Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 4-3154

van Paul Wille (Open Vld) d.d. 11 maart 2009

aan de minister van Justitie

Gevangenissen - Overbevolking - Masterplan - Andere beleidsmaatregelen

strafgevangenis
gedetineerde
strafstelsel
voorlopige hechtenis
veiligheid van gebouwen
Regie der Gebouwen
voltrekking van de straf
strafrecht

Chronologie

11/3/2009 Verzending vraag (Einde van de antwoordtermijn: 9/4/2009 )
15/7/2009 Antwoord

Vraag nr. 4-3154 d.d. 11 maart 2009 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

Er was recent veel te doen rond de reportages rond het Belgisch gevangeniswezen. Hoewel de maatschappelijke roep om lange en effectieve straffen nog nooit zo sterk geweest is (in 1973 waren er in BelgiŽ 5 000 gevangenen), blijkt uit de reportages en de getuigenissen van zowel geÔnterneerden als ervaringsdeskundigen uit de "civil society" dat de gevangenis of de opsluiting een pijnlijke remedie is. De Belgische gevangenissen kampen met zware overbevolking. De gevolgen hiervan zijn bekend : vechtpartijen, uiterst gestresseerde gevangenen en cipiers, naaktcellen, zelfmoorden en vooral immens veel frustratie.

In de reportage werd snel duidelijk waarom onze gevangenissen overvol zaten. De verlenging van de uitgesproken straffen, een magistratuur die gemakkelijker "ingaat" op de maatschappelijke vraag van de uitzitting van de straffen, het hoge cijfer van mensen in voorlopige hechtenis, de achterstand van de strafuitvoeringsrechtbanken en het afschaffen van de gratieverlening. Uiteraard zijn dit factoren die moeilijk te controleren zijn voor de geachte minister.

In zijn Masterplan voor de gevangenissen 2008-2012 voorziet hij de creatie van 2 552 nieuwe plaatsen. Zo wil hij Sint-Gillis, Vorst, Berkendael, Dinant, Namen, Antwerpen en Merksplas sluiten en tegen 2015 zeven nieuwe gevangenissen bouwen. In plaats van Vorst, Sint-Gillis en Berkendael zou er ťťn penitentiair centrum komen op de huidige locatie van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO). Over de haalbaarheid van het Masterplan zei de hij in een reportage: "Als ik zeven bruggen kon bouwen als burgemeester, dan kan ik ook zeven gevangenissen bouwen als minister."

Gezien het voorgaande kader, kreeg ik graag een antwoord op de volgende vragen :

1. Is de geachte minister akkoord met de stelling dat zodra de gevangenissen open zijn, ze ook vol zullen zitten, zonder daarom voor een veiliger maatschappij te zorgen ?

2. Kan hij bevestigen dat het Masterplan financieel haalbaar is ? Zo ja, welk budget is hiervoor in de begroting opgenomen ?

3. Heeft hij weet van tuchtprocedures tegen cipiers naar aanleiding van gewelddadige interventies tegen gevangenen ? Zo ja, hoeveel dergelijke incidenten waren er in 2008 ? Kan hij uitvoerig weergeven wat de evolutie is, over een periode van tien jaar, inzake gewelddadige incidenten tussen gevangenen onderling en in incidenten met de cipiers ? Hoe staat dit volgens hem in relatie tot de overbevolking ?

4. In welke gevangenis is er het meest sprake van incidenten ? Hoeveel waren dit er per jaar ?

5. Met de bouw van nieuwe gevangenissen in het vooruitzicht, hoeveel nieuwe cipierposten worden voorzien ?

6. Welke factoren zijn volgens hem de belangrijkste redenen tot de huidige overbevolking ?

7. Heeft hij beleidsplannen om de achterstand van de strafuitvoeringsrechtbanken te verhelpen ?

8. Vindt hij de afschaffing van de gratieverlening een goeie zaak ? Zo nee, is de hij van plan om dit te herbekijken ?

9. Wat vindt hij van de idee om specifieke groepen die duidelijk minder een maatschappelijk gevaar vormen zoals senioren, gehandicapten, zieken en vrouwen uit de gevangenis te weren ? Welke beleidsmaatregelen kan de hij nemen, mits respect voor de scheiding der machten, opdat rechters en magistraten deze groepen uit de gevangenis trachten te weren ? Kan hij specifiek wat de eerste drie groepen betreft, in samenspraak met de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, een aanvulling op het Masterplan ontwerpen ? Zo ja, zijn er reeds dergelijke beleidsmaatregelen genomen in samenspraak ?

10. Wat vindt hij van de idee om beleidsmatig waar mogelijk de psychiatrische annexen te sluiten en de patiŽnten over te brengen naar echte medische instellingen, waar ze de zorgen krijgen die ze nodig hebben ? Welke beleidsmaatregelen kan hij nemen, mits respect voor de scheiding der machten, opdat rechters en magistraten deze patiŽnten uit de gevangenis trachten te weren ? Kan hij specifiek wat deze groep betreft in samenspraak met de minister voor Sociale Zaken en Volksgezondheid een aanvulling op het Masterplan ontwerpen ? Zo ja, zijn er reeds dergelijke beleidsmaatregelen genomen in samenspraak ?

11. Wat vindt hij van de idee om beleidsmatig waar mogelijk de delinquentie die verbonden is aan drugsgebruik zoveel mogelijk uit de gevangenis te bannen en te behandelen in gespecialiseerde drugscentra ? Welke beleidsmaatregelen kan hij nemen, mits respect voor de scheiding der machten, opdat rechters en magistraten deze patiŽnten uit de gevangenis trachten te weren ? Kan hij specifiek wat deze groep betreft in samenspraak met de minister voor Sociale Zaken en Volksgezondheid een aanvulling op het Masterplan ontwerpen ? Zo ja, zijn er reeds dergelijke beleidsmaatregelen genomen in samenspraak ?

12. Welke vormen van scholing of opleiding zijn momenteel aanwezig in de gevangenissen ? Zijn deze opleidingen succesvol bij de gevangenen ? Vindt hij dat er voldoende dergelijke projecten zijn, om de gevangenen te helpen zich te ontplooien en / of klaar te stomen voor re-integratie, zowel socio-cultureel als ter voorbereiding van de arbeidsmarkt ? Zo nee, waarom niet ? Is hij van plan om naast het bouwen van nieuwe gevangenissen, voldoende middelen te investeren in de dergelijke re-integratieprojecten ?

13. Kan hij aantonen met statistisch cijfermateriaal dat de huidige gevangenispopulatie gekenmerkt wordt door maatschappelijke gevaarlijke criminelen ?

14. Wat is het aantal/percentage veroordeelden dat een alternatieve straf krijgt ? Zijn er voldoende mogelijkheden voor rechters om veroordeelden tot strafvervangende projecten te verwijzen ? Zo nee, kan hij dit soort projecten beter ondersteunen ?

Antwoord ontvangen op 15 juli 2009 :

1. De overbevolking van gevangenissen is een complex gegeven. Per definitie gaat het over een onevenwicht tussen enerzijds de gevangenisbevolking en anderzijds de opvang­capaciteit. Elk van deze elementen, bevolking en capaciteit, kent een eigen evolutie in de tijd, en de factoren die deze respectieve evoluties bepalen zijn niet noodzakelijk met elkaar verbonden. Hierop zal dieper worden ingegaan in het antwoord op vraag 6.

In het antwoord op de hier voorliggende vraag, kan er alvast op gewezen worden dat het bouwen van nieuwe gevangenissen (mede in het licht van de complexiteit van het probleem van de overbevolking) niet als enig doel kan hebben de overbevolking te bestrijden, maar er in belangrijke mate ook op gericht is er voor te zorgen dat de gevangenisstraffen in humane omstandigheden kunnen worden uitgevoerd.

2. Voor de financiering van het Masterplan zal er met de DBFM-formule (design, build, finance and maintain) gewerkt worden. Dit houdt in dat de kosten over meerdere jaren verdeeld worden en de financiering dus voor de toekomst kan verzekerd worden. Voor de cijfers over het budget verwijs ik naar mijn collega van Financiën bevoegd voor de Regie der Gebouwen

3.Tuchtprocedures tegen bewakingspersoneel naar aanleiding van fysiek geweld ten aanzien van gedetineerden komen heel weinig voor. ln 2008 waren er geen dergelijke gevallen.

Er zijn geen cijfers beschikbaar die de evolutie over een periode van tien jaar weergeven.

In 2008 werd begonnen met het systematisch registreren van agressie-incidenten in de gevangenissen. Deze worden geregistreerd aan de hand van een "meldingsformulier agressief gedrag". Gezien de gegevens enkel op één jaar betrekking hebben, en dan nog slechts enkele inrichtingen betreffen, kan er geen evolutie bezorgd worden en moeten de gegevens over de spreiding van de incidenten over de gevangenissen dan ook met de nodige omzichtigheid worden geïnterpreteerd.

De gegevens voor 2008 zijn de volgende:

Voor de gevangenissen van de regio Noord, ging het in totaal om 348 incidenten, waarvan 254 met personeelsleden als doelwit van de agressie. Het meest incidenten (71) werden geregistreerd in de gevangenis van Sint-Gillis.

Voor de gevangenissen van de regio Zuid, ging het in totaal om 198 incidenten, waarvan 141 met personeelsleden als doelwit van de agressie. Het meest incidenten (164) werden geregistreerd in de gevangenis van lttre.

Het spreekt voor zich dat er een zekere correlatie kan zijn tussen acute situaties van overbevolking en stressgerelateerde agressie­incidenten, ln een onderzoeksrapport van 1999- 2000 van de VUB/ULB "De problematiek van geweld in gevangenissen", dat de problematiek van geweld in gevangenissen in al zijn facetten bespreekt, wordt het gedwongen samenleven op cel ook als één van de oorzaken van geweld tussen gedetineerden onderling naar voren geschoven.

4. Voor het antwoord op vraag 4 kan verwezen worden naar het tweede deel van het antwoord op vraag 3.

5. Voor de nieuwe gevangenissen zullen er nieuwe posten voorzien worden. Het aantal ligt nog ter studie voor en zal in een later stadium worden beslist. Een deel van het Masterplan heeft echter ook betrekking op nieuwbouw ter vervanging van bestaande gevangenissen die in slechte staat verkeren. Hiervoor zal vanzelfsprekend het bestaande personeelsbestand worden gebruikt.

6. Van 1998 tot 2009 steeg het aantal gedetineerden dat verblijft in de door de Federale Overheidsdienst (FOD) Justitie beheerde inrichtingen met ongeveer 2000 eenheden, d.i. een stijging van +/- 25 %.

Voor de periode van 1998 tot 2003 viel deze globale stijging vooral toe te schrijven aan de stijging van het aantal verdachten. Er werd voor deze laatste categorie een stijging opgetekend van 900 eenheden (tegenover veroordeelden: + 200 en geïnterneerden: + 100).

Voor de periode vanaf 2003 is het echter de categorie van veroordeelden (+ 600) en geïnterneerden (+ 300) die het totaal van de gevangenisbevolking doet stijgen. Het aantal verdachten nam voor diezelfde periode af met een 100-tal eenheden.

De grootte van de gevangenispopulatie is de resultante van enerzijds het aantal binnenkomende gevangenen en anderzijds de invrijheidstellingen. Aangezien een groot deel van de kortgestraften (gevangenisstraffen tot drie jaar) georiënteerd worden naar het elektronisch toezicht, wordt de in gevangenis verblijvende bevolking over het algemeen gekenmerkt door langere straffen en een hogere gemiddelde gevangenisduur.

De hogere gemiddelde gevangenisduur kan ook toegeschreven worden aan wetswijzigingen met betrekking tot de termijnen en voorwaarden voor invrijheidsstelling.

Tot slot kan er nog op gewezen worden dat hoewel de toename van de totale gevangenisbevolking, zoals gezegd, voor de periode vanaf 2003 vooral te wijten is aan de toename van het aantal veroordeelden en geïnterneerden, de 'seizoensschommelingen' in het gedetineerdenbestand vooral beïnvloed wordt door de verdachten. Acute gevallen van overbevolking zijn bijgevolg dikwijls een gevolg van de impact van de voorlopig gehechten en het spreekt voor zich dat dit zich het meest laat gevoelen in de penitentiaire inrichtingen die enkel of voornamelijk dienst doen als arresthuizen.

7. De strafuitvoeringsrechtbank (SURB) is sinds 1 februari 2007 bevoegd voor voorwaardelijke invrijheidsstellingen en voor strafuitvoeringsmodaliteiten van veroordeelden met een totale gevangenisstraf van meer dan drie jaar. Er werden termijnen vooropgesteld voor de uitbreiding van de bevoegdheid tot de wet op de geïnterneerden (1 januari 2009), de terbeschikkingstelling van de SURB (1 augustus 2009) en straffen van 3 jaar en minder (1 september 2009). Verschillende instanties hebben de werking van de SURB onderzocht. Allemaal zijn ze tot de bevinding gekomen dat het verder uitbreiden van de bevoegdheden van de SURB onverantwoord zou zijn indien niet aan de noodzakelijke randvoorwaarden op het gebied van organisatie, logistieke ondersteuning en personeelsbezetting wordt tegemoet gekomen. Hiervoor voorzien we middelen om de strafuitvoeringsrechtbanken en de justitiehuizen op kruissnelheid te brengen. Daarnaast zijn in het Belgisch Staatsblad van 17 oktober 2008 de koninklijke besluiten van 1 oktober 2008 verschenen ter instelling van overlegstructuren (koninklijk besluit van 1 oktober 2008 tot inwerkingtreding en uitvoering van de artikelen 98/1 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten en 120, eerste lid, van de wet van 21 april 2007 betreffende de internering van personen met een geestesstoornis). Deze moeten het mogelijk maken dat de actoren de samenwerking op meerdere vlakken evalueren: onderlinge communicatie (mededeling van stukken tot stoffering van de dossiers van elk van de actoren, informatie over de genomen beslissingen door de SURB, het openbaar ministerie, de gevangenisdirectie, de actoren binnen de justitiehuizen), kennisgeving aan de gedetineerde en aan het slachtoffer, enz. Er werd een inventaris opgemaakt van alle suggesties, opmerkingen en voorstellen ter verbetering van de regelgeving met betrekking tot de bevoegdheden en de werking van de strafuitvoeringsrechtbanken, alsook van bepaalde technische moeilijkheden in de verschillende wetten.

In afwachting van het voltrekken van acties is ondertussen in de wet van 24 juli 2008 houdende diverse bepalingen (Il) de inwerkingtreding van de voormelde wetten tot bevoegdsheidsuitbreiding uitgesteld (Belgisch Staatsblad van 7 augustus 2008). De nieuwe data moeten worden begrepen als uiterste einddata. Voor elk van de actiepunten hanteren we een tijdslijn. ln functie van de evolutie van de werkzaamheden zullen de wetteksten en eventuele uitvoeringsteksten in werking worden gesteld. Het is geenszins de bedoeling voor alle projecten tot deze uiterste datum te gaan.

8. Op heden lijkt de kwestie van de afschaffing van de genademaatregel niet aan de orde.

9. Dergelijke voorstellen kunnen niet geïsoleerd worden bekeken, maar dienen aan bod te komen binnen een veiligheidsaanpak die zowel integraal (brede benadering vanuit verschillende beleidsdomeinen) als geïntegreerd (samenwerking van alle betrokken actoren) is. Er kan dan nagedacht worden over preventieve (voorkomen), repressieve/reactieve (bestrijding) en nazorg- (terugkeer tot normale toestand) maatregelen in de veiligheidsketen. Het strafrechtelijk optreden en in het bijzonder de gevangenisstraf dienen een ultimum remedium te zijn, slechts wanneer de andere schakels in de veiligheidsketen geen afdoend antwoord kunnen bieden op het veiligheidsprobleem kan een beroep worden gedaan op de gevangenisstraf. Daarom wordt vanuit Justitie volop geïnvesteerd in alternatieve sancties, waarbij overleg tussen de verschillende betrokken actoren cruciaal is met het oog op een effectieve uitvoering en verruimde toepassing van deze sancties. Om de samenwerking inzake de voorlichting en de begeleiding van alternatieve sancties vlot te laten verlopen zijn dan ook overlegstructuren opgericht die de magistratuur (als opdrachtgevende overheden) en de Justitiehuizen samenbrengen. De overlegstructuren zijn zowel op federaal als op lokaal niveau opgericht (koninklijk besluit van 1 oktober 2008 houdende de samenstelling en werking van de overlegstructuren inzake de harmonisering van de uitvoeringsmodaliteiten van de opdrachten toevertrouwd aan het directoraat-generaal Justitiehuizen van de FOD Justitie, Belgisch Staatsblad van 17 oktober 2008).

10. De idee om psychiatrische annexen van gevangenissen te sluiten is nergens opgenomen in een beleidsplan en kan ook niet gebeuren zonder een wetswijziging. De wet voorziet vandaag de inobservatiestelling van geïnterneerden in de psychiatrische annex van een gevangenis in afwachting van een plaatsingsbeslissing door de Commissie Bescherming Maatschappij. Het is wel een beleidsoptie om het verblijf van personen met een geestesstoornis in de gevangenissen zo kort mogelijk te houden en de patiënt indien het mogelijk is door te verwijzen voor behandeling naar een aangepaste voorziening. Zorgequipes verbonden aan annexen en afdelingen ter bescherming van de maatschappij dragen bij tot de voorbereiding van de opname in reguliere psychiatrische instellingen en ambulante voorzieningen. Er is een permanent overleg tussen mijn departement en de .,F0D Volksgezondheid om het beleidsplan inzake internering te optimaliseren, te operationaliseren en effectief te realiseren. De bouw van twee Forensisch Psychiatrische Centra te Gent en te Antwerpen wordt voorbereid door de Regie der Gebouwen. Dit gebeurt in overleg met alle betrokken actoren.

11. Inzake drugsfeiten staat een geïntegreerd en integraal beleid voorop dat gericht is op een effectieve ontrading door preventie, hulp en repressie en dat gebaseerd is op een nauwe samenwerking tussen de overheden en bevoegde diensten. Met het oog hierop is de "Algemene Cel Drugsbeleid", opgericht bij de FOD Volksgezondheid, in 2008 volledig operationeel gemaakt. Deze Cel, bestaande uit vertegenwoordigers van de federale overheid en de gewest- en gemeenschapsregeringen, beoogt een globaal en geïntegreerd drugbeleid. Daarbij is het van groot belang dat de bevoegde diensten samenwerken om alternatieven voor gerechtelijke sancties te stimuleren en een maximale doorverwijzing naar de hulpverlening aan te moedigen.

Er bestaan in de wetgeving op verschillende echelons van de strafrechtsbedeling modaliteiten waarbij middelengebruikers naar de hulpverlening kunnen worden doorverwezen: vrijheid onder voorwaarden (gerechtelijk onderzoek), probatie (rechtbank), voorwaardelijke invrijheidstelling (strafuitvoering). Op het niveau van de opsporing en de vervolging bestaat geen specifieke wetgevende modaliteit, er lopen momenteel wel twee pilootprojecten: het Proefzorgproject in Gent en het project Conseiller Stratégique Drogue in Luik. Gezien de positieve evaluatie van het pilootproject Proefzorg is aan de Dienst voor het Strafrechtelijk beleid de opdracht gegeven om beleidsvoorstellen te formuleren voor een wettelijke en veralgemeende implementatie van het pilootproject in de Belgische strafprocedure en de justitiële organisatie.

12. Vooreerst dient herinnerd te worden aan de bevoegdheidsverdeling in dat verband tussen de federale overheid en de gemeenschappen. De organisatie van onderwijs is in het Belgisch grondwettelijk systeem een bevoegdheid van de gemeenschappen. Dit geldt uiteraard ook voor onderwijs en vorming aan gedetineerden. De federale overheid heeft in deze slechts een faciliterende rol; zij heeft als taak de door de gemeenschappen te organiseren onderwijs- en vormingsactiviteiten mogelijk te maken in de schoot van de penitentiaire instellingen. Het (nog niet in werking getreden) artikel 76, §§ 1 en 2 van de basiswet gevangeniswezen is ook in die zin opgesteld.

In uitvoering van genoemde faciliterende rol, kan onder meer gewezen worden op het principe van de toelages of `aanmoedigingspremies' (financiële 'incentives') die ten laste van de centrale administratie of van de Regie van de Gevangenisarbeid onder bepaalde voorwaarden worden toegekend aan de gedetineerden die een opleiding volgen.

Daarnaast komt het aan de respectieve gevangenisdirecties toe om de algemene ontwikkeling en beroepsopleiding van gedetineerden te bevorderen, waarbij bijzondere aandacht moet worden besteed aan gedetineerden met onvoldoende ontwikkeling. De organisatie van de vormingsactiviteiten als zodanig komt echter, zoals gezegd, toe aan de gemeenschappen.

Ook de sociale hulpverlening aan gedetineerden met het oog op hun sociale reïntegratie is, conform artikel 5, § 1, II, 70 van de bijzondere wet van 8.augustus1988 tot hervorming der instellingen, een bevoegdheid van de gemeenschappen.

13. Neen. Er is geen statistisch cijfermateriaal beschikbaar om een dergelijke veronderstelling te staven. De notie `maatschappelijk gevaarlijk' wordt in de huidige wetgeving niet als zodanig gebruikt.

"Maatschappelijk gevaarlijke criminelen" betreft een heel ruim begrip waarbij specifiekere criteria nodig zijn om het begrip "gevaarlijk" te definiëren.

Max Vandenbroucke maakt om dit te illustreren een onderscheid tussen een delinquent die problematisch kan zijn — omwille van een pathologische persoonlijkheid — en een gevaarlijk individu dat daarentegen doorgaans een "stabielere" normale persoonlijkheid heeft.

Een psychoot die psychiatrisch wordt opgevolgd kan voor problemen zorgen bij de verzorgers maar ongevaarlijk zijn voor een derde. De leden van een criminele organisatie zijn daarentegen vaak gevaarlijke personen met veel capaciteiten maar zonder over een persoonlijkheidspathologie te beschikken. Het "gevarenrisico" moet dus per individu worden bepaald. (M. Vandenbroucke, "De medico­psychosociale aanwezigheid in en rond de gevangenis: het expertiseluik, de opdrachten en de methodologie van de psychosociale dienst", in F. Declercq (red.), Seksuele, geweld- en levensdelicten, Leuven, ACCO, 2008, blz.299.)

14. Het is niet eenvoudig om het percentage veroordeelden te berekenen dat een alternatieve straf krijgt. Er bestaan immers wettelijke beperkingen om bepaalde alternatieven op te leggen. Het is dus moeilijk om tot een specifieke referentiepopulatie te komen.

Voor het verdere antwoord op vraag 14 kan worden verwezen naar het antwoord op vraag 9.

Bovendien is in de Beleidsverklaring van 2009 voorzien dat het subsidiesysteem, voor de werkstraf en andere alternatieve straffen, wordt omgevormd tot een uniform, transparant en modern systeem. Deze nieuwe vorm van subsidiëring moet worden uitgewerkt in samenhang met de andere vormen van alternatieve maatregelen en in overleg met de bevoegde ministers, de FOD's van de federale overheden, de lokale overheden en de diensten van de gemeenschappen. Aangezien de beschikbare financiële middelen beperkt zijn, moeten we nagaan op welke manier cumulatieve financiering uit de weg kan worden gegaan en synergieën, door middel van samenwerkingsakkoorden, kunnen worden tot stand gebracht.