1-786/1 | 1-786/1 |
20 NOVEMBER 1997
Bij de jongste begrotingsronde besliste de regering om de globale budgettaire doelstelling 1998 voor de ZIV-uitgaven vast te leggen op 453 miljard frank. Daarnaast werd een enveloppe van 1 miljard frank ter beschikking gesteld om de toestand van chronische zieken te verbeteren. Deze maatregelen voor chronisch zieken zouden in overleg met de betrokken instanties worden uitgewerkt. In dit kader kwam het Intermutualistisch College overeen om in een budget van 60 miljoen frank op jaarbasis te voorzien voor een aantal selectieve verminderingen van BTW-tarieven, die rechtstreeks de uitgaven drukken die door chronisch zieken zelf gedragen moeten worden. Onderhavig wetsvoorstel geeft de gedetailleerde invulling aan van dit beperkt pakket BTW-verlagingen en geeft aldus een wettelijke basis aan de uitgewerkte voorstellen.
Dat deze BTW-maatregelen verantwoord zijn om de toenemende, bijna ondraaglijke druk van de kosten voor chronisch zieken te reduceren en een weloverwogen aanvulling betekenen op een aantal bestaande en nieuwe regelingen uit de ZIV-sector, moge blijken uit wat volgt.
Het sinds enkele jaren bestaande systeem van de sociale en fiscale franchise, resulteert in een gerichte beperking van de ziektekosten op jaarbasis, in verhouding tot het sociaal statuut en/of het inkomen van de betrokken gerechtigde (met uitzondering van het remgeld voor medicatie, aangezien dit remgeld nog niet binnen de franchise is opgenomen). Het systeem van de sociale en fiscale franchise resulteert echter niet in een specifieke of bijzondere bescherming voor de personen die op een langdurige wijze met hogere ziektekosten worden geconfronteerd en komt evenmin tussen voor die chronisch zieken die, tengevolge van één of meer aandoeningen, afhankelijk zijn van de hulp van anderen of van hulp- en verzorgingsmateriaal. Een gelijkaardige bedenking kan geformuleerd worden bij de uitbreiding van het WIGW-statuut tot een aantal nieuwe kwetsbare groepen.
Om de zeer hoge kosten voor chronisch zieken, te wijten aan hun aandoening en hun niveau van afhankelijkheid, te helpen dragen, is het aanvullend BTW-pakket ontworpen, op basis van uit de realiteit vastgestelde afhankelijkheids- en verzorgingskosten. Zo blijkt uit een enquête, uitgevoerd door een bepaalde landsbond van ziekenfondsen bij 1 400 chronisch zieken, dat in 1996 gemiddeld een factuur van 183 000 frank per jaar door de 25 % chronisch zieken met de hoogste kosten werd opgehoest. Dit illustreert de meer algemene vaststelling dat ongeveer 55 % van de prestaties in de gezondheidszorg bij 5 % van de bevolking terechtkomt. Uit eerder geciteerde enquête blijkt ook dat de totale kost, gedragen door de chronisch zieke zelf, naargelang de patiëntengroep waartoe hij behoort, varieert van gemiddeld 66 500 frank (Parkinsonpatiënten) tot 92 750 frank (patiënten met E-statuut kinesitherapie). Als dit in zijn meer globale context wordt geplaatst, waarbij tevens is vastgesteld dat 40 % van de chronisch zieken slechts over een gezinsinkomen beschikt kleiner dan 40 000 frank per maand en dat 62 % een inkomen heeft lager dan 50 000 frank, dan is het beeld van de chronisch zieke nog schrijnender. 40 % van de chronisch zieken heeft dus twee volledige maandinkomens nodig om de jaarlijkse kost voor hun zorg c.q. hun afhankelijkheid te betalen. Het kan dan ook weinig verbazing wekken dat één vijfde van het onderzochte staal verklaarde zelfs op de courante gezondheidszorgen te moeten besparen.
Vermeldenswaardig is ook dat uit bedoelde enquête blijkt dat meer dan een kwart van de chronisch zieken meedeelde dat hun echtgenoot/echtgenote defintief stopte met werken, wat zeer duidelijk de financiële repercussies van chronische aandoeningen aanduidt.
Uit de studie kan tevens worden afgeleid dat het in stand houden of verbeteren van de zelfredzaamheid en de mobiliteit van personen hun invloed hebben op de kosten die chronisch zieken te dragen hebben. Zo gaat een niet-onaanzienlijk bedrag van de afhankelijkheidskosten naar hulpverlening aan huis; dit is zelfs de belangrijkste afhankelijkheidskost. Vastgesteld wordt dat er een sterke samenhang kan worden gelegd tussen het gebruik van diensten aan huis en de graad van afhankelijkheid van de chronisch zieke. Derhalve is ondermeer het bewaren van de mobiliteit geen overbodige luxe. De gebruikers van diensten betalen gemiddeld als persoonlijke bijdrage voor gezins- en bejaardenhulp ongeveer 60 000 frank per jaar en voor poetsdienst 40 000 frank per jaar.
Voorts is de kost van verzorgingsmateriaal niet te onderschatten. Zo betalen de gebruikers van verzorgingsmateriaal jaarlijks gemiddeld 18 600 frank voor incontinentiemateriaal, 6 550 frank voor onderleggers, 8 370 frank voor verbanden, ontsmettingsmateriaal en/of kompressen, bandagemateriaal, zuurstof in flessen en injectienaalden, 44 500 frank voor sondevoeding.
Ook wordt een niet onaardig bedrag besteed aan hulpmiddelen en ander medisch materieel. Het betreft krukken, toilet- en wc-stoelen, toiletverhogers, douchestoelen, ... De gemiddelde jaarlijkse kost voor hulpmiddelen en medisch materieel varieert naargelang de patiëntengroep van 2 350 frank tot 8 620 frank.
Een vaak terugkerend probleem, gekend zowel in de intramurale zorg als bij thuiszorg, is het probleem van doorligwonden. Vandaar dat in het BTW-pakket ook aandacht is besteed aan antidecubitusmateriaal.
Het zij ook duidelijk dat dit wetsvoorstel, bevattende een pakket BTW-verlagingen, slechts één aspect is van een reeks maatregelen voor chronisch zieken door het Intermutualistisch College uitgewerkt. Naast het BTW-pakket is eveneens voorzien in :
een globale gezondheidskostenvergoeding voor chronisch zieken;
forfaitaire tussenkomsten voor arbeidsongeschikte en invalide gezinshoofden met nood aan « hulp van derden » en voor langdurig incontinente personen;
een betere terugbetaling van elektronische driewielers en rolstoelen;
een hogere loopbaanonderbrekingsvergoeding voor personen die loopbaanonderbreking nemen om een ziek gezins- of familielid thuis te kunnen verzorgen.
Zoals uit de opsomming af te leiden valt, bevatten de voorstellen inzake de chronisch zieken zowel elementen op het domein van sociale zekerheid, als op de domeinen van volksgezondheid, fiscaliteit, arbeid en tewerkstelling. De « traditioneel geworden defensieve houding » van departementen, geconfronteerd met voorstellen op hun werkdomein maar met een multi-aspectuele doelstelling, waarbij zij aangeven dat niet dit beleidsdomein de meest aangewezen weg is om de beoogde doelstelling te bereiken, zal door de indiener van dit wetsvoorstel zonder verpinken worden afgewezen. Als wij immers de levensomstandigheden en de financiële draagkracht van chronisch zieken willen verbeteren, dan zullen ontegensprekelijk op diverse beleidsvlakken inspanningen moeten worden geleverd, ook in de fiscaliteit.
Artikel 2
Rubriek XXIII, 4, van tabel A bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970, wordt meer geëxpliciteerd en uitgebreid voor allerhande incontinentiemateriaal.
Artikel 3
Rubriek XXIII van tabel A wordt uitgebreid voor hulpmiddelen en ander medisch materiaal, zoals in de toelichting supra besproken.
Artikel 4
Ook de verhuur van goederen waarop het verlaagd BTW-tarief van 6 % toepasselijk is wordt uitgebreid voor een aantal hulpmiddelen die ook reeds in geval van aankoop in rubriek XXIII zijn vermeld.
Artikel 5
In rubriek XXXIV van tabel A wordt de medische voetverzorging toegevoegd; voorwaarden en toezichtsmogelijkheden worden hierbij aangegeven. De toepasbaarheid van het verlaagd BTW-tarief van 6 % op medische voetverzorging sluit aan bij wat supra in de toelichting werd uiteengezet aangaande de afhankelijkheidskosten naar hulpverlening aan huis en de relatie tussen het gebruik van diensten aan huis en de graad van afhankelijkheid van de zieke.
Hierbij is het wellicht noodzakelijk de aandacht te vestigen op het feit dat alleen « medische » voetverzorging onderworpen wordt aan het verlaagd BTW-tarief, waarbij de medische voetverzorging wordt beperkt tot de verzorging van nagel- en huidaandoeningen aan de voet. Om hierin duidelijkheid te brengen worden de termen « nagelaandoening » en « huidaandoening », zoals bedoeld bij de medische voetverzorging, expliciet toegelicht.
Wordt als nagelaandoening bestempeld :
De ingroeiende nagel;
Involutie van de nagel;
Exostose onder de nagel;
Onychausis of hypertrofie van de nagelplaat;
Onychrogryphosis of hypertrofische nagelplaat met klauwvorming;
Pachyonychie of aangeboren nagelverdikking;
Nagelatrofie;
Leuconychia of witte vlekken of strepen onder de nagelplaat;
Koilonychia;
Onychomycosis of schimmelnagel;
Paronychia of ontsteking van de nagelwallen;
Onychia of nagelbedontsteking;
Onychorrexis of broze gegroefde nagel in de lengterichting;
Onychomadesis of spontane loslating van de nagelplaat;
Onycholisis of loslating van de nagelplaat;
Hippocratische nagels of knotsnagels;
Weke-droge nagels;
Splinter onder de nagel;
Likdoorn;
Kleurveranderingen en hun betekenis.
Wordt als huidaandoening bestempeld :
1. Huidaandoeningen die het gevolg zijn van mechanische belasting :
Hyperkeratose of eeltvorming;
De eeltpit;
De eeltzweer;
De likdoorn;
De papilloom;
Hygroma of slijmbeursontsteking.
2. Huidaandoeningen die het gevolg zijn van infecties :
De voetwrat of verruca pedis;
De voetschimmel of atleetvoet;
Ringworm of tinea pedis.
3. Huidaandoeningen die het gevolg zijn van een afwijking in het functioneren van de zweetklieren :
Hyperhydrosis of overvloedige zweetafscheiding;
Bromhydrosis;
Anhydrosis of te weinig zweetafscheiding.
4. Deficiëntietoestanden die het gevolg zijn van storingen van de bloedsomloop, het zenuwstelsel of de stofwisseling :
Wintervoeten of periones;
Koude voeten.
5. Dermatologische afwijkingen.
Worden evenwel niet als medische voetverzorging aanzien, de gewone nagelverzorging, zijnde : het ontsmetten en ontgeuren van de voet, het verwijderen van nagellak, voetonderzoek, het knippen van nagels, het vijlen van nagels, het verweken van nagels, het zuiver maken van nagels, het knippen van velletjes, het verwijderen van nagelhoeken, het wegraspen van eeltranden en het inmasseren met voetbalsem.
| Jacques D'HOOGHE. |
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Art. 2
In de bijlage van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, wordt tabel A, rubriek XXIII, « Diversen », punt 4, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 24 juni 1993, vervangen als volgt :
« 4. Wegwerpluiers, -inlegluiers, -broekluiers, cellulosewatten, poeders en zalven, onderleggers, bedzeilen, hoezen, steeklakens, urinezakjes en urinezakhouders voor personen vanaf de leeftijd van drie jaar die lijden aan incontinentie. »
Art. 3
In de bijlage van hetzelfde koninklijk besluit wordt tabel A, rubriek XXIII, aangevuld met de punten 5 tot 9, luidende als volgt :
« 5. Aangepaste bedden, til- en verplaatsingssystemen en lifters, bedliften, douchestoelen, doucheramen, douchebrancards, toilet- en wc-stoelen, toiletverhogers en toebehoren bij deze apparaten voor zieken, invaliden, gehandicapten en bejaarden;
6. Pijnpompen;
7. Antidecubitusmateriaal voor personen die risico lopen op of lijden aan decubituswonden;
8. Hulpmiddelen voor slechtzienden en blinden;
9. Aërosolapparatuur en toebehoren. »
Art. 4
In de bijlage van hetzelfde koninklijk besluit worden in tabel A, rubriek XXXIV, 1, na de woorden « in de rubriek XXIII, » de woorden « nrs. 2, 3, 5, 6 en 9 » ingevoegd.
Art. 5
In de bijlage van hetzelfde koninklijk besluit wordt rubriek XXXIV aangevuld met een punt 5, luidend als volgt :
« 5. De medische voetverzorging, zijnde de verzorging van nagel- en huidaandoeningen aan de voet, mits voldaan is aan de hierna gestelde voorwaarden :
a) een geneesheer schrijft een medische voetverzorging van maximaal 10 behandelingen voor en attesteert op het voorschrift de noodzakelijkheid van de medische voetverzorging voor het verbeteren of het herstellen van de mobiliteit van de patiënt, hierbij tevens verwijzend naar het sociaal verslag dat de multidisciplinaire benadering staaft;
b) het sociaal verslag, opgemaakt door een maatschappelijk werker en te bewaren door de voorschrijvende geneesheer, beschrijft de multidisciplinaire aanpak ten aanzien van de patiënt en meer in het bijzonder de maatregelen die getroffen worden om de afhankelijkheidskosten voor de patiënt te reduceren;
c) het voorschrijft wordt in drievoud opgemaakt en krijgt per patiënt een volgnummer : één exemplaar wordt bewaard door de voorschrijvende geneesheer in het medisch dossier van de patiënt, één exemplaar door de behandelende pedicure en één exemplaar wordt gehecht aan de factuur, waarvoor het verlaagd tarief van 6 % wordt toegepast. De facturatie dient in haar geheel per voorschrift te gebeuren;
d) Indien de voorschrijvende geneesheer gesanctioneerd wordt, hetzij door het RIZIV, hetzij door de Orde van de Geneesheren, voor misbruiken die verband houden met deze medische voetverzorging, moet het belastingvoordeel dat door de patiënt genoten werd aan de Staat worden teruggestort. »
Art. 6
Deze wet treedt in werking op 1 januari 1998.
| Jacques D'HOOGHE. Lydia MAXIMUS. Bea CANTILLON. Francy VAN DER WILDT. |