Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 5-7826

van Yoeri Vastersavendts (Open Vld) d.d. 21 januari 2013

aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Beliris en de Federale Culturele Instellingen

Zorgsector - Prikincidenten - Bloedoverdraagbare aandoeningen - Beroepsrisico's - Stand van zaken - Preventie - Maatregelen

voorkoming van ziekten
verplegend personeel
tandarts
dokter
gezondheidsstatistiek
aids
infectieziekte
ziekenhuis

Chronologie

21/1/2013 Verzending vraag
23/5/2013 Rappel
18/12/2013 Rappel
20/3/2014 Herkwalificatie
31/3/2014 Antwoord

Geherkwalificeerd als : vraag om uitleg 5-4943

Vraag nr. 5-7826 d.d. 21 januari 2013 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

Meer dan de helft van de tandartsen weet te weinig over bloedoverdraagbare aandoeningen, terwijl er in tandartspraktijken nog geregeld prikincidenten plaatsvinden, zo meldt het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde.

Een op de tien Nederlandse ziekenhuismedewerkers die zich prikken met een naald waar eerst een patiŽnt mee is geprikt, raakt besmet met een ziekte als hiv, hepatitis B of hepatitis C. Dat blijkt uit een Nederlandse studie uit 2006.

In Nederland komen per jaar minstens 15 000 prikongelukken voor. De meeste van die zogenoemde accidenten hebben plaats in de gezondheidszorg. Er moet landelijk meer aandacht komen voor deze ongelukken, die voor overdracht van ernstige infectieziekten als hepatitis B en C en hiv kunnen zorgen. Dat blijkt uit een onderzoek dat epidemioloog Paul van Wijk heeft gedaan.

In het verleden werd een landelijk meldpunt voor prikongelukken aangekondigd. Bovendien wordt er gewerkt aan een landelijk protocol voor alle zorgmedewerkers.

Volgens de geneesheren zijn prikincidenten het grootste beroepsrisico voor medewerkers in de gezondheidszorg. Dat geldt niet alleen voor ziekenhuismedewerkers, maar ook voor mensen in de thuiszorg, de verpleging en verzorging. Ook medewerkers en personeel in de geestelijke gezondheidszorg, agenten en schoonmakers van speelplaatsen waar verslaafden komen, hebben ermee te maken. Om prikongelukken te voorkomen, pleiten de betrokken geneesheren niet alleen voor voorlichting en betere training in veilig werken. Ik wijs ook op veilige "priksystemen" van de industrie. Zo bestaan er naalden die automatisch na het prikken afgedekt worden. Ik verwijs tevens naar de publicatie van de Hoge Gezondheidsraad (nr. 8429).

Graag had ik dan ook volgende vragen voorgelegd aan de minister:

1) Kan zij voor de jaren 2009, 2010 en 2011 aangeven hoeveel prikincidenten zich hebben voorgedaan onder het ziekenhuispersoneel ?

2) Kan zij voor de jaren 2009, 2010 en 2011 aangeven hoeveel prikincidenten zich hebben voorgedaan onder alle hulpverleners in de gezondheidssector, inclusief verpleging, verzorging en medewerkers in de geestelijke gezondheidszorg, schoonmakers, enzovoort.?

3) Kan zij voor de jaren 2009, 2010 en 2011 aangeven hoeveel prikincidenten zich hebben voorgedaan onder de geneesheren ?

4) Kan zij voor de jaren 2009, 2010 en 2011 aangeven hoeveel prikincidenten zich hebben voorgedaan onder de tandartsen?

5) Hoeveel gezondheidsmedewerkers (in de brede zin van het woord) raakten besmet met ziekten als hepatitis B of C, hiv, of andere ziekten en is het percentage vergelijkbaar met Nederland, waar ťťn op tien hulpverleners die zich prikken met een naald waarmee eerst een patiŽnt werd geprikt, besmet raakt ? Kan de minister deze cijfers toelichten?

6) Kan zij aangeven welke maatregelen nu reeds bestaan om prikincidenten te voorkomen onder het verplegend en het onderhoudspersoneel ?

7) Kan zij aangeven in hoeverre ze het gebruik van veilige priksystemen wil aanmoedigen (zo bestaan er naalden die na het prikken worden afgedekt) en kan ze dit uitvoerig toelichten ?

8) Is zij voorstander van voorlichting en training hieromtrent ? Zo ja, welke inspanningen werden hieromtrent reeds geleverd ? Zo neen, waarom niet ?

Antwoord ontvangen op 31 maart 2014 :

Er is voor België geen verplichte meldplicht van prikaccidenten. Ook een centraal meldpunt voor dergelijke ongevallen bestaat niet. De orde van geneesheren wijst erop dat het in vele gevallen om een arbeidsongeval gaat en dat dus in theorie de arbeidsgeneeskundige dienst waarbij de betrokkene is aangesloten het accident dient op te volgen (dit in de veronderstelling dat de betrokkene aangesloten is bij degelijke dienst. Dit is niet altijd het geval aangezien veel betrokkenen een zelfstandig statuut hebben en dus geen aangifte doen van een prik accident).

De gegevens waarover wij beschikken zijn dus schattingen afkomstig van een aantal studies. Voor België gaat het hoofdzakelijk over studies uitgevoerd door het Wetenschappelijk instituut voor Volksgezondheid (WIV). Volgens het WIV wordt echter 50 % van de accidenten niet gerapporteerd :

In Nederland gaat het onder andere om studies van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu:

De beschikbare cijfers geven ons informatie voor de periode 2003-2009. Informatie voor de door u gevraagde periode 2009-2011 is dus niet beschikbaar. De beschikbare gegevens laten toch toe om een idee te vormen van de grootte van het probleem, de voornaamste oorzaken te herkennen en eventuele oplossingen voor te stellen.

Naar schatting worden er in Nederland jaarlijks 13 000 -15 000 prikaccidenten gemeld. Het gaat hierbij vooral om prikaccidenten in hospitaal milieu. Over prikaccidenten in privé praktijken bestaan weinig of geen gegevens.

Voor wat betreft België heeft het WIV een over meerdere jaren lopende studie bij 35 Belgische ziekenhuizen uitgevoerd. Dit rapport bevat alle gerapporteerde accidentele bloedcontacten bij gezondheidswerkers die gebeurden in de periode van 1 juni 2003 tot 31 december 2009. Dit rapport geeft een overzicht van het aantal accidentele bloedcontacten (ABC), de evolutie in de tijd, de omstandigheden waarin ze gebeurd zijn, het soort materiaal dat gebruikt werd tijdens het incident en de genomen preventiemaatregelen. Dit rapport toont aan dat er zich in België in de ziekenhuizen jaarlijks gemiddeld elf prikongevallen (PO) per 100 bedden voordoen met een sterke variatie tussen ziekenhuizen. Extrapoleert men dit cijfer, dan komt dit overeen met ruim 20 000 gevallen per jaar. Er werd geen significante daling van het gemiddelde aantal PO/100 bedden doorheen de jaren vastgesteld.

Verder blijkt uit deze studie dat verpleegkundigen het frequentst rapporteren, artsen daarentegen veel minder. Opvallend is ook dat ongeveer 10 % van de prikongevallen gebeurt bij personeel van de ondersteunende diensten, met name het onderhoudspersoneel. Het onvoorspelbare karakter en de snelheid van zorgen kunnen de 8 % op spoed verklaren. De overige ongevallen gebeurden in intensieve zorg (3 %), labo (3 %), consultatieruimte (3 %), wasserij en schoonmaakdiensten (2 %), ruimten voor functiemetingen (2 %), dialyseafdeling (2 %), bevallingskamer (2 %) en psychiatrie (1 %).

Zoals terecht door u vermeld vinden ongelukken niet alleen plaats in ziekenhuizen, maar eveneens in privépraktijken van artsen, tandartsen, bejaarden- en verzorgingsinstellingen. Ook hier ontbreken precieze gegevens en is er eveneens een onderrapportering . Er zijn ook hier een aantal studies die toelaten een beeld te geven van de grootte van dit probleem:

Naargelang het toegepaste transmissierisico, verwachten we in de Belgische ziekenhuizen op basis van de huidige surveillanceresultaten tussen de 0,75 en 7,5 seroconversies per jaar voor hepatitis C bij het ziekenhuispersoneel. Voor HIV verwachten we een geval per drie jaar. Door het feit dat het gezondheidspersoneel in de gezondheidssector verplicht gevaccineerd is tegen hepatitis B is het risico om deze infectie op te lopen via prikaccidenten zeer gering.

Deze aantallen worden echter niet bevestigd door de surveillance resultaten over de medische opvolging waarin geen enkele seroconversie voor HBV, HCV of HIV na het ongeval werd geregistreerd. Mogelijks is het aantal beschikbare gegevens onvoldoende om seroconversies aan te tonen. Toch gebeurden er 145 zeer risicovolle ABC waarbij de kans op overdracht van HIV, hepatitis B (HBV) of C (HCV) reëel was.

Als Minister van Volksgezondheid en sociale zaken ben ik voorstander van een goede voorlichting over veilig werken alsook het aanmoedigen van het gebruik van veilige priksystemen. Deze voorlichting moet eerst en vooral plaats vinden tijdens de opleiding: de inhoud van deze opleidingen is een competentie van de gemeenschappen .

Maar de verschillende studies in verband met dit probleem tonen eveneens aan dat het merendeel van de accidenten kan voorkomen worden door het correct uitvoeren van medische handelingen. Naast voorlichting is het dan ook belangrijk dat er gerichte instructies worden uitgewerkt en opgevolgd.

De preventiestrategie van PO’s moet dus deel uitmaken van een algemene verbetering van de werkomstandigheden binnen verzorgingsinstellingen en van het preventieplan van de werkgever in het kader van risicobeoordeling. Ik wil erop wijzen dat, volgens het Koninklijk Besluit van 2007 tot bepaling van de normen die door de ziekenhuizen en hun diensten moeten worden nageleefd, de teams en comités voor ziekenhuishygiëne moeten instaan voor de opvolging van de hygiëneaspecten bij ziekenhuisactiviteiten zoals de implementatie van richtlijnen en aanbevelingen opgesteld door officiële instanties, zoals de Hoge Gezondheidsraad.

Aangezien het hier over preventie van accidenten op de werkvloer gaat, behoort deze materie tot het domein van de preventieadviseur: deze hangt af van de Federale Overheidsdienst (FOD) Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg (WASO). Ik stel u dan ook voor verdere informatie aan te vragen bij de FOD WASO.