2-288/6

2-288/6

Belgische Senaat

ZITTING 1999-2000

25 APRIL 2000


Wetsontwerp ter bevordering van sociaal verantwoorde productie


Evocatieprocedure


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE BUITENLANDSE BETREKKINGEN EN VOOR DE LANDSVERDEDIGING UITGEBRACHT DOOR DE HEREN DALLEMAGNE, GEENS, MEVROUW LALOY EN DE HEER MAERTENS


INHOUD

  1. Inleidende uiteenzetting door de minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek
  2. Algemene bespreking
    1. Uiteenzetting van de heer G. Pintelon, verantwoordelijke voor Fair Trade
    2. Bespreking
    3. Uiteenzetting van de heer P. De Langhe, adjunct-adviseur bij Fedis (Federatie van de Belgische distributieondernemingen)
    4. Bespreking
    5. Uiteenzetting door mevrouw C. Crabbé, informatieverantwoordelijke voor Les Magasins du monde-Oxfam en coördinator van de Schone-Klerencampagne
    6. Bespreking
    7. Uiteenzetting door de heer M. Bourlard, directeur van het verbindingsbureau van de IAO (Internationale Arbeidsorganisatie) in Brussel
    8. Bespreking
    9. Uiteenzetting van de heer W. Trio, beleidsmedewerker bij Oxfam-Wereldwinkels Vlaanderen
    10. Bespreking
    11. Uiteenzetting van de heer M. Michiels, directeur sociale zaken bij Febeltex
    12. Bespreking
    13. Uiteenzetting van de heer D. Huysmans, nationaal secretaris van Navetex
    14. Bespreking
  3. Artikelsgewijze bespreking
  4. Stemming over het geheel
  5. Bijlage

Het wetsontwerp dat de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging heeft onderzocht tijdens haar vergaderingen van 22 februari, 1, 14 en 21 maart en 25 april 2000 was oorspronkelijk het wetsvoorstel tot instelling van een keurmerk ter bevordering van een eerlijke wereldhandel, door mevrouw Croes c.s. ingediend in de Kamer van volksvertegenwoordigers tijdens de zitting 1998-1999 (Stuk Kamer, nr. 1802/1 en volgende).

De door de Kamer aangenomen en aan de Senaat overgezonden tekst is van verval ontheven en het wetsontwerp is door de Senaat geëvoceerd.

I. INLEIDENDE UITEENZETTING DOOR DE MINISTER VAN ECONOMIE EN WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK

De minister van Economie en Wetenschappelijk onderzoek vindt dat het tot de regelende taak van de Staat behoort erop toe te zien dat de economische groei zorgt voor een duurzame ontwikkeling voor iedereen. Dat impliceert dat de economische, milieu- en sociale aspecten met elkaar verzoend moeten worden.

De toenemende productie en de ontwikkeling van de internationale handel moeten de situatie van alle landen en de kwaliteit van het bestaan van eenieder verbeteren.

Immers, zowel de organisatie van arbeid en productie als de handelsbetrekkingen zijn momenteel volop aan het veranderen. Gezien deze ontwikkelingen is het van primordiaal belang dat de economie in nieuwe banen wordt geleid, zodat zij voordelig zijn voor iedereen en niet leiden tot nieuwe vormen van maatschappelijke uitsluiting.

Het wetsontwerp bepaalt dat ondernemingen die het vragen en die voldoen aan de vijf basisconventies van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), een certificaat kunnen krijgen. Op basis van dat certificaat kunnen de ondernemingen vragen om een label aan te brengen op producten waarvan het hele productieproces voldoet aan de conventies van de IAO.

Het wetsontwerp voorziet verder in de mogelijkheid om financiële steun te verlenen aan ondernemingen uit ontwikkelingslanden die de vijf basisconventies naleven.

Als men deze doelstellingen wil bereiken, moet eenieder er volgens eigen middelen en mogelijkheden aan meewerken.

De ondernemingen moeten de conventies naleven. De consumenten moeten de ondernemingen stimuleren door producten te kopen die zijn gemaakt met eerbied voor de arbeiders. De Staat ten slotte moet een regeling uitwerken die deze ingesteldheid bij ondernemingen en consumenten bevordert.

De basisproblemen zijn wel degelijk armoede en onderontwikkeling. Men moet de landen dan ook helpen om arbeidsomstandigheden te creëren die voldoen aan de fundamentele normen. Dat impliceert een strategie die veeleer gericht is op aanmoedigingen dan wel op straffen. De invoering van een sociaal label past helemaal in deze aanmoedigende en niet-dwingende aanpak.

De minister van Economie benadrukt ten slotte dat het wetsontwerp op een aantal principes berust :

1. het strekt ertoe een nieuw wettelijk kader te creëren waarbinnen privé-initiatieven ontwikkeld kunnen worden, een controle te organiseren en sancties mogelijk te maken. De controle is een essentieel element dat op het hele productieproces moet slaan.

2. het wetsontwerp verkiest een vrijwillige aanpak, aangezien het label alleen een succes kan worden als de ondernemingen en de consumenten dat willen.

3. het betreft de productie, de consumptie en de reclame (ondernemingen zullen het label niet vragen als ze er geen baat bij hebben).

4. het is in overeenstemming met de Europese regelgeving.

5. het staat een spreiding over een bepaalde periode toe, aangezien een ethisch project steeds een zekere ontwikkeling vergt.

Op voorstel van meerdere leden besloot de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging hoorzittingen te organiseren om het standpunt te vernemen van organisaties die zich bezighouden met de sociaal verantwoorde productie.

II. ALGEMENE BESPREKING

II. a) UITEENZETTING VAN DE HEER G. PINTELON, VERANTWOORDELIJKE VAN FAIR TRADE

De mondialisering van de fundamentele arbeidsrechten en de Fair Trade Beweging

Op zoek naar officiële erkenning van Fair Trade

Het wetsontwerp ter bevordering van de sociaal verantwoorde productie is, zoals in de ondertitel van het oorspronkelijk voorstel expliciet opgenomen was, vooral bedoeld om te komen tot een eerlijker wereldhandel. Hiermee is een link gelegd met Fair Trade en rijst de vraag : wat is eerlijke of « faire » handel ?

De Europese Commissie verspreidde in december jongstleden een communiqué over Fair Trade waarin ze aangeeft dat eerlijke handel de kloof tussen de economieën van ontwikkelingslanden en van geïndustrialiseerde landen moet verminderen en dat dit best gebeurt via een betere toegang tot de wereldmarkten.

Daarna geeft het EC-communiqué de Fair Trade Beweging-definitie van eerlijke handel : het creëren van kansen voor economisch gemarginaliseerde groepen in het Zuiden om te komen tot duurzame ontwikkeling. Betere handelsvoorwaarden voor die gemarginaliseerde groepen, politieke campagnes en ontwikkelingseducatie zijn de voornaamste instrumenten van de Fair Trade Beweging.

Het amendement op het wetsontwerp ter bevordering van de sociaal verantwoorde productie dat een sectorspecifieke invulling van criteria voorziet, laat toe om eigen criteria te bepalen voor de informele sectoren (kleine boeren, ambachtslui) waar de Fair Trade Beweging totnogtoe hoofdzakelijk actief is.

Mondialisering van de fundamentele arbeidsrechten

De sociale bescherming is door de mondialisering van de economie een mondiaal vraagstuk geworden. En mondiale problemen vragen mondiale oplossingen.

Fundamentele arbeidsrechten en president Clinton in Seattle

Wanneer de deur verder opengezet wordt voor de internationale concurrentie, is het zeer terecht dat de arbeidersklasse opkomt voor minimale, afdwingbare spelregels.

De onstuitbare mondialisering van de economie vereist internationale regels die respect voor de arbeidsrechten afdwingen. Maar dan wel een faire toepassing van regels en dat bereik je niet, zoals in Seattle nogmaals gebleken is, via toponderhandelingen.

Want op de Wereldhandelsconferentie (WHO) te Seattle in december jongstleden misbruikten de Verenigde Staten de fundamentele arbeidsnormen voor interne politieke doeleinden, om de besprekingen naar hun hand te zetten en zelfs finaal op te blazen.

Presidentsverkiezingen : in november wil vice-president Al Gore Clinton opvolgen als president van de VS. De dag nadat 50 000 vakbondsmilitanten uit de textiel- en staalsector door de straten van Seattle betogen, verklaart Clinton onverwacht en publiekelijk dat sociale clausules met handelssancties deel moeten uitmaken van de agenda van de WHO-conferentie. Deze gespierde taal aan het adres van de achterban is niet veel meer dan lippendienst. Want in een besloten vergadering voor Amerikaanse boeren pleit de Amerikaanse staatssecretaris voor Landbouw net voor méér vrijhandel met China : « De VS-markt is slechts 4 % van de wereldmarkt en toch hebben we 22 % van de wereldrijkdom. Willen we dit zo houden, dan zullen we moeten afspreken de grenzen méér open te stellen zodat we nieuwe markten in het buitenland kunnen inpalmen. » Het pas met China gesloten akkoord vergroot sterk de toegang van Amerikaanse gewassen op de Chinese markt. De staatssecretaris heeft echter niet gezegd dat men als tegenprestatie weer industriële producten wil invoeren en dat China geen vrije vakbonden duldt.

Chantage : een minder eufemistische uitdrukking voor « de besprekingen naar je hand zetten » maar niet uitzonderlijk in de houding van de VS tegenover ontwikkelingslanden. De ontwikkelingslanden zijn numeriek in de meerderheid en ondanks de kleine delegatie per ontwikkelingsland kan dit « numeriek overwicht » doorwegen wanneer besluiten moeten genomen worden. De dreiging, indien ontwikkelingslanden bijvoorbeeld inzake exportsubsidies voor landbouw te veel het Europese kamp zouden kiezen, dat de VS dan zouden uitpakken met sociale clausules, hing als een zwaard van Damocles boven de hoofden van de delegatieleden uit ontwikkelingslanden.

Weg de sfeer : als er al sprake was van net voldoende sfeer om op een aantal dossiers wat vooruitgang te boeken, dan is die definitief gekelderd door de publieke uitspraak van president Clinton voor sociale clausules met sancties. Vanaf dat moment, twee volle dagen voor het einde van de conferentie, geloofde niemand nog echt dat Seattle resultaten zou opleveren. De paar mensen die toen nog meezaten aan de onderhandelingstafel, pasten om Clinton verder te volgen in zijn blufpoker.

Wie gaat respect voor de fundamentele arbeidsrechten opleggen ?

In Seattle heette het bij monde van Clinton dat de fundamentele arbeidsnormen opgenomen moeten worden in de WHO-akkoorden en dat bij overtreding de WHO sanctionerend moet optreden tegen het land dat in de fout gaat.

De ontwikkelingslanden slikten Clinton's uitspraak niet.

Respect vragen voor de fundamentele arbeidsrechten is nochtans zeer legitiem. Rechten die in tegenstelling tot wat beweerd wordt, het comparatief voordeel van ontwikkelingslanden (in casu lage lonen) niet onderuit halen. Het is niet omdat je bijvoorbeeld collectieve onderhandelingen aanvaardt, dat lage lonen meteen pijlsnel de hoogte inschieten. Dat weet iedereen en daar knelt het schoentje niet. Denk maar aan de vorige Belgische regering die een loonnorm instelde (totale loonstijging over twee jaar van maximaal 6 %), dit belette de sociale partners niet om akkoorden af te sluiten.

De ontwikkelingslanden waren mistevreden om de volgende redenen :

Er is het chantage-aspect dat speelde in Seattle en terecht niet zomaar gepikt werd door de ontwikkelingslanden.

Maar de echte reden ligt in het feit dat zodra men vrije vakbonden en collectief onderhandelen toelaat, je eveneens een doorleefde en dynamische democratie aanvaardt. Heel wat ontwikkelingslanden hebben die stap nog niet gezet of willen dat dit een proces wordt en geen zoveelste « new conditionality » waar meteen handelssancties tegenover staan.

Thuis beginnen

Waar dan wel ? Geen enkele internationale instantie combineert vandaag in deze materie gezag met sanctioneringsmacht. De Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) heeft wel het vereiste gezag maar kan absoluut geen sancties opleggen.

In Seattle was er sprake van een Forum IAO-WHO dat het gezag van de IAO met de sanctioneringsmacht van het WHO moest combineren. Maar er werden geen akkoorden bereikt in Seattle, dus ook niet over dit Forum.

We zullen dus « thuis » moeten beginnen. De contacten in Seattle versterken mijn opinie dat het publiek sociaal label een stap in de goede richting kan zijn.

Het publiek sociaal label moet een doeltreffend instrument worden

Geen doekje voor het bloeden maar anderzijds de lat niet zo hoog leggen dat in ontwikkelingslanden enkel filialen van multinationale ondernemingen in aanmerking komen.

Het publiek sociaal label moet het onderste uit de kan halen : enerzijds beperkt tot de algemeen aanvaarde IAO-basisconventies (zodat in principe elk land en elke onderneming in aanmerking komt) maar anderzijds via de vragenlijst aan de onderneming moet er ook nagegaan worden of de onderneming een consequente houding aanneemt inzake andere belangrijke arbeidsvoorwaarden.

Bijvoorbeeld het in kaart brengen van wat afgesproken is rond het wettelijk minimumloon en over arbeidstijd. « Vakbondsvrijheid » of « vrijheid van collectief onderhandelen » valt niet zo maar te rijmen met bijvoorbeeld het niet-respecteren van het wettelijk minimumloon. Op zijn minst moet een plan opgesteld zijn om binnen een bepaalde termijn het wettelijk minimumloon te respecteren of het loon geleidelijk op te trekken. Idem dito voor de arbeidstijd; vrijheid om collectief te onderhandelen veronderstelt minimaal een geschreven afspraak inzake werkuren. Welke « vrije vakbond » zou deze belangrijke afspraken over het hoofd kunnen zien ?

Het spreekt voor zich dat de basiscriteria automatisch uitgebreid moeten worden van zodra nieuwe conventies goedgekeurd zijn door de IAO.

Als straks de conventie over het bannen van de ergste vormen van kinderarbeid (recentelijk goedgekeurd door de leden van de IAO) door België bekrachtigd wordt, dan zal dit criterium automatisch toegevoegd worden aan de criteria van het publiek sociaal label.

Niemand mag er zich aan onttrekken

Tegelijkertijd kan er geen twijfel over bestaan dat dit het basis publiek sociaal label is waar elk label dat het adjectief « sociaal » draagt, minimaal aan moet beantwoorden. Iedereen heeft het recht hogere varianten in te voeren maar een label met minder sociale criteria kan niet langer doorgaan als « sociaal » label.

De lat wordt niet hoger gelegd opdat het label zich niet tegen de minst ontwikkelde landen en de lokale KMO in die landen kan keren.

Ter illustratie een voorbeeld uit Senegal : een NGO-bedrijfje dat pindanoten verwerkt en verkoopt aan onder andere de Vlaamse Wereldwinkels. In de wijk waar het bedrijfje gevestigd is, is 70 % van de actieve bevolking werkloos. In die omstandigheden is het belangrijk dat het weinig werk op basis van sociale criteria verdeeld wordt, dat de werkneemsters hun zeg hebben over die verdeling en over de arbeidsomstandigheden, onder meer over het loon. Maar het Senegalees wettelijk minimumloon wordt nergens toegepast in de grotendeels informele landbouweconomie van dit Sahelland. Het zou in dergelijke omstandigheden unfair zijn de onmiddellijke betaling van het wettelijke minimumloon te eisen alvorens het publiek sociaal label te kunnen toekennen aan dit initiatief.

Aanvulling op goed functionerende overheid en op zelforganisatie

De basisconventies van de IAO zijn door alle leden (dus bijna alle landen ter wereld) aanvaard maar de concrete toepassing op het terrein laat dikwijls te wensen over. Het publiek sociaal label sluit aan bij de wettelijke voorschriften, is een hulpmiddel om ze in praktijk te brengen. Maar laten we duidelijk zijn : het publiek sociaal label komt absoluut niet in de plaats van een goed functionerende en democratische overheid, noch ter vervanging van de organisatie van de werknemers en werkgevers binnen en buiten het bedrijf.

Hoe meer hoe liever

De bedrijven die vooruitlopen op de algemene basisnormen, kunnen zich onderscheiden door middel van hogere varianten op het publiek sociaal label.

Een « sociaal+ » label zou onder andere het wettelijk minimumloon, een akkoord over arbeidstijden, over veiligheid en hygiëne, over werkzekerheid, enzovoort toevoegen aan de basiscriteria.

Een « eco-soc » label zou slaan op de naleving van de sociale basiscriteria aangevuld met ecologische criteria (een milieu-effect rapport over het bedrijf ?).

Ook zou men alle criteria kunnen samenbrengen onder « eco-soc+ » label.

Goede garanties voor de degelijkheid van toepassing en controle op het publiek sociaal label

Enkele minimumvereisten zijn :

Externe controle en sancties

Externe controle door de overheid en bij overtreding : bij wet voorziene sancties. Het onbreken van externe controle en sancties is één van de grote minpunten bij de overal ter wereld welig tierende gedragscodes die bedrijven zelf opstellen (de Initiative européenne pour la production et la consommation éthique registreerde al 140 verschillende gedragscodes en 20 verschillende private sociale labels !).

Progressieve organisaties uit het maatschappelijk middenveld en NGO's hebben terecht een kritische kijk op overheid en overheidsdiensten. Maar als het op formele controle en het opleggen van regels en sanctionering aankomt, scoort de overheid beter dan een NGO die niet de nodige macht heeft om verbintenissen te doen nakomen.

Objectieve en doorlopende controle

Bovendien is de overheid in tegenstelling tot NGO's, vakbonden, werkgeversorganisaties of speciaal opgezette ondernemingen (cf. het bedrijf dat de social accountability 8000 of SA 8000 in praktijk brengt) geen betrokken partij en kan ze voor continuïteit zorgen, ongeacht de resultaten. Een privé controlebedrijf moet resultaten en groei kunnen voorleggen. Van een NGO-campagne verwacht men ook resultaten (bij voorbeeld meedelen dat een bedrijf zich effectief naar een gedragscode schikt) maar wat met de continuïteit ? Is een NGO niet te zeer onderhevig aan themamoeheid ?

De werknemers moeten betrokken partij zijn

De vertegenwoordiger van de werknemers in het bedrijf moet de aanvraag tot het verkrijgen van het publiek sociaal label mee ondertekenen opdat de aanvraag ontvankelijk kan zijn, zodat de bedrijfsleider niet langer, misbruik makende van de onwetendheid van de werknemers, de sociale normen naar zijn hand kan zetten.

Er is het verhaal van de bedrijfsleider in China die de arbeiders aanmaant om sneller te werken « zodat er niet te veel overuren gepresteerd moeten worden en het (in casu privé) sociaal label niet op de helling komt te staan ».

Modern management en open formule

« Omgekeerde bewijslast » : de onderneming moet zelf aantonen dat het handelt overeenkomstig de vastgelegde sociale criteria. Een element uit het modern overheids- en bedrijfsmanagement (cf. de ISO-normen). In plaats van een overheidsinspecteur terplekke te sturen om hem daar te betrekken bij een « Tom en Jerry-achtig kat-en-muisspel », moet het bedrijf alle formele bewijsstukken opstellen en automatisch overmaken en zich verantwoorden tegenover elke ernstige aantijging overgemaakt aan het Adviescomité dat de Belgische overheid zal bijstaan en waar nodig leiden in de toepassing van het publiek sociaal label. Dit adviescomité zal bestaan uit vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld : vertegenwoordigers van werknemers- en werkgeversorganisaties, consumenten-en ontwikkelingsorganisaties en de andere betrokken ministeries die de dienst van het publiek sociaal label verbonden aan het ministerie van Economie bijstaan.

Laatste woord niet gezegd

Het laatste woord over het publiek sociaal label is hiermee zeker niet gezegd en dat is net een sterk kenmerk van het sociaal label : het brengt de tongen in beweging en draagt bij tot een debat over de steeds prangender vraag : hoe de fundamentele arbeidsrechten wereldwijd in praktijk brengen ?

II. b) BESPREKING

Een commissielid meent ook dat men moet vermijden dat de naleving van de fundamentele rechten gebruikt wordt voor protectionistische doeleinden. Hij vraagt spreker of men volgens hem nog meer criteria moet naleven, aangezien de labels van Oxfam bijvoorbeeld op veel ruimere criteria berusten, die met name verband houden met de betrekkingen tussen producenten en kopers, de bezoldiging van de werknemers, enz.

De heer Pintelon antwoordt dat men kan uitgaan van de fundamentele normen die in de IAO-conventies vervat zijn maar dat men bijzondere criteria moet bepalen naargelang van de economische sectoren. Men moet bijvoorbeeld criteria ontwikkelen die toegepast kunnen worden op de informele sector in de ontwikkelingslanden.

Men moet een onderscheid maken tussen de fundamentele sociale normen en de criteria, die dienen om aan te geven, naargelang van de toestand in de sector, op welke wijze de fundamentele normen nageleefd worden.

Rechtvaardige handel gaat echter verder dan het gewoon naleven van de fundamentele normen. Fair Trade tracht een waarborgfonds op te richten voor de informele sector.

Overigens wenst spreker dat er een internationaal label voor rechtvaardige handel wordt ingevoerd, dat hoger staat dan het sociale label, want rechtvaardige handel vertoont twee facetten : de naleving van de fundamentele sociale normen en het ontwikkelingswerk. De ideale oplossing zou zijn deze twee labels tegelijkertijd in te voeren.

Een ander commissielid verklaart dat de heer Pintelon terecht de aandacht heeft gevestigd op de informele sector, die in de ontwikkelingslanden vaak veel groter is dan de formele sector. Het lid vraagt welke wijzigingen men in het wetsontwerp zou kunnen aanbrengen om het werkelijk toepasbaar te maken, ook indien in andere landen soortgelijke initiatieven zijn genomen.

De heer Pintelon antwoordt dat men het aantal leden van de commissie voor sociaal verantwoorde productie moet verminderen.

Hij bevestigt dat in andere Europese landen, zoals Nederland, en in de Europese Commissie, eveneens wordt gesproken over de invoering van een label. Indien men in België een dergelijk label invoert, moet men trachten dit uit te breiden tot op Europees niveau om elke vorm van concurrentievervalsing te vermijden.

II. c) UITEENZETTING VAN DE HEER P. DE LANGHE, ADJUNCT-ADVISEUR BIJ DE FEDERATIE VAN DE BELGISCHE DISTRIBUTIEONDERNEMINGEN (FEDIS)

Het wetsontwerp ter bevordering van sociaal verantwoorde productie wil bijdragen aan een eerlijke wereldhandel door de sociaal verantwoorde eigenschappen van producten tastbaar te maken voor de Belgische consument. Het wil hiertoe een vrijwillig labelsysteem invoeren.

Ook de distributiesector hecht belang aan de billijkheid van de wereldhandel. Enkele leden van FEDIS zijn trouwens reeds actief op dit gebied. Zij leggen hun leveranciers een gedragscode op met betrekking tot de werkomstandigheden of het verbod op kinderarbeid en verrichten controles in de producerende landen. De federatie kan zich zeker vinden in de doelstelling die het wetsontwerp nastreeft, maar heeft toch grote vragen bij de opportuniteit en de praktische haalbaarheid van het vooropgestelde labelsysteem.

1. Bedenkingen

Op grond van een aantal bedenkingen dient gevreesd te worden dat het vooropgestelde labelsysteem, niettegenstaande de grote inspanningen die het meebrengt, weinig invloed zal hebben op de billijkheid van de wereldhandel.

1.1. Het labelsysteem is te ambitieus

Om in aanmerking te komen voor het label moeten ondernemingen de basisconventies van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) naleven. Van hun onderaannemers en hun leveranciers moeten ze eisen dat zij hetzelfde doen.

Het is echter niet realistisch de naleving van alle IAO-criteria (verbod op dwangarbeid, vakbondsvrijheid, recht van organisatie en collectief overleg, verbod op discriminatie, minimumleeftijd voor kinderarbeid) tegelijk op te leggen.

Het is beter duidelijk te kiezen voor één of twee criteria en de eisen achteraf geleidelijk op te voeren. Bovendien zijn niet alle landen lid van de IAO. Voor een Belgische distributeur is het moeilijk om de strikte toepassing van de IAO-criteria te eisen door een fabrikant, wanneer deze de wetgeving en de cultuur respecteert van een land dat de bedoelde principes niet oplegt of niet erkent.

1.2. Het labelsysteem is te rigide

Overdreven strakheid tegenover de fabrikanten in de partnerlanden is niet zinvol en zal integendeel een averechtse uitwerking hebben. Een perfecte naleving van de IAO-criteria op korte termijn is voor veel fabrikanten niet haalbaar. Als de Belgische distributeurs deze allemaal moeten uitsluiten, heeft dit een weerslag op de werknemers in de betrokken landen. In het ergste geval krijgt de fabriek helemaal geen opdrachten meer en verliezen de werknemers hun baan. Dat kan zeker niet de bedoeling zijn. Beperkte tekortkomingen op de vooropgestelde criteria zouden daarom onder bepaalde zeer strikte voorwaarden (bijvoorbeeld een opgelegde termijn om zich in orde te stellen, een waarschuwingsprocedure, ...) getolereerd moeten kunnen worden.

1.3. Controle is onmogelijk

Een waterdichte controle van de arbeidsvoorwaarden in de partnerlanden is onmogelijk te organiseren. De omvang van dit wereldwijde probleem is immers enorm. Slechte werkomstandigheden en kinderarbeid zijn bovendien een vluchtig en ongrijpbaar fenomeen. Als dit op één plaats aan banden wordt gelegd, is er veel kans dat het elders weer opduikt.

Voor de ondernemingen is het uitwerken van een efficiënte controle op de leveranciers en de onderaannemers een zeer complexe en zeer dure aangelegenheid. Dat neemt niet weg dat enkele FEDIS-leden terzake reeds grote inspanningen hebben geleverd. Een volledige garantie op aanvaardbare werkomstandigheden kunnen zij echter nooit bieden. De Belgische overheid staat voor eenzelfde probleem. Als zij een ernstig labelsysteem wil uitbouwen, zal zij bereid moeten zijn massaal middelen vrij te maken voor de controle ervan, terwijl het resultaat van haar investeringen, hoe zwaar ook, verre van zeker is.

2. Voorstellen

2.1. Het probleem minstens Europees aanpakken

Onaanvaardbare arbeidsomstandigheden zijn, zoals hierboven aangehaald, een wereldwijd en dus zeer omvangrijk probleem. Een louter Belgisch initiatief zou te kleinschalig zijn om hierop een wezenlijke invloed te kunnen hebben.

Een labelsysteem dat beperkt blijft tot de Belgische markt, zou bovendien dumpingpraktijken in de hand werken. Producten die niet toegelaten worden in België, zouden gewoon in andere landen op de markt komen.

Een haalbaar systeem vergt een veel ruimer toepassingsgebied. FEDIS pleit ervoor dit probleem minstens op Europees niveau te bekijken. De Europese Commissie, zich goed bewust van het probleem, moedigt trouwens alle betrokken partijen (bedrijven, NGO's, vakbonden, ...) aan overleg te plegen over het probleem van de eerlijke wereldhandel.

Bovendien laat zij op dit ogenblik studies uitvoeren over het gebruik van diverse ethische labels en over de toepassing van allerhande gedragscodes. Daarom wacht ze voorlopig nog met wetgevende initiatieven.

2.2 De privé-sector niet alle verantwoordelijkheid laten dragen

Het probleem van de arbeidsomstandigheden in derdewereldlanden is zeer complex. Het zal dan ook zeker niet volstaan dat de Belgische ondernemingen als enige druk uitoefenen op hun fabrikanten om een betere naleving van de IAO-criteria te bekomen. Ook de Belgische regering moet hier een rol spelen.

Zo zal zij haar invloed moeten aanwenden bij de regeringen van de betrokken landen, opdat ook zij inspanningen zouden leveren om de sociale context aldaar te verbeteren.

De overheid kan verder, beter dan te investeren in controles zonder concrete resultaten, subsidies toekennen aan ondernemingen die de IAO-criteria naleven of die veel inspanningen leveren om dit te bereiken. Steun aan lokale NGO's, die ter plaatse onafhankelijke controlesystemen opzetten, is eveneens wenselijk.

De heer De Langhe geeft vervolgens het woord aan de heer Bob Nicolaes, communicatiemanager bij C&A.

Hoe C & A wil omgaan met de leveranciers van goederen en diensten werd geformuleerd in een « Gedragscode voor het leveren van goederen ». Deze gedragscode is geen formule die eens en voor altijd is vastgelegd maar is een stel van regels en overwegingen die constant worden geëvalueerd en aangepast aan de morele en socio-economische omstandigheden.

Dit zijn de krachtlijnen van de C&A Gedragscode :

­ rechtvaardig en eerlijk handelen;

­ voldoen aan alle wettelijke voorschriften;

­ eerbiedigen van de fundamentele mensenrechten.

Dit laatste punt houdt onder meer in dat C&A :

­ kinderarbeid absoluut onaanvaardbaar acht. De aanvaardbare leeftijd is minstens 14 jaar of hoger indien het land dit zo voorschrijft;

­ dwangarbeid of arbeid met illegalen wordt eveneens niet getolereerd;

­ dit geldt ook voor de uitbuiting van andere kwetsbare individuen of groepen;

­ lonen en andere arbeidsvoorwaarden moeten minstens stroken met de plaatselijke normen;

­ in de productieprocessen moet steeds rekening gehouden worden met de gezondheid en veiligheid van de betrokkenen en moeten milieunormen nageleefd worden.

Binnen de eerbiediging van de mensenrechten vallen ook de volgende punten van de gedragscode :

­ de vrijheid van werknemers om aan te sluiten bij groeperingen van hun keuze. Die groeperingen moeten wel legaal zijn in het land van productie.

De fabrikant wordt verplicht om zijn onderaannemers op de hoogte te stellen van de gedragscode en hen tot naleving te verbinden.

Een gedragscode hebben is uitstekend maar hoe zorgt men ervoor dat hij ook wordt nageleefd ? Er bestaat momenteel nog geen internationale organisatie die op afdoende wijze de arbeidsvoorwaarden in onze productielanden kan controleren. Daarom richtte de familie Brenninkmeijer in 1996 de Service Organisation for Compliance Audit Management op, kortweg Socam. Socam maakt geen deel uit van de C&A-organisatie en werkt met een door de familie toegekend budget van 3 miljoen dollar dat de commerciële resultaten van C&A dus niet belast.

In haar leveringsvoorwaarden eist C&A van haar leveranciers dat zij een verklaring ondertekenen waarin zij zich ertoe verplichten de inspecteurs van Socam te allen tijde tot hun productie-eenheden toe te laten. Zij verplichten er zich ook toe de adressen van al hun productie-eenheden, tot en met de kleinste werkplaats op te geven. Weigeren zij dit te doen dan zal C&A met hen geen handel meer drijven.

Door deze toelating kunnen de inspecteurs van Socam nagaan of de leverancier ­ waar ook ter wereld ­ de verplichtingen zoals omschreven in de gedragscode naleeft. C&A haalt zijn goederen uit meer dan 80 verschillende landen in de wereld.

Met de oprichting van één inkooporganisatie, C&A Buying, werd het mogelijk één centrale database van leveranciers en productie-eenheden op te stellen. Daarvoor was het met de verschillende nationale inkooporganisaties praktisch onmogelijk omdat één fabrikant soms onder acht verschillende fabrikantennummers aan C&A leverde.

Nu werd dat dus wel mogelijk. Bovendien leidde de internationale eenmaking tot een vermindering van het fabrikantenpark zodat het bestand ook overzichtelijker werd.

Dit vergemakkelijkte de taak van Socam waarvan de inspecteurs nu jaarlijks meer dan 1 000 verschillende productie-eenheden bezoeken ­ zonder voorafgaandelijke verwittiging. Bij hun bezoek letten de Socam-inspecteurs erop dat er geen kinderarbeid gebeurt of dwangarbeid of arbeid door illegalen; dat er geen misbruik wordt gemaakt van thuiswerkers; dat de arbeid veilig gebeurt en er voldoende brandblusapparaten en nooduitgangen aanwezig zijn; dat het milieu niet belast wordt; dat er in alle omstandigheden proper en hygiënisch wordt geproduceerd en dat alle sanitaire, keuken- en slaapvoorzieningen gezond en ruim zijn.

Verder zoeken de inspecteurs ook informatie over het niveau van het loon, het aantal en de betaling van de overuren en de vrijheid van vereniging. Dit is niet altijd gemakkelijk en de inspecteurs zijn er zich van bewust dat dit in bepaalde omstandigheden risico's voor de ondervraagde arbeiders inhoudt.

Bij overtredingen van de gedragscode of andere onaanvaardbare toestanden verwittigt Socam het Sourcing Department van C&A dat dan verschillende maatregelen kan treffen :

­ een brief met een verwittiging en een vraag naar verbetering van de vastgestelde inbreuk op onze gedragscode;

­ het annuleren van orders die onder onaanvaardbare voorwaarden werden geproduceerd;

­ het annuleren van alle uitstaande orders;

­ het opschorten van de zakenrelatie voor een bepaalde periode;

­ het definitief beëindigen van de zakenrelatie.

Sourcing Departement heeft tot nu toe alle adviezen van Socam opgevolgd. In de eerste periode van het bestaan van Socam werd vaak sneller tot het definitief beëindigen van de relatie overgegaan. Maar dikwijls bleek deze remedie ­ vooral bij kinderarbeid ­ erger dan de kwaal. Nu wordt meer overgegaan naar het opleggen van een correctieplan voor de leverancier. Bij kinderarbeid kan dat het oprichten van een schooltje zijn, op kosten van de fabrikant, zodat de kinderen opgevangen kunnen worden. Bij onveilige werkplaatsen kan dat het verbeteren van de elektrische leidingen zijn of het installeren van brandblusapparaten. Voert de fabrikant de verbeteringen uit dan kan de relatie met hem worden hervat.

Sedert 1996 voerde Socam op die manier 4 000 onaangekondigde bezoeken uit in productie-eenheden in India, het Verre Oosten, Oost-Europa en Noord-Afrika. 100 leveranciers of importeurs en 400 van hun onderaannemers werden na het vaststellen van ernstige overtredingen van onze fabrikantenlijsten geschrapt.

Van deze 100 leveranciers werden er 40 opnieuw tot de lijsten toegelaten nadat zij behoorlijke verbeteringsplannen hadden uitgevoerd.

Bijna twee derde van de bezochte productie-eenheden vertoonden mankementen op verschillende gebieden en werden daarvan schriftelijk op de hoogte gesteld.

Hoofdreden voor het beëindigen van een zakenrelatie was praktisch altijd kinderarbeid of onaanvaardbare arbeidsomstandigheden.

Ernstige verwittigingen worden verstuurd wanneer lichtere overtredingen op de arbeidsveiligheid worden vastgesteld, wanneer het opgegeven adres van de productie-eenheid onvolledig of onjuist was, of wanneer een Socam-inspecteur de toegang tot de werkplaats werd ontzegd of verboden werd om foto's te nemen.

Sedert Socam werd opgericht heeft het steeds zijn activiteiten uitgebreid. De toekomstplannen van Socam zien er als volgt uit :

­ het versterken van de controle op de productie-eenheden;

­ een verbetering van de audit procedure;

­ meer controle in Midden- en Oost-Europa;

­ meer en regelmatigere controle op de uitvoering van de verbeteringsplannen;

­ meer gespreken met importeurs en agenten over verbetering van de arbeidsomstandigheden in hun off-shore productie-eenheden.

Hoewel C&A nu algemeen erkend wordt als het bedrijf dat het sterkst werkt aan het bestrijden van misstanden in de arbeidsomstandigheden in de lage loonlanden, is het werk van Socam nog verre van gedaan. Waakzaamheid blijft geboden zowel in de controle van bestaande leveranciers als in het inspecteren van nieuwe productie-eenheden. Het verstrengen van onze ethische normen inzake productie is een uitdaging die C&A graag aangaat en die iedereen : producent, distributeur en consument ten goede komt.

II. d) BESPREKING

Een lid begrijpt niet waarom de vertegenwoordiger van de Fedis de IAO-criteria te ambitieus vindt, terwijl het in werkelijkheid om fundamentele criteria gaat. Het lid is persoonlijk van mening dat men verder moet gaan dan die criteria.

De heer De Langhe antwoordt dat het probleem erin bestaat alle criteria tegelijkertijd te doen naleven. Het zou beter zijn de criteria geleidelijk op te leggen door middel van tussentijdse evaluaties.

Een ander lid wenst de afgevaardigde van C&A twee vragen te stellen : op welke punten is de gedragscode van C&A strenger of minder streng dan de bepalingen van het wetsontwerp en hoever reikt de controle door C&A ? Heeft die controle ook betrekking op de leveranciers ?

De heer Nicolaes antwoordt dat de gedragscode van C&A nog niet voorziet in het recht op collectieve onderhandelingen over de lonen en de arbeidsvoorwaarden.

De controle heeft geen betrekking op de producenten van grondstoffen. Het zou immers zeer moeilijk zijn heel de productieketen te controleren vanaf het planten van de katoen.

Een commissielid meent dat de afgevaardigde van de Fedis een zeer minimalistisch standpunt huldigt in vergelijking met dat van de afgevaardigde van C&A.

De heer Delanghe antwoordt dat de federatie niet alleen ondernemingen vertegenwoordigt die op dat vlak ver staan, zoals C&A, maar ook kleinere ondernemingen die het moeilijker hebben om een gedragscode op te stellen en na te leven.

II. e) UITEENZETTING DOOR MEVROUW C. CRABBÉ, INFORMATIEVERANTWOORDELIJKE VOOR « LES MAGASINS DU MONDE- OXFAM » EN COÖRDINATOR VAN DE SCHONE-KLERENCAMPAGNE

1. Kort overzicht van de Schone-Klerencampagne

­ 43 organisaties zijn lid in Franstalig België (NGO's, verbruikersorganisaties, vakbonden),

­ er bestaan gelijkaardige platformen in Vlaanderen en in negen Europese landen.

Doel : de arbeidsomstandigheden verbeteren van hen die de kleren vervaardigen die wij kopen.

Vier hoofdlijnen :

­ De publieke opinie informeren, de verbruikers de mogelijkheid bieden om zelf te handelen (bijvoorbeeld de Schone-Klerencampagne in het kader van het voetbaltoernooi Euro 2000)

· Een markttendens creëren, veeleer dan aanzet geven tot een boycot.

· Vermijden dat er een protectionistische tendens ontstaat.

­ Contacten, actieve solidariteit en opbouw van netwerken met werknemersorganisaties en NGO's in de producerende landen

· Internationale seminaries.

· Doorgeven van dringende oproepen tot solidariteit.

· Partnerschappen.

­ Ontwikkeling van een gedragscode en bespreking van de naleving, de toepassing en de controle hiervan met de bedrijven

· Verwezenlijking van modelprojecten.

­ Bevordering van en toezicht op initiatieven van de overheid

· Op Belgisch niveau : sociaal label, extraterritorialiteit, nieuwe wet op de handelspraktijken, rol van de IAO.

2. Een einde maken aan de verwarring tussen « eerlijke handel » en « ethische productie »

« Eerlijke handel » wordt in de praktijk al meer dan 20 jaar toegepast door organisaties als Magasins du monde-Oxfam.

Sedert het einde van de jaren '80 bestaat er ook een label dat een waarborg terzake inhoudt voor de verbruiker : het Max Havelaar-label.

Midden jaren '90 merkt men een nieuwe verbruikerstrend op, waarbij sociale verantwoordelijkheid een rol speelt en er vraag is naar ethische productie.

Op dit punt van de bespreking is het belangrijk te wijzen op het verschil tussen de aanpak en de instrumenten (cf. bijlagen).

3. Denkpistes

A. Waardering van de sociale verantwoordelijkheid van de ondernemingen

Steeds meer distributiebedrijven en merken passen gedragscodes toe, vooral wanneer ze dicht bij de verbruiker staan.

Zo geven ze te kennen dat zich ertoe verbinden zelf respect op te brengen voor de rechten van de arbeiders en dat ze dit ook verwachten van hun onderaannemers en leveranciers.

De vrijwillige gedragscodes schieten echter vaak tekort, omdat ze :

­ te weinig op duidelijke normen (zoals de IAO-conventies) gebaseerd zijn,

­ geen toepassingsprocedures inhouden (informatie van de onderaannemers, registers van bevoorradingsbronnen, registers van tewerkgestelde arbeiders, informatie van de arbeiders, enz.),

­ niet voorzien in externe controle,

­ niet voorzien in sancties.

De Schone-Klerencampagne wil deze zwakke punten verbeteren door in samenwerking met het Internationaal Verbond van vrije vakverenigingen (IVVV) een eigen gedragscode op te stellen.

De vrijwillige gedragscodes gelden in geen geval als bewijs van sociaal verantwoorde methodes. Zij zijn vooral belangrijk in de zin dat de verdeler of het merk zijn verantwoordelijkheid erkent met betrekking tot de arbeidsomstandigheden tijdens de productie.

B. Rekening houden met de complexiteit van de bevoorradingsketens

Door de complexiteit van de bevoorradingsketens kan het uiterst moeilijk zijn om controle uit te oefenen op de naleving van sociale normen. Een kledingstuk kan bijvoorbeeld door verschillende mensen in diverse landen zijn vervaardigd vooraleer het te koop wordt aangeboden.

Om tot een grote flexibiliteit en vaak een lage kostprijs te komen verloopt de onderaanbesteding trapsgewijs. De fabriek die de bestelling binnenhaalt, geeft die door aan een of meer leveranciers die op hun beurt tot een onderaanbesteding overgaan. Altijd aan het einde van een dergelijke keten vindt men de ergste vormen van uitbuiting (kinderarbeid e.d.).

De meest doeltreffende manier om de productieketens te identificeren en te controleren bestaat erin de arbeiders zelf te laten deelnemen aan het controlesysteem via representatieve organisaties (vakbonden of NGO's) in de producerende landen.

Een langetermijnvisie houdt in dat men met een sociaal verantwoorde aanpak meer manoeuvreerruimte biedt aan de overheid in de producerende landen, zodat deze haar nationale wetgeving op eigen grondgebied beter kan doen naleven.

Daarom moet België de inspanningen van de IAO blijven steunen en ervoor zorgen dat de arbeidsinspectie versterkt en gestructureerd wordt.

De introductie van een keurmerk mag in geen geval de initiatieven van de plaatselijk overheid of het sociaal overleg ter plaatse vervangen.

C. Zorgen voor een toegevoegde waarde ten opzichte van de bestaande initiatieven

Wanneer een onderneming de wet niet naleeft, komt zij voor de rechtbank. Wanneer een product niet in overeenstemming is met de wet, kan het van de markt worden gehaald. In een rechtstaat beperkt de rol van een keurmerk zich niet tot het aangeven dat de wet wordt nageleefd. Met een publiek keurmerk moet de verbruiker daarentegen kunnen weten wat de aanpak van de onderneming is of welk product op een hoge kwaliteit kan bogen.

D. De publieke opinie informeren

Een label heeft geen zin als de verbruikers er niet om vragen. In het licht van vroegere ervaringen (onder andere met het ecolabel) zou het wetsontwerp ambitieuzer en specifieker moeten zijn wat de informatie en de bewustmaking van de verbruikers betreft. Het dient onder meer rekening te houden met de rol van de overheid, in haar hoedanigheid van zowel wetgever als verbruiker. Onze diverse instellingen vormen voor bepaalde producten een niet onbelangrijke afzetmarkt. Daarnaast vervullen zij ook een educatieve rol.

Besluit

Door het sociale keurmerk te introduceren speelt België een baanbrekende rol.

Om dit terrein te ontginnen, moet België uitgaan van de bestaande ervaringen.

De IAO is momenteel bezig met diepgaand werk in verband met dit onderwerp. De Schone-Klerencampagne, het Ethical Trading Initiative en de SA8000-norm hebben tot praktijkervaring geleid. Ook de organisaties voor eerlijke handel hebben ervaring.

België dient de verruiming van dit initiatief naar de andere landen van de Europese Unie te bepleiten.

Een label heeft alleen dan zin wanneer het effectief bijdraagt tot een verbetering van de arbeidsomstandigheden.

Bijlage :

Drie methodes voor een sociaal verantwoord consumptiegedrag (cf. blz. 52).

II. f) BESPREKING

Een lid vraagt mevrouw Crabbé of zij vooruitgang heeft vastgesteld bij de naleving van de ontwikkelingscriteria, die verder reiken dan deze van de IAO (bijvoorbeeld garanderen dat de arbeiders deelnemen aan de besluitvorming die henzelf aanbelangt).

Mevrouw Crabbé antwoordt dat men in het kader van de eerlijke handel de nadruk eerder op het partnerschap dan op het eenvormig maken van de criteria legt. De Magasins du monde-Oxfam werken bijvoorbeeld samen zowel met privé-ondernemingen met een vakbondsafvaardiging als met coöperatieve ondernemingen.

De voornaamste zorg van Oxfam is echter dat de arbeiders iets te zeggen hebben. Er is een systeem opgezet om de producenten voortdurend te evalueren. Indien die evaluatie negatief uitvalt, is het mogelijk dat men de samenwerking opzegt. Momenteel is de grootste hindernis voor eerlijke handel het doen aanvaarden van de vakbondsvrijheid.

Een andere spreker wenst te weten hoe men « schone kleren » kan herkennen.

Mevrouw Crabbé zegt dat er tot op heden geen « schone » kleren bestaan die geproduceerd zijn met naleving van de gedragscode van de onderneming.

Men tracht voor het ogenblik een trend bij de verbruiker te creëren.

Er worden bijvoorbeeld kaartjes gestuurd naar de producent, waarbij men vaststelt dat de ethische eisen vanwege de verbruikers een steeds grotere rol spelen voor de ondernemingen. Door rekening te houden met die eisen, kunnen ondernemingen zich van hun concurrenten onderscheiden.

Dezelfde spreker vraagt waarom men geen label geïntroduceerd heeft.

Mevrouw Crabbé verklaart dat de organisatoren van de Franstalige campagne in België vinden dat dit soort initiatieven van de overheid moet komen. De gedragscode van de Schone-Klerencampagne is een waardevol instrument van particulieren, maar het is de taak van de overheid om een label te creëren.

Een ander lid wenst te weten of de Franstalige Magasins du monde en de Wereldwinkels van Oxfam in Vlaanderen over een aantal aspecten een verschillend standpunt innemen.

Mevrouw Crabbé zegt dat « Oxfam Wereldwinkels » zich wil distantiëren van de uiteenzetting van de heer Pintelon, die alleen uit naam van « Fair Trade » heeft gesproken en niet uit naam van het bestaand overlegplatform.

Het verschil tussen de Magasins du monde van Oxfam en de Oxfam Wereldwinkels is dat de eerste organisatie de Schone-Klerencampagne coördineert en uitgaat van een bredere doelstelling, namelijk het eerlijker maken van de handel (fairer trade) om zodoende tot een eerlijker economie te komen. De tweede organisatie zelf speelt een rol in de Schone-Klerencampagne en haar doelstelling blijft beperkt tot de eerlijke handel (fair trade).

Een spreker vraagt of de verbruikers niet het risico lopen geconfronteerd te worden met een wildgroei van initiatieven en een veelvoud van labels en iedere belangstelling voor het onderwerp te verliezen.

Mevrouw Crabbé antwoordt dat er voor het ogenblik geen sociaal label bestaat dat garandeert dat de fabrikant de basisnormen van de IAO naleeft. Zij is voorstander van de introductie van een dergelijk label door de overheid.

Er bestaat daarentegen wel een label van eerlijke handel. Mevrouw Crabbé is van mening dat de NGO's de aangewezen instellingen zijn om op dat gebied op te treden.

II. g) UITEENZETTING DOOR DE HEER M. BOURLARD, DIRECTEUR VAN HET VERBINDINGSBUREAU VAN DE IAO (INTERNATIONALE ARBEIDS- ORGANISATIE) TE BRUSSEL

De heer Bourlard verheugt er zich over dat het debat over het sociaal label plaatsvindt, want hij deelt de bekommernis van degenen die zich afvragen hoe sociale rechtvaardigheid in een mondiale economie kan worden verwezenlijkt.

Het probleem komt de laatste jaren steeds duidelijker naar voren door het sluiten van de akkoorden van Marrakech en de oprichting van de Wereldhandelsorganisatie, en door de val van de communistische regimes in Centraal-Europa met als gevolg het einde van de staatsmonopolies op het handelsvlak.

De IAO heeft vastgesteld dat het optreden van de Staten als partners van de IAO grenzen heeft. Het systeem van de IAO berust op conventies die goedgekeurd worden door de Internationale Arbeidsconferentie, waar elk van de 174 Staten vertegenwoordigd wordt door twee regeringsafgevaardigden, van wie de ene de werkgevers en de andere de werknemers vertegenwoordigt.

Opdat deze conventies dwingend zijn, moeten zij met een tweederde meerderheid worden goedgekeurd en door de Staten bekrachtigd. Toch moet de IAO, ook als de Staten de conventies bekrachtigd hebben, vaak druk op hen uitoefenen opdat ze hun verbintenissen nakomen.

In feite moet de IAO het vooral hebben van de goede wil van zijn leden. De organisatie vindt echter dat goede wil alleen niet volstaat om de mondiale economie te regelen op sociaal niveau (IAO), op het handelsvlak (WTO), enz.

Tijdens de grote internationale bijeenkomsten van Singapore, Genève en Seattle, lag de IAO onder vuur. Ze heeft gereageerd door op 18 juni 1998 de Verklaring inzake de fundamentele principes en rechten op het werk goed te keuren.

Deze verklaring is vernieuwend in de zin dat de Staten verplichtingen worden opgelegd alleen op basis van hun lidmaatschap van de organisatie, ongeacht of ze de zeven basisconventies al dan niet hebben bekrachtigd.

De verklaring gaat ervan uit dat volgende fundamentele rechten absoluut geëerbiedigd moeten worden zonder dat dit de ontwikkeling van de internationale handel in de weg staat :

­ de vrijheid van vereniging en de effectieve erkenning van het recht om collectief te onderhandelen;

­ het afschaffen van alle vormen van dwangarbeid of verplichte arbeid;

­ de effectieve afschaffing van kinderarbeid;

­ de afschaffing van de discriminatie op het vlak van tewerkstelling en beroep.

De uitroeiing van de kinderarbeid moet gebeuren door de invoering van een schoolplicht. Vele landen uit het Zuiden hebben noch de middelen noch de infrastructuur om dit te verwezenlijken. De afschaffing van de kinderarbeid zal dus een proces van lange adem worden.

De IAO heeft op 19 juni 1999 in Genève de Conventie over de ergste vormen van kinderarbeid goedgekeurd en de Staten gevraagd om deze zo snel mogelijk te bekrachtigen. De heer Bourlard dringt erop aan dat ook België deze conventie zo snel mogelijk bekrachtigt.

De IAO is zich er overigens van bewust dat er ook privé-initiatieven bestaan die gedragsregels en sociale labels hebben uitgewerkt. In november 1998 heeft zij een verslag gepubliceerd over alle bestaande gedragscodes en sociale labels. Ze zijn heel uiteenlopend zowel wat de inhoud betreft als de controle- en sanctiemechanismen die ze voorstellen.

De toenmalige raad van bestuur heeft zich afgevraagd of de IAO geen algemeen sociaal label moest creëren. Drie vierden van de afgevaardigden van de raad van bestuur hebben het voorstel om zo'n label te creëren echter verworpen. De ontwikkelingslanden waren er tegen. Ze hebben gevraagd deze materie nog verder uit te diepen.

De IAO bestudeert momenteel twee interessante denkpistes :

­ de sociale partners opleiden om te onderhandelen over gedragscodes en sociale labels;

­ een mechanisme uitwerken waardoor niet de producten een certificaat krijgen, maar degenen die instaan voor het certifieren van de producten, met andere woorden, een label creëren voor de controleurs.

De IAO heeft dus geen algemene oplossing voor het probleem, aangezien de leden vinden dat verdere bezinning nodig is.

Wat het wetsontwerp betreft meent de heer Bourlard dat de oprichting van een sociaal label onder de controle van de regering (de minister van Economie verleent de certificaten aan de ondernemingen) een primeur zou zijn.

Toch kan de IAO moeilijk haar mening over het ontwerp geven, aangezien de meeste vragen gaan over de inhoud van de uit te vaardigen koninklijke besluiten.

De heer Bourlard vindt het een goed idee om een vertegenwoordiger van de IAO te laten deelnemen aan de vergaderingen van de adviescommissie, maar dan liever in de rol van waarnemer om geen rechter in eigen zaak te zijn.

Spreker vraagt ook of men het label aan alle ondernemingen in België of in de Europese Unie zal toekennen, dan wel of men zich zal beperken tot ondernemingen die producten invoeren uit de ontwikkelingslanden. Hier schuilt een mogelijke discriminatie.

Als een onderneming erkend wordt, geldt dat dan voor alle producten of moet het label per product toegekend worden ?

De heer Bourlard vindt het overigens een goed idee om steun te geven aan de ondernemingen uit de ontwikkelingslanden in artikel 7, want het verkrijgen van een certificaat is een dure zaak. Soms kunnen de kosten zo oplopen dat de ondernemingen er liever helemaal van afzien.

Spreker denkt ten slotte dat rekening zal moeten worden gehouden met alle aspecten van het Europees en internationaal handelsrecht en van de regelgeving met betrekking tot misleidende reclame. Hij dringt er ook op aan dat een beroep wordt gedaan op de inspecteurs van de Belgische en buitenlandse ministeries van Tewerkstelling om een efficiënte controle te organiseren.

II. h) BESPREKING

Een lid vindt het feit dat de ontwikkelingslanden zich verzetten tegen de creatie van een sociaal label door de IAO wel een probleem. Hoe zullen die landen dan reageren als een lidstaat van de IAO zo'n label creëert ?

De heer Bourlard antwoordt dat de IAO de oprichting van een sociaal label nog niet heeft opgegeven. De discussie binnen de werkgroep wordt voortgezet. De heer J. Somavia, de nieuwe directeur-generaal, zal zich over dit dossier moeten buigen.

De ontwikkelingslanden, ongeveer twee derden van de leden van de IAO, hebben door hun toetreding tot de verklaring van 18 juni 1998, die een multilateraal controlemechanisme organiseert, evenwel erkend dat de sociale dimensie van de wereldhandel een regeling behoeft.

Ze zijn tegen de oprichting van een label omdat ze vrezen dat het de facto door de druk vanuit de markt een verplichting zal worden, en dat grote multinationale ondernemingen het label makkelijk zullen krijgen en KMO's helemaal niet.

De heer Bourlard wil dat de discussie hierover op het Europese niveau plaatsvindt. Dat betekent niet dat België ondertussen geen initiatieven kan nemen, maar in elk geval moet het de nodige fondsen en mensen vrijmaken om ervoor te zorgen dat deze actie doeltreffend is.

Een andere spreker verklaart dat als het wetsontwerp wordt aangenomen niet alleen een label moet worden uitgevonden, maar ook de nodige fondsen naar het departement van Tewerkstelling of van Sociale Zaken moeten gaan om de consument te informeren. De regering moet tevens initiatieven nemen opdat het dossier op het Europese niveau wordt afgehandeld.

Een ander lid stelt voor deze opmerkingen te verwerken in een voorstel van resolutie (zie Stukken Senaat, nr. 2-415/1 en volgende, 1999-2000).

II. i) UITEENZETTING VAN DE HEER W. TRIO, BELEIDSMEDEWERKER BIJ OXFAM- WERELDWINKELS VLAANDEREN

Oxfam-Wereldwinkels is een Vlaamse eerlijke-handelsbeweging die voedingsproducten invoert en distribueert via haar netwerk van meer dan 170 wereldwinkels en met steun van meer dan 5 000 vrijwilligers. In de lokale winkels vindt men ook handnijverheid en textiel die geïmporteerd worden door de Franstalige zusterorganisatie Magasins du Monde-Oxfam. Al deze eerlijke-handelsproducten die door Oxfam Wereldwinkels en zijn Europese collega's ingevoerd worden beantwoorden aan strikte criteria die internationaal zijn overeengekomen.

Oxfam-Wereldwinkels heeft een jaarlijkse omzet van ongeveer 400 miljoen Belgische frank en stelt een 70-tal mensen te werk. In Europa bedraagt de jaarlijkse omzet van de eerlijke handel zelfs om en bij de 300 miljoen euro.

Als eerlijke-handelsbeweging is Oxfam-Wereldwinkels zeer bekommerd om het naleven van de basisarbeidsnormen wereldwijd, en neemt deel aan diverse campagnes. Vanuit deze betrokkenheid volgt Oxfam ook de diverse initiatieven die het bedrijfsleven neemt, vaak als antwoord op deze campagnes, op de voet. Deze initiatieven, die vaak de vorm van gedragscodes en labels hebben, zijn in vele gevallen voor NGO's zeer moeilijk controleerbaar. Meestal worden ze toegekend en/of gecontroleerd door instellingen en organisaties die direct afhangen van of verbonden zijn met het bedrijf in kwestie.

Monitoring van labels en gedragscodes is en blijft een pijnpunt. Alleen als hierop effectieve antwoorden kunnen geformuleerd worden, kan een ruimere toepassing van sociale labels een verbetering van de situatie van diegene die men beoogt te ondersteunen, met zich meebrengen.

Oxfam-Wereldwinkels is voorstander van het gebruik van sociale labels als middel om de consument de voor hem/haar noodzakelijke informatie te verschaffen om een ethische selectie van producten te realiseren. Hoewel een label slechts één element is van een ruimere aanpak van uitbuiting, onrechtvaardige machtsverhoudingen en onderontwikkeling, kan het een bijdrage leveren aan het verbeteren van handelsrelaties, arbeidsomstandigheden en bescherming van het leefmilieu.

Gezien de vele privé-initiatieven die momenteel worden opgezet in Oxfam-Wereldwinkels ook vragende partij voor een overheidsoptreden dat regulerend kan werken ten aanzien van sociale labels. Alleen een door de overheid georganiseerde regulering kan immers de wildgroei aan privé-initiatieven in goede banen leiden en de nodige garanties bieden voor een degelijke en onafhankelijke controle en opvolging.

Oxfam-Wereldwinkels ondersteunt dan ook het wetsontwerp ter bevordering van sociaal verantwoorde productie, maar heeft ook een aantal suggesties ter verbetering.

1. Er zijn reeds sociale labels in België

NGO's en het bedrijfsleven hebben niet gewacht op het initatief van de overheid om zelf al met een aantal initatieven rond sociale labeling aan de slag te gaan. Labels zoals Max Havelaar (rond eerlijke handel), Rugmark (rond kinderarbeid in de tapijtenindustrie) en de Forest Stewardship Council (rond ecologische en sociaal aanvaardbare exploitatie van hout) hebben hun ingang gevonden in België. In de samenstelling van de Commissie voor sociaal verantwoorde productie wordt geen expliciete aanwezigheid van organisaties met praktische ervaring met betrekking tot sociale labels en/of eerlijke handel voorzien. Oxfam-Wereldwinkels stelt voor dat artikel 9 wordt geamendeerd om dit wel expliciet te verzekeren.

2. Participatie van de direct betrokkenen is noodzakelijk

In een studie over sociale labels die in 1998 gemaakt werd in opdracht van de Europese Commissie (Social labels : Tools for Ethical Trade) stellen de auteurs dat sociale labels een typisch noordelijke aanpak zijn voor problemen die zich situeren in het zuiden. Daarbij, zo stelt het rapport, leidt het ontbreken van het betrekken van diegenen die men met een sociaal label wenst te ondersteunen (boeren en arbeiders in de ontwikkelingslanden) vaak tot ernstige problemen. Oxfam-Wereldwinkels stelt voor dat de wetgever in artikel 9 aan de taken van de Commissie voor sociaal verantwoorde productie toevoegt dat ze ook een consultatie opzet met door hen geselecteerde organisaties van potentieel betrokkenen.

3. Een overheidslabel kan maar slagen als het mee gedragen wordt door campagnes van niet gouvernementele organisaties

In de boven aangehaalde studie tonen de auteurs duidelijk aan dat ondersteuning door relevante maatschappelijke organisaties een noodzaak is voor om het even welk label om kans op succes te maken. Zo verwijzen ze naar het feit dat het Max Havelaar-label, dat sterk gepromoot werd via NGO-kanalen, een bekendheidsgraad van 89 % kent in Nederland, terwijl het Europees Eco-label, waarrond geen ondersteunende NGO-campagnes plaatsvinden, slechts een bekendheid heeft van 11-12 %. Oxfam-Wereldwinkels stelt voor dat de wetgever dit erkent door de noodzaak voor een goede samenwerking met relevante campagne-organisaties te bepleiten in artikel 8.

4. Een label doet aan symptoombestrijding

De oorzaken van het niet-naleven van arbeidsomstandigheden in vele productie-eenheden in ontwikkelingslanden zijn nauw verbonden met het economisch systeem waarin deze activiteiten plaatsvinden. Een sociaal label moet dan ook kaderen in een ruimer beleid dat de oorzaken en de mogelijke negatieve effecten van een label aanpakt. Dit kan onder meer door vanuit ontwikkelingssamenwerking financiële ondersteuning te voorzien voor educatieve en rehabiliterende programma's. Oxfam-Wereldwinkels stelt voor dat dit toegevoegd wordt aan artikel 7.

5. Impactstudie

Een label, hoe goed ook, kan ook negatieve effecten teweeg brengen : het kan de normen die niet in de criteria zitten naar beneden halen (bijvoorbeeld met betrekking tot lonen, overuren, ...), het kan leiden tot het verplaatsen van de begunstigden (bijvoorbeeld kinderarbeid verschuift naar andere productie-eenheden); en het kan de omzet van bepaalde producten uit derdewereldlanden naar beneden halen.

Daarom stelt Oxfam-Wereldwinkels voor dat in de wet wordt opgenomen dat ten laatste drie jaar na het in voege treden van de wet een impactstudie wordt gemaakt rond de directe en indirecte gevolgen van de toepassing van de wet.

6. Sociaal verantwoorde productie is niet hetzelfde als eerlijke handel

De oorspronkelijke benaming van het wetsontwerp was : « Wetsvoorstel tot instelling van een keurmerk ter bevordering van een eerlijke wereldhandel ». Terecht werd deze titel gewijzigd omdat het voorgestelde label zich beperkt tot het bevorderen van verantwoorde productieprocessen maar niets zegt over de handelsvoorwaarden waaronder deze producten op de markt gebracht worden. Sociaal verantwoorde productie en eerlijke handel zijn twee van elkaar verschillende begrippen die toch vaak met elkaar verward worden.

Volgens Oxfam-Wereldwinkels moet in de wet beter aangegeven worden wat het onderscheid is tussen eerlijke handel en sociaal verantwoorde productie. Dit kan door in artikel 2 de internationaal aanvaarde definitie van eerlijke handel op te nemen : « Eerlijke handel staat voor een alternatieve benadering van de conventionele internationale handel. Het is een handelspartenariaat gericht op duurzame ontwikkeling van gemarginaliseerde producenten. Het doet dit door te voorzien in betere handelsvoorwaarden, door sensibilisering en via campagnes. »

7. Een hogere variant is noodzakelijk

Een label voor sociaal verantwoorde productie is op zich slechts een minimum. Het « beloont » bedrijven die de internationale wetgeving toepassen. Eerlijke handel gaat veel verder dan dat. Eerlijke handel werkt ook aan eerlijkere prijzen, een betere markttoegang en het versterken van producentenorganisaties, onder andere via langdurige samenwerkingsverbanden. Naast het label voor sociaal verantwoorde productie moet de overheid ook voorzien in het aanbieden van een hogere variant van hetgeen nu voorgesteld wordt. Bij voorkeur is dit een variant die gebruik maakt van hetzelfde pictogram om verwarring bij de consument te vermijden. In het voorontwerp van Federaal Plan inzake duurzame ontwikkeling, alsook in de doelstellingen van het Fair Trade Centrum/Internationaal Huis wordt de uitwerking van een eerlijk handelslabel bepleit.

Volgens Oxfam-Wereldwinkels moet de hogere variant van het label voor een sociaal verantwoorde productie een eerlijk handelslabel zijn. Een hogere variant die zich beperkt tot het toevoegen van een referentie rond minimumprijzen/minimumlonen is niet wenselijk vanuit eerlijk handelsoogpunt. Voor de consument staat de garantie van een eerlijke prijs immers symbool voor alles wat onder de omschrijving van eerlijke handel valt : samenwerking met coöperaties van producenten, voorfinanciering, professionele ondersteuning, ... Een label dat alleen rekening houdt met prijzen en lonen en niet met de andere elementen van eerlijke handel zou misleidend zijn voor de consument en oneerlijk tegenover de eerlijke handelsbeweging.

Oxfam-Wereldwinkels stelt voor dat de wetgever in artikel 5 reeds voorziet dat een eerlijk handelslabel zal worden uitgewerkt welke als een hogere variant op het label voor sociaal verantwoorde productie zal worden beschouwd en dus gebruik zal maken van (een variatie op) hetzelfde pictogram als dit label.

8. Naar een duurzaam ontwikkelingslabel

In de bovenaangehaalde studie rond sociale labels pleitten de auteurs ervoor dat de Europese Commissie zou werken aan de totstandkoming van een globaal label dat alle aspecten van duurzame ontwikkeling promoot. Ook in het kader van het Ontwerp Federaal Plan inzake duurzame ontwikkeling wordt dit door de niet gouvernementele organisaties bepleit. Hiermee wordt beoogd dat de overheid regulerend zou optreden om zoveel mogelijk labels onder te brengen onder eenzelfde pictogram dat via diverse variaties de consument informatie verschaft over het sociale en ecologische kader waarin een product geproduceerd en verhandeld werd.

Oxfam- Wereldwinkels stelt voor dat de wetgever dit proces bevordert door in de wet voor sociaal verantwoorde productie te voorzien in de oprichting van een coördinatiecommissie die alle publieke en private labelingsorganisaties bij mekaar brengt en werkt aan een harmonisatie met als einddoel de totstandkoming van een duurzaam ontwikkelingslabel dat aandacht geeft aan alle bekommernissen die vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling bestaan ten aanzien van duurzame consumptie- en productiepatronen. Deze Commissie kan ook gevraagd worden zich te buigen over de noodzakelijk omkaderende maatregelen die door de overheid kunnen genomen worden om via labels een duurzame ontwikkeling te bewerkstelligen.

II. j) BESPREKING

Een commissielid ziet niet in hoe het sociaal-verantwoorde-productielabel kan worden gekoppeld aan een eerlijke-handelslabel.

De heer Trio wenst dat voorzien wordt in de mogelijkheid om andere labels te koppelen aan het pictogram dat zal worden gebruikt, om te voorkomen dat in de toekomst eenzelfde product een groot aantal verschillende labels draagt.

Een ander lid wijst er op dat de commissie via een resolutie onze bedoeling kunnen aangeven de op termijn een eerlijke-handelslabel in te voeren en de bestaande privé-initiatieven te harmoniseren (zie Stuk Senaat, nr. 2-415/1, 1999-2000).

Een commissielid vraagt de heer Trio of hij meent dat er een exhaustieve informatiecampagne ten behoeve van de consumenten nodig is, of een afzonderlijke campagne per product. Ze wil ook weten wie de impactstudie moet uitvoeren.

De heer Trio antwoordt dat er een dergelijke campagne nodig is die de consument sensibiliseert voor de wijze waarop de goederen worden geproduceerd. De impactstudie zou door het ministerie van Economische Zaken moeten worden uitgevoerd.

Een ander lid zegt dat het ideaal zou zijn dat er een wetsontwerp betreffende een eerlijke handel komt, waarin ook de sociaal verantwoorde productie is opgenomen. Wij weten echter dat de ontwikkelingslanden niet noodzakelijk dezelfde opvatting hebben over de sociaal verantwoorde productie en dat ze het naleven van bepaalde normen zien als een rem op hun ontwikkeling.

Het lid vraagt zich overigens af hoe de controle in de praktijk zal worden georganiseerd.

De heer Trio zegt dat hij de bezorgdheid van het lid deelt.

Wat het standpunt van de ontwikkelingslanden betreft, dient er op te worden gewezen dat er zelfs in die landen meningsverschillen bestaan en de houding van de regeringen niet noodzakelijk samenvalt met die van de vakbonden, de NGO's, enz.

De ontwikkelingslanden vrezen dat labels zullen worden gebruikt uit protectionistische overwegingen. Er moet echter duidelijk worden gesteld dat zulks hoegenaamd niet de bedoeling is van dit wetsontwerp en dat de consumenten de keuze zullen hebben om producten met dat label al dan niet te kopen en dat de bedrijven de keuze zullen hebben om al dan niet te produceren met inachtneming van de door het label opgelegde criteria.

Bij de uitwerking van de uitvoeringsbesluiten moet overigens contact worden opgenomen met de rechtstreeks betrokken organisaties van de ontwikkelingslanden.

Ten slotte zal de controle inderdaad niet gemakkelijk zijn. Er moet worden voorzien in voldoende middelen om de onderaannemers efficiënt te kunnen controleren en in een procedure om zich aan de criteria aan te passen.

II. k) UITEENZETTING VAN DE HEER
M. MICHIELS, DIRECTEUR SOCIALE ZAKEN
BIJ FEBELTEX

1. Belgische textielsector

De textielfederatie Febeltex is de enige representatieve werkgeversorganisatie in de textielsector.

De textielsector in België betekent :

­ 1 300-tal ondernemingen waarvan 85 % met minder dan 50 werknemers;

­ 45 000 werknemers waarvan 85 % in Vlaanderen;

­ een zakencijfer van 280 miljard frank in 1999;

­ 70 % zakencijfer in buitenland gerealiseerd;

­ een positieve handelsbalans met een overschot van ongeveer 90 miljard frank.

De textielsector groepeert verscheidene subsectoren. We kunnen volgend onderscheid maken :

­ kledingtextiel (geweven of gebreide stof voor kledingsector);

­ interieurtextiel (meubelstoffen, textiel voor wandbehang, geweven of getufte tapijten, enz.);

­ technisch textiel (agro-textiel, geo-textiel, textiel voor medische toepassingen, enz.).

Daarnaast zijn er ook een aantal ondernemingen actief op het vlak van de voorbereiding, het spinnen van draad en op het terrein van de veredeling (verven, drukken, enz.).

Textielsector mag niet verward worden met kledingsector :

­ de kledingindustrie is veel arbeidsintensiever als de textielsector;

­ vandaar fenomenen zoals delocalisatie die minder voorkomen in textielsector;

­ die twee sectoren behoren tot afzonderlijke paritaire comités.

2. Raakvlakken met thematiek van het wetsontwerp

In de loop van het jaar 1998 werd binnen het Paritair Comité 120 (textiel en breigoed) de Europese Gedragscode integraal overgenomen.

De Europese gedragscode voor de textiel- en kledingsector was in juni 1997 tot stand gekomen in het kader van de Europese Sociale Dialoog. De overkoepelende Europese werkgeversorganisatie voor de textiel- en kledingindustrie Euratex (waarvan Febeltex lid is) en de Europese textielvakbondsorganisatie hadden in dat jaar een akkoord gesloten over een gedragscode waarbij zij hun respectievelijke leden oproepen om voor de naleving te zorgen van een vijftal fundamentele sociale rechten zoals die vervat zijn in een aantal universeel erkende conventies van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO).

Het thema van de Europese Gedragscode kwam eveneens aan bod in een aantal textielondernemingen waarbinnen een Europese ondernemingsraad actief is.

Behalve de hiervoor vermelde feiten, dient vastgesteld dat de thematiek van gedragscode, sociale labels en sociaal verantwoorde productie niet echt leeft in de Belgische textielondernemingen. In de mate dat kan vastgesteld worden dat « public relations »- bekommernissen vaak mee aan de oorsprong liggen van initiatieven van ondernemingen op het vlak van sociale codes en labels is de hierboven gemaakte vaststelling wellicht niet zo verwonderlijk : slechts een beperkt aantal Belgische textielondernemingen produceert een eindproduct dat onder de eigen bedrijfsnaam tot bij de consument komt. Bovendien kan eveneens vastgesteld worden dat in internationaal perspectief gezien, de gemiddelde Belgische consument niet diezelfde gevoeligheid voor sociale thema's aan de dag legt dan de gemiddelde Noord-Europese of Noord-Amerikaanse consument.

De Europese Gedragscode in de textiel- en kledingsector kan beschouwd worden als een modelcode : de inhoud van de gedragscode staat in feite model voor initiatieven op het vlak van de individuele ondernemingen. De vaststelling dat dit weinig of niet is voorgekomen heeft wellicht te maken met het ontbreken van een sterke druk van de zijde van de consumenten.

3. Algemene standpuntbepaling ten overstaan van wetsontwerp

Febeltex staat globaal genomen positief tegenover het initiatief tot certifiëring van een sociaal verantwoorde productie zoals dit naar voor komt in het voorliggend wetsontwerp.

Deze globaal positieve appreciatie is hoofdzakelijk gebaseerd op twee basiselementen die het wetsontwerp kenmerken :

­ voluntarisme : we hebben hier te maken met een regeling waarop ondernemingen op basis van vrijwilligheid kunnen toetreden;

­ incitatieve aanpak : een politiek waarbij ondernemingen in de ontwikkelingslanden (financieel) worden aangemoedigd om op een sociaal verantwoorde manier te gaan produceren draagt de voorkeur weg op een repressieve aanpak.

Bovendien wordt ieder wetgevend initiatief dat regulerend kan optreden op het vlak van certifiëring en labelisering verwelkomd. Niet enkel de consument heeft nood aan duidelijke informatie : ook ondernemingen hebben er alle belang bij dat op het vlak van het verlenen van certificaten en het toekennen van labels duidelijkheid heerst.

Ook ondernemingen worden de laatste jaren geconfronteerd met een veelheid van initiatieven en een diversiteit aan labels. Nog abstractie makend van de verschillende inhoudelijke opmerkingen die bij de onderscheiden initiatieven kunnen gemaakt worden, dreigen deze veelheid van initiatieven een hypotheek te leggen op de realisatie van de uiteindelijke doelstelling van deze initiatieven : de bevordering van een sociaal verantwoorde productie zowel in de geïndustrialiseerde landen als in de ontwikkelingslanden.

Daar waar de globalisering en de mondialisering van de economie onder meer met zich meebrengt dat een fenomeen zoals kinderarbeid ontstaat in de ontwikkelingslanden en zelfs (opnieuw) voorkomt in geïndustrialiseerde landen is het verwonderlijk te moeten vaststellen dat het voorliggende wetsontwerp niet kadert in enig internationaal (Europees) initiatief.

In het Europees Parlement worden sedert 1994 allerlei initiatieven genomen op dit terrein. Verscheidene van deze initiatieven mondden in 1998 uit in het zogenaamde Fassa-rapport. In dit rapport werd onder meer een oproep gedaan aan alle EU-lidstaten om binnen de IAO voluit te pleiten voor het oprichten van een controlemechanisme voor de naleving van de fundamentele sociale rechten.

4. Artikelsgewijze bespreking

Art. 3 : Het is een goede zaak dat de verschillende basisrechten zoals voorzien in de basisconventies van de IAO samen worden behandeld.

Er bestaat inderdaad een grote samenhang tussen de verschillende basisrechten en tevens een grote onderlinge verbondenheid in de mate dat de naleving van een bepaalde basisconventie een voorwaarde is opdat een andere zou kunnen nageleefd worden.

Opmerking : Tijdens de zitting van de IAO in juni 1999 werd een nieuwe conventie betreffende de uitbanning van de meest extreme vormen van kinderarbeid goedgekeurd.

Art. 4 : Belangrijker dan de verschillende paragrafen van dit artikel zijn de koninklijke besluiten die zullen genomen worden in uitvoering van dit wetsartikel.

Voorlopig kan dus enkel gepleit worden voor een eenvoudig, efficiënt en eenduidig mechanisme dat de administratieve hinder voor de ondernemingen tot een minimum beperkt en dat daartoe maximaal beroep kan doen op reeds bestaande procedures en technieken.

Het pleidooi voor duidelijkheid heeft onder meer betrekking op de definitie die zal gegeven worden aan « onderaannemers » en aan « basisleveranciers ».

Het grootste verwijt dat kan gemaakt worden ten overstaan van de thans bestaande codes, labels, enz. is juist het ontbreken van standaardbeginselen en standaardprocedures. Het gebrek aan doorzichtigheid dat aldus ontstaat komt de geloofwaardigheid van deze labels niet ten goede.

Art. 5 : Geen opmerkingen in de mate dat het label slechts het gevolg is van het certificaat dat werd toegekend aan de onderneming.

De « waarde » van het certificaat en het label zullen in de eerste plaats afhangen van het controlemechanisme dat wordt voorzien (cf. artikel 6) en de ingang die het label vindt bij de publieke opinie (cf. artikel 8).

Art. 6 : Idem artikel 4.

Art. 7 : Het principe van de incitatieve aanpak zoals voorzien in dit artikel wordt toegejuicht.

Art. 8 : Een correcte voorlichting van de publieke opinie is van doorslaggevend belang voor het welslagen van de hele operatie.

Enkel een voldoende druk van de publieke opinie en bijgevolg van de consumenten op de producenten zal deze laatsten ertoe brengen om rekening te houden met de vereisten van een sociaal verantwoorde productie. De mondialisering van de economie zal er bovendien toe leiden dat door de klant-leverancierverhouding en door het netwerk van onderaannemingen de sociaal verantwoorde productie niet zal beperkt blijven tot onze geïndustrialiseerde landen.

De overheid heeft evenwel niet het monopolie van deze voorlichting : federaties zoals Febeltex kunnen ongetwijfeld hun steentje bijdragen tot de informatie en sensibilisering van de ondernemingen.

Art. 9 : De oprichting van een commissie bestaande uit diverse partners onderstreept ten volle de noodzaak tot samenwerking op dit terrein tussen de politiek, de sociale partners, de civiele maatschappij, de NGO's, de consumenten, etc.

De artikelen 10 tot en met 16 behoeven geen specifieke commentaar.

II. l) BESPREKING

Een lid vraagt de spreker of het voor onze bedrijven niet goed zou zijn dat België een voortrekkersrol speelt inzake sociaal verantwoorde productie zonder te wachten op een initiatief op het internationale niveau.

De heer Michiels bevestigt dat die voortrekkersrol onze bedrijven een economisch voordeel zou opleveren, maar hij meent dat er druk nodig is van de consumenten om de bedrijven tot handelen aan te sporen.

Spreker wijst er trouwens met nadruk op dat bepaalde grote groepen van de textielnijverheid personen in dienst hebben genomen die zich uitsluitend bezighouden met de controle op het terrein, maar dat de kleine bedrijven dat niet noodzakelijk kunnen doen.

Een commissielid wil weten of de heer Michiels meent dat het Parlement dit wetsontwerp moet aannemen, want ze meent begrepen te hebben dat hij verkiest dat het label op het Europese niveau wordt ingevoerd.

De heer Michiels bevestigt dat hij een Europees initiatief verkiest. Het zou evenwel niet slecht zijn dat een lidstaat een voortrekkersrol speelt.

Hij denkt niet dat het toekennen van een label concurrentievervalsing zal teweegbrengen want er is gekozen voor een voluntaristische en niet voor een dwingende methode.

De heer Michiels is er dus voorstander van dat het ontwerp wordt aangenomen. Zo kan bovendien een einde worden gemaakt aan de wildgroei van privé-labels.

II. m) UITEENZETTING VAN DE HEER D. HUYSMANS, NATIONAAL SECRETARIS VAN NAVETEX

Navetex, de Organisatie voor de zelfstandige modedetailhandel, staat in principe achter de doelstellingen van het voorliggende wetsontwerp. De voorgestelde toetsingscriteria zijn fundamenteel en onontbeerlijk met betrekking tot het ethisch ondernemen.

De zelfstandige distributeurs zijn op de hoogte van deze problematiek. Toch kunnen zij moeilijker hun eisen stellen aan leveranciers dan inkopers van de grootdistributie. Het kunnen verdelen van een bepaald merk vergt soms moeilijke onderhandelingen met leveranciers. Voor de grootdistributie ligt het anders. Zij werken nauw samen met hun toeleveranciers en kunnen zich daardoor sterker maken ten opzichte van deze leveranciers of zij produceren zelf, terwijl een multi-merkenhandelaar te maken heeft met verschillende leveranciers. De zelfstandige kleinhandel dreigt hier tussen twee stoelen te vallen.

In 1998 vertegenwoordigde de zelfstandige detailhandel een marktaandeel van 79 % en vormt dus een belangrijke schakel in het geheel. De verkoopsstrategie van de zelfstandige detailhandel is veel minder toegespitst op prijs en veel meer op service- en kwaliteitsaspecten. Kleding van het midden- en hoog prijssegment dat in de zelfstandige kleinhandel wordt aangeboden, wordt nog heel vaak in België of in de EU geproduceerd onder « schone omstandigheden ». In deze context vernam Navetex van de Belgische Kledingfederatie dat het grootste deel van de binnenlandse afzet van Belgische confectioneurs via de zelfstandige detailhandel gebeurt. Zowel de consumenten als de zelfstandige detailhandelaars moeten hiervoor gesensibiliseerd worden. Zodat van onderuit de vraag wordt gestimuleerd en de producenten zullen volgen.

Bedenkingen :

In principe staat Navetex achter dit initiatief, maar heeft de volgende bedenkingen :

­ Volgens Navetex is de Belgische markt te klein om de naleving van het systeem op grote schaal door buitenlandse producenten te kunnen verlangen. België vertegenwoordigde in 1995 1,6 % van de totale kledinguitvoer in de wereld en 5,4 % van de uitvoer van de Europese Unie. Deze problematiek moet op Europees niveau worden aangepakt.

­ Het controleren van dit systeem zal een moeilijke of onmogelijke opdracht worden. Indien dit systeem een beroep wil doen op enige geloofwaardigheid, moet het controlesysteem waterdicht zijn. Alle onderaannemers in de verschillende landen controleren is onmogelijk.

­ Ook is er sprake van een concurrentieel nadeel voor de zelfstandige kleinhandel. Zeker wanneer het label uiteindelijk gebruikt wordt als promotiemiddel. De meeste zelfstandige handelaars verdelen meerdere merken (gemiddeld 10 à 20 merken) en hebben te maken met veel verschillende leveranciers, terwijl de grootdistributie bijna exclusieve relaties heeft met haar leveranciers en in een aantal gevallen zelf produceert. Voor haar wordt het eenvoudiger dan voor de zelfstandige kleinhandel.

­ Volgens het regeerakkoord heeft deze regering zich ertoe verbonden om de administratieve last voor ondernemingen te verlagen. De eerste twee jaar met 10 % en op het einde van deze zittingsperiode met 25 %. Ook dit systeem brengt de nodige administratieve rompslomp met zich mee. Ook de kleine Belgische producenten, die alleen voor de Belgische markt produceren, zullen een aanvraag moeten indienen, terwijl er geen vuiltje aan de lucht is. Indien ze het niet aanvragen krijgen ze te maken met een concurrentieel nadeel ten opzichte van de grotere fabrikanten.

­ Het lijkt beter dat de vijf criteria stap voor stap worden toegepast. Op deze manier kan de producent zich geleidelijk aan voorbereiden op het verkrijgen van het label. In de eerste fase beperken tot het uit de wereld helpen van kinderarbeid lijkt ons hier aangewezen.

II. n) BESPREKING

Een lid denkt niet dat de kleinhandelaars of de kleine producenten worden benadeeld door het voorliggend wetsontwerp. De bedrijven kunnen immers zelf beslissen of ze al dan niet een label wensen.

Het lid meent overigens dat de kleine producenten de sociaal-verantwoorde productiecriteria onverkort kunnen naleven, aangezien ze op niet veel onderaannemers een beroep doen en ze een beter algemeen zicht hebben op de productie.

De heer Huysmans antwoordt dat grootwinkelbedrijven het begrip sociaal verantwoorde productie gebruiken als reclamemiddel en dat ze campagnes voert om de consumenten te sensibiliseren. Hij vreest dat de kleine detailhandelaars die beweging moeten volgen wegens de druk van de consumenten. Het zal voor de detailhandelaars echter veel moeilijker zijn om hun onderaannemers te vragen de betrokken criteria na te leven.

Een commissielid zegt dat de spreker de indruk geeft dat de leveranciers van de grootwinkelbedrijven niet dezelfde zijn als die van de detailhandel.

De heer Huysmans antwoordt dat de grote ketens over het algemeen bevoorrechte relaties hebben met hun leveranciers, die ook minder talrijk zijn. Bovendien produceren bepaalde ketens zelf, wat de controle uiteraard sterk vergemakkelijkt.

III. ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING

Artikel 1

Er zijn geen opmerkingen bij dit artikel.

Artikel 1 wordt eenparig aangenomen door de 8 aanwezige leden.

Artikel 2

De heer Moens dient amendement nr. 1 in, dat ertoe strekt het begrip « certificaat » te doen vervallen (zie Stuk Senaat, nr. 2-288/2, 1999-2000, blz. 1). Hij vindt het gemakkelijker en doeltreffender slechts een label per product toe te kennen. Iedere verwijzing naar het certificaat in het wetsontwerp dient dus te verdwijnen.

Een lid merkt op dat er geen enkel amendement op artikel 4 is ingediend, terwijl dat juist de kern van de beoogde regeling bevat.

De heer Moens antwoordt dat hij bij amendement zal voorstellen dit artikel te doen vervallen en dat hij bij amendement nr. 6 op artikel 5 de voorgestelde regeling wil wijzigen.

Een ander lid vindt dat men door het certificaat te doen vervallen, aan de kern van het hele ontwerp raakt. Men moet uitmaken of men aan de ondernemingen een certificaat wil toekennen voor al hun producten, dan wel een label per product.

Een andere spreker zegt dat men omwille van de toepasbaarheid van de toekomstige wet grenzen moet trekken en enkel een label mag toekennen. Het lid staat dus achter het amendement van de heer Moens.

Verschillende leden zijn van mening dat amendement nr. 1 van de heer Moens de toepasbaarheid van het wetsontwerp ten goede komt.

Amendement nr. 1 wordt eenparig aangenomen door de 8 aanwezige leden.

De heer Moens dient amendement nr. 2 in, dat ertoe strekt het label opnieuw te definiëren (zie Stuk Senaat, nr. 2-288/2, 1999-2000, blz. 1-2).

De heren Devolder en Moens dienen amendement nr. 14 in, dat ertoe strekt amendement nr. 2 te subamenderen (zie Stuk Senaat, nr. 2-288/3, 1999-2000, blz. 2). Dit subamendement bepaalt dat het label wordt toegekend conform de WTO-criteria.

Een lid vindt het juridisch moeilijk een precieze inhoud te geven aan de WTO-criteria, omdat men ze momenteel aan het wijzigen is.

Een ander lid antwoordt dat dan vanwege de formulering van het amendement de mogelijk gewijzigde WTO-criteria toepassing krijgen.

De indiener van het amendement verklaart dat het zijn bedoeling is te voorkomen dat men het wetsontwerp onder vuur neemt omdat het niet in overeenstemming zou zijn met de internationale handelsregels.

Een lid antwoordt dat het, indien de WTO-regels gelden, niet nodig is dit expliciet in het wetsontwerp te vermelden.

Een andere spreker ziet niet waarom men niet zou mogen vermelden dat de WTO-criteria in acht genomen moeten worden.

Een lid wijst erop dat er misschien andere regels of internationale overeenkomsten bestaan, waar men zich ook aan moet houden.

Tot besluit van de bespreking beslist de commissie de nadruk te leggen op het feit dat het wetsontwerp in overeenstemming moet zijn met de regels bepaald in de verschillende internationale overeenkomsten terzake.

Amendement nr. 14 wordt door de indiener ingetrokken.

Amendement nr. 2 wordt eenparig aangenomen door de 8 aanwezige leden.

De heer Moens dient vervolgens amendement nr. 3 op artikel 2 in (zie Stuk Senaat, nr. 2-288/2, 1999-2000, blz. 2), dat tot doel heeft het label alleen aan ondernemingen toe te kennen die importproducten gebruiken of op de markt brengen.

Een lid is het niet eens met dit amendement. Zij meent dat alle ondernemingen ­ zelfs de Belgische KMO's ­ aan sociaal verantwoorde productie moeten kunnen doen. Deze productievoorwaarden zullen immers een verkoopargument vormen.

Een andere spreker merkt op dat een onderneming die in ons land produceert, daarbij de bepalingen van het voorliggende wetsontwerp naleeft en wil exporteren, volgens het amendement van de heer Moens geen aanspraak zal kunnen maken op het label. Daardoor ziet de onderneming een verkoopargument verloren gaan.

Waarom zou men het label niet kunnen toekennen aan ondernemingen die in ons land produceren ?

De indiener van het amendement antwoordt dat men, indien men het label ook in ons land wil toekennen, de criteria zo streng moet maken dat geen enkel ontwikkelingsland ze nog kan halen.

Het doel van de toekomstige wet is de arbeidsvoorwaarden te verbeteren. Men zal dat doel evenwel niet bereiken door het label toe te kennen aan de producten van ondernemingen in de industrielanden, aangezien deze landen de sociale regels al respecteren.

Indien men het label echter toekent aan producten die geheel of gedeeltelijk vervaardigd zijn in ontwikkelingslanden, draagt men bij tot de verbetering van de arbeidsvoorwaarden in die landen.

Een ander lid vindt dat de industrielanden geloofwaardiger zouden overkomen indien zij zelf de criteria zouden nakomen die zij de landen van het zuiden willen opleggen.

De indiener van het amendement antwoordt dat de ontwikkelingslanden waarschijnlijk tevreden zouden zijn met de mogelijkheid een label op hun producten aan te brengen terwijl onze eigen ondernemingen dat niet kunnen.

Wat het begrip import betreft, wijst een lid erop dat producten afkomstig uit andere landen van de Europese Unie niet als importproducten worden beschouwd.

Een lid vraagt zich af hoe men de productieketen wil controleren, bijvoorbeeld van Italiaanse producten waarvan een onderdeel in een derdewereldland is vervaardigd.

De vorige spreker antwoordt dat die controle inderdaad een zwak punt is in de structuur van het voorliggende ontwerp, maar dat het ideaal zou zijn een label op Europees niveau in te voeren.

Volgens een ander lid mag men niet uit het oog verliezen dat het wetsontwerp een einde wil maken aan de ergste vormen van uitbuiting in de derde wereld, zoals kinderarbeid, door zich te concentreren op producten die daar worden vervaardigd en die onder westerse merknamen worden verkocht, in het bijzonder in de confectie-industrie. De onderdelen van die producten zijn echter vaak van uiteenlopende oorsprong.

De indiener van het amendement herhaalt dat het de bedoeling van het wetsontwerp is een label toe te kennen aan producten die onderdelen uit ontwikkelingslanden bevatten om aan te geven dat deze onderdelen op een sociaal verantwoorde manier zijn vervaardigd. Men kan dit doel niet bereiken door het label toe te kennen aan producten die alleen in de Europese Unie zijn vervaardigd.

Een lid vindt dat de opmerkingen van de vorige spreker doordrongen zijn van protectionisme en dat hij Europa als een sociaal luilekkerland voorstelt. Het zal bovendien zeer moeilijk blijken de productieketen te controleren in minder welvarende Europese landen.

Amendement nr. 3 wordt aangenomen met 7 stemmen, bij 1 onthouding.

De heer Moens dient amendement nr. 4 in (zie Stuk Senaat, nr. 2-288/2, 1999-2000, blz. 2-3), dat ertoe strekt de toetsingscriteria te verruimen : de minimumvereiste is dat de basisconventies van de IAO worden nageleefd, maar in een ander artikel krijgt de Koning ook de mogelijkheid om die criteria nog te verruimen.

Amendement nr. 4 wordt eenparig aangenomen door de 8 aanwezige leden.

De heer Moreels en mevrouw Thijs dienen amendement nr. 21 in (zie Stuk Senaat, nr. 2-288/4, 1999-2000, blz. 3-4), dat ertoe strekt het begrip « eerlijke handel » dat in het oorspronkelijke opschrift van het wetsvoorstel stond, opnieuw in te voeren.

Verschillende leden onderstrepen dat men de noodzaak om de verschillende labels te harmoniseren en op Europees niveau initiatieven te nemen om tot eerlijke handel te komen, in een resolutie wil formuleren (zie Stukken Senaat nr. 2-415/1 en volgende, 1999-2000).

Een van de indieners van het amendement verkiest dat men het begrip « eerlijke handel » in de wet opneemt in plaats van in een resolutie, die aanzienlijk minder impact heeft.

Andere sprekers blijven erbij dat men, zelfs wanneer het de bedoeling is een stap in de richting van de eerlijke handel te zetten, zich hier beter beperkt tot de sociaal verantwoorde productie, die een onderdeel van de eerlijke handel vormt. Zo niet dreigt men tegelijkertijd de draagwijdte van het wetsontwerp ter bevordering van sociaal verantwoorde productie en het begrip « eerlijke handel » uit te hollen. Het begrip « eerlijke handel » zou immers pas op de 9º plaats staan in een ontwerp dat eigenlijk op een onderdeel van die handel slaat.

Amendement nr. 21 wordt verworpen met 7 stemmen tegen 1 stem.

Het geamendeerde artikel 2 wordt eenparig aangenomen door de 8 aanwezige leden.

Artikel 3

De heer Moens dient amendement nr. 5 in (zie Stuk Senaat, nr. 2-288/2, 1999-2000, blz. 3), dat ertoe strekt artikel 3 te doen vervallen.

Amendement nr. 5 wordt eenparig aangenomen door de 8 aanwezige leden.

Artikel 4

De heer Moens c.s. dienen amendement nr. 30 in, dat ertoe strekt dit artikel te doen vervallen (zie Stuk Senaat, nr. 2-288/5, 1999-2000, blz. 1). Dit amendement sluit inhoudelijk aan bij amendement nr. 1.

Amendement nr. 30 wordt eenparig aangenomen door de 8 aanwezige leden.

Artikel 5

De heer Moens dient amendement nr. 6 in (zie Stuk Senaat, nr. 2-288/2, 1999-2000, blz. 3), dat de toekenningsprocedure voor het label duidelijk organiseert, gesteld dat artikel 4 vervalt doordat amendement nr. 30 wordt aangenomen.

In § 1 van het in het amendement voorgestelde artikel 5 wordt bepaald dat het verkrijgen van het label een mogelijkheid is, geen verplichting.

In § 2 staat dat de Koning de criteria vastlegt op basis waarvan de naleving van de basisnormen kan worden gecontroleerd.

Paragraaf 3 geeft de Koning de mogelijkheid om de lijst van basisconventies uit te breiden tot andere conventies van de IAO.

Een lid vraagt zich af waarom alleen de minister tot wiens bevoegdheid de Economie behoort, bij die procedure betrokken wordt. Kunnen de minister van Buitenlandse Zaken en de staatssecretaris voor Buitenlandse Handel hun collega niet helpen bij de controle van de productieketens ?

Verschillende leden vinden het verkieslijk slechts één verantwoordelijke minister te hebben. Dat is doeltreffender. Bovendien kan de minister die bevoegd is voor Economie bijvoorbeeld een beroep doen op onze buitenlandse ambassades.

In de commissie (of het comité) voor de sociaal verantwoorde productie kan daarentegen wel een vertegenwoordiger van het lid van de regering zitten tot wiens bevoegdheid de Ontwikkelingssamenwerking behoort (zie amendement nr. 8 van mevrouw Laloy op artikel 9).

Amendement nr. 6 wordt aangenomen met 7 stemmen bij 1 onthouding.

Mevrouw Willame-Boonen dient amendement nr. 18 in (zie Stuk Senaat, nr. 2-288/4, 1999-2000, blz. 2), dat amendement nr. 6 van de heer Moens subamendeert.

Dit subamendement heeft tot doel een label toe te kennen aan ondernemingen en niet aan producten. Sommige ondernemingen verwaardigen immers duizenden producten. Een label aanvragen voor elk van die producten zou dan ook een immense administratieve taak zijn, die veel kost. Alleen multinationals zouden in staat zijn dergelijke administratieve en financiële lasten op te vangen.

Het is raadzaam een algemeen label toe te kennen en de producten steekproefsgewijs te controleren.

De indiener van het amendement denkt dat, indien men besluit het label per product toe te kennen, de wet onuitvoerbaar zal blijven.

Een lid is het niet eens met het standpunt van de vorige spreker. Wanneer bijvoorbeeld 88 van de 100 producten die door een onderneming vervaardigd worden beantwoorden aan de criteria van de sociaal verantwoorde productie, kan die onderneming het label immers niet krijgen.

De indiener van het amendement antwoordt dat het bedrijf zich in dat geval zal inspannen om het label te verkrijgen.

Het lid zegt dat de onderdelen en bestanddelen van producten vaak uit verschillende landen komen. Dat bemoeilijkt de controle.

Een ander lid meent dat men het label absoluut per product moet toekennen. Indien men een algemeen label gebruikt en men vervolgens vaststelt dat een product niet voldoet aan de criteria voor sociaal verantwoorde productie, zouden de verbruikers alle vertrouwen in het label verliezen.

Om de verbruikers de ruimst mogelijke waarborg te bieden, moeten dus alle producten gecontroleerd worden.

Een spreker verklaart dat men door het toekennen van een algemeen label de verschillende producten niet tegen elkaar uitspeelt, wat nochtans ook een van de doelstellingen van de toekomstige wet is.

Ook een ander lid vindt dat het mogelijk is een label toe te kennen per product. Zij noemt in dit verband de « groene punten » die in Duitsland per product worden toegekend.

Een ander lid verwijst naar de ecologische labels die op biologische producten staan. Deze labels worden per product toegekend en ingetrokken. In tegenstelling tot wat de indiener van het amendement meent, is het niet haalbaar een algemeen label toe te kennen.

Een lid geeft toe dat er zeker meer kosten aan verbonden zijn voor de ondernemingen, maar dat men niet mag vergeten dat kleinere bedrijven waarschijnlijk geen honderden producten vervaardigen. Meestal zijn die kleine exportbedrijven zeer gespecialiseerd. Hun producten kunnen dus zonder al te veel problemen een voor een gecontroleerd worden.

De ondernemingen ­ zelfs de kleine bedrijven ­ hebben een bedrijfsethiek. Wanneer een onderneming een filiaal heeft in een ontwikkelingsland, geldt die ook daar.

Meerdere leden bevestigen dat het enige haalbare systeem dat van het label per product is.

Amendement nr. 18 wordt verworpen met 7 stemmen tegen 1 stem.

Mevrouw Willame-Boonen dient amendement nr. 19 in (zie Stuk Senaat, nr. 2-288/4, 1999-2000, blz. 3), dat amendement nr. 6 van de heer Moens subamendeert.

Het subamendement heeft tot doel de voorgestelde § 3 van amendement nr. 6 te doen vervallen. Mevrouw Willame-Boonen vindt immers dat het de taak van het Parlement en niet van de regering is om de lijst met na te leven conventies samen te stellen.

Een lid antwoordt dat het Parlement altijd een wetgevend initiatief in die zin kan nemen.

Een ander lid zegt dat men de Koning machtigt om de lijst met basisconventies op te stellen omdat dit meer flexibiliteit inhoudt. Men voorkomt zo dat er bepaalde conventies worden weggelaten en men laat de mogelijkheid open om nieuwe conventies die bij de IAO worden gesloten in de lijst op te nemen.

Meerdere leden onderstrepen dat de lijst van basisconventies al is vastgesteld. De regering kan die alleen nog uitbreiden en het Parlement is vrij om hierin wetgevend op te treden. Bovendien zal de commissie voor de sociaal verantwoorde productie hierover advies uitbrengen.

Amendement nr. 19 wordt verworpen met 7 stemmen tegen 1 stem.

De heer Moreels en mevrouw Thijs dienen amendement nr. 22 in (zie Stuk Senaat, nr. 2-288/4, 1999-2000, blz. 4-5), dat ertoe strekt artikel 5 aan te vullen met een § 3, waarin nu reeds de mogelijkheid wordt gecreëerd om een label voor eerlijke handel te integreren in het pictogram van het label voor sociaal verantwoorde productie.

Een lid vestigt de aandacht op zijn amendement nr. 17, dat ertoe strekt de verschillende labels te harmoniseren en een bezinningskamer op te richten om de verschillende initiatieven terzake te coördineren, zodat de verbruiker er klaar in kan zien.

Een andere spreker zegt dat het uiteindelijke doel erin bestaat tot een soort eerlijke handel te komen, maar dat dit nog lang niet bereikt is. Het toekennen van een label voor sociaal verantwoorde productie is een tussenstadium. Wanneer men echter tot eerlijke handel komt, zal de sociaal verantwoorde productie al achterhaald zijn.

De indiener van het amendement vindt het zeer belangrijk om na te denken over de toekomst en rekening te houden met de mogelijkheid dat er bijvoorbeeld op het bestaande pictogram een nieuwe kleur kan komen, die dan aanduidt dat het product de voorwaarden van de eerlijke handel in acht neemt.

Meerdere leden zijn van mening dat men de mogelijkheid om een nog te ontwerpen label te gebruiken niet in een wettekst moet vermelden. Toekomstige wetsvoorstellen en -ontwerpen kunnen echter wel verwijzen naar de manier waarop het label is ontworpen en rekening houden met de mogelijkheid om een nieuw label in het bestaande label te integreren.

Amendement nr. 22 wordt verworpen met 7 stemmen tegen 1 stem.

Het geamendeerde artikel 5 wordt eenparig aangenomen door de 8 aanwezige leden.

Artikel 6

Mevrouw Laloy dient amendement nr. 7 in (zie Stuk Senaat, nr. 2-288/2, 1999-2000, blz. 4), dat ertoe strekt aan de ondernemingen een informatieplicht op te leggen om de controle, die een essentieel onderdeel vormt bij de toekenning van het label, vlotter te laten verlopen.

Zij stelt mondeling een subamendement voor dat tot doel heeft in § 3, toegevoegd door punt C van amendement nr. 7, de woorden « Het certificaat of » te doen vervallen.

Het subamendement wordt eenparig aangenomen door de 8 aanwezige leden.

Mevrouw Willame-Boonen dient amendement nr. 20 in (zie Stuk Senaat, nr. 2-288/4, 1999-2000, blz. 3), dat een subamendement is op amendement nr. 7 van mevrouw Laloy. De indienster van het amendement vindt dat het label per onderneming en niet per product moet worden verleend.

Amendement nr. 20 wordt verworpen met 7 stemmen tegen 1 stem.

Een lid vraagt zich af of het niet beter zou zijn de controle te laten uitvoeren door de Sociale Inspectie, die afhangt van de minister van Werkgelegenheid en Arbeid, in plaats van ze op te dragen aan de Economische Inspectie, die onder de bevoegdheden van de minister van Economie valt.

Verscheidene leden zijn van mening dat het nakomen van de criteria gecontroleerd moet worden door de Economische Inspectie, maar zij onderstrepen dat de Commissie voor de sociaal verantwoorde productie ook een afgevaardigde van de minister die bevoegd is voor werkgelegenheid en arbeid als lid zal hebben.

Het aldus gesubamendeerde amendement nr. 7 wordt aangenomen met 7 stemmen bij 1 onthouding.

Het aldus geamendeerde artikel 6 wordt eenparig aangenomen door de 8 aanwezige leden.

Artikel 7

De heer Moreels en mevrouw Thijs dienen amendement nr. 23 in (zie Stuk Senaat, nr. 2-288/4, 1999-2000, blz. 5), dat ertoe strekt een fonds op te richten voor de financiële ondersteuning van educatieve en rehabiliterende programma's voor de potentieel begunstigden van deze wet.

Amendement nr. 23 wordt verworpen met 7 stemmen tegen 1 stem.

De heer Moens c.s. dienen amendement nr. 31 in (zie Stuk Senaat, nr. 2-288/5, 1999-2000, blz. 1), dat ertoe strekt het begrip « certificaat » te doen vervallen.

Amendement nr. 31 wordt eenparig aangenomen door de 8 aanwezige leden.

Het aldus geamendeerde artikel 7 wordt eenparig aangenomen door de 8 aanwezige leden.

Artikel 8

De heer Moreels en mevrouw Thijs dienen amendement nr. 24 in (zie Stuk Senaat, nr. 2-288/4, 1999-2000, blz. 5-6), dat bepaalt dat de Koning ondersteuning biedt aan de door NGO's gevoerde campagnes ter bevordering van het label.

Amendement nr. 24 wordt verworpen met 7 stemmen tegen 1 stem.

De heer Moens c.s. dienen amendement nr. 32 in (zie Stuk Senaat, nr. 2-288/5, 1999-2000, blz. 2), dat ertoe strekt in dit artikel het begrip « certificaat » te doen vervallen.

Amendement nr. 32 wordt eenparig aangenomen door de 8 aanwezige leden.

Het aldus gemandeerde artikel 8 wordt eenparig aangenomen door de 8 aanwezige leden.

Artikel 9

De heer Maertens dient amendement nr. 16 in (zie Stuk Senaat, nr. 2-288/4, 1999-2000, blz. 2), dat bepaalt dat de commissie initiatieven neemt om de door de wet beoogde begunstigden op geregelde basis te consulteren over de impact van de wet.

Dit amendement wordt ingetrokken voor beraad.

Mevrouw Laloy dient amendement nr. 8 in (zie Stuk Senaat, nr. 2-288/2, 1999-2000, blz. 4, 5, 6 en 7), dat ertoe strekt artikel 9 te vervangen.

Dit amendement heeft tot doel de Commissie voor de sociaal verantwoorde productie om te vormen tot een comité en, met het oog op een grotere doeltreffendheid, het aantal leden daarvan terug te brengen van 26 tot 16.

Amendement nr. 8 wordt eenparig aangenomen door de 8 aanwezige leden.

De heer Maertens dient amendement nr. 17 in (zie Stuk Senaat, nr. 2-288/4, 1999-2000, blz. 2), dat een subamendement is op amendement nr. 8 van mevrouw Laloy en dat ertoe strekt een bezinningskamer op te richten, die zich buigt over een harmonisering van publieke en privé-labels, over de ontwikkeling van nieuwe labels en over de noodzakelijke voorstellen voor omkaderende beleidsmaatregelen die het gebruik van labels als instrument van duurzame ontwikkeling kunnen bevorderen.

Amendement nr. 17 wordt ingetrokken voor beraad.

De heer Moreels en mevrouw Thijs dienen amendement nr. 25 in (zie Stuk Senaat, nr. 2-288/4, 1999-2000, blz. 6), dat bepaalt dat de Commissie voor de sociaal verantwoorde productie initiatieven neemt om de door de toekomstige wet beoogde begunstigden in de ontwikkelingslanden te consulteren.

Amendement nr. 25 wordt verworpen met 7 stemmen tegen 1 stem.

De heer Moreels en mevrouw Thijs dienen amendement nr. 26 in (zie Stuk Senaat, nr. 2-288/4, 1999-2000, blz. 6-7), dat tot doel heeft § 3 van artikel 9 aan te vullen met een 8º (nieuw) waarin wordt bepaald dat twee door het Fair Trade Centrum/Internationaal Huis voorgedragen leden zitting hebben in de Commissie voor de sociaal verantwoorde productie.

Amendement nr. 26 wordt verworpen met 7 stemmen tegen 1 stem.

De heer Moreels en mevrouw Thijs dienen amendement nr. 27 in (zie Stuk Senaat, nr. 2-288/4, 1999-2000, blz. 7), dat een subamendement is op amendement nr. 8 van mevrouw Laloy. Het bepaalt dat in de bezinningskamer ook vertegenwoordigers zitten van de instellingen die sociale en/of ecologische labels toekennen. Deze bezinningskamer buigt zich over een harmonisering van publieke en privé-labels, over de ontwikkeling van nieuwe labels zoals het eerlijke handelslabel en over de noodzakelijke omkaderende beleidsmaatregelen die het gebruik van labels als instrument van duurzame ontwikkeling kunnen bevorderen.

Amendement nr. 27 wordt verworpen met 7 stemmen tegen 1 stem.

Het aldus geamendeerde artikel 9 wordt eenparig aangenomen door de 8 aanwezige leden.

Artikel 10

De heer Moens c.s. dienen amendement nr. 33 in (zie Stuk Senaat, nr. 2-288/5, 1999-2000, blz. 2), dat ertoe strekt in dit artikel het begrip « certificaat » te doen vervallen.

Amendement nr. 33 wordt eenparig aangenomen door de 8 aanwezige leden.

Het aldus geamendeerde artikel 10 wordt eenparig aangenomen door de 8 aanwezige leden.

Artikel 11

Mevrouw Laloy dienen amendement nr. 9 in (zie Stuk Senaat, nr. 2-288/2, 1999-2000, blz. 7), dat de bevoegdheid om het label in te trekken toekent aan de minister en niet aan de Koning.

Amendement nr. 9 wordt eenparig aangenomen door de 8 aanwezige leden.

De heer Moens c.s. dienen amendement nr. 34 in (zie Stuk Senaat, nr. 2-288/5, 1999-2000, blz. 2), dat ertoe strekt in dit artikel het begrip « certificaat » te doen vervallen.

Amendement nr. 34 wordt eenparig aangenomen door de 8 aanwezige leden.

Het aldus geamendeerde artikel 11 wordt eenparig aangenomen door de 8 aanwezige leden.

Artikel 12

Mevrouw Laloy dient amendement nr. 10 in (zie Stuk Senaat, nr. 2-288/2, 1999-2000, blz. 7-8), dat een dubbel doel heeft : de bepalingen van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument van overeenkomstige toepassing maken op dit wetsontwerp en verhinderen dat de thans reeds zwaar belaste parketten nog meer werk krijgen.

Amendement nr. 10 wordt eenparig aangenomen door de 8 aanwezige leden.

De heer Moens c.s. dienen amendement nr. 35 in (zie Stuk Senaat, nr. 2-288/5, 1999-2000, blz. 2), dat ertoe strekt in dit artikel het begrip « certificaat » te doen vervallen.

Amendement nr. 35 wordt eenparig aangenomen door de 8 aanwezige leden.

Het aldus geamendeerde artikel 12 wordt eenparig aangenomen door de 8 aanwezige leden.

Mevrouw Willame-Boonen c.s. dienen amendement nr. 29 in (zie Stuk Senaat, nr. 2-288/4, 1999-2000, blz. 9), dat ertoe strekt een nieuw artikel 12bis in te voegen dat een fonds instelt ter bevordering van de sociaal verantwoorde productie, om de ondernemingen in ontwikkelingslanden in staat te stellen te voldoen aan de voorwaarden voor de toekenning van het label.

Dit fonds zou gespijsd worden met de in artikel 12 van het wetsontwerp bedoelde boeten en kan eventueel worden aangevuld met bijkomende financiële middelen. De organisatie van dit fonds wordt aan de Koning opgedragen.

Een lid merkt op dat de opeenvolgende ministers van Begroting de laatste jaren een einde hebben willen maken aan het fondsensysteem. Horen de middelen waarover dat fonds zou beschikken trouwens eigenlijk niet gebruikt te worden voor het informeren van de consument ?

Verschillende leden bevestigen dat fondsen vaak financiële problemen hebben en vinden dat het ­ niettegenstaande het feit dat de geïnde boeten gebruikt zouden worden om het doel van de wet te bereiken ­ beter is geen fonds op te richten. Het fonds zou misschien niet eens zijn eigen werking kunnen bekostigen.

Een van de indieners van het amendement antwoordt dat het fonds gefinancierd zou worden met variabele middelen, in casu het geld van de boeten. Men kan trouwens een fonds oprichten zonder personeel, dat gebruik maakt van de bestaande administratie. Het doel van het fonds is dat de toekomstige wet meer zichtbaarheid krijgt.

Verschillende commissieleden menen dat het fonds in kwestie wel eens een zinloze constructie zou kunnen zijn en verkiezen realistisch te blijven en het amendement te verwerpen.

Amendement nr. 29 wordt verworpen met 7 stemmen tegen 1 stem.

Artikel 13

De heer Moens c.s. dienen amendement nr. 36 in (zie Stuk Senaat, nr. 2-288/5, 1999-2000, blz. 2), dat ertoe strekt in dit artikel het begrip « certificaat » te doen vervallen.

Amendement nr. 36 wordt eenparig aangenomen door de 8 aanwezige leden.

Het aldus geamendeerde artikel 13 wordt eenparig aangenomen door de 8 aanwezige leden.

Artikel 14

De heer Monfils dient amendement nr. 15 in (zie Stuk Senaat, 2-288/4, 1999-2000, blz. 1), dat bepaalt dat er bij het verslag aan de minister een effectrapport wordt gevoegd dat is opgesteld door een onafhankelijke instelling.

Amendement nr. 15 wordt verworpen met 2 tegen 2 stemmen bij 4 onthoudingen.

De heer Moens c.s. dienen amendement nr. 37 in (zie Stuk Senaat, nr. 2-288/5, 1999-2000, blz. 2), dat ertoe strekt in dit artikel het begrip « certificaat » te doen vervallen.

Amendement nr. 37 wordt eenparig aangenomen door de 8 aanwezige leden.

Het aldus geamendeerde artikel 14 wordt eenparig aangenomen door de 8 aanwezige leden.

De heer Moreels en mevrouw Thijs dienen amendement nr. 28 in (zie Stuk Senaat, nr. 2-288/4, 1999-2000, blz. 8), dat ertoe strekt een nieuw artikel 14bis in te voegen waarin bepaald wordt dat de minister ten laatste drie jaar na de inwerkingtreding van de wet een impactstudie realiseert die nagaat wat de directe en indirecte gevolgen zijn van de toepassing van de wet op de begunstigden.

Amendement nr. 28 wordt verworpen met 7 stemmen tegen 1 stem.

Artikel 15

De heer Moens c.s. dienen amendement nr. 38 in (zie Stuk Senaat, nr. 2-288/5, 1999-2000, blz. 3), dat ertoe strekt in dit artikel het begrip « certificaat » te doen vervallen.

Amendement nr. 38 wordt eenparig aangenomen door de 8 aanwezige leden.

Het aldus geamendeerde artikel 15 wordt eenparig aangenomen door de 8 aanwezige leden.

Artikel 16

Er zijn geen amendementen op dit artikel, dat eenparig wordt aangenomen door de 8 aanwezige leden.

Amendementen op het hele wetsontwerp

Mevrouw Laloy dient amendement nr. 11 in (zie Stuk Senaat, nr. 2-288/3, 1999-2000, blz. 1), dat ertoe strekt in alle artikelen de woorden « partnerlanden » te vervangen door de woorden « ontwikkelingslanden ».

Amendement nr. 11 wordt eenparig aangenomen door de 8 aanwezige leden.

Mevrouw Laloy dient amendement nr. 12 in (zie Stuk Senaat, nr. 2-288/3, 1999-2000, blz. 1), dat ertoe strekt in alle artikelen de woorden « de commissie » te vervangen door de woorden « het comité ».

Amendement nr. 12 wordt eenparig aangenomen door de 8 aanwezige leden.

Mevrouw Laloy dient amendement nr. 13 in (zie Stuk Senaat, nr. 2-288/3, 1999-2000, blz. 2), dat ertoe strekt in alle artikelen de woorden « de minister tot wiens bevoegdheid de Internationale Samenwerking behoort » te vervangen door de woorden « de minister tot wiens bevoegdheid de Ontwikkelingssamenwerking behoort ».

Amendement nr. 13 wordt eenparig aangenomen door de 8 aanwezige leden.

IV. STEMMING OVER HET GEHEEL

Het aldus geamendeerde wetsontwerp wordt eenparig aangenomen door de 8 aanwezige leden.

Vertrouwen wordt geschonken aan de rapporteurs voor het opstellen van dit verslag.

De rapporteurs,
André GEENS.
Marie-José LALOY.
Michiel MAERTENS.
Georges DALLEMAGNE.
De voorzitter,
Marcel COLLA.

V. BIJLAGE