Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 4-892

van Pol Van Den Driessche (CD&V N-VA) d.d. 28 april 2008

aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid

Orde van geneesheren - Klachten - Beroep tegen beslissingen

dokter
beroepsorde
rechtsmiddel
tuchtprocedure
beroepsdeontologie

Chronologie

28/4/2008 Verzending vraag (Einde van de antwoordtermijn: 29/5/2008 )
9/10/2008 Antwoord

Vraag nr. 4-892 d.d. 28 april 2008 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

Recent werd ik geconfronteerd met enkele vragen over de werkzaamheden van de Orde van geneesheren. Meer bepaald wordt mij gewezen op de almacht van de Orde tegenover geneesheren die met de Orde – om welke reden dan ook – in onmin zijn geraakt, maar vooral wordt de vraag gesteld naar de neutrale beroepsmogelijkheden tegen de beslissingen van de Orde.

Vandaar mijn vragen:

1. Is er een neutraal orgaan waar klachten over de Orde kunnen behandeld worden? Zo niet, welke stappen zal de geachte minister hiertoe zetten?

2. Is er een neutraal orgaan waar men in beroep kan gaan tegen beslissingen die door de Orde genomen worden? Zo niet, welke stappen zal zij hiertoe zetten?

3. Bestaat er een procedure of instantie waar klokkenluiders terecht kunnen met klachten of anomalieën uit hun werkveld – meer bepaald over collega geneesheren –, zonder de angst om wegens a-collegiaal gedrag door de Orde te worden gesanctioneerd? Indien dit niet bestaat, welke maatregelen zal zij nemen om dergelijke procedure of instantie op te richten?

Antwoord ontvangen op 9 oktober 2008 :

Net zoals dat bestaat voor een aantal andere beroepsgroepen, moeten de geneesheren rekenschap afleggen voor eventuele deontologische en ethische fouten. De tuchtrechterlijke bevoegdheid van de Orde der geneesheren wordt geregeld bij het koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1967 betreffende de Orde der geneesheren en het koninklijk besluit van 6 februari 1970 tot regeling van de organisatie en de werking der raden van de Orde der geneesheren.

In eerste aanleg worden de beslissingen genomen door de provinciale raden. Deze raden zijn samengesteld uit een door de Koning vastgesteld aantal geneesheren die verkozen worden door de geneesheren die op de lijst van de Orde zijn ingeschreven. Daarnaast zetelt er in de verschillende provinciale raden als bijzitter met raadgevende stem ook een magistraat van de rechtbank van eerste aanleg.

Tegen de beslissingen van de provinciale raden kan men in beroep gaan bij de raden van beroep, één is voor elk taalgebied. Deze raden bestaan uit vijf geneesheren en vijf raadsheren in de hoven van beroep.

De disciplinaire procedure van de Orde der geneesheren wordt gekenmerkt door samenwerking tussen geneesheren en de magistratuur door de verplichte aanwezigheid van één of meerdere magistraten bij de zittingen van de provinciale raden en de raden van beroep. Het Europees Hof van de rechten van de mens van Straatsburg zegt daarover bijvoorbeeld in het arrest-Lecompte van 23 juni 1981 dat de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de raden van beroep om deze reden niet in twijfel gebracht kan worden. Bovendien is de procedure op tegenspraak, moeten de beslissingen gemotiveerd worden en bestaat er de mogelijkheid om de leden van de raden te wraken.

Tegen beslissingen, in laatste aanleg gewezen door de provinciale raden of de raden van beroep, kunnen hetzij door de minister tot wiens bevoegdheid de Volksgezondheid behoort, hetzij door de voorzitter van de nationale raad samen met een ondervoorzitter, hetzij door de betrokken geneesheer, voor het Hof van Cassatie worden gebracht wegens overtreding van de wet of schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven formaliteiten. In geval van verbreking van de beslissing wordt de zaak verwezen hetzij naar de provinciale raad, hetzij naar de raad van beroep anders samengesteld. Deze raden zijn verplicht zich te voegen naar het arrest van het Hof van Cassatie wat betreft het daarin gesproken recht. Aan de onafhankelijkheid van de procedure voor het Hof van Cassatie kunnen wij geen van allen twijfelen.

Voor deontologie is enkel de Orde bevoegd. Particuliere belangen worden ook nog beschermd door het strafrecht en het burgerlijk recht. Voor klachten omtrent de fysische en/of psychische incapaciteit van een gezondheidszorgbeoefenaar zijn de geneeskundige commissies bevoegd.

Ik neem er nota van dat de Senaat dit thema trouwens reeds tijdens de vorige regeerperiode heeft aangekaart, bij het onderzoek van het wetsontwerp houdende oprichting van een Hoge Deontologische Raad voor de gezondheidsberoepen en tot bepaling van de algemene principes voor de oprichting en de werking van de Ordes van de gezondheidsberoepen (stuk Senaat, nr. 3-1519)

De pers heeft bovendien recent nog gewag gemaakt van de wil van de Orde der Geneesheren om voorstellen te doen voor de wijziging van haar statuten en die meer in overeenstemming te brengen met de realiteit op het terrein.

Een van de overwogen hervormingen is trouwens een administratieve communautarisering. In dit opzicht, en ongeacht de oplossing die uiteindelijk zal worden weerhouden, lijkt het mij na een eerste analyse noodzakelijk om een federale structuur te behouden, welke de vorm ervan ook moge zijn, teneinde de goedkeuring mogelijk te maken van gemeenschappelijke standpunten over de deontologische code of de adviezen met federale of internationale reikwijdte. Het spreekt ook voor zich dat elke hervorming de taalkundige rechten van de artsen en de patiënten zal moeten eerbiedigen, in overeenstemming met de geldende taalwetten en dat meer in het bijzonder in Brussel en in de randgemeenten.

Er zal in ieder geval ruim overleg moeten gebeuren met alle vertegenwoordigers van de Orde en tevens met het hele medische beroep en met de vertegenwoordigers van het middenveld.

Elke hervorming zal eveneens de evolutie moeten integreren die gewenst wordt door talrijke patiëntenverenigingen, namelijk een openheid van de Orde naar de buitenwereld, in het bijzonder wanneer er door patiënten een klacht ingediend werd tegen een geneesheer.

Ik zal mijn standpunt ter zake na overleg verder kunnen innemen.