Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 4-699

van Alain Destexhe (MR) d.d. 3 april 2008

aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en Institutionele Hervormingen

Gerechtsdeurwaarders - Inningen - Brieven - Praktijken

gerechtsdeurwaarder
schuld
schuldvordering
akkoordprocedure
burgerlijke rechtsvordering
rechtsmisbruik

Chronologie

3/4/2008 Verzending vraag (Einde van de antwoordtermijn: 8/5/2008 )
27/5/2008 Antwoord
16/9/2008 Aanvullend antwoord

Herindiening van : schriftelijke vraag 4-465

Vraag nr. 4-699 d.d. 3 april 2008 : (Vraag gesteld in het Frans)

Sommige gerechtsdeurwaarders sturen al een tijd brieven om bescheiden sommen te innen. Soms gaat het om minder dan 15 euro. De onkosten voor die brieven lopen op tot twee of zelfs driemaal het te innen bedrag, bijvoorbeeld bij een boete van 10 euro: twee keer een deurwaardersexploot tegen 13 euro per zending plus de incasseringsrechten van 10 euro.

Het blijkt bovendien dat die deurwaarders de betrokkenen ook bedreigen met een tenuitvoerleggingsprocedure of een inbeslagneming van goederen. Voor 10 euro….

Zijn dergelijke praktijken wettig?

Welke wetgeving is hier van toepassing?

Antwoord ontvangen op 27 mei 2008 :

Over de aangehaalde problemen moet volgens mij grondig worden nagedacht, met inachtneming van de ter zake geldende wetgeving en regelgeving, in het bijzonder met betrekking tot het optreden van de gerechtsdeurwaarder.

Op het eerste gezicht lijkt de vraag te verwijzen naar tal van verschillende rechtstoestanden, zonder die bij naam te vermelden, inzonderheid :

— de veronderstelling dat een gerechtsdeurwaarder buiten elke rechtsprocedure door een schuldeiser zou zijn afgevaardigd om de schulden in te vorderen;

— de situatie waarin een schuldeiser met een executoriale titel een deurwaarder zou afvaardigen en hem ermee zou belasten, onbetaalde schulden te innen, in voorkomend geval door gebruik te maken van de noodzakelijke middelen van tenuitvoerlegging.

Teneinde een uitvoerig antwoord te kunnen geven op de mij gestelde vraag moet dan ook eerst een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen die verschillende veronderstellingen en moet in een tweede fase de exacte omvang van het ter zake doende wettelijk en regelgevend kader worden afgebakend. Ik heb mijn administratie dan ook verzocht, ter zake het nodige onderzoek te verrichten.

Bovendien zal contact worden opgenomen met de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders, zodat die eventuele opmerkingen met betrekking tot deze problematiek, inzonderheid op deontologisch vlak, kan meedelen.

Zodra ik over een volledig dossier beschik, zal ik het geachte lid de dienstige aanvullende informatie bezorgen.

Aanvullend antwoord ontvangen op 16 september 2008 :

Zoals ik aan het geachte lid had aangekondigd in mijn op 27 mei 2008 gepubliceerde antwoord, zijn contacten gelegd met de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders. Op basis van het ontvangen antwoord en van de conclusies van het door mijn administratie uitgevoerde onderzoek kan ik de hierna volgende informatie meedelen.

Er lijken inderdaad sinds de goedkeuring van de wet van 20 december 2002 betreffende de minnelijke invordering van schulden van de consument bepaalde problemen te zijn met de minnelijke invordering door gerechtsdeurwaarders.

De voornaamste moeilijkheden kunnen op de hierna volgende wijze worden samengevat.

Die wetgeving kwam er om de minnelijke invordering van consumentenschulden te reguleren. Deze activiteit was in volle opmars, met name als gevolg van de ontwikkeling van incassobureaus.

Aangezien voor advocaten en gerechtsdeurwaarders bepaalde, voor die beroepen specifieke deontologische regels gelden achtte de wetgever dat de door hem uitgevaardigde nieuwe regels slechts gedeeltelijk van toepassing zouden zijn op hen. Als gevolg daarvan zijn advocaten en gerechtsdeurwaarders, op grond van artikel 2, § 1, 2º, van de wet van 20 december 2002, onttrokken aan de toepassing van sommige in de wet voorgeschreven regels, gesteld in de artikelen 4 tot 8.

Artikel 3 van dezelfde wet is een van de bepalingen die bedoeld zijn om te worden toegepast op alle betrokken actoren (incassobureaus, advocaten en deurwaarders). De bepaling geeft aanleiding tot uiteenlopende interpretaties, hetgeen een bron van rechtsonzekerheid is.

De bepaling luidt dat « in het kader van een minnelijke invordering van schulden iedere gedraging of praktijk die het privéleven van de consument schendt of hem kan misleiden, alsook iedere gedraging of praktijk die een inbreuk maakt op zijn menselijke waardigheid [wordt] verboden » en dat « in het bijzonder [worden] verboden (...) de inning van niet voorziene of niet wettelijk toegestane bedragen » (artikel 3, § 2, 4e streepje).

In het kader van de minnelijke invordering door gerechtsdeurwaarders levert deze bepaling een probleem op in het licht van het koninklijk besluit van 30 november 1976 tot vaststelling van het tarief voor akten van gerechtsdeurwaarders in burgerlijke en handelszaken en van het tarief van sommige toelagen. De moeilijkheid betreft de (mogelijke) toepassing van artikel 7 van dat koninklijk besluit, dat luidt : « Aan de gerechtsdeurwaarder wordt, benevens de frankeerkosten, een recht van (279) F toegekend voor iedere aanmaning per brief, waarbij met vervolging wordt gedreigd, in de zaken met een waarde van minder dan (125) euro; dat recht bedraagt (330) F voor de andere zaken; hierin zijn begrepen de kosten van toezending van een afschrift van de brief aan de verzoeker, aan zijn raadsman of aan zijn gemachtigde. Dit recht is ten laste van de schuldenaar. » Vormen die kosten wettelijk toegestane bedragen in de zin van artikel 3 van de wet van 20 december 2002 betreffende de minnelijke invordering van schulden van de consument ? Moeten zij bijgevolg worden gefactureerd en ten laste van de schuldenaar komen ?

Op die vragen kan geen sluitend antwoord worden gevonden, noch in de voorbereidende werkzaamheden, noch in de rechtsleer of rechtspraak.

Indien men tot de conclusie komt dat de in artikel 7 van voornoemd koninklijk besluit bedoelde kosten moeten worden gedragen door de schuldenaar, moet nog een vraag worden gesteld : kan hier geen discriminatie of schending van het beginsel van vrije mededinging worden aangevoerd aangezien de tarifering waarin het koninklijk besluit van 30 november 1976 voorziet slechts betrekking heeft op gerechtsdeurwaarders en niet wordt toegepast wanneer stappen worden ondernomen via een andere actor, id est incassobureau of advocaat ?

Als reactie op die rechtsonzekerheid heeft de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders, aldus heeft zij mij ingelicht, op 21 februari 2008, een richtlijn uitgevaardigd, die ik hieronder citeer :

« Meer dan een wettelijke opdracht toevertrouwd aan de gerechtsdeurwaarder op basis van zijn statuut, heeft de inning van schuldvorderingen altijd deel uitgemaakt van zijn natuurlijke takenpakket.

Indien het mandaat dat in die materie aan de gerechtsdeurwaarder wordt gegeven bestaat uit een instructie tot het verzenden van een brief met ingebrekestelling, waarbij meteen een duidelijke machtiging wordt gegeven om tot gerechtelijke invordering over te gaan, dan wordt de aanmaningsbrief bestempeld als een ingebrekestelling in het kader van een gerechtelijke opdracht.

Deze aanmaningsbrief met ingebrekestelling zal aan de voorwaarden zoals hierna opgesomd moeten voldoen en de kostprijs conform het toepasselijk wettelijk tarief zal worden toegepast.

De voorwaarden zijn de volgende :

— over een uitdrukkelijke machtiging kunnen beschikken vanwege de verzoeker om tot gerechtelijke inning over te gaan met toepassing van alle wettelijke modaliteiten ter zake;

— op een duidelijke en precieze wijze mededeling doen aan de debiteur dat hem een laatste kans wordt geboden om zich van zijn schuld te kwijten, en dat bij gebreke daaraan te voldoen hij in rechte kan worden vervolgd of het voorwerp kan uitmaken van een gerechtelijke tenuitvoerlegging.

Daarom zal deze aanmaning een duidelijke benaming dragen; uitsluitend en volledig de gegevens bevatten van het kantoor van de gerechtsdeurwaarder belast met het dossier (naam, adres, telefoon- en faxnummer, e-mailadres, openingsuren, enz.); uitsluitend van hetzelfde gerechtsdeurwaarderkantoor de derdenrekening vermelden waarop de gelden moeten worden gestort; een nauwkeurige en gedetailleerde opgave doen van de kosten, rechten en voorschotten.

De bedragen voor kosten, rechten en voorschotten bevatten uitsluitend deze van de aanmaning, de opzoeking, alsook het inningsrecht. Zij worden aangerekend volgens de bepalingen van het koninklijk besluit van 30 november 1976 houdende vaststelling van het tarief voor akten van de gerechtsdeurwaarders in burgerlijke en handelszaken en het tarief van sommige toelagen.

Er kan aan de debiteur slechts eenmaal de kostprijs van een voorafgaande aanmaning met ingebrekestelling worden aangerekend. Gevolg hiervan is dat de verzending van nieuwe ingebrekestellingen ter herinnering, zonder kosten zal moeten. Het aantal kosteloze herinneringen moet, rekening houdend met de aard van het dossier, tot het strikt noodzakelijke worden beperkt, zodat elk rechtsmisbruik wordt vermeden.

Indien de aanmaning met ingebrekestelling niet voldoet aan al het voorgaande, dan valt deze onder de toepassing van de wet van 20 december 2002. »

Dit initiatief van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders verdient ondersteuning omdat het zorgt voor verduidelijkingen.

Zoals de Nationale Kamer ook zelf aangeeft, maakt het echter geen definitief einde aan de in deze materie bestaande rechtsonzekerheid. Enkel met een optreden van de wetgever of van de Koning kan dit doel worden bereikt. Daarom kan ik aankondigen dat er momenteel een denkoefening gaande is die zal toelaten om zo vlug als mogelijk een wettelijke of een reglementaire oplossing te bieden voor deze situatie, tenminste wat betreft het onderdeel « minnelijke regeling ».

Het geachte lid gaat in zijn vraag ook in op een ander aspect van deze problematiek en vestigt de aandacht erop dat sommige deurwaarders schuldenaars bedreigen met een gedwongen tenuitvoerlegging voor bedragen van niet meer dan 10 euro.

Op basis van de beginselen die deze materie beheersen en van een aantal aan mij gedane opmerkingen door de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders zou ik een paar zaken willen verduidelijken.

Er mag niet worden vergeten dat het bedreigen van een schuldenaar met een dergelijke procedure voor een gerechtsdeurwaarder rechtsmisbruik oplevert wanneer de schuld niet uitdrukkelijk is erkend in een rechterlijke beslissing, met erkenning van het beginsel van de schuld van de schuldenaar.

Dit bijzondere geval mag evenwel niet worden verward met andere gevallen waarin een gerechtsdeurwaarder met recht en reden ertoe wordt gebracht om :

— zijn informatieplicht te vervullen en de aandacht van de rechtszoekende, bij een voorafgaande ingebrekestelling, te vestigen op het met de maatregel beoogde doel en op de juridische gevolgen van een weigering om te betalen, met name het opstarten van een gerechtelijke procedure en de betaling van de daaraan verbonden kosten;

— een nieuwe aanmaningsbrief te sturen wanneer de betekening van de executoriale titel niet heeft geleid tot een spontane betaling door de schuldenaar, om hem mee te delen dat indien hij niet reageert, tegen hem tenuitvoerleggingsmaatregelen kunnen worden genomen waarvan hij de kosten moet dragen.

Wat de wenselijkheid van een tenuitvoerleggingsmaatregel tegen de schuldenaar betreft, behoort het tot de wettelijke opdracht van de gerechtsdeurwaarder om zijn opdrachtgever te adviseren over de meest geschikte aan te nemen houding, met name rekening houdend met het te innen bedrag en de solvabiliteit van de schuldenaar. Uiteindelijk wordt de aard van de uit te voeren opdrachten echter bepaald door de schuldeiser en kan de gerechtsdeurwaarder alleen weigeren om op te treden indien hij van oordeel is dat dergelijke procedures, in het specifieke geval waarin hij moet optreden, rechtsmisbruik zouden opleveren.