen van de wetgeving die nodig zijn ingevolge de nieuwe maatregelen die werden genomen in het koninklijk besluit van 21 april 1997 in het kader van de modernisering van de sociale zekerheid.

In het raam van de armoedebestrijding en met het oog op snelle herintegratie in het oorspronkelijk gezin bevat het ontwerp eveneens bepalingen aangaande een bijzondere bijslag ten behoeve van geplaatste kinderen.

Hoofdstuk IV bevat enkele fundamentele bepalingen betreffende :

­ de gewaarborgde financiering voor de opvang van kinderen door het bevestigen van de bijdrage van 0,05 % die bijgevolg wordt gelijkgesteld met een sociale zekerheidsbijdrage;

­ het uitsluiten van inkomsten van buitenlandse oorsprong van grensarbeiders, om het bedrag van de bijzondere sociale zekerheidsbijdrage vast te leggen.

In dit hoofdstuk vindt men tevens enkele technische maatregelen die verband houden met :

­ het afschaffen van een tweede betrekking van adjunct-administrateur-generaal bij de RSZ, die oorspronkelijk was voorzien in het kader van de ontbinding van het NPM;

­ het uitbreiden van het voordeel van de herverdeling van de sociale lasten tot vennootschappen die worden opgericht om vrije beroepen uit te oefenen;

­ de mogelijkheid voor de Koning een financiële tegemoetkoming in de kosten van aansluiting bij een erkend sociaal secretariaat toe te kennen, om de elektronische uitwisseling van gegevens te vergemakkelijken;

­ de uitwerking van het akkoord dat met de sector van de koopvaardij werd gesloten.

Hoofdstuk V bevat verschillende bepalingen inzake de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen.

Naast louter technische aanpassingen bevat dit hoofdstuk ook een aantal nieuwe bepalingen aangaande diverse aangelegenheden.

Zo bevat hoofdstuk V een bepaling die algemene bewijskracht geeft aan gegevens die zich niet op een papieren drager bevinden. Op die manier kunnen ook meer moderne communicatiemiddelen geldigheid verkrijgen.

Prestaties verricht met een louter esthetisch doel en verstrekkingen verricht in het louter wetenschappelijk onderzoek zullen niet meer terugbetaalbaar zijn door de verzekering.

Inzake de aannemingscriteria inzake geneesmiddelen worden een aantal verduidelijkingen en aanpassingen doorgevoerd. De voornaamste aanpassingen betreffen de invoering van volgende elementen : de totale kost van de behandeling, de epidemiologische elementen en het geraamde volumeniveau.

Inzake palliatieve verzorging geeft de tekst aan het Verzekeringscomite van het RIZIV de bevoegdheid om overeenkomsten te sluiten met de multidisciplinaire equipes voor palliatieve thuiszorg. Op die manier wordt een structurele financiering voorzien voor de zogenaamde experimenten Busquin. De tekst voorziet dat palliatieve patiënten geen persoonlijk aandeel moeten betalen voor de bijstand van de multidisciplinaire begeleidingsequipes; het ontwerp voorziet daarenboven in de bevoegdheid voor de Koning om de remgelden voor terminale patiënten geheel of gedeeltelijk af te schaffen.

Het ontwerp bevat verschillende technische aanpassingen die te maken hebben met het feit dat naast de verpleegkundigen ook de georganiseerde diensten voor thuisverpleging een plaats krijgen binnen de overeenkomstencommissie voor de thuiszorg.

Het ontwerp bevat een aantal wijzigingen van technische aard aangaande het sociaal statuut van geneesheren, tandheelkundigen en apothekers. In essentie betekenen deze wijzigingen een volledige gelijkschakeling tussen apothekers enerzijds en geneesheren en tandheelkundigen anderzijds.

Inzake klinische biologie bepaalt het ontwerp dat de bevoegdheid van de Koning om jaarlijks de waarde van X, te weten het te recupereren verschil tussen de uitgaven klinische biologie en de enveloppe voor klinische biologie, vast te stellen zou vastgelegd worden in de ZIV-wet. De tekst schrapt daarenboven de bepaling inzake klinische biologie die stelt dat indien meerdere laboratoria worden uitgebaat door eenzelfde natuurlijke persoon of een rechtspersoon de recuperatie zou worden vastgesteld op basis van de samengevoegde uitgaven van die betrokken laboratoria. De eenvormige toepassing van deze bepaling bleek niet mogelijk in de praktijk.

Het ontwerp geeft aan de minister van Sociale Zaken en de minister van Economische Zaken de bevoegdheid om zich op grond van farmacotherapeutische en sociale criteria gedurende een jaar te verzetten tegen een aanvraag tot schrapping van de terugbetaling voor een geneesmiddel.

Het verbod op publiciteit met betrekking tot geneeskundige verstrekkingen wordt uitgebreid tot de logopedisten.

Gelet op eerdere opmerkingen van de Raad van State wordt de bevoegdheid voor de Koning om regels te bepalen voor de apothekers inzake aansluiting bij een tariferingsdienst en inzake tegemoetkoming in de tariferingskosten vastgelegd in de wet.

Het ontwerp bevat een aantal belangrijke bepalingen inzake de supplementen op de honoraria. De tekst geeft vooreerst aan de Koning de bevoegdheid om maximumbedragen vast te stellen voor het verblijf in een kamer met één, respectievelijk met twee bedden. Andere bepalingen beperken de hoogte van de honorarium-supplementen : zo moeten alle geneesheren de tarieven naleven die voortvloeien uit de toepassing van de akkoorden voor de patiënten die geopteerd hebben voor opname in een gemeenschappelijke kamer of in een tweepersoonskamer. Voor de patiënten die geopteerd hebben voor een éénpersoonskamer, mogen de geneesheren een supplement aanrekenen dat niet meer mag bedragen dan 100 % van de honoraria die voortvloeien uit de toepassing van de akkoorden. De tekst bevat daarenboven een uitbreiding van de informatie inzake supplementen en kamerkeuze die de beheerder aan de patiënt moet overmaken. Het ontwerp bevat eveneens een bepaling inzake het statuut van de ziekenhuisgeneesheer : met name kan de Koning bepalen welke financiële of statistische gegevens door de beheerder moeten worden medegedeeld aan de medische raad van het ziekenhuis.

Wat de uitkeringsverzekering betreft, bevat het ontwerp vooreerst een bepaling inzake de oprichting van een technische medische raad bij de dienst voor uitkeringen die de bevoegdheid krijgt adviezen en voorstellen te doen over medische problemen aangaande de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid en algemene medische richtlijnen voor te stellen inzake de evaluatie van de arbeidsongeschiktheid. Daarenboven bevat het ontwerp een bepaling die het mogelijk maakt voor een gerechtigde te verzaken aan de uitkeringen die hem worden toegekend in het kader van de uitkeringsverzekering.

Een aantal bepalingen van het ontwerp hebben betrekking op de organisatie van het RIZIV : zo wordt een meer logische structuur beoogd inzake tuchtsancties en benoemingen voor de verschillende ambtenaren van het instituut en worden de algemene bepalingen in verband met het dagelijks beheer van de instellingen van sociale zekerheid, zoals voorzien in de wet van 25 april 1963, ook toegepast voor het RIZIV.

Het ontwerp bevat diverse bepalingen inzake ziekenfondsen en landsbonden van ziekenfondsen. Een aantal artikelen hebben betrekking op een administratieve vereenvoudiging van de procedure inzake wijziging van de statuten. Deze bevoegdheid, die op dit moment enkel en alleen toekomt aan de minister van Sociale Zaken, wordt voortaan toegekend aan de Controledienst. Om praktische redenen worden de stemgerechtigde leden van de ziekenfondsen beperkt tot de leden die hun woonplaats hebben in België. Tenslotte bevat het ontwerp eveneens een bepaling die samenwerkingsverbanden mogelijk maakt tussen ziekenfondsen behorende tot eenzelfde landsbond voor de organisatie van sommige diensten binnen de vrije en aanvullende verzekering onder toezicht van de Controledienst.

Het ontwerp herneemt ook de bepalingen van twee koninklijke besluiten die respectievelijk voor 1995 en 1996 de heffing op de omzet van sommige farmaceutische producten regelen, omdat voor beide koninklijke besluiten een beroep tot vernietiging werd ingediend bij de Raad van State. Een eventuele vernietiging zou immers zeer nadelige budgettaire gevolgen hebben en leiden tot een terugstorting door het RIZIV van respectievelijk 1,1 miljard voor 1995 en 1,8 miljard voor 1996. Voor 1995 en 1996 werd immers in de wet alleen de maximumheffing vastgesteld en werd aan de Koning de bevoegdheid verleend om het concrete percentage vast te leggen in functie van de budgettaire toestand. Indien de budgettaire toestand inzake de uitgaven voor geneesmiddelen bevredigend was, zouden de farmaceutische firma's niet aangesproken worden om de heffing te betalen. Het beroep bij de Raad van State werd ingediend omdat de percentages van de heffing bepaald worden in een koninklijk besluit en niet in de wet.

Tot slot omvat hoofdstuk V van het ontwerp nog een aantal financiële bepalingen, inzake de vaststelling van de rijkstegemoetkoming voor het stelsel van de zelfstandigen, inzake het opheffen van dubbele verplichtingen inzake boekhouding en controle die wegen op de Kas voor Geneeskundige Verzorging van de NMBS en inzake de administratiekosten van de Hulpkas voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering.

Daarnaast worden nieuwe regels ingevoerd inzake het pensioenkadaster.

Tenslotte voorziet het ontwerp in een regeling voor de lasten van het verleden van de ziekenfondsen, met name de aanzuivering van de rekening-courant en de boekhoudkundige resultaten van de verzekeringsinstellingen per 31 december 1994.

In het kader van het akkoord inzake de invoering, in 1995, van de financiële verantwoordelijkheid van de ziekenfondsen werd eveneens overeengekomen om de lasten van het verleden aan te zuiveren bij het begin van de tweede fase inzake financiële responsabilisering. De tweede fase treedt in werking op 1 januari 1998.

Het hoofdstuk VI is gewijd aan de RSZ-PPO en beoogt voornamelijk het verduidelijken van de bestaande wetgeving inzake het pensioen van het vastbenoemde personeel in de plaatselijke administraties, door het rechtzetten van een aantal materiële vergissingen.

Technische aanpassingen waarborgen eveneens de gespreide financiering van de pensioenlast, door het gelijkschakelen van de bijdragevoeten over verschillende jaren en door het toewijzen van beschikbare middelen aan een reservefonds.

Het hoofdstuk VII kent aan de werkgevers die onderworpen zijn aan het bijzondere stelsel van de mijnwerkers en daarmee gelijkgestelden, het voordeel toe van de vermindering van de werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid die wordt toegekend aan de werkgevers die bijdragen tot de RSZ en waarvan zij waren uitgesloten omwille van een onduidelijke wettelijke formulering.

Het hoofdstuk VIII past om technische redenen sommige bepalingen aan die betrekking hebben tot de jaarlijkse vakantie en bepaalt bovendien de opdrachten van de inspectiediensten van de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie.

B. ALGEMENE BESPREKING

1. Algemene opmerkingen

Een commissielid verwijst naar de algemene opmerkingen die de Raad van State over het wetsontwerp heeft gemaakt.

Een eerste opmerking van de Raad betreft de door de regering gevraagde spoedbehandeling. Toen het ontwerp op 16 juni 1997 naar de Raad van State werd gezonden, wist men al dat het hooguit einde 1997 door de Kamer van volksvertegenwoordigers zou worden gestemd. De spoedbehandeling werd gevraagd om ervoor te zorgen dat de begroting 1997 zou beantwoorden aan de criteria opgelegd door het Verdrag van Maastricht. Dat argument was pertinent niet ter zake.

Een tweede opmerking van de Raad van State is van legistieke aard. Op bladzijde 178 van het gedrukt stuk Kamer nr. 1184/1 - 96/97 staat het volgende te lezen :

« Het voorliggende ontwerp werd evenwel met een zodanig gebrek aan zorgvuldigheid en precisie geredigeerd en miskent dermate de essentiële regels inzake formele wetgevingstechniek, dat de Raad van State ­ vanuit de primordiale zorg voor de rechtszekerheid en voor een behoorlijke wetgeving ­ zich verplicht gezien heeft terzake toch, zij het op niet-exhaustieve wijze, de aandacht te vestigen op een aantal flagrante tekortkomingen.

1.1. De Nederlandse tekst van sommige bepalingen van het ontwerp is niet van hoge kwaliteit. Men heeft vaak de indruk dat de oorspronkelijke tekst de Franse is, welke niet altijd nauwkeurig werd vertaald naar het Nederlands. Vaak stemt de Nederlandse tekst zelfs niet overeen met de Franse. Het is onbegonnen werk om, binnen het tijdsbestek dat aan de Raad van State wordt toegemeten en waarbinnen hij overigens nog over een groot aantal andere ontwerpen hoogdringend advies moet verlenen, een exhaustief onderzoek aan die kwestie te wijden. Dergelijk onderzoek valt trouwens buiten het bestek van de drie punten waarvan hiervoren sprake. Bij wijze van voorbeeld wordt hier verwezen naar de gemaakte opmerkingen bij de artikelen 66, 81 , 86 en 92 van het ontwerp.

1.2. De regel dat in de inleidende zin van een artikel dat ertoe strekt wijzigingen aan te brengen in een bestaande bepaling, de te wijzigen regeling en de aard van de wijziging nauwkeurig moeten worden aangegeven en dat, meer bepaald, de te wijzigen regelingen met hun correct opschrift moeten worden aangewezen en de nog geldende wijzigingen moeten worden vermeld welke eerder in de te wijzigen bepaling werden aangebracht, is omzeggens niet gevolgd (zie bijvoorbeeld de artikelen 66, § 2, 78, 86 en 92 van het ontwerp).

1.3. Daargelaten de vaststelling dat geen consequente toepassing is gemaakt van de regel om, bij een tweede of volgende aanhaling van een te wijzigen tekst, deze te vermelden als « dezelfde wet », komt het integendeel enkele malen voor dat « dezelfde wet » niet die is, waarvan sprake in het vorige artikel. Dat is onder meer het geval in artikel 88.

1.4. Uit wat voorafgaat moet dan ook worden besloten dat het ontwerp op het stuk van de formele legistiek en het taalgebruik aan een zeer grondig nazicht en herwerking ».

Het is niet de eerste keer dat die opmerkingen door de Raad van State worden gemaakt. Blijkbaar wil de regering geen grotere zorg besteden aan de redactie van haar teksten en heeft zij de bedoeling de betrokkenen de mogelijkheid te bieden de ­ onduidelijke ­ wetgeving te omzeilen, ofwel wil zij de justitie zo veel mogelijk werk verschaffen door conflicten voor de rechtbanken te genereren.

De derde opmerking van de Raad van State heeft betrekking op de terugwerkende kracht van bepaalde artikelen, zelfs tot 1983. De Raad van State geeft hierover uitvoerig commentaar en merkt op dat men zich, wat de hangende geschillen betreft, blootstelt aan toetsing aan artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (zie blz. 179 van hetzelfde gedrukt stuk en voetnoot nr. 3 op dezelfde bladzijde).

Alsof dat nog niet volstaat, heeft de regering het nodig geacht in het wetsontwerp nog 43 artikelen bij amendement in te voegen, waarvoor geen advies van de Raad van State werd gevraagd.

De minister wijst erop dat het lid zijn opmerkingen uitsluitend baseert op het advies van de Raad van State zonder na te gaan in hoeverre er daarna rekening mee gehouden is. Van verschillende bepalingen is de terugwerkende kracht reeds opgeheven. Waar zij behouden blijft, is altijd in de verantwoording of de memorie van toelichting uitgelegd waarom.

2. Arbeidsongevallen

Volgens een lid rijst er voor de artikelen 13 en 14 een probleem van terugwerkende kracht; voor laatstgenoemd artikel zelfs tot 1983. Wat is de reden om die terugwerking in te voeren voor het recht tot terugvordering ? Over hoeveel gevallen gaat het ? Om welke bedragen ?

De minister antwoordt dat het Fonds voor Arbeidsongevallen het gepensioneerde slachtoffer een forfaitaire schadeloosstelling betaalt, maar tegen degene die aansprakelijk is een subrogatierecht heeft voor de volledige rente.

Met het verschil tussen de door het Fonds uitgekeerde vaste som en de volledige rente is geen rekening gehouden in het subrogatierecht van het Fonds, dat optreedt wanneer de verzekeraar of de werkgever in gebreke blijven.

Naar aanleiding van de opmerkingen van de Raad van State is de retroactieve werking van deze bepaling, hoewel zuiver interpretatief, opgeheven. (cf. artikel 15).

3. Beroepsziekten

Een commissielid constateert dat de graad van arbeidsongeschiktheid wordt gebracht op 100 % voor de periode van opneming in het ziekenhuis of verplegingsinstelling. Bij het verlaten van de instelling wordt de graad van ongeschiktheid teruggebracht tot die welke de betrokkene was toegekend op het ogenblik van de opneming. Waarom wordt die regeling, die zal aanzetten tot hospitalisatie, ingevoerd ?

Ook hier is een probleem van retroactiviteit (artikel 20). Waarom ?

De minister merkt op dat op vraag van het Rekenhof bij wet wordt bevestigd wat in de praktijk reeds gebeurde.

4. Gezinsbijslagen

Een commissielid merkt op dat het element retroactiviteit eveneens belangrijk is voor het hoofdstuk III dat betrekking heeft op de gezinsbijslag.

Artikel 31 wijzigt een bijzondere-machtenbesluit dat zeer recent werd bekrachtigd, een duidelijke illustratie van onzorgvuldig werk.

Hetzelfde geldt voor artikel 33.

Artikel 36 handelt over de hoofdelijke bijdrage. Waarom wordt in dit artikel een termijn van zes maanden ingeschreven en waarom geen langere termijn ?

Artikel 40 betreft het Fonds voor collectieve uitrustingen en diensten. Er is duidelijk overlapping tussen de federale overheid en gemeenschappen wat de bevoegdheid betreft.

De Koning wordt gemachtigd de voorwaarden voor de financiering te bepalen. Wordt daarmee bedoeld de kwaliteit van de geboden kinderopvang; zo niet, wat wordt dan wel bedoeld ?

Voor de kwaliteit zijn trouwens de gemeenschappen bevoegd. Zou het niet beter zijn, gelet op de overlapping inzake bevoegdheid, dit fonds af te schaffen en de middelen te verdelen over de gemeenschappen ?

Artikel 42 hoort volgens de Raad van State niet thuis in een ontwerp dat aangelegenheden regelt als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Artikel 45 handelt over de rationalisatie van de compensatiekassen. Er zouden nog twee andere verrekeringskassen bestaan, namelijk de bijzondere verrekeningskas voor gezinsvergoedingen ten bate van de arbeiders gebezigd door de ladings- en lossingsondernemingen en de door de stuwadoors en havenlosplaatsen en -stapelplaatsen gebezigde arbeiders ten bate van de ondernemingen van de binnenscheepvaart. Waarom worden die niet vermeld ?

Artikel 52 regelt de overdracht van 600 miljoen frank van de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers naar het Fonds voor collectieve uitrustingen en diensten voor het jaar 1996. Zijn die gelden al uitgegeven ? Was er een tekort voor dat jaar ? Komt er voor 1998 een soortgelijke operatie ?

De minister wijst erop dat artikel 42, in het kader van de armoedebestrijding, een bijzondere bijslag toevoegt aan het stelsel van de gewaarborgde gezinsbijslag, ten voordele van de gezinnen waarvan een kind in een instelling is geplaatst.

De Raad van State had geen opmerkingen over deze bepaling, die niet aan de gerechtelijke bevoegdheden raakt. Het gaat om een bijslag in het stelsel van de gewaarborgde gezinsbijslag.

5. Sociale zekerheid

Een lid merkt op dat de artikelen 54 tot en met 58 handelen over de 0,05 %-bijdrage ten laste van de werkgevers voor de financiering van het Fonds voor collectieve uitrustingen en diensten.

Deze regering verklaart regelmatig dat de belasting op arbeid moet worden verminderd. Wat is dan de zin van de institutionalisering van deze bijdrage voor een materie die trouwens niet tot de federale bevoegdheid behoort ?

De Raad van State merkt hierover op dat men op de grens zit van een bevoegdheidsprobleem. Dat probleem zou kunnen worden opgelost door heel de materie, met inbegrip van de financiering, over te hevelen naar de gemeenschappen.

De artikelen 61 tot en met 67 aldus hetzelfde lid bevatten de nodige aanpassingen naar aanleiding van de afschaffing van het Nationaal Pensioenfonds voor Mijnwerkers.

Men schaft weliswaar parastatale instellingen af en men brengt ze onder in andere parastatalen, maar waarom moeten dan specifieke cellen worden opgericht in die instellingen ?

De minister antwoordt dat deze bepalingen uitvoering geven aan de beslissingen van de regering getroffen tijdens het begrotingsconclaaf van juli 1994. Die beslissingen werden reeds gedeeltelijk uitgevoerd met de wet van 29 april 1996 houdende sociale bepalingen (artikelen 131 en volgende) maar door de Raad van State werd opgemerkt dat die teksten niet voldoende gedetailleerd waren; daarom deze nieuwe teksten.

Een lid handelt vervolgens over de artikelen 71 en 72, die handelen over de uitsluiting van inkomsten uit het buitenland voor de berekening van de bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid. Wat daarin stoort, is dat alleen degenen die juridisch goed onderlegd zijn en alert handelen, het voordeel zullen genieten.

De minister repliceert dat deze artikelen betrekking hebben op de grensarbeiders die doorgaans zeer goed zijn ingelicht.

De minister antwoordt dat deze bepalingen ervoor zorgen dat de « buitenlandse » inkomsten van grensarbeiders, die in België wonen en in het buitenland werken, niet als gezinsinkomsten worden beschouwd bij de berekening van de bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid. Ze zijn immers niet aan de Belgische sociale zekerheid onderworpen (in tegenstelling tot de basisverordening 1408/71).

Grensarbeiders zijn zeer goed ingelicht over hun rechten. Overigens is de minister van Financiën die de terugbetalingen zal moeten verrichten en eventueel voorzien in een automatische procedure.

Een commissielid is tevreden over deze maatregel die een einde maakt aan een discriminerend onderscheid tussen de verschillende soorten grensarbeiders. Erg belangrijk is dat deze rechtzetting een terugwerkend effect heeft tot 1994.

Het commissielid herinnert eraan dat is besloten tot een vergelijking van de verschillende verordeningen om na te gaan of eventueel nog andere onevenwichtige situaties overblijven. Hij hoopt dat deze studie binnen afzienbare tijd voltooid zal zijn.

De voorgaande spreker maakt nog een opmerking over de laatste artikelen van dit hoofdstuk en die betrekking hebben op sociale zekerheid van de zeelieden ter koopvaardij.

Volgens de spreker illustreren deze artikelen eens te meer de noodzaak van een algemene kostenverlaging.

De minister wijst erop dat het om een zuiver wetgevingstechnische verduidelijking gaat.

Ter uitvoering van de overeenkomst gesloten met de zeelieden ter koopvaardij (goedgekeurd in de Ministerraad van 29 november 1996) wordt voorzien in de mogelijkheid van een volledige vrijstelling van de werkgeversbijdrage in deze sector.

In het koninklijk besluit van 18 april 1997 worden alleen de bijdragen, vastgesteld in de besluitwet van 7 februari 1945 genoemd, en niet die uit latere wetten. Dat is nu goedgemaakt.

6. Verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen

6.1. Forfaitaire betaling van geneesmiddelen

Een commissielid vraagt wat de ratio legis is van de forfaitaire betaling van geneesmiddelen verstrekt in het ziekenhuis.

De minister antwoordt dat het niet de bedoeling is de mogelijkheid te schrappen van de invoering van een forfaitaire betaling voor geneesmiddelen gebruikt in het ziekenhuismilieu. Artikel 78 schrapt alleen de bevoegdheid van de overeenkomstencommissie terzake, gelet op het feit dat de overeenkomstencommissie apothekers-ziekenfondsen zichzelf in het verleden niet bevoegd verklaarde voor geneesmiddelen afgeleverd in ziekenhuismilieu. De mogelijkheid om een forfaitaire betaling in te voeren voor geneesmiddelen afgeleverd aan ziekenhuispatiënten blijft behouden en staat ingeschreven in artikel 37, § 3, van de ZIV-wet.

Een forfaitaire betaling werd reeds ingevoerd voor de antibiotica in de heelkundige profylaxie; de overlegstructuur inzake ziekenhuizen onderzoekt hoe een verdere forfaitaire financiering kan worden ingevoerd. In afwachting zullen de ziekenhuizen geïnformeerd en gesensibiliseerd worden over het geneesmiddelengebruik in de ziekenhuizen.

6.2. Palliatieve verzorging

Een lid constateert dat de artikelen 81 tot en met 84 de institutionalisering betreffen van de palliatieve verzorging en de multidisciplinaire begeleidingsequipes. Welk bedrag wordt hiervoor uitgetrokken ? Wat zal de evolutie hiervan zijn ?

Een andere spreekster stelt vast dat de « begeleidingsequipes » baat zullen hebben bij een overeenkomst die zij kunnen sluiten met het college van geneesheren-directeurs. Die overeenkomsten worden voorgelegd aan het Verzekeringscomité.

Er wordt ook gezegd dat die equipes aan palliatieve zorgverlening kunnen doen. Is het niet verkieslijk verwarring te voorkomen tussen de begeleidingsequipes die belast zijn met de opleiding en met de begeleiding van de patiënten en de equipes die op het terrein werken en in aanmerking komen voor subsidie ?

De equipes die op het terrein werkzaam zijn, dreigen opnieuw in de kou te blijven staan met betrekking tot hun financiering terwijl de begeleidingsequipes een duidelijker statuut zullen hebben. Men weet ook dat artsen die werkzaam zijn in het kader van de palliatieve verzorging, vaak op eigen initiatief handelen. Moet er niet voor gezorgd worden dat zij verplicht worden de begeleidingsequipes te raadplegen ?

Aan welke opleidingscriteria moeten de multidisciplinaire equipes voldoen ?

De minister bevestigt dat de artikelen 81 en volgende de wettelijke basis verstrekken voor het RIZIV om tot een structurele financiering te komen voor de palliatieve zorg uitgevoerd door zogenaamde multi-disciplinaire begeleidingsequipes; deze structurele financiering kan dan in de eerste plaats komen van de zogenaamde experimenten Busquin.

Zo gauw de programmawet is gepubliceerd, kan het RIZIV conventies afsluiten met de multi-disciplinaire begeleidingsequipes voor palliatieve zorg. In een eerste fase zullen conventies worden afgesloten met alle begeleidingsequipes van de verschillende overlegplatforms palliatieve zorg. Elk overlegplatform moet een multi-disciplinair begeleidingsteam oprichten. Zo gauw het samenwerkingsplatform erkend is door de bevoegde gemeenschaps- of gewestminister zal er een dubbele financiering geschieden : enerzijds zal een bedrag van 1,2 miljoen frank ter beschikking worden gesteld van het overlegplatform ten laste van het budget van het ministerie van Sociale Zaken en anderzijds zal het RIZIV de palliatieve zorgverlening volledig ten laste nemen via een conventie met de begeleidingsequipe van het overlegplatform. In elke conventie zal een beschrijving worden gegeven van het type zorgverlening dat als palliatieve zorgverlening zal worden terugbetaald. Het gaat in het bijzonder om de coördinatie, de informatie en de logistieke ondersteuning van de patiënt, zijn omgeving en de professionele zorgverleners uit de eerste lijn (huisartsen en verpleegkundigen). De begeleidingsteams voor palliatieve zorg kunnen zich dus niet in de plaats stellen van de professionele zorgverleners uit de eerste lijn.

De tekst voorziet eveneens de mogelijkheid voor de Koning om de remgelden van diverse medische verstrekkingen te verminderen of af te schaffen voor terminale patiënten. Op dit moment bestaat er nog geen duidelijkheid omtrent de uitvoering van deze bepaling. Een werkgroep binnen het college van geneesheren-directeurs op het RIZIV onderzoekt reeds geruime tijd diverse mogelijkheden.

De vorige spreekster erkent dat de toestand verbeterd is voor de begeleidingsequipes voor palliatieve zorg in de ziekenhuizen en met betrekking tot de aanpassing van het remgeld doch het statuut van de teams voor thuisverzorging blijft onzeker.

De minister zegt dat dit slechts tijdelijk is.

De regering wenst eerst en vooral maatregelen te treffen om de palliatieve verzorging in de ziekenhuizen te bevorderen door een correcte financiering.

De vraag werd gesteld om die financiering uit te breiden tot de rust- en verzorgingstehuizen. Die vraag wordt onderzocht. Wat de thuisverzorging betreft dient het begrip « palliatieve verzorging » nog verder te worden omschreven.

6.3. Farmaceutische specialiteiten

Een lid constateert dat het ontwerp aan de minister de mogelijkheid biedt de farmaceutische industrie te verplichten een geneesmiddel gedurende een jaar verder af te leveren. Wat is het nut van deze bepaling ?

Hoe kan de minister verhinderen dat een bedrijf een bepaald product uit de markt neemt ?

De minister antwoordt dat in 1996, toen de prijzen van de geneesmiddelen met 2 % werden verlaagd, een bepaalde firma gemeend heeft die verlaging voor een bepaald product niet te moeten doorvoeren. Zij heeft het product doen schrappen uit de lijst van de terugbetaalbare geneesmiddelen.

Soortgelijke situaties kunnen zich in de toekomst nog voordoen, vandaar deze maatregel om gedurende een jaar het product op de markt te handhaven. Tijdens die periode is het mogelijk, in voorkomend geval, met de betrokken firma te onderhandelen.

6.4. Honorariumsupplementen

Een lid verwijst naar de brieven van enerzijds dokter J. de Toeuf, voorzitter van de Belgische Vereniging van Artsensyndicaten (BVAS) en anderzijds professor J. Libert van het Universitair Sint-Pietersziekenhuis (cf. bijlage 1, a en b ).

Professor Libert wijst er onder andere op dat in een gemeenschappelijke kamer, een ziekenhuisbed de instelling meer kost dan het opbrengt, zowel in de sector verpleegdagen als in de sector honoraria.

In dit verband merkt het lid op dat het terugbetaalde bedrag voor een verpleegdag pas jaren later bekend is. Wat betreft het financieel evenwicht van de ziekenhuizen, blijkt dat doel bijna niet te halen. Enkele maanden geleden heeft de minister van Sociale Zaken het terugbetaalde bedrag meegedeeld voor de verpleegdagen over 1994. De ziekenhuizen hebben vastgesteld dat deze prijs honderden franken lager was dan die welke zij zelf hadden geraamd op basis van het verleden.

Dat gold onder meer voor het Sint-Pietersziekenhuis, dat tot drastische maatregelen is moeten overgaan, waardoor 235 banen verloren zijn gegaan.

In zijn brief wijst professor Libert in de eerste plaats op de gevolgen van het vaststellen van een maximumbedrag voor en het afslanken van de artsenhonoraria.

De regeringsmaatregelen vormen ook een aanslag op de overeenkomst artsen-ziekenfondsen. Het is immers zeer de vraag welk belang de artsen er nog bij hebben om een overeenkomst te sluiten met de ziekenfondsen nu alles wat tot heden niet gereglementeerd was, dat binnenkort wel zal zijn. Zo gold er geen reglementering voor de artsenhonoraria bij huisbezoek en raadpleging buiten de gewone uren, bij patiënten die op eigen verzoek in een eenpersoonskamer opgenomen waren en bij patiënten wier bruto belastbaar inkomen meer dan 1 560 000 frank bedraagt.

Dat alles komt op de helling te staan. Het lid vraagt zich af of de minister wel rekening gehouden heeft met de overeenkomst artsen-ziekenfondsen, die in het kader van een nationale overeenkomst de gecontroleerde honoraria in feite beperkt tot 60 % van de artsen. Tevens is het voor hem de vraag of de maatregelen geen artsenstaking zullen uitlokken zoals een dertigtal jaar geleden.

De houding van de regering is kennelijk dubbelzinnig. Enerzijds wenst zij tot sociaal overleg te komen maar anderzijds breekt zij dat af voor de gezondheidszorg.

De door de artsen gevraagde supplementen waaraan de regering paal en perk wil stellen, bieden de kans investeringen in technologie te financieren, zoals bijvoorbeeld efficiënte echografen en scanners.

Voorts blijkt eveneens dat de medische beroepsverzekeringen zo duur zijn geworden dat een arts die thans volgens de overeengekomen honoraria werkt, niet meer in staat is de premie te betalen die zijn beroepsrisico dekt. Een gynaecoloog die bevallingen uitvoert, moet per jaar een premie van 250 000 frank betalen. Volgens de overeenkomst bedraagt het tarief voor een bevalling, zowel overdag als 's nachts, 6 511 frank. De helft daarvan wordt door de ziekenhuisbeheerder ingehouden als bijdrage in de ziekenhuiskosten.

Aangezien een gynaecoloog per jaar gemiddeld een honderdtal bevallingen uitvoert, kan hij uiteraard nooit die premie van 250 000 frank betalen zonder een bijkomend honorarium aan te rekenen.

Voor een ander lid is het niet duidelijk wat de bedoeling is van de beperking van de honorariumsupplementen die de geneesheren mogen vragen aan patiënten opgenomen in een eenpersoonskamer zonder dat zulks noodzakelijk is voor de behandeling. Er is geen reden ten gronde om op dit gebied te interveniëren. Overigens kunnen de ziekenhuizen deze supplementen aanwenden om andere verstrekkingen voor de patiënten minder duur te maken. Bovendien hebben 90 % van de patiënten die in een eenpersoonskamer verblijven, een aanvullende verzekering afgesloten. Moet de wetgever ervoor zorgen dat de verzekeringsmaatschappijen minder dienen uit te geven ?

De minister antwoordt dat zij de door de eerste spreker aangehaalde brieven heeft gelezen. Daaruit zou kunnen blijken dat de verzekering voor geneeskundige verzorging alleen dient om de artsen van een toereikend inkomen te verzekeren. Dat kan niet de bedoeling zijn. Wel streeft die verzekering ernaar de kwalitatief beste geneeskundige verzorging toegankelijk te maken voor iedereen, met een vrije keuze van de arts.

Vervolgens merkt de minister op dat niet de regering maar wel het Parlement een bovengrens heeft willen bepalen voor de honoraria van de artsen. In de Kamer van volksvertegenwoordigers zijn er trouwens een aantal wetsvoorstellen ingediend die heel wat verder reiken dan wat het wetsontwerp nastreeft met de bedoeling de overeenkomst artsen-ziekenfondsen te redden aangezien niemand daarin nog geloofde.

Deze voorstellen zijn opgenomen in het ontwerp doch hun draagwijdte wordt beperkt, onder meer door de inwerkingtreding van de beperkende maatregelen voor artsen die de overeenkomst niet hebben ondertekend, uit te stellen tot 1 december 1999. Zo krijgen de nieuwe structuren die uit de verkiezingen voor de artsen ontstaan, opnieuw de kans een overeenkomst te sluiten met de verzekeringsinstellingen.

Ondertussen is het zo dat de overeenkomst artsenziekenfondsen in haar huidige vorm door 85 % van de artsen is ondertekend. Zij vervalt op 1 december 1999.

De te sluiten overeenkomst voor de periode na 1 januari 2000 zou bijvoorbeeld een richtlijn kunnen bevatten voor een beperking van de bijkomde honoraria. In dat geval overweegt de regering zeer ernstig een wetsbepaling in te voeren tot wijziging van de voorliggende ontworpen bepaling omdat de voornaamste belangen van de gebruikers van de gezondheidszorg zo gevrijwaard zouden zijn.

De minister onderstreept tevens dat het probleem van de oogartsen specifieke kenmerken vertoont. Professor Libert stelt de zaken zo voor alsof de klachten uitgaan van alle specialisten. Dat klopt evenwel niet. De nomenclatuur inzake oftalmologie moet absoluut herzien worden en men behoort zich ook ernstig te buigen over de concurrentie van de opticiens en de grootwarenhuizen die brillen verkopen aan personen die geen belangrijke oogproblemen vertonen, doch waardoor de oogarts een aantal van zijn gebruikelijke raadplegingen aan zich ziet voorbijgaan.

Het is ook juist dat er van de honoraria teveel kosten worden ingehouden. De manier waarop het gedeelte B6 van de ligdagprijs wordt bepaald, is aan herziening toe om te voorkomen dat van de honoraria kosten worden ingehouden die elders al gedekt zijn.

Voorts dient men er ook rekening mee te houden dat er in België historische toestanden zijn gegroeid. De verpleegdagprijs bestaat gedeeltelijk uit historische kosten en gedeeltelijk uit objectieve kosten. De regering wil komen tot een correctere toepassing van deze ligdagprijs in de diverse landsdelen.

Over heel het land genomen bedraagt de gemiddelde prijs 6 500 frank. In Brussel rekenen sommige ziekenhuizen echter 15 000 frank aan. Met dat verschil voor ogen heeft men gevraagd de historische coëfficiënt in drie jaar tijd tot een redelijk bedrag terug te brengen om niemand de kans te bieden van dit hout communautaire pijlen te snijden.

Geleidelijk aan vermindert het historisch gedeelte, dat wil zeggen het gedeelte dat niet berekend wordt op basis van de objectieve criteria van het ministerie van Volksgezondheid. Dat geldt voor het Sint-Pietersziekenhuis, dat een zeer hoge ligdagprijs heeft.

Daar staat tegenover dat er een bedrag van 100 miljoen frank en in 1999 van 200 miljoen frank wordt uitgetrokken voor instellingen die sterk verpauperde patiënten hebben, zoals de dienst spoedgevallen van het « Hôpital de la Citadelle », een aantal diensten in het Antwerpse en het Sint-Pietersziekenhuis.

Daar komt nog bij dat het WIGW-100-statuut verruimd werd en dat de mogelijkheid om een verzekering aan te gaan werd uitgebreid tot een aantal personen die daarvoor tot heden niet in aanmerking kwamen en waarvoor het OCMW en bijgevolg het Sint-Pietersziekenhuis te Brussel moesten opdraaien.

De toestand is dus niet meer te vergelijken met die in 1963.

Wat het teveel aan artsen betreft, verklaart de minister voorstander te zijn van een vermindering van het aantal artsen niet om aan de overblijvende collega's een beter inkomen te waarborgen maar om een kwalitatief goede geneeskundige verzorging in stand te houden.

De eerste spreker brengt het probleem van het maximumbedrag van de honoraria opnieuw te berde. Hij merkt op dat er naast de persoonlijke verantwoordelijkheid van de parlementsleden, die wetsvoorstellen indienen, ook de collectieve verantwoordelijkheid van de regering is, die deze voorstellen al dan niet overneemt. De minister heeft het demagogisch ideeëngoed van een aantal kamerleden overgenomen.

Overigens vindt men in de oorspronkelijke versie van het ontwerp de bedoelde bepalingen terug in de artikelen 80 en 90.

Men kan zich dus niet verschansen achter het feit dat een aantal kamerleden voorstellen hebben ingediend die tot het bovengenoemde resultaat leiden.

Spreker vraagt dat de correspondentie tussen professor Libert en de minister bij het rapport wordt gevoegd (cf. bijlage 1, c ).

Bovendien vraagt hij ook de informatie verstrekt door de syndicale artsenkamer van het Brussels Gewest, vooral wat betreft de evolutie van de artsenhonoraria in het rapport op te nemen (cf. bijlage 2).

6.5. Statuut van de ziekenhuisgeneesheer

Een commissielid, verwijzend naar artikel 102, vraagt welke statistische gegevens hier worden bedoeld. Wat zijn de gevolgen van deze mededeling voor de artsen ?

De minister antwoordt dat zij, in het kader van de onderhandelingen rond een meer forfaitaire financiering van de ziekenhuisactiviteit, tegelijkertijd voorgesteld heeft ook het statuut van de ziekenhuisgeneesheer te herzien met de bedoeling aan de ziekenhuisgeneesheren meer rechten op inspraak en informatie te bezorgen. Onderhandelingen rond het statuut van de ziekenhuisgeneesheer worden op dit moment door minister Colla gevoerd in de paritaire commissie geneesheren-ziekenhuizen; deze onderhandelingen leverden voorlopig nog geen concreet resultaat op.

Om in een latere fase ook het recht op informatie te kunnen uitbreiden werd artikel 102 ingevoegd in deze programmawet. Dit artikel geeft de Koning de mogelijkheid om de lijst te bepalen van de statistische en financiële gegevens die door de beheerder moeten worden ter beschikking gesteld van de medische raad. Hierbij wordt gedacht aan gegevens met betrekking tot alle ziekenhuisactiviteiten, gegevens inzake de financieel-economische toestand van het ziekenhuis, recht op onderhoud met bedrijfsrevisor, enz. Deze gegevens moeten de ziekenhuisgeneesheren in de mogelijkheid stellen om een correcte en objectieve kijk te krijgen op de afhoudingen die de beheerder oplegt aan de honoraria.

Een commissielid ziet het verband niet tussen de problematiek waarnaar de minister in haar antwoord heeft verwezen en de noodzaak om de honorariumsupplementen te beperken.

Het lid constateert dat de lobby van de verzekeringsmaatschappijen blijkbaar efficiënt heeft gewerkt. Het lid vreest dat de sfeer in de medische wereld nodeloos wordt vertroebeld.

De minister verwijst nogmaals naar de wetsvoorstellen die in de Kamer terzake werden ingediend. Aanleiding daartoe waren onder meer klachten van patiënten over de houding van bepaalde instellingen. Ook in tweepersoonskamers moesten soms belangrijke supplementen worden betaald.

Het lid erkent dat soms overdreven hoge bedragen gevraagd worden, maar het probleem ligt niet zozeer op dat vlak maar houdt verband met het feit dat de verzekeringsmaatschappijen de kost nog niet doorberekenen in hun premies. Daarin moet de overheid niet tussenkomen.

Een ander commissielid verwijst naar de algemene praktijk in de ziekenhuizen. De artsen vragen aan de patiënten of zij een aanvullende verzekering hebben afgesloten of niet. Verwacht mag worden dat de verzekeringsmaatschappijen uiteindelijk de premies voor deze verzekeringen zullen moeten verhogen. De patiënt wordt dus alleszins de dupe. Voorts zal er vroeg of laat druk worden uitgeoefend op het RIZIV om de tarieven aan te passen.

Het commissielid, hierin gesteund door een ander lid, keurt de beperking van de supplementen goed.

Hetzelfde lid vraagt of er reeds door de geneesheren gereageerd werd op de bepalingen in dit wetsontwerp met betrekking tot de honorariumsupplementen.

Is er reeds een grensbedrag bepaald voor de supplementen die mogen worden gevraagd aan patiënten in een eenpersoonskamer ?

De minister herinnert eraan dat in de Kamer van volksvertegenwoordigers een wetsvoorstel werd ingediend om de supplementen in de eenpersoonskamers en/of in de tweepersoonskamers te beperken. Op het ogenblik van de indiening van dat voorstel was er geen akkoord artsen-ziekenfondsen. Inmiddels is dat akkoord tot stand gekomen en massaal (85 %) door de artsen goedgekeurd. De oogartsen staan veelal weigerachtig ten opzichte van het akkoord.

De minister erkent dat er voor deze categorie van geneesheren problemen rijzen, zoals blijkt uit de brief opgenomen als bijlage 1.c bij dit verslag, in verband met de nomenclatuur.

De minister merkt tenslotte op dat de statutair benoemde ziekenhuisgeneesheren aangedrongen hebben op een verbetering van hun sociaal statuut. Als tegenprestatie zouden zij bereid zijn geen honorariumsupplementen te vragen en in hun gedragscode een bepaling daarvan op te nemen.

Een lid merkt op dat zij al jaren pleit voor een herijking van heel de nomenclatuur. De nomenclatuur zou regelmatig en op een flexibele manier worden aangepast.

De minister antwoordt hierop dat een afdeling van de Wetenschappelijke Raad van het RIZIV zich hiermee zal bezighouden.

6.6. Chronische ziekten

Een commissielid wenst te weten of er reeds een juridische definitie is van het begrip chronische ziekte. Hoe gaat men in de praktijk te werk ? Welke ziekten worden als chronisch beschouwd ? Houdt men rekening met de ernst van de ziekte ?

De minister antwoordt dat de bepalingen van de artikelen 103 en volgende voldoende ruim zijn om verschillende maatregelen voor chronisch zieken te realiseren. De tekst bevat ook verschillende mogelijkheden om chronisch zieken te definiëren :

­ hetzij op basis van pathologieën die voorkomen op een door de Koning te bepalen lijst;

­ hetzij op basis van een door de Koning te bepalen graad van zorgbehoevendheid;

­ hetzij op basis van het uitgavenprofiel, met name het bedrag aan persoonlijke aandelen dat een persoon heeft betaald binnen een bepaalde periode.

Een werkgroep binnen het RIZIV onderzoekt momenteel welke maatregelen mogelijk zijn op korte termijn. Het spreekt vanzelf dat alle definities voor- en nadelen hebben. Selectieve maatregelen in functie van pathologie zijn misschien het meest aangewezen, maar zijn ook het moeilijkst om te realiseren; maatregelen in functie van het uitgavenprofiel zijn minder selectief, maar zijn gemakkelijker te realiseren wegens hun eenvoud en het feit dat men kan vertrekken van bekende en beheersbare gegevens. Het is de bedoeling om op korte termijn een eerste belangrijke stap te zetten naar chronische zieken : een beperkte stap, want 1,2 miljard is onvoldoende om alle problemen een oplossing te geven. Deze eerste stap zal in de volgende jaren moeten uitgebreid, verbeterd en verfijnd worden.

6.7. Uitkeringsverzekering

Een commissielid constateert dat de artikelen 106 en 107 handelen over de instelling van een Technisch Medische Raad bij de dienst voor Uitkeringen. Normaal bepaalt de wetgever de samenstelling van de Raad. Waarom wordt die taak nu aan de Koning opgedragen ?

Artikel 111 is volgens hetzelfde lid merkwaardig. Blijkbaar mag een gerechtigde niet uit vrije wil aan bepaalde uitkeringen verzaken. Waarom worden hiervoor voorwaarden opgelegd ? Aan welke voorwaarden wordt er gedacht ?

De minister antwoordt dat, gelet op moeilijke en nieuwe problemen van medische aard die opduiken bij de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid, een technisch orgaan wordt opgericht om het beheerscomité van de dienst voor uitkeringen en de geneeskundige raad voor invaliditeit bij te staan. Dergelijke technische raden bestaan reeds, tot ieders tevredenheid, bij het Fonds voor beroepsziekten en het Fonds voor arbeidsongevallen.

In feite vervangt de nieuwe technische raad de bij artikel 85 reeds vroeger ingestelde Evaluatiecommissie die aan de hand van statistische gegevens advies moest uitbrengen over de problemen inzake de werking van de uitkeringsverzekering. De samenstelling en de werking van deze Evaluatiecommissie werd bepaald door de Koning. Het is evident dat de Koning ook de samenstelling en de werking bepaalt van het nieuwe orgaan dat in de plaats komt en ondermeer de taken van de vroegere Evaluatiecommissie overneemt.

Artikel 111 verleent aan een gerechtigde die arbeidsongeschiktheidsuitkeringen ontvangt de mogelijkheid om hieraan te verzaken onder de voorwaarden bepaalt door de Koning. Een gelijkaardige bepaling bestaat reeds in andere sectoren van de sociale zekerheid, zoals bijvoorbeeld de werkloosheidsverzekering.

Een uitkering wegens arbeidsongeschiktheid is niet cumuleerbaar met een rustpensioen of overlevingspensioen bijvoorbeeld. Indien de gerechtigde van een uitkering arbeidsongeschiktheid wenst te opteren voor het rustpensioen of het overlevingspensioen wordt hem bij dit artikel de mogelijkheid geboden om te verzaken aan zijn uitkering arbeidsongeschiktheid, terwijl hij toch erkend blijft in het kader van de uitkeringsverzekering. De gerechtigde krijgt hier dus de mogelijkheid om te opteren voor een gunstiger regime.

6.8. Organisatie van het RIZIV

Een lid meent te weten dat artikel 112 de mogelijkheid afschaft om geneesheren-inspecteurs en apothekers-inspecteurs gedurende twee maanden te schorsen. Waarom wordt deze sanctie afgeschaft ?

De artikelen 113 tot en met 115 handelen over het Comité van de Dienst voor administratieve controle. Dat de landsbonden zitting hebben in het orgaan dat adviseert over de aanwerving van inspecteurs, roept volgens hetzelfde lid vragen op. Hier is duidelijk sprake van mogelijke belangenvermenging.

Volgens de minister beogen de artikelen 112 tot 114 geenszins de afschaffing van de mogelijkheid om artsen te straffen. Deze artikelen hebben integendeel de bedoeling om de bijzondere procedure die in de wet is bepaald voor de geneesheren-inspecteurs en de apothekers-inspecteurs van de dienst voor geneeskundige controle « mutatis mutandis » uit te breiden tot de inspecteurs en de adjunct-inspecteurs van de dienst voor administratieve controle.

Wat artikel 115 betreft, antwoordt de minister dat de benoeming, schorsing en afzetting van inspecteurs en adjunct-inspecteurs van de dienst voor administratieve controle inderdaad gebeurt in aanwezigheid van vertegenwoordigers van de verzekeringsinstellingen; waar deze vertegenwoordigers voorheen ook beslissingsbevoegdheid hadden, bepaalt de nieuwe tekst dat zij slechts zitting hebben met raadgevende stem.

6.9. Ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen

Een lid constateert dat met artikel 126 de termijn waarbinnen de controledienst zich moet uitspreken over de statuten van ziekenfondsen of de wijziging ervan, teruggebracht wordt van 45 naar 30 dagen. Zal dat niet tot problemen leiden ?

Hetzelfde lid vraagt zich vervolgens af of artikel 129, luidens hetwelk de leden van de algemene vergadering van een ziekenfonds hun woonplaats in België moeten hebben, wel in overeenstemming is met de Europese wetgeving.

Met de artikelen 130 tot en met 132, aldus nog hetzelfde lid, wordt aan de ziekenfondsen van een zelfde landsbond de mogelijkheid geboden om onder toezicht van de controledienst sommige diensten te organiseren en te groeperen in een nieuwe entiteit. Het gaat hier om activiteiten van de vrije en de aanvullende verzekering. Waarom die beperking tot een en dezelfde landsbond ? Blijkbaar worden de maatschappijen van onderlinge bijstand, die werden afgeschaft, opnieuw opgericht.

De minister antwoordt dat artikel 126 strekt tot versoepeling van de regels tot wijziging van de statuten van de ziekenfondsen. Waar voorheen de minister van Sociale Zaken elke statutenwijziging, hoe marginaal ook, moest goedkeuren, wordt die bevoegdheid nu toegekend aan de controledienst voor de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen. Voortaan bestaat er alleen een beroepsmogelijkheid voor de regeringscommissaris bij de minister van Sociale Zaken tegen de beslissing van de controledienst inzake statuten. In dat geval beslist de minister.

De minister zegt voorts dat het niet uitgesloten is dat de verplichting opgelegd met artikel 129 strijdig is met de Europese regels. Maar men vraagt zich af wie klacht zou kunnen indienen.

6.10. De heffing op de omzet van de farmaceutische producten

Een lid klaagt over de steeds groeiende lasten op de farmaceutische nijverheid die tot gevolg hebben, enerzijds dat België door nieuwe vestigingen en zelfs door distributiecentra halsstarrig gemeden wordt en anderzijds dat het reeds wankele financieel evenwicht van de ziekenhuizen en de werkgelegenheid in de sector in gevaar komt.

Het commissielid verwijst naar de toestand van het Sint-Pietersziekenhuis te Brussel, dat in een nabije toekomst 235 mensen moet afdanken.

Hetzelfde commissielid merkt verder op dat een aantal firma's de destijds bij koninklijk besluit ingevoerde heffing niet betaald hebben. Zij zullen daartoe niet meer verplicht worden. Andere firma's hebben betaald en hebben beroep ingesteld bij de Raad van State. Nu reeds heeft de auditeur van de Raad van State vastgesteld dat het niet mogelijk was bij koninklijk besluit een heffing in te stellen van iets wat eigenlijk neerkomt op een belasting. Bijgevolg zal het betrokken koninklijk besluit gewoon nietig verklaard worden.

Nu vormt de regering de bepalingen van het koninklijk besluit met terugwerkende kracht om tot een wet.

Het Arbitragehof zal een ongelijke behandeling vaststellen ­ een aantal firma's hebben niet betaald of verkrijgen een nietigverklaring ­ van personen die zich in identieke omstandigheden bevinden.

De betrokken bepalingen dienen afgekeurd te worden en de regering heeft ongelijk zich te willen moeien met een procedure die hangende is voor een administratieve rechtbank.

Een ander lid spreekt in dezelfde zin. Met de artikelen 133 en volgende wordt een wettelijke regeling ingevoerd voor de bijzondere heffing van 2 en 3 % voor de jaren 1994 en 1995 en de heffing van 4 % voor het jaar 1998.

Bedrijven die zich destijds niet aan de bij koninklijk besluit opgelegde verplichting hebben gehouden, kunnen nu niet meer, bij wet, worden verplicht de heffingen te storten.

Het lid vraagt nog hoeveel firma's in 1995 en 1996 niet hebben betaald en hoe men het probleem van de ongelijke behandeling zal oplossen.

De minister antwoordt dat de heffing op de omzet van de farmaceutische producten voor de jaren 1995 en 1996 respectievelijk 1 132 529 801 frank en 1 840 466 964 frank heeft opgebracht.

De nietigverklaring van de koninklijke besluiten (van 22 december 1995 en 28 oktober 1996) zal dan ook des te schadelijker gevolgen hebben nu België tot de Economische en Monetaire Unie zal toetreden en het noodzakelijk is het gestelde budgetaire doel te handhaven.

Het ontwerp heeft helemaal niet de bedoeling de burgers de wettelijk bepaalde beroepsmogelijkheden te ontnemen maar wil wel voor de stabiliteit zorgen die nodig is voor een goed beheer van de sociale zekerheid.

Wanneer een bestuurlijke akte vernietigd wordt wegens vormgebrek, staat het volgens de jurisprudentie van het Arbitragehof de overheid die de akte aangenomen heeft vrij, deze opnieuw op te maken. Naast vormgebreken wordt in dit geval ook de inhoud betwist, met name de uitoefening door de Koning van de bevoegdheid die hem verleend is om het heffingspercentage alsmede het referentiejaar van de omzet vast te stellen. Het moet dan ook de wetgever zijn die de noodzakelijke regels bepaalt.

Er zij vermeld dat het heffingspercentage en het referentiejaar oorspronkelijk rechtstreeks in de wet bepaald waren. Toen de bevoegdheid van de Koning terzake later in de wet vermeld werd, was de tekst zodanig opgesteld dat het om een mogelijkheid ging waarover de Koning beschikte. Deze bevoegdheidsbepaling had tot doel, indien de toestand van de begroting het toeliet, de farmaceutische firma's deze bijdrage niet ambtshalve op te leggen.

Deze veeleer verzoenende manier van optreden is uiteindelijk nadelig uitgevallen voor de verzekering voor geneeskundige verzorging aangezien de beroepen die de farmaceutische firma ingesteld hebben tegen de twee besluiten, aanleiding kunnen geven tot hun nietigverklaring.

Indien deze heffingen vernietigd worden, kan het huidige budgettair evenwicht in zijn geheel op de helling komen te staan en zullen nieuwe maatregelen met een gelijkwaardige opbrengst noodzakelijk zijn.

Op zuiver administratief vlak en rekening houdende met het feit dat alle firma's uit de sector de verschuldigde bijdragen hebben gestort (informatie bevestigd door het RIZIV op 26 januari 1998) zou de nietigverklaring van deze koninklijke besluiten complexe procedures op gang brengen met schadelijke gevolgen voor de administratie maar ook voor de firma's.

Teneinde de stelsels van verzekering voor geneeskundige verzorging levensvatbaar te houden, is het dankzij de voorgestelde artikelen dan ook niet meer nodig nieuwe vervangingsmaatregelen te nemen in het kader van de financiering van de verzekering en kan de begroting binnen strikt bepaalde grenzen gehouden worden.

Krachtens de beslissing van de Ministerraad van 7 oktober 1997 wordt de heffing op de omzet verlengd voor 1998.

De voorgaande spreker merkt nog op dat de regelgeving terzake van de heffing, opgelegd aan de farmaceutische industrie, zeer verward en ondoorzichtig is. Dat geeft te denken over de wijze waarop gewerkt wordt. Bovendien is men blijkbaar nog niet bij machte om te zeggen wanneer artikel 134 in werking zal treden. In het volgende artikel wordt bepaald dat de Koning die datum zal vaststellen.

Ten gronde merkt de spreker op dat de farmaceutische sector langzaam wordt gewurgd. Van 1990 tot 1996 werden bijkomende inspanningen opgelegd aan de farmaceutische sector ten belope van 20 miljard frank. Afgezien van de vraag of die inspanningen gerechtvaardigd zijn of niet, is er één element dat zeer negatief werkt op de bedrijven, namelijk de rechtsonzekerheid omtrent het soort bijdrage dat zij moeten betalen. De bedrijven kunnen in die omstandigheden niet werken en op termijn dreigt de farmaceutische industrie in ons land te verdwijnen.

Op het ogenblik dat de bedrijven beslissen het land te verlaten, is het onherroepelijk te laat.

Men dient ook onder ogen te zien dat de evolutie van de farmaceutische verstrekkingen niet onder controle is. De groeicijfers in het geneesmiddelenverbruik wijken niet af van de cijfers in de andere sectoren van de gezondheidssector. Wat wel opvalt, is dat de begrotingsdoelstellingen opgelegd in de farmaceutische sector altijd onrealistisch zijn geweest.

De minister merkt op dat voor 1998 2,5 miljard frank bij het basisbedrag werd gevoegd, basisbedrag dat zelf al gestegen was ten overstaan van 1997. De honoraria van de artsen daarentegen stijgen bijna niet, vandaar hun vraag om een herwaardering van 10 miljard frank gedurende drie jaar.

Het commissielied repliceert dat men voor de jaren 1994, 1995 en 1996 in de omgekeerde richting evolueerde en onrealistische begrotingsdoelstellingen vooropstelde. Het is niet door de invoering van heffingen dat men de uitgaven onder controle kan brengen.

De minister merkt op dat sommige firma's een heffing verkiezen boven structurele maatregelen.

Het lid herhaalt dat vooral de onzekerheid problemen veroorzaakt voor de sector.

Hij wijst er voorts op dat de bijkomende heffing opgelegd in artikel 134, grote distorsies meebrengt tussen de diverse firma's al naargelang de sector waaraan zij leveren. Meer bepaald het Rode Kruis wordt door deze maatregel zwaar getroffen.

De minister antwoordt dat met het Rode Kruis een regeling werd getroffen. De gevoerde briefwisseling terzake zal aan de commissieleden worden bezorgd.

Een ander commissielid maakt melding van een brief van de minister van 8 december 1997 gericht aan de heer Massart van de Algemene Vereniging van de Geneesmiddelenindustrie (AVGI), waarin hij spreekt van « een stok achter de deur » (zie antwoord van de heer Massart opgenomen in bijlage 3).

Welnu, het voorgestelde artikel 15bis , derde alinea, beantwoordt niet aan die brief. De heffing wordt op 4 % vastgesteld, terwijl aan AVGI geschreven wordt dat het om een eventueel in te voeren heffing gaat.

Volgens de minister is er geen tegenspraak tussen de tekst van de programmawet en de brief die zij op 8 december 1997 aan de voorzitter van de AVGI heeft toegezonden. In de brief aan de voorzitter van AVGI staat duidelijk dat deze bijkomende heffing moet worden aangezien als een « stok achter de deur » en dat deze heffing niet zal worden doorgevoerd indien de farmaceutische industrie een valabel en transparant tegenvoorstel doet ten belope van 900 miljoen frank. Tot op heden werd een dergelijk voorstel niet gedaan. De tekst van artikel 134, gelezen in samenhang met artikel 135, zegt in feite hetzelfde. Artikel 135 stelt inderdaad dat de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit de datum bepaalt waarop artikel 134 in werking treedt. Met andere woorden, indien de farmaceutische industrie een valabel en structureel besparingsvoorstel doet ten aanzien van de geneesmiddelen afgeleverd in ziekenhuismilieu, dan zal geen uitvoeringsdatum worden bepaald voor het artikel 134.

De bijkomende heffing op de geneesmiddelen verkocht aan ziekenhuizen, die in de plaats komt van de bestaande kortingen, zal worden toegepast op de omzet gerealiseerd in 1997. Welnu, 1997 is nog een jaar waarin de maatregelen ter ontmoediging van de kortingen nog niet van toepassing waren. Er is derhalve een scheeftrekking in de referentieperiode.

De minister heeft verklaard dat de maatregel suppletief is en slechts wordt uitgevoerd wanneer de beoogde besparing van 900 miljoen, voorzien in de begroting 1998, niet zou worden gerealiseerd.

Of die doelstelling word gerealiseerd, hangt af van een aantal omstandigheden waarop de betrokkenen geen vat hebben.

Op deze manier wordt eens te meer onzekerheid in de sector geschapen.

6.11. Financiële bepalingen

Een commissielid constateert dat artikel 140 een overheidssubsidie toekent aan de ziekenfondsen die een dienst geneeskundige verzorging hebben opgericht voor zelfstandigen en leden van kloostergemeenschappen. Is deze dienst bedoeld voor de aanvullende verzekering van kleine risico's voor de zelfstandigen ?

De minister antwoordt dat het om de Staatssubsidie gaat voor de sociale zekerheid van de zelfstandigen, die tot nog toe steeds bij wet werd geregeld. In de toekomst gelden voor die verzekering eveneens de beginselen van het globaal beheer. Het is voor het laatst dat een dergelijke bepaling nog in de programmawet voorkomt.

Het lid vraagt zich af waarom de Koning dan nog voorwaarden moet bepalen voor de toekenning van deze toelage (vierde lid van het voorgestelde artikel 27bis ) en wat wordt verstaan onder de zinsnede in het op een na laatste lid van dit artikel, « ... verschillen in functie van de gezondheidstoestand van de leden... ».

De artikelen 141 en 142 heffen de dubbele controle van de Hulpkas van de Belgische Spoorwegen op. De controle van het RIZIV wordt afgeschaft. Dat is vreemd, aangezien het de bedoeling was deze kas aan dezelfde controleregels te onderwerpen als die die gelden voor de ziekenfondsen.

Het lid vindt het voorts merkwaardig (artikelen 148 en 149) dat de administratiekosten van de mutualiteiten retroactief met 3 miljard frank worden verhoogd op een ogenblik dat bij andere administraties wordt bespaard. Hoe is deze maatregel te verklaren ?

Wat artikel 150 betreft, is het volgens de spreker opvallend dat de regering de schulden van de ziekenfondsen bij amendement ­ zonder advies ­ heeft kwijtgescholden.

De minister merkt op dat de Raad van State wel degelijk advies heeft uitgebracht.

Hetzelfde commissielid merkt op dat, toen men overgegaan is tot de responsabilisering van de ziekenfondsen, de rekeningen-courant van de ziekenfondsen werden geblokkeerd op de stand van zaken op 31 december 1994. Geoordeeld werd dat de schulden uit het verleden de werking van het nieuwe systeem niet zouden mogen hinderen.

De werkgroep Jadot heeft zich over deze problematiek gebogen zonder tot een consensus te komen. De werkgroep vond dat het nieuwe systeem eerst moest worden geëvalueerd.

Het Parlement heeft nog steeds geen kennis van die evaluatie, noch van een voorstel van de Controledienst.

Nu wordt het probleem plots opgelost door bij amendement de schulden kwijt te schelden.

De minister preciseert dat de tweede fase van de financiële verantwoordelijkheid van de ziekenfondsen is ingegaan op 1 januari 1998 na de definitieve afsluiting van de rekeningen en na de aanzuivering van de schulden uit het verleden.

De controledienst voor de ziekenfondsen heeft opgemerkt dat hiervoor een bijkomende wetsbepaling nodig is.

6.12. Nationaal Instituut voor oorlogsinvaliden

Een lid constateert dat, ingevolge artikel 186 het Nationaal Instituut voor oorlogsinvaliden zijn tehuizen en ziekenhuisdiensten kan openstellen voor derden. In welke mate zijn afzonderlijke instellingen nog verantwoord ?

De minister antwoordt dat er in die diensten en tehuizen, die degelijk zijn uitgerust voor zwaar zorgbehoevenden, plaats is voor de opvang van andere personen dan oorlogsinvaliden en rechthebbenden.

Er is een wettelijke bepaling nodig om deze diensten voor derden open te stellen.

6.13. Handvest van de sociaal verzekerde

Een spreekster merkt op dat het Handvest van de sociaal verzekerde de belangen van de consument wil verdedigen telkens wanneer verschillende socialezekerheidsinstellingen informatie moeten meedelen. Deze instellingen moeten tot onderlinge afspraken komen zodat de termijnen worden nageleefd. Spreekster vraagt om aandacht voor dat aspect.

C. ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING

Artikel 40

De heer Coene dient bij dit artikel de volgende amendementen in (nrs. 9 en 10) :

« Dit artikel vervangen als volgt :

« § 1. Bij de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers wordt een Fonds voor collectieve uitrustingen en diensten ingesteld.

§ 2. Het Fonds wordt gefinancierd met ingang van 1 januari 1999 met een bijdrage van 0,05 % ten laste van de werkgever berekend op het loon van de werknemer zoals voorzien in artikel 38 van de wet van 29 juni 1981 zoals gewijzigd bij artikel 54 van de wet houdende sociale bepalingen van ...

§ 3. De opbrengst van deze heffing wordt verdeeld als volgt :

­ 60 % ten voordele van Kind en Gezin;

­ 40 % ten voordele van « Office de la naissance. »

Verantwoording

Kinderopvang is in se een bevoegdheid van de gemeenschappen. Doordat het Fonds voor collectieve uitrustingen en diensten werkt met andere subsidiëringsvoorwaarden dan bijvoorbeeld Kind en Gezin in Vlaanderen leidt dit tot een onduidelijke situatie naar de voorzieningen toe.

Bovendien lijkt een efficiënte aanwending van de middelen onmogelijk wanneer men werkt met verschillende subsidiëringsvoorwaarden en verschillende financieringsbronnen.

Men heeft gepoogd deze kritiek te weerleggen door de taken van het FCUD af te slanken en de klassieke opdrachten te schrappen. Hier moet er echter gewezen worden op het feit dat een verdere ontwikkeling van de kinderopvang binnen de gemeenschappen nu ook betrekking heeft op de opdrachten die in artikel 40 vernoemd worden. Zo bestaat in Vlaanderen sinds 1997 een reglementering en subsidiëring inzake buitenschoolse opvang van kinderen. Er is met andere woorden reeds een eerste overlapping.

Subsidiair :

« In § 2, 2º, van het voorgestelde artikel 107 de woorden « en de voorwaarden waaronder » doen vervallen. »

Verantwoording

Wanneer de regering voorwaarden oplegt waaronder de financiering mag gebeuren dreigt zij het domein van de kwaliteit van de opvang te betreden en dit behoort ontegensprekelijk tot de bevoegdheid van de gemeenschappen.

Een commissielid heeft begrip voor het standpunt van de auteur van het amendement, die pleit voor een duidelijke en doorzichtige structuur voor de kinderopvang. Men dient wel voor ogen te houden dat de gelden, die voor kinderopvang bestemd worden, afkomstig zijn van de werkgevers. Het gaat immers over een patronale bijdrage. De sociale partners wensen de besteding van deze gelden te behouden.

Een andere spreekster is van oordeel dat kinderopvang een zaak is van verschillende gezagsniveaus. Enerzijds zijn er deelaspecten op het federale niveau ­ het geld komt van de arbeidssector ­ en anderzijds zijn er deelaspecten die de gewesten en gemeenschappen aanbelangen, omdat deze bevoegd zijn voor de kinderopvang.

Logisch is dat er voor de sociale partners een taak is weggelegd omdat men niet tegelijktertijd meer flexibiliteit kan eisen en anderzijds niet in de mogelijkheid voorziet om de kinderopvang te organiseren.

Het Fonds voor collectieve uitrustingen en diensten past in het werkgelegenheidsbeleid en in het sociale- zekerheidsbeleid voor werknemers, die steeds meer te maken hebben met flexibiliteit in de ondernemingen.

Voorts is het zo dat de gemeenschappen ook bijdragen in de kinderopvang. De Franse Gemeenschap bijvoorbeeld besteedt daar meer dan 2,5 miljard aan. Ook de gewesten spelen een rol op dat stuk van de werkgelegenheid.

Het optreden van drie gezagsniveaus voor taken die tegelijkertijd tot de federale, communautaire en gewestelijke bevoegdheden behoren, heeft de discussie tijdens de jongste jaren naar het politieke vlak gebracht.

Dat de maatregel structureel is geworden kan voor de betrokken sector een houvast betekenen.

De minister wijst erop dat het Overlegcomité de balans heeft opgemaakt van de maatregelen die ter sprake zijn gekomen tijdens de Interministeriële conferentie voor kinderen, waar ondermeer de kinderopvang op de agenda stond.

Een commissielid vraagt zich af wat kinderopvang te maken heeft met een werkgeversbijdrage.

Hetzelfde lid wijst voorts op de discrepantie tussen Vlaanderen en Wallonië wat het aantal ingediende projecten betreft. Voor Vlaanderen werden in 1996 en 1997 projecten gefinancierd ten belope van respectievelijk 241 en 171 miljoen frank. Voor Wallonië waren die bedragen : 487 en 813 miljoen frank.

De voorgaande spreekster betwist deze cijfers niet. De Rijksdienst voor Kinderbijslag voor werknemers oefent trouwens een strengere controle uit op de conformiteit van de ingediende projecten met het bijzonder reglement.

Deze strengere controle heeft reeds tot een evenwichtiger situatie geleid.

Van de andere kant mag men niet vergeten dat, in de sector van de gezinshulp, er de jongste 20 jaar een onevenwicht geweest is ten gunste van Vlaanderen.

De auteur van het amendement komt terug op het fundamenteel probleem dat hier rijst. Op een ogenblik dat er sprake is van een noodzakelijke vermindering van de loonkosten institutionaliseert men een bijdrage.

Het doel van heel het project is een goed werkende kinderopvang. Het is duidelijk dat zulks niet kan met de regeling zoals ze thans bestaat. Die regeling leidt onvermijdelijk tot overlappingen.

De amendementen worden verworpen met 8 tegen 3 stemmen.

Artikel 54

De heer Coene dient het volgende amendement in (nr. 11) :

« Dit artikel doen vervallen. »

Verantwoording

Het financieren van kinderopvanginitiatieven behoort niet tot de essentiële taken van de sociale zekerheid, meer nog is een bevoegdheid die uitdrukkelijk is toegewezen aan de gemeenschappen. We verwijzen hier naar bijvoorbeeld de reglementering van de buitenschoolse opvang in de Vlaamse Gemeenschap. Het lijkt dus niet aangewezen om de financiering van de kinderopvang te institutionaliseren in de sociale zekerheid.

Dit amendement wordt verworpen met 8 tegen 3 stemmen.

Artikel 55

De heer Coene dient het volgende amendement in (nr. 12) :

« Dit artikel doen vervallen. »

Verantwoording

Dit amendement vloeit voort uit het amendement op artikel 54. Bovendien is het niet aangewezen dat middelen die geïnd zijn ter financiering van de gezinsbijslag worden aangewend om kinderopvang te financieren, een bevoegdheid die thuishoort bij de gemeenschappen.

Dit amendement wordt verworpen met 8 tegen 3 stemmen.

Artikel 56

De heer Coene dient het volgende amendement in (nr. 13) :

« Dit artikel doen vervallen. »

Verantwoording

Zie verantwoording bij artikel 54.

Dit amendement wordt verworpen met 8 tegen 3 stemmen.

Artikel 57

De heer Coene dient het volgende amendement in (nr. 14) :

« Dit artikel doen vervallen. »

Verantwoording

Zie verantwoording bij artikel 54.

Dit amendement wordt verworpen met 8 tegen 3 stemmen.

Artikel 58

De heer Coene dient het volgende amendement in (nr. 15) :

« In het voorgestelde artikel 14, het tweede lid doen vervallen. »

Verantwoording

De sociale zekerheid wordt vandaag beheerd volgens het principe van het globaal beheer, wat betekent dat de takken de middelen toebedeeld krijgen volgens hun behoeften.

Bovendien bepaalt artikel 12 van het koninklijk besluit van 8 augustus 1997 dat de reserves van de regelingen die vallen onder het globaal beheer en die hun oorsprong vinden in de periode vóór 1995 worden overgedragen aan het globaal beheer, zij het dat zij een schuldvordering zonder interesten behouden op de RSZ-Globaal beheer.

In deze context lijkt het overbodig dat deze sociale programmawet een artikel bevat dat voorziet in een overdracht vanuit het reservefonds van het RKW naar het educatief verlof.

Dit amendement wordt verworpen met 8 tegen 3 stemmen.

Artikel 85

De heer Coene dient het volgende amendement in (nr. 16) :

« Dit artikel aanvullen als volgt :

« Met diensten thuisverpleging worden bedoeld de diensten die werken met verpleegkundigen zowel in dienstverband als in zelfstandig statuut. »

Verantwoording

Het amendement heeft tot doel de diensten van thuisverpleging die werken met loondienstverpleegkundigen enerzijds en de diensten die werken met verpleegkundigen die een overeenkomst voor zelfstandige samenwerking hebben afgesloten anderzijds, op gelijkwaardige wijze via hun verpleegkundigen vertegenwoordigd te zien in de overeenkomstencommissie.

De wettelijke gelijkschakeling is trouwens al gebeurd op het Vlaamse niveau in het decreet Weckx.

De minister merkt op dat deze toevoeging overbodig is.

Het amendement wordt verworpen met 8 tegen 3 stemmen.

Artikel 99

De heer Hatry dient het volgende amendement in (nr. 1) :

« Dit artikel doen vervallen. »

Verantwoording

Het artikel waarvan in dit amendement wordt voorgesteld dat het zou worden weggelaten, strekt ertoe de artsen die geen overeenkomst hebben gesloten, te verbieden het bedrag van hun honoraria vrij te bepalen.

Zulks is in tegenspraak met de essentie van de Belgische regeling inzake overeenkomsten artsen-ziekenfondsen. Indien dit artikel wordt aangenomen, zou dat een eerste stap betekenen in de richting van de afschaffing van de huidige regeling. Op termijn zou zulks ertoe leiden dat de ziekenhuisartsen zonder meer ambtenaar worden. In feite dreigt deze aanpak de kwaliteit van de geneeskundige verzorging aan te tasten.

Voorts worden de honorariumsupplementen voor een groot deel aangewend om het financiële evenwicht te vrijwaren van de privé-ziekenhuizen die deze supplementen aanrekenen. Indien de mogelijkheid om supplementen aan te rekenen zou worden beperkt, zouden deze instellingen ongetwijfeld in financiële moeilijkheden geraken.

De regels die in dit artikel worden voorgesteld, dreigen bovendien de toekomstige overeenkomsten artsen-ziekenfondsen te hypothekeren en bijgevolg de algemene tariefzekerheid van de patiënten in gevaar te brengen.

Het lijkt dan ook raadzaam dit artikel niet aan te nemen.

Dit amendement wordt verworpen met 8 stemmen bij 3 onthoudingen.

Artikel 100

De heer Hatry dient het volgende amendement in (nr. 2) :

« Dit artikel doen vervallen. »

Verantwoording

Het artikel waarvan in dit amendement wordt voorgesteld dat het zou worden weggelaten, strekt ertoe de artsen die geen overeenkomst hebben gesloten, te verbieden het bedrag van hun honoraria vrij te bepalen.

Zulks is in tegenspraak met de essentie van de Belgische regeling inzake overeenkomsten artsen-ziekenfondsen. Indien dit artikel wordt aangenomen, zou dat een eerste stap betekenen in de richting van de afschaffing van de huidige regeling. Op termijn zou zulks ertoe leiden dat de ziekenhuisartsen zonder meer ambtenaar worden. In feite dreigt deze aanpak de kwaliteit van de geneeskundige verzorging aan te tasten.

Voorts worden de honorariumsupplementen voor een groot deel aangewend om het financiële evenwicht te vrijwaren van de privé-ziekenhuizen die deze supplementen aanrekenen. Indien de mogelijkheid om supplementen aan te rekenen zou worden beperkt, zouden deze instellingen ongetwijfeld in financiële moeilijkheden geraken.

De regels die in dit artikel worden voorgesteld, dreigen bovendien de toekomstige overeenkomsten artsen-ziekenfondsen te hypothekeren en bijgevolg de algemene tariefzekerheid van de patiënten in gevaar te brengen.

Het lijkt dan ook raadzaam dit artikel niet aan te nemen.

Dit amendement wordt verworpen met 8 stemmen bij 9 onthoudingen.

Artikel 101

De heer Hatry dient het volgende amendement in (nr. 3) :

« Dit artikel doen vervallen. »

Verantwoording

Het artikel waarvan in dit amendement wordt voorgesteld dat het zou worden weggelaten, strekt ertoe de artsen die geen overeenkomst hebben gesloten, te verbieden het bedrag van hun honoraria vrij te bepalen.

Voorts worden de honorariumsupplementen voor een groot deel aangewend om het financiële evenwicht te vrijwaren van de privé-ziekenhuizen die deze supplementen aanrekenen. Indien de mogelijkheid om supplementen aan te rekenen zou worden beperkt, zouden deze instellingen ongetwijfeld in financiële moeilijkheden geraken.

De regels die in dit artikel worden voorgesteld, dreigen bovendien de toekomstige overeenkomsten artsen-ziekenfondsen te hypothekeren en bijgevolg de algemene tariefzekerheid van de patiënten in gevaar te brengen.

Het lijkt dan ook raadzaam dit artikel niet aan te nemen.

Dit amendement wordt verworpen met 8 stemmen bij 3 onthoudingen.

Artikel 133

De heer Hatry dient bij dit artikel het volgende amendement in (nr. 4) :

« Dit artikel doen vervallen. »

Verantwoording

Dit artikel stelt voor twee koninklijke besluiten bij wet te bekrachtigen. Over die besluiten loopt een procedure bij de Raad van State en ze zullen naar alle waarschijnlijkheid vernietigd worden, gelet op de onregelmatigheden die zijn begaan. In een rechtsstaat is het onaanvaardbaar dat de burgers het fundamenteel recht op een billijk proces wordt ontnomen. Nog erger is het feit dat wanneer burgers op het punt staan hun proces te winnen, de Staat de spelregels met terugwerkende kracht verandert om toch zijn visie op te leggen.

Aan een dergelijk manoeuvre mag het Parlement zijn medewerking niet verlenen. Een dergelijke zet brengt de wetgevende macht in diskrediet, schept gevaarlijke precedenten en stelt België bloot aan een mogelijke veroordeling door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

Bovendien wordt met dit artikel een lineaire maatregel ingesteld, die het evenwel niet mogelijk maakt op termijn de uitgavengroei inzake geneeskundige verzorging in te perken. Het blijft overigens wachten op de tenuitvoerlegging van de aangekondigde structurele ingrepen.

De heer Coene dient de volgende amendementen in (nrs. 17 en 18) :

« Dit artikel doen vervallen. »

Verantwoording

Artikel 133 voorziet in het legaliseren van twee koninklijke besluiten (koninklijk besluit van 22 december 1995 en koninklijk besluit van 28 oktober 1996), waarbij voor de jaren 1995 (2 %) en 1996 (3 %) een heffing op de omzet van farmaceutische producten ten laste van de farmaceutische firma's wordt voorzien. Voor beide besluiten werd een beroep tot vernietiging ingediend bij de Raad van State. Hierdoor is de ontvangst van deze heffing onzeker geworden. De betwiste koninklijke besluiten worden nu echter volledig opgenomen in het wetsontwerp om ze met terugwerkende kracht te laten bevestigen door de wetgever.

De regering beweert in haar memorie van toelichting bij het wetsontwerp dat het legaliseren van de twee koninklijke besluiten in artikel 133 waarvoor een beroep tot vernietiging werd ingediend bij de Raad van State geenszins de bedoeling heeft de burgers de bij wet voorziene beroepsmogelijkheden te ontnemen door de beroepen bij de Raad van State aan zijn werkingssfeer te onttrekken, maar verantwoordt dit door te verwijzen naar de voor een goed beheer van de sociale zekerheid nodige stabiliteit.

De indieners van dit amendement zijn er echter van overtuigd dat het onaanvaardbaar is de desbetreffende koninklijke besluiten met terugwerkende kracht te legaliseren op het ogenblik dat daarover nog rechtsgedingen aanhangig zijn. Uit de voorafgaande opmerkingen van het advies van de Raad van State op de eerste versie van het ontwerp blijkt dat met het geven van terugwerkende kracht aan sommige bepalingen van het ontwerp wordt ingegrepen in rechtsgedingen welke hangende zijn voor hoven en rechtbanken of de Raad van State. Dergelijke ingreep in hangende rechtsgedingen komt er dan ook op neer dat het grondwettelijk gelijksheidsbeginsel wordt geschonden. Eveneens zal het wetgevend optreden dat gevolgen heeft voor een geschil dat hangende is voor de rechter en waarbij de overheid partij is, ook aan artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden kunnen worden getoetst.

Subsidiair :

« In het voorgesteld 15º, in het derde lid, het cijfer « 4 » vervangen door het cijfer « 3 »

Verantwoording

Het steeds verhogen van de heffing ten laste van farmaceutische bedrijven biedt geen fundamentele oplossing voor de betaalbaarheid van de gezondheidszorgen. Voorgesteld wordt dan ook de heffing op het niveau van de vorige jaren te handhaven, namelijk 3 %.

De minister verwijst naar de toelichting die zij tijdens de algemene bespreking heeft verstrekt.

De drie amendementen worden verworpen met 8 tegen 3 stemmen.

Artikel 134

De heer Hatry dient bij dit artikel de volgende amendementen in (nrs. 5, 6 en 22) :

« Dit artikel doen vervallen. »

Verantwoording

Met dit artikel wordt een lineaire maatregel ingesteld, die het evenwel niet mogelijk maakt op termijn de uitgavengroei inzake geneeskundige verzorging in te perken. Het blijft overigens wachten op de tenuitvoerlegging van de aangekondigde structurele ingrepen.

Eerste subsidiair :

« A. In het derde lid van het voorgestelde 15ºbis de woorden « in het jaar 1997 » vervangen door de woorden « in het jaar 1998. »

Verantwoording

Dit artikel voert een bijkomende heffing in die ten laste komt van de farmaceutische bedrijven en berekend wordt op de omzet « op de Belgische markt van de geneesmiddelen, ingeschreven op de lijsten van de vergoedbare farmaceutische verstrekkingen en afgeleverd door een ziekenhuisapotheek ».

Volgens de regering is deze nieuwe heffing ingegeven door reglementaire maatregelen die het toekennen van kortingen door farmaceutische bedrijven aan ziekenhuizen willen tegengaan. Nu is het evenwel zo dat deze maatregelen ten vroegste in de loop van 1998 gevolgen zullen hebben, terwijl de heffing reeds van toepassing is op de omzet over 1997. Dat betekent dus op een periode waarin de ziekenhuizen de werkelijke aankoopprijs nog niet hoefden aan te rekenen aan het RIZIV.

Bovendien zal deze maatregel het tekort van de ziekenhuizen nog doen toenemen !

Voorgesteld wordt dus bij de berekening van deze heffing uit te gaan van de omzet over 1998.

« B. Aan hetzelfde lid de volgende volzin toevoegen :

« Deze heffing wordt per kwartaal geheven op basis van de omzet van dat kwartaal. Die omzet moet worden opgenomen in een voor waar verklaarde aangifte. »

Verantwoording

Met dit amendement kan de minister de verbintenis invullen die zij aangegaan heeft tegenover de farmaceutische industrie om die heffing alleen te innen wanneer en in zoverre het tekort van het RIZIV dat kan verantwoorden tot het beloop van maximum 900 miljoen frank. Die belofte kan zij alleen dan waarmaken indien haar verbintenis elk kwartaal kan worden getoetst.

Tweede subsidiair :

« Het derde lid van het voorgestelde 15ºbis vervangen als volgt :

« Voor het jaar 1998 mag het bedrag van deze heffing niet meer bedragen dan 4 % van de omzet gerealiseerd in het jaar 1998. Deze heffing wordt alleen dan geïnd wanneer de bezuinigingen voor een bedrag van 900 miljoen frank in 1998 niet worden gehaald in de sector van de betrokken bedrijven.

Worden die bezuinigingen maar ten dele gehaald, dan wordt de heffing vastgesteld in verhouding tot het saldo van de te halen bezuinigingen. »

Verantwoording

De regering wil ten laste van de farmaceutische industrie 900 miljoen frank bezuinigen op de geneesmiddelen die in 1998 aan de ziekenhuissector worden geleverd. In brieven met de industrie heeft de regering meegedeeld dat de ontworpen maatregel van aanvullende aard is, dat wil zeggen dat die alleen zal worden genomen ingeval de voor 1998 geplande bezuinigingen van 900 miljoen frank op de aan de ziekenhuissector geleverde geneesmiddelen, niet worden gehaald.

Dit amendement past de teksten dienovereenkomstig aan om bij de uitvoering ervan de rechtszekerheid te waarborgen.

De heer Coene dient de volgende amendementen in (nrs. 19 en 20) :

« Dit artikel doen vervallen. »

Verantwoording

In artikel 134 wordt een bijkomende heffing voorzien ten laste van de farmaceutische firma's op de omzet van farmaceutische producten afgeleverd door een ziekenhuisapotheek of een geneesmiddelendepot. Voor 1998 wordt de heffing vastgesteld op 4 % van de omzet gerealiseerd in 1997. Dit zou betekenen dat farmaceutische producten afgeleverd door een ziekenhuisapotheek tweemaal worden belast omdat zij eveneens het voorwerp uitmaken van de algemene heffing uit artikel 133.

In 1997 werden bovendien nog kortingen van farmaceutische firma's aan ziekenhuizen toegekend en waren de voorziene maatregelen ter ontmoediging van deze korting nog niet van toepassing. De voornoemde bijkomende heffing zou volgens de indieners van dit amendement hoogstens uitwerking kunnen krijgen na de invoering van de maatregelen tot ontmoediging van de vermelde kortingen.

Subsidiair :

« In het voorgestelde 15ºbis, in het derde lid, het cijfer « 4 » vervangen door het cijfer « 3 .»

Verantwoording

Het steeds verhogen van de heffing ten laste van farmaceutische bedrijven biedt geen fundamentele oplossing voor de betaalbaarheid van de gezondheidszorgen. Voorgesteld wordt dan ook de heffing op het niveau van de vorige jaren te handhaven, namelijk 3 %.

De amendementen nrs. 5 en 19 worden verworpen met 8 tegen 2 stemmen.

Amendement nr. 20 wordt met dezelfde stemmenverhouding verworpen.

De amendementen nrs. 6 en 22 worden eveneens verworpen met 8 tegen 2 stemmen.

Artikel 135

De heer Hatry dient het volgende amendement in (nr. 7) :

« Dit artikel doen vervallen. »

Verantwoording

Met dit artikel wordt een lineaire maatregel ingesteld, die het evenwel niet mogelijk maakt op termijn de uitgavengroei inzake geneeskundige verzorging in te perken. Het blijft overigens wachten op de tenuitvoerlegging van de aangekondigde structurele ingrepen.

Dit amendement wordt verworpen met 8 tegen 2 stemmen.

Artikel 136

De heer Hatry dient het volgende amendement in (nr. 8) :

« Dit artikel doen vervallen ».

Verantwoording

Dit artikel stelt voor twee koninklijke besluiten bij wet te bekrachtigen. Over die besluiten loopt een procedure bij de Raad van State en ze zullen naar alle waarschijnlijkheid vernietigd worden, gelet op de onregelmatigheden die zijn begaan. In een rechtsstaat is het onaanvaardbaar dat de burgers het fundamenteel recht op een billijk proces wordt ontnomen. Nog erger is het feit dat wanneer burgers op het punt staan hun proces te winnen, de Staat de spelregels met terugwerkende kracht verandert om toch zijn visie op te leggen.

Aan een dergelijk manoeuvre mag het Parlement zijn medewerking niet verlenen. Een dergelijke zet brengt de wetgevende macht in diskrediet, schept gevaarlijke precedenten en stelt België bloot aan een mogelijke veroordeling door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

Bovendien wordt met dit artikel een lineaire maatregel ingesteld, die het evenwel niet mogelijk maakt op termijn de uitgavengroei inzake geneeskundige verzorging in te perken. Het blijft overigens wachten op de tenuitvoerlegging van de aangekondigde structurele ingrepen.

Dit amendement wordt verworpen met 8 tegen 2 stemmen.

Artikel 150

De heer Coene dient het volgende amendement in (nr. 21) :

« Dit artikel doen vervallen. »

Verantwoording

Toen in 1993 artikel 133bis van de toenmalige wet van 9 augustus 1963, vandaag artikel 200 van de ZIV-wet, werd gewijzigd werden voor de toekomst nieuwe parameters vastgesteld voor de verdeling van de middelen tussen de ziekenfondsen en werden de rekeningen-courant geblokkeerd op datum van eind 1994.

De werkgroep Jadot boog zich over het probleem van de financiële verantwoordelijkheid van de ziekenfondsen en werkte voor de toekomst verdeelsleutels uit. Over het kwijtschelden van de opgebouwde schulden, zijnde het aanzuiveren van de rekeningen-courant, ten aanzien van het RIZIV was men veel minder duidelijk. De werkgroep-Jadot was verdeeld tussen twee strekkingen. De ene strekking deelde de overtuiging dat met het nieuwe systeem van financiële verantwoordelijkheid alleen kon worden begonnen als de schulden op de rekeningen-courant volledig werden kwijtgescholden. De andere strekking maande tot meer voorzichtigheid aan en vond dat over die aanzuivering ten vroegste nagedacht kan worden na twee jaar werking van het nieuwe systeem en op voorwaarde dat de responsabiliseringsoperatie na een evaluatie gunstig wordt beschouwd.

De oppositie heeft tot op heden geen evaluatie van twee jaar responsabilisering van de ziekenfondsen gezien. Alleen heeft zij vastgesteld dat via de introductie van de term « exogene factoren » zowel de regering als de mutualiteiten een achterpoortje hebben gevonden om te ontsnappen aan de financiële responsabilisering.

Bovendien moet erop gewezen worden dat na het financiële debacle van het jaar 1996 de reservefondsen van de ziekenfondsen bijna leeg zijn, bijgevolg beperkt het responsabiliseringsvermogen van de mutualiteiten zich tot uiterst beperkte middelen.

Vooraleer wordt overgegaan tot een aanzuivering van de rekeningen-courant van de ziekenfondsen moet eerst een grondig debat worden gevoerd in het Parlement, gezien het een nettoschuld van 54 miljard aan het RIZIV betreft. De eenvoudige kwijtschelding van een dergelijke schuld aan de ziekenfondsen staat in schril contrast met de vele maatregelen die ten laste van burgers getroffen worden om met veel moeite een miljardje te besparen. Denken we maar aan de maatregel van de minister van Pensioenen om niet langer de pensioentjes van minder dan 3 347 frank per jaar uit te betalen.

Dit amendement wordt verworpen met 8 tegen 3 stemmen.

Artikel 153

Bij de lezing van het verslag wijst de minister op een incoherentie tussen het laatste lid van artikel 153 en de artikelen 98 tot 102 van het wetsontwerp, die handelen over de honorariumsupplementen.

Het huidige artikel 138 van de wet op de ziekenhuizen regelt de vaststelling van de honoraria en maakt het ook mogelijk de honorariumsupplementen te beperken.

Met het wetsontwerp houdende sociale bepalingen wordt voorgesteld een bepaling betreffende de honorariumsupplementen op te nemen in de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen. Met artikel 99 van het wetsontwerp wordt namelijk een artikel 50bis in de laatstgenoemde wet ingevoegd dat het probleem van de honorariumsupplementen regelt voor de sociaal verzekerden.

Gevolg hiervan is dat het bestaande artikel 138 van de wet op de ziekenhuizen wordt opgeheven. Het wordt vervangen door een andere bepaling ­ zie artikel 101 van het wetsontwerp ­ die de Koning machtigt de bepalingen van artikel 50bis van ZIV-wet uit te breiden tot patiënten die niet onder de toepassingssfeer van deze wet vallen.

De bepaling van artikel 138 van de wet op de ziekenhuizen dient dus van kracht te blijven totdat het artikel 50bis van de ZIV-wet in werking treedt, namelijk tot 1 december 1998 (zie artikel 100 van het wetsontwerp).

Het gaat hier dus kennelijk om een vergissing en het laatste lid van artikel 153 zou moeten worden vervangen als volgt :

« Artikel 98 treedt in werking op 1 januari 1998.

Artikel 101 treedt in werking op 1 december 1998. »

De commissie is het hiermee eens en besluit de verbetering voorgesteld door de minister, aan te brengen.

II. VOLKSGEZONDHEID EN PENSIOENEN

UITEENZETTING VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID EN PENSIOENEN

De uiteenzetting van de minister heeft betrekking op de Titels 3 ­ Volksgezondheid (artikelen 201 tot en met 226) en 4 ­ Pensioenen (artikelen 227 tot en met 244) van het wetsontwerp.

1. Volksgezondheid

Met de artikelen 201 tot en met 203 wordt de wettelijke basis gecreëerd voor de Planningscommissie om ook voor de kinesitherapeuten prognoses op te stellen inzake de toekomstige behoeften. De Planningscommissie kan dit nu reeds doen voor de geneesheren en de tandartsen.

De artikelen 211 tot en met 221 handelen over het Instituut voor Veterinaire Keuring (IVK). Er wordt bepaald dat dierenartsen geen magistrale bereidingen meer mogen klaarmaken.

Voorts wordt wettelijk vastgelegd dat het IVK over een reserve mag beschikken.

Eventuele overschotten moeten, volgens de algemeen geldende regeling, terug naar de staatskas vloeien.

Welnu, België is het enige land dat geen ondersteuning geeft aan deze controle-instelling, waardoor ons land al in een nadelige concurrentiële positie staat ten opzichte van andere landen.

Bovendien waren er in het verleden wanbetalingen, die het instituut tracht te recupereren.

De overschotten van een bepaald boekjaar zijn derhalve niet noodzakelijk structureel en recurrerend.

Het wetsontwerp bevat voorts een bepaling die het mogelijk maakt de wervingsreserve van dierenartsen te verruimen.

Artikel 222 van het wetsontwerp heeft betrekking op het Wetenschappelijk Instituut voor Volksgezondheid ­ Louis Pasteur, dat de mogelijkheid krijgt retributies te heffen wanneer het voor derden werkt.

Ten slotte is er artikel 223, dat betrekking heeft op het Rode Kruis. Deze instelling werkt onder meer met een bepaald percentage van de verzekeringspremies. De maximumgrens ­ thans 0,25 % op de premies voor de autoverzekering ­ wordt op 1 % gebracht.

2. Pensioenen

Titel 4 van het wetsontwerp bevat eerst en vooral een drietal artikelen die voortvloeien uit een stelling van de Raad van State luidens welke er een duidelijke wettelijke basis dient te komen met betrekking tot de Brusselse instellingen en de bijdrage die deze instellingen betalen zowel voor de rust- als voor de overlevingspensioenen.

Voorts zijn er de artikelen 230 en 231, die betrekking hebben op De Post en de Regie voor maritiem transport. De overheid heeft de pensioenlasten van die instellingen grotendeels overgenomen. Derhalve heeft het geen zin meer te bepalen dat de bijdragen van die instellingen in de Schatkist moeten worden gestort.

De artikelen 232 en volgende bieden, wat de vrijwillig verzekerden betreft, aan de ASLK de mogelijkheid de rente te vervangen door een eenmalige uitkering in kapitaal. Eventueel overblijvende dossiers kunnen worden overgenomen door de Rijksdienst voor pensioenen (RVP). Aan de RVP wordt voorts de mogelijkheid gegeven dadingen af te sluiten, hetgeen totnogtoe niet kan.

Een andere bepaling heeft betrekking op de zeevarenden. Bij de uitvlagging van het personeel, enkele jaren terug, werd bepaald dat zowel de bijdrage als de berekening van het wettelijk pensioen gebaseerd zou zijn op een forfait van maximum 1 000 frank per dag. De werkgevers zouden bovendien instaan voor een bovenwettelijk pensioen. Dat bovenwettelijk pensioen is er nooit gekomen. Voortaan wordt de bijdrage en het pensioen weer berekend op het volle loon. Voor de jaren 1994 tot 1996 wordt een regularisatie doorgevoerd.

Een volgend probleem heeft betrekking op het brugpensioen. Voor de werknemersregeling is er een cumulatieverbod tussen het pensioen en het supplementair deel dat door de werkgever wordt betaald in de brugpensioenregeling en dat door de Europese Unie als loon wordt beschouwd. Dit cumulatieverbod wordt uitgebreid naar de regeling van de zelfstandigen voor degenen die een gemengde loopbaan hebben gehad.

Ingevolge het Handvest van de sociaal verzekerde is de RVP intrest verschuldigd wanneer het verschil tussen het voorschot en het definitief pensioenbedrag meer dan 10 % is. Met het ontwerp worden op die bepaling uitzonderingen voorgesteld. Zo is geen intrest verschuldigd wanneer andere instellingen oorzaak zijn van vertraging in de afhandeling van een pensioendossier.

Ten slotte is er nog een artikel dat bij amendement in de Kamer van volksvertegenwoordigers werd ingevoegd en betrekking heeft op de samenstelling van de Raad voor uitbetaling van de voordelen, opgericht binnen de RVP.

Met artikel 244 van het wetsontwerp wordt het mogelijk ook personen die geen deel uitmaken van het Beheerscomité, in die Raad te benoemen.


Over deze bepalingen van het wetsontwerp worden geen opmerkingen gemaakt.

III. SOCIAAL STATUUT VAN DE ZELFSTANDIGEN EN DE KMO's

UITEENZETTING VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW EN DE KLEINE EN MIDDELGROTE ONDERNEMINGEN

De minister verstrekt de hiernavolgende uitleg bij titel 5 van het wetsontwerp (artikel 245 tot en met 250).

Deze titel bevat twee hoofdstukken; het eerste betreft het faillissement, het tweede stelt een wijziging voor van de steunregeling voor vervroegde uittreding (VUT) in de landbouwsector.

Wat het faillissement betreft, voorziet het wetsontwerp in een aanpassing van het Gerechtelijk Wetboek om te vermijden dat de uitkeringen in het kader van de sociale verzekering ­ 25 000 of 30 000 frank ­ vatbaar zouden zijn voor beslag.

Voorts wordt een verjaringstermijn van drie jaar bepaald, respectievelijk voor de vordering tot betaling en de vordering tot terugbetaling. Stuiting van de verjaring kan bij aangetekend schrijven geschieden.

Ingeval van bedrieglijk opzet of valse verklaringen is de verjaringstermijn voor de terugvordering vijf jaar.

Een ander artikel bepaalt dat de sociale verzekeringsfondsen verantwoordelijk kunnen worden gesteld wanneer zij nalaten een terugvordering te doen.

Het artikel 250 met betrekking tot de VUT-regeling bepaalt de procedure van terugvordering van ten onrechte uitbetaalde supplementen.

Er wordt in verschillende middelen voorzien : een regeling in der minne met het ministerie van Landbouw, een inhouding door de Rijksdienst voor pensioenen en de andere ter beschikking staande rechtsmiddelen.

Dit artikel heeft betrekking op een aantal concrete dossiers, zoals door de minister in de Kamercommissie gepreciseerd (Stuk Senaat nr. 1184/5, blz. 2).


Over de bepalingen van deze titel worden geen opmerkingen gemaakt.

IV. TITEL 6 - SOCIALE INTEGRATIE (art. 251 tot 284)

A. UITEENZETTING VAN DE STAATSSECRETARIS VOOR VEILIGHEID, LEEFMILIEU EN MAATSCHAPPELIJKE INTEGRATIE

Inzake dringende medische hulpverlening wordt de wettelijke basis verstrekt voor een aantal zaken die reeds waren ingeburgerd, maar die toch in geval van aansprakelijkheidsconflicten voor problemen konden zorgen. Zo is het voortaan zonder belang vanwaar de 100-oproep wordt gedaan.

Er wordt ook een preciezere omschrijving gegeven van het ziekenhuis ­ in principe het dichtstbijzijnde en het best uitgeruste ­ waar de 100-patiënt naar wordt vervoerd. Wanneer het rampenplan wordt afgekondigd is het niet noodzakelijk het dichtstbijzijnde ziekenhuis uiteraard, maar wordt het aantal slachtoffers over een bepaald aantal ziekenhuizen verdeeld. Tenslotte wordt de financiering van het Fonds voor dringende medische hulpverlening herzien. Dit Fonds is een soort waarborgfonds dat MUG's en ambulanciers vergoedt wanneer ze financieel onvermogenden vervoerd hebben.

Hoofdstuk II van titel 6 voorziet in een aantal wijzigingen van de wetgeving met betrekking tot de tegemoetkomingen aan gehandicapten.

Zo wordt bepaald dat een persoon die verhoogde kinderbijslag geniet en die op 21-jarige leeftijd een tegemoetkoming mindervaliden dient aan te vragen, deze tegemoetkoming ontvangt met ingang van die leeftijd, ook al doet hij de aanvraag laattijdig. Mogelijke verwijlintresten lopen evenwel slechts vanaf de datum van de aanvang.

Een ander artikel bepaalt dat bij overlijden van een gehandicapte, eventuele schulden ten aanzien van de administratie niet op de erfgenamen kunnen worden verhaald, tenzij in een drietal bijzondere gevallen.

Artikel 264 bepaalt dat artsen verplicht zijn medische gegevens mede te delen die nodig zijn voor het opmaken van het medisch dossier van de gehandicapten.

Artikel 266 bepaalt dat een bejaarde die de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden ontvangt als allenstaande, dezelfde tegemoetkoming behoudt wanneer hij gaat inwonen bij een familielid in de eerste of de tweede graad.

Artikel 267 maakt het mogelijk de tegemoetkoming voor mindervaliden uit te betalen als voorschot op een andere uitkering, bijvoorbeeld de arbeidsongeschiktheidsuitkering.

Hoofdstuk II bevat bepalingen ter uitvoering van de beslissingen getroffen tijdens de Ministerraad van 30 april 1997 en die gewijd was aan het probleem van de armoede. Op de begroting 1998 werd een bedrag van 500 miljoen frank uitgetrokken om aan de OCMW's bijkomende middelen te verschaffen voor de bestrijding van de armoede en voor de bevordering van de tewerkstelling van de bestaansminimumtrekkers.

In de wet worden vijf beleidspunten ingeschreven :

1º Het financieringsmechanisme naar de OCMW's toe : er komt volledige vrijstelling van patronale bijdragen voor alle « artikel-60'ers ». De middelen die hierdoor vrijkomen moeten worden gerecycleerd naar tewerkstelling, begeleiding of omkadering toe. Het gaat hier om een bedrag van een half miljard op jaarbasis.

2º Het activeringsbeleid voor de bestaansminimumtrekkers wordt gespiegeld aan het beleid dat terzake in de werkloosheidssector wordt gevoerd. De betrokkenen krijgen een baan, de werkloosheidsuitkering of het bestaansminimum wordt gebruikt om het loon mede te financieren. Het moet gaan om bestaansminimumtrekkers die, naargelang het hoog- of laaggeschoolden betreft, respectievelijk 2 of 3 jaar een bestaansminimum genieten. In de werkloosheidssector moet het gaan om langdurig werklozen die dit reeds 5 jaar zijn.

3º Er komt een subsidiëringsmechanisme voor « artikel- 61'ers », waarvoor contracten met privé-bedrijven worden afgesloten.

4º Algemeen worden de tewerkstellingsmogelijkheden uitgebreid van vzw's met een sociaal, cultureel of ecologisch doel naar vennootschappen met een sociaal oogmerk en intercommunales die eenzelfde maatschappelijk doel hebben als de vzw's in kwestie.

5º De gewestelijke huisvestingspremies worden bij de berekening van het bestaansminimum niet meegerekend als inkomen. Voorheen werden deze premies van het bestaansminimum afgetrokken.

Ten slotte worden de bedragen waarin is voorzien in het kader van het programma « activering van langdurige werklozen » de zogenaamde « Smet-banen » ook ingeschreven in de wet op het bestaanminimum.

De diverse bepalingen moeten het onder meer mogelijk maken schuldvergelijking in plaats van terugbetaling mogelijk te maken wanneer aan een OCMW teveel werd gestort. Dit was tot dusver budgettair niet mogelijk. Voorts krijgt het Antigifcentrum voortaan een eigen toelage.

B. ALGEMENE BESPREKING

1. Dringende geneeskundige hulpverlening

Een commissielid wijst erop dat de bestaande omschrijving van dringende geneeskundige hulpverlening eenvoudiger is dan de thans in artikel 251 voorgestelde definitie. Men is er in dertig jaar evenwel niet in geslaagd tussen de diverse ziekenhuizen regelingen te treffen. De thans voorgestelde definitie, alhoewel ingewikkelder, beantwoordt beter aan het gestelde doel.

Een lid merkt vervolgens op dat hij, naar aanleiding van het zware verkeersongeval, twee jaar geleden, in de omgeving van Kruishoutem, gevraagd heeft te voorzien in de mogelijkheid van vervoer per helikopter. Hij moet evenwel vaststellen dat de diensten voor helitransport systematisch worden geweerd, hetgeen veeleer door commerciële dan door medische redenen wordt ingegeven.

Op desbetreffende vragen heeft minister Colla beloofd dat hij deze aangelegenheid zou bestuderen. In het wetsontwerp wordt terzake niets geregeld.

Buitenlandse voorbeelden tonen aan dat vervoer per helikopter in sommige omstandigheden adequater en bovendien vrij goedkoop is en zelfs tot besparingen zou kunnen leiden.

De minister merkt op dat er aan de praktijk van het patiëntenvervoer ingeval van dringende geneeskundige hulpverlening niets wordt gewijzigd. De koninklijke besluiten zullen de bestaande praktijk bevestigen. Met het ontwerp wordt een juridische basis gecreëerd om, zoals in de rampenplannen is bepaald, de patiënten te spreiden over verschillende ziekenhuizen in plaats van ze te vervoeren naar het dichtstbijgelegen ziekenhuis. Zo ook kunnen patiënten met brandwonden voortaan onmiddellijk naar een gespecialiseerd ziekenhuis in plaats van het dichtstbijzijnd ziekenhuis worden overgebracht.

Voor de overgrote meerderheid van de gevallen blijft de regeling derhalve zoals ze is. Die regeling geeft over het algemeen voldoening, afgezien van de zogenaamde grensconflicten in stedelijke agglomeraties.

Wat het helitransport betreft, merkt de minister op dat vergelijkingen met het buitenland ­ waar de afstanden tussen ziekenhuizen doorgaans veel groter zijn ­ niet zinvol zijn. Met uitzondering van de kuststreek is er geen automatische inschakeling van helikopterdiensten in het systeem-100.

Het commissielid herhaalt dat de nieuwe definitie een dringende geneeskundige hulpverlening wel degelijk een verbetering inhoudt; stellen dat die definitie slechts een wettelijke basis verleent aan de huidige situatie strookt niet met de werkelijkheid. Het is niet zo dat er alleen in de stedelijke agglomeraties zogenaamde grensconflicten zijn. Ook in landelijke gebieden zijn er voortdurend problemen. Die problemen zullen nog toenemen wanneer men het aantal MUG's beperkt tot een 65-tal, zodat er per provincie vijf tot zes centra zullen zijn, wat tot gevolg zal hebben dat er nog betere afspraken tussen de ziekenhuizen moeten komen.

Wat de helihulp betreft betwist de spreker de stelling van de staatssecretaris als zou de situatie in andere landen niet vergelijkbaar met die van België. Nederland en het Ruhrgebied in Duitsland zijn te vergelijken met onze situatie. Helivoorziening kan een enorm besparend effect hebben en betekent alleszins een kwalitatieve verbetering.

De staatssecretaris repliceert dat eventuele concurrentie tussen ziekenhuizen niet bij wet kan worden opgelost, maar door afspraken op het terrein.

De staatssecretaris betwist de stelling dat er talrijke conflictsituaties zijn. De oplossing is gelegen in de oprichting van provinciale commissies voor dringende medische hulpverlening ­ oprichting die door de minister van Volksgezondheid wordt voorbereid.

De staatssecretaris merkt ten slotte op dat helitransport in België bestaat, maar hij is geen voorstander van een wildgroei van helidiensten in het systeem-100.

Het commissielid wenst evenmin een wildgroei, maar naar zijn mening zijn vijf helikopters voldoende om heel het Belgisch grondgebied te bestrijken. Bovendien is een helidienst goedkoper en kwalitatief beter.

Een ander lid constateert dat de nieuwe definitie van dringende medische hulpverlening ruimer is dan die van de wet van 8 juli 1964. Het gaat nu over « hulp », een begrip dat ruimer is dan « verzorging ». Heeft de verruiming van de definitie niet tot gevolg dat de taak van de « mobiele urgentiegroepen » (MUG's) wordt verzwaard ?

De minister van Volksgezondheid heeft in de Kamer van volksvertegenwoordigers verklaard dat het aantal MUG's zal worden verhoogd van 63 naar 70. Zal dat voldoende zijn ?

Een andere spreker, hierop inhakend, vraagt hoe ver het staat met het koninklijk besluit dat de erkenningsvoorwaarden voor de MUG's bepaalt. In welke mate heeft de federale overheid nog inspraak in de erkenning ?

Een laatste spreekster wenst te weten of de definitie van « dringende geneeskundige hulpverlening » van artikel 251 dezelfde is als die van de wet betreffende de asielaanvragen. In die wet is bepaald dat degenen aan wie asiel geweigerd wordt en het land moeten verlaten, nog alleen recht hebben op « dringende geneeskundige hulpverlening ».

De staatssecretaris bevestigt dat in artikel 251 van het wetsontwerp een ruimere definitie wordt voorgesteld van het begrip « dringende geneeskundige hulpverlening ». Die ruimere definitie beantwoordt evenwel aan een praktijk die al jaren bestaat in het systeem-100.

Er is derhalve geen verruiming of verzwaring van de taken; het gaat alleen om een actualisering van de definitie, mede om eventuele aansprakelijkheidsproblemen te voorkomen.

Wat de vaststelling van het aantal MUG's betreft, is de minister van Volksgezondheid bevoegd.

De staatssecretaris wijst er ook nog op dat er geen relaties tussen het begrip « dringende medische hulpverlening » van het wetsontwerp en de definitie die van toepassing is op de asielzoekers.

Het dringend karakter van laatstgenoemde, zoals bepaald in het desbetreffende koninklijk besluit (preventief-curatief-extramuraal en intramuraal) wordt bepaald door de behandelende geneesheer.

In het ontwerp gaat het om een actualisering van de definitie van 8 juli 1964 en betreft het vervoer van patiënten in een openbare plaats of een privé-woning naar een ziekenhuis ten gevolge van een ongeval of een acute medische aandoening.

2. Tegemoetkomingen aan gehandicapten

Een lid vraagt, daarbij verwijzend naar artikel 264 van het wetsontwerp, waarom niet wordt overgegaan tot de oprichting van één dienst belast met het onderzoek van de graad van ongeschiktheid. Die dienst zou zowel bevoegd kunnen zijn voor de regelgeving met betrekking tot de gehandicapten, de bejaarden en de personen die het slachtoffer zijn van een arbeidsongeval of een beroepsziekte.

Met betrekking tot artikel 263, letter (c), vraagt het lid of reeds bepaald werd vanaf welk bedrag er niet wordt verzaakt aan ambtshalve terugvordering van ten onrechte uitbetaalde tegemoetkomingen.

De staatssecretaris antwoordt dat de wetgeving, in de verschillende stelsels van arbeidsongeschiktheid specifieke evaluatiecriteria bepaalt. Bij een arbeidsongeval wordt de vermindering van het verdienvermogen geëvalueerd; voor de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden wordt de mate van zelfredzaamheid bepaald.

In het laatste geval evalueert men de daaruit voortvloeiende meeruitgaven; in het eerste geval de vermindering van het inkomen uit arbeid.

Het is derhalve onmogelijk om in de verschillende regelingen één evaluatiesysteem in te voeren.

Artikel 264 heeft alleen betrekking op de medische dienst van het ministerie van Sociale Voorzorg, die nu reeds statueert op basis van het medisch dossier van de huisarts. Er is evenwel een wettelijke bepaling nodig om de huisarts te verplichten die gegevens mee te delen.

Artikel 263 bevestigt volgens de staatssecretaris een bestaande praktijk. Wat het bepaalde onder letter c) betreft, is er nog geen bedrag bepaald. Het is niet de bedoeling om, bijvoorbeeld voor 10 000 frank, de hele procedure op te starten.

Het commissielid wijst op het verschil tussen artikel 263, luidens hetwelk alleen hoge bedragen zullen worden teruggevorderd, en een andere bepaling in het wetsontwerp waarmee een wettelijke basis wordt ingevoerd voor de terugvordering van enkele duizenden franken (artikel 250).

Het lid merkt voorts nog op dat hij niet gepleit heeft voor de gelijkvormigheid van de medische diensten, maar voor de integratie van de verschillende diensten in één centrale dienst.

Een ander lid vraagt nog wat artikel 267 aan de bestaande regeling van de uitkering van voorschotten aan gehandicapten toevoegt. Het lid wenst ook te weten of hiermee de moeilijkheid wordt opgelost voor de gehandicapten die op een bepaald ogenblik aan het werk gaan en die op het ogenblik dat zij niet meer werken, opnieuw een aanvraag moeten indienen.

Aangezien de uitkering berekend wordt op basis van het inkomen van twee jaar terug, heeft de administratie de neiging te wachten totdat dit inkomen haar bekend is alvorens de vergoeding te bepalen. Vandaar de noodzaak van een voorschotverlening.

De staatssecretaris antwoordt dat artikel 267 een regeling invoert volgens welke de dienst mindervaliden een voorschot op een andere uitkering ­ bijvoorbeeld arbeidsongevallen ­ kan toekennen.

Vroeger gold dat alleen voor de inkomensvervangende tegemoetkoming; voortaan geldt dat ook voor de integratietegemoetkoming.

Een mindervalide, die een tewerkstelling van minder dan zes maanden heeft gehad, ontvangt in voorkomend geval onmiddellijk de voorheen uitbetaalde tegemoetkoming.

3. Armoede en sociale integratie

Een commissielid merkt op dat de bepalingen van hoofdstuk III weliswaar zeer positief klinken, maar dat men toch oog dient te hebben voor de gevolgen van een en ander. Hij verwijst naar een artikel gepubliceerd in het novembernummer 1997 van de Vereniging van Steden en Gemeenten waarin de vergelijking wordt gemaakt tussen het reële inkomen van een ongeschoold werknemer, een werkloze en een bestaansminimumtrekker. Vastgesteld wordt dat een ongeschoolde werknemer netto het minst verdient, zoals blijkt uit de onderstaande tabel.

Het inkomen van een ongeschoolde arbeider, werkloze en bestaansminimumtrekker. Een vergelijking (in frank)

Koppel met twee kinderen ten laste

Inkomstenbron
­
Source de revenus
Werkende
­
Travailleur
Werkloze
­
Chômeur
Gesteunde
­
Allocataire
Netto gewaarborgd minimumloon. ­ Salaire minimum garanti net 40 570 0 0
Werkloosheidsuitkering. ­ Allocation de chômage 0 30 030 0
Bestaansminimum. ­ Minimum de moyens d'existence 0 0 27 341
Kindergeld. ­ Allocations familiales 7 562 9 750 9 750
Totaal. ­ Total . . . 48 132 39 780 37 091
Extra-uitgaven (20 % van brutoloon, cf. fiscale praktijk). ­ Dépenses supplémentaires (20 % du salaire brut, cf. pratique fiscale) -9 727 0 0
Reële inkomen zonder PWA-activiteiten. ­ Revenu réel sans activités A.L.E. 38 405 39 780 37 091
PWA-inkomsten (van beide partners). ­ Revenus d'activités A.L.E. (des deux partenaires) 0 10 800 10 800
Totaal reële inkomen. ­ Revenu réel tootal . . . 38 405 50 580 47 891

Alleenstaande vrouw met twee kinderen ten laste (de vader betaalt geen alimentatie, alhoewel hij hiervoor veroordeeld werd)

Inkomstenbron
­
Source de revenus
Werkende
­
Travailleur
Werkloze
­
Chômeur
Gesteunde
­
Allocataire
Netto gewaarborgd minimumloon. ­ Salaire minimum garanti net 37 117 0 0
Werkloosheidsuitkering. ­ Allocation de chômage 0 30 030 0
Bestaansminimum. ­ Minimum de moyens d'existence 0 0 27 341
Kindergeld. ­ Allocations familiales 7 562 9 750 9 750
Voorschot op onderhoudsgeld. ­ Avance sur la pension alimentaire 0 8 000 8 000
Totaal. ­ Total . . . 44 679 47 780 45 091
Extra-uitgaven (20 % van brutoloon, cf. fiscale praktijk). ­ Dépenses supplémentaires (20 % du salaire brut, cf. pratique fiscale) -9 727 0 0
Reële inkomen zonder PWA-activiteiten. ­ Revenu réel sans activités A.L.E. 34 952 47 780 45 091
PWA-inkomsten. ­ Revenus d'activités A.L.E. 0 5 400 5 400
Totaal reële inkomen. ­ Revenu réel tootal . . . 34 952 53 180 50 491

Alleenstaande zonder kinderen ten laste

Inkomstenbron
­
Source de revenus
Werkende
­
Travailleur
Werkloze
­
Chômeur
Gesteunde
­
Allocataire
Netto gewaarborgd minimumloon. ­ Salaire minimum garanti net 34 549 0 0
Werkloosheidsuitkering. ­ Allocation de chômage 0 21 502 0
Bestaansminimum. ­ Minimum de moyens d'existence 0 0 20 505
Totaal. ­ Total . . . 34 549 21 502 20 505
Extra-uitgaven (20 % van brutoloon, cf. fiscale praktijk). ­ Dépenses supplémentaires (20 % du salaire brut, cf. pratique fiscale) -9 727 0 0
Reële inkomen zonder PWA-activiteiten. ­ Revenu réel sans activités A.L.E. 24 822 21 502 20 505
PWA-inkomsten (van beide partners). ­ Revenus d'activités A.L.E. (des deux partenaires) 0 5 400 5 400
Totaal reële inkomen. ­ Revenu réel total . . . 24 822 26 902 25 905

Men creëert, door bijkomende voordelen toe te kennen aan degenen die terugvallen op de sociale zekerheid, situaties die de werkgelegenheid afremmen in plaats van ze te bevorderen. Is het steeds verder uitbouwen van het begrip « bestaansmiddelen » (zie artikel 277) wel wenselijk ?

Ook de verhoging van de bijdragen voor de personen tewerkgesteld door een PWA, alhoewel goed bedoeld, leidt tot nog grotere scheeftrekking tussen werkenden en niet-werkenden. Met de voorgestelde maatregelen stimuleert men de werklozen om in de werkloosheid te blijven in plaats van hen aan te zetten werk te zoeken.

Zijn al deze maatregelen op termijn wel zinvol ?

Een ander lid, inhakend op hetgeen de voorgaande spreker gezegd heeft over de afhankelijkheidsvallen, merkt op dat met de voorgestelde artikelen personen gesubsidieerd worden met een laag verdienvermogen. Het inkomen dat zij op de arbeidsmarkt zouden kunnen verdienen, is te laag om mee te leven. Op zichzelf doen de voorgestelde maatregelen geen probleem rijzen op voorwaarde evenwel dat de subsidiëring gepaard gaat met opleiding en vorming om op termijn uit de afhankelijkheid te groeien.

Of die voorwaarde vervuld zal worden, is hoogst twijfelachtig aangezien de jobs die worden gesubsidieerd, niet van die aard zijn dat zij een uitweg banen naar regulier werk op de arbeidsmarkt.

Volgens de staatssecretaris bestaan er in het sociale-zekerheidssysteem zowel tewerkstellings- als armoedevallen. De analyse van de eerste spreker is juist, maar hij heeft geen oplossing voorgesteld.

Men zou het bedrag van uitkeringen kunnen verlagen of de persoonlijke sociale bijdragen voor de laagste lonen kunnen verminderen.

De minister kant zich tegen een vermindering van de reeds lage uitkeringen.

Hoofdstuk III handelt niet over de verhoging van de uitkeringen van bestaansminimumtrekkers. Er wordt alleen een incentive ingebouwd voor de tewerkstelling van bestaansminimumtrekkers door een ruimer jobaanbod en door een vergoeding van de OCMW's voor de terbeschikkingstelling van die jobs.

Het gaat niet uitsluitend om jobs die geen doorstroming naar een reguliere arbeidsmarkt mogelijk maken (artikel 60, § 7, van de OCMW-wet), maar ook om tewerkstelling in de reguliere economische sector (artikel 61 van dezelfde wet).

Er wordt 500 miljoen frank extra naar de OCMW's getransfereerd met het oog op een betere omkadering, dit wil zeggen opleiding en vorming, van de tewerkgestelden. In de praktijk hebben veel OCMW's hier problemen mee omdat die taak moet worden verricht door de sociale werkers die reeds overbelast zijn.

Voortaan kunnen binnen de OCMW's personen worden vrijgemaakt om aan prospectie in de privé-sector te doen en om te zorgen voor begeleiding en vorming.

De eerste spreker repliceert dat hij niet gepleit heeft voor een verlaging van de uitkeringen. De programmawet voorziet evenwel in een aantal supplementen voor de bestaansminimumtrekkers, waardoor het door hem geschetste probleem van ontmoediging om op de arbeidsmarkt te treden nog scherper wordt.

Tekstcorrectie

De staatssecretaris suggereert een tekstcorrectie aan te brengen in artikel 267. De inleidende volzin dient te luiden als volgt : Artikel 13, § 2, eerste volzin van dezelfde wet ...

De commissie is het hiermee eens.

STEMMINGEN

Het wetsontwerp in zijn geheel wordt aangenomen met 7 stemmen tegen 1 stem.

Dit verslag is eenparig goedgekeurd door de 9 aanwezige leden.

De rapporteurs,
Jacques SANTKIN.
Jacques D'HOOGHE.
La présidente
Jacques SANTKIN.
Jacques D'HOOGHE.
De voorzitster,
Lydia MAXIMUS.
Lydia MAXIMUS.

TEKSTVERBETERINGEN

Artikel 72

In § 2 van dit artikel, op de vierde regel, vervange men het cijfer 59 door 69.

Artikel 153

Het laatste lid vervange men als volgt :

« Artikel 98 treedt in werking op 1 januari 1998.

Artikel 101 treedt in werking op 1 december 1998. »

Artikel 190

In de inleidende zin van dit artikel vervange men het jaartal 1995 door 1945.

Artikel 267

De inleidende zin redigere men als volgt :

« Artikel 13, § 2, eerste volzin van dezelfde wet, ... ».

BIJLAGEN


BIJLAGE 1.a


Docteur J. de TOEUF

Président de la Chambre syndicale des médecins de l'agglomération bruxelloise

6, chaussée de Boondael, boîte 4

1050 Bruxelles

22 décembre 1997

Monsieur le président,

Mon cher Jacques,

Voici les quelques commentaires que me suggère cette menace gouvernementale, telle que décrite dans le numéro 61 du 12 décembre de la lettre d'information de la Chambre syndicale, concernant la limitation des suppléments d'honoraires pour patients hospitalisés en chambre seule ou à deux lits.

Il semble que le Gouvernement ne tienne pas compte dans son projet de ce que la nomenclature de l'I.N.A.M.I. des prestations hospitalières ne représente plus le coût réel des soins médicaux et que les suppléments demandés en chambre seule et à deux lits visent à pallier à l'insuffisance de la tarification.

Travaillant à la fois en milieu hospitalo-universitaire public et en milieu privé, j'ai pu constater que, dans les deux réseaux, il existe un décalage grandissant entre tarif I.N.A.M.I. et coût de l'acte médical.

En effet, l'augmentation du coût des investissements en matériel médical, du coût du matériel disposable, du coût du personnel, du coût des assurances, etc., est une chose évidente, liée à l'évolution de la technologie médicale, d'une part, et du coût de la vie, d'autre part.

Par ailleurs, du fait des progrès de la médecine, certains actes sont devenus plus onéreux, demandent plus de temps, demandent la présence de plus de médecins, alors que la nomenclature n'a pas évolué parallèlement pour suivre le coût réel des prestations.

Ceci fait que la grande majorité des hôpitaux publics est actuellement en faillite virtuelle car, travaillant principalement au tarif de la mutuelle, il leur coûte plus cher d'hospitaliser et de soigner leurs patients à cause d'une tarification nettement insuffisante. Aujourd'hui, en chambre commune, on considère qu'un lit d'hôpital coûte plus qu'il ne rapporte à l'institution, tant dans le secteur journée d'entretien que dans le secteur des honoraires.

Il en résulte que l'État, les institutions publiques, les villes, les communautés, les provinces, etc., sont obligées de suppléer au déficit des hôpitaux pour que ceux-ci ne soient pas obligés de fermer. Cette méthodologie malsaine met la structure hospitalière en grand danger car elle devient tributaire de marchandages politiques.

Par ailleurs, dans ce cadre financier misérable, les médecins des hôpitaux des assistances publiques à caractère universitaire, comme St-Pierre et Brugmann que je connais bien, ne peuvent plus faire de recherche et d'enseignement de façon correcte faute de fonds. Les suppléments d'honoraires privés, qu'ils peuvent y demander dans le respect strict de la législation actuelle, permettent essentiellement de maintenir un minimum de qualité universitaire à l'enseignement aux étudiants et aux médecins en formation. Si ces suppléments sont rabotés, ils ne pourront plus assurer ces tâches de façon décente, avec des conséquences désastreuses non seulement sur la formation mais aussi sur la qualité des soins à plus ou moins long terme.

Dans les institutions privées, on observe le même phénomène de disproportion entre le coût des prestations et les honoraires qu'elles génèrent. Cependant, dans des conditions particulières, il est possible de demander une participation plus importante aux patients aisés. Ceci permet d'équilibrer plus ou moins le budget de ces hôpitaux, dont les prix de journée sont beaucoup moins favorables que dans les hôpitaux universitaires. On peut considérer ici que les patients les plus favorisés financent proportionnellement plus le fonctionnement de l'hôpital, ce qui permet de donner les soins adéquats aux patients les plus défavorisés.

Ce principe selon lequel les patients les plus aisés soutiennent indirectement les soins aux patients les plus défavorisés a toujours été un grand principe de la médecine et il me semble que le projet gouvernemental risque de mettre à mal cette possibilité qui permet aux institutions privées de garder la tête hors de l'eau sans bien sûr réaliser le moindre bénéfice car, en effet, je n'en connais aucune qui aie des finances florissantes pour dégager des bénéfices à son pouvoir organisateur. J'en connais, au contraire, beaucoup qui prélèvent dans la poche des médecins pour boucler leur bilan en fin d'année.

L'application des propositions projetées par le Gouvernement va induire irrémédiablement une diminution dans la qualité des soins, tant dans les hôpitaux publics que dans les hôpitaux privés sans que les médecins ne disposent de la moindre marge de manoeuvre pour essayer d'équilibrer le coût de la pratique hospitalière et en empêcher la dégradation.

Leur caractère obligatoire ne permettra même pas de développer une médecine à deux vitesses. Il n'y aura plus qu'une médecine à une seule vitesse, qui est la vitesse la plus lente, avec des prestations qui ne pourront pas suivre les progrès de la médecine et qui ne pourront assurer aux patients la qualité minimale des soins qu'ils réclament.

Parallèlement, nos dirigeants, tant politiques qu'économiques, iront sans doute se faire soigner à l'étranger pour avoir accès à une médecine de qualité, laissant les personnes plus modestes faire les frais de leur politique de régression sociale. Ce processus est déjà en train de se développer maintenant et je préfère taire les noms de nos dirigeants qui préfèrent déjà se faire soigner hors du pays.

Notre pays pouvait être fier d'avoir mis sur pied un système qui assurait une qualité optimale de la médecine pour tous. Cette proposition gouvernementale va induire une dégradation très significative de cette qualité et je pense qu'il est de notre devoir civique de tout faire pour que ce projet soit abandonné afin que les citoyens puissent continuer d'être soignés de façon décente.

Les mesures envisagées ne seraient acceptables qu'après réévaluation globale du prix des prestations médicales pour rapprocher les tarifs I.N.A.M.I. du coût réel des prestations. Malheureusement il faudrait alors avoir le courage d'abandonner le système des politiques de l'enveloppe, en acceptant que les dépenses médicales de la collectivité pèsent plus lourd dans le budget national.

À défaut de cette réévaluation, il faut au moins accepter que les plus riches payent plus cher pour que les moins favorisés bénéficient malgré tout de soins décents.

Je soutiens donc inconditionnellement votre action d'opposition aux nouveaux projets et souhaite que les actions soient menées avec la plus grande énergie.

Avec mes meilleurs sentiments confraternels.

Prof. J. Libert.

BIJLAGE 1.b.


BELGISCHE VERENIGING VAN
ARTSENSYNDIKATEN

Brussel, 15 januari 1998

Ter attentie van alle leden van de Senaat

Geachte mevrouw, Geachte heer,

Ik ben zo vrij uw aandacht te vestigen op de artikelen 89 en 90 van het ontwerp van programmawet 1184/1 en 1185/1 ingediend bij de Kamer.

Deze twee artikels, toe te voegen aan de ziekenhuiswet, wijzigen de fundering zelf van de medisch-sociale betrekkingen in België op het gebied van honoraria.

Artikel 89 laat inderdaad toe aan de geneesheren, die geweigerd hebben het nationaal akkoord artsen-ziekenfondsen te ondertekenen, de verbinteniserelonen op te leggen voor de patiënten die opgenomen zijn in gemeenschappelijke of tweepersoonskamers. Dit artikel voorziet bovendien dat ingeval van afwezigheid of niet-hernieuwing van het lopende akkoord de opgelegde erelonen deze zijn die het vorig jaar van kracht waren.

Artikel 90 legt in alle omstandigheden een plafond op aan de bijkomende honoraria gevraagd aan patiënten in éénpersoonskamers. Het plafond bedraagt 100 %. Het is van toepassing zowel op de geconventioneerde als niet-geconventioneerde artsen.

Vanuit strikt juridisch standpunt neemt de Regering zich voor op te treden via de Ziekenhuiswet om dwangmaatregelen in te voeren inzake honoraria opgelegd aan de « geconventioneerde » artsen. Het systeem van nationale akkoorden artsen-ziekenfondsen is evenwel ontstaan uit de Ziekteverzekeringswet en deze wet kent aan de Nationale Commissie artsen-ziekenfondsen de bevoegdheid toe om de honoraria in functie van de artsenverbintenis te bepalen.

Het nationaal akkoord artsen-ziekenfondsen bepaalt de honorariabedragen voor iedere medische activiteit; het bepaalt de uitzonderingscriteria die « de geconventioneerde » geneesheer toelaten af te wijken van de verplichting om de tarieven te eerbiedigen.

Het is aldus dat bijzondere eisen van de patiënt de geneesheer toelaten zijn volledige en totale vrijheid terug te verwerven inzake het vaststellen van zijn honoraria. Meer bepaald worden in het nationaal akkoord artsen-ziekenfondsen vernoemd als bijzondere eisen : de raadplegingen en bezoeken buiten de gewone uren, de hospitalisatie van de patiënt op zijn verzoek in een éénpersoonskamer, een bruto belastbaar inkomen hoger dan 1 560 000 frank per gezin.

Gans het systeem is gebaseerd op de vrijwillige toetreding van minstens 60 % van de artsen tot een nationaal akkoord artsen-ziekenfondsen dat afgesloten is tussen de verzekeringsinstellingen en artsensyndicaten en aanvaard door de Algemene Raad van het RIZIV en de regering.

Het nationaal akkoord artsen-ziekenfondsen heeft per definitie slechts kracht van wet ten aanzien van de artsen die het hebben onderschreven. De « niet-verbonden »geneesheren hebben de vrijheid hun honoraria vast te stellen met eerbiediging van de medische plichtenleer en het koninklijk besluit nr. 78 inzake de uitoefening van de geneeskunst van november 1967 (artikel 15).

Bij afwezigheid van een akkoord artsen-ziekenfondsen heeft de ziekteverzekeringswet (artikel 50 meer bepaald paragraaf 11) verschillende mogelijkheden voorzien zodat de Koning de artsenhonoraria kan bepalen. Het is niet normaal dat de ziekenhuiswet daar bovenop komt.

De twee artikels die wij betwisten vormen een onomkeerbare aanslag op de basis waarop gans de constructie van de akkoorden artsen-ziekenfondsen berust, namelijk de vrijheid voor de geneesheer om al dan niet toe te treden tot een verbintenisakkoord.

Het nationaal akkoord artsen-ziekenfondsen betekent voor de artsen het equivalent van een collectieve arbeidsovereenkomst. Deze collectieve arbeidsovereenkomst goedgekeurd door de voogdijoverheid, heeft kracht van wet. Het in vraag stellen door het Parlement van de mogelijkheid die aan de geconventioneerde artsen gelaten is om vrij ereloonsupplementen te vragen onder welbepaalde voorwaarden vernietigt gans het inwendig evenwicht van het systeem.

U zult het bovendien met mij eens zijn dat het ontoelaatbaar is ten aanzien van de artsen, die geweigerd hebben de erelonen te vragen zoals voorgesteld in het nationaal akkoord artsen-ziekenfondsen, dat ambtshalve ereloonplafonds worden opgelegd terwijl ze zouden moeten behandeld worden zoals gelijk welk ander vrij beroep.

Ik zou eveneens uw aandacht willen vestigen op het gebruik dat gemaakt wordt van deze ereloonsupplementen die op een regelmatige wijze gevraagd worden door de artsen, geconventioneerd of niet, met respect van de wetsbepalingen en algemene reglementen die in gemeenschappelijk akkoord tussen de beheerder en de medische raad in ieder ziekenhuis worden afgesloten.

Wat is inderdaad de bestemming van deze supplementen ?

­ Zowel op deze supplementen als op de honoraria verricht de beheerder afhoudingen, meestal onder de vorm van percenten.

­ Deze supplementen laten de financiering toe van technologische investeringen waarvan de toegang onmogelijk zou zijn indien de artsen zich zouden moeten beperken tot de verbinteniserelonen. Voorbeelden :

1. Performante echografen en scanners.

2. Chirurgisch materiaal in vele instellingen waar de beheerder weigert zich te plooien naar de regel van de verpleegdagprijs en te investeren in gespecialiseerd materiaal voor het operatiekwartier (orthopedie, vaatchirurgie,...).

3. Ophtalmologie : de kostprijs van het materiaal voor een goede diagnose-installatie maakt het volstrekt onmogelijk zich te houden aan het conventioneel tarief.

4. Enz.

­ Aanwerving van ziekenhuispersoneel buiten de verpleegdagprijs, bijvoorbeeld, de instrumentisten in het operatiekwartier, secretarissen,...

­ Betaling van een verzekeringspremie voor de dekking van de burgerlijke beroepsaansprakelijkheid. Voorbeeld :

Een gynaecoloog-verloskundige moet een premie betalen van 250 000 frank per jaar. Het conventioneel tarief voor de bevalling overdag als 's nachts is 6 511 frank waarvan de helft wordt afgenomen door de beheerder bij wijze van deelname in de ziekenhuiskosten.

Het gemiddeld aantal verlossingen per jaar door een gynaecoloog bedraagt een honderdtal. Zonder supplementen kan hij zijn premie niet betalen.

­ Deelname aan medische congressen. De inschrijvingsprijs aan een medisch congres varieert van 10 000 tot 35 000 frank, zonder rekening te houden met de verblijfs- en reiskosten.

Eén en ander toont zeer duidelijk aan dat de aanvullende erelonen, betaald door bepaalde patiënten, andere zieken toelaten te genieten van dezelfde kwalitatieve voordelen inzake diagnose en medische behandeling. De aanvullende betaling door bepaalde patiënten concretiseert in een zekere zin een solidariteit tussen hoge en lage inkomens. Deze complementaire honoraria maken het mogelijk het tekort te compenseren van de middelen ter beschikking gesteld van de artsenhonoraria door de Algemene Raad van het RIZIV en de regering.

Ik wens u goede ontvangst van deze en teken.

Met de meeste hoogachting,

Dokter Jacques de Toeuf,

Voorzitter.

PS :

1. De ziekenhuiswet voorziet overigens (artikel 148) in strafsancties ingeval van niet-eerbiediging van artikel 138. Het komt mij dus voor dat het onmogelijk is terzake wetgevend op te treden zonder de tekst aan de Senaat over te maken, dat wil zeggen dat de twee betwiste artikels niet kunnen ingevoegd worden in een programmawet die uitsluitend ingediend wordt bij de Kamer van volksvertegenwoordigers.

2. U vindt als bijlage copie van een brief die ik pas gekregen heb van professor Libert beschrijvend hoe moeilijk de situatie op het terrein zal zijn.

3. U vindt ook enkele uittreksels van een persconferentie die plaats had op 2 december 1997. Ik ben zo vrij uw aandacht te vestigen op de grafiek betreffende de evolutie sinds 1989 van de honoraria.

BIJLAGE 1.c.


BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN

Geachte dokter,

Ik heb uw brief goed ontvangen, waarin u mij uw niet-toetreding tot het akkoord mededeelt.

Ik antwoord pas nu op uw brief omdat ik in het bezit wilde zijn van de globale resultaten in verband met de toetreding tot dit akkoord artsen-ziekenfondsen voor 1998.

Deze informatie voor alle arrondissementen van het land, wat betreft zowel de huisartsen als de specialisten, werd mij zojuist ter kennis gebracht : het percentage toetreding tot het akkoord is voldoende om het in werking te laten treden. Ik besluit daaruit dat het globaal beschouwd voldoening schenkt aan een overgroot aantal geneesheren.

U verwijst evenwel naar specifieke problemen waarmee blijkbaar meestal oogartsen te kampen hebben. Dit is de eerste keer dat moeilijkheden in verband met deze medische specialiteit mij rechtstreeks worden uiteengezet.

De nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen en de waarde daarvan worden bepaald door de Technische Geneeskundige Raad (TGR), die enkel is samengesteld uit geneesheren die ofwel het medisch korps (BVAS, ASGB) ofwel de verzekeringsinstellingen vertegenwoordigen. Zij moeten nagaan of een geneeskundige handeling en haar waarde in de nomenclatuur van de vergoedbare geneeskundige verstrekkingen met elkaar overeenstemmen. Zij kunnen desnoods de minister van Sociale Zaken de wijzigingen die zij nodig achten voorstellen.

Gelet op de budgettaire beperkingen die voor alle uitgaven van de overheid en van de sociale zekerheid gelden, moet de TGR echter prioriteiten vastleggen ten opzichte van alle gewenste wijzigingen in de nomenclatuur die meerkosten voor de verzekering voor geneeskundige verzorging tot gevolg hebben.

Ik verzoek u dan ook contact op te nemen met zijn voorzitter, dokter Jacques de Toeuf, om hem uw klachten concreet voor te leggen. U kan uw brief richten aan het RIZIV, 211 Tervurenlaan, 1150 Brussel.

Ik zal zelf de TGR vragen de nomenclatuur van de oogheelkundige verstrekkingen opnieuw te onderzoeken en mij binnen een termijn van vier maanden zijn conclusies voor te leggen. Op dat ogenblik zal een ontmoeting met een delegatie van oogartsen wellicht nuttig zijn om dit verslag te bespreken en mogelijke concrete en prioritaire maatregelen aan te geven.

Ik deel u overigens mede dat een andere werkgroep binnenkort het probleem van de teruggave van medische erelonen aan ziekenhuisbeheerders zal onderzoeken om meer strikte regels ter zake vast te leggen.

Hoogachtend,

Magda DE GALAN.

Kopie :

De heer Marc Justaert, voorzitter van het Intermutualistisch College.

Dokter Jacques de Toeuf, voorzitter van de Technische Geneeskundige Raad.

De heer Marcel Colla, minister van Volksgezondheid.

ANNEXE 2


DÉPENSES DE L'I.N.A.M.I. ET ÉVOLUTION
DES HONORAIRES MÉDICAUX

Dépenses de l'I.N.A.M.I. (Régime général + régime indépendant)

Prix constants 1985 (000 000 BEF)

1980 1985 1986 1987 1988 1989 1990 1991 1992 1993 1994 1995
Artsenhonoraria. ­ Honoraires médicaux 76 897 86 368 94 392 100 423 97 689 99 715 101 801 107 576 109 938 104 925 96 399 97 963
Geneesmiddelen. ­ Médicaments 22 260 28 493 32 428 35 935 39 750 42 123 46 419 53 046 58 430 60 126 64 423 64 067
Ziekenhuisverpleging. ­ Hospitalisation 38 230 54 322 61 843 66 342 61 546 65 904 72 200 80 608 87 870 95 216 96 079 102 064
Algemeen totaal. ­ Total général 178 045 193 144 211 410 226 726 224 668 231 717 244 436 270 865 288 527 291 989 287 230 296 553

Évolution des dépenses de l'I.N.A.M.I. ­ 1985 = 100

Prix constants 1985

1980 1985 1986 1987 1988 1989 1990 1991 1992 1993 1994 1995
Artsenhonoraria. ­ Honoraires médicaux 89 100 109 116 113 115 118 125 127 121 112 113
Geneesmiddelen. ­ Médicaments 78 100 114 126 140 148 163 186 205 211 226 225
Ziekenhuisverpleging. ­ Hospitalisation 70 100 114 122 113 121 133 148 162 175 177 188
Algemeen totaal. ­ Total général 92 100 109 117 116 120 127 140 149 151 149 154

Dépenses de l'I.N.A.M.I. ­ Part relative des différents domaines

Prix constants 1985

1980 1985 1986 1987 1988 1989 1990 1991 1992 1993 1994 1995
Artsenhonoraria. ­ Honoraires médicaux 43 % 45 % 45 % 44 % 43 % 43 % 42 % 40 % 38 % 36 % 34 % 33 %
Geneesmiddelen. ­ Médicaments 13 % 15 % 15 % 16 % 18 % 18 % 19 % 20 % 20 % 21 % 22 % 22 %
Ziekenhuisverpleging. ­ Hospitalisation 21 % 28 % 29 % 29 % 27 % 28 % 30 % 30 % 30 % 33 % 33 % 34 %
Algemeen totaal. ­ Total général 100 % 100 % 100 % 100 % 100 % 100 % 100 % 100 % 100 % 100 % 100 % 100 %

Nombre de bénéficiaires et dépenses I.N.A.M.I. par bénéficiaire

Prix constants 1985 ­ Indice 1985 = 100

1980 1985 1986 1987 1988 1989 1990 1991 1992 1993 1994 1995
Aantal rechthebbenden. ­ Nombre bénéficiaires 103 100 100 100 100 103 103 103 104
Honoraria rechthebbenden. ­ Honoraires bénéficiaires 87 100 116 118 124 124 118 109 109
Geneesmiddelen rechthebbenden. ­ Médicaments bénéficiaires 76 100 148 163 185 199 206 220 217
Ziekenhuisverpleging rechthebbenden. ­ Hospitalisation bénéficiaires 69 100 121 133 148 157 171 172 181
Totaal rechthebbenden. ­ Total bénéficiaires 90 100 120 126 140 145 147 145 148

BIJLAGE 3


Madame M. DE GALAN

Ministre des Affaires sociales

rue de la loi 66

1040 Bruxelles

Bruxelles, le 16 décembre 1997

Madame la ministre,

Je tiens à vous remercier pour l'entretien que vous m'avez accordé d'urgence, ainsi qu'à mes collègues de l'A.G.I.M., ce lundi 8 décembre dernier.

Votre lettre de la même date parle clairement d'une éventualité de taxe spécifique et de bâton derrière la porte.

Lors de notre entretien du 27 octobre 1997 nous avions déjà eu l'occasion de vous exprimer toutes nos réticences envers une taxe spécifique linéaire, car inutile et injuste envers la majorité des entreprises qui ne pratiquent pas de ristournes.

Nous vous avions à cette occasion démontré l'inutilité de la taxe vu la baisse des dépenses pharmaceutiques en milieu hospitalier constatée depuis plusieurs mois et liée aux effets des dispositions prises antérieurement, notamment sur le plan des forfaits hospitaliers, etc.

Vous avez considéré cette intervention de notre part comme un engagement, ce que nous croyons ne pas avoir pris, mais nous croyons fermement que l'évolution prévisible de ce marché confirmera l'inutilité de cette taxe.

En tout état de cause, il nous semble impératif que la modification de l'arrêté royal limitant la pratique des ristournes soit publiée au Moniteur belge et clairement respectée par le secteur hospitalier, avant que l'on puisse instaurer une mesure pénalisante pour l'industrie pharmaceutique.

Nous préconisons donc une concertation au moment où ledit arrêté royal sera entré en vigueur.

Nous avons bien noté que le ministre des Affaires économiques et vous-même n'accepterez pas d'imposer ladite taxe spécifique si les 900 millions d'économies étaient réalisées sur les dépenses pharmaceutiques en milieu hospitalier.

Entre-temps, veuillez agréer, madame la ministre, l'expression de toute ma considération.

M. MASSART,

Président.