1-178

1-178

Sénat de Belgique

Belgische Senaat

Annales parlementaires

Parlementaire handelingen

SÉANCE DU JEUDI 2 AVRIL 1998

VERGADERING VAN DONDERDAG 2 APRIL 1998

(Vervolg-Suite)

BELANGENCONFLICT TUSSEN HET VLAAMS PARLEMENT EN HET PARLEMENT VAN DE FRANSE GEMEENSCHAP TEN GEVOLGE VAN DE GOEDKEURING DOOR DE COMMISSIE VOOR WELZIJN, GEZONDHEID EN GEZIN VAN HET VLAAMS PARLEMENT VAN HET VOORSTEL VAN DECREET VAN DE HEER SUYKERBUYK C.S. HOUDENDE VASTSTELLING VAN DE VOORWAARDEN VOOR GETROFFENEN VAN REPRESSIE EN EPURATIE, EN VOOR OORLOGSSLACHTOFFERS, OM IN AANMERKING TE KOMEN VOOR EEN FINANCIËLE TEGEMOETKOMING

Voorstel van gemotiveerd advies

Bespreking

CONFLIT D'INTÉRÊTS ENTRE LE PARLEMENT FLAMAND ET LE PARLEMENT DE LA COMMUNAUTÉ FRANÇAISE À LA SUITE DE L'APPROBATION, PAR LA COMMISSION DE L'AIDE SOCIALE, DE LA SANTÉ ET DE LA FAMILLE DU PARLEMENT FLAMAND, DE LA PROPOSITION DE DÉCRET DE M. SUYKERBUYK ET CONSORTS FIXANT LES CONDITIONS AUXQUELLES DOIVENT RÉPONDRE LES PERSONNES FRAPPÉES PAR LA RÉPRESSION ET L'ÉPURATION AINSI QUE LES VICTIMES DE LA GUERRE POUR ÊTRE PRISES EN CONSIDÉRATION EN VUE D'UNE INDEMNISATION FINANCIÈRE

Proposition d'avis motivé

Discussion

De voorzitter. ­ Aan de orde is de bespreking van het voorstel van gemotiveerd advies. (Zie document nr. 1-923/1 uitgebracht namens het bureau.)

L'ordre du jour appelle la discussion de la proposition d'avis motivé. (Voir document nº 1-923/1 fait au nom du bureau.)

Het voorstel van gemotiveerd advies luidt :

De Senaat adviseert het Overlegcomité vast te stellen dat het voorliggende belangenconflict niet vrij is van een bevoegdheidsconflict en de procedure tot regeling van het belangenconflict definitief af te sluiten.

Le Sénat conseille au Comité de concertation de constater que le conflit d'intérêts qui est soumis n'est pas exempt d'un conflit de compétence, et de clôturer définitivement la procédure de règlement du conflit d'intérêts.

De bespreking is geopend.

La discussion est ouverte.

Het woord is aan de rapporteur.

De heer Moens (SP), rapporteur. ­ Mijnheer de voorzitter, het belangenconflict tussen het Vlaams Parlement en het Parlement van de Franse Gemeenschap brengt heel wat procedurele moeilijkheden met zich. Het sleept ook reeds lang aan. Het voorstel van decreet waar het om gaat, heeft een hele voorgeschiedenis.

Het werd in mei 1996 ingediend in het Vlaams Parlement en gaf aanleiding tot een belangenconflict dat nog ingewikkelder is dan het belangenconflict dat we zopas hebben behandeld. We zijn immers tot de vaststelling gekomen dat het hier zou kunnen gaan om een samenloop van een bevoegdheidsconflict en een belangenconflict, wat inderdaad heel wat institutionele moeilijkheden met zich brengt. Het probleem werd evenwel opgelost dankzij de bijzondere inzet van de diensten van de Senaat.

Aangezien het gedrukt verslag uitvoerig ingaat op de proceduredetails zal ik mij beperken tot de chronologische opsomming van de feiten en de data. Zoals ik reeds zei, dienden de heer Suykerbuyk c.s. op 2 mei 1996 in het Vlaams Parlement een voorstel van decreet in houdende vaststelling van de voorwaarden voor getroffenen van repressie en epuratie, en voor oorlogsslachtoffers om in aanmerking te komen voor een financiële tegemoetkoming. Dit voorstel wekte al onmiddellijk argwaan bij de voorvechters van de institutionele zuiverheid in het Vlaams Parlement. Ze vroegen zich af of het Vlaams Parlement voor deze materie wel bevoegd was. Om te voorkomen dat een bevoegdheidsconflict zou ontstaan, werd tot tweemaal toe, namelijk in november 1996 en in oktober 1997 advies gevraagd aan de Raad van State.

In zijn advies van 12 november 1996 oordeelde de Raad van State dat het voorstel van decreet een aangelegenheid regelt waarvoor de Vlaamse Gemeenschap niet bevoegd is. Via amendementen werd dan gepoogd aan de opmerkingen van de Raad van State tegemoet te komen. Volgens het advies van 12 oktober 1997 van de Raad van State kon echter ook het geamendeerde voorstel niet worden ingepast in het beleid inzake maatschappelijk welzijn, waarvoor de gemeenschappen bevoegd zijn.

Op 5 november 1997 heeft de commissie voor Welzijn, Gezondheid en Gezin van het Vlaams Parlement, ondanks de twee negatieve adviezen, het voorstel van decreet goedgekeurd met 7 stemmen tegen 4, bij 4 onthoudingen.

Op 25 november 1997 werd tegen het voorstel van decreet van de heer Suykerbuyk c.s. in het Parlement van de Franse Gemeenschap een motie betreffende een belangenconflict ingediend en eenparig goedgekeurd. Men ging ervan uit dat het belang van de Franse Gemeenschap door dit voorstel werd geschaad. Dat er eventueel ook sprake kon zijn van een bevoegdheidsconflict achtte men toen nog minder belangrijk.

Op 26 november 1997 verzendt de voorzitter van het Vlaams Parlement het voorstel van de heer Suykerbuyk c.s. naar het Overlegcomité met het verzoek om advies over de vraag of er al dan niet bevoegdheidsoverschrijding is. Van een belangenconflict is in zijn vraag vreemd genoeg geen sprake. Dit had natuurlijk voor het Vlaams Parlement het voordeel dat de schorsing die de procedure over het belangenconflict vanwege het Parlement van de Franse Gemeenschap had veroorzaakt, ongedaan werd gemaakt. Die procedure werd immers vervangen door de procedure voor een bevoegdheidsconflict, waarvoor het Overlegcomité 40 dagen krijgt om uitspraak te doen, volgens de regel van de consensus. Helaas heeft de eerste minister, die het Overlegcomité begeleidt, 40 dagen later, op 5 januari, aan de betrokken partijen moeten meedelen dat er geen consensus kon worden bereikt en dat de procedure bijgevolg moest worden verdergezet. Dit moest dan uiteraard de procedure van het belangenconflict zijn, aangezien de schorsing van de looptijd hiervan, door het feit dat men voor het bevoegdheidsconflict geen beslissing had kunnen nemen, ongedaan was gemaakt en de 60 dagen opnieuw begonnen te lopen.

De twee parlementen moeten gedurende deze periode bijeenkomen om eventueel tot een oplossing voor het belangenconflict te komen. Ze hebben dat gedaan op 12 februari, echter zonder resultaat. De termijn van 60 dagen liep ten einde op 5 januari van dit jaar. De voorzitster van het Parlement van de Franse Gemeenschap heeft dan de Senaat daarvan op de hoogte gebracht. De Senaat moet nu binnen de 30 dagen advies uitbrengen aan het Overlegcomité, dat op zijn beurt 30 dagen heeft om tot een oplossing te komen. Die procedure is op gang gebracht op 5 maart. Ten laatste vandaag, 4 april moest de Senaat bijgevolg advies uitbrengen.

Dit advies wordt in hoge mate gedetermineerd door het feit dat we hier tegelijk met een bevoegdheids- en een belangenconflict te maken hebben. De gewone wet van 9 augustus 1980 is daaromtrent zeer duidelijk. In een dergelijk geval wordt het belangenconflict geschorst tot er een uitspraak valt in het bevoegdheidsconflict, de algemene filosofie zijnde dat dit laatste primeert. Het Overlegcomité moet binnen de acht dagen aan de Raad van State de vraag voorleggen of er ja dan neen sprake is van een bevoegdheidsconflict.

We waren volop bezig een dergelijke vraag voor te bereiden, toen we in artikel 32 van dezelfde wet ontdekten dat paragraaf 7 zeer expliciet zegt dat, wanneer er in een procedure vroeger al eens advies aan de Raad van State is gevraagd door een wetgevend orgaan, dit geen tweede keer mag gebeuren. Indien dat eerste advies zegt dat, ik citeer letterlijk « het belangenconflict niet vrij is van een bevoegdheidsconflict », zoals nu het geval was, dan moet, volgens de wettelijke beschikking, het belangenconflict onmiddellijk en definitief worden gesloten. Het was het bureau dat van de Senaat opdracht had gekregen om in zijn naam over deze zaak te beraadslagen. Het heeft dit gedaan op 19 en 26 maart.

Toen we daar vaststelden dat paragraaf 7 hier volledig van toepassing was, konden we niet anders dan besluiten dat het belangenconflict dat bij ons aanhangig was, definitief moest worden gesloten en dat we daarover op geen enkele wijze nog iets konden zeggen. Dit advies hebben we uitgebracht aan het Overlegcomité, dat nu op zijn beurt 30 dagen tijd krijgt om hierover uitspraak te doen. Ik lees de slotzinnen van ons advies, in het Frans, opdat iedereen het goed zou verstaan.

« Pour ces raisons, le Sénat conseille au Comité de concertation de constater que le conflit d'intérêts qui est soumis n'est pas exempt d'un conflit de compétence, et de clôturer définitivement la procédure de règlement du conflit d'intérêts. »

Dit betekent misschien niet dat het belangenconflict over deze zaak voor eeuwig en altijd gesloten is. Indien het Vlaams Parlement dit decreet zou goedkeuren en indien het door de Franse Gemeenschap voor het Arbitragehof zou worden gebracht en het Arbitragehof zou, in tegenstelling tot de Raad van State, oordelen dat er wel bevoegdheid was in hoofde van de Vlaamse Gemeenschap, zou de Franse Gemeenschap volgens sommige bureauleden opnieuw een belangenconflict kunnen inroepen en de zuivere procedure van het belangenconflict hervatten.

Ik besluit met een kleine rechtzetting. Op pagina 4 van het verslag staat een verkeerde datum. Er staat dat het Parlement van de Franse Gemeenschap haar motie goedkeurde op 25 november 1998. Dat was natuurlijk op 25 november 1997.

De voorzitter. ­ Het woord is aan de heer Loones.

De heer Loones (VU). ­ Mijnheer de voorzitter, de conclusie van de rapporteur is heel merkwaardig. Hij zegt dat er opnieuw een belangenconflict kan worden ingeroepen indien het Arbitragehof het bevoegdheidsconflict zou verwerpen.

De heer Moens (SP). ­ Dan zou het opnieuw kunnen worden ingeroepen.

De heer Loones (VU). ­ Ik heb dat in het verslag niet gelezen. Het verslag vermeldt wel dat er een lacune is in de wetgeving. Volgens mij kan het decreet ongewijzigd tot stand komen wanneer de procedure voor het Arbitragehof is uitgeput. De termijnen voor het instellen van een belangenconflictprocedure zouden op dat ogenblik trouwens al zijn verstreken. Is er misschien nog een andere mondelinge conclusie, die niet in het schriftelijk verslag staat ?

De heer Moens (SP). ­ Ik geef de redenering van sommige leden van het bureau van de Senaat die tijdens de bespreking werd gevolgd. « Definitief afgesloten » zou in het kader van deze procedure niet « in alle eeuwigheid » betekenen.

De heer Loones heeft gelijk wanneer hij zegt dat er nog lacunes zijn, maar die lacunes hebben we zelf gecreëerd. We hebben immers beslist dat dergelijke belangenconflicten politiek moeten worden opgelost en niet anders.

De voorzitter. ­ Het woord is aan de heer Van Hauthem.

De heer Van Hauthem (Vl. Bl.). ­ Mijnheer de voorzitter, ik dank de heer Moens voor het verslag dat hij namens het bureau heeft uitgebracht. Dit verslag is interessant omdat het nogmaals toont dat er een overlapping is tussen het belangenconflict en het bevoegdheidsconflict.

Bij vorige dossiers met betrekking tot belangenconflicten die in de Senaat moesten worden behandeld, heb ik altijd de thesis verdedigd dat de intentie om zijn bevoegdheden te overschrijden kan worden aangegrepen om een belangenconflict in te roepen. Ik heb altijd gezegd dat het overschrijden van de bevoegdheden de belangen van een ander parlement kan schaden. Men heeft die logica niet gevolgd omdat men absoluut het onderscheid wenste te behouden tussen het belangenconflict en het bevoegdheidsconflict.

Mijn eigen logica gaat in deze zaak echter niet op. Het belangenconflict is hier immers ingeroepen door het Parlement van de Franse Gemeenschap en in de motivering om dat belangenconflict in te roepen staat onder meer dat het Vlaams Parlement zijn bevoegdheden overschrijdt. Daar komt opnieuw de overlapping, maar met dit verschil dat het Parlement van de Franse Gemeenschap niet kan beweren dat zijn eigen bevoegdheden worden aangetast. Indien het hier om een bevoegdheidsconflict gaat zijn het Vlaams Parlement en het federale Parlement betrokken partijen en niet het Parlement van de Franse Gemeenschap.

We kunnen het advies niet volgen. We gaan wel akkoord met dat deel van het advies dat zegt dat de procedure inzake het belangenconflict definitief moet worden afgesloten, maar in het advies staat ook dat het belangenconflict niet vrij is van een bevoegdheidsconflict. Ik wil dit betwisten. De professoren Rimanque en Van Orshoven hebben de argumenten van de Raad van State afdoende weerlegd in hun uitgebreide nota. Ze leggen uit dat de gemeenschappen in het kader van hun bevoegdheid inzake het maatschappelijk welzijn dergelijke maatregelen mogen nemen. Volgens de professoren vergist de Raad van State zich in zijn advies.

De Raad van State verwees in zijn advies trouwens naar de parlementaire besprekingen die leidden tot de bijzondere wet van 8 augustus 1980. De toenmalige ­ en huidige ­ fractieleider van de Parti socialiste in de Senaat, de heer Lallemand, verklaarde toen : « Monsieur le président, le groupe socialiste est d'accord sur l'interprétation que M. André » ­ de heer André was toen de fractieleider van de PSC en is nu lid van het Arbitragehof ­ « a donnée de son intention de vote. Il considère que les suites sociales d'une répression sont en effet transférées à la compétence des communautés et que les cas individuels doivent être examinés par les organes compétents. Il est bien entendu qu'une telle compétence n'implique pas le pouvoir de modifier la législation relative à la répression de l'incivisme et de modifier les peines édictées par les tribunaux. »

De heer Lallemand verkondigde dus eigenlijk in 1980 dat de gemeenschappen bevoegd zijn voor de sociale gevolgen van de repressie. Dat is ook mijn mening en daarom ben ik het niet eens met het advies van de Raad van State.

Het voorstel van decreet heeft alleen betrekking op de inwoners van het Vlaamse Gewest en is dus niet van toepassing op de Vlaamse inwoners van Brussel die wel onder de Vlaamse Gemeenschap vallen, maar niet onder het Vlaamse Gewest. Dit voorstel van decreet is dus ook niet van toepassing op Franstaligen in Brussel of daarbuiten. Men kan dan ook moeilijk beweren dat het voorstel van decreet de belangen van de Franstaligen schaadt.

Het is belangrijk te weten waarom een belangenconflict werd ingediend. Dit gebeurde om politieke redenen. Uit de motivering van de motie die door het Parlement van de Franse Gemeenschap is aangenomen, de parlementaire verslagen en de stemverklaringen blijkt dat haat het belangrijkste motief was. Het Parlement van de Franse Gemeenschap beschouwde het voorstel van decreet van de heer Suykerbuyck c.s. als een verdoken amnestiemaatregel en diende daarom de motie in die aan de oorsprong ligt van het huidige belangenconflict. Helaas is dit voorstel van decreet zelfs geen verdoken amnestiemaatregel. Het voorstel betreft drie slachtoffers van de Spaanse burgeroorlog, die ondertussen trouwens niet geïnteresseerd blijken, en de oorlogs- en repressieslachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. Al die slachtoffers kunnen een financiële tegemoetkoming krijgen van maximum 20 000 frank per jaar als ze vandaag hulpbehoevend zijn en bovendien kunnen aantonen dat dit het gevolg is van die maatregelen die meer dan vijftig jaar geleden in het kader van de repressie of de epuratie werden genomen. Maar vijf, tien of maximum vijftien à twintig Vlamingen komen in aanmerking voor die schadevergoedingen van 1 666 frank per maand.

Wie de motie van de Franse Gemeenschap leest, krijgt de indruk dat de Franstaligen ervan uitgaan dat ze amnestie op nationaal vlak steeds hebben kunnen tegenhouden en dat ze nu willen verhinderen dat Vlaanderen op zichzelf een maatregel voor de Vlamingen uitvaardigt. Het moet duidelijk zijn dat het voorstel van decreet geen amnestiemaatregel inhoudt. Daarom vind ik de tekst van de motie van het Parlement van de Franse Gemeenschap verbijsterend. Door een belangenconflict in te roepen en het voorstel van decreet als een voorstel voor amnestie af te schilderen, heeft de Franse Gemeenschap opnieuw geprobeerd Vlaanderen te stigmatiseren.

Vlaanderen wordt opnieuw voorgesteld als het landsgedeelte dat massaal heeft gecollaboreerd en daarom zijn straf verdiende. Elke amnestiemaatregel wordt uitgesloten, ook als die tot doel heeft de negatieve sociale gevolgen weg te nemen. Hoewel Franstaligen in het verleden steeds hebben beweerd niets te hebben tegen de opruiming van deze sociale gevolgen, merken we dat slechts een minieme aanzet vanuit het Vlaams Parlement om deze sociale gevolgen uit te wissen, volstaat om aan de alarmbel te trekken.

Overigens vraag ik mij af waarom na meer dan vijftig jaar geen sereen debat over amnestie kan worden gevoerd. Amnestie is niet hetzelfde als het goedkeuren van collaboratie. Evenmin betekent het dat oorlogsgebeurtenissen uit het collectieve geheugen worden gewist. Indien dat het geval zou zijn, dan zouden landen als Nederland, Frankrijk, Noorwegen en de voormalige Sovjet-Unie geen collectief geheugen hebben. Amnestie is wel een poging ondernemen om een streep te trekken onder het verleden en om met zijn eigen geschiedenis in het reine te komen. Het gaat dus om verzoening. Die verzoening en zelfs de minste aanzet daartoe worden in dit land altijd geweigerd, terwijl men zeer goed weet dat het niet om beulen of verklikkers gaat, maar vooral om politieke delinquenten. Niet alleen de Vlaams-nationalisten, maar ook andere pleitbezorgers zoals bisschoppen en intellectuelen hebben zich in de jaren 70 voor amnestie uitgesproken.

Als ik de redenering van de Franstaligen volg, dan is het weigeren van welke amnestiemaatregel dan ook eigenlijk een bestendiging van de haat. Het is de uitdrukkelijke wil om niet tot verzoening te komen en niet te erkennen dat er ook in de repressie verschrikkelijke zaken zijn gebeurd. Men wil niet erkennen dat er excessen hebben plaatsgevonden en dat tienduizenden maandenlang in kampen werden opgesloten en nadien vrijgelaten zonder dat er een klacht werd ingediend.

Wanneer ik de Parlementaire Handelingen van het einde van de jaren 40 en het begin van de jaren 50 erop nalees, dan constateer ik dat de idee van verzoening, amnestie en een streep te trekken onder het verleden, toen veel meer leefde dan nu. In die tijd werd ook door traditionele partijen in deze Senaat gewaarschuwd voor de excessen zonder te beweren dat repressie of strafmaatregelen overbodig waren. Het woord amnestie is nu meer geladen dan veertig jaar geleden.

Graag zou ik enkele getuigenissen aanhalen. Het voorstel van decreet van de heer Suykerbuyk heeft tot doel hulp te bieden aan de zwakkeren in de samenleving van vandaag, aan degenen die vandaag nog hulpbehoevend zijn ten gevolge van wat er vijftig jaar geleden is gebeurd. De geschiedenis van de repressie is nog steeds niet geschreven. De cijfermatige geschiedenis kennen we. We kennen het aantal dossiers, het aantal veroordelingen en het aantal doodstraffen. We weten hoeveel mensen er zijn getroffen door de epuratie. Maar de geschiedenis van de zwaksten, die het slachtoffer zijn geweest van de excessen van de repressie, kennen we niet of nauwelijks. Vannacht heb ik nog gelezen in het Zwartboek der Zwarten , dat werd uitgegeven in 1945 en dat getuigenissen bevat van degenen die het zwaarst hebben geleden onder de excessen van de repressie, namelijk de vrouwen en kinderen van verdachten.

Ik citeer de getuigenis van een vrouw die in Putte werd aangehouden : « De tweede dag hebben zij mijn haar afgesneden. De vierde dag 's morgens voelde ik dat ik mijn kind zou verliezen. Ik vroeg naar mijn zoon om mij te vergezellen naar de koer. Met veel moeite geraakte ik eindelijk tot op de WC, waar ik in een verschrikkelijke pijn de vrucht verloor, niet in eenmaal, maar wel in drie grote brokken, telkens met verschrikkelijke pijnen. Er is geen dokter of vroedvrouw op af gekomen. »

Een andere vrouw getuigt : « Na deze vierde verkrachting was ik doodop. »

Van juffrouw Wouters, die was opgesloten in Vilvoorde en die herhaaldelijk werd verkracht, las ik : « Mejuffrouw Wouters werd door dit alles zo mager als een geraamte. Zij, die eens de meest levenslustige onder ons was, was nu totaal op en moedeloos. Nog enkele weken lag zij te bed en werd op 1 december uit haar bed gehaald en voor de commissie gebracht, waarna zij ziek naar huis werd gestuurd. Mejuffrouw Wouters is enkele dagen later overleden. » Uiteraard was ze een grote collaboratrice! Ze was toen 16 jaar.

Het betwiste voorstel van decreet heeft eigenlijk helemaal niets met amnestie te maken, maar wil de nood lenigen die nog bestaat ten gevolge van de repressie. Het is hoofdzakelijk gericht op de zwaksten. De motie van het Parlement van de Franse Gemeenschap is niet enkel een belediging voor de slachtoffers van de excessen van de repressie, maar voor de hele Vlaamse Gemeenschap. (Applaus.)

De voorzitter. ­ Het woord is aan de heer Loones.

De heer Loones (VU). ­ Mijnheer de voorzitter, de rapporteur heeft duidelijk gemaakt dat we hier te maken hebben met een proceduredebat.

Het besluit van het verslag lijkt mij eigenaardig. Op bladzijde 7 wordt uitdrukkelijk een onderscheid gemaakt tussen de twee mogelijkheden. Ik citeer : « Indien het Arbitragehof besluit tot de onbevoegdheid van de overheid die de norm heeft uitgevaardigd, is zowel het bevoegdheids- als het belangenconflict geregeld. Indien het Arbitragehof daarentegen besluit tot de bevoegdheid van de overheid die de norm heeft uitgevaardigd, dan is het bevoegdheidsconflict beslecht, doch niet het belangenconflict. »

Voorts wordt gezegd dat de procedure tot regeling van de belangenconflicten een lacune vertoont, die voortvloeit uit de samenloop van een bevoegdheids- en een belangenconflict.

We zijn van oordeel dat het decreet definitief is en dat het, aangezien het bevoegdheidsconflict is ingeroepen, te laat is om nog een belangenconflict in te roepen. De politieke oplossing die daarstraks werd voorgesteld is volgens ons niet meer mogelijk omdat de proceduretermijn is verstreken.

Omdat we niet groot genoeg zijn, maakt de Volksuniefractie geen deel uit van de commissies. We zijn echter wel erg geïnteresseerd in de aanpak van de institutionele problematiek, dus ook in dit dossier. Dit is zeker niet het laatste belangen- of bevoegdheidsconflict en we vinden dan ook dat de Senaat de instelling bij uitstek is om zich met deze problematiek bezig te houden.

Van Franstalige kant is er doorgaans weinig interesse voor wat er in Vlaanderen gebeurt, maar voor een dossier waarvan de Franstaligen denken dat het met amnestie te maken heeft is er altijd wel belangstelling.

Ik zou hier graag de opinie van wetenschapsfilosoof Max Wildiers aanhalen. In het opinieartikel « Amnestie, blijk van staatkundige wijsheid » verschenen in De Standaard van 29 maart 1994 in het kader van een debat over een amnestiemaatregel schreef Wildiers : « Bij amnestie gaat het erom de eenheid van het land te herstellen en een vreedzaam samenleven mogelijk te maken in het besef dat een staat die innerlijk verdeeld is, gedoemd is vroeg of laat ten onder te gaan. »

Op federaal niveau was er geen enkele uitkomst mogelijk. Er was dus geen enkele « blijk van staatkundige wijsheid ». Het is dus logisch en normaal dat Vlaanderen zelf iets onderneemt. Het voorstel van decreet is een principieel gebaar om tegemoet te komen aan de problemen die sommige oorlogsslachtoffers nog altijd ondervinden.

Wat de procedure betreft, vinden we dat het Vlaams Parlement zijn bevoegdheid niet te buiten is gegaan en sluiten we ons aan bij de adviezen van de professoren Rimanque en Van Orshoven die, in tegenstelling tot het advies van de Raad van State, stellen dat deze materie wel onder de bevoegdheid van het Vlaams Parlement valt. We gaan ermee akkoord dit belangenconflict af te sluiten, maar we zijn het er niet mee eens dat er een bevoegdheidsconflict bestaat.

De voorzitter. ­ Daar niemand meer het woord vraagt, is de bespreking gesloten.

We stemmen later over het voorstel van gemotiveerd advies.

Plus personne ne demandant la parole, la discussion est close.

Il sera procédé ultérieurement au vote sur la proposition d'avis motivé.