1-1162/3

1-1162/3

Belgische Senaat

ZITTING 1998-1999

16 DECEMBER 1998


Wetsontwerp houdende afwijking van artikel 20bis van de wet van 24 augustus 1939 op de Nationale Bank van België en tot wijziging van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België


Evocatieprocedure


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE FINANCIËN EN DE ECONOMISCHE AANGELEGENHEDEN UITGEBRACHT DOOR DE HEER MOENS


Dit wetsontwerp werd op 7 december 1998 door de Senaat geëvoceerd. De onderzoekstermijn verstreek op 22 februari 1998. Op 15 december 1998 besliste de commissie, met 7 stemmen tegen 2 om dit ontwerp te bespreken tijdens haar vergadering van die dag.

Het verslag van de werkzaamheden werd gelezen op 16 december 1998.

1. INLEIDING DOOR DE VOORZITTER VAN DE COMMISSIE

De voorzitter verklaart dat op donderdag 10 december 1998, namiddag, de voorzitter van de Senaat hem, zonder enig woord van uitleg, een copie van een brief d.d. 10 december 1998 van de minister van Financiën over dit wetsontwerp heeft overhandigd. Deze brief luidt als volgt :

Mijnheer de voorzitter,

Zoals u weet is het wetsontwerp houdende afwijking van artikel 20bis van de wet van 24 augustus 1939 op de Nationale Bank van België en tot wijziging van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België (stuk Senaat, nr. 1-1162) maandag jongstleden door de Senaat geëvoceerd met een onderzoekstermijn die loopt tot 22 februari 1999.

Dit wetsontwerp strekt er voornamelijk toe de meerwaarde van meer dan 89 miljard Belgische frank die de Nationale Bank van België eind 1997 ­ begin 1998 heeft verwezenlijkt met de verkoop van goud, toe te kennen aan de Belgische Staat zodat die een deel van de overheidsschuld in deviezen kan terugbetalen en zo de verhouding tussen de overheidsschuld en het bruto binnenlands product verbeteren overeenkomstig de vereiste van artikel 104C van het Verdrag tot de oprichting van de Europese Gemeenschap.

De evocatie stelt de regering voor groot probleem aangezien ze de operatie, die van het allergrootste belang is voor het land, in gevaar brengt. Om de operatie zonder risico te kunnen uitvoeren, moet het wetsontwerp nog dit jaar aangenomen worden en bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

Eerst en vooral moet de operatie in kwestie gebeuren op basis van een afwijking van een bepaling van de organieke wet op de Nationale Bank van 1939, die vanaf 1 januari 1999 niet langer zal gelden wegens de inwerkingtreding van de nieuwe organieke wet van 22 februari 1998. Als men de operatie na het einde van dit jaar wil uitvoeren, zal een heel nieuw wetsontwerp bij het parlement moeten worden ingediend.

Belangrijker is evenwel dat, zoals het Europees Monetair Instituut heeft opgemerkt in zijn advies over dit wetsontwerp, het helemaal niet zeker en zelfs nogal onwaarschijnlijk is dat de operatie na 1998 nog kan plaatsvinden. In ieder geval zal dan een voorafgaande machtiging van de Europese Centrale Bank nodig zijn.

Bovendien is in de begroting van 1999 rekening gehouden met de ontvangst van deze 89 miljard Belgische frank die in 1998 plaats moet hebben. Als deze operatie niet wordt uitgevoerd, moet de begroting dus worden herzien.

Sta mij ten slotte toe mijn verbazing uit te spreken over de evocatie van een ontwerp dat zowel in de Commissie voor de Financiën en de Begroting als in de plenaire vergadering van de Kamer van volksvertegenwoordigers eenparig en zonder discussie is goedgekeurd. De tekst zelf kan ook geen grote problemen doen rijzen aangezien de terminologie van artikel 30 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België grotendeels is overgenomen.

Ik voel mij bijgevolg verplicht u te vragen de bespreking van dit ontwerp in de Commissie voor de Financiën en in de plenaire vergadering van de Senaat zo spoedig mogelijk af te handelen. Het ontwerp kan immers enkel tijdig worden goedgekeurd als het aanstaande dinsdag, 15 december, in de commissie wordt besproken en tijdens de laatste plenaire vergadering van het jaar, op donderdag 14 december, over wordt gestemd, eventueel zonder vooraf een geschreven veslag uit te brengen.

(Beleefdheidsformule).

Jean-Jacques VISEUR,

minister van Financiën.

De voorzitter heeft per brief van 11 december 1998 het volgende geantwoord :

Mijnheer de minister,

Op donderdag 10 december 1998, rond 16.30 uur, heeft de voorzitter van de Senaat mij uw brief nr. 024896 met dezelfde dagtekening en kenmerk JHI/mpf/261/981210 bezorgd.

Naast de inhoudelijke opmerkingen die deze brief oproept, zou ik er toch willen op wijzen dat de urgentie helemaal niet af te leiden valt uit de manier waarop de regering het dossier heeft afgehandeld. Immers, op 8 mei 1998 heeft de minister de Raad van State om advies gevraagd. Hij heeft dat advies ontvangen op 27 mei. Op 17 juni is het wetsontwerp in de Kamer van volksvertegenwoordigers ingediend zonder een bijgaand verzoek tot spoedbehandeling. De Kamercommissie voor de Financiën en de Begroting heeft het ontwerp behandeld op 24 oktober 1998. Pas op 19 november 1998 is de tekst in de plenaire vergadering aangenomen. De Senaat heeft het ontwerp pas geëvoceerd en de behandelingstermijn verstrijkt op 23 februari 1999.

Ik zie er zorgvuldig op toe dat dossiers die voor een spoedbehandeling in aanmerking komen in de Senaat niet onder een stof-laag terechtkomen. U weet ook hoe snel ik de behandeling van het wetsontwerp tot hervorming van de fiscale procedure heb afgerond ondanks de moeilijkheden waarmee de regering te kampen kreeg na de stemming in de Kamer omdat de kwaliteit van de aangenomen tekst, op zijn zachtst uitgedrukt, te wensen overliet.

Als de regering voor dit ontwerp een spoedbehandeling had willen vragen, dan had zij de zaak moeten voorleggen aan het Overlegcomité Kamer ­ Senaat om kortere termijnen te vragen dan die waarin de grondwettelijke procedure voorziet. Zij heeft dat echter niet gedaan.

De inhoudelijke argumenten over dit ontwerp in uw brief van 10 december 1998 lijken mij op zijn minst voor discussie vatbaar.

Wat betreft de wettelijke grondslag van de operatie moet er hoe dan ook wetgevend worden opgetreden, ofwel in afwijking van artikel 20bis van de wet van 24 augustus 1939 op de Nationale Bank van België ingeval die operatie vóór 31 december 1998 wordt uitgevoerd, ofwel in afwijking van artikel 30 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België ingeval die operatie na die datum plaatsheeft.

Wat nu de datum van de operatie betreft, is er geen enkele dwingende reden van wettelijke of reglementaire aard om ze uit te voeren vóór 31 december 1998. Het enige verschilpunt bestaat erin dat na die datum het advies van de Europese Centrale Bank verplicht is. Dat verschil is evenwel zuiver formeel omdat de regering de Europese Centrale Bank reeds om een advies over dit ontwerp heeft gevraagd ofschoon dat wettelijk gezien niet hoefde. Aangezien de Europese Centrale Bank gunstig heeft geadviseerd, bestaat er geen enkele theoretische, wettelijke of principiële reden om aan te nemen dat zij na de invoering van de EMU een andere mening toegedaan zou zijn. Merkwaardig genoeg heeft de minister in de Kamer met geen woord gerept van het advies van de Europese Centrale Bank. Dat advies moet er komen om na te gaan of operatie geen enkel monetair effect teweegbrengt.

Wat de gevolgen voor de begroting betreft, merkt de minister op dat het « ... op budgetair vlak om een nuloperatie zal gaan die geen invloed heeft op het primair saldo. De operatie zal leiden tot een vermindering van de niet-fiscale inkomsten (afkomstig van de NBB), die dan weer wordt gecompenseerd door een daling van de intrestlasten van de schuld in vreemde valuta... ». Een bijsturing van de begroting is niet nodig want de ontvangsten zijn hoe dan ook geraamd en de rente-uitgaven verlopen volgens een systeem waarbij de aanpassing van de begroting ex post gebeurt. Wordt de operatie begin 1999 uitgevoerd, dan zijn de gevolgen voor de begroting nauwelijks merkbaar.

Tot besluit kan men stellen dat er geen enkele spoedeisende reden bestaat om de operatie nog in 1998 uit te voeren.

Er zal een amendement worden ingediend, volgens hetwelk de operatie in 1999 kan plaatshebben op basis van een afwijking van artikel 30 van de wet van 22 februari 1998. Dat kan aan het begin van volgend jaar.

(Beleefdheidsformule).

Paul HATRY,

senator.

Vervolgens heeft de minister van Financiën op 14 december 1998 aan de voorzitter van de commissie het volgende laten weten :

Mijnheer de Voorzitter,

Ik heb met aandacht kennis genomen van uw brief van 11 december jongstleden waarin u weerlegt dat de spoedbehandeling van het hierboven vermelde wetsontwerp waarop ik in mijn brief van 10 december jongstleden heb aangedrongen, noodzakelijk is. Gelieve hieronder mijn commentaar te vinden op de opmerkingen die u hebt gemaakt, in de volgorde waarin u ze in uw brief hebt behandeld.

De door de regering gevolgde procedure voor het wetsontwerp houdende afwijking van artikel 20bis van de wet van 24 augustus 1939 op de Nationale Bank van België illustreert naar mijn mening duidelijk de spoed waarmee de regering dit dossier wenste te behandelen. De vraag om advies binnen een maand, die gepaard ging met de overzending van het voorontwerp aan de Raad van State, kon immers niet anders geïnterpreteerd worden. De regering achtte het daarentegen niet nodig het dossier voor te leggen aan het Overlegcomité Kamer-Senaat omdat het ontwerp zich ­ wegens zijn aard ­ niet leende voor evocatie door de Senaat. Het feit dat het door de Kamercommissie voor de Financiën eenparig is goedgekeurd, bewijst overigens dat die aanpak terecht was. Het ontwerp is overigens vele maanden vóór het jaareinde ingediend en de regering kan dan ook niet verantwoordelijk worden gesteld voor de vertraging die het ontwerp in de behandeling door het Parlement heeft opgelopen, een vertraging waarop de regering immers geen vat heeft.

U voert eveneens inhoudelijke argumenten aan waarvan het eerste betrekking heeft op de goedkeuring van de operatie door de Europese Centrale Bank. De vraag om advies die werd ingediend bij het Europees Monetair Instituut dat indertijd bevoegd was, was een verplichte en geen facultatieve stap niet wegens de aard van de voorgenomen operatie maar omdat de uitvoering ervan een wijziging vergde van de organieke wet op de Nationale Bank, met toepassing van artikel 109F, 6, tweede lid, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.

Daar het EMI geen bezwaren heeft geopperd, heeft mijn voorganger het niet nodig geacht tijdens de behandeling van het ontwerp in de Kamer te vermelden dat die procedure haar beslag had gekregen.

Ten slotte, en dat is essentiëler, betwist u dat de geplande overdracht van fondsen ten voordele van de Staat in de loop van het begrotingsjaar 1998 dringend zou zijn. Ik kan uw standpunt niet delen. Het is immers zeker dat het uitstellen van een operatie die het mogelijk maakt leningen terug te betalen in deviezen met een hoge gemiddelde rentevoet (dit wil zeggen hoger dan het rendement dat verwacht wordt van de belegging van de meerwaarden waarover in het ontwerp sprake is) nadelige financiële gevolgen zal hebben voor de Staat.

Op uw opmerking volgens welke geen begrotingsaanpassing vereist zal zijn wanneer het ontwerp niet vóór het einde van het jaar wordt aangenomen, antwoord ik u dat, in tegenstelling tot wat u meent, de regering in een dergelijk geval haar begroting 1999 tweemaal zal moeten aanpassen. Ze zal een nieuwe raming moeten maken enerzijds van de verwachte niet-fiscale ontvangsten en anderzijds van de rentelasten verbonden aan de schuld, op een grondslag die overeenstemt met de beschikbare gegevens. In het kader van het opstellen van de begroting voor het volgend jaar kan de regering immers niet speculeren op de goedkeuring, binnen een vrij korte termijn, van het voorliggende wetsontwerp, waardoor zij verplicht zal zijn tot de bovenvermelde aanpassingen over te gaan.

Om de hierboven vermelde redenen ben ik zo vrij, zoals reeds eerder in mijn brief van 10 december aan de voorzitter van de Senaat, opnieuw met klem te wijzen op de noodzaak alles in het werk te stellen om de in het ontwerp geregelde overdracht vóór 31 december 1998 te kunnen uitvoeren.

(Beleefdheidsformule).

Jean-Jacques VISEUR,

minister van Financiën.

Deze brief werd op 15 december 1998 door de voorzitter als volgt beantwoord :

Mijnheer de minister,

Ik heb op deze dinsdagochtend, zowel thuis als in het huis van de parlementsleden, uw brief van 14 december 1998 gevonden.

Wat de door de regering gevolgde procedure betreft, kan ik alleen maar de gegevens bevestigen die ik in mijn brief nr. 1347 vermeld heb. Er bestaat immers een grondwettelijke procedure die de minister van Financiën en zijn medewerkers goed kennen aangezien ze er sinds 1995 talloze malen gebruik van hebben gemaakt, namelijk het verzoek om spoedbehandeling ­ vóór de indiening van een wetsontwerp ­ bij de Overlegcommissie Kamer-Senaat.

Anderzijds schrijft u dat het ontwerp zich niet leent voor evocatie door de Senaat. In dit verband zij opgemerkt dat zowel de regering als de twee assemblees van het Parlement erkend hebben dat het evocatierecht een onaantastbaar recht is, met uitzondering van de wetten die volgens de Grondwet niet door de Senaat behandeld kunnen worden.

Wat de termijnen betreft, ben ik zo vrij te verwijzen naar mijn brief nr. 1347 waarin ik duidelijk heb vermeld dat de regering in de verschillende stappen die ze heeft ondernomen, helemaal niet het nodige heeft gedaan met het oog op spoedbehandeling die ze nu blijkbaar aan het ontwerp wenst te geven.

Bovendien is het duidelijk geen probleem om de ECB te raadplegen.

Het verslag van de Kamercommissie voor de Financiën en de Begroting vermeldt uw verklaring dat het om een nuloperatie gaat die geen invloed heeft op het netto financieringstekort. Ik zie dus niet in hoe het uitstel van de operatie met enkele weken of zelfs met enkele maanden schadelijke gevolgen kan hebben voor de Staat. Bovendien brengt de vervroegde terugbetaling van een schuld vaak grote bijkomende lasten mee.

Uw argumenten dat het noodzakelijk is de begroting aan te passen, tonen aan dat er ter zake helemaal geen spoedbehandeling nodig is. Bij het ramen van de inkomsten alsook van de rentelasten heerst altijd grote onzekerheid. De begrotingen worden in het midden van het jaar aangepast om rekening te houden met deze onzekerheid. Mocht deze aanpassing nodig zijn, dan kan ze wel degelijk bij die gelegenheid plaatsvinden.

(Beleefdheidsformule).

Paul HATRY,

senator.

2. INLEIDENDE UITEENZETTING VAN DE MINISTER VAN FINANCIËN

De minister moet ervoor zorgen dat het morele krediet van België ten aanzien van de andere partners van de eurozone gevrijwaard wordt.

De goudreserves van de Nationale Bank van België zijn veel hoger dan wat noodzakelijk is voor de oprichting van de Europese Centrale Bank en wat vereist is volgens het akkoord tussen de verschillende centrale banken. De Nationale Bank van België heeft in 1997 en 1998, door een aantal opeenvolgende operaties, een deel van haar goudvoorraad te gelde gemaakt en heeft op die verrichtingen een meerwaarde gerealiseerd van 89 miljard Belgische frank. Volgens de bepalingen van de organieke wet wordt deze meerwaarde bevroren op een onbeschikbare reserverekening die in de passiva van de balans opgenomen wordt. Deze som kan slechts bij wet aan de Belgische Staat overgedragen worden.

Beleidsmatig hebben we dus te maken met een normale en gezonde operatie waarin de overheidsschuld onmiddellijk verminderd wordt door middel van een overdracht.

In de Kamer heeft geen enkele fractie opmerkingen gemaakt over deze operatie. Het wetsontwerp werd eenparig aangenomen. Er werd slechts één vraag gesteld : waarom heeft de regering de Raad van State om een spoedadvies gevraagd zodat de Raad zich heeft moeten beperken tot een onderzoek van de rechtsgrond, de bevoegdheid van de steller van de handeling alsmede van de vraag of aan de vormvereisten voldaan is ?

De minister merkt op dat de operatie een klassieke operatie is. Ze is van belang, niet voor het primair saldo (omdat het primair saldo geen betrekking heeft op de schuldenlast) maar wel voor de vermindering van het begrotingstekort. Met deze terugbetaling verliest de Staat enerzijds niet-fiscale inkomsten, de inkomsten die deze bedragen opleveren op de rekening van de NBB, maar anderzijds wint hij ook als gevolg van de terugbetaling van huidige schulden, lopende schulden en vooral als gevolg van de terugbetaling van deviezenschulden, hetgeen de hoofdsom van de schuld vermindert maar ook wegens de hogere rentelasten dan die thans gelden. De gemiddelde rentevoet ligt immers hoger dan de rentevoet die een belegging op zicht bij de NBB thans oplevert.

Uit dit oogpunt is er geen enkel beleidsprobleem of technisch probleem.

Waarom deze operatie voor een onbepaalde periode uitstellen ? De minister begrijpt niet wat men daarmee wil bereiken.

Een tweede argument ten gunste van deze operatie in 1998 is het advies dat wij ingewonnen hebben bij het Europees Monetair Instituut. Het advies was gunstig. De minister acht het niet nuttig dit advies als bijlage bij het verslag op te nemen. De minister, zijn diensten alsmede de NBB zijn de overtuiging toegedaan dat indien deze overdracht tot in 1999 wordt uitgesteld, de toestemming van de Europese Centrale Bank gevraagd moet worden overeenkomstig artikel 109F, 6, tweede lid, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.

Voor Belgiës reputatie wil de minister liever niet dat het eerste oordeel dat de Europese Centrale Bank moet uitspreken, betrekking heeft op een operatie die absoluut niet abnormaal is, geen uitzonderlijke operatie is en volledig overeenstemt met het beheer van de goudvoorraad door de NBB. Zolang men gebruik kan maken van de autonomie van ons land zonder dat men de operatie voor goedkeuring moet voorleggen aan de Europese Centrale Bank, die zich misschien met enige aarzeling zal uitspreken, die haar beslissing zal uitstellen en die aanleiding zal geven tot allerlei discussies, is het de plicht van de minister een dergelijke operatie ten uitvoer te leggen.

Het voorliggende wetsontwerp ligt in het verlengde van eenieders streven om de huidige schuld van België zo snel mogelijk te verminderen.

3. ALGEMENE BESPREKING

Een lid wijst vooreerst op een aantal misverstanden in verband met de evocatie van dit wetsontwerp. De evocatie steunt niet op het al dan niet akkoord gaan met de operatie van overdracht van de meerwaarde (artikel 2 van het wetsontwerp), maar wel op de schrapping van artikel 15 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België (artikel 3 van het wetsontwerp).

Artikel 15 handelt over de uitgifte door de NBB van verzamelaars- of herdenkingsmunten in goud. Terwijl deze bepaling pas begin 1998 door het parlement werd gestemd, is de regering nu plots van oordeel dat deze mogelijkheid moet geschrapt worden. Het lid vraagt zich af of de huidige gouverneur van de NBB wellicht meent dat hem een monopolie toekomt, namelijk dat van de gouverneur die goudverkopen heeft toegelaten, waardoor hij deze mogelijkheid voor de toekomst wil doen verdwijnen. Hierdoor zullen ook toekomstige regeringen geen gebruik meer kunnen maken van deze mogelijkheid om zo een deel van het goud aan te wenden tot delging van de schuld.

Nergens wordt een geldige reden aangegeven om artikel 15 te schrappen. Volgens het lid moet de door artikel 15 geboden mogelijkheid blijven bestaan en, bijgevolg, moet deze schrapping ongedaan gemaakt worden. Ook binnen de Europese contekst is er geen enkele reden om artikel 15 te schrappen.

Hieruit vloeit voort dat ook de aanpassing van het bestaande artikel 37 (artikel 4 van het wetsontwerp) niet meer nodig is, want de aanpassing van dit artikel was het gevolg van de schrapping van artikel 15.

Wat betreft artikel 2, ziet spreker wel geen probleem wat betreft de timing van de operatie. Inderdaad, de nieuwe wet op de NBB die vanaf 1 januari 1999 van kracht zal zijn, laat ook toe dat de gerealiseerde meerwaarde in de Schatkist wordt gestort. Indien dit echter gebeurt na 1 januari 1999, ligt de wettelijke basis niet in artikel 20bis van de wet van 24 augustus 1939, maar wel in artikel 30 van de wet van 22 februari 1998. Een amendering van artikel 2 is dus noodzakelijk.

Uit de briefwisseling waarnaar de voorzitter van de Commissie heeft verwezen (zie hierboven), blijkt dat niet langer het Europees Monetair Instituut moet geconsulteerd worden, maar wel de Europese Centrale Bank. Er is geen enkele reden waarom de consultatie van het Europees Monetair Instituut voor 1 januari 1999 geen probleem stelt, terwijl een consultatie van de Europese Centrale Bank na die datum wel een probleem zou stellen, ook psychologisch niet. De operatie is volkomen gerechtvaardigd.

In de Kamer heeft de minister verklaard dat de operatie neutraal is. Het lid merkt op dat dit trouwens zo hoort, anders zou de operatie in tegenspraak zijn met de bepalingen van het Verdrag van Maastricht en aangewend worden om de begroting op een kunstmatige manier op te smukken.

Door het feit dat de operatie neutraal is, brengt het uitstel ervan ook geen enkel substantieel nadeel mee noch op het vlak van de begroting, noch op het vlak van de publieke financiën of op gelijk welk gebied. Er is dus geen enkel element om te beweren dat een uitstel met één of twee maanden op enige wijze de credibiliteit van België of wat dan ook zou aantasten.

Het lid onderstreept dat artikel 3 van het wetsontwerp het grootste struikelblok vormt, doch dat hij wel eerst heeft nagegaan of de evocatie van dit wetsontwerp geen gevaar zou opleveren voor de transfert van de gerealiseerde meerwaarde. Met de gegeven antwoorden is spreker ervan overtuigd dat deze operatie door het uitstel niet in gevaar wordt gebracht. Het is echter wel belangrijk dat de mogelijkheid van artikel 15 blijft bestaan in de toekomst zodat een amendering van de tekst zich opdringt.

De minister herinnert eraan dat de operatie geen gevolgen meebrengt voor het primair saldo maar wel voor het begrotingssaldo omdat de regering onmiddellijk een vermindering kan realiseren op de intresten aan hogere tarieven dan de nu geldende.

Dat geld staat vast op een rekening van de NBB en moet naar de Schaktist terugkeren. De minister wenst over dat bedrag onmiddellijk te kunnen beschikken en niet over een of twee maanden omdat hij zo minder rente moet betalen. Daar komt nog bij dat de NBB bereid is het geld over te boeken en kan zij het dus niet tegen een hogere rentevoet beleggen.

Over artikel 15 van de wet van 22 februari 1998 deelt de minister mee dat hij de gelegenheid te baat heeft genomen om de tekst aan te passen omdat aan het licht is gekomen dat de NBB, in tegenstelling tot wat zij oorspronkelijk heeft beweerd, haar opdracht inzake het slaan en de uitgifte van goudstukken nooit kan uitvoeren in tegenstelling tot wat zij oorspronkelijk heeft bewaard. Immers, de markt van de herdenkingsmunten is zeer beperkt en er woedt een scherpe concurrentie. Daarom kan de NBB niet verhopen daarmee winsten te halen die in de Schaktist kunnen worden gestort. Het ziet er daarentegen naar uit dat een dergelijke operatie de Bank geld zou kunnen kosten.

Bijgevolg vraagt de NBB dat dit artikel wordt opgeheven en dat artikel 37 van de organieke wet dienovereenkomstig wordt aangepast. Dit artikel 37 luidt :

« Onverminderd de bepalingen opgenomen in (het bovengenoemde) artikel 15, wordt aan de Staat gestort de netto-opbrengst van de uitgifte door de Bank van verzamelaars- of herdenkingsmunten ten belope van het niet gebruikte saldo der 2,75% van het gewicht in goud dat op 1 januari 1987 in de activa van de Bank voorkomt en dat door de Staat mocht worden gebruikt inzonderheid voor de uitgifte van munten krachtens artikel 20bis , tweede lid, van de wet van 24 augustus 1939 op de Nationale Bank van België. »

Aangezien de NBB geen verzamelaars- of herdenkingsmunten meer wil uitgeven hangt dit artikel (dat in feite handelt over de gevolgen van het slaan van die munten op het storten aan de Staat van de (eventueel) gerealiseerde meerwaarde voor zover die meerwaarde geboekt wordt op het artikel van het niet-gebruikte saldo van de bedoelde 2,75 %) samen met het bovengenoemde artikel 15 en heeft het geen bestaansreden meer.

Op verzoek van de NBB wordt voorgesteld deze artikelen op te heffen. De minister verklaart vertrouwen te hebben in het beoordelingsvermogen van de NBB wat de markt betreft. De minister begrijpt wel niet dat wat niet anders is dan een klein onderdeel van de taak van de NBB, wordt aangegrepen om een normaal, klassiek wetsontwerp te ondergraven, dat bovendien de belangen van ons land dient.

Wat betreft een nieuw verzoek om advies van de Europese Centrale Bank herhaalt de minister liever andere ontwerpen aan de Bank voor te leggen omdat die zich wel eens zou kunnen afvragen waarom een wetsontwerp dat in een van beide kamers van het parlement eenparig is aangenomen, in de andere vastloopt.

Hetzelfde commissielid merkt op dat in het verleden ook andere partijen die een wetsontwerp in de Kamer hadden goedgekeurd, dit nadien in de Senaat hebben geëvoceerd.

Spreker verbaast er zich over waarom niemand de redenen voor de schrapping van artikel 15 nagaat. Als artikel 15 zo onbelangrijk is, dan kon het evengoed blijven bestaan zonder gevolgen. In dat geval was er geen enkel probleem gerezen met betrekking tot dit wetsontwerp. Nu stelt de regering wel de schrapping voor en wil zij dus duidelijk bepaalde mogelijkheden voor de toekomst afsnijden. Een dergelijke handelswijze is ongepast.

Daarenboven is het argument van de dringendheid niet gegrond omdat voldoende elementen aantonen dat de tranfertoperatie ook na 1 januari 1999, nadat de Senaat het wetsontwerp zal hebben aangepast, kan doorgaan.

Terugkomend op de neutraliteit van de operatie, stipt spreker aan dat de operatie niet neutraal is voor het primair saldo. Inderdaad, de ontvangsten uit de belegging van die meerwaarden vallen weg, zodat het primair saldo verslechtert, doch deze verslechtering wordt gecompenseerd door een vermindering langs de uitgavenzijde namelijk door intresten die niet meer moeten betaald worden, zodat de operatie wel neutraal is op het globale begrotingsbeleid.

Volgens het lid is de uiteenzetting van de minister merkwaardig. Het voorliggende wetsontwerp gaat duidelijk uit van de NBB en tot nog toe heeft niemand er zich over gebogen. Spreker heeft dit wel gedaan en moet vaststellen dat het wetsontwerp een bepaalde mogelijkheid van de NBB schrapt zonder dat niemand de vraag naar het waarom van de schrapping stelt. De uitleg van de NBB over de krapte van de markt van herdenkingsmunten (het gaat in feite over meer dan herdenkingsmunten, ook andere munten die een wettig betaalmiddel zijn, worden geviseerd) is niet duidelijk.

Spreker wenst een duidelijke uitleg waarom de NBB niet langer die mogelijkheid wil, terwijl de Staat deze nog heeft. Kortom, spreker betreurt het gebrek aan uitleg over dit punt en het feit dat de regering de dringendheid inroept om elke discussie in de kiem te smoren.

Een ander lid verklaart dat zijn fractie niet het initiatief heeft genomen tot de evocatie, maar deze wel heeft gesteund aangezien ze uitging van de partnerfractie. Spreker benadrukt evenwel dat hij meer problemen heeft met de antwoorden van de minister dan met het oorspronkelijke wetsontwerp.

De argumenten om de operatie in 1998 te laten plaatsvinden en niet in 1999 lijken alleen gebaseerd te zijn op een politieke logica, namelijk dat de minister de begroting van 1998 in een goed daglicht wil stellen terwijl de begroting van 1999 hem niet zo belangrijk lijkt.

Wat artikel 3 van het ontwerp betreft, spreker begrijpt niet dat de Nationale Bank van België, die in alle persberichten (zie de tabel in The Economist van 28 november 1998 ­ in bijlage), voorkomt als de bank die van alle centrale banken ­ die van de meest exotische landen incluis ­ in verhouding tot het bevolkingscijfer over het hoogste aantal personeelsleden beschikt, nu afziet van een van haar opdrachten. Spreker veronderstelt dat dat gepaard zal gaan met het ontslag van alle personeelsleden die zich met de gouden verzamelaars- en herdenkingsmunten bezighielden.

Op basis van een tijdelijke omstandigheid, namelijk een grote goudvoorraad, ziet de NBB af van een permanente bepaling die haar, in tegenstelling tot wat men beweert, de mogelijkheid bood het goud op te waarderen door het te verkopen in de vorm van verzamelaars- of herdenkingsmunten. Het uitgeven van verzamelaarsmunten is nu moeilijker dan vroeger, omdat voor de uitgifte van goudstukken met betaalwaarde een akkoord op Europees niveau nodig is. Maar dat betekent niet dat de NBB dat recht dan maar meteen moet opgeven.

Dat geldt des te meer voor de herdenkingsmunten, omdat de NBB daar niet gehouden is door enige monetaire bepaling. Die munten hebben geen waarde als betaalmiddel; het zijn geen muntstukken. Het gebruikte edel metaal heeft een veel lagere waarde dan de prijs waartegen die munten verkocht worden.

Het zijn zuiver commerciële operaties en de NBB heeft er alle belang bij haar goud ook daarvoor te gebruiken.

Een laatste opmerking betreft de operaties die in het verleden hebben plaatsgehad om goud te verkopen.

Spreker heeft de goudverkopen op een ogenblik waarop nog niet iedereen overging tot het massaal verkopen van het goud van de centrale banken die deel uitmaken van de eurozone, erg gewaardeerd. De NBB heeft die ontwikkelingen goed ingeschat en goud verkocht op het goede ogenblik.

Wij gaan naar een situatie waarin alle centrale banken die deel uitmaken van de eurozone, geneigd zullen zijn een niet te verwaarlozen deel van hun goud bestemd voor de dekking van hun biljetten een aantal maanden te waarborgen, te verkopen. Waar zijn wij aan toe ? Wat zal men aanvangen met het overblijvende goud dat niet zal worden gebruikt voor het uitgeven van verzamelaars- en herdenkingsmunten ? Was dit de laatste goudverkoop voor de NBB of zal men, bij de bekendmaking van de definitieve cijfers die zijn gevraagd aan elke centrale bank die lid is van het systeem van Europese centrale banken, opnieuw moeten vaststellen dat de NBB te veel goud heeft en dat zij dat goud zal moeten verkopen ? Of denkt de minister dat dit het einde van de cyclus is en dat dergelijke goudverkopen zich niet meer zullen herhalen ?

Het lid wil weten wat de minister van Financiën hierover denkt. Hij weet natuurlijk niet wat zijn opvolger in andere omstandigheden zal doen.

De minister legt uit dat het probleem van de goudvoorraden niet alleen een monetair probleem of een probleem dat verband houdt met het beheer van banktegoeden is, maar ook een cultureel probleem.

Van de elf landen zijn er drie (Frankrijk, Duitsland en Italië), die veel grotere goudreserves hebben dan het gemiddelde. Het is duidelijk dat er in de eerstkomende jaren geen wijziging zal optreden in het gedeelte goud dat elk land zal aanhouden. De kans op een wijziging is des te kleiner daar een aantal landen vrij conservatief redeneren. Zodra die eerste fase voorbij zal zijn, zullen de goudreserves van de verschillende nationale banken teruggebracht moeten worden tot een vergelijkbaar niveau. Daardoor zullen wij gedurende een bepaalde tijd niet de mogelijkheid hebben om nog goud te verkopen.

Wij zullen gedurende een aantal jaren tot nietsdoen gedwongen worden, tenzij er zich een bruuske beleidswijziging met betrekking tot de goudreserves, zou voordoen.

Een lid is van mening dat de Europese Centrale Bank zal optreden om machtigingen te verlenen.

Om opportuniteitsredenen was het goed goud te verkopen voordat de anderen eraan dachten dat te doen, want zo hebben wij kunnen profiteren van een beter prijsniveau dan ingeval de drie grote landen hadden beslist hun goud te verkopen.

Een ander lid verklaart dat hij akkoord kan gaan met de uitleg van de minister, maar in artikel 15 was deze constructie reeds voorzien. De NBB wist dat de Europese Centrale Bank haar goedkeuring zou moeten verlenen aan de operatie. De minister heeft weliswaar nog altijd geen gegronde redenen gegeven waarom artikel 15 wordt opgeheven.

Ter afsluiting van de algemene bespreking verklaart een lid dat de oppositie evenzeer als de meerderheid begrijpt dat men een wijziging wil zodat de bedragen die voortkomen uit een verkoop in het verleden, snel beschikbaar worden. Niemand in de oppositie begrijpt echter waarom de NBB vrijwillig afziet van een bevoegdheid. Het toekomstige directiecomité of de toekomstige regentenraad zouden graag hiervan gebruik kunnen maken. Terwijl de NBB over het algemeen geneigd is haar taken uit te breiden, is het onbegrijpelijk dat ze nu vrijwillig afziet van een dergelijke mogelijkheid.

De afschaffing van deze mogelijkheid rechtvaardigt de evocatie en de behandeling door de commissie.

4. BESPREKING VAN DE AMENDEMENTEN

Artikel 2

De heer Coene dient het amendement nr. 1 in dat luidt als volgt :

« De aanhef van dit artikel vervangen als volgt :

In afwijking van artikel 30 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, wordt het bedrag van de op 1 april 1998 bestaande meerwaarde die is gerealiseerd naar aanleiding van arbitragetransacties van activa in goud... »

De auteur verklaart dat dit amendement een gevolg is van de amendementen nrs. 2 en 3 die voorstellen de artikelen 3 en 4 van het wetsontwerp te schrappen. Door de schrapping van deze artikelen, zal het wetsontwerp niet meer voor het einde van dit jaar in Kamer en Senaat gestemd zijn en moet de nieuwe wettelijke basis in artikel 2 ingeschreven worden, namelijk artikel 30 van de wet van 22 februari 1998.

De minister vraagt dit amendement te verwerpen en verwijst hierbij naar zijn antwoorden in de algemene bespreking.

Het amendement wordt verworpen met 8 stemmen tegen 2.

Artikel 3

De heer Coene dient het amendement nr. 2 in dat luidt als volgt :

« Dit artikel doen vervallen. »

Verantwoording

Er is geen reden om aan te nemen dat de Nationale Bank van België niet zou overgaan tot de uitgifte van munten in de toekomst. Die mogelijkheid moet blijven bestaan.

De minister vraagt het behoud van de tekst.

Het amendement wordt verworpen met 8 stemmen tegen 2.

Artikel 4

De heer Coene dient het amendement nr. 3 in dat luidt als volgt :

« Dit artikel doen vervallen. »

Verantwoording

Dit amendement is het logisch gevolg van het amendement nr. 2.

De minister vraagt het behoud van de tekst.

Het amendement wordt verworpen met 8 stemmen tegen 2.

STEMMINGEN

Het wetsontwerp wordt in zijn geheel aangenomen met 9 stemmen tegen 2.

Dit verslag wordt eenparig goedgekeurd door de 8 aanwezige leden.

De rapporteur, De voorzitter,
Guy MOENS. Paul HATRY.

TEKST AANGENOMEN DOOR DE COMMISSIE


Zie Gedr. St. nr. 1-1162/4


BIJLAGE


Bron : The Economist ­ 28 november 1998.