Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 6-2077

van Lode Vereeck (Open Vld) d.d. 10 januari 2019

aan de vice-eersteminister en minister van Financiėn, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, en Minister van Ontwikkelingssamenwerking

Richtlijn 91/271/EEG inzake de behandeling van stedelijk afvalwater - Niet naleving - Veroordeling door het Europees Hof van Justitie - Boeteregeling met de Gewesten - Stand van zaken - Aanbeveling 58 van informatieverslag van de Senaat 6-131/2 - Gevolg

waterbeleid
waterbehandeling
geldboete
Hof van Justitie van de Europese Unie
nationale uitvoeringsmaatregel
geografische spreiding
afvalwater
schending van het EU-recht
opvolging informatieverslag

Chronologie

10/1/2019 Verzending vraag (Einde van de antwoordtermijn: 14/2/2019 )
5/2/2019 Antwoord

Herindiening van : schriftelijke vraag 6-1042

Vraag nr. 6-2077 d.d. 10 januari 2019 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

Op 17 oktober 2013 werd Belgiė door het Europees Hof van Justitie veroordeeld tot een boete van 10 miljoen euro wegens niet naleving van de Europese richtlijn 91/271/EEG inzake de behandeling van stedelijk afvalwater. Omdat ten aanzien van de Europese instellingen het steeds de Belgische Staat is die moet betalen, werd het bedrag van 10 miljoen euro door de Federale Staat voorgeschoten. Op grond van artikel 16, § 3, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen kan de Federale Staat de kosten wegens het niet-nakomen van een internationale verplichting door toedoen van een Gewest of Gemeenschap verhalen op het betrokken Gewest of de betrokken Gemeenschap. Voornoemde wet doet evenwel geen uitspraak over de verdeling van de financiėle sancties in het geval er meerdere Gewesten en / of Gemeenschappen betrokken zijn.

Uit het Informatieverslag van de Senaat van 18 mei 2015) over de omzetting van het recht van de Europese Unie in Belgisch recht (stuk Senaat nr. 6-131/2 - 2014/2015) blijkt dat er reeds drie ministerraden hebben plaatsgevonden over de kwestie van de financiėle sancties (Ministerraden van 19 december 2003 (2003A33500 007), van 30 januari 2004 (2003A33500 007) en van 5 mei 2006 (2006A30500 005)). Het verslag vermeldt verder : « Tijdens die vergaderingen werd beslist dat in geval van veroordeling wegens niet-omzetting of vertraging bij de omzetting van een richtlijn, de Ministerraad of het Overlegcomité zal uitmaken welke federale overheidsdienst (FOD) of welke Gemeenschappen en / of Gewesten verantwoordelijk zijn en dat de betrokken FOD('s) / departementen de opgelopen boete zullen vereffenen op hun eigen begroting. De betrokkenheid van een departement hangt bijgevolg af van zijn verantwoordelijkheid in de niet-omzetting of de vertraging bij het omzetten van een richtlijn, wat met name kan worden bepaald aan de hand van het precontentieuze en het contentieuze dossier. Wat er is beslist, heeft niettemin slechts betrekking op een deel van de kwestie : de financiėle sancties met betrekking tot een andere overtreding dan de laattijdige omzetting van een Europese rechtsnorm, komen immers niet aan bod. »

In zijn Informatieverslag 6-131/2 formuleert de Senaat aan de Federale Staat in aanbeveling 58 : « De Senaat beveelt aan dat de Federale Staat samen met de deelstaten, snel en binnen het kader van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, de manier uitwerkt waarop de boetes en de dwangsommen in geval van niet-naleving van de termijnen of een onvolledige omzetting van de Europese wetgeving worden verdeeld. Daarbij wordt uitgegaan van het principe dat rekening zal gehouden worden met het aandeel in de veroordeling van elke entiteit. »

Het transversaal karakter van onderhavig onderwerp zit vervat in het feit dat het een sanctionering van de Belgische Staat door het Europees Hof betreft wegens niet naleving van een Europese richtlijn door toedoen van de gewestelijke entiteiten. De uitwerking van een verdeelsleutel voor boetes en dwangsommen dientengevolge betreft zowel de Federale Staat als de gefedereerde entiteiten.

Ik heb dienaangaande volgende vragen :

1) Het federaal regeerakkoord van 9 oktober 2014 bepaalt dat er voor alle gevallen een verdeelsleutel voor de financiėle last in geval van veroordeling moet worden vastgesteld : « Samen met de deelstaten zal de federale regering, snel en binnen het kader dat de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot de hervorming der instellingen oplegt, de manier uitwerken waarop de boetes en de dwangsommen in geval van niet-naleving van de termijnen of een onvolledige omzetting van de Europese wetgeving worden verdeeld. Daarbij wordt uitgegaan van het principe dat rekening zal gehouden worden met het aandeel in de veroordeling van elke entiteit. »

1) a) Wat is de stand van zaken met betrekking tot het voornemen van de federale regering tot het uitwerken van een manier waarop de boetes en de dwangsommen in geval van niet-naleving van de termijnen of een onvolledige omzetting van de Europese wetgeving worden verdeeld ? Welke voorstellen of gezamenlijke overlegmomenten met de Gewesten werden er reeds geļnitieerd of hebben er plaatsgevonden ?

1) b) Binnen welke tijdshorizon dient de aanduiding « snel » zoals vermeldt in de desbetreffende passage in het federaal regeerakkoord te worden begrepen ? Welk tijdspad en uiterste datum tot invulling van dit voornemen stelt u voorop ?

1) c) Bij de uitwerking van een verdeelsleutel voor boetes en dwangsommen zal er rekening worden gehouden met de verantwoordelijkheid van een entiteit / departement in de niet-omzetting of de vertraging bij het omzetten van een richtlijn ? Na de eerste veroordeling door het Europees Hof van Justitie, bij arrest van 8 juli 2004, hebben grote agglomeraties in Vlaanderen en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest voorzien in de noodzakelijke opvang- en behandelingssystemen van afvalwater. In vijf Waalse agglomeraties blijven de vereiste maatregelen in overeenstemming met de richtlijn echter uit.

In hoeverre zal dit gegeven meegenomen worden bij de uitwerking van de verdeelsleutel die voor betaling van de financiėle sanctie zal worden gehanteerd ? Hebt u al overleg gehad met de Gewesten omtrent de mogelijke gevolgen voor de lokale besturen ?

2) In de voormelde Ministerraden waarop het onderwerp werd behandeld, werd bepaald dat de Ministerraad of het Overlegcomité zal uitmaken welke FOD of welke Gemeenschappen en / of Gewesten verantwoordelijk zijn en dat de betrokken FOD('s) / departementen de opgelopen boete zullen vereffenen op hun eigen begroting.

2) a) Wanneer verwacht hij hierover een uitspraak ?

2) b) Zal de sleutel via een federaal interdepartementaal akkoord of via een samenwerkingsakkoord met de Gemeenschappen en Gewesten worden vastgesteld ? Welke optie heeft uw voorkeur ? Werden er hieromtrent al voorstellen of acties ondernomen ? Zo ja, wat is hierin de stand van zaken ? Zo nee, waarom niet ?

3) a) Werd er door u reeds gevolg gegeven aan de bovenvermeld aanbeveling 58 zoals opgenomen in het Informatieverslag van de Senaat nr. 6-131/2 over de omzetting van het recht van de Europese Unie in Belgisch recht ?

3) b) Zo ja, waarin uit zich dit ?

3) c) Zo nee, waarom niet ? Bent u nog van plan om aan deze aanbeveling aandacht te besteden ?

4) In de veroordeling door het Hof werd bovendien een dwangsom opgelegd ten belope van 4 722 euro per dag, waarbij de daadwerkelijk te betalen dwangsom per tijdvak van zes maanden wordt berekend en verschuldigd is vanaf de datum van de uitspraak (d.d. 17 oktober 2013) tot de dag dat er volledig aan de verplichtingen is voldaan. Hoeveel bedraagt het totaalbedrag dat Belgiė tot heden reeds aan dwangsom dient te betalen of heeft betaald ?

Antwoord ontvangen op 5 februari 2019 :

1) a) Op het Overlegcomité van 17 december 2013 werd akte genomen van het voorstel van de minister van Buitenlandse Zaken en Europese Zaken aangaande de principes voor de interne verdeling van financiële sancties opgelegd aan België door het Hof van Justitie van de Europese Unie.

Verder heb ik van mijn collega-minister van Buitenlandse Zaken en Europese Zaken vernomen dat de federale overheid en de Gewesten en Gemeenschappen in overleg zijn over de verdeling van de financiële sancties. Dit onderwerp werd behandeld op de Interministeriële Conferentie voor Buitenlands Beleid (ICBB) van februari 2016. Er werd daar onder andere besloten om een werkgroep op te richten die de basisprincipes van een regeling van de wijze van de intra-Belgische verdeling van boetes en dwangsommen zou uitwerken. Voor de conclusies en verdere initiatieven binnen dit kader verwijs ik door naar mijn collega-minister van Buitenlandse Zaken en Europese Zaken.

1) b) Er is de intentie om zo snel mogelijk tot een akkoord te komen met de gewesten en gemeenschappen over de basisprincipes van een regeling van de wijze van de intra-Belgische verdeling van boetes en dwangsommen. Er is geen uiterste datum vooropgesteld.

1) c) Wat betreft de terugvordering door de Federale Staat van de forfaitaire som die door de Europese Commissie werd ingevorderd als gevolg van de uitspraak van het arrest C-533/11 door het Hof van Justitie, moet in principe de voorlopige verdeelsleutel op basis van het aantal dagen van inbreuk gehanteerd worden zoals werd vastgelegd door het Overlegcomité van 17 december 2013. De Gewesten hebben tot op heden namelijk nog geen voorstel van definitieve verdeelsleutel geformuleerd.

2) Het Overlegcomité moet zich nog uitspreken over de basisprincipes van een regeling van de wijze van de intra-Belgische verdeling van boetes en dwangsommen. Mijn collega-minister van Buitenlandse Zaken en Europese Zaken heeft tijdens de ICBB van februari 2016 met de Gewesten en Gemeenschappen overeengekomen om een werkgroep op te richten om deze basisprincipes uit te werken. Ik verwijs naar mijn collega-minister voor meer informatie over de laatste stand van zaken van deze werkgroep.

3) Zie het antwoord op de vorige vragen.

4) Het bedrag van de forfaitaire som van 10 miljoen euro werd op 3 januari 2014 door de Schatkist voorgeschoten, ten laste van de Gewesten. Het Waalse Gewest was het enige niet-conforme gewest op datum van de uitspraak van het arrest C-533/11. Het Waalse Gewest heeft zich in regel gesteld sinds 31 oktober 2013, zoals genotificeerd aan de Europese Commissie op 5 november 2013. Na het antwoord van 5 mei 2014 van het Waalse Gewest op een vraag om informatie van de Europese Commissie, heeft de Europese Commissie het dossier op 10 juli 2014 gesloten en geklasseerd. Bijgevolg moest er geen bijkomende dwangsom worden overgemaakt.