1-270/3

1-270/3

Belgische Senaat

ZITTING 1996-1997

22 OKTOBER 1996


Wetsvoorstel tot wijziging van sommige bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot het personeel van de griffies en parketten

Wetsvoorstel betreffende de aanwerving, de bevordering en de beoordeling van griffiers, secretarissen en personeel van de rechterlijke orde


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE JUSTITIE UITGEBRACHT DOOR DE HEREN BOURGEOIS EN HOTYAT


INHOUD

  1. Inleiding
  2. Procedure
    1. Gezamenlijke behandeling
    2. Hoorzitting
    3. De gemeenschappelijke intentieverklaring van de actoren van de Justitie
    4. Aanvullende informatie
  3. Standpunt van de minister van Justitie
  4. Hoorzitting
    1. Standpunt en opmerkingen van C.E.N.E.G.E.R. en de representatieve vakorganisaties
      1. Nationale Confederatie der griffiers, parketsecretarissen en personeel van de griffies en de parketten van hoven en rechtbanken (C.E.N.E.G.E.R.)
        1. Inleiding
        2. Standpunt
          1. Wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s.
          2. Wetsvoorstel van de heren Erdman en Lallemand c.s.
      2. Christelijke Centrale der openbare diensten (C.C.O.D.)
        1. Inleiding
        2. Alternatief voorstel ter objectivering van de aanwerving en bevordering van griffiers, parketsecretarissen en andere personeelsleden van de rechterlijke macht
          1. Voorafgaande opmerkingen
          2. Voorstel
            1. Aanwerving en bevordering van personeelsleden volgens een ander stelsel dan dit van voordrachten (dubbellijsten of andere)
            2. Aanwerving of bevordering van personeelsleden volgens het stelsel van benoemingen op voordracht van kandidaturen door de gerechtelijke overheden
            3. Aanwerving, benoeming of bevordering van personeelsleden van het Hof van Cassatie
            4. Overgangsregeling
      3. Vrij Syndicaat van het openbaar ambt (V.S.O.A.)
        1. Standpunt met betrekking tot het wetsvoorstel van de heren Erdman en Lallemand c.s.
        2. Standpunt met betrekking tot het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s.
        3. Nota betreffende het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s.
          1. De benoemingsvoorwaarden voor het ambt van hoofdgriffier van het Hof van Cassatie (art. 35)
          2. Overgangsbepaling (art. 68)
    2. Gedachtewisseling
  5. Eindverslag van het overleg tussen de vertegenwoordigers van de minister van Justitie en de minister van Arbeid en Tewerkstelling, het ministerie van Justitie, C.E.N.E.G.E.R. en de drie representatieve vakorganisaties
    1. Wetsvoorstel van de heren Erdman en Lallemand c.s.
    2. Wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s.
  6. Overzicht van de huidige benoemingsprocedure voor het administratief personeel van de griffies en de parketten, de griffiers en de secretarissen ­ nota van de minister van Justitie
    1. Administratief personeel
    2. Griffiers
    3. Personeel van de parketten
  7. Algemene bespreking
    1. Algemene beschouwingen
    2. Overzicht van de knelpunten en de door de commissie geformuleerde oplossingen
  8. Artikelsgewijze bespreking
    1. Basisopties
    2. Procedure
    3. Bespreking
      Artikel 1
      Artikel 2
      Artikel 3
      Artikel 4
      Artikel 5
      Artikel 6
      Artikel 7
      Artikel 8
      Artikel 9
      Artikel 10
      Artikel 11
      Artikel 12
      Artikel 13
      Artikel 14
      Artikel 15
      Artikel 16
      Artikel 17
      Artikel 18
      Artikel 19
      Artikel 20
      Artikel 21
      Artikel 22
      Artikel 23
      Artikel 24
      Artikel 25
      Artikel 26
      Artikel 27
      Artikel 28
      Artikel 29
      Artikel 30
      Artikel 31
      Artikel 32
      Artikel 33
      Artikel 34
      Artikel 35
      Artikel 36
      Artikel 37
      Artikel 38
      Artikel 39
      Artikel 40
      Artikel 41
      Artikel 42
      Artikel 43
      Artikel 44
      Artikel 45
      Artikel 46
      Artikel 47
      Artikel 48
      Artikel 49
      Artikel 50
      Artikel 51
      Artikel 52
      Artikel 53
      Artikel 54
      Artikel 55
      Artikel 56
      Artikel 57
      Artikel 58
      Artikel 59
      Artikel 60
      Artikel 61
      Artikel 62
      Artikel 63
      Artikel 64
      Artikel 65
      Artikel 66
      Artikel 67
      Artikel 68
      Artikel 69
      Artikel 70
      Artikel 71
      Artikel 72
      Artikel 73
      Artikel 74
      Artikel 75
      Artikel 76
      Artikel 77
      Artikel 78
      Artikel 79
      Artikel 80
      Artikel 81
      Artikel 82
      Artikel 83
      Artikel 84
      Artikel 85
      Artikel 86
      Artikel 87
      Artikel 88
      Artikel 89
      Artikel 90
      Artikel 91
      Artikel 92
      Artikel 93
      Artikel 94
      Artikel 95
      Artikel 96
      Artikel 97
  9. Eindstemming
  10. Tekst aangenomen door de commissie

De commissie voor de Justitie heeft de beide wetsvoorstellen onderzocht tijdens haar vergaderingen van 19 en 26 maart, 2 april, 7 en 14 mei, 25 en 26 juni, 2 en 16 juli en 16 en 22 oktober 1996.

1. INLEIDING

Vanaf de aanvang van het onderzoek heeft de commissie er met de instemming van de indieners de voorkeur aan gegeven de twee wetsvoorstellen vanwege hun samenhang en complementariteit als een geheel te behandelen.

Ze betreffen immers allebei het statuut van de griffiers, de secretarissen en het personeel van de rechterlijke orde, maar leggen daarin wel eigen accenten.

Zo opteert het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. tot wijziging van sommige bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot het personeel van de griffies en parketten voor een bredere aanpak doordat het « naast een herwaardering van het griffie- en secretariaatspersoneel, een efficiëntere werking van de griffies en van de secretariaten van de parketten tot doel heeft » (cf. Gedr. St., Senaat, 1995-1996, nr. 1-270/1, blz. 1).

De auteurs hebben het derhalve opportuun geacht de hele problematiek in een ruimer kader te plaatsen. Dit betekent dat niet alleen aandacht werd geschonken aan het vastleggen van objectieve aanwervings-, benoemings- en bevorderingscriteria, maar ook aan de omschrijving van structuren, bevoegdheden en taken, inzonderheid die van de griffiers en de secretarissen.

In hun toelichting verwoorden zij deze keuze als volgt :

« Wij wensen door dit voorstel :

­ het ambt van griffier en dit van secretaris te herwaarderen, ieder in functie van de dienst waarvoor ze voorzien zijn;

­ in de mate van het mogelijke, in gelijke titels te voorzien voor vergelijkbare ambten van de leden van de griffies en van de secretariaten van de parketten;

­ de aanwervings-, bevorderings- en benoemingsvoorwaarden voor vergelijkbare ambten van de leden van de griffies en van het personeel van de secretariaten van de parketten, steeds in de mate van het mogelijke, gelijk te schakelen;

­ nieuwe dimensies te creëren voor de ambten van griffier en secretaris en deze aan te passen aan de nieuwe noden;

­ de stage ter griffie of bij het parket van de licentiaten in de rechten om te zetten in een effectieve dienstuitoefening;

­ het statuut van het administratief personeel van de griffies en parketten aan te passen en bepaalde anomalieën weg te werken. »

(Cf. Gedr. St., Senaat, 1995-1996, nr. 1-270/1, blz. 2) (1).

Het wetsvoorstel van de heren Erdman en Lallemand c.s. betreffende de aanwerving, de bevordering en de beoordeling van griffiers, secretarissen en personeel van de rechterlijke orde is, zoals het opschrift laat uitschijnen, toegespitst op de uitwerking van enkele fundamentele aspecten van een eigentijds personeelsstatuut, hetwelk volgens de indieners onontbeerlijk is voor een goed en efficiënt beheer van de hoven en rechtbanken en dus voor een vlotte rechtsbedeling.

De ratio legis van dit voorstel kan kernachtig worden weergegeven met één enkel begrip : objectiviteit bij de aanwerving, de benoeming en de beoordeling van de leden en het personeel van de griffies en de parketten.

Zo zou het personeel van de griffies en de parketten niet meer op grond van het huidige « maturiteitsexamen » worden aangeworven, maar via een vergelijkend examen, dat niet meer door het ministerie van Justitie zou worden georganiseerd, maar door het Vast Wervingssecretariaat.

« Gezien de ruime ervaring die het Vast Wervingssecretariaat heeft met o.m. de werving van ambtenaren en diplomatiek personeel, is deze dienst het beste geschikt om deze examens te organiseren. Uiteraard blijft daarbij de actieve medewerking en deskundige inbreng van medewerkers van het departement en het gerecht onontbeerlijk. »

(Cf. Gedr. St., Senaat, 1995-1996, nr. 1-147/1, blz. 2 en 3) (1).

2. PROCEDURE

a) Gezamenlijke behandeling

In de inleiding is reeds aangestipt dat de twee wetsvoorstellen ter gelegenheid van de artikelsgewijze bespreking tot één tekst zijn samengesmolten, die zowel door de indieners als door de Regering is geamendeerd (cf. infra).

b) Hoorzitting

Bij het begin van de bespreking werd het voorstel geopperd een hoorzitting te organiseren met de representatieve vakorganisaties van de door de twee wetsvoorstellen geviseerde beroepsgroepen.

Het betreft de volgende organisaties :

­ de Nationale Confederatie der griffiers, parketsecretarissen en personeel van de griffies en de parketten van hoven en rechtbanken (C.E.N.E.G.E.R.);

­ de Christelijke Centrale der openbare diensten (C.C.O.D.);

­ de Algemene Centrale der openbare diensten (A.C.O.D.);

­ het Vrij Syndicaat van het openbaar ambt (V.S.O.A.).

Het is nuttig te noteren dat van de voormelde organisaties, alleen C.E.N.E.G.E.R. als gesprekspartner betrokken is geweest bij de totstandkoming van de gemeenschappelijke intentieverklaring van de actoren van de Justitie.

Wat zou de draagwijdte zijn van een dergelijke hoorzitting ?

Ontslaat zij de minister achteraf van syndicale concertatie ?

Een lid is van oordeel dat tot elke prijs moet worden vermeden dat de vertegenwoordigers van de representatieve vakorganisaties ten overstaan van de commissie hun desiderata en opmerkingen kenbaar maken om achteraf met een negatief standpunt van de minister te worden geconfronteerd die om de een of andere reden, bijvoorbeeld van budgettaire aard, hieraan geen uitvoering kan geven.

Een volgende spreker is de mening toegedaan dat, zodra deze wetsvoorstellen door de Senaat tot wetsontwerp zijn verheven, de minister ertoe gehouden is hierover met de representatieve vakorganisaties overleg te plegen, zelfs wanneer dit overleg een doorslag zou zijn van de hoorzitting die door deze commissie is georganiseerd. Met andere woorden, de door het Parlement georganiseerde hoorzittingen vermogen geen afbreuk te doen aan de wettelijk voorgeschreven overlegprocedures tussen de bevoegde minister en de vakorganisaties.

Wat het wettelijk verplicht syndicaal overleg betreft, stipt de minister aan dat krachtens de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel, de bevoegde administratieve overheden slechts na onderhandeling met de representatieve vakorganisaties grondregelingen kunnen vaststellen ter zake van het administratief statuut, de bezoldigings- en pensioenregeling, de betrekkingen met de vakorganisaties en de organisatie van de sociale diensten. Dezelfde verplichting geldt eveneens ten aanzien van de bepalingen met het oog op de latere vaststelling van de personeelsformatie of inzake arbeidsduur en organisatie van het werk.

Deze onderhandelingsprocedure is evenwel enkel toepasselijk op de parketsecretarissen en het personeel van de rechterlijke orde. Zij geldt niet voor de magistraten en de griffiers van de rechterlijke orde (cf. art. 1, § 2, 2º, van de wet van 19 december 1974).

Een ander probleem betreft de verplichting voor de uitvoerende macht om onderhandelingen met de vakorganisaties aan te knopen wanneer de bovenvermelde materies het voorwerp van een wetsontwerp uitmaken.

Aangezien het thans nog niet vaststaat of de wetsvoorstellen al dan niet in gewijzigde vorm door de Senaat zullen worden aangenomen, heeft het geen zin op dit ogenblik de door de wet van 19 december 1974 voorgeschreven onderhandelingsprocedure reeds op te starten. Daartoe moet de eindstemming in de Senaat worden afgewacht. Dit wil zeggen, zodra deze wetsvoorstellen wetsontwerp zijn geworden, is de minister verplicht de goedgekeurde tekst met de representatieve vakorganisaties te bespreken, met uitzondering van hetgeen de griffiers betreft.

Wat deze laatste groep betreft, zal informeel overleg worden gepleegd.

Een lid concludeert hieruit dat het Parlement hoorzittingen kan organiseren om zich te laten voorlichten, met dien verstande dat deze werkwijze niet kan worden beschouwd als de door de wet van 19 december 1974 voorgeschreven onderhandelingsprocedure. De uitgenodigde vakorganisaties zijn derhalve niet gebonden door de standpunten die zij tijdens een parlementaire hoorzitting hebben ingenomen.

Op grond van het voorgaande beslist de commissie één of meer vertegenwoordigers van de organisaties C.E.N.E.G.E.R., A.C.O.D.-C.G.S.P., C.C.O.D.-C.C.S.P. en V.S.O.A.-S.L.F.P. uit te nodigen om hun standpunt uiteen te zetten over de twee wetsvoorstellen en de wijze waarop zowel de motivering van het personeel als de goede werking en het management van de griffies en de parketten kunnen worden bevorderd.

Het voorstel om bepaalde hoofdgriffiers individueel te horen, wordt verworpen.

c) De gemeenschappelijke intentieverklaring van de actoren van de Justitie

Een lid merkt op dat de voormelde verklaring in de oprichting van een werkgroep voorziet die de problematiek van de organisatie van de hoven en rechtbanken moet onderzoeken.

Vraag is of deze werkgroep reeds is opgestart en in hoeverre zijn werkzaamheden parallel met die van de commissie zullen verlopen.

Is dat laatste het geval, dan dreigt het gevaar van kortsluiting.

De minister verklaart (2) dat de werkgroep 3. Management, die op grond van de gemeenschappelijke intentieverklaring van de actoren van de Justitie is opgericht, reeds eenmaal is bijeengekomen om alle problemen die de organisatie en de werking van de hoven en rechtbanken betreffen, in kaart te brengen. De werkgroep zal zich niet inlaten met problemen die het statuut van de griffiers, de secretarissen en het personeel van de rechterlijke orde betreffen, zoals de aanwervingsprocedures.

Aangezien de beide materies echter raakpunten vertonen, heeft de minister de syndicale partners toegezegd een overlegprocedure te voeren die parallel met de werkzaamheden van de bovenvermelde werkgroep zal verlopen.

Zo betreft het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. een aantal aspecten inzake de werking van de hoven en rechtbanken, zoals de handtekeningsbevoegdheid van de secretarissen en de taakomschrijving van de griffiers, welke eveneens door de werkgroep 3. Management worden behandeld. Deze werkgroep zal bijgevolg op de hoogte moeten worden gebracht van de beslissingen die door de commissie voor de Justitie worden genomen. Het staat dan aan deze werkgroep te beslissen of hij de commissie al dan niet bepaalde voorstellen wil doen inzake rechtbankmanagement.

Zowel de minister als de gerechtelijke wereld hechten veel belang aan het statuut van de griffiers, de secretarissen en het personeel van de rechterlijke orde als geregeld in het Gerechtelijk Wetboek. Gelet op het beginsel van de scheiding der machten, is het van belang dat de rechterlijke macht over de nodige onafhankelijkheid beschikt voor het aantrekken van haar personeel. De goede werking van de Justitie wordt trouwens in grote mate bepaald door de inzet en het niveau van dat personeel.

d) Aanvullende informatie

Op verzoek van één van de indieners van de wetsvoorstellen heeft de minister de commissie een nota bezorgd met een beschrijving van de thans vigerende aanwervings- en bevorderingsprocedures (cf. blz. 45).

Het was de bedoeling na te gaan in welke mate de twee wetsvoorstellen de bestaande praktijk al dan niet willen legaliseren en de betrokken beroepsgroepen bepaalde rechten toekennen die ze thans ontberen.

De minister heeft de commissie tevens in kennis gesteld van de opmerkingen die het Hof van Cassatie over de twee wetsvoorstellen heeft geformuleerd (cf. bijlage).

Al deze stukken, alsook de hoorzitting werden door de commissie als een toetssteen opgevat waarmee eventuele lacunes in de twee wetsvoorstellen aan het licht konden worden gebracht.

3. STANDPUNT VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE

De minister beklemtoont dat hij werk wil maken van de revalorisatie van het statuut van de medewerkers van het gerecht, te weten de griffiers, de secretarissen en het personeel van de rechterlijke orde.

De twee onderhavige wetsvoorstellen dragen daar ontegensprekelijk toe bij. Zij zijn tevens complementair in die zin dat het wetsvoorstel van de heren Erdman en Lallemand c.s. zich toespitst op de aanwerving en de beoordeling van de personeelsleden van de griffies en de parketten, terwijl het voorstel van de heer Vandenberghe c.s. in eerste instantie de positie van de griffiers en de secretarissen betreft en een herwaardering van hun functie nastreeft via een aanpassing van hun bevoegdheden, studieniveau en titels.

De minister gaat derhalve akkoord met de principes waarop de twee wetsvoorstellen gestoeld zijn, te meer omdat het voorstel van de heren Erdman en Lallemand c.s. uitvoering geeft aan een bepaling uit het regeerakkoord.

Er is echter één belangrijk punt waaraan deze voorstellen compleet voorbijgaan, te weten de wijze waarop de griffiers en de secretarissen hun beheerstaken dienen te vervullen. Dit geldt niet alleen ten aanzien van het personeel, maar ook ten aanzien van het roerend en onroerend patrimonium.

In dat verband speelt de minister met het idee van het managementsbrevet als bewijs van een specifieke vorming op dit vlak. Een alternatief zou erin bestaan deze beheerstaken aan speciaal daartoe aangeworven personen toe te vertrouwen. Het spreekt vanzelf dat informatica-ervaring voor het systeembeheer van de griffies en de secretariaten een absolute noodzaak is.

Een en ander kan niet worden gerealiseerd dan in een geest van samenwerking met de actoren van de Justitie.

In de gemeenschappelijke intentieverklaring die de minister met deze actoren heeft ondertekend, wordt aan deze materie trouwens de nodige aandacht besteed.

Derhalve is een overleg met de betrokken actoren over de beide wetsvoorstellen noodzakelijk teneinde de commissie een duidelijk beeld te schetsen van de verwachtingen en aspiraties die op het terrein leven.

De minister geeft de voorkeur aan een coherente behandeling van de beide wetsvoorstellen die zouden moeten uitmonden in een verbetering van de werking van de griffies en de parketten en in een herwaardering van het statuut van de griffiers, de secretarissen en het personeel van de rechterlijke orde.

Wat de amendering van de voorstellen betreft, wijst spreker erop dat alleszins in een overgangsregeling moet worden voorzien. Tevens moet worden nagegaan hoe het principe van de vergelijkende examens kan worden verzoend met de geografische mobiliteit van de geslaagden. Indien men zich rigoureus aan de uitslag van dergelijke examens houdt, bestaat de kans dat men met een toevloed van mutatieaanvragen zal worden geconfronteerd.

Zo rijst er in Brussel een ernstig probleem omdat tal van personeelsleden hun overplaatsing vragen naar hoven en rechtbanken waarvan de zetel in hun nabije omgeving gevestigd is. Deze continue leegloop heeft tot gevolg dat de hoven en rechtbanken in het ressort Brussel als leerschool fungeren zonder hiervan de vruchten te plukken.

Om die reden kan worden overwogen examens per provincie te organiseren, per ressort van het hof van beroep of per taalgebied.

Bij de behandeling van de twee wetsvoorstellen dient eveneens aandacht te worden geschonken aan de wijze waarop de motivatie van het personeel gaande kan worden gehouden.

Het wetsvoorstel van de heren Erdman en Lallemand c.s. voorziet in dat verband in de indienstneming van beambten en opstellers op grond van vergelijkende examens. Voor de klerk-griffiers wordt deze procedure echter niet ingevoerd en zou de huidige praktijk blijven gelden.

Bij het uitstippelen van een modern personeelsbeleid dient er te worden op toegezien dat beambten reële loopbaankansen krijgen die hun motivering ten goede komen. Thans worden beambten na relatief korte tijd tot opsteller bevorderd, waarna hun kansen om tot klerk-griffier te worden benoemd vrij laag liggen. Deze « bottle-neck » werkt negatief in op hun motivering.

Een ander element dat de motivering kan aanzwengelen, zou erin bestaan de dienstoversten bij de procedure van de indienstneming van het personeel te betrekken. Men zou hun de bevoegdheid kunnen geven middels een interview naar de motivering en de persoonlijkheid van de kandidaten te peilen.

Volgens de minister moet het op grond van de hoorzitting en de aan de commissie overgelegde praktijknota mogelijk zijn door middel van deze twee wetsvoorstellen een globale visie op een modern personeelsbeleid te ontwikkelen, gestoeld op motivering, voldoende doorgroeimogelijkheden en een efficiënte werking van de griffies en de parketten.

4. HOORZITTING

A. Standpunt en opmerkingen van C.E.N.E.G.E.R. en de representatieve vakorganisaties (3)

1. Nationale Confederatie der griffiers, parketsecretarissen en personeel van de griffies en de parketten van hoven en rechtbanken (C.E.N.E.G.E.R.) (vertegenwoordigers : de heren J. Van Dyck, voorzitter, H. Vanmaldeghem en P. Ragé)

a) Inleiding

De nationale confederatie is een beroepsfederatie, bestaande uit een aantal deelfederaties, waarin alle geledingen van de griffies en de parketten vertegenwoordigd zijn. De representativiteit van deze confederatie blijkt uit de volgende cijfers :

­ hoofdgriffiers van de vredegerechten en de politierechtbanken : 91,4 pct.;

­ hoofdgriffiers van de hoven en van de andere rechtbanken dan de vredegerechten en de politierechtbanken : 94 pct.;

­ parketsecretarissen : 67 pct.

b) Standpunt

1. Wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s.

Op enkele detailpunten na, onderschrijft C.E.N.E.G.E.R. volledig de filosofie van dit wetsvoorstel, dat tegemoetkomt aan de wensen en de verzuchtingen van het griffie- en secretariaatspersoneel.

De enige punten van kritiek zijn eerder van terminologische aard. Zo dient het woord « griffie » op bepaalde plaatsen te worden vervangen door het woord « griffier » (bijvoorbeeld in art. 2). Tevens geeft C.E.N.E.G.E.R. de voorkeur aan de benaming persoonlijke secretaris in plaats van kabinetssecretaris.

Wat de tekst van het wetsvoorstel betreft, legt C.E.N.E.G.E.R. de volgende nota voor met voorstellen tot wijziging of verfijning van bepaalde artikelen.

Toelichting

C.E.N.E.G.E.R. vraagt in alle artikelen van het Gerechtelijk Wetboek die betrekking hebben op de benoemingsvoorwaarden, de volgende bijkomende voorwaarden in te voeren :

1. vanaf de graad van klerk-griffier en klerk-secretaris (nieuwe benaming adjunct-griffier en adjunct-secretaris) :

­ in het bezit zijn van een graduaatsgetuigschrift in de rechtspraktijk (= 3 jaar studie);

2. voor de graden van hoofdgriffier en hoofdsecretaris :

­ in het bezit zijn van een managementsbrevet.

Motieven :

Een minimale juridische vorming is vereist om het ambt van griffier/secretaris naar behoren te kunnen vervullen.

De theoretische vorming verbonden aan de voorbereiding op het examen voor het brevet van kandidaat-griffier/-secretaris is te beperkt in tijd (1 dag per week gedurende 6 maanden) en materie.

Het bijwonen van de lessen houdt geen verplichting in tot deelname aan het examen.

De organisatie van de lessen gedurende de werktijden is enerzijds desorganiserend voor de dienstverzekering (wanneer verschillende personeelsleden deelnemen) en anderzijds een rem om personeelsleden te laten deelnemen.

De tussenkomsten van de griffier in de procedure zijn veelvuldig, nemen nog gestaag toe en vereisen een grondige kennis van het recht, de rechtsleer, de procedure, de rechtsbronnen, enz.

Een nieuwe dimensie kan worden verleend aan het ambt van griffier/secretaris door hem/haar de opdracht toe te wijzen van bijstand aan de magistraat bij de voorbereiding van diens taken en het in staat stellen van de dossiers.

Die optie kadert in het bestek van maatregelen ter bestrijding van de gerechtelijke achterstand en de vermindering van materiële taken ingevolge de informatisering.

De magistratuur dringt aan op gekwalificeerde medewerkers (cf. het Memorandum van de N.C.M. d.d. 29 mei 1995 : « De hulp die gekwalificeerde medewerkers kunnen bieden aan de magistraten, moet worden opgevat in functie van de aard van het werk dat van die medewerkers zou worden verwacht ...

In de hoven van beroep moet ook een kader komen van gerechtelijke assistenten, terwijl voor de rechtbanken van eerste aanleg en de parketten een aantal stafmedewerkers vereist is. »).

In de meeste Europese Lid-Staten behoort nu reeds het bezit van het diploma van licentiaat in de rechten of een specifieke hogere vorming (school voor gerechtsgriffiers) tot de benoemingsvoorwaarden om toegang te krijgen tot het ambt.

In 1995 werd een « ontwerpstatuut voor de Europese griffier » goedgekeurd door de organisaties (19 landen) die deel uitmaken van de Europese Unie van Gerechtsgriffiers (C.E.N.E.G.E.R. voor België). Dat profiel, opgenomen in een aanbeveling van de Raad van Europa, voorziet in minimum 3 jaar hogere studies na het hoger middelbaar onderwijs.

C.E.N.E.G.E.R. roept tevens de bovenstaande argumenten in om de benoemingsvoorwaarden voor de hoofdgriffier van het Hof van Cassatie niet naar beneden toe te nivelleren en derhalve de vereiste van het diploma van licentiaat in de rechten te behouden.

De complexiteit van het dagelijks beleid en het beheer van de griffie en het parket bij een rechtbank vereisen een specifieke vorming en kennis. Ook in het bestek van een grotere responsabilisering van het ambt lijkt de vereiste van een managementsbrevet voor de leidinggevende functies verantwoord.

Het zal de minister van Justitie toekomen de vorming tot verwerving van het managementsbrevet te organiseren.

2. Wetsvoorstel van de heren Erdman en Lallemand c.s.

Het Gerechtelijk Wetboek omschrijft nauwkeurig de benoemingsvoorwaarden voor de griffiers, de secretarissen en het personeel van de rechterlijke orde. Er is evenwel geen enkele bepaling die de aanwerving, de bevordering en de beoordeling behelst.

Inmiddels is er wel een traditie gegroeid waarbij de minister van Justitie, met het oog op een benoeming of een bevordering, het advies van de korpsoversten inwint.

De Raad van State heeft in dit verband gesteld dat « volkomen gerechtvaardigd is het gebruik dat erop gericht is de objectieve vergelijking van titels en verdiensten van kandidaten op ernstige gronden te doen berusten ».

De wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen houdt voor de minister de verplichting in de benoemingen en bevorderingen afdoende te motiveren. Zijn beslissingen dienen derhalve op juiste, pertinente en in rechte aanvaardbare motieven gegrond te zijn.

Volgens C.E.N.E.G.E.R. kan dit doel slechts worden bereikt indien de minister ertoe gehouden is het advies in te winnen van de korpsoversten van de onderscheiden kandidaten. In die adviezen worden de kwaliteiten van de kandidaten aan welbepaalde criteria getoetst.

Gelet op het voorgaande verheugt C.E.N.E.G.E.R. zich over het onderhavige wetsvoorstel, te meer omdat er rekening is gehouden met de opmerkingen die zij eerder heeft geformuleerd over het wetsvoorstel van senator Erdman betreffende bepaalde benoemingen in de rechterlijke orde (Gedr. St., Senaat, 1992-1993, nr. 715-1).

Niettegenstaande deze positieve kritiek, veroorlooft C.E.N.E.G.E.R. zich toch op bepaalde punten wijzigingen voor te stellen.

a) Art. 2

Bijvoegen : « De minister kan slechts een geslaagde aanwerven. »

b) Art. 3

De voorgestelde zin vervangen als volgt : « geslaagd zijn voor een vergelijkend examen, speciaal gericht op de aanwerving van opstellers bij de griffies en de parketten, ingericht door het Vast Wervingssecretariaat, bestaande uit een mondeling en een schriftelijk gedeelte en waarvan de geslaagden in nuttige orde worden gerangschikt. »

c) Art. 4

De voorgestelde zin vervangen als volgt : « geslaagd zijn voor een vergelijkend examen, speciaal gericht op de aanwerving van beambten bij de griffies en de parketten, ingericht door het Vast Wervingssecretariaat, bestaande uit een mondeling en een schriftelijk gedeelte en waarvan de geslaagden in nuttige orde worden gerangschikt. »

d) Art. 5

Volledig doen vervallen.

e) Art. 6

1. Art. 287bis

­ § 1 volledig doen vervallen.

­ § 2 vervangen als volgt : « Voor de benoemingen als bedoeld in de artikelen 260 en 273 tot 280 wint de minister van Justitie het advies in over de kandidaten bij de dienstoverste en de magistraat-korpsoverste van de rechtsmacht waar de kandidaten waren tewerkgesteld. In geval van afwezigheid of onbeschikbaarheid van de hoofdgriffier of -secretaris wordt het advies uitgebracht hetzij door de aangewezen waarnemende hoofdgriffier of -secretaris van het parket, hetzij door de procureur des Konings of de procureur-generaal, daarin zo mogelijk bijgestaan door de ontslagnemende hoofdgriffier of -secretaris of het diensthoofd van het betrokken personeelslid. De hoofdgriffier of -secretaris is verplicht de adviezen in te winnen bij de dienstoverste en de magistraat-korpsoverste van de rechtsmacht waar de kandidaten waren tewerkgesteld. »

Het tweede lid van § 2 weglaten.

­ § 3 ­ Volgende woorden weglaten : « antwoordt op de profielomschrijving en ».

­ De woorden « drie laatste » vervangen door de woorden « laatste drie ».

­ § 4 ­ Eerste lid :

De woorden « één maand » vervangen door de woorden « vijftien dagen ».

­ Tweede lid :

Dit lid vervangen als volgt : « De eerste voorzitter of de procureur-generaal brengt het advies bij aangetekende brief met ontvangstbericht ter kennis van de betrokken kandidaat binnen tien dagen vanaf de ontvangst van voormeld advies. »

­ Derde lid :

De aanvang van dit lid wijzigen als volgt : « De betrokken kandidaat beschikt over een termijn van tien dagen vanaf de ontvangst van voormelde kennisgeving om zijn... »

­ Vierde lid :

Dit lid wijzigen als volgt : « ... verhaal instellen uiterlijk tien dagen na de ontvangst van voormelde kennisgeving bij wijze van... »

­ § 5 : De verwijzing naar § 1 doen vervallen.

2. Art. 287ter

­ § 1, eerste lid : de woorden « vermeld in de artikelen 260 en 270 tot en met 285 » vervangen door de woorden « ... vermeld in de artikelen 260, 270, 271 en 273 tot 283 ».

­ § 1, vierde lid : dit lid vervangen als volgt : « De beoordelingsstaat over de hoofdgriffier of secretaris van het parket wordt opgemaakt door de voorzitter/eerste voorzitter of procureur des Konings/procureur-generaal. De beoordelingsstaat van de hoofdgriffier wordt geviseerd door de procureur des Konings/procureur-generaal van de rechtsmacht waar hij zijn ambt vervult. »

­ § 2, eerste lid : dit lid aanvullen met de volgende zin : « De beoordelingsstaat over de hoofdgriffier of secretaris wordt hem ter kennis gebracht door de voorzitter/eerste voorzitter of procureur des Konings/procureur-generaal. »

­ § 3, eerste lid : de woorden « september » en « oktober » respectievelijk vervangen door de woorden « november » en « december ».

Het derde lid wordt vervangen als volgt : « Drie opeenvolgende beoordelingsstaten met eindquotering « slecht » geven van rechtswege aanleiding tot het instellen van de tuchtprocedure tot afzetting. »

3. Art. 287quater

­ § 1, tweede lid :

Dit lid vervangen als volgt : « De raad van beroep is samengesteld uit :

« 1º een magistraat van het Hof van Cassatie, aangewezen door de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie;

2º een magistraat van de zetel, aangewezen door de eerste voorzitter van het hof van beroep;

3º een magistraat van het parket, aangewezen door de procureur-generaal;

4º een hoofdgriffier, aangewezen door de eerste voorzitter van het hof van beroep;

5º een secretaris van het parket, aangewezen door de procureur-generaal; »

­ In § 2, eerste lid, het woord « onverwijld » vervangen door de woorden « binnen vijftien dagen ».

Het tweede lid aanpassen als volgt : « Binnen dertig dagen vanaf de ontvangst van het adviesdossier hoort de raad van beroep de betrokkene en de adviesverleners, en onderzoekt ... ».

In het derde lid het woord « veertig » vervangen door het woord « zestig ».

­ In § 3, het tweede lid aanpassen als volgt : « Binnen dertig dagen vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift tegen een beoordelingsstaat hoort de raad van beroep de betrokkene persoonlijk en ook de opstellers ... ».

In het derde lid het woord « veertig » vervangen door het woord « zestig ».

f) Art. 8

Het woord « maturiteitsexamen » vervangen door het woord « examen ».

g) Art. 9

Het woord « maturiteitsexamen » vervangen door het woord « examen ».

h) Art. 10

Dit artikel doen vervallen.

2. Christelijke Centrale der openbare diensten (C.C.O.D.-C.C.S.P.) (vertegenwoordigers : de heren W. Verhaegen, J. Hennus en Gh. Van Aken)

a) Inleiding

Namens de C.C.O.D. wordt erop aangedrongen dat de heer Vandenberghe amendementen op zijn

wetsvoorstel zou indienen om het in overeenstemming te brengen met het wetsvoorstel dat de heer Vandeurzen c.s. in de Kamer heeft ingediend (Gedr. St., Kamer, 1995-1996, nr. 491-1). Beide voorstellen zijn immers geïnspireerd op het wetsvoorstel dat senator Arts op 7 januari 1993 heeft ingediend (Gedr. St., Senaat, 1992-1993, nr. 605-1), maar lopen op bepaalde punten uiteen omdat in het wetsvoorstel van de heer Vandeurzen c.s. reeds rekening is gehouden met de opmerkingen van de C.C.O.D. en C.E.N.E.G.E.R.

De verschilpunten zijn zowel van terminologische als van inhoudelijke aard. Zo werden er in het voorstel van senator Arts bepaalde graden vergeten. Tevens wordt geopteerd voor de term « kabinetssecretaris » in plaats van « persoonlijke secretaris ».

Wat de indienstneming en de bevordering van griffiers, parketsecretarissen en andere personeelsleden van de rechterlijke orde betreft, stelt de C.C.O.D. in afwijking van het wetsvoorstel van de heren Erdman en Lallemand c.s. de volgende procedure voor.

b) Alternatief voorstel ter objectivering van de aanwerving en bevordering van griffiers, parketsecretarissen en andere personeelsleden van de rechterlijke macht

(versie op 1 april 1996)

1. Voorafgaande opmerkingen

­ De vrije keuzemogelijkheid van de minister van Justitie (desgevallend de minister van Tewerkstelling en Arbeid) inzake zowel contractuele als statutaire aanwervingen en bevorderingen moet worden beperkt.

­ Het herinvoeren van de aanwervings- en bevorderingsregels die van toepassing waren vóór de inwerkingtreding van het Gerechtelijk Wetboek, is ook niet wenselijk. Deze hielden in dat in de praktijk de ganse procedure zonder enige controle exclusief in handen was van één persoon (ofwel de magistraat-korpsoverste, ofwel de hoofdgriffier/parketsecretaris) wiens beslissing achteraf gewoon werd bekrachtigd door de minister van Justitie.

­ Er wordt geopteerd voor het behoud van aanwervingsexamens (geen vergelijkende) georganiseerd door het ministerie van Justitie, met dien verstande dat de deelnemers worden gerangschikt in vier groepen : zeer goed, goed, voldoende of voor de niet-geslaagden : onvoldoende. Dit examen moet het testen zijn van de elementaire kennis over de structuren van de rechterlijke macht en, met een gradatie volgens het niveau van het examen, van een zekere kennis van de verschillende takken van het recht. De algemene kennis wordt verondersteld bewezen te zijn door het behalen van het schooldiploma.

Onafgezien het niveau van de verschillende examens waaraan een kandidaat kan deelnemen en los daarvan, dient deze éénmaal voldaan te hebben aan een praktijkexamen over informatica (minstens tekstverwerking) indien hij kandidaat is voor een betrekking genoemd in de artikelen 260 tot 271, 273 tot 283 en 285 van het Gerechtelijk Wetboek. Voor de bijzondere graden opgericht op basis van artikel 185 van het Gerechtelijk Wetboek dient duidelijk te worden bepaald of het gaat om een administratieve functie waarvoor dit praktijkexamen wel vereist is dan wel om een technische functie waarvoor het niet vereist is.

­ Wat het aanwervings-, benoemings- en bevorderingssyteem betreft, wordt een nieuwe procedure voorgesteld die de bedoeling heeft de verantwoordelijkheid te verdelen tussen het hoogste en het laagste beslissingsniveau met daartussen een « filter » waarbij een college van verschillende personen, indien nodig, bijsturingen kan verrichten.

­ In dit systeem hebben alle kandidaten voor alle kandidatuurstellingen, om het even op welk niveau, een mogelijkheid van beroep na kennisname van het advies (of van de voordracht of het niet-voorgedragen zijn) dat verplicht individueel moet worden meegedeeld aan de betrokkenen.

­ Naar aanleiding van deze hervorming is het wenselijk de verschillende examens te herdenken om ze beter te laten beantwoorden aan de reële noden van de diensten die de rechterlijke macht bijstaan.

­ Het voorgestelde benoemings- en bevorderingssysteem kan de procedure aanzienlijk versnellen vermits in alle gevallen er slechts maximaal drie organen bij betrokken worden en tussen hen de overzending van de stukken rechtstreeks kan gebeuren. Het advies dient enkel te worden uitgebracht door de hoofdgriffier of de secretaris van het parket waar de vacature open is. De magistraat-korpsoverste heeft enkel een rol te vervullen bij benoemingen op voordracht (van dubbeltallen) en bij het geven van adviezen met het oog op de benoeming van de hoofdgriffier of van de (hoofd)secretaris van het parket.

­ Om mogelijke manipulaties te beletten moeten er vaste (korte) termijnen worden opgelegd waarbinnen alle handelingen moeten worden verricht. Dit geldt zowel voor adviezen als voor voordrachten of voorstellen. Zelfs wanneer men meent dat er zich enkel niet-valabele kandidaten hebben aangemeld, dient men binnen de gestelde termijn een beoordeling te geven zodat de betrokkenen in beroep kunnen gaan tegen de afwijzing van hun kandidatuur.

­ In een volgende fase is het de bedoeling hetzelfde college bevoegd te maken voor het behandelen van beroepsprocedures inzake tucht. Daarom hebben magistraten van het openbaar ministerie er geen zitting in vermits zij de vorderende overheid inzake tucht zullen worden. Zij kunnen niet gelijktijdig de tuchtstraf vorderen, de sanctie opleggen en eventueel oordelen over een ingesteld beroep.

2. Voorstel

1. Aanwerving en bevordering van personeelsleden volgens een ander stelsel dan dit van voordrachten (dubbellijsten of andere).

1.1. Er wordt in elk rechtsgebied van een hof van beroep/arbeidshof een benoemingscollege opgericht. In tweetalige gebieden moet in een specifieke regeling worden voorzien in functie van de taalvereisten. Het benoemingscollege van Brussel is ook bevoegd voor het Hof van Cassatie, behalve voor de gevallen vermeld onder punt 3.

1.2. Het college wordt voorgezeten door een zetelende magistraat van een hof, die wordt bijgestaan door twee hoofdgriffiers en twee (hoofd)secretarissen die benoemd zijn binnen het rechtsgebied waarvoor het college bevoegd is en er effectief hun ambt uitoefenen.

Deze bijzitters worden volgens een beurtrol aangesteld voor de duur van één jaar te beginnen met de oudstbenoemde. De beurtrol omvat alle hoofdgriffiers (inbegrepen de griffiers-hoofden van de griffies van de vredegerechten) en alle (hoofd)secretarissen van de parketten van het rechtsgebied, met inbegrip van de Militaire Gerechten, die zetelen in het college van het rechtsgebied waar hun zetel is gevestigd.

Elk effectief lid wordt vervangen door een plaatsvervanger bij wettelijke verhindering of wanneer een dossier moet worden behandeld waarin het rechtstreeks is opgetreden. De plaatsvervangers worden aangewezen volgens dezelfde ranglijst als de effectieve leden.

1.3. Aanwervings- en benoemingsprocedure :

1.3.1. Voor elke aanwerving of bevordering in de graden genoemd in de artikelen 270 tot 272 en 281 tot 285 van het Gerechtelijk Wetboek en in de bijzondere graden opgericht overeenkomstig artikel 185 van het Gerechtelijk Wetboek, uitgezonderd de bevorderingen ten persoonlijke titel die niet openstaan voor andere kandidaten, organiseert de minister van Justitie of de instantie aan wie hij die bevoegdheid overdraagt, een toelatingsexamen waarbij de jury de kandidaten rangschikt in vier groepen volgens de quotering « zeer goed », « goed », « voldoende » of voor de niet-geslaagden « onvoldoende ».

1.3.2. Bij het meedelen van de uitslag van het examen wordt door de administratie die deze mededeling doet, aan de laureaten gevraagd of zij eventueel bereid zijn als contractueel tewerkgesteld te worden en, zo ja, in welke lokaliteit(en).

1.3.3. Voor elke contractuele aanwerving in de graden vermeld onder punt 1.3.1, deelt de minister van Justitie of, volgens het geval, de minister van Tewerkstelling aan de hoofdgriffier of de parketsecretaris van de plaats waar de betrekking te begeven is, de lijst mee van alle laureaten van het overeenstemmend examen die de wens hebben uitgedrukt in die lokaliteit tewerkgesteld te worden als contractueel.

1.3.4. De hoofdgriffier of de parketsecretaris geeft binnen één maand vanaf een dergelijk verzoek van de minister advies over alle kandidaten met een waardering gaande van « zeer goed », « goed », « voldoende » tot « onvoldoende ».

Het advies wordt, elk wat hen betreft, ter kennis gebracht van de kandidaten op de datum dat het advies is uitgebracht.

De kandidaten beschikken over een termijn van tien dagen om desgewenst in beroep te gaan bij het benoemingscollege. Zodra de adviezen werden meegedeeld aan de kandidaten, verzendt de hoofdgriffier of de parketsecretaris zijn volledig dossier rechtstreeks naar het benoemingscollege.

Zowel in geval van een beroep als in het andere geval kan het college aan de adviserende hoofdgriffier of parketsecretaris of aan anderen bijkomende schriftelijke toelichting vragen.

Het volledig dossier met eventueel bijkomende toelichtingen wordt door het benoemingscollege rechtstreeks naar de bevoegde minister gezonden.

1.3.5. De minister moet bij zijn beslissing voorrang geven aan de kandidaat die de beste quotering kreeg. Zijn er gegronde redenen om hiervan af te wijken, dan dient de minister, naast de gewone motivering van zijn beslissing, hieromtrent in de benoemingsakte een grondige motivering te geven.

1.3.6. Voor elke statutaire benoeming of bevordering in de graden waarvan sprake in punt 1.3.1 deelt de minister, binnen tien dagen na het afsluiten van de termijn van kandidatuurstelling, alle kandidaturen mee aan de hoofdgriffier of de parketsecretaris waar de plaats vacant is.

Verder wordt dezelfde procedure gevolgd als deze vermeld onder de punten 1.3.4 en 1.3.5.

1.3.7. Voor de benoemingen in de graden genoemd in de artikelen 263, § 1, 264 en 274 van het Gerechtelijk Wetboek wordt het benoemingscollege aangevuld met twee bijkomende zetelende magistraten van een hof.

Voor de benoemingen in de graden genoemd in de artikelen 266 en 276 van het Gerechtelijk Wetboek zetelen in het benoemingscollege, naast de twee hoofdgriffiers en de twee (hoofd)secretarissen, drie magistraten van de zetel van het Hof van Cassatie, waarbij één van hen het voorzitterschap van het college waarneemt.

Dezelfde procedure als die vermeld onder de punten 1.3.4. en 1.3.5. wordt gevolgd met dien verstande dat in deze gevallen de beschreven formaliteiten worden vervuld door zowel de magistraat-korpsoverste van de zetel waar de plaats vacant is, als door het openbaar ministerie van de gerechtelijke dienst die het rechtstreeks toezicht uitoefent waarvan sprake is in artikel 403 van het Gerechtelijk Wetboek.


De voorgestelde procedure berust derhalve op twee pijlers, te weten het aanwervingsexamen en de mogelijkheid voor de korpsoversten om over de kandidaten een advies te verstrekken.

Er wordt bewust afstand genomen van de door senator Erdman voorgestelde procedure van het vergelijkend maturiteitsexamen, afgenomen door het Vast Wervingssecretariaat, omdat dit ertoe leidt dat de kandidaten op grond van hun rangschikking worden aangetrokken en dit ongeacht of ze al dan niet reeds in dienst zijn.

De C.C.O.D. is van oordeel dat een dergelijke werkwijze een grote schok zal teweegbrengen in de griffies en de parketten.

Indien bijvoorbeeld in de griffie van een vredegerecht de betrekking van opsteller vacant wordt verklaard, loopt een beambte met vijftien jaar ervaring in dat vredegerecht, die tien jaar geleden voor het examen van opsteller is geslaagd, het risico dat er een buitenstaander wordt benoemd omdat deze laatste bij het vergelijkend examen afgenomen door het Vast Wervingssecretariaat, beter gerangschikt is. Aldus wordt vijftien jaar ervaring buiten beschouwing gelaten en bestaat de kans dat iemand in dienst wordt genomen die niet op de hoogte is van de griffiepraktijk. De door senator Erdman voorgestelde werkwijze zal trouwens niet erg bevorderlijk zijn voor de werksfeer in dat vredegerecht.

Om deze redenen pleit de C.C.O.D. voor een regeling waarbij korpsoversten de minder goede resultaten van een kandidaat door hun adviezen kunnen bijsturen, onverminderd de bevoegdheid van de minister van Justitie om daarvan af te wijken.


2. Aanwerving of bevordering van personeelsleden volgens het stelsel van benoemingen op voordracht van kandidaturen door de gerechtelijke overheden

Vooraf zou men het Gerechtelijk Wetboek in die zin moeten wijzigen dat enkel de benoemingen of bevorderingen waarvan sprake is in het vierde lid van artikel 182 en in de artikelen 261, 262 en 273 van het Gerechtelijk Wetboek geschieden op voordracht van zowel de magistraat-korpsoverste als de hoofdgriffier of parketsecretaris.

Om de procedures te vereenvoudigen zouden de overige bevorderingen (bijvoorbeeld het principalaat) moeten gebeuren op voordracht van uitsluitend ofwel de hoofdgriffier ofwel de secretaris van het parket.

2.1. Voor de dossiers waarbij de voordracht uitsluitend geschiedt door de hoofdgriffier of de parketsecretaris :

2.1.1. Het benoemingscollege is samengesteld zoals omschreven in punt 1.2.

2.1.2. De benoemingsprocedure verloopt zoals omschreven in punt 1.3.4. en desgevallend de volgende, met dien verstande dat in de gevallen waar het initiatief tot voorstel niet gebeurt na kandidatuurstelling maar op initiatief van de hoofdgriffier of de parketsecretaris, de procedure aanvangt vanaf het ogenblik dat het voorstel wordt opgesteld en meegedeeld aan de betrokkene. In die gevallen moet de hoofdgriffier of de parketsecretaris, zodra het betrokken personeelslid aan de voorwaarden voor bevordering voldoet, steeds een voorstel doen; ofwel om de bevordering toe te staan, ofwel om de bevordering te weigeren.

2.2. Voor de dossiers waarbij de voordrachten uitsluitend of mede door een magistraat-korpsoverste dienen te gebeuren :

2.2.1. Het benoemingscollege wordt samengesteld zoals omschreven in punt 1.3.7. naar gelang van het geval dat er ofwel dient geoordeeld te worden over betrekkingen, respectievelijk in andere diensten dan de hoven, ofwel over betrekkingen in de hoven (met uitsluiting van het Hof van Cassatie).

2.2.2. Er wordt gehandeld overeenkomstig punt 1.3.6. met dien verstande dat, wat de toepassing van de procedure van punt 1.3.4. betreft, ten opzichte van en door de magistraat-korpsoverste die gemachtigd is voordrachten te doen, er op dezelfde wijze gehandeld wordt alsof het om de hoofdgriffier of de parketsecretaris ging.

2.3. In de gevallen waar er meer dan één voordracht voor eenzelfde plaats mogelijk is, moeten de autoriteiten die gemachtigd zijn voordrachten te doen, een beoordeling geven over alle kandidaten die gepostuleerd hebben (ook over diegenen die niet bekwaam geacht worden).

Het benoemingscollege kan aan de lijst van de in gunstige orde voorgedragen kandidaten één of meer bijkomend gunstig gerangschikte kandidaten toevoegen voor zover deze tijdig beroep hebben aangetekend.

Deze handeling moet door het college grondig worden gemotiveerd.

Ten aanzien van hen die geen beroep hebben aangetekend, kan het college de beoordeling of rangschikking niet wijzigen.

Indien de minister een aldus bijkomend gunstig gerangschikte kandidaat wenst benoemd te zien, dient in het benoemingsbesluit, naast de gebruikelijke motivering, hieromtrent een bijkomende grondige motivering gegeven te worden.

3. Aanwerving, benoeming of bevordering van personeelsleden van het Hof van Cassatie

3.1. Voor alle benoemingen bij het Hof van Cassatie die gebeuren op voordracht van de magistraat-korpsoverste en al dan niet tevens op die van de hoofdgriffier of de parketsecretaris, en de benoemingen waarvan sprake is in de artikelen 268, 278 en 285 van het Gerechtelijk Wetboek wordt conform de voorgaande regels de taak van benoemingscollege waargenomen door de algemene vergadering van het Hof van Cassatie volgens de regel die in artikel 348 van het Gerechtelijk Wetboek geldt voor tuchtvervolgingen.

De aanwezigheid van het openbaar ministerie beschreven in artikel 349 van het Gerechtelijk Wetboek is evenwel niet van toepassing in deze aangelegenheden. Het openbaar ministerie kan evenwel als niet-lid gehoord worden op zijn eigen verzoek of op verzoek van de algemene vergadering. Het kan desgewenst zijn bemerkingen schriftelijk meedelen op eigen initiatief of op verzoek van de als benoemingscollege dienstdoende algemene vergadering.

3.2. Alle andere benoemingen worden volgens de regels waarvan sprake onder de punten 1 en 2.1. behandeld door het benoemingscollege van het Hof van Brussel.

4. Overgangsregeling

Als overgangsregeling worden in een bepaald dossier de laureaten van vroegere examens zonder waardequotering gelijkgesteld, wat de examenuitslag betreft, met zij die in dat dossier wel hebben deelgenomen aan een examen met waardequoteringen en er de hoogste quotering hebben behaald.

Indien er zich uitsluitend kandidaten aanmelden die laureaat zijn van vroegere examens zonder waardequoteringen, worden zij allen geacht éénzelfde gunstige waardequotering te hebben wat de examenuitslag betreft.

De laureaten van een vroeger afgelegd praktijkexamen over dactylografie worden geacht laureaat te zijn van het nieuwe praktijkexamen over informatica.

3. Vrij Syndicaat van het openbaar ambt (V.S.O.A.-S.L.F.P.) (vertegenwoordigers : mevrouw Thirion en de heren Michiels en Sluys)

a) Met betrekking tot het wetsvoorstel van de heren Erdman en Lallemand c.s. verklaart het V.S.O.A. zich zowel akkoord met het principe van de indienstneming op grond van de resultaten behaald op het vergelijkend maturiteitsexamen afgenomen door het Vast Wervingssecretariaat, als met de verplichte adviesprocedure voor de bevordering tot griffier of parketsecretaris, welke de thans geldende praktijk is.

b) Het V.S.O.A. onderschrijft eveneens het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. omdat het inzonderheid wat de kabinetssecretaris betreft, een aantal kwalitatieve verbeteringen bevat.

­ Inzake de benoemingsvoorwaarden voor de griffiers is het wetsvoorstel echter voor kritiek vatbaar.

Bij gebrek aan een Nationale School voor griffiers, dient het ambt van griffier niet alleen open te staan voor licentiaten in de rechten, maar ook voor gegradueerden in de rechtspraktijk alsook voor het administratief personeel van de rechterlijke orde dat deze laatste opleiding zou volgen.

De in de beide wetsvoorstellen vastgestelde benoemingsvoorwaarden voor griffier zijn niet van die aard dat licentiaten in de rechten tot het ambt van griffier worden aangetrokken. De uitoefening van dit ambt door juristen zou hun heel wat ervaring kunnen opleveren in een latere carrière als magistraat. In die zin zou het ambt van griffier een ideale springplank vormen naar de functie van magistraat.

Het lijdt derhalve geen twijfel dat het ambt van griffier een herwaardering zal kennen wanneer dit ambt aantrekkelijker wordt gemaakt voor licentiaten in de rechten.

De beide wetsvoorstellen geven daartoe de aanzet.

Volgens de huidige wetgeving kan een jurist onmiddellijk tot klerk-griffier worden benoemd op voorwaarde dat hij daartoe wordt voorgedragen door de hoofdgriffier en de magistraat-korpsoverste.

Krachtens het wetsvoorstel van senator Vandenberghe c.s. kan een licentiaat in de rechten op de verschillende niveaus slechts tot griffier worden benoemd indien hij ten minste één jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte, heeft uitgeoefend (cf . de artikelen 30, 32, 34 en 36). Aldus kan de hoofdgriffier de kandidaturen beter beoordelen.

Het V.S.O.A. schaart zich achter deze procedure, maar pleit ervoor de stage te behouden als toegangsweg tot het ambt van griffier. Op deze wijze zal de griffier uitgroeien tot een effectieve medewerker van de rechter.

Gelet op de constante aangroei van het aantal juristen mag het feit dat het ambt van griffier thans in meerderheid door personen wordt uitgeoefend die geen licentiaat in de rechten zijn, geen beletsel vormen om voor dit ambt in eerste instantie juristen aan te trekken.

­ Een tweede bezwaar tegen het wetsvoorstel van senator Vandenberghe c.s. is dat er te weinig rekening wordt gehouden met de carrièrekansen en de doorgroeimogelijkheden van griffiers-licentiaat in de rechten.

Zo worden de benoemingsvoorwaarden voor de hoofdgriffier van de hoven van beroep, de arbeidshoven en het Hof van Cassatie in vergelijking met de huidige aanzienlijk zwaarder. Terwijl licentiaten in de rechten voor het ambt van hoofdgriffier van een hof van beroep en een arbeidshof, op de griffie van een hof of een rechtbank ten minste één jaar stage moeten hebben doorgemaakt, en voor hetzelfde ambt bij het Hof van Cassatie, één jaar stage op de griffie van een hof, zouden zij volgens het voorstel ten minste vijf jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte, bij de griffie van respectievelijk een hof of het Hof van Cassatie moeten hebben uitgeoefend (cf. artikelen 33 en 35).

Aldus wordt voorbijgegaan aan de beroepservaring die achtereenvolgens in de griffies van de rechtbanken en de hoven is verworven.

­ Inzonderheid wat het ambt van hoofdgriffier van het Hof van Cassatie betreft, is het enigszins paradoxaal dat in vergelijking met hetzelfde ambt bij het Arbritagehof, de Raad van State en het Rekenhof, het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. het bezit van het diploma van licentiaat in de rechten niet langer verplicht stelt. Ofwel dient men licentiaat in de rechten te zijn en ten minste vijf jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij de griffie van het Hof van Cassatie te hebben uitgeoefend, ofwel dient men houder te zijn van een getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs of door de Koning gelijkwaardig verklaard onderwijs, alsmede van het getuigschrift van kandidaat-griffier en daarenboven ofwel ten minste vijf jaar het ambt van griffier bij het Hof van Cassatie te hebben uitgeoefend ofwel hoofdgriffier te zijn van een hof van beroep of een arbeidshof (art. 35).

Aldus wordt de beroepservaring als griffier bij het Hof van Cassatie of als hoofdgriffier van een hof van beroep of een arbeidshof gelijkgesteld met het bezit van het diploma van licentiaat in de rechten.

Het is de vraag of deze versoepeling te verzoenen valt met één van de doelstellingen van het wetsvoorstel, te weten de herwaardering van het ambt van griffier.

­ Wat eveneens opvalt, is dat het wetsvoorstel voor alle echelons een zekere eenvormigheid in de benoemingsvoorwaarden wil invoeren. Een dergelijk parallellisme gaat evenwel voorbij aan het verschil tussen de functies van griffier en parketsecretaris.

De bevoegdheden van deze laatste, welke nader omschreven moeten worden, zouden zich in ieder geval moeten uitstrekken tot hetgeen niet louter juridisch of betwist is, zoals het voorstellen van een minnelijke schikking, het voortzetten van eenvoudige onderzoeken en het opstellen van eenvoudige dagvaardingen, voor zover ze daartoe door de bevoegde procureur gemachtigd zijn. Een en ander veronderstelt wel dat de parketsecretarissen de nodige vorming en opleiding hebben genoten.

Bij wijze van besluit kan worden gesteld dat het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. het nadeel vertoont dat het de gevestigde praktijk bevestigt.

Er wordt verwezen naar de examens voor kandidaat-griffier of kandidaat-secretaris waarvoor doorgaans slecht 10 à 15 pct. van de kandidaten slagen.

Dit is onvoldoende om alle openstaande plaatsen op te vullen.

Indien deze procedure niet wordt gewijzigd, blijft men bij gebrek aan geslaagde kandidaten genoodzaakt de vacante betrekkingen toe te wijzen aan wat men in het griffiersjargon de gedelegeerden noemt.

De feiten wijzen uit dat de gegadigden voor een dergelijke functie in grote mate afhankelijk zijn van de goodwill van de hoofdgriffier en de minister van Justitie.

Een negatief aspect van deze handelwijze is dat deze gedelegeerde griffiers of secretarissen hun functie na verloop van tijd als verworven gaan beschouwen en niet meer deelnemen aan de examens die voor kandidaat-griffier of kandidaat-secretaris worden uitgeschreven.

Dit probleem kan niet worden ondervangen door de lat bij deze examens lager te leggen.

Een oplossing zou erin kunnen bestaan dat personen die houder zijn van het diploma van gegradueerde in de rechtspraktijk, zouden worden gelijkgesteld met de laureaten van het vergelijkend examen voor kandidaat-griffier en kandidaat-secretaris.

Het diploma van gegradueerde in de rechtspraktijk wordt verworven na drie jaar voltijdse studie en behelst een opleiding die voor bepaalde rechtstakken zoals beslagrecht en strafvordering, tenminste even grondig is als de universitaire.

Een ander punt van kritiek betreft het feit dat klerk-griffiers thans na het verstrijken van een bepaalde termijn automatisch griffier worden.

Het komt het V.S.O.A. voor dat hier een trap zou kunnen worden ingevoerd in die zin dat aan welbepaalde eisen inzake opleiding zou moeten zijn voldaan. Het aldus ingestelde niveauverschil stemt dan overeen met de gradatie tussen gegradueerden in de rechtspraktijk en licentiaten in de rechten.

­ Wat de in artikel 68 vervatte overgangsbepaling betreft en inzonderheid de regel dat inzake dienstanciënniteit uitsluitend de nieuwe voorwaarden zullen gelden, werpt het V.S.O.A. op dat heel wat kandidaten die thans aan de voorwaarden voor een bevordering voldoen, door deze bepaling in hun promotiekansen zullen worden gedwarsboomd.

Tal van griffiers die houder zijn van het diploma van licentiaat in de rechten en een carrièreplanning hebben opgesteld welke functies bij een rechtbank van eerste aanleg en een hof van beroep omvat, mogen hun ambitie om hoofdgriffier van het Hof van Cassatie te worden, opbergen.

Aangezien deze unieke betrekking slechts na een min of meer lange tijdspanne openvalt en vele griffiers hun loopbaan hierop afstemmen, dreigen de nieuwe in het wetsvoorstel vervatte benoemingsvoorwaarden inzake dienstanciënniteit hun plannen te doorkruisen.

Tot slot van deze uiteenzetting dient het V.S.O.A. een nota in waarin de bovenvermelde opmerkingen in extenso zijn weergegeven.


c) Nota betreffende het wetsvoorstel tot wijziging van sommige bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot het personeel van de griffies en parketten, ingediend door de heer Vandenberghe c.s. (Gedr. St., Senaat, 1995-1996, nr. 1-270/1).

1. De benoemingsvoorwaarden voor het ambt van hoofdgriffier van het Hof van Cassatie (art. 35)

« Met het oog op een mogelijke doorstroming tussen alle rechtsmachten wordt voorgesteld dit ambt ook open te stellen voor niet-universitairen. De toelichting stelt dat « de ervaring en de praktijkkennis op een bepaald niveau een voldoend tegengewicht vormen voor het universitair diploma » (a ).

Tevens betracht het voorstel ter zake enkel te komen tot een eenvormig systeem voor alle rechtsmachten en betracht men identieke voorwaarden voor de griffies en parketten (b ).

Ook worden met het oog op de herwaardering van het ambt de benoemingsvoorwaarden verzwaard (c ).

a) 1. De bewering met betrekking tot de ervaring gaat voorbij aan het feit dat de ingeroepen ervaring zich meestal beperkt tot enkele takken van het recht die rechtstreeks de taken van de griffier aanbelangen, terwijl de universitaire vorming een studiecurriculum bevat dat alle domeinen van het recht omvat en daarenboven tijdens de kandidaturen ook aandacht heeft voor alle menswetenschappen.

Voor geen enkele andere functie in de rechterlijke orde waar een diploma van licentiaat in de rechten vereist is, zou men zulke bewering durven handhaven. Geen mens zou er durven aan denken deze ervaring in acht te nemen als benoemingsvoorwaarde voor een ambt van substituut of rechter.

2. Dit voorstel lijkt de voortzetting te zijn van een historische terugval van de functie. In het verleden dienden zowel de hoofdgriffiers van de hoven van beroep, van het Militair Gerechtshof en van het Hof van Cassatie, als de adjunct-griffiers (vgl. thans klerken-griffiers) van dit laatste hof, doctor in de rechten te zijn (artt. 78 en 131 wet Rechterlijke inrichting van 18 juni 1869).

Bij wet van 20 december 1957 (art. 16, § 3) werd die voorwaarde afgeschaft voor de hoofdgriffier van het Militair Gerechtshof.

Het Gerechtelijk Wetboek van 1967 handhaafde oorspronkelijk (art. 266) deze vereiste voor de hoofdgriffiers van de hoven van beroep en voorzag ze tevens voor de hoofdgriffiers van de arbeidshoven.

Ondanks de houding van de minister van Justitie die meende dat de diplomavereiste noodzakelijk was (Gedr. St., Senaat, 1974-1975, nr. 411-2) werd deze voorwaarde bij wet van 7 maart 1977 afgeschaft.

3. Voor vele vergelijkbare ambten van (hoofd) griffier werden de benoemingsvoorwaarden verzwaard, onder meer door de invoering van de vereiste licentiaat in de rechten te zijn :

­ hoofdgriffier van de Raad van State (art. 9, 3º, van de wet van 17 oktober 1990);

­ griffier van het Arbitragehof (art. 41 van de wet van 6 januari 1989);

­ griffier van het Rekenhof (art. 4 van de wet van 5 augustus 1992).

Het voorstel lijkt dus paradoxaal : daar waar voor twee van deze gerechten waarvan de beslissingen voor het Hof van Cassatie kunnen worden aangevochten en waarvan sommige magistraten op tuchtrechtelijk vlak onder de jurisdictie van hetzelfde Hof vallen, de voorwaarde werd ingevoerd, stelt men nu voor ze voor het hoogste gerechtshof af te schaffen.

Zonder vooruit te willen lopen op de houding die het Hof zal aannemen, lijkt dit voorstel alleen reeds daarom afbreuk te doen aan het prestige van het Hof.

4. Het voorstel gaat ook voorbij aan de bijzondere bevoegdheden van het Hof. De rechterlijke actualiteit (vervolging ministers, tuchtrechtelijke vervolging van een hoge magistraat) bewijst dat het Hof meer dan ooit een beroep moet kunnen doen op een hoofdgriffier waarvan de juridische kennis buiten betwisting staat en die kan bogen op het moreel gezag van zijn diploma.

In de praktijk heeft het Hof trouwens niet nagelaten een beroep te doen op een griffier-jurist om de raadsheer belast met de onderzoeken lastens ministers, en de hoofdgriffier voor de terechtzittingen in de zaak « Inusop », bij te staan.

5. Thans is een ander wetsvoorstel van onder meer dezelfde auteur (Gedr. St., Senaat, 1995-1996, nr. 1-125/1) aanhangig voor de wetgevende kamers betreffende de herziening van de wedde van de hoofdgriffier van het Hof van Cassatie. Hierbij wordt naast een reeks andere argumenten ingeroepen dat hij licentiaat in de rechten moet zijn. Indien dit wetsvoorstel wordt goedgekeurd, zou dat kunnen leiden tot een tegenstrijdigheid : enerzijds houdt men voor de bepaling van de wedde rekening met de diplomavereiste, anderzijds wordt ze later afgeschaft. Het lijdt geen twijfel dat men de bepaling inzake de wedde daarna niet meer in vraag zal stellen (hetgeen bijvoorbeeld gebeurd is met de wedde van de hoofdgriffiers van de hoven van beroep bij de afschaffing van de diplomavereiste).

b) De benoemingsvoorwaarden zijn niet identiek. De hoofdgriffier van het Hof van Cassatie dient te voldoen aan de vereisten van de wet op het taalgebruik in gerechtszaken. De secretaris van het parket niet.

Tevens gaat het voorstel voorbij aan een belangrijk onderscheid : de griffiers zijn leden van de rechterlijke orde, de parketsecretarissen niet. De griffiers treden zelfstandig op voor het opstellen van vele akten in de griffie, de secretarissen werken steeds onder de verantwoordelijkheid en het gezag van een lid van het parket.

c) 1. Het valt op dat vooral voor de licentiaten in de rechten de benoemingsvoorwaarden worden verzwaard. Daar waar vroeger meestal slechts 1 jaar stage als voorwaarde werd gesteld, dient hetzij 1 jaar, hetzij 5 jaar effectieve ambtsuitoefening, in een gerecht van dezelfde rang, wat de hoofdgriffiers van de hoven betreft, bewezen te worden.

Deze vereiste negeert de ervaring die een licentiaat in de rechten heeft opgedaan, soms gedurende tientallen jaren, in lagere hoven en rechtbanken.

Door de invoering van deze voorwaarden wordt het beroep van griffier nog minder dan vroeger aantrekkelijk gemaakt voor juristen. Men kan moeilijk aannemen dat een universitair gedurende verschillende jaren genoegen zal nemen met een wedde van bediende, opsteller, of klerk-griffier.

2. Voor de niet-juristen wordt de vereiste dienstanciënniteit niet verzwaard, maar zelfs verlicht (zie bijvoorbeeld art. 263, § 1, 2º, van het Gerechtelijk Wetboek/art. 29 voorstel, art. 264, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek / art. 31 voorstel, enz.).

3. De niet-juristen die volgens het voorstel toegang zouden krijgen tot het ambt van hoofdgriffier van het Hof van Cassatie, moeten niet meer dienstanciënniteit bewijzen dan de juristen, daar waar men zich elders in het voorstel voor eerstgenoemden juist beroept op hun ervaring om de diplomavereiste af te schaffen. Betekent een universitaire vorming dan niets ? »

2. Overgangsbepaling (art. 68)

« Alhoewel in de toelichting gezinspeeld wordt op een aanpassing van het voorstel met betrekking tot de dienstanciënniteit, vindt men in de tekst van het voorstel daaromtrent niets terug.

Zoals hierboven is uiteengezet, treft de vereiste dienstanciënniteit vooral de juristen, want alle andere overgangsmaatregelen blijven gehandhaafd. Zo zou het theoretisch mogelijk zijn dat iemand die slechts beschikt over een diploma van lager middelbaar onderwijs en die zelfs nooit heeft deelgenomen aan het examen van kandidaat-griffier of -secretaris, verder kan worden benoemd.

Anderen, die thans wel in de voorwaarden voor een benoeming zijn, zullen door de geplande wet worden uitgesloten, zij het maar voor een bepaalde tijd. Indien zoals gesteld in de toelichting (blz. 15) de anciënniteitsvereiste « trouwens door elkeen trapsgewijs kan bekomen worden », dan nog moet men dat zien in het tijdsbestek van het verloop van een carrière. Indien de geambiëerde betrekking, waarvoor men thans wél in de voorwaarden is, openvalt gedurende de periode onder de geplande wetgeving tijdens welke de kandidaat nog niet over voldoende dienstjaren beschikt, zal deze zelfs kunnen worden ingenomen door iemand die thans niet aan de voorwaarden voldoet (bijvoorbeeld het ambt van hoofdgriffier van het Hof van Cassatie).

Indien het gaat om een betrekking van korpsoverste zal het opnieuw jaren duren vooraleer de plaats weer vrijkomt, en waarschijnlijk zal de uitgesloten kandidaat dan reeds gepensioneerd zijn of zijn carrière als griffier hebben opgegeven.

Dit lijkt zeer onbillijk, te meer omdat de bepaling mensen zal treffen die, op lange termijn, de inspanning deden een diploma van jurist te verwerven als werkstudent, of als jonge jurist opteerden voor het beroep van griffier dat hun schijnbaar toekomstmogelijkheden bood.

Wanneer men tijdens het spel de spelregels verandert, leidt dat steeds tot een gevoel van oneerlijke behandeling en enorme frustaties. »

B. Gedachtewisseling

Een van de indieners bedankt de vertegenwoordigers van C.E.N.E.G.E.R., de C.C.O.D. en het V.S.O.A. voor de bereidwilligheid en de grondigheid waarmee zij de twee wetsvoorstellen hebben onderzocht. Tevens verheugt hij zich over de positieve kritiek waarop deze voorstellen zijn onthaald.

Nochtans heeft hij enige vragen bij hun standpunten.

In de eerste plaats stelt hij vast dat de idee van de griffier-referendaris niet ter sprake is gebracht. Zijdelings is er wel gewag gemaakt van de herwaardering van de functie van parketsecretaris, maar in het licht van het reeds door de Senaat goedgekeurde wetsvoorstel van de heer Lallemand c.s. strekkende om de procedure voor het Hof van Cassatie te bespoedigen (cf. Gedr. St., Senaat, B.Z. 1995, nr. 1-52/1 en 1995-1996, nrs. 1-52/2-6) waarin onder meer in de oprichting van een korps van referendarissen bij het Hof van Cassatie is voorzien, had spreker zich aan enige suggesties in die zin verwacht.

Ten tweede verwondert hij zich enigszins over het alternatief voorstel van de C.C.O.D. inzake de objectivering van de aanwerving.

Spreker voelt niet veel voor deze hybride regeling waarmee enerzijds een aanwerving op objectieve gronden wordt nagestreefd, maar die anderzijds niet raakt aan de benoemingsvrijheid van de minister, de adviesbevoegdheid van de korpsoversten en het belang van de verworven beroepservaring.

Bij de toepassing van deze procedure valt te vrezen dat elke benoeming of bevordering wegens een ontoereikende, niet op objectieve gronden berustende motivering voor de Raad van State zal worden aangevochten. Een dergelijke contestatiebeweging is funest voor het aanwervings- en bevorderingsbeleid.

Spreker pleit derhalve voor een regeling waarmee dit beleid uitsluitend op grond van objectieve criteria ten uitvoer kan worden gebracht.

Ten derde aanvaardt interveniënt de noodzaak van een overgangsregeling waarbij zal moeten worden nagegaan in welke mate rekening zal worden gehouden met verkregen rechten, beroepservaring enzovoort.

Tot slot richt hij een oproep tot de drie vakorganisaties en het overkoepelend orgaan, C.E.N.E.G.E.R., dat als actor van de Justitie de gemeenschappelijke intentieverklaring heeft ondertekend, om in de mate van het mogelijke een eensluidend standpunt in te nemen over de voorgestelde bepalingen die hun goedkeuring wegdragen.

Er kan echter geen sprake zijn van een terugkeer naar de toestand van vóór de inwerkingtreding van het Gerechtelijk Wetboek in 1967. Eventuele suggesties tot wijziging van het wetsvoorstel betreffende de aanwerving, de bevordering en de beoordeling van griffiers, secretarissen en personeel van de rechterlijke orde dienen derhalve in de lijn te liggen van de principes die het voorstel schragen.

Een andere indiener verheugt zich eveneens over het positief onthaal van zijn wetsvoorstel. De kritische kanttekeningen die werden gemaakt, betreffen enerzijds de wijzigingen die het in de Kamer ingediende wetsvoorstel-Vandeurzen (4) bevat ten opzichte van het voorstel van senator Arts (5) dat zowel aan het onderhavige voorstel als aan dat van de heer Vandeurzen c.s. ten grondslag ligt, en anderzijds de positie van de licentiaten in de rechten.

Met betrekking tot dit laatste probleem dient te worden nagegaan in welke mate geopteerd wordt voor een systeem van doorstroming dan wel of het diploma van licentiaat in de rechten op een specifieke wijze moet worden gehonoreerd.

Hetzelfde lid wenst het standpunt van de minister te kennen in verband met het voorstel van de heren Erdman en Lallemand c.s. om de aanwerving van de personeelsleden van de griffies en parketten te laten verlopen op grond van vergelijkende examens die door het Vast Wervingssecretariaat zouden worden afgenomen. Aangezien deze procedure een trendbreuk inhoudt ten aanzien van de huidige werkwijze, zou de minister wiens stem bij de werving en de bevordering thans van doorslaggevende aard is, moeten aangeven of de voorgestelde procedure zijns inziens werkbaar is en een personeelsbeleid nieuwe stijl kan schragen.

Een van de indieners verklaart dat hij met zijn voorstel houdende invoering van vergelijkende wervingsexamens de objectivering en de neutraliteit van de benoeming van het personeel van de griffies en parketten beoogt. Tevens wil hij de benoemingen en de bevorderingen volgens objectieve criteria laten verlopen. Thans hebben kandidaten meestal geen uitsluitsel over het verloop van de procedure, waarbij de korpsoversten richtinggevende adviezen verstrekken die de betrokkene al dan niet van een bevordering kunnen uitsluiten. Het spreekt vanzelf dat een dergelijke werkwijze waarbij men geen kans op bevordering heeft als men niet door de titularis of de hoofdgriffier wordt voorgedragen, de nodige wrevel wekt bij de gegadigden.

Spreker is echter niet blind voor de mogelijke repercussies van de in zijn voorstel vervatte innovaties op de bestaande praktijk, noch voor het feit dat hierdoor verkregen rechten in het gedrang kunnen worden gebracht. Hij staat derhalve open voor een overgangsregeling die deze rechten eerbiedigt.

Inzake de examens voor kandidaat-griffier oppert een lid de vraag of het wenselijk is dat geslaagde kandidaten zich gedurende onbepaalde tijd op hun examenresultaten mogen beroepen. Spreker acht het niet zinvol dat personen die zeven jaar geleden voor het examen zijn geslaagd, maar intussen een baan hebben die niets met de griffie te maken heeft, zich plots voor het ambt van griffier kandidaat kunnen stellen.

Hij suggereert daarom de geldingsduur van de examenresultaten in de tijd te beperken.

Tot slot verklaart interveniënt getroffen te zijn door het soms manifeste gebrek aan onafhankelijkheid van de griffiers ten opzichte van zowel de zittende als de staande magistratuur. Vooral in strafgerechten doen er zich frequent incidenten voor waarbij de verdediging eist dat iets wordt geacteerd en de griffier de voorzitter van de rechtbank hiervoor als het ware om toestemming verzoekt.

Spreker is de mening toegedaan dat de griffier een grotere legitimiteit moet krijgen tegenover de andere actoren in het proces. Zijn rol dient erin te bestaan akte te nemen van alles wat er tijdens het proces gezegd en gedaan wordt, zonder dat hij voor zijn notities steeds het fiat van de zittende magistratuur dient te krijgen.

Deze onafhankelijkheid van de griffiers zou zich moeten weerspiegelen in de aanwervings- en benoemingsprocedure in die zin dat de adviezen over de bekwaamheid van de kandidaten in eerste instantie door de eigen korpsoverste moeten worden verstrekt en niet door die van de zittende en de staande magistratuur.

Op deze wijze wordt een positieve bijdrage geleverd tot de objectiviteit van het ambt van griffier, waar elke procespartij een beroep op kan doen.

Als antwoord op een vraag naar de representativiteit van C.E.N.E.G.E.R. stelt de voorzitter van deze organisatie dat zij als overkoepelend orgaan fungeert maar geen banden heeft met de representatieve vakorganisaties. Aangezien zij de belangen van de griffiers, parketsecretarissen en het personeel van de griffies en de parketten uitsluitend op inhoudelijk vlak wenst te behartigen, moeten C.E.N.E.G.E.R. en de representatieve vakorganisaties als complementair worden beschouwd, met als gevolg dat vele leden een dubbele aansluiting hebben. Er zal dan ook worden gepoogd om met betrekking tot de twee onderhavige wetsvoorstellen tot een gemeenschappelijk standpunt te komen.

Met betrekking tot het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. bestaat er ruime eensgezindheid.

Wat het voorstel van de heren Erdman en Lallemand c.s. betreft, bestaan er fundamentele meningsverschillen. C.E.N.E.G.E.R. verklaart zich echter bereid om met de vakorganisaties een inventaris op te maken van de punten waarover een akkoord bestaat, dan wel uiteenlopende zienswijzen.

Het staat dan aan het Parlement om de knopen door te hakken, onder andere op grond van de financiële consequenties van de door C.E.N.E.G.E.R. en de vakorganisaties naar voor geschoven opties.

Met betrekking tot de idee van de griffier-referendaris, merkt de voorzitter van C.E.N.E.G.E.R. op dat de taakomschrijving van een referendaris thans reeds in artikel 170 van het Gerechtelijk Wetboek besloten ligt. Luidens voormeld artikel staat de griffier de rechter bij in alle verrichtingen van zijn ambt.

In de toelichting bij zijn wetsvoorstel verklaart de heer Vandenberghe trouwens dat « bijstand aan de rechter in zijn ambtsverrichtingen voor de griffier ook betekent het nagaan van de rechtmatigheid van de procesgang, erover waken dat de rechtspleging optimaal verloopt met inachtneming van alle betrokken procespartijen. Deze bijstand kan ook het opzoeken van rechtspraak en rechtsleer inhouden, hetgeen een grondige en permanente opleiding vereist. Ook de voorbereiding van de terechtzittingsdossiers kan tot de taken van bepaalde griffiers behoren » (cf. Toelichting, Gedr. St., Senaat, 1995-1996, nr. 1-270/1, blz. 4).

Een vertegenwoordiger van het V.S.O.A. sluit zich hierbij aan. Hij acht het ambt van griffier op zich waardevol genoeg dan dat er nog een bijkomende functie van griffier-referendaris moet worden gecreëerd. De praktijk wijst uit dat, zeker in de lagere rechtsmachten, tal van griffiers taken vervullen waartoe zij wettelijk niet verplicht zijn, onder andere omdat zij tot de rechtsprekende functie behoren. Het betreft dan dikwijls procedureaangelegenheden of zaken die als routine kunnen worden bestempeld. Aldus scheppen de griffiers de nodige ruimte voor de rechters om hun werkzaamheden toe te spitsen op de zuiver juridisch-inhoudelijke geschillenbeslechting.

Wat de rol van de griffier op de terechtzitting betreft, huldigt de rechtsleer de stelling, met verwijzing naar artikel 173 van het Gerechtelijk Wetboek, dat de griffier de notaris van de terechtzitting is. In de praktijk blijkt hij echter nogal te worden gekortwiekt.

Artikel 173, tweede lid, bepaalt onder meer dat de griffier opschrijft hetgeen de rechter uitspreekt of dicteert.

Het is derhalve een misverstand te denken dat de griffier autonoom bepaalt hetgeen hij al of niet acteert. Het enige verweermiddel waarover de griffier beschikt om zich te verzetten tegen een dictaat van de rechter, dat niet strookt met hetgeen ter zitting is gezegd, bestaat erin te weigeren het proces-verbaal te ondertekenen omdat hij anders valsheid in geschrifte zou plegen.

Gelet op het feit dat griffiers en rechters in een sfeer van vertrouwen moeten samenwerken, worden eventuele incidenten slechts zelden op de spits gedreven.

De lege ferenda verdient het echter aanbeveling de autonomie van de griffiers ten opzichte van de rechters bij wet vast te leggen.

Hierop inhakend verwijst een lid naar de toelichting bij het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. waarin de volgende uitspraak wordt geciteerd van de heer Wigny, gewezen minister van Justitie : « de griffier is geenszins de ondergeschikte van de rechter. Hij is zelfs niet zijn secretaris. De griffier staat de rechter bij, hetgeen heel wat anders is. De taak van bijstand aan de rechter is geen passieve rol; hij is de notaris van het gerechtelijk gebeuren (cf. de artikelen 155 en 189 van het Wetboek van Strafvordering) » (Gedr. St., Senaat, 1995-1996, nr. 1-270/1, blz. 5).

Een andere vertegenwoordiger van C.E.N.E.G.E.R. is van oordeel dat het ambt van griffier voldoende legitimiteit bezit. Daartegenover staat wel een gebrek aan weerbaarheid en mondigheid, hetwelk mogelijk te wijten is aan een onvoldoende opleiding, zelfs bekwaamheid.

Het staat zijns inziens echter onomstotelijk vast dat de griffier de centrale waarnemer is van het proces. Hij heeft derhalve het recht af te wijken van het dictaat van de rechter in die zin dat hij zijn eigen vaststellingen mag notuleren.

Wat de idee van de griffiers-referendarissen betreft, stelt een vertegenwoordiger van C.E.N.E.G.E.R. dat zijn organisatie zich gewonnen verklaart voor het voorstel om aan het ambt van griffier een nieuwe dimensie te verlenen welke aan het profiel van de griffier-referendaris beantwoordt. Hij beklemtoont dat deze herwaardering in de ogen van C.E.N.E.G.E.R. niet financieel moet worden gehonoreerd.

Wat de objectivering van de aanwervingen, benoemingen en bevorderingen betreft, verklaart C.E.N.E.G.E.R. zich voorstander van vergelijkende examens waarbij de rangschikking in eerste orde moet worden nageleefd. Een afwijking van dit algemeen gangbare systeem door het ministerie van Justitie is niet langer verantwoord.

Tevens zouden de examenresultaten slechts een beperkte geldingsduur mogen hebben. Thans valt het voor dat geslaagden van een examen, die om de meest uiteenlopende redenen gedurende tien jaren nooit hun kandidatuur hebben gesteld, plots weer opduiken en de geslaagden van latere examens verdringen.

Het voorstel om het griffiepersoneel van hoven en rechtbanken voorrang te verlenen bij promoties in de griffie waar zij zijn tewerkgesteld, getuigt van een corporatistische, zelfs paternalistische reflex. Er moet bijgevolg zowel naar een verticale als een horizontale doorstroming worden gestreefd. Aldus komt men tegemoet aan de doelstellingen van flexibiliteit en mobiliteit, zoals omschreven in de gemeenschappelijke intentieverklaring van de actoren van de Justitie.

Vastgesteld moet worden dat met de huidige praktijk valabele kandidaten niet altijd voor een benoeming of bevordering in aanmerking komen, hetgeen op den duur tot desinteresse leidt.

Met betrekking tot de idee van de griffiers-referendarissen acht een lid van de C.C.O.D. de verwijzing naar de oprichting van een korps van referendarissen bij het Hof van Cassatie niet ter zake omdat er juist voor geopteerd werd de taken van een referendaris niet aan de griffier toe te wijzen.

Voorts maakt de C.C.O.D. het grootste voorbehoud ten aanzien van het principe van de vergelijkende examens, zoals vervat in het wetsvoorstel van de heren Erdman en Lallemand c.s.

De strikte toepassing van dit principe zal op tal van problemen stuiten en creëert daarenboven sociaal onaanvaardbare gevolgen.

Quid met de griffies met taalkaders, met geslaagden van vroegere examens enzovoort ?

Is het wel verantwoord dat een beambte die contractueel in dienst is genomen ter vervanging van een statutair met loopbaanonderbreking en geslaagd is voor het wervingsexamen van beambte, na 10 jaar ervaring in een vredegerecht voor een statutaire benoeming wordt verdrongen door een kandidaat met betere examenresultaten ?

Vooral in de vredegerechten en de politierechtbanken waar het griffiepersoneel in aantal beperkt is, zal de strikte eerbiediging van de rangschikking van een vergelijkend examen sociaal onaanvaardbare gevolgen teweegbrengen.

Aangezien de structuur van de hoven en rechtbanken zich volgens de C.C.O.D. niet leent tot een stringente toepassing van het systeem van vergelijkende wervingsexamens voor vertalers, opstellers, beambten en boden, heeft zij een alternatief uitgewerkt voor het wetsvoorstel van de heren Erdman en Lallemand c.s., dat de objectiviteit bij de aanwerving vrijwaart (cf. blz. 18-25).

In repliek hierop stelt een lid dat de door de C.C.O.D. voorgestelde formule zijns inziens niet beantwoordt aan het criterium van de objectiviteit zoals hij die in zijn wetsvoorstel vorm heeft gegeven. Hij pleit bijgevolg naar de toekomst toe voor een selectieprocedure op grond van examens die wegens hun objectiviteit onaanvechtbaar zijn. Dat neemt echter niet weg dat in overgangsbepalingen kan worden voorzien om verkregen rechten te vrijwaren of sociaal onaanvaardbare gevolgen weg te werken.

De invoering van het door hem voorgestelde systeem zal trouwens op termijn zowel de efficiënte werking van het gerecht als de sfeer binnen de griffies en de parketten ten goede komen.

Thans wordt men door het gebrek aan objectiviteit bij de aanwervingen al te dikwijls geconfronteerd met rivaliteiten die de sfeer onder het personeel verzieken. In het belang van de justitie dient dan ook komaf te worden gemaakt met de huidige procedure waarin de voorspraak wordt aangeklaagd als een oorzaak van het gebrekkig functioneren van het gerecht.

Met betrekking tot het wetsvoorstel van de heren Erdman en Lallemand c.s. oppert de minister de vraag of het wel van een juiste aanpak getuigt om een directe aanwerving op de twee onderscheiden hiërarchische niveaus van beambte en opsteller mogelijk te maken, zonder hetzelfde te doen voor het ambt van klerk-griffier.

Spreker huldigt het standpunt dat er niet alleen een doorstroming moet kunnen zijn van beambten en opstellers naar het ambt van klerk-griffiers, maar ook een instroom.

Voorts vestigt hij de aandacht op de managementstaken van de griffiers en de parketsecretarissen. Dit vergt een specifieke kennis waarvoor een aangepaste opleiding vereist is (cf. de notie van « huismeester », voorgesteld door gewezen senator Arts).

De vertegenwoordigers van de C.C.O.D. en het V.S.O.A. stippen aan dat de griffiers krachtens de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek reeds een managementstaak vervullen doordat zij onder het toezicht van de voorzitter van de rechtbank belast zijn met het bijhouden van de rollen.

Een aspect dat in de toekomst bij de taakuitoefening een steeds groter gewicht zal krijgen, betreft de informatisering van de griffies. Ook op dit vlak zal voor de nodige opleiding moeten worden gezorgd.


Op grond van de voorgaande gedachtewisseling komen C.E.N.E.G.E.R. en de representatieve vakorganisaties overeen met het kabinet van de minister van Justitie overleg te plegen, teneinde tot een gemeenschappelijk standpunt te komen.

t sp

5. EINDVERSLAG VAN HET OVERLEG TUSSEN DE VERTEGENWOORDIGERS VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE EN DE MINISTER VAN ARBEID EN TEWERKSTELLING, HET MINISTERIE VAN JUSTITIE, C.E.N.E.G.E.R. EN DE DRIE REPRESENTATIEVE VAKORGANISATIES

Eindverslag van de vergaderingen gehouden te Brussel op 18 en 30 april en 2 mei 1996 naar aanleiding van het verzoek tot onderling overleg, geformuleerd door de Senaatscommissie voor de Justitie tijdens de hoorzitting van 2 april 1996

Samenstelling van de delegaties

­ A.C.O.D. : R. Spagnoli, G. Badot, E. Van Thielt

­ C.C.O.D. : W. Verhaegen, J. Hennus, Gh. Van Aken

­ C.E.N.E.G.E.R. : J. Van Dyck, P. Ragé, H. Vanmaldeghem

­ V.S.O.A. : E. Sluys, J.-M. Michiels

Aan de eerste en de laatste bijeenkomst werd tevens deelgenomen door een delegatie van de overheid onder leiding van de heer Baret, secretaris-generaal, en de heer Suys, adjunct-kabinetschef, alsmede vertegenwoordigers van de minister van Arbeid en Tewerkstelling.

Voorafgaande bemerking

Er wordt afgesproken enkel te peilen naar de standpunten van de verschillende delegaties omtrent de grote lijnen van de te bespreken materies. Indien er over de principes een akkoord bestaat, dienen de details later te worden geregeld, wat dus ook inhoudt dat de delegaties daaromtrent thans geen standpunt hebben ingenomen.

1. WETSVOORSTEL VAN DE HEREN ERDMAN EN LALLEMAND C.S. (SENAAT, 1995/1996, NR. 1-147/1)

1.1. Aard van de examens

1.1.1. Voorafgaandelijk wordt gesteld dat er een onderscheid dient te worden gemaakt naargelang het gaat om een aanwervings- of een bevorderingsexamen. Er bestaat een consensus om de bijzondere graden (bode, vertaler, ...) en de graad van beambte (derde niveau) als een zuivere recruteringsgraad te beschouwen. De graad van opsteller dient in deze context beschouwd te worden als een bevorderingsgraad toegankelijk mits slagen voor een klassiek bekwaamheidsexamen enkel toegankelijk voor reeds benoemd personeel.

De delegaties zijn het er ook mee eens om, zoals in het wetsvoorstel, het toegangssysteem voor klerk-griffier/klerk-secretaris ongewijzigd te behouden met uitzondering van de elementen welke besproken worden in het kader van het wetsvoorstel-Vandenberghe.

1.1.2. Alle delegaties gaan ermee akkoord dat het aanwervingsexamen een bepaalde vorm van vergelijking moet zijn :

­ voor C.E.N.E.G.E.R. en het V.S.O.A. moet het gaan om een rangschikking volgens de behaalde punten;

­ voor de A.C.O.D. en de C.C.O.D. moet het gaan om een rangschikking in categorieën met een algemene waardebeoordeling.

1.2. Organisatie van de examens

1.2.1. Aanwervingsexamens :

­ Alle organisaties erkennen de waarde van de examens zoals ze heden door het departement Justitie worden georganiseerd.

Men wil een soepel en geobjectiveerd systeem en is voorstander dat het departement de examens verder organiseert (eventueel in samenwerking met het Vast Wervingssecretariaat).

De delegatie van C.E.N.E.G.E.R. opteert ervoor dat het V.W.S. steeds de examens organiseert.

1.2.2. Bevorderingsexamens :

­ Alle delegaties gaan ermee akkoord dat het huidige stelsel mag behouden blijven.

Er wordt enkel opgemerkt dat er dient over te worden gewaakt dat de leden van de voorgestelde beroepscommissie inzake beoordelingen geen lid mogen zijn van deze examencommissies.

Het koninklijk besluit van 30 mei 1970 dient wat het examenprogramma betreft, wel te worden aangepast aan de nieuwe noden in de rechtbanken.

1.3. Aanwervingsprocedure

1.3.1. Alle delegaties zijn het er over eens dat elke aanwerving, zowel contractueel als statutair, moet gebeuren uit de geslaagden van het vergelijkend wervingsexamen of de selectietest specifiek georganiseerd voor contractuelen in het kader van de arbeidsherverdeling (cf . huidig model V.W.S.).

1.3.2. Alle delegaties zijn voorstander om ook in het nieuwe systeem de vacatures te publiceren in het Belgisch Staatsblad . Daardoor behouden de geslaagden de grootste vrijheid om daar te kandideren waar ze effectief graag zouden werken. Bovendien mag om organisatorische redenen geen absolute voorrang worden gegeven aan kandidaten voor een mutatie. Dit zou immers impliceren dat er eerst een interne openverklaring zou dienen te gebeuren.

De delegaties zijn het er ook mee eens om contractuelen ter plaatse, laureaat van het examen en positief geëvalueerd, de mogelijkheid te bieden om ook te kandideren.

Aangaande de overgangsmaatregelen meent men om juridische redenen niet anders te kunnen dan de waarde van de bestaande certificaten te honoreren die vermelden voor onbepaalde duur geldig te zijn. De in dienst zijnde contractuelen op het moment dat de nieuwe regeling in werking treedt, zouden ook nog de kans moeten krijgen deel te nemen aan een bekwaamheidsexamen op basis van de oude reglementering.

Concreet zou het uitgewerkte systeem er als volgt uitzien : na een oproep in het Belgisch Staatsblad tot de kandidaten, worden de kandidaten ingedeeld in vier groepen :

­ reeds benoemden, kandidaat voor mutatie;

­ de best gerangschikte kandidaat van het vergelijkend examen;

­ eventueel een kandidaat geslaagd voor het examen die voldoende lang ter plaatse werkzaam is (minstens 1 beoordeling gekregen);

­ eventueel kandidaten die beschikken over het bekwaamheidsattest afgeleverd in het verleden.

De hoofdgriffier of hoofdsecretaris van de plaats waar de betrekking vacant is verklaard, stelt het dossier samen en zal een volledig dossier overzenden aan het departement. Hij zal via de bevoegde procureur ook het moraliteitsverslag vragen voor nieuwe kandidaten. Hij zal alle kandidaten oproepen voor een gesprek. Voor kandidaten die reeds werkzaam zijn in een rechtbank, worden de in het verleden verkregen beoordelingen bijgevoegd. De minister beslist op basis van het dossier.

In dit kader wordt door de C.C.O.D. gevraagd om, gelet op de precaire situatie in Brussel, de reglementering te wijzigen zodat het mogelijk wordt een verschillend taalexamen, kennis tweede landstaal, te organiseren voor het uitvoerend en voor het niveau 1-personeel zoals dit ook in de administraties het geval is. Alle delegaties ondersteunen deze vraag. De secretaris-generaal zal het departement opdracht geven om de mogelijkheid van een dergelijke wijziging te onderzoeken.

1.4. Adviesprocedure

1.4.1. Alle delegaties gaan ermee akkoord dat er adviezen door de « overheid » moeten kunnen worden gegeven. In het kader van de verhoogde responsabilisering van de hoofdgriffier en de hoofdsecretaris zal voor het personeel van de griffies en parketten geen advies meer worden ingewonnen bij de magistraat-korpsoverste. Het advies van de magistraat-korpsoverste zal enkel nog worden ingewonnen voor de leden van de griffie en het parket (adjunct-griffier/adjunct-secretaris, griffier/secretaris en hoofdgriffier/hoofdsecretaris).

1.4.2. Alle delegaties gaan ermee akkoord dat het advies verplicht ambtshalve aan de betrokkene moet worden meegedeeld.

1.4.3. Alle delegaties gaan ermee akkoord dat er een mogelijkheid van beroep moet bestaan tegen de inhoud van het advies en dit op alle niveaus.

1.5. Beoordelingsstaat

1.5.1. Alle delegaties gaan akkoord met de invoering van een bepaalde vorm van een beoordelingsstaat.

1.5.2. Alle delegaties zijn het er over eens dat een eerste beoordeling dient te gebeuren tussen de 9e en de 12e maand na de indiensttreding. Nadien zouden de beoordelingen best tweejaarlijks georganiseerd worden. Het personeelslid heeft het recht sneller een nieuwe beoordeling te vragen doch niet vroeger dan 1 jaar na de voorgaande beoordeling.

1.6. Raad van Beroep

Er is grote eensgezindheid over de algemene principes :

1.6.1. de Raad moet bevoegd zijn zowel voor beroepen inzake adviezen bij benoemingen als voor beroepen tegen een beoordelingsstaat;

1.6.2. er moet één Raad komen per rechtsgebied van een hof van beroep/arbeidshof;

1.6.3. het voorzitterschap dient te worden uitgeoefend door een zetelende magistraat van een hof;

1.6.4. verder bestaat de Raad uit twee hoofdgriffiers en twee (hoofd)secretarissen met een mandaat van twee jaar. Om een zekere continuïteit te waarborgen, eindigt het mandaat van één hoofdgriffier en één (hoofd)secretaris op een onpaar jaartal en dat van de andere twee leden op het pare jaartal.

Niemand kan worden verplicht een mandaat te aanvaarden, maar de vervanging gebeurt volgens een beurtrol. Men kan dus niet zelf zijn vervanger kiezen.

Er wordt in plaatsvervangers voorzien voor het geval een lid van de Raad geroepen zou worden te oordelen over een beroep inzake een persoon waarbij hijzelf heeft deelgenomen aan de beoordeling.

C.E.N.E.G.E.R. is voorstander om de assessoren van de Raad van beroep te laten aanwijzen door de Federale Raad van de griffiers en de secretarissen.

1.6.5. De hoofdgriffiers en de hoofdsecretarissen worden beoordeeld door hun magistraat-korpschef. Zij kunnen eventueel in beroep gaan bij een Nationale beroepsraad voorgezeten door een magistraat uit het Hof van Cassatie en tevens bestaande uit één hoofdgriffier en één secretaris afkomstig van een hof/parket-generaal en één hoofdgriffier en één secretaris afkomstig van een rechtbank/parket-auditoraat.

1.7. Profielomschrijving

Alle delegaties zijn gekant tegen de invoering van een profielomschrijving. Men legt de nadruk op het feit dat men in de griffies en de parketten polyvalente medewerkers nodig heeft. Bovendien zou zo'n systeem van profielomschrijving de kansen van kandidaten van buitenuit reeds op voorhand hypothekeren en zou het volgens sommigen een rem betekenen op de wens tot objectivering.

2. WETSVOORSTEL VAN DE HEER VANDENBERGHE C.S. (SENAAT, 1995/1996, NR. 1-270/1)

2.1. Memorie van toelichting bij het wetsvoorstel

2.1.1. C.E.N.E.G.E.R. verkiest de tekst van de memorie van toelichting zoals deze werd ingediend in de Senaat (document 1-270/1).

2.1.2. De A.C.O.D. en de C.C.O.D. verkiezen de versie die over dezelfde materie werd ingediend in de Kamer van volksvertegenwoordigers door de heer Vandeurzen c.s. op 18 maart 1996 (document Kamer 491/1, 1995/1996).

2.2. Wetsvoorstel

2.2.1. Alle delegaties vragen het Gerechtelijk Wetboek te wijzigen overeenkomstig de teksten die werden voorgesteld in het wetsvoorstel Kamer nr. 491/1.

Wegens een evolutie van de standpunten sinds het eerste wetsvoorstel ter zake, destijds ingediend door de heer Arts c.s. op 7 januari 1993 (Senaat, 1992/1993, nr. 605/1), worden door verschillende delegaties nog kleine bijsturingen gevraagd. De andere delegaties hebben geen enkel bezwaar geuit tegen de voorgestelde wijzigingen, uitgezonderd voor punt 2.2.2.6. hierna.

2.2.2. Voorgestelde wijzigingen :

2.2.2.1. Op vraag van C.E.N.E.G.E.R. zou in artikel 173 van het Gerechtelijk Wetboek (= artikel 18 van het wetsvoorstel van de Senaat of art. 20 van het wetsvoorstel van de Kamer) bij de omschrijving van de taken van de griffier nog moeten worden bijgevoegd :

­ hij voert de boekhouding;

­ hij stelt de dossiers van de rechtspleging in staat en assisteert de rechter bij de voorbereiding van diens taken.

Men vraagt tevens te onderzoeken of het niet wenselijk is toe te voegen dat de griffier het handelsregister houdt.

2.2.2.2. De delegaties van C.E.N.E.G.E.R. en A.C.O.D. vragen de volgende wijzigingen in artikel 182 van het Gerechtelijk Wetboek aan te brengen (= artikel 22 van het wetsvoorstel van de Senaat) :

­ welke versie er ook genomen wordt (deze voorgesteld in de Senaat of deze voorgesteld in de Kamer), er zou dienen te worden bepaald : « de (hoofd)secretaris staat onder het toezicht van de procureur ... » en zeker niet dat hij onder « toezicht en leiding » van de procureur ... staat;

­ uit de teksten in verband met de handtekening van de secretaris zou uitdrukkelijk moeten blijken dat er een onderscheid dient te worden gemaakt tussen de stukken die hij ondertekent in uitvoering van de taak die eigen is aan de functie van secretaris en de stukken waarvoor hij bijkomend opdracht ontvangt van het hoofd van het parket. Op dit punt kan men niet akkoord gaan met de voorstelling zoals deze blijkt uit de memorie van toelichting omtrent dit punt in het voorstel-Vandeurzen (blz. 9);

­ in hetzelfde artikel zou ook uitdrukkelijk moeten worden vermeld dat de secretaris bijstand verleent aan de magistraten voor documentatie- en opzoekingswerk, het in staat stellen van de dossiers en alle andere aspecten van diens taak die niet uitdrukkelijk aan magistraten zijn voorbehouden.

2.2.2.3. Alle delegaties gaan ermee akkoord dat de toelatingsvoorwaarden tot het ambt van hoofdgriffier zoals bepaald in artikel 264 van het Gerechtelijk Wetboek (zie art. 31 van het voorstel van de Senaat of art. 33 van dit van de Kamer) tot ongewenste situaties kan leiden in kleine rechtbanken. Daarom wordt voorgesteld naast de bestaande mogelijkheden eveneens te voorzien : « ofwel ten minste tien jaar het ambt van adjunct-griffier hebben uitgeoefend bij een hof, een rechtbank, een vredegerecht of een politierechtbank ».

2.2.2.4. Naar analogie van het vorige punt dient in artikel 274 van het Gerechtelijk Wetboek (art. 41 van het wetsvoorstel van de Senaat of art. 45 van dit van de Kamer) een gelijkaardige bepaling te worden opgenomen ten aanzien van de adjunct-secretaris die kandideert voor het ambt van hoofdsecretaris.

2.2.2.5. Alle delegaties bevestigen uitdrukkelijk dat zij de voorkeur geven aan de overgangsbepalingen zoals omschreven in artikel 75 van het wetsvoorstel van de Kamer en vragen dan ook het artikel 68 van het wetsvoorstel van de Senaat in die zin aan te passen.

2.2.2.6. De delegatie van C.E.N.E.G.E.R. vraagt in alle artikelen van het Gerechtelijk Wetboek die betrekking hebben op de benoemingsvoorwaarden vanaf klerk-griffiers en klerk-secretarissen (nieuwe benaming : adjunct-griffiers en adjunct-secretarissen) de volgende bijkomende benoemingsvoorwaarden in te voeren :

­ in het bezit zijn van een graduaatsgetuigschrift in de rechtspraktijk (= 3 jaar studie) en

­ een managementsbrevet bezitten (enkel voor hoofdgriffiers en hoofdsecretarissen).

De delegatie van het V.S.O.A. gaat hiermee akkoord.

De delegaties van A.C.O.D. en C.C.O.D. kunnen zich hiermee helemaal niet akkoord verklaren.

Alle delegaties zijn het er wel mee eens om het diploma van gegradueerde in de rechtspraktijk beter te valoriseren. Wat het managementsbrevet betreft, is men het eens dat het een belangrijk element kan zijn in de vergelijking van de waarde van de verschillende kandidaten doch dat heden de mogelijkheden om zo'n brevet te behalen nog onvoldoende zijn uitgebouwd.

2.2.2.7. Het V.S.O.A. stelt voor om de licentiaten in de rechten eerst 1 jaar als stagiair klerk-griffier/secretaris aan te stellen vooraleer zij definitief kunnen worden benoemd.

6. OVERZICHT VAN DE HUIDIGE BENOEMINGSPROCEDURE VOOR HET ADMINISTRATIEF PERSONEEL VAN DE GRIFFIES EN DE PARKETTEN, DE GRIFFIERS EN DE SECRETARISSEN ­ NOTA VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE

A. Administratief personeel

De vacante plaatsen worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en de kandidaten beschikken over een termijn van 30 dagen (*) om hun kandidatuur bij aangetekend schrijven over te zenden aan de minister van Justitie. Zij dienen hierbij een afschrift te voegen van het bewijs dat zij geslaagd zijn bij het examen voor het ambt waarvoor zij kandidaat zijn.

Na het verstrijken van deze termijn, zendt de Administratie de kandidaturen, in fotokopie, over, voor advies, aan de gerechtelijke overheden van de rechtsmacht waar de plaats vacant is verklaard.

Er bestaan in feite twee circuits :

­ circuit 1 : advies gevraagd via de procureur-generaal, de procureur des Konings (of arbeidsauditeur in geval van arbeidsrechtbank) en via dezelfde hiërarchische weg terug;

­ circuit 2 : advies gevraagd via de eerste voorzitter, de voorzitter en de vrederechter (of politierechter naar gelang van het geval) en via dezelfde hiërarchische weg terug.

1. GRIFFIES (circuits 1 en 2)

Article
­
Artikel
Grade
­
Graad
Juridiction
­
Rechtsmacht
Avis
­
Advies
177 Code judiciaire/Gerechtelijk Wetboek rédacteur/opsteller
employé/beambte
messager/bode
greffe justice de paix/
griffie vredegerecht
nommé par le ministre de la Justice : sur l'avis du juge de paix et du greffier-chef de greffe/benoemd door de minister van Justitie : op advies van de vrederechter en van de griffier-hoofd van de griffie
idem greffe tribunal de police/
griffie politierechtbank
nommé par le ministre de la Justice : sur l'avis du juge au tribunal de police et du greffier-chef de greffe/benoemd door de minister van Justitie : op advies van de rechter in de politierechtbank en van de griffier-hoofd van de griffie
178 Code judiciaire/Gerechtelijk Wetboek rédacteur/opsteller
employé/beambte
messager/bode
greffe du tribunal de première instance/
griffie van de rechtbank van eerste aanleg
nommé par le ministre de la Justice : sur l'avis du président et du greffier en chef/benoemd door de minister van Justitie : op advies van de voorzitter en van de hoofdgriffier
idem greffe du tribunal de commerce/
griffie van de rechtbank van koophandel
nommé par le ministre de la Justice : sur l'avis du président et du greffier en chef/benoemd door de minister van Justitie : op advies van de voorzitter en van de hoofdgriffier
idem greffe du tribunal du travail/
griffie van de arbeidsrechtbank
nommé par le ministre de l'Emploi et du Travail : sur l'avis du président et du greffier en chef/benoemd door de minister van Tewerkstelling en Arbeid : op advies van de voorzitter en van de hoofdgriffier
179 Code judiciaire/Gerechtelijk Wetboek rédacteur/opsteller
employé/beambte
messager/bode
greffe de la cour d'appel/
griffie van het hof van beroep
nommé par le ministre de la Justice : sur l'avis du premier président et du greffier en chef/benoemd door de minister van Justitie : op advies van de eerste voorzitter en van de hoofdgriffier
idem greffe de la cour du travail/
griffie van het arbeidshof
nommé par le ministre de l'Emploi et du Travail : sur l'avis du premier président et du greffier en chef/benoemd door de minister van Tewerkstelling en Arbeid : op advies van de eerste voorzitter en van de hoofdgriffier
180 Code judiciaire/Gerechtelijk Wetboek rédacteur/opsteller
employé/beambte
messager/bode
greffe de la Cour de cassation/
griffie van het Hof van Cassatie
nommé par le ministre de la Justice : sur l'avis du premier président et du greffier en chef/benoemd door de minister van Justitie : op advies van de eerste voorzitter en van de hoofdgriffier

2. PARKETTEN (circuit 1)

Article
­
Artikel
Grade
­
Graad
Juridiction
­
Rechtsmacht
Avis
­
Advies
183 Code judiciaire/Gerechtelijk Wetboek traducteur/vertaler
rédacteur/opsteller
employé/beambte
messager/bode
parquet près la cour d'appel/
parket bij het hof van beroep
nommé par le ministre de la Justice : sur l'avis du procureur général et du secrétaire/benoemd door de minister van Justitie : op advies van de procureur-generaal en van de secretaris
idem parquet près la cour du travail/
parket bij het arbeidshof
idem
idem parquet du procureur du Roi près le tribunal de première instance/parket van de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg nommé par le ministre de la Justice : sur l'avis du procureur du Roi et du secrétaire/benoemd door de minister van Justitie op advies van de procureur des Konings en van de secretaris

Voorbeeld :

Vacante plaats van beambte bij de griffie van het vredegerecht te Oudenaarde.

­ kandidaat ter plaatse (onder contract)

+ circuit 1 : Administratie stuurt kandidatuur door voor advies via procureur-generaal Gent --> procureur des Konings Oudenaarde --> griffier-hoofd van de griffie. Deze laatste verleent een advies dat hij langs dezelfde hiërarchische weg terugzendt, waarbij, in casu , telkenmale advies wordt verleend.

+ circuit 2 : Administratie stuurt kandidatuur door voor advies via eerste voorzitter Gent --> voorzitter rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde --> vrederechter. Deze laatste verleent een advies dat hij langs dezelfde hiërarchische weg terugzendt.

­ kandidaat in dienst bij andere rechtsmacht (bijvoorbeeld beambte o/c procureur des Konings Gent)

+ circuit 1 : Administratie stuurt kandidatuur door voor advies via procureur-generaal Gent --> procureur des Konings Gent --> secretaris Gent. Deze laatste verleent advies --> procureur des Konings Gent : verleent advies --> procureur des Konings Oudenaarde --> griffier-hoofd van de griffie : verleent advies --> procureur des Konings Oudenaarde : verleent advies --> procureur-generaal Gent : verleent advies en zendt het dossier terug over aan Administratie.

+ circuit 2 : Administratie stuurt kandidatuur door voor advies via eerste voorzitter Gent --> voorzitter rechtbank van eerste aanleg --> vrederechter Oudenaarde. Deze laatste verleent een advies dat hij via dezelfde hiërarchische weg terugzendt.

­ kandidaat niet in dienst (benoeming van buiten uit)

+ circuit 1 : Administratie stuurt kandidatuur door voor advies naar procureur-generaal Gent --> procureur des Konings woonplaats betrokkene --> procureur des Konings Oudenaarde --> griffier-hoofd van de griffie : verleent advies --> procureur des Konings Oudenaarde : verleent advies --> procureur-generaal Gent : verleent advies.

+ circuit 2 : Administratie stuurt kandidatuur door voor advies naar eerste voorzitter Gent --> voorzitter rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde --> vrederechter : verleent een advies dat hij via dezelfde weg terugzendt.

Er zijn veel varianten mogelijk. Zo kan het bijvoorbeeld zijn dat iemand postuleert voor het ambt van beambte bij de procureur des Konings te Gent, terwijl hij reeds in dienst is bij de procureur des Konings te Brussel. Dan komen twee procureurs-generaal tussenbeide.

Uitzondering : Met het Hof van Beroep te Antwerpen werd overeengekomen dat de terugzending door de procureur des Konings te Antwerpen rechtstreeks gebeurt zonder tussenkomst van de procureur-generaal, uitgezonderd voor :

­ de vacatures van buiten het rechtsgebied van het Hof van Beroep te Antwerpen;

­ de vacatures bij de griffie en het parket-generaal bij het Hof van Beroep te Antwerpen.

Samengevat kan worden gesteld dat de aanvragen om advies steeds gericht worden tot de gerechtelijke overheden van de rechtsmacht waar de plaats open is verklaard. Om advies te verlenen richten deze laatsten zich, indien het gaat om een kandidaat die reeds in dienst is, tot de korpschefs van de rechtsmacht waar betrokkene werkt.

Een politioneel onderzoek wordt uitgevoerd wanneer een kandidaat van buiten uit voor de eerste maal postuleert. Een persoonlijk onderhoud met de korpsoverste hangt af van het initiatief dat deze laatste hiertoe al dan niet neemt.

De adviezen worden normaal verstrekt binnen een termijn van drie maanden na de afsluiting van de kandidaturen, met uitersten gaande van één week tot acht maanden. Wettelijk is geen maximumtermijn voorgeschreven.

Een eerste herinnering wordt gestuurd na drie maanden, daarna elke maand.

Het dossier wordt voorgelegd aan de minister na ontvangst van de adviezen.

Nadat de minister de kandidaturen op hun regelmatigheid heeft onderzocht, benoemt hij, op grond van de verstrekte adviezen, behaalde diploma's en getuigschriften, anciënniteit, ervaring, enz., de kandidaat die hij het meest geschikt acht voor de vacante betrekking.

De praktijk wijst uit dat gemiddeld vijf à zes maanden verstrijken tussen de vacantverklaring en de voorlegging van het dossier voor benoeming aan de minister.

In het verleden werden reeds pogingen ondernomen om de adviesprocedure voor de benoemingen van het personeel van de griffies en de parketten te vereenvoudigen.

Zo liet de minister met zijn omzendbrief van 12 mei 1980 de procureurs-generaal zijn onderrichtingen daaromtrent kennen.

Deze onderrichtingen luiden als volgt :

1º Voor de kandidaten die reeds in dienst zijn bij het gerecht :

­ De personeelsleden van de griffies die zich kandidaat willen stellen, moeten hun kandidaatstelling richten aan de minister en een kopie ervan bezorgen aan de hoofdgriffier of de griffier-hoofd van de griffie, die dit afschrift samen met zijn advies verder langs hiërarchische weg zal doorsturen;

­ De personeelsleden van de parketten moeten het afschrift aan de secretaris van het parket bezorgen die het doorzendt aan het hoofd van het parket.

Indien de vacature binnen het eigen rechtsgebied van het hof van beroep bestaat, zal de procureur des Konings of de arbeidsauditeur de kandidatuur in voorkomend geval doorsturen aan zijn collega van het arrondissement waar de vacature bestaat, die deze dan aan de procureur-generaal doet toekomen.

Indien de vacature buiten het rechtsgebied bestaat, zal de procureur-generaal de kandidatuur doorsturen aan zijn ambtsgenoot van de plaats waar de vacature bestaat, die deze dan aan het departement zal doen toekomen.

Hierbij zal er over worden gewaakt dat steeds het advies van de korpsoverste van de plaats waar de vacature bestaat, wordt bijgevoegd.

In deze gevallen zal de Administratie de procureur-generaal dus niet meer om advies verzoeken.

2º Voor de kandidaten die nog niet in dienst zijn

De Administratie zal de procureur-generaal raadplegen van de plaats waar de betrokkene woont.

De procureur-generaal vraagt het advies van de procureur des Konings of de arbeidsauditeur van de woonplaats, die indien nodig de kandidatuur kan overzenden aan het hoofd van het parket van het arrondissement waar de vacature bestaat, die deze dan aan de procureur-generaal terug doet toekomen.

Indien de vacature buiten het rechtsgebied bestaat, kan worden gehandeld zoals vermeld onder punt 1º.

Bij latere sollicitaties door dezelfde kandidaat volstaat het, wanneer geen nieuwe gegevens dienen gemeld te worden, te verwijzen naar de vroegere adviezen.

Deze onderrichtingen zijn thans nog van toepassing. Een element uit de verhoopte versnelde procedure was het voorschrift dat kandidaten die in dienst zijn de procedure onmiddellijk zouden in gang zetten door afgifte van een kopie van hun postulatiebrief aan hun hoofdgriffier of secretaris. In dit geval diende de personeelsdienst van het ministerie van Justitie zelf niet om advies te vragen (vermijden van kruisende briefwisseling).

Dit deel van de richtlijn zou in feite nooit tot een goed resultaat hebben geleid. Enerzijds, omdat door het ministerie van Justitie alle postulatiebrieven worden doorgestuurd zonder onderscheid ­ in dienst of niet. Anderzijds, omdat de kandidaten die reeds in dienst zijn, dikwijls verzuimen een exemplaar van hun postulatiebrief af te geven aan hun hoofdgriffier of secretaris ­ vooral wanneer zij postuleren voor andere griffies of parketten ­ en deze laatsten, in het geval zij dan toch een kopie krijgen, de procedure niet verder zetten, maar de vraag om advies afwachten.

Bij schrijven d.d. 22 oktober 1981 van de directeur-generaal van de algemene diensten-personeel werd aan de procureurs-generaal onder andere medegedeeld dat de resultaten van de procedure ingevoerd bij bericht van 12 mei 1980 bevredigend zijn wanneer het gaat om een regularisatie, dat wil zeggen wanneer de kandidaat postuleert voor een plaats die hij tot wederopzegging reeds inneemt; in de andere gevallen zou de adviesprocedure meer tijd vergen dan voorheen. De directeur-generaal besluit dat hij de studiedienst gelast het probleem in zijn geheel te herzien en dat in afwachting de onderrichtingen onveranderd blijven.

Kennelijk is daarin tot op heden nog geen verandering gekomen. Wellicht kan thans worden onderzocht hoe het systeem kan worden vereenvoudigd (cf. P.G. Antwerpen).

3. AANWERVING CONTRACTUELEN (in het kader van loopbaanonderbreking, 4/5-tewerkstelling en artikel 185 van het Gerechtelijk Wetboek)

Bij de aanwerving van een beambte o/c in het kader van loopbaanonderbreking en vervanging 4/5, moet betrokkene voltijds uitkeringsgerechtigd werkloos zijn en bij voorkeur ook geslaagd zijn voor het examen van beambte. De minister put uit het bestand waarin zijn opgenomen : de geslaagden van het examen van beambte en kandidaten die hebben laten weten dat zij uitkeringsgerechtigd werkloos zijn en in aanmerking wensen te komen voor een contractuele betrekking. Bij het beëindigen van de loopbaanonderbreking, wordt getracht ­ voor zover betrokkene voldoening gaf ­ hem een nieuw contract aan te bieden in het kader van loopbaanonderbreking, 4/5-tewerkstelling of artikel 185 van het Gerechtelijk Wetboek.

Aanwerving op grond van artikel 185. De kandidaat moet bij voorkeur geslaagd zijn voor het examen van beambte en kan (uitkeringsgerechtigd) werkloos zijn; zo niet wordt rekening gehouden met behaalde diploma's en getuigschriften (minstens hoger middelbaar onderwijs, A1, universiteitsdiploma, kennis informatica), in functie van het gewenste profiel voor de betreffende vacature.

B. Griffiers (leden van de rechterlijke orde)

Art. 260 van het Gerechtelijk Wetboek. ­ De hoofdgriffiers, de griffiers-hoofden van de griffie, de griffiers en de klerken-griffiers worden benoemd door de Koning.

In de arbeidsgerechten worden de benoemingen verricht op gezamenlijke voordracht van de ministers die de Arbeid en de Justitie in hun bevoegdheid hebben.

Art. 261 van het Gerechtelijk Wetboek. ­ De griffiers-hoofden van dienst bij de griffie van een rechtbank worden door de Koning benoemd uit de griffiers bij de rechtbank op voordracht van de voorzitter van de rechtbank en, naar gelang van het geval, van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur, en van de hoofdgriffier.

De griffiers-hoofden van dienst bij de griffie van het Hof van Cassatie, van een hof van beroep of van een arbeidshof worden door de Koning benoemd uit de griffiers bij het hof, op voordracht van de eerste voorzitter, de procureur-generaal en de hoofdgriffier.

Zij worden aangewezen voor drie jaar. Deze aanwijzing kan telkens voor drie jaar worden vernieuwd; na negen jaar ambtsvervulling worden zij vast benoemd.

Art. 262 van het Gerechtelijk Wetboek. ­ De griffiers en de klerken-griffiers worden benoemd uit twee dubbeltallen; het ene wordt naar gelang van het geval voorgedragen door de vrederechter, de rechter in de politierechtbank, de voorzitter van de rechtbank of de eerste voorzitter van het hof, het andere door de hoofdgriffier of de griffier-hoofd van de griffie.

Art. 286 van het Gerechtelijk Wetboek. ­ Om te worden benoemd tot de ambten en bedieningen die in Titel VI (benoemingsvoorwaarden voor leden van de rechterlijke orde) zijn bepaald, moet men aan de bij de wet gestelde eisen inzake kennis van de landstalen hebben voldaan.

Art. 287 van het Gerechtelijk Wetboek. ­ De kandidaturen voor een benoeming in de rechterlijke orde moeten op straffe van verval bij een ter post aangetekend schrijven aan de minister van Justitie worden gericht binnen een termijn van twee maanden na de bekendmaking van de vacature in het Belgisch Staatsblad .

De bekendmaking kan geschieden op zijn vroegst zes maanden vóór het ontstaan van de vacature.

Geen benoeming kan geschieden dan nadat de termijn bepaald in het eerste lid is verlopen.

C. Personeel van de parketten

Art. 182 van het Gerechtelijk Wetboek. ­ Aan ieder parket is een secretaris verbonden, die de Koning benoemt.

(...) Hij kan worden bijgestaan door een of meer adjunct-secretarissen en door klerken-secretarissen, die de Koning benoemt. (...)

Aan een parket kunnen een tot drie adjunct-secretarissen-hoofden van dienst verbonden worden, die de secretaris bijstaan in de leiding van de administratieve dienst. De Koning bepaalt hun aantal en wijst hen voor drie jaar aan uit de adjunct-secretarissen, op de voordracht van de procureur-generaal, van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur, en van de secretaris van het parket.

Die aanwijzing kan telkens voor drie jaar worden vernieuwd; na negen jaar ambtsvervulling worden zij vast benoemd.

Art. 273 van het Gerechtelijk Wetboek. ­ De adjunct-secretarissen en klerken-secretarissen worden door de Koning benoemd uit twee dubbeltallen waarvan het ene volgens het geval door de procureurs-generaal, de procureurs des Konings of de arbeidsauditeurs en het andere door de secretaris van het parket wordt voorgedragen.

In de arbeidsgerechten worden de benoemingen verricht op de gezamenlijke voordracht van de ministers die de Arbeid en de Justitie in hun bevoegdheid hebben.

Benoemingen op voordracht

Bij brief van 23 oktober 1978 gericht aan de procureurs-generaal wijst de minister erop dat soms moeilijkheden of zelfs nalatigheden werden vastgesteld bij het overzenden van de voordrachten als bedoeld in de artikelen 262 en 273 van het Gerechtelijk Wetboek. Deze bepalingen voorzien immers in geen dwingende termijn bij het overzenden ervan. Derhalve verzoekt de minister er te willen over waken dat bedoelde voordrachten binnen een redelijke termijn ­ zijnde een periode van maximum drie maanden ­ na het vacant verklaren van de openstaande plaats op het departement zouden toekomen.

Indien sommige overheden zouden nalaten tijdig de aan hen opgedragen voordrachten te doen, dienen de procureurs-generaal hen te verzoeken de redenen hiertoe op te geven en de minister hiervan in kennis te stellen.


Na onderzoek van de kandidaturen op hun regelmatigheid, wordt bij het voorstel tot benoeming op voordracht, door de minister van Justitie en desgevallend de minister die de Arbeid in zijn bevoegdheid heeft, gehandeld als volgt.

Ingeval een kandidaat tweemaal als eerste wordt voorgedragen : voorstel tot benoeming van deze kandidaat.

Is dat niet het geval, dan wordt bij het voorstel tot benoeming rekening gehouden met :

­ uitgebrachte adviezen;

­ anciënniteit;

­ behaalde diploma's en getuigschriften;

­ specifieke kennis in verband met de materie;

­ inzet en motivatie;

­ karaktereigenschappen;

­ enzovoort.

Bij het voorstel tot benoeming tot hoofdgriffier of secretaris wordt tevens aandacht besteed aan de bekwaamheid tot het geven van leiding en het hebben van gezag.

Overzichtstabel

Grade. ­ Graad Greffe. ­ Griffie Parquet. ­ Parket
Greffier en chef. ­ Hoofdgriffier Circuit 1 (sur la base de l'article 403 du Code judiciaire) et circuit 2. ­ Circuit 1 (op basis van artikel 403 van het Gerechtelijk Wetboek) en circuit 2
Secrétaire. ­ Secretaris Circuit 1 (sur la base de l'article 403 du Code judiciaire). ­ Circuit 1 (op basis van artikel 403 van het Gerechtelijk Wetboek)
Greffier et commis-greffier. ­ Griffier en klerk-griffier Transmis pour présentations via circuits 1 et 2 (article 262 du Code judiciaire). ­ Overgezonden voor voordrachten via circuits 1 en 2 (artikel 262 van het Gerechtelijk Wetboek)
Secrétaire adjoint et commis-secrétaire. ­ Adjunct-secretaris en klerk-secretaris Transmis pour présentations via circuit 1 (article 273 du Code judiciaire). ­ Overgezonden voor voordrachten via circuit 1 (artikel 273 van het Gerechtelijk Wetboek)
­ traducteur. ­ vertaler
­ rédacteur. ­ opsteller
­ employé. ­ beambte
­ messager. ­ bode
Circuits 1 et 2 (articles 177, 178, 179 et 180 du Code judiciaire). ­ Circuits 1 en 2 (artikelen 177, 178, 179 en 180 van het Gerechtelijk Wetboek) Circuit 1 (article 183 du Code judiciaire). ­ Circuit 1 (artikel 183 van het Gerechtelijk Wetboek)

7. ALGEMENE BESPREKING

A. Algemene beschouwingen

Met betrekking tot de rangschikking van de voor het vergelijkend examen geslaagde kandidaten (cf. blz. 40, punt 1.1.2. van het eindverslag van het driehoeksoverleg tussen de overheid, C.E.N.E.G.E.R. en de representatieve organisaties), stelt een lid vast dat er hieromtrent toch enige verdeeldheid heerst onder C.E.N.E.G.E.R. en de vakorganisaties.

Hijzelf pleit voor een rangschikking op grond van het aantal behaalde punten. Weliswaar kan men opwerpen dat punten ook relatief zijn, maar het feit dat de examinandi door verschillende examinatoren afzonderlijk worden gequoteerd, waarborgt een objectieve en afgewogen beoordeling. Hij verwijst in dat verband naar de wervingsexamens voor magistraten waarbij het examenresultaat wordt berekend tot een cijfer na de komma. Wie bijvoorbeeld 11,7 op 20 haalt, wordt niet in nuttige orde gerangschikt.

Spreker koestert grote argwaan tegen een rangschikking in categorieën met een algemene waardebeoordeling, zoals zeer goed, goed en voldoende.

Wat de aanwervingsprocedure betreft, en inzonderheid de indeling van de kandidaten in vier groepen (cf. blz. 41, punt 1.3.2), suggereert hij het probleem van de eventuele voorrang voor de mutatie aanvrager te onderzoeken in het licht van de voorrangsregels die vroeger in de publieke sector werden uitgevaardigd voor de krijgsgevangenen, ambtenaren uit het vroegere Belgisch-Kongo, enz.

Inzake de overgangsmaatregelen voor de houders van het bekwaamheidsattest heeft interveniënt zijn twijfels over de stelling dat de beperking van de geldigheid van deze attesten in de tijd om juridische redenen onmogelijk is.

Alvorens dit probleem te beslechten, wenst spreker te weten :

1. Wanneer werden de laatste bekwaamheidsexamens voor de verschillende categorieën georganiseerd ? Wordt er nog overwogen in de nabije toekomst tijdens de bespreking van de twee wetsvoorstellen examens te organiseren ? Zou er geen moratorium kunnen worden uitgevaardigd totdat de twee wetsvoorstellen wet zijn geworden en de problematiek definitief geregeld is ?

2. Hoeveel personen zijn er houder van het bekwaamheidsattest ? Indien dat een groot aantal is, hypothekeert dat gedurende verschillende jaren de aanwerving van kandidaten die voor het vergelijkend examen geslaagd zijn.

3. Geldt er voor de aanwerving van het administratief personeel van de griffies en parketten een maximumleeftijd ? In bevestigend geval rijst de vraag hoe dat moet worden gecombineerd met het probleem van de onbeperkte geldigheidsduur van de bekwaamheidsattesten.

Inzake de contractuelen geeft spreker toe dat er zich menselijke problemen kunnen voordoen. Hij kan aanvaarden dat er voor hen een specifieke regeling wordt uitgewerkt, evenwel beperkt in de tijd.

Een mogelijke oplossing voor het probleem van contractuelen die naar een statutaire benoeming solliciteren en in competitie komen met andere geslaagden van het vergelijkend examen die voor hen gerangschikt zijn, zou erin bestaan de kandidaturen van de beide categorieën op gelijkwaardige wijze in aanmerking te nemen voor zover het verschil in rangschikking tot een aantal plaatsen beperkt is (bijvoorbeeld 20). Een en ander mag echter niet ontaarden in een systeem dat het de minister van Justitie krachtens artikel 185 van het Gerechtelijk Wetboek mogelijk maakt kandidaten uit de achterste gelederen als contractueel op te vissen.

Wat de adviesprocedure betreft (cf. blz. 42, punt 1.4.), ziet spreker niet in waarom het advies van de hoofdgriffier of hoofdsecretaris van de plaats waar het ambt vacant wordt verklaard, absoluut in het benoemingsdossier moet worden opgenomen.

Thans roept de hoofdgriffier de kandidaten op voor een gesprek dat lang of kort, grondig of oppervlakkig kan zijn. Op grond hiervan verstrekt hij zijn advies. Een dergelijke praktijk is slechts aanvaardbaar voorzover de kandidaat op de griffie werkzaam is en de hoofdgriffier hem heeft kunnen evalueren.

Om die reden pleit hij tegen het advies van de hoofdgriffier of de hoofdsecretaris en betoont hij zich voorstander van de profielomschrijving, zeker wanneer het kandidaten betreft die nog niet in een griffie of een parketsecretariaat tewerkgesteld zijn. In die profielomschrijving geeft de hoofdgriffier of de hoofdsecretaris van de plaats waar de betrekking vacant is verklaard, op voorhand aan wat de vereiste kwaliteiten zijn om deze functie uit te oefenen. Daarbij kan van de kandidaten een zekere polyvalentie worden verwacht. Deze profielomschrijving zal de minister in staat stellen de adviezen en de beoordelingen van de hoofdgriffiers of hoofdsecretarissen over kandidaten die in hun dienst werkzaam zijn, hieraan te toetsen.

De minister verstrekt de volgende antwoorden :

1. De examens voor beambte en opsteller worden om de twee jaar georganiseerd. Het examen voor beambte heeft dit jaar plaats, dat voor opsteller volgend jaar. Het examen voor klerk-griffier en klerk-secretaris wordt om de drie jaar georganiseerd. Tevens wordt overwogen een examen voor bemiddelingsassistent uit te schrijven.

2. Wat het aantal geslaagden van de bekwaamheidsexamens betreft, zijn er geen precieze cijfergegevens voorhanden. Er kan wel worden nagegaan hoeveel er van hen nog naar openstaande betrekkingen solliciteren.

3. Er geldt voor de benoeming van het griffie- en secretariaatspersoneel geen maximumleeftijd.

4. Er zijn thans 727 Nederlandstaligen en 593 Franstaligen als contractueel werkzaam bij de griffies en de parketten.

Tijdens de laatste drie jaar werden er 778 Nederlandstaligen, 564 Franstaligen en 5 Duitstaligen statutair benoemd. Deze cijfers dienen met enige omzichtigheid te worden gehanteerd omdat zij ook de mutaties bevatten, d.w.z. statutair benoemde ambtenaren die ingevolge hun overplaatsing naar een ander arrondissement opnieuw werden benoemd.

De minister blijft het antwoord schuldig op de vraag wat de gemiddelde duur van de contractuele betrekking is van degenen die voor het bekwaamheidsexamen geslaagd zijn en naderhand statutair zijn benoemd.

Voorts stelt hij zich vragen hoe in de praktijk het maximum aantal plaatsen in de examenrangschikking zal worden bepaald die het een contractueel mogelijk moet maken om voor een vacature in competitie te komen met kandidaten die voor hem gerangschikt zijn bij het vergelijkend examen.

Bovendien moet er een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds de federaal geregelde « klassieke » werving van ambtenaren van de departementen en anderzijds de regionale werving van het griffie- en secretariaatspersoneel. Aangezien het bekwaamheidsattest een onbeperkte geldigheidsduur heeft, kunnen de houders van dit attest die dicht bij hun woonplaats willen werken, het zich veroorloven uitsluitend naar betrekkingen te solliciteren binnen hun arrondissement of hun provincie. Dat heeft ertoe geleid dat contractuelen die in dienst zijn genomen ter vervanging van een statutaire ambtenaar met een loopbaanonderbreking van vijf jaar, gedurende gans die periode een vacature binnen het arrondissement of de provincie afwachten en nooit solliciteren naar een elders opengevallen betrekking. Het spreekt vanzelf dat er zich problemen zullen voordoen wanneer contractuelen met een minder gunstig examenresultaat, die in hun woonomgeving wensen te werken, in concurrentie komen met beter gerangschikte kandidaten. Hier rijst de vraag of bij de keuze tussen de kandidaten het sociaal element in overweging moet worden genomen, alsook het verschil in rangschikking.

Wat de adviesprocedure betreft, verklaart de minister zich ervoor gewonnen om de hoofdgriffier en de hoofdsecretaris van de plaats waar de vacature zich voordoet, als dossierbeheerder aan te stellen. Het zijn trouwens zij die belast zouden kunnen worden met de profielomschrijving. Zij zijn derhalve het best geplaatst om na te gaan in welke mate de kandidaten al dan niet aan het vooraf opgestelde profiel beantwoorden. Zij dienen zich hieromtrent wel te informeren, bijvoorbeeld aan de hand van de beoordelingsstaten. Als dossierbeheerder treden zij dus op als correspondent van het departement. Zij moeten derhalve een goed gestoffeerd dossier over de kandidaten aan de minister bezorgen met de profielomschrijving en hun adviezen opgemaakt aan de hand van de beoordelingsstaten en de adviezen van andere hoofdgriffiers of hoofdsecretarissen, die de kandidaat hebben kunnen evalueren. Aldus kan de minister de kandidaten op grond van hun verdiensten met elkaar vergelijken. Mogelijke vooringenomenheid of preferentie wordt geweerd door kandidaten de mogelijkheid te bieden het advies aan te vechten.

Met betrekking tot de organisatie van de examens verklaart de minister dat er een zekere kadans in acht wordt genomen. Het hangt van het verloop van de bespreking van deze twee wetsvoorstellen af of de organisatie van de examens kan worden uitgesteld.

De laatste examens voor opsteller en beambte hadden plaats respectievelijk in 1994 en 1995. Hoe langer nieuwe examens worden uitgesteld, hoe minder geslaagden zullen kandideren. Dat zal de druk om contractuelen in dienst te nemen die niet voor het examen geslaagd zijn, doen toenemen met alle gevolgen vandien wat de objectiviteit van de selectieprocedure en de kwaliteit van de kandidaten betreft. Al deze elementen zal de minister in rekening moeten brengen bij de beoordeling van de noodzaak om nog examens volgens de oude regeling te organiseren.

In dit verband rijst nog de vraag welk lot de contractuelen is beschoren die niet voor het examen zijn geslaagd. De representatieve vakorganisaties dringen erop aan, in het kader van een overgangsregeling, voor deze categorie nog eenmaal het bekwaamheidsexamen oude stijl te organiseren. Deze vraag moet worden onderzocht, rekening houdend met de eventuele noodzaak nog een bekwaamheidsexamen volgens de thans geldende voorwaarden te organiseren, indien de bespreking van de twee wetsvoorstellen zou aanslepen.

Indien de voorgestelde hervorming afgerond is op 1 januari 1997, zou in het kader van een overgangsregeling nog één bekwaamheidsexamen volgens de thans geldende voorwaarden kunnen worden georganiseerd. Dit examen zou dan uitsluitend toegankelijk zijn voor de in dienst zijnde contractuelen.

Wordt 1 januari 1997 niet gehaald, dan zou de minister er ter wille van de objectiviteit toe genoodzaakt kunnen zijn een nieuw examen uit te schrijven voor de indienstneming van contractuelen.

Een lid wenst te weten of de geslaagden van de bekwaamheidsexamens thans in categorieën worden ingedeeld (bijvoorbeeld « grootste onderscheiding », « grote onderscheiding », enz.).

De minister antwoordt dat er uitsluitend voor het examen van bemiddelingsassistent een gradatie is ingevoerd onder de geslaagden volgens de categorieën grote onderscheiding, onderscheiding en voldoening.

De vorige spreker is van oordeel dat, wanneer er vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wetgeving bij wijze van overbrugging toch nog nieuwe examens moeten worden georganiseerd, een gradatie moet worden ingevoerd als tussenstap naar een numerieke rangschikking.

Voorts dringt hij erop aan dat zolang de voorgestelde hervorming nog geen kracht van wet heeft, bij de werving van contractuelen de voorrang wordt gegeven aan de uitkeringsgerechtigde werklozen die het beste examenresultaat hebben behaald.

Met betrekking tot de instantie die de vergelijkende examens zal organiseren, gaat zijn voorkeur o.m. om budgettaire redenen uit naar het Vast Wervingssecretariaat.

Indien alle betrokken partijen voor het ministerie van Justitie opteren, zal hij zich daarbij neerleggen.

De examens zouden hoe dan ook regionaal moeten worden afgenomen, met dien verstande dat de rangschikking gecentraliseerd wordt opgemaakt.

De minister merkt op dat in de keuze tussen het Vast Wervingssecretariaat en het ministerie van Justitie het argument van de objectiviteit en de neutraliteit geen rol mag spelen omdat anders de indruk wordt gewekt dat het ministerie van Justitie op dit vlak tot op heden tekort is geschoten.

De vorige spreker trekt de objectiviteit van het ministerie van Justitie in dit verband niet in twijfel, maar vestigt er de aandacht op dat door de organisatie van het examen aan het departement te onttrekken, ze wordt toevertrouwd aan een onafhankelijke instelling die binnen de publieke sector een groot gezag geniet.

De commissie stelt zich eensgezind op het standpunt dat de objectiviteit van het ministerie van Justitie bij de organisatie van examens buiten kijf staat.

Een ander lid wenst te weten of men voor de bekendmaking van de examens naast het Belgisch Staatsblad ook andere informatiekanalen zal gebruiken, zoals Teletekst.

De minister antwoordt bevestigend. Er zal nog worden nagegaan hoe aan deze examens de grootste ruchtbaarheid kan worden gegeven. Zo zal er in ieder geval worden samengewerkt met de Jobservice van de R.V.A.

Een lid is van oordeel dat de halvering van de termijn van kandidaatstelling van twee maanden tot één maand (cf. hoofdstuk 6, nota van de minister over de huidige benoemingsprocedures, A. Administratief over personeel) weinig zal bijdragen tot een snellere benoeming indien de adviesprocedures ook niet aan een vastbepaalde termijn worden onderworpen.

In dat verband verdient het experiment in het rechtsgebied van het Hof van Beroep van Antwerpen navolging in de andere ressorten. Eventueel kan een kopie van het advies aan de hiërarchische meerdere worden meegedeeld. Het staat deze laatste dan vrij bij de minister op het verstrekte advies te reageren of niet.

Spreker noteert met verbazing dat als aanwervingsvoorwaarde voor de contractuelen in de eerste plaats wordt vereist dat de kandidaat uitkeringsgerechtigd werkloos is en pas in tweede orde dat hij bij voorkeur ook geslaagd is voor het examen van beambte. Sinds wanneer en op welke rechtsgrond stoelt de verplichting om een uitkeringsgerechtigde werkloze in dienst te nemen ?

Op dit laatste punt antwoordt de minister dat in het kader van de herverdeling van de arbeid in de publieke sector uitsluitend uitkeringsgerechtigde werklozen in dienst mogen worden genomen ter vervanging van statutaire beambten die loopbaanonderbreking genieten of deeltijds werken (4/5).

De vorige spreker doet opmerken dat de contractuelen niet noodzakelijk ter vervanging van statutaire ambtenaren in dienst worden genomen.

De minister repliceert dat de voorwaarde om uitkeringsgerechtigde werklozen in dienst te nemen uitsluitend geldt in het kader van de vervanging van statutaire ambtenaren die hun loopbaan onderbreken of deeltijds werken. Dit onderscheid blijkt duidelijk uit zijn nota over de huidige benoemingsprocedure (cf. hoofdstuk 6, A. Administratief personeel, punt 3, Aanwerving contractuelen).


B. Overzicht van de knelpunten en de door de commissie geformuleerde oplossingen

Met het oog op eventuele tekstvoorstellen verzoekt de minister de commissie om een indicatieve uitspraak over de volgende vragen of knelpunten :

1. Voor welke graden dient een vergelijkend examen te worden georganiseerd? Voor alle bijzondere aanwervingsgraden of uitsluitend voor de functie van beambte ?

De commissie sluit zich aan bij de suggestie van de minister om het vergelijkend examen enkel te organiseren voor de bijzondere aanwervingsgraden, te weten die van bode, beambte en vertaler.

2. De commissie opteert blijvend voor de start van de wervingsprocedure op basis van de publicatie van de vacature in het Belgisch Staatsblad .

3. Met betrekking tot de vraag of de geslaagden van een vergelijkend examen individueel moeten worden gerangschikt dan wel per categorie, bv. zij die respectievelijk meer dan 90 pct., 80 pct., 70 pct. en 60 pct. hebben behaald, wordt eraan herinnerd dat twee representatieve vakorganisaties gewonnen zijn voor een categoriële rangschikking. De benoemende overheid beschikt dan binnen elke categorie over een keuzevrijheid om de haars inziens meest geschikte kandidaat aan te stellen.

De minister verheelt niet dat de regeling inzake de individuele rangschikking in de lijn van het regeerakkoord ligt. Hij vestigt er echter de aandacht op dat bij de toepassing van dit systeem rekening moet worden gehouden met de rechten en aanspraken van achtereenvolgens de statutair benoemden die om mutatie verzoeken, de contractuele personeelsleden die geslaagd zijn voor het examen en in nuttige orde gerangschikt zijn en de laureaten voor wie een overgangsregeling geldt.

Aldus beschikken de minister en de korpsoversten over een zekere beoordelingsmarge.

Volgens één van de indieners moet er een overgangsregeling worden uitgewerkt om de verkregen rechten van de geslaagde kandidaten van vroegere examens, waarvan het resultaat onbepaald in de tijd geldig blijft, te respecteren. Deze regeling dient zijns inziens wel een beperkte geldingsduur te hebben.

Met betrekking tot de samenloop tussen geslaagde kandidaten van een vergelijkend examen en statutair benoemden die om mutatie verzoeken, stelt hij dat bepaald moet worden in welke mate deze laatsten voorrang hebben.

De minister stipt aan dat thans de beide categorieën naar een vacante betrekking mogen solliciteren, waarna hij op grond van de adviezen van de betrokken korpsoversten over de benoeming beslist.

4. Dient het advies van de dienstoversten over de kandidaten een element van het benoemingsdossier te blijven?

Volgens sommige leden luidt het antwoord bevestigend.

Een ander lid merkt op dat deze adviezen de individuele rangschikking van de kandidaten kunnen beïnvloeden en zelfs omdraaien. Om die reden pleit hij voor een zogenaamd negatief advies. De ervaring leert dat er thans geen expliciet negatieve adviezen worden verstrekt, maar adviezen die zo zijn verwoord dat ze die indruk wekken. Hij verzet zich derhalve tegen adviezen die een rangschikking inhouden, maar voelt veel voor een systeem waarin enkel de negatieve punten van een kandidaat worden toegelicht. Dit biedt de betrokken kandidaat de gelegenheid het advies te weerleggen.

Een volgende spreker is van oordeel dat ter wille van de objectiviteit bij het opstellen van een advies bepaalde criteria in acht moeten worden genomen. Aldus wordt een rem gezet op de neiging van sommigen om in hun adviezen de verdiensten van de ene kandidaat iets te hoog in te schatten en die van de andere iets te laag om aldus de persoon van hun voorkeur een duwtje in de rug te geven.

Een andere interveniënt is de mening toegedaan dat een zogenaamd negatief advies geen advies is, maar een veto. Het advies moet derhalve zowel de kwaliteiten als de gebreken van een kandidaat in het licht stellen en met het oog op de eerbiediging van de rechten van de verdediging feitelijk gemotiveerd zijn. Zonder objectieve grondslag kan het advies immers niet worden weerlegd. Het zou zelfs door de minister kunnen worden aangegrepen om van het resultaat van het vergelijkend examen af te wijken.

Tevens mag het advies geen rangschikking van de kandidaten inhouden.

Indien het advies uitsluitend de negatieve hoedanigheden van een kandidaat zou betreffen, bestaat het gevaar dat er adviezen worden verstrekt, die thans niet worden gegeven, hetgeen de kandidaten benadeelt.

De minister merkt op dat de kandidaten tegen het over hen uitgebrachte advies in beroep kunnen gaan. Dit veronderstelt dat de adviezen feitelijk gemotiveerd moeten zijn en voor weerlegging vatbaar.

Een lid stipt eveneens aan dat de kandidaten over wie een advies is uitgebracht, geslaagd zijn voor het vergelijkend examen en in die hoedanigheid reeds rechten hebben verkregen.

Tot besluit van deze gedachtewisseling stelt de commissie dat, wanneer het advies van de diensthoofden over de kandidaten deel uitmaakt van hun benoemingsdossier, dit advies zowel de plus- als de minpunten van elke kandidaat afzonderlijk moet behandelen en omstandig gemotiveerd moet zijn. Hierbij mag geen rekening worden gehouden met de verdiensten van de andere kandidaten.

5. Krijgen de statutair benoemden absolute voorrang bij de invulling van een vacature bij wege van mutatie of komen zij in competitie met de kandidaten die voor het vergelijkend examen geslaagd zijn ?

De minister verklaart dat uit het overleg met de representatieve vakorganisaties gebleken is dat de formule van de absolute voorrang een aantal nadelen vertoont.

In de eerste plaats dreigt zij de werking van de griffies en de parketten van de grote arrondissementen te hypothekeren omdat zij voortdurend met aanvragen om mutatie zullen worden geconfronteerd van personeelsleden die dichter bij huis willen werken. Een dergelijk personeelsverloop zal de goede werking van deze griffies en parketten schaden en herleidt ze tot pure opleidingscentra.

Een ander nadeel is dat de geslaagden van de examens, die nog niet statutair benoemd zijn en afkomstig zijn uit verder afgelegen regio's, minder benoemingskansen hebben.

Thans kunnen zowel de geslaagden van een examen als de statutair benoemden via een mutatieaanvraag solliciteren naar een vacature. De minister neemt de beslissing tot benoeming op grond van de adviezen van de diensthoofden.

Op grond van het voorgaande gaat de commissie akkoord met de stelling dat statutair benoemden geen absolute voorrang krijgen bij de invulling van een vacature bij wege van mutatie, doch in competitie komen te staan met de geslaagde kandidaten van de wervingsexamens.

Er wordt op gewezen dat de uitdrukking « absolute voorrang » enigszins misleidend is omdat zij suggereert dat bepaalde vormen van voorrang wel degelijk mogelijk zijn.

De minister antwoordt dat men met de term « absoluut » de door de commissie aanvaarde stelling wil beklemtonen.

6. Onder welke voorwaarden kan worden toegestaan dat contractuelen die geslaagd zijn voor het vergelijkend examen, in competitie kunnen komen met beter gerangschikte kandidaten ?

Er dient namelijk een definitieve regeling te worden uitgewerkt voor de situatie waarbij geslaagden van het vergelijkend examen als contractueel in dienst worden genomen ter vervanging van een statutair personeelslid met bijvoorbeeld loopbaanonderbreking. Wordt de goede werking van de dienst niet geschaad wanneer contractuelen die gedurende enkele jaren voldoening hebben gegeven, bij een vacature een beter gerangschikte kandidaat dienen te laten voorgaan, eventueel zelfs ontslagen worden om achteraf op grond van hun rangschikking in een andere griffie te worden benoemd ?

Een van de indieners is van oordeel dat contractuelen die geslaagd zijn voor het vergelijkend examen, ten minste twee jaar in dienst moeten zijn en twee keer een gunstige beoordeling moeten hebben gekregen, om in competitie te kunnen komen met beter gerangschikte kandidaten. Zeker in de griffies en parketten van de grote arrondissementen zijn er tal van contractuelen met meer dan twee jaar dienst. Er mogen echter geen adviezen worden verstrekt over de kandidaten omdat het risico bestaat dat de dienstoversten liever met ervaren personeel willen blijven voortwerken en hun contractuelen daarom in een al te gunstig daglicht zullen stellen.

Het voorstel om de voor het examen geslaagde contractuelen te laten meedingen met beter gerangschikte kandidaten, voor zover het verschil in rangschikking tot een nog te bepalen maximum is beperkt, wordt als niet werkbaar beschouwd.

Een andere indiener spreekt zich uit voor een tewerkstelling van ten minste één jaar en één gunstige beoordeling, met behoud van het advies.

In de eerste plaats is een tewerkstelling van twee jaar voor veel contractuelen geen evidentie.

Ten tweede zijn examenresultaten relatief. Daarom biedt het advies de mogelijkheid de kandidaten beter te evalueren.

De minister preciseert dat de adviesprocedure haar beslag krijgt tussen de 9e en de 12e maand.

Op de vraag of uitsluitend geslaagden van het examen als contractueel in dienst mogen worden genomen, antwoordt de minister dat er twee toegangswegen zijn tot een betrekking als contractueel.

In de eerste plaats zijn er de geslaagden van het examen.

Ten tweede zijn er kandidaten die geslaagd zijn voor de selectietest die door het Vast Wervingssecretariaat wordt georganiseerd om valabele kandidaten te vinden onder de personen die krachtens de sociale wetgeving moeten worden aangeworven ter vervanging van statutair benoemde ambtenaren in loopbaanonderbreking of met een deeltijds arbeidsregime, te weten uitkeringsgerechtigde werklozen.

Het spreekt vanzelf dat contractuelen die uitsluitend voor de selectietest zijn geslaagd, niet voor een statutaire benoeming in aanmerking komen.

De commissie is het erover eens dat contractuelen die geslaagd zijn voor het vergelijkend examen, in competitie kunnen komen met beter gerangschikte kandidaten, voor zover zij ten minste één jaar in dienst zijn en één gunstige beoordeling hebben gekregen. De diensthoofden kunnen nog steeds een advies uitbrengen.

7. Overgangsmaatregelen

a) Blijft de geldigheidsduur van de brevetexamens uit het verleden onbeperkt ?

Deze vraag kan volgens sommigen moeilijk worden beantwoord omdat men niet weet hoeveel brevethouders er thans nog zijn. Indien dat aantal zeer hoog ligt, zal een positief antwoord, gelet op het aantal te voorziene vacatures, tot gevolg hebben dat deze personen nog zeer lang naar een betrekking zullen kunnen solliciteren waarvoor men volgens de nieuwe regeling geslaagd moet zijn voor het vergelijkend examen.

De minister verklaart dat de vraag naar het aantal geslaagden dat zich in de reserve bevindt, niet echt relevant is. De feiten wijzen uit dat een zeer groot aantal houders van het bekwaamheidsbrevet zich om de meest uiteenlopende redenen geen kandidaat stellen voor een vacante betrekking.

Aangezien de geldigheidsduur van het brevet onbeperkt is, beschouwen vele geslaagden van dit examen het brevet als een « werkloosheidsverzekering », waar zij in geval van ontslag op kunnen terugvallen om een baan bij de overheid te bemachtigen.

Indien de geslaagden van de brevetexamens in concurrentie zouden komen met de geslaagden van het vergelijkend examen, zou de geldingsduur van het brevet tot zes jaar kunnen worden beperkt.

Een lid werpt op dat de verplichte leerstof voor het geschiktheidsexamen en het vergelijkend examen dermate snel evolueert dat de vraag naar een beperkte geldingsduur van de examenresultaten onontkoombaar is. Daarenboven zal de kandidaat die zijn brevet tien jaar geleden heeft behaald en geen juridische beroepservaring heeft, de volledige materie waarschijnlijk opnieuw moeten instuderen.

Een volgende spreker acht het uitgesloten dat de geldigheidsduur van de brevetexamens uit het verleden onbeperkt zou zijn, terwijl die van het vergelijkend examen dat niet zou zijn.

Hij pleit, gelet onder meer op de evolutie van de materie, voor een termijn van drie jaar.

Een andere interveniënt stelt voor de geldigheidsduur van de brevetexamens uit het verleden te laten vervallen op hetzelfde ogenblik als die van het eerste vergelijkend examen dat na de inwerkingtreding van de nieuwe wet zal worden georganiseerd.

De minister verklaart dat de representatieve vakorganisaties erop hebben aangedrongen de geldingsduur van de brevetexamens op minimaal tien jaar te bepalen om de rechten van de thans in dienst zijnde contractuelen die houder zijn van het brevet, te vrijwaren.

In de mate er voor hen een specifieke regeling wordt uitgewerkt, is de beperking van de geldigheidsduur van het brevet tot die van het eerste vergelijkend examen juridisch aanvaardbaar ten opzichte van de houders van een brevet die niet in dienst zijn, omdat hun aanspraken op een benoeming niet geschonden zijn.

Tot slot pleit hij met betrekking tot het vergelijkend examen voor een geldigheidsduur van drie jaar, met mogelijk twee verlengingen van telkens één jaar, bijvoorbeeld wanneer er veel geslaagden zijn en een groot aantal vacatures.

De commissie stemt hiermee in.

b) Aanvaardt men dat geslaagden van de brevetexamens uit het verleden, ongeacht of ze contractueel in dienst zijn, op hetzelfde niveau kunnen meedingen naar een vacature als de als eerste gerangschikte kandidaat van het vergelijkend examen ?

De commissie antwoordt positief.

c) Is men bereid alle contractuelen die in dienst zijn op het moment van de inwerkingtreding van het nieuwe systeem, nog één kans op regularisatie te bieden op basis van nog één examen volgens de heden vigerende regels ?

De minister stelt dat deze vraag ingegeven is door de wens van de in dienst zijnde contractuelen om met het oog op een regularisatie van hun toestand, nog eenmaal te kunnen deelnemen aan een examen zonder dat de druk van een rangschikking op hen weegt.

Het probleem moet zijns inziens worden opgelost door zo snel mogelijk een vergelijkend examen uit te schrijven. De contractuelen die hiervoor slagen, kunnen dan meedingen naar de openstaande betrekkingen onder de voorwaarden bepaald in het antwoord op de vragen 5 en 6.

Een van de indieners verzet zich tegen deze formule.

Een andere indiener merkt op dat niets de minister belet om vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet nog een geschiktheidsexamen te organiseren waar alleen contractuelen aan mogen deelnemen. De geslaagden komen dan in competitie met de kandidaten uit het vergelijkend examen onder de voorwaarden bepaald in het antwoord op de vragen 5 en 6.

Bij gebrek van eensgezindheid wordt de minister gevraagd om eventueel in overleg met de representatieve vakorganisaties een voorstel uit te werken.

8. Wat is de maximale geldigheidsduur van het vergelijkend examen ?

Drie jaar, met mogelijk twee verlengingen van één jaar.

9. Gaat men akkoord dat voor de aanwerving als contractueel, naast de geslaagden van het vergelijkend examen, ook alle geslaagden van een selectietest in aanmerking kunnen worden genomen ?

Volgens de minister sluit de invoering van vergelijkende wervingsexamens voor het administratief personeel van de griffies en de parketten niet uit dat er nog problemen kunnen rijzen bij de indienstneming van contractuelen in het kader van de herverdeling van de arbeid, zoals in geval van loopbaanonderbreking en deeltijdarbeid.

Zo bepaalt de sociale wetgeving, welke toepasselijk is verklaard op het administratief personeel van hoven en rechtbanken, dat uitsluitend uitkeringsgerechtigde werklozen als contractueel in dienst mogen worden genomen ter vervanging van ambtenaren die deeltijds werken of hun loopbaan onderbreken.

Gelet op het gering aantal geslaagden en de beperkte geldigheidsduur van het vergelijkend examen, valt te vrezen dat er niet voldoende uitkeringsgerechtigde werklozen beschikbaar zullen zijn die voor het vergelijkend examen geslaagd zijn.

Daarom wordt voorgesteld dat ter wille van de objectiviteit selectietests worden georganiseerd voor uitkeringsgerechtigde werklozen die niet voor het vergelijkend examen geslaagd zijn. Aldus bestaat de waarborg dat de kandidaten aan de nodige kwaliteitseisen voldoen.

De opmerking dat het niet verantwoord is om in het kader van de indienstneming van contractuelen af te wijken van de regel dat zij voor het vergelijkend examen geslaagd moeten zijn, wordt gepareerd door een verwijzing naar de vigerende regelgeving volgens welke de loopbaanonderbrekingstoelage slechts door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening wordt toegekend indien een uitkeringsgerechtigde werkloze wordt aangeworven.

Een van de indieners merkt op dat de organisatie van bijkomende selectietests in zijn ogen slechts genade kan vinden voor zover ermee tegemoet wordt gekomen aan de dwingende regelgeving inzake de vervanging van ambtenaren die hun loopbaan hebben onderbroken of deeltijds werken, en er geen uitkeringsgerechtigde werklozen zijn die voor het vergelijkend examen geslaagd zijn. Prioritair moet echter worden gestreefd naar een vervanging door kandidaten die voor het vergelijkend examen geslaagd zijn.

Volgens de minister biedt de organisatie van selectietests de nodige soepelheid om bijvoorbeeld in geval van uitbreiding van de formatie op korte termijn de nood aan personeel te lenigen. Meestal wordt reeds vóór de uitbreiding personeel in dienstverband aangeworven om de toename van het werkvolume op te vangen.

Een en ander verklaart waarom er thans een relatief groot aantal contractuelen in dienst zijn. Het spreekt vanzelf dat zij die voor het examen geslaagd zijn, naar een statutaire benoeming solliciteren, hetgeen een groot personeelsverloop meebrengt.

Nochtans valt het moeilijk om bijvoorbeeld ter vervanging van een beambte in moederschapsverlof, een geslaagde van het examen te vinden wiens arbeidsovereenkomst na drie maanden bij de terugkeer van de betrokkene een einde zal nemen. Er zullen niet veel geslaagden bereid zijn hiervoor een andere betrekking op te geven.

De organisatie van selectietests met het oog op de indienstneming van uitkeringsgerechtigde werklozen biedt de nodige latitude om aan dergelijke personeelsbehoeften te voldoen.

De minister wenst deze regeling echter niet te beperken tot de aanwerving van uitkeringsgerechtigde werklozen in het kader van wettelijk geregelde programma's inzake herverdeling van de arbeid, zoals de loopbaanonderbreking, maar pleit tevens voor de toepassing ervan met het oog op de indienstneming van contractuelen ter vervanging van statutair personeel met ziekteverlof, moederschapsverlof enz.

Hij verbindt er zich wel toe geen contracten voor onbepaalde duur te sluiten met personen die niet voor het vergelijkend examen geslaagd zijn.

De minister stelt dat hij niet in een keurslijf mag worden gedwongen waardoor de dienstverlening op de griffies en de parketten in het gedrang zou komen.

Een ander lid heeft begrip voor deze problemen. Hij staat echter op het principe dat bij de vervanging van statutair personeel prioriteit moet worden gegeven aan de geslaagden van het vergelijkend examen. Pas als er onder hen geen kandidaten blijken te zijn, kunnen er selectietests worden georganiseerd, bijvoorbeeld voor uitkeringsgerechtigde werklozen die een statutair personeelslid in loopbaanonderbreking of met een viervijfde-tewerkstelling wensen te vervangen.

Een van de indieners gaat hiermee akkoord, maar stelt daarenboven dat de geldigheidsduur van de selectietest tot één jaar beperkt moet zijn.

De minister verklaart zich akkoord met het principe van de prioriteit voor de geslaagden van het vergelijkend examen. Zijn er onder hen geen kandidaten, dan zal één van de geslaagden van de selectietest worden aangewezen.

In tegenstelling tot de vorige spreker bepleit hij wel de onbeperkte geldigheidsduur van de selectietests.

Een lid acht dit onlogisch omdat de vergelijkende examens slechts een geldigheidsduur van ten hoogste vijf jaar zullen hebben.

De commissie sluit zich bij deze opmerking aan.

Op de vraag op welke wijze de geslaagden van het vergelijkend examen geïnformeerd worden over openstaande betrekkingen in dienstverband, antwoordt de minister dat aan de geslaagden zal worden gevraagd in welk arrondissement zij tewerkgesteld wensen te worden. Zodra zich daar een vacature voordoet, zelfs voor een vervangingsovereenkomst van korte duur, zullen zij daarover worden ingelicht.

10. Wie zal de vergelijkende examens organiseren ? Het ministerie van Justitie of het Vast Wervingssecretariaat ?

De minister acht het ministerie van Justitie de meest geschikte instantie om met inachtneming van de vereiste objectiviteit en neutraliteit de examens te organiseren.

Een van de indieners sluit zich hierbij aan, voornamelijk omdat het examens betreft houdende samenstelling van een wervingsreserve voor betrekkingen met een specifieke opdracht.

De indiener van het andere voorstel houdt vast aan het Vast Wervingssecretariaat, niet omdat hij de objectiviteit en de neutraliteit van het ministerie van Justitie bij de organisatie van deze examens in twijfel trekt, maar uit vrees dat er anders een dubbelzinnigheid zou optreden omdat het ministerie zowel de examenjury selecteert, als het examen organiseert.

Spreker heeft er echter geen bezwaar tegen dat de selectietests (cf. vraag 9) door het ministerie van Justitie worden afgenomen.

De minister antwoordt dat de twee grootste federale departementen, zijnde Financiën en Justitie, op dit ogenblik zelf examens organiseren.

Wat het ministerie van Justitie betreft, worden de ambtenaren en het gevangenispersoneel wel via het Vast Wervingssecretariaat gerekruteerd. Het departement heeft daarbij geen inspraak over de datum waarop de examens worden uitgeschreven noch over de voorwaarden inzake de samenstelling van de jury.

In een geest van consensus zal de minister nagaan welke voor- en nadelen er aan de twee formules verbonden zijn.

Tevens zal aan het Vast Wervingssecretariaat worden gevraagd hoe er bij de organisatie van het vergelijkend examen met het departement kan worden samengewerkt.

11. Wat is de houding tegenover geslaagden van het vergelijkend examen die als contractueel zijn aangeworven, doch die niet konden worden benoemd vóór het aflopen van de geldigheidsduur van de wervingsreserve ? Kunnen zij nog een nieuw contract aangeboden krijgen of in aanmerking komen voor een contractverlenging ?

Volgens één van de indieners kan in deze geen afbreuk worden gedaan aan de principes inzake de beperkte geldigheidsduur van het vergelijkend examen en de concurrentie tussen contractuelen die geslaagd zijn voor het vergelijkend examen, en vóór hen gerangschikte kandidaten (zie vragen 6 en 8). Anders creëert men een subcategorie van contractuelen die geslaagd waren voor een vergelijkend examen waarvan de geldingsduur verstreken is en dan in competitie komen met de geslaagden van latere examens. Een dergelijke regeling is onhoudbaar.

Om die reden dient de tweede vraag negatief te worden beantwoord.

Dat zal contractuelen er trouwens toe aanzetten zich vóór het verval van de geldingsduur van hun examen kandidaat te stellen voor een betrekking in een ander arrondissement.

De commissie sluit zich bij dit standpunt aan.

12. Is men het ermee eens dat aan de hoofdgriffier en de hoofdsecretaris van de plaats waar zich de vacature voordoet, een centrale rol wordt toebedeeld in de voorbereiding van het benoemingsdossier ?

Het antwoord luidt bevestigend voor zover de rol van de betrokken hoofdgriffier of -secretaris het beheer van het dossier betreft. Zij hebben echter niet de exclusiviteit van de adviesbevoegdheid.

13. Is iedereen het eens met de invoering van de beoordelingsstaat en met het feit dat ook contractuelen zullen worden beoordeeld zodat de beoordelingsstaat een element wordt van het benoemingsdossier ?

De commissie gaat hiermee akkoord. Er wordt gepreciseerd dat de beoordelingsstaat moet worden opgesteld aan de hand van welbepaalde criteria. Het is uitgesloten dat er voor de kandidaten losweg een beoordeling wordt neergeschreven welke niet aan bepaalde punten kan worden getoetst.

De minister deelt mee dat ofwel bij wet ofwel bij koninklijk besluit de gradaties in de beoordeling zullen worden bepaald, alsook de gevolgen die eraan verbonden zijn.

14. Kan er zowel voor de adviezen inzake de benoemingen en de bevorderingen als voor de beoordelingsstaat eenzelfde beroepsprocedure worden uitgewerkt ?

De commissie antwoordt positief.

15. Wat wordt de frequentie van de beoordeling ?

De minister verklaart dat in navolging van de regeling die thans voor de federale ambtenaren wordt uitgewerkt, een eerste beoordeling zou plaatshebben tussen de 9e en de 12e maand. Vervolgens zou er om de twee jaar een ambtshalve beoordeling worden gegeven, met de mogelijkheid voor het betrokken personeelslid om na één jaar een nieuwe beoordeling te vragen.

Met deze regeling hoopt men de administratieve rompslomp die de beoordelingsprocedure meebrengt, zoveel mogelijk te beperken, zonder de benoemings- en bevorderingskansen van het personeel te hypothekeren.

Een lid beschouwt deze procedure als loodzwaar omdat een personeelslid enerzijds in beroep kan gaan tegen de over hem uitgebrachte beoordeling, maar anderzijds na één jaar opnieuw een beoordeling kan vragen. Vanuit het oogpunt van de efficiëntie roept dit vragen op.

Een volgende spreker betoont zich, onder meer met het oog op de motivering van het personeel, voorstander van een jaarlijkse beoordeling waarbij de diensthoofden over een tijdsspanne van drie maanden beschikken om hun beoordeling op te stellen. De eerste beoordeling zou derhalve tussen de 9e en de 12e maand worden gegeven, de tweede tussen de 21e en de 24e maand enzovoort.

Deze procedure valt zijns inziens alleen zwaar uit bij de eerste beoordeling. Daarna kan de beoordeling worden beschouwd als een aanvulling of een correctie van de eerste beoordeling. De beoordelingsstaten zouden in die zin moeten worden opgesteld.

De minister wijst erop dat de door hem geschetste regeling vanaf volgend jaar in de federale departementen zal worden toegepast op het personeel van de niveaus 1 en 2+. De niveaus 3 en 4 komen later aan de beurt.

Dit systeem werd geconcipieerd om te vermijden dat de diensthoofden continu met het opstellen van beoordelingsstaten in de weer zouden zijn. Deze regeling is daarenboven niet zo log als op het eerste gezicht lijkt. De termijn van twee jaar neemt immers maar een aanvang op het ogenblik dat de vorige beoordeling, eventueel na een beroepsprocedure, definitief is geworden.

Gelet op het voorgaande stemt de commissie in met de door de minister uiteengezette regeling.

16. Gaat men akkoord met de oprichting van één raad van beroep per ressort van de hoven van beroep, bestaande uit één magistraat, twee hoofdgriffiers en twee secretarissen, alsook uit hun plaatsvervangers ? Kan er een speciale, nationale beroepsraad worden opgericht voor beroepen ingesteld door hoofdgriffiers en hoofdsecretarissen ?

Het antwoord luidt bevestigend.

De minister wijst erop dat de nationale beroepsraad wordt opgericht om te voorkomen dat hoofdgriffiers en hoofdsecretarissen door ambtgenoten worden beoordeeld. Deze raad doet derhalve geen uitspraak in tweede aanleg over de beslissingen van de vijf raden van beroep. Hij verklaart zich op zijn beurt akkoord met het voorstel dat de appelant zich zowel door een advocaat als door een vertegenwoordiger van een erkende vakorganisatie kan laten bijstaan.

17. Kan men akkoord gaan met de invoering van een profielomschrijving als toetssteen voor een benoeming ? In welke mate dient zo'n profielomschrijving gedetailleerd te worden ?

De minister verklaart dat het voorstel van de heer Erdman om een profielomschrijving in te voeren, binnen de gerechtelijke wereld op weinig steun kan rekenen.

Men gaat ervan uit dat een dergelijke omschrijving in de praktijk moeilijk haalbaar is. Het departement deelt deze opvatting.

Het is een vrijwel onoverkomelijke taak om voor alle ambten een specifieke omschrijving van het vereiste profiel op te stellen.

Een oplossing zou erin kunnen bestaan om in de examenaankondigingen het voor de functie vereiste profiel te vermelden.

Het zou echter te verregaand zijn om, zoals de heer Erdman voorstelt, voor elke vacature een profielomschrijving te geven.

In de eerste plaats zijn er administratieve bezwaren zoals de omvang van de aankondigingen in het Belgisch Staatsblad .

Ten tweede is het de vraag of deze profielen voldoende relevante gegevens bevatten. Tevens kunnen er problemen rijzen, wanneer een persoon statutair werd benoemd in een betrekking met een specifiek profiel, maar achteraf om dienstredenen wordt overgeplaatst en een betrekking met een ander profiel moet uitoefenen.

Het ministerie van Justitie heeft eveneens zijn reserves tegen het voorstel dat het profiel van een vacante betrekking in de oproep aan de kandidaten zou worden gepubliceerd. Dat zou er immers toe kunnen leiden dat er naar gelang van het gerechtelijk arrondissement voor een zelfde soort betrekking een verschillend profiel zou bestaan.

Hij stelt daarom voor dat wordt nagegaan of de opdrachten van de hoofdgriffier, de griffier, de parketsecretaris en het administratief personeel van de griffies en de parketten niet in het Gerechtelijk Wetboek kunnen worden omschreven.

Een lid verklaart zich om twee redenen gewonnen voor de invoering van de profielomschrijving.

In de eerste plaats verstrekt zij mogelijke kandidaten relevante informatie over de opdracht en verantwoordelijkheid die een bepaalde functie meebrengt.

Ten tweede geldt zij in het kader van de beoordeling als model waaraan kandidaten in hun beroepsuitoefening kunnen worden getoetst.

Spreker voelt veel voor de suggestie van de minister maar stelt dat het profiel zo moet worden opgesteld dat bij een examen kan worden geoordeeld in welke mate de kandidaten eraan voldoen.

Het Vast Wervingssecretariaat zou hierover kunnen worden geraadpleegd.

De minister deelt mee dat het Vast Wervingssecretariaat thans reeds vergelijkende examens organiseert op grond van profielomschrijvingen die echter zeer vaag zijn.

In het kader van de herwaardering van het ambt van griffier zou bijvoorbeeld een examen van systeembeheerder kunnen worden uitgeschreven, waarbij vooraf het vereiste kennisniveau zou worden bepaald, alsook andere voorwaarden waaraan de kandidaten dienen te voldoen.

18. Opteert men voor de titel « kabinetssecretaris » of « persoonlijk secretaris » voor de secretaris die aan een korpschef wordt toegevoegd ?

De minister wijst erop dat verschillende bepalingen in het Gerechtelijk Wetboek de korpschef de mogelijkheid bieden een secretaris te kiezen uit de griffiers of het griffiepersoneel (cf. de artikelen 162, 165 en 168 van het Gerechtelijk Wetboek).

Krachtens het voorstel van de heer Vandenberghe c.s. zouden deze secretarissen de titel van kabinetssecretaris voeren, hoewel het eigenlijk om persoonlijke secretarissen gaat.

Verscheidene vakorganisaties geven trouwens de voorkeur aan deze laatste benaming.

De minister preciseert dat, wanneer de korpschef op emeritaat gaat en zijn opvolger een andere secretaris kiest, de vroegere secretaris zijn oude functie als griffier of als personeelslid van de griffie weer opneemt.

Een meerderheid binnen de commissie geeft toch de voorkeur aan de term kabinetssecretaris, omdat de secretaris de (eerste) voorzitter bijstaat in de uitoefening van zijn ambt, zonder dat hij daarbij als zijn privé-secretaris (secrétaire particulier) optreedt.

19. Dienen de artikelen 89 en 107 van het Gerechtelijk Wetboek (oprichting van tijdelijke kamers) te worden aangevuld met een verplicht advies van het openbaar ministerie en de hoofdgriffier ?

In tegenstelling tot het wetsvoorstel dat de heer Vandeurzen c.s. in de Kamer heeft ingediend (Gedr. St., Kamer, 1995-1996, nr. 491-1), bepaalt het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. hieromtrent niets.

Een lid wenst te weten of er in de praktijk reeds problemen zijn gerezen doordat de (eerste) voorzitter van een rechtbank of een hof tijdelijke kamers heeft samengesteld zonder dat het parket en de griffie het daarmee eens waren. Of is de ratio legis het parket en de griffie betere informatie te verschaffen over de werklast die de oprichting van tijdelijke kamers meebrengt ?

Volgens de minister heeft de ervaring uitgewezen dat voor bepaalde materies geen tijdelijke kamers worden samengesteld hoewel het openbaar ministerie vragende partij is.

Het spreekt vanzelf dat een advies van het parket hieraan weinig zal veranderen.

Daartegenover staat dat de beslissing tot oprichting van tijdelijke kamers vooraf aan de hoofdgriffier zou moeten worden meegedeeld zodat deze laatste in zijn advies opmerkingen kan formuleren over de mogelijke evolutie van de werklast.

Een van de indieners is van oordeel dat naar analogie van artikel 107 van het Gerechtelijk Wetboek, ook artikel 89 de voorzitter de verplichting moet opleggen het advies van het openbaar ministerie in te winnen als voorwaarde voor de oprichting van tijdelijke kamers.

Hij acht het echter minder opportuun het advies van de hoofdgriffier in te winnen.

Aangezien het openbaar ministerie disciplinair toezicht uitoefent op het griffiepersoneel, zal, naar gelang van het geval, de procureur-generaal of de procureur des Konings moeten evalueren welke gevolgen de oprichting van tijdelijke kamers heeft op de werkzaamheden van de griffie.

De indiener van het andere voorstel sluit zich aan bij de opmerking van de vorige spreker wat het openbaar ministerie betreft. Hij wenst zich echter nog te beraden over het voorstel om ook het advies van de hoofdgriffier in te winnen.

20. Wat zijn de taken van de griffier ?

De minister verklaart dat de representatieve vakorganisaties de wens hebben uitgedrukt de in het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. opgesomde taken van de griffier als volgt aan te vullen (cf. art. 18) :

­ hij voert de boekhouding;

­ hij stelt de dossiers van de rechtspleging in staat en assisteert de rechter bij de voorbereiding van zijn taken.

Spreker is van oordeel dat de taken van de griffier in het kader van de herwaardering van zijn ambt zo dienen te worden omschreven dat er geen twijfel kan bestaan over zijn verantwoordelijkheid voor de hem toegewezen taken. Dit betekent dat de magistraat-korpschef die van een aantal taken wordt ontlast, zich niet meer naar eigen goeddunken mag bemoeien met taken waarvoor de griffier de eindverantwoordelijkheid draagt.

Men mag niet vergeten dat thans heel wat taken die aan de magistraten en de procureurs toekomen, respectievelijk naar de griffiers en de secretarissen worden doorgeschoven.

Met de voorgestelde aanvulling van artikel 173 van het Gerechtelijk Wetboek zouden alle taken die de griffiers thans uitoefenen, in de wet worden opgesomd.

Met betrekking tot de door de vakorganisaties voorgestelde aanvulling wenst een van de indieners te weten aan wie deze taken thans zijn toegewezen.

De minister geeft de volgende toelichting :

1. Het voeren van de boekhouding is thans aan de hoofdgriffier opgedragen. Dit betekent dat hij verantwoordelijk is voor de neergelegde sommen. Hij heeft echter geen zeggenschap over het bescheiden budget dat aan de voorzitter is toegekend met het oog op het uitvoeren van kleine werken.

Een lid wijst erop dat de bevoegdheid van de griffier inzake de boekhouding gepreciseerd moet worden om conflicten met de voorzitter te voorkomen over het beheer van de werkingsmiddelen van deze laatste. Hij stelt daarom voor te bepalen dat de griffier de boekhouding van de griffie voert.

De minister verklaart dat dit de bedoeling is. Hij stipt aan dat er binnen de rechtbank drie financiële circuits bestaan :

a) de griffierechten (bijvoorbeeld : het rolrecht,...) waarop het ministerie van Financiën controle uitoefent;

b) de griffie- en secretariaatskosten : dit zijn de middelen die door het ministerie van Justitie aan de griffier en de secretaris van het parket worden overgemaakt om de kosten te dekken die aan de organisatie van de griffie en het parketsecretariaat verbonden zijn. De griffier en de secretaris van het parket staan in voor het beheer van dit budget. Zij zijn derhalve rekenplichtig en onderworpen aan de controle van het Rekenhof;

c) fondsen die ter beschikking staan van de voorzitter met het oog op de organisatie van de rechtbank. De voorzitter beschikt niet direct over deze middelen. Hij kan dus bestellingen van goederen en diensten plaatsen en de rekeningen doorsturen naar het departement dat de leveranciers rechtstreeks betaalt.

Teneinde het risico op conflicten tussen de griffiers en de voorzitters van de rechtbanken te voorkomen, zou het wenselijk zijn te bepalen dat de griffier uitsluitend de boekhouding voert met betrekking tot de griffierechten en de griffie- en secretariaatskosten, maar niet betreffende de werkingsmiddelen van de voorzitter.

De commissie stemt hiermee in.

2) Het in staat stellen van de dossiers van de rechtspleging behoort tot de bevoegdheid van de rechter, maar de feiten tonen aan dat de griffiers hiervoor instaan.

Wordt bedoeld met het in staat stellen van de dossiers van de rechtspleging, het in ontvangst nemen van stukken, de ontvangstmelding en het verzenden van stukken. Dit is de bevestiging van de praktijk (cf . de griffier van de rollen).

Wat wel nieuw is, is de bijstand aan de rechter. Met deze taak evolueert de griffier stilaan in de richting van het ambt van referendaris.

De commissie sluit zich hierbij aan.

21. Wat is de gezagsverhouding tussen de procureur en de hoofdsecretaris ?

Krachtens artikel 182 van het Gerechtelijk Wetboek staat de secretaris van het parket onder de leiding en het gezag van de korpschef van het openbaar ministerie.

In het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. is er enkel nog sprake van een gezagsverhouding (art. 22).

De representatieve vakorganisaties stellen voor de term « gezag » te vervangen door het begrip « toezicht ». Op deze wijze zou er tussen de secretaris van het parket en de procureur dezelfde hiërarchische verhouding bestaan als tussen de griffier en de voorzitter van de rechtbank.

De vraag wordt gesteld of de griffier en de parketsecretaris wel dezelfde rol hebben.

Dient de parketsecretaris, zoals de hoofdgriffier, te waken over de authenticiteit van de stukken die aan het gerecht worden meegedeeld ?

De minister verklaart dat de magistratuur erop heeft aangedrongen haar van een aantal administratieve taken te ontlasten, zodat zij zich ten volle aan haar rechtsprekende functie kan wijden.

De bevoegdheid voor deze taken zou dan worden doorgeschoven naar de parketsecretarissen. Deze laatsten zijn echter van oordeel dat ze hiervoor dan ook de eindverantwoordelijkheid moeten dragen. Dit betekent dat zij, zoals de griffiers, over de nodige autonomie moeten beschikken om de werkzaamheden van hun dienst te organiseren. Dit parallellisme strekt zich dus niet uit tot de bevoegdheid van de griffier inzake de authenticiteit van de stukken (cf . art. 173 van het Gerechtelijk Wetboek).

Spreker staat positief tegenover de vraag om de bevoegdheid voor een reeks administratieve taken door te schuiven naar het parketsecretariaat.

De commissie wenst hierover nog geen standpunt in te nemen, maar het advies in te winnen van het Hof van Cassatie en het parket-generaal (cf. bijlage).

22. Dienen de licentiaten in de rechten, vooraleer zij tot adjunct-griffier benoemd kunnen worden, ten minste één jaar gewerkt te hebben in een graad ten minste gelijk aan die van beambte ? Wordt ook voor de licentiaten in de rechten een voorlopige aanstelling van één jaar ingevoerd, vooraleer, na evaluatie, een definitieve benoeming kan volgen ?

De commissie antwoordt bevestigend.

23. Wordt de mogelijkheid ingevoegd in de artikelen 264 en 274 om benoemd te worden tot hoofdgriffier of hoofdsecretaris indien men ten minste tien jaar adjunct-griffier of adjunct-secretaris was ?

Krachtens het voorstel van de heer Vandenberghe c.s. moet men om tot hoofdgriffier of hoofdsecretaris te worden benoemd :

1) volle vijfendertig jaar oud zijn;

2) hetzij licentiaat in de rechten zijn en ten minste vijf jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte, bij de griffie of het parket hebben uitgeoefend, hetzij houder zijn van een getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs (...), alsmede van het getuigschrift van kandidaat-griffier of kandidaat-secretaris en daarenboven ten minste vijf jaar het ambt van griffier of van secretaris hebben uitgeoefend (...) (cf . art. 31 en 41).

De representatieve vakorganisaties zijn van oordeel dat ook de adjunct-griffiers en adjunct-secretarissen met tien jaar ervaring in die functies voor een benoeming tot hoofdgriffier of hoofdsecretaris in aanmerking moeten komen.

De ratio legis van dit voorstel is personen die, gelet op hun leeftijd en de evolutie van hun loopbaan, niet of niet tijdig tot griffier/secretaris werden benoemd, maar over een ervaring van ten minste tien jaar als adjunct-griffier of adjunct-secretaris beschikken, de gelegenheid te bieden toch naar het ambt van hoofdgriffier of hoofdsecretaris te solliciteren. Men mag aannemen dat deze personen inmiddels al een loopbaan van vijfentwintig jaar hebben.

De indiener van het andere voorstel kan zich met deze benoemingsvoorwaarde verzoenen in de mate ze als overgangsmaatregel geldt met uitdovende werking.

Naar de toekomst toe pleit hij echter voor de benoemingsvoorwaarden die in het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. zijn gesteld.

De minister antwoordt dat de in artikel 68 van het wetsvoorstel vervatte overgangsbepaling aan deze bekommernis tegemoetkomt. De bestaande benoemings- en bevorderingsvoorwaarden blijven immers gelden voor zij die bij de inwerkingtreding van de nieuwe wet in functie zijn.

Er zal evenwel nader moeten worden onderzocht of de voorgestelde benoemingsvoorwaarden al dan niet tot immobilisme zullen leiden omdat valabele kandidaten wegens hun leeftijd en het verloop van hun carrière voornamelijk in de kleinere rechtbanken nog weinig kans op promotie maken.

In het kader van de herwaardering van de ambten van griffier en secretaris moet erover worden gewaakt dat de betrokkenen gedurende een voldoende lange periode verantwoordelijkheid kunnen dragen.

De vorige spreker stipt aan dat er zich ook in de grotere rechtbanken problemen kunnen voordoen. Hij pleit ervoor dat valabele kandidaten uit deze rechtbanken ook in de kleinere zouden kunnen worden benoemd om er de griffie of het secretariaat uit te bouwen.

De minister antwoordt dat hij zich over deze problematiek nog wenst te beraden.

24. Blijven de huidige benoemingsvoorwaarden voor het ambt van hoofdgriffier van het Hof van Cassatie voor de licentiaten in de rechten behouden ?

De minister deelt mee dat de afgevaardigde van het V.S.O.A. voor het behoud van de huidige benoemingsvoorwaarden pleit.

Verschillende leden zijn van oordeel dat zowel inzake benoemingsvoorwaarden als inzake wedde naar een eenvormige regeling moet worden gestreefd voor de griffiers van het Hof van Cassatie, de Raad van State en het Arbitragehof.

Wat het wetsvoorstel betreft om de wedde van de hoofdgriffier van het Hof van Cassatie op te trekken, stelt de minister dat de bepalingen van de wet op de loonmatiging in acht moeten worden genomen. Bijgevolg kan hier niet op worden ingegaan.

De commissie concludeert dat ze geen bezwaren heeft tegen het behoud van de huidige benoemingsvoorwaarden voor de licentiaten in de rechten.

25. Vrijstelling van examens voor gegradueerden in de rechtspraktijk (cf. art. 56 van het wetsvoorstel van de heer Vandeurzen c.s.) ?

Momenteel zijn er een beperkt aantal personen in de twee landsgedeelten die houder zijn van het graduaat in de rechtspraktijk.

Deze studierichting vormt een voorbereiding op het ambt van medewerker van het gerecht.

Gelet op de stand van de discussie kan er echter geen sprake van zijn deze gegradueerden vrij te stellen van het vergelijkend examen, zoals de heer Vandeurzen c.s. voorstelt.

In de mate deze studie een gedegen opleiding biedt, zou het examen voor deze personen trouwens geen probleem mogen opleveren.

Een van de indieners is van oordeel dat aan de houders van dit getuigschrift geen voorrecht kan worden verleend omdat het studieprogramma en het diploma niet door de overheid zijn goedgekeurd resp. erkend. Tevens worden er geen subsidies toegekend. Een en ander impliceert evenwel geen waardeoordeel over de school die op initiatief van de beroepsverenigingen van de griffiers en de gerechtsdeurwaarders is opgericht. Zolang dit onderwijstype niet officieel is erkend, kan het graduaat niet anders worden beschouwd dan als een voorbereiding op het vergelijkend examen.

De commissie sluit zich bij deze opvatting aan.

26. Artikel 51 (aanpassing van artikel 287 van het Gerechtelijk Wetboek) : sollicitatietermijn van 30 dagen in plaats van 2 maanden.

De termijn om zich kandidaat te stellen voor de betrekking van beambte en opsteller is bij koninklijk besluit op één maand bepaald.

Voor de benoeming tot griffier of secretaris beschikken de kandidaten overeenkomstig artikel 287 van het Gerechtelijk Wetboek over een termijn van twee maanden.

De minister stelt voor deze termijn tot één maand te herleiden.

De commissie stemt hiermee in, op voorwaarde dat dezelfde termijn zou gelden voor de benoemingen in de magistratuur.

De minister gaat hiermee akkoord.

27. Indeling van de parketsecretarissen bij de gerechtelijke ambten ?

De commissie heeft hiertegen geen bezwaar.

28. Voor welk type overgangsbepaling wordt geopteerd ? Blijven de heden in dienst zijnde personeelsleden in aanmerking komen voor een bevordering of een benoeming op basis van de huidige reglementering in de gevallen waar deze voor hen gunstiger is ?

De commissie beslist eerst de nieuwe regeling uit te werken alvorens de overgangsmaatregelen te onderzoeken en inzonderheid de vraag hoe verkregen rechten met de nieuwe bepalingen inzake benoeming en bevordering kunnen worden verzoend.


8. ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING

A. Basisopties

De minister beklemtoont dat bij de geplande hervorming de hierna opgesomde basisopties in acht moeten worden genomen.

Zij zijn het resultaat van de antwoorden die de commissie heeft geformuleerd op de haar voorgelegde vragenlijst, alsook van de opmerkingen van het Hof van Cassatie en het overleg zowel binnen de Regering als met vertegenwoordigers van de rechterlijke macht.

Deze opties vormen eigenlijk een algemene verantwoording voor de amendementen die zowel door de Regering als de commissieleden zullen worden ingediend.

1. Parket

Enkel de magistraten van het openbaar ministerie vormen de leden van het parket. De secretarissen maken daar geen deel van uit. Hun upgrading gaat wel zo ver dat zij in de rangorde van de hoven en rechtbanken, alsook in die van de parketten naast de leden van het openbaar ministerie zullen plaatsnemen. Dit betekent dat de artikelen 310 tot en met 315 van het Gerechtelijk Wetboek inzake rangorde en voorrang aan de nieuwe positie van de hoofdsecretarissen, secretarissen en adjunct-secretarissen zullen moeten worden aangepast. Een ander gevolg is dat, wanneer men de relatieve gelijkstelling van de leden van het secretariaat met de griffiers wenst te bekomen, een aantal aangelegenheden, zoals het statuut van de secretarissen, niet langer bij koninklijk besluit maar in het Gerechtelijk Wetboek moeten worden geregeld.

2. Integratie van de bemiddelingsadviseurs en -assistenten

De notie bemiddeling in strafzaken werd in het Wetboek van Strafvordering ingevoerd door de wet van 10 februari 1994 (cf. artikel 216ter van het Wetboek van Strafvordering). Het Gerechtelijk Wetboek bepaalt hieromtrent niets. Gelet op het spoedeisend karakter van het wetsontwerp inzake de strafbemiddeling werden de uitvoeringsmaatregelen inzake de procedure vastgesteld in het koninklijk besluit van 24 oktober 1994. Het statuut van de bemiddelingsadviseur en de bemiddelingsassistent werd geregeld in de koninklijke besluiten van 17 november en 7 december 1994. Eigenlijk behoort dit in het Gerechtelijk Wetboek te worden bepaald.

Deze lacune zal thans worden verholpen. De bemiddelingsadviseurs en -assistenten maken geen deel uit van de magistratuur, maar staan onder leiding en toezicht van respectievelijk de procureur-generaal en de procureur des Konings. Zij leggen de eed af in handen van deze magistraten. Ze maken als zodanig geen rechtstreeks deel uit van het secretariaat omdat ze onder leiding en toezicht van de korpschef van het parket staan.

3. Griffiers

De leden van de griffie zijn de griffiers, te weten de hoofdgriffiers, griffiers en adjunct-griffiers. De griffiers maken deel uit van de rechterlijke orde.

De personeelsleden van de griffie zijn geen leden van de griffie, maar leden van het administratief personeel : opstellers en beambten.

4. Herwaardering van de secretarissen ­ het secretariaat

Het bovenvermelde onderscheid tussen de leden van de griffie en het personeel van de griffie geldt eveneens tussen de leden van het secretariaat, te weten de secretarissen, en het personeel van het secretariaat, zijnde de vertalers, opstellers, beambten en zij die in de bijzondere graden kunnen worden aangeworven met toepassing van artikel 185, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek : maatschappelijk assistenten, bibliothecarissen, gebouwenbeheerders, industriële ingenieurs, enz.

De symmetrie op dit vlak tussen de griffiers en de secretarissen wordt op één punt niet doorgetrokken. De leden van het secretariaat maken in tegenstelling tot de griffiers geen deel uit van de rechterlijke orde. Ze worden wel in de rangorde vermeld.

In overleg met de procureurs-generaal zal worden voorgesteld dat ze onder leiding en toezicht staan van de procureur.

5. Examens

Er worden twee soorten examens ingesteld.

In de eerste plaats zijn er de vergelijkende examens voor alle aanwervingsgraden van het personeel van de griffies en de parketten, voor de bemiddelingsassistenten en de attachés van het Hof van Cassatie. De geldingsduur van het proces-verbaal van deze examens wordt in het Gerechtelijk Wetboek op 3 jaar vastgesteld met de mogelijkheid van twee verlengingen van elk 1 jaar.

Ten tweede zijn er de bevorderingsexamens voor de functies van opsteller bij de griffies en de parketten en bemiddelingsadviseur, met deze nuance dat criminologen rechtstreeks toegang hebben tot dit laatste examen.

Naast deze twee soorten examens wordt in het Gerechtelijk Wetboek ook een regeling ingeschreven voor de organisatie van selectietests met het oog op de indienstneming van personeel op grond van een arbeidsovereenkomst.

De vergelijkende examens worden georganiseerd door de minister van Justitie die een beroep kan doen op het Vast Wervingssecretariaat. Deze samenwerking moet bij koninklijk besluit worden geregeld.

De selectietests worden georganiseerd door de minister van Justitie of een andere staatsinstelling.

6. Adviesprocedure

In het voorgestelde artikel 287bis van het Gerechtelijk Wetboek zou moeten worden bepaald dat voor de benoeming van de leden van de griffie en het secretariaat, het personeel van de griffies en de secretariaten en de bemiddelingsadviseurs en -assistenten een zelfde adviesprocedure geldt. Deze uniforme werkwijze verdient de voorkeur op een fragmentaire benadering waarbij voor elk ambt afzonderlijk de adviesprocedure in verschillende artikelen van het Gerechtelijk Wetboek zou worden ingeschreven.

De centrale dossierbeheerder is de kernfiguur in deze procedure waarbij met het oog op de benoeming of de bevordering een advies aan de minister van Justitie moet worden verstrekt.

Wie treedt op als centrale dossierbeheerder ?

­ de procureur-generaal en de procureur des Konings voor respectievelijk de bemiddelingsadviseur en de bemiddelingsassistent;

­ de procureur des Konings of de arbeidsauditeur voor de hoofdsecretaris;

­ de magistraat-korpschef voor de hoofdgriffier;

­ de hoofdgriffier voor de leden van de griffie en het griffiepersoneel;

­ de hoofdsecretaris voor de leden van het secretariaat en het secretariaatspersoneel.

Met het oog op een bespoediging van de procedure worden de adviezen niet via hiërarchische weg, maar rechtstreeks door de dossierbeheerder aan de minister overgezonden. In bepaalde door de wet omschreven gevallen dient de dossierbeheerder op zijn beurt het advies van andere medewerkers van het gerecht in te winnen (bijvoorbeeld de hoofdgriffier die het advies inwint van zijn magistraat-korpschef) en mee over te zenden aan de minister.

Met het oog op de eerbiediging van de rechten van de verdediging zijn er een aantal termijnen vastgesteld. Bovendien worden de adviezen aan de betrokkenen meegedeeld. Er is in een beroepsprocedure voorzien.

Op te merken valt dat het advies moet worden ingewonnen over alle kandidaten die aan de benoemingsvoorwaarden voldoen en dit ongeacht of ze zijn voorgedragen of niet.

7. Beoordeling

Naar analogie van de adviesprocedure wordt voor de beoordeling eveneens voor een uniforme procedure gekozen.

Het stramien, neergelegd in artikel 287ter , is gebaseerd op het systeem dat geldt voor de federale ambtenaren. Het diensthoofd zal dus om de twee jaar een evaluatie moeten verrichten.

Het diensthoofd is naar analogie van de adviesprocedure :

­ de procureur-generaal, de procureur des Konings en de arbeidsauditeur voor de hoofdgriffier, de hoofdsecretaris en de attachés. De disciplinaire overheid, die bevoegd is voor de inspectie van de griffie, staat dus in voor de beoordeling hoewel deze er wel toe verplicht is het advies van de magistraat-korpschef van de zetel in te winnen. Er werd voor deze procedure gekozen opdat de tuchtprocedure werkzaam zou blijven. Tevens kan men door de beoordeling impulsen geven die de werking van de griffie en het secretariaat bevorderen, zonder dat men zijn toevlucht moet nemen tot disciplinaire maatregelen;

­ de procureur-generaal en de procureur des Konings voor respectievelijk de bemiddelingsadviseur en de bemiddelingsassistent;

­ de hoofdgriffier voor de leden van de griffie en het griffiepersoneel;

­ de hoofdsecretaris voor de leden van het secretariaat en het secretariaatspersoneel.

Ook hier geldt het principe van de dossierbeheerder, die eventueel nog andere wettelijk voorgeschreven inlichtingen moet opvragen alvorens zijn beoordeling aan de betrokkene te betekenen (bij voorbeeld het advies van de magistraat-korpschef van de zetel over de griffier).

Met het oog op de eerbiediging van de rechten van de verdediging zijn er ook voor deze procedure een aantal termijnen vastgesteld. Bovendien wordt de beoordeling aan de betrokkene meegedeeld. Er is in een beroepsprocedure voorzien.

De sanctie voor degene die een ongunstige beoordeling krijgt, bestaat in het opleggen van een vertraging in de bevordering.

8. Beroepsprocedure (het voorgestelde art. 287quater )

De beroepsraden nemen kennis van de beroepen ingesteld tegen zowel de adviezen uitgebracht in het kader van de benoemingsprocedure, als tegen de beoordelingsstaten.

De nationale raad behandelt de beroepen ingesteld door de attachés bij het Hof van Cassatie, de bemiddelingsadviseurs, de hoofdgriffiers en de hoofdsecretarissen.

De raden van beroep per ressort van de hoven van beroep behandelen de beroepen ingesteld door de leden van de griffies en de secretariaten (met uitzondering van de hoofdgriffiers en de hoofdsecretarissen), de bemiddelingsassistenten, het personeel van de griffies en de secretariaten.

De nationale raad bestaat uit een zetelmagistraat, twee parketmagistraten, twee hoofdgriffiers, twee hoofdsecretarissen, twee bemiddelingsadviseurs en een attaché.

De ressortraden bestaan uit een zetelmagistraat, twee parketmagistraten, twee griffiers, twee secretarissen, een bemiddelingsadviseur en een bemiddelingsassistent.

De Koning regelt de samenstelling van deze raden van beroep naar gelang van de personeelscategorie waartoe de verzoeker behoort. Bijvoorbeeld, wanneer het beroep is ingesteld door een griffier, zal de raad van beroep worden samengesteld uit een zetelmagistraat, twee parketmagistraten en twee griffiers.

9. Benoeming tot adjunct-griffier (art. 269bis ) of tot adjunct-secretaris (art. 280)

Nieuw is dat voor deze ambten ook rekening zal worden gehouden met andere universitaire diploma's dan dat van licentiaat in de rechten. Houders van dit laatste diploma zijn wel vrijgesteld van het examen voor kandidaat-griffier of kandidaat-secretaris.

Ze kunnen slechts worden benoemd na één jaar ambtsvervulling, tenzij zij reeds de nodige ambtservaring hebben opgedaan in een griffie of een parketsecretariaat.

De niet-universitairen moeten drie jaar ambtservaring in een griffie of secretariaat hebben alvorens aan het kandidaatsexamen te kunnen deelnemen. Fundamenteel is ook dat ze één jaar op proef worden benoemd, tenzij ze reeds in dienst waren.

Deze regeling biedt het voordeel dat zowel het universitair diploma als de beroepservaring worden gevaloriseerd.

10. Gelijkstelling van kandidaturen (cf. art. 64 van de aangenomen tekst ­ art. 286bis )

Voor de vacatures van attaché bij het Hof van Cassatie, bemiddelingsassistent, vertaler, beambte en bode, alsook in één van de bijzondere graden bedoeld in artikel 185, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, worden de volgende kandidaturen op gelijkwaardige wijze in aanmerking genomen :

­ de best gerangschikte van het desbetreffende vergelijkend wervingsexamen;

­ de contractueel ter plaatse die minder gunstig is gerangschikt bij het vergelijkend examen, ten minste één jaar de functie vervult en ten minste een beoordeling « zeer goed » heeft gekregen;

­ de kandidaat door mutatie;

­ de kandidaat vrijgesteld van het wervingsexamen, zijnde de houder van het diploma van licentiaat in de rechten.

Bij overgangsmaatregel (art. 92) :

­ de geslaagde van een vroeger brevetexamen;

­ de geslaagde van een eerstvolgend nieuw georganiseerd vergelijkend examen, die minder gunstig gerangschikt is, maar contractueel ter plaatse is met ten minste één jaar ervaring in de functie. Deze kandidaat hoeft nog geen beoordeling te hebben gekregen.

11. Overgangsmaatregelen (art. 90 en volgende van de aangenomen tekst)

De oude benoemingsvoorwaarden blijven gelden voor de titularissen die statutair benoemd zijn (art. 91).

Wat de contractuelen betreft die voor het brevetexamen of het vergelijkend wervingsexamen zijn geslaagd, kan naar punt 10 worden verwezen (art. 92).

De geslaagden van de oude brevetexamens voor opsteller worden geacht aan de nieuwe voorwaarden te voldoen (art. 93).

Idem dito voor de bemiddelingsadviseurs (art. 94).

De laureaten van de oude examens voor kandidaat-griffier of kandidaat-secretaris worden geacht aan de nieuwe benoemingsvoorwaarden te voldoen. Ze kunnen worden benoemd na één jaar proeftijd (art. 96).

B. Procedure

Aan de hand van een gecoördineerde tekst van de twee voorliggende wetsvoorstellen, die als werkdocument fungeert, heeft de commissie de artikelen in behandeling genomen in de volgorde waarin die in het Gerechtelijk Wetboek voorkomen. Vervolgens is de commissie overgegaan tot een tweede lezing.

De tekst aangenomen door de commissie, is achteraf met haar instemming op verschillende punten om taalkundige redenen verbeterd. Hierbij werd geen afbreuk gedaan aan de draagwijdte van de betrokken artikelen.

Duidelijkheidshalve verloopt het hierna volgend verslag in de volgorde van de artikelen van de aangenomen tekst waarbij eventueel wordt vermeld uit welk wetsvoorstel die komen.

C. Bespreking

­ Artikel 1 (7) (artikel 1 van het wetsvoorstel betreffende de aanwerving, de bevordering en de beoordeling van griffiers, secretarissen en personeel van de rechterlijke orde, ingediend door de heren Erdman en Lallemand c.s., nr. 1-147/1) (8), en van het wetsvoorstel tot wijziging van sommige bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot het personeel van de griffies en parketten, ingediend door de heer Vandenberghe c.s., nr. 1-270/1) (9)

De twee voorstellen bevatten een gelijkluidend artikel 1.

Het luidt als volgt :

« Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet. »

Bij dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt.

Het wordt aangenomen bij eenparigheid van de 9 aanwezige leden.

­ Artikel 2 (art. 2 van het voorstel Vandenberghe c.s.)

Het voorgestelde artikel 2 luidt :

« De Koning wordt gemachtigd in wetten en besluiten de hiernavermelde benamingen te vervangen als volgt : « griffie-hoofd van de griffie » door « hoofdgriffier »; « klerk-griffier » door « adjunct-griffier »; « eerstaanwezend klerk-griffier » door « eerstaanwezend adjunct-griffier »; « secretaris » door « hoofdsecretaris »; « adjunct-secretaris » door « secretaris »; « klerk-secretaris » door « adjunct-secretaris » en « eerstaanwezend klerk-secretaris » door « eerstaanwezend adjunct-secretaris. »

De minister wijst erop dat, wat de magistratuur betreft, de gebruiker dus, de basistekst van het Gerechtelijk Wetboek onmiddellijk wordt aangepast.

Veiligheidshalve verkiest de Regering de Koning te belasten met de aanpassing van de tekst. Dat geldt meer bepaald voor de reeds bestaande uitvoeringsbesluiten en de bijzondere wetten.

Met het oog op een betere lezing van dit artikel stelt een lid voor de benamingen verticaal met gedachtenstreepjes op te sommen.

Ten gronde is hij van oordeel dat op de machtiging die aan de Koning wordt verleend, een termijn moet worden gesteld. Gelet op de grote impact van de wetsvoorstellen, is het raadzaam dat de betrokken personeelscategorieën hier zo snel mogelijk duidelijkheid over krijgen.

Spreker gaat niet zover dat er een termijn in de wet moet worden bepaald. Hij kan er vrede mee nemen wanneer de Regering er zich toe zou verbinden om de oude benamingen binnen een redelijke termijn te vervangen door de nieuwe.

Misschien kan artikel 2 daarom worden gewijzigd als volgt : in het eerste lid zou worden bepaald dat de oude benamingen, zoals « griffier-hoofd van de griffie », van nu af aan worden vervangen door de nieuwe, zoals « hoofdgriffier ». Krachtens het tweede lid zou de Koning worden gemachtigd in bestaande wetten en besluiten de voorvermelde benamingen te vervangen.

De minister toont zich bevreesd voor een dergelijk automatisme. Elke bepaling moet immers worden geverifieerd. Zo wordt de term griffier soms in zijn algemene betekenis gebruikt en betreft hij zowel de hoofdgriffier als de griffier en de adjunct-griffier. Er dreigt grote verwarring te ontstaan als de term griffier blindelings zou worden vervangen door bijvoorbeeld de term hoofdgriffier. Daarom zal telkens moeten worden nagegaan welke functie juist wordt geviseerd (cf. de adviesprocedure). Indien alle benamingen automatisch zouden worden vervangen, dreigt het gevaar dat bepalingen hun zin verliezen of onlogisch blijken.

Verschillende leden achten het echter wenselijk dat de hervorming onmiddellijk toepasselijk zou zijn. Eventueel kan worden bepaald dat de benaming griffier niet in generieke betekenis mag worden begrepen.

Een vorige spreker stelt de volgende formulering voor :

« Onverminderd de aanpassingen die in deze wet in artikelen van het Gerechtelijk Wetboek worden doorgevoerd, zullen de hiernavermelde benamingen... De Koning wordt gemachtigd om... »

De heer Vandenberghe stelt bij amendement voor wat volgt (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 1) :

« Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 2. ­ Onverminderd de artikelen opgesomd in deze wet worden in het Gerechtelijk Wetboek de hiernavermelde benamingen vervangen als volgt :

­ « griffier-hoofd van de griffie » door « hoofdgriffier »;

­ « klerk-griffier » door « adjunct-griffier »;

­ « eerstaanwezend klerk-griffier » door « eerstaanwezend adjunct-griffier »;

­ « secretaris » door « hoofdsecretaris »;

­ « adjunct-secretaris » door « secretaris »;

­ « klerk-secretaris » door « adjunct-secretaris »;

­ « eerstaanwezend klerk-secretaris » door « eerstaanwezend adjunct-secretaris ».

De Koning wordt gemachtigd deze benamingen eveneens te vervangen in de bijzondere wetten en besluiten. »

De Regering dient een subamendement in (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 79) luidende :

« Het bepaalde van het eerste lid is niet van toepassing op de artikelen 259bis, 466, 467, 469, 469bis, 473, 475, 477, 482, 489, 505, 506, 508, 531, 531bis, 531ter, 531quinquies, 539, 540, 542, 545 en 553. »

Het amendement en het subamendement worden als artikel 2 aangenomen bij eenparigheid van de 9 aanwezige leden. Bij de tweede lezing wordt het amendement aangevuld met de woorden « van het Gerechtelijk Wetboek ».

In artikel 3 van hun wetsvoorstel stelt de heer Vandenberghe c.s. voor in het Gerechtelijk Wetboek een artikel 72bis op te nemen, luidende :

« Art. 72 bis. ­ Het bijzonder reglement voor de politierechtbank wordt door de Koning vastgesteld op advies van de voorzitter van de politierechtbank, van de procureur des Konings, van de hoofdgriffier van de politierechtbank en van de stafhouder van de Orde van advocaten. Het reglement wordt ter griffie van de rechtbank aangeplakt. »

De Regering suggereert dit artikel te schrappen.

Het voorgesteld artikel 72bis , dat over het bijzonder reglement voor de politierechtbank handelt, beperkt zich slechts tot een gedeeltelijke overname van artikel 88, dat de vaststelling van het bijzonder reglement voor de rechtbanken regelt. Uitsluitend het eerste lid van de eerste paragraaf wordt mutatis mutandis overgenomen in artikel 72bis . Indien men artikel 72bis wenst te behouden, is het raadzaam alle bepalingen van artikel 88 mutatis mutandis te kopiëren.

Binnen het departement van Justitie onderzoeken de procureurs-generaal en de voorzitters van de verschillende rechtbanken hoe deze bijzondere reglementen kunnen worden opgesteld. Vraag is of dat bij koninklijk besluit moet gebeuren dan wel of deze bevoegdheid aan de voorzitter kan worden overgelaten zodat deze laatste op soepele wijze de werkzaamheden kan regelen en eventuele problemen kan oplossen.

Om die reden wordt voorgesteld het voorgestelde artikel 72bis voorlopig te schrappen en de organisatie van de werkzaamheden van de rechtbanken later in het kader van een ander wetsvoorstel of wetsontwerp te regelen. Dit artikel houdt bovendien geen verband met de opzet van de twee wetsvoorstellen, namelijk de regeling van het statuut van de griffiers, de secretarissen en het personeel van de griffies en de parketten.

Er bestaat trouwens, wat de politierechtbanken betreft, geen nood aan het voorgesteld artikel 72bis omdat de voorzitter van deze rechtbank er krachtens artikel 88 toe gemachtigd is de nodige maatregelen te nemen.

Bijgevolg dient de heer Vandenberghe een amendement in, tot schrapping van het voorgestelde artikel 72bis (Gedr. St. Senaat, 1-270/2, amendement nr. 2).

Dit amendement wordt aangenomen bij eenparigheid van de 9 aanwezige leden.

­ Artikel 3 (nieuw)

De Regering stelt voor artikel 89 van het Gerechtelijk Wetboek te vervangen door een nieuwe bepaling.

Het nieuwe artikel 89 zou de bestaande tekst overnemen, met dit verschil dat nu ook het advies van de hoofdgriffier en, naar gelang van het geval, van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur dient te worden ingewonnen.

Een lid kan zich met het principe akkoord verklaren, maar stelt een inversie van de procedure voor. Dus eerst het advies van de procureur of de arbeidsauditeur, daarna dat van de hoofdgriffier.

Er wordt opgemerkt dat de procureur en de arbeidsauditeur voordeel hebben bij de in het artikel voorgestelde volgorde omdat zij eerst kennis krijgen van het advies van de hoofdgriffier.

Een lid stelt dat de vraag wie als eerste een advies mag geven, van ondergeschikt belang is wanneer niet bepaald wordt in welke mate er met dit advies rekening moet worden gehouden.

Zijn opmerking dat uit de voorgestelde tekst kan worden afgeleid dat tijdelijke kamers van een arbeidsrechtbank of een rechtbank van koophandel uitsluitend uit respectievelijk rechters in sociale zaken of consulaire rechters kunnen worden samengesteld, wordt als ongegrond beschouwd. De basisregels inzake de samenstelling van de rechtbanken blijven onverkort van toepassing.

Wat de volgorde van de adviezen betreft, stelt de minister dat de hoofdgriffier en de procureur des Konings of de arbeidsauditeur vanuit hun eigen verantwoordelijkheid aan de voorzitter van de rechtbank hun opinie moeten geven over de gevolgen van de oprichting van tijdelijke kamers op de organisatie van hun diensten.

De verplichting voor de voorzitter om deze adviezen in te winnen, is een voorbeeld van participatief management.

De vorige spreker vraagt zich af waarom de adviesprocedure dan formeel dient te worden toegepast. De voorzitter wiens mandaat tijdelijk zou moeten zijn, moet als manager de bevoegdheid hebben om zelf de nodige maatregelen te nemen. Dit betekent dat hij zelf bepaalt aan wie hij een advies vraagt en in welke mate hij ermee rekening houdt.

Het lid kan er bij wijze van tussenoplossing inkomen dat uitsluitend het advies van de hoofdgriffier moet worden gevraagd, maar niet dat van de procureur.

Een ander lid wenst te weten of de in de tekst voorgestelde procedure een chronologie inhoudt. Krijgt de procureur kennis van het advies van de hoofdgriffier of brengen zij elk afzonderlijk hun advies uit aan de voorzitter ?

Indien ze gelijktijdig worden uitgebracht, lijkt het hem, en ook andere sprekers, wenselijk de in het artikel bepaalde volgorde om te keren zodat eerst, naar gelang van het geval, de procureur des Konings of de arbeidsauditeur hun advies uitbrengen en daarna de hoofdgriffier.

De commissie stemt hiermee in.

Een lid vraagt wat men precies dient te verstaan onder de termen « tijdelijke kamers ». Houdt dat een wijziging in tegenover de geldende tekst ? Waarom wordt die bepaling ingevoegd in de voorliggende tekst ?

Er wordt hem geantwoord dat het om kamers gaat die voor een bepaalde tijd worden samengesteld, bijvoorbeeld om een specifieke achterstand weg te werken.

Voor de herwaardering van het ambt van griffier en secretaris bepaalt de voorgestelde tekst van artikel 89 van het Gerechtelijk Wetboek dat het advies van de hoofdgriffier en van de procureur-generaal vereist is telkens wanneer er een of meer tijdelijke kamers samengesteld moeten worden.

Als besluit van deze bespreking dient de Regering een amendement in (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 55) om artikel 89 van het Gerechtelijk Wetboek te vervangen als volgt :

« Art. 89. ­ Wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen, stelt de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, van de arbeidsrechtbank of van de rechtbank van koophandel, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de eerste voorzitter van het hof van beroep of, wanneer het gaat om de arbeidsrechtbank, van de eerste voorzitter van het arbeidshof, na het advies van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur, naar gelang van het geval, en van de hoofdgriffier te hebben ingewonnen, een of meer tijdelijke kamers samen, bestaande uit de rechters en, in voorkomend geval, de rechters in sociale zaken of de rechters in handelszaken die hij aanwijst. »

Dit amendement wordt aangenomen als artikel 3, bij eenparigheid van de 9 aanwezige leden.

­ Artikel 4 (nieuw)

De Regering dient een amendement in dat ertoe strekt artikel 107 van het Gerechtelijk Wetboek te vervangen als volgt (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 56) :

« Artikel 107 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 107. ­ Wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen, stelt de eerste voorzitter van het hof van beroep of van het arbeidshof, naar gelang van het geval, hetzij ambtshalve, na het advies van de procureur-generaal en van de hoofdgriffier te hebben ingewonnen, hetzij op verzoek van de procureur-generaal en na het advies van de hoofdgriffier te hebben ingewonnen, een of meer tijdelijke kamers samen, bestaande uit de raadsheren en, in voorkomend geval, de raadsheren in sociale zaken die hij aanwijst. »

In het voorgestelde artikel 107 wordt dezelfde adviesprocedure ingevoerd als in artikel 89.

Hoewel het vigerende artikel 107 eveneens voorziet in het advies van de procureur-generaal, stelt een lid voor deze adviesverplichting af te schaffen.

De commissie gaat hier niet op in.

Het amendement van de Regering wordt als artikel 4 aangenomen, bij eenparigheid van de 9 aanwezige leden.

­ Artikel 5 (art. 4 van het voorstel Vandenberghe c.s.)

Artikel 4 van het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. luidt als volgt :

« Artikel 157 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :

« Artikel 157 . ­ Er is een hoofdgriffier in elk vredegerecht en in elke politierechtbank. »

Er wordt verwezen naar de bespreking van artikel 6 van de aangenomen tekst (zie infra ).

Het artikel wordt als artikel 5 aangenomen, bij eenparigheid van de 9 aanwezige leden.

­ Artikel 6 (art. 5 van het voorstel Vandenberghe c.s.)

Artikel 5 van het voorstel van de heer Vandenberghe c.s. luidt als volgt :

« § 1. In artikel 158 van hetzelfde Wetboek worden de woorden « griffier-hoofd van de griffie » en « klerken-griffiers » vervangen door de woorden « hoofdgriffier », respectievelijk « adjunct-griffiers ».

§ 2. Artikel 158 van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met het volgende lid :

« Er kunnen bij de politierechtbanken één tot drie griffiers-hoofden van dienst zijn, die onder het gezag van de hoofdgriffier, deelnemen aan de leiding van de griffie. »

Artikel 5, § 1, bepaalt dat in artikel 158 de benamingen van « griffier-hoofd van de griffie » en « klerken-griffiers » worden vervangen door die van « hoofdgriffier » en « adjunct-griffier ». De vraag of dit artikel niet overbodig is vanwege artikel 2, wordt ontkennend beantwoord.

Artikel 2 dat in de vervanging van een resem benamingen voorziet, waaronder die van griffier-hoofd van de griffie, betreft namelijk andere hoofdstukken uit het Gerechtelijk Wetboek dan degene die door deze twee wetsvoorstellen worden geviseerd, alsook andere wetten en besluiten.

Er wordt dus op legistiek vlak de voorkeur aan gegeven om voor elk artikel afzonderlijk te bepalen welke benamingen gewijzigd moeten worden. Zo dient artikel 157 van het Gerechtelijk Wetboek te worden herschreven omdat hierin sprake is van een griffier-hoofd van de griffie die in bepaalde vredegerechten de titel van hoofdgriffier voert.

De commissie stemt hiermee in.

Bijgevolg wordt het artikel als artikel 6 aangenomen, bij eenparigheid van de 9 aanwezige leden.

Bij de tweede lezing is het bij § 2 van het artikel voorgestelde nieuwe lid gewijzigd naar analogie van dat van artikel 8 van de aangenomen tekst.

De nieuwe tekst van dat lid luidt :

« Een, tot drie griffiers-hoofden van dienst kunnen worden aangewezen voor de politierechtbank.

Zij nemen, onder leiding van de hoofdgriffier, deel aan de leiding van de griffie. »

­ Artikel 7 (art. 6 van het voorstel Vandenberghe c.s.)

Artikel 6 van het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. luidt als volgt :

« In artikel 160 van hetzelfde Wetboek wordt het woord « klerken-griffiers » vervangen door het woord « adjunct-griffiers ».

Dit artikel geeft geen aanleiding tot opmerkingen. Het wordt als artikel 7 aangenomen, bij eenparigheid van de 9 aanwezige leden.

­ Artikel 8 (art. 7 van het voorstel Vandenberghe c.s.)

Artikel 7 van het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. luidt als volgt :

« Artikel 161 van hetzelfde Wetboek wordt met de volgende volzin aangevuld :

« In de voormelde rechtbanken waar meer dan honderd personeelsleden met volledige betrekking werkzaam zijn, kan bovendien per dertig bijkomende personeelsleden een griffier-hoofd van dienst aangeworven worden. »

Voorgesteld wordt dit artikel te wijzigen in die zin dat de woorden « kan worden aangeworven » zouden worden vervangen door de woorden « kan er zijn ».

Er zou dus geen verplichting bestaan om in rechtbanken waar meer dan honderd personeelsleden met een volledige betrekking werkzaam zijn, per dertig bijkomende personeelsleden een griffier-hoofd van dienst aan te stellen.

Een lid stelt voor de Franse tekst als volgt te formuleren : « En outre, il est désigné dans les tribunaux..., un greffier-chef de service... ».

Een ander lid wenst te weten of de systematiek in de titulatuur geen geweld wordt aangedaan door in dit artikel de benaming « griffier-hoofd van dienst » te gebruiken terwijl deze benaming juist in tal van andere artikelen wordt vervangen door de benaming « hoofdgriffier ».

Ten tweede vraagt hij de bevestiging van de interpretatie dat met de dertig bijkomende personeelsleden voltijdse betrekkingen worden bedoeld.

Ten derde verzet hij zich ertegen dat de aanstelling van de griffier-hoofd van dienst het voorwerp van een evaluatie moet uitmaken. Hij pleit in dezen voor een ambtshalve aanstelling.

De minister antwoordt op dit laatste punt dat een wet betreffende de personeelsformatie deze regeling nader zal uitwerken. Een efficiënt beheer van de rechtbank veronderstelt geen rigide, maar soepele procedures waardoor op grond van de omvang van de rechtbank en het aantal in behandeling zijnde dossiers, dus om functionele redenen, kan worden beslist een griffier-hoofd van dienst aan te stellen. Bijvoorbeeld, als er in een rechtbank vijf diensten zijn met een griffier-hoofd van dienst, is het niet nodig om nieuwe griffiers-hoofd van dienst aan te stellen indien er dertig bijkomende personeelsleden worden aangetrokken, zonder dat het aantal diensten wordt uitgebreid.

De Regering kan dus later voorstellen om in bepaalde griffies de personeelsformatie uit te breiden zodat een bijkomende plaats van griffier-hoofd van dienst wordt gecreëerd. In tegenstelling tot de toekenning van een hogere functie, biedt deze procedure het voordeel dat er een betrekking vacant wordt verklaard en er een benoeming gebeurt.

Ten slotte dient de heer Vandenberghe het volgende amendement in (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr 3) :

« Artikel 161 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 161. ­ Bij de rechtbank van eerste aanleg, de arbeidsrechtbank en de rechtbank van koophandel kunnen één tot drie griffiers-hoofden van dienst worden aangewezen die, onder het gezag van de hoofdgriffier, deelnemen aan de leiding van de griffie.

Ingeval in voormelde rechtbanken meer dan honderd personeelsleden met volledige betrekking werkzaam zijn, kan het aantal griffiers-hoofden van dienst worden opgetrokken met één eenheid per dertig bijkomende personeelsleden. »

Dit amendement wordt als artikel 8 aangenomen, bij eenparigheid van de 9 aanwezige leden.

In tweede lezing wordt het eerste lid van het voorgestelde artikel 161 licht gewijzigd, om het aan te passen aan artikel 6 (zie hierboven).

­ Artikel 9 (art. 8 van het voorstel Vandenberghe c.s.)

Artikel 8 van het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. luidt als volgt :

« In artikel 162 van hetzelfde Wetboek worden volgende wijzigingen aangebracht :

1º het woord « secretaris » wordt vervangen door het woord « kabinetssecretaris »;

in fine worden de woorden « op advies van de hoofdgriffier » toegevoegd. »

Er wordt verwezen naar de bespreking van de artikelen 2 en 6 van de aangenomen tekst.

De heer Vandenberghe dient het volgende amendement in (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 4) :

« Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 8. ­ Artikel 162 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 162. ­ De Voorzitter van een rechtbank waarvan het rechtsgebied meer dan vijfhonderdduizend inwoners telt, kan een kabinetssecretaris kiezen uit de griffiers of het griffiepersoneel, op advies van de hoofdgriffier. »

Dit artikel wordt aangenomen als artikel 9, bij eenparigheid van de 9 aanwezige leden.

­ Artikel 10 (art. 9 van het voorstel Vandenberghe c.s.)

Artikel 9 van het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. luidt :

« Art. 9. ­ In artikel 163 van hetzelfde Wetboek wordt het woord « klerken-griffiers » vervangen door het woord « adjunct-griffiers ».

Verwezen wordt naar de bespreking van de artikelen 2 en 6 van de aangenomen tekst.

Het artikel wordt als artikel 10 aangenomen, bij eenparigheid van de 9 aanwezige leden.

­ Artikel 11 (art. 10 van het voorstel Vandenberghe c.s.)

Artikel 10 van het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. luidt als volgt :

« Artikel 164 van hetzelfde Wetboek wordt met de volgende volzin aangevuld :

« In de hoven waar ten minste honderd personeelsleden met volledige betrekking werkzaam zijn, kan bovendien per dertig bijkomende personeelsleden een griffier-hoofd van dienst aangeworven worden. »

Dit artikel moet worden gewijzigd naar analogie van het voorstel over artikel 8.

Bijgevolg dient de heer Vandenberghe het volgende amendement in (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 5).

« Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 10. ­ Artikel 164 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 164. ­ Bij het hof van beroep en het arbeidshof kunnen één tot drie griffiers-hoofden van dienst worden aangewezen die, onder het gezag van de hoofdgriffier, deelnemen aan de leiding van de griffie.

In geval in voormelde hoven meer dan honderd personeelsleden met volledige betrekking werkzaam zijn, kan het aantal griffiers-hoofden van dienst worden opgetrokken met één eenheid per dertig bijkomende personeelsleden. »

Dit amendement wordt als artikel 11 aangenomen bij eenparigheid van de 9 aanwezige leden.

In tweede lezing wordt de formulering van artikel 164 aangepast aan die van de artikelen 6 en 8 (zie hierboven).

­ Artikelen 12, 13 en 14 (art. 11, 12 en 13 van het voorstel Vandenberghe c.s.)

De artikelen 11, 12 en 13 van het voorstel van de heer Vandenberghe luiden als volgt :

« Art. 11. ­ In artikel 165 van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1º het woord « secretaris » wordt vervangen door het woord « kabinetssecretaris »;

in fine worden de woorden « op advies van de hoofdgriffier » toegevoegd. »

« Art. 12. ­ In artikel 167 van hetzelfde Wetboek wordt het woord « klerken-griffiers » vervangen door het woord « adjunct-griffiers. »

« Art. 13. ­ In artikel 168 van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1º het woord « secretaris » wordt vervangen door het woord « kabinetssecretaris »;

in fine worden de woorden « op advies van de hoofdgriffier » toegevoegd. »

Er wordt verwezen naar de bespreking van de artikelen 2 en 6 van de aangenomen tekst.

Bij artikel 11 dient de heer Vandenberghe het volgende amendement in (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 6) :

« Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 11. ­ Artikel 165 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 165. ­ De eerste voorzitter kan een kabinetssecretaris kiezen uit de griffiers of het griffiepersoneel op advies van de hoofdgriffier. »

Dit amendement wordt als artikel 12 aangenomen bij eenparigheid van de 9 aanwezige leden.

Artikel 12 van het wetsvoorstel wordt als artikel 13 aangenomen bij eenparigheid van de 9 aanwezige leden.

Bij artikel 13 van het wetsvoorstel dient de heer Vandenberghe het volgende amenement in (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 7).

« Dit artikel vervangen als volgt :

« Artikel 168 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 168. ­ De eerste voorzitter kan een kabinetssecretaris kiezen uit de griffiers of het griffiepersoneel op advies van de hoofdgriffier. »

Dit amendement wordt als artikel 14 aangenomen bij eenparigheid van de 9 aanwezige leden.

­ Artikel 15 (art. 14 van het voorstel Vandenberghe)

Artikel 14 van het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s luidt als volgt :

« In artikel 169 van hetzelfde Wetboek worden de woorden « klerken-griffiers » en « eerstaanwezend klerk-griffier » vervangen door de woorden « adjunct-griffiers », respectievelijk « eerstaanwezend adjunct-griffier » en worden de woorden « of van de griffier-hoofd van de griffie » geschrapt. »

Voorgesteld wordt het bestaande artikel 169, dat het principalaat betreft (in casu de benoeming van adjunct-griffiers met twaalf jaar dienst tot eerstaanwezend adjunct-griffier), op een aantal bijkomende punten te wijzigen.

Naast de vervanging van de benaming van klerk-griffier, zou de verplichting om het advies van de procureur des Konings of de procureur-generaal in te winnen, worden geschrapt. Tevens zou de hoofdgriffier zijn voorstel tot benoeming met het vereiste advies rechtstreeks naar de minister van Justitie zenden.

Een lid wenst te weten of de adjunct-griffier die niet tot eerstaanwezend adjunct-griffier wordt benoemd, een beroep kan instellen tegen de benoeming van een andere adjunct-griffier of tegen het feit dat hij niet voor het principalaat wordt voorgesteld.

De minister antwoordt dat de hoofdgriffier bij zijn voorstel tot benoeming rekening zal moeten houden met het evaluatiedossier. Hij zal dus niemand kunnen voordragen waarover hij eerder een negatief advies heeft uitgebracht. Omgekeerd rijst er een probleem wanneer een adjunct-griffier een positieve evaluatie heeft gekregen maar toch niet voor het principalaat wordt voorgedragen.

De enige mogelijkheid waarover een benadeelde beschikt, vergt een negatieve actie, d.w.z. het indienen van een verzoekschrift bij de Raad van State tot nietigverklaring van de benoeming van een andere adjunct-griffier tot eerstaanwezend adjunct-griffier.

De vorige spreker acht het zinvol dat er ook een beroepsmogelijkheid wordt ingesteld ten aanzien van de beslissing om iemand niet voor een bevordering voor te dragen. Dit zou heel wat beroepen bij de Raad van State voorkomen.

De minister verklaart dat het technisch mogelijk is om deze beroepsmogelijkheid in te schrijven in de beroepsprocedure die door de heren Erdman en Lallemand is voorgesteld.

De beroepscommissie zou dus uitspraak doen over de beslissing van de hoofdgriffier om een adjunct-griffier niet voor het principalaat voor te dragen. Die beslissing kan ingegeven zijn door opportuniteitsoverwegingen die geen uitstaans hebben met de persoon van de betrokken adjunct-griffier.

De hoofdgriffier zal derhalve ten overstaan van de commissie zijn personeelsbeleid alsook zijn evaluatie van het personeel moeten toelichten. Die commissie kan echter moeilijk uitspraak doen over de context, d.w.z. de opportuniteit van het beleid van de hoofdgriffier.

Als de beroepscommissie het beroep gegrond verklaart, rijst de vraag of de hoofdgriffier de betrokkene dan voor de benoeming tot eerstaanwezend adjunct-griffier moet voordragen. Of komt deze beslissing aan de minister toe ?

Wordt het beroep verworpen, dan zal het dossier eveneens bij de minister van Justitie belanden.

Men mag er dus van uitgaan dat de betrokkene zijn rechten steeds zal willen uitputten door tegen de beslissing van de adviescommissie in beroep te gaan bij de Raad van State.

De vorige spreker verdedigt de beroepsmogelijkheid om te voorkomen dat één persoon, de hoofdgriffier, om persoonlijke redenen weigert een adjunct-griffier voor het principalaat voor te dragen. Het is raadzaam dat een beroepscommissie deze beslissing kan toetsen.

De uitspraak van deze commissie zal voor de betrokkene een groter gezag uitstralen en makkelijker door hem worden aanvaard.

De minister ziet een uitweg door het principe van de negatieve selectie in te voeren. Dit betekent dat alle adjunct-griffiers met ten minste twaalf jaar dienst in het kader van een vlakke loopbaan in aanmerking komen voor de bevordering tot eerstaanwezend adjunct-griffier tenzij het tegengestelde wordt beslist.

Er zal worden nagegaan of dit principe in de loopbaanontwikkeling kan worden opgenomen.

Tenslotte dient de heer Vandenberghe het volgende amendement in (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 8).

« Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 14. ­ Artikel 169 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 169. ­ De adjunct-griffiers die ten minste twaalf jaar dienst hebben in de griffie van een vredegerecht, van een politierechtbank, van een rechtbank van eerste aanleg, van een arbeidsrechtbank, van een rechtbank van koophandel, van een hof van beroep, van een arbeidshof of van het Hof van Cassatie, worden door de Koning tot eerstaanwezend adjunct-griffier benoemd, voor zover zij bij hun beoordeling, bedoeld in artikel 287ter, de vermelding « zeer goed » hebben verkregen.

De dienstjaren uitgeoefend in een griffie, een parket of een secretariaat van het parket in een gelijkwaardige of een lagere graad komen in aanmerking. »

Dit amendement wordt als artikel 15 aangenomen bij eenparigheid van de 9 aanwezige leden.

­ Artikel 16 (art. 15 van het voorstel Vandenberghe c.s.)

Artikel 15 van het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. luidt :

« Artikel 170 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :

« Art. 170 . ­ De griffier vervult de griffietaken en staat de rechter bij als griffier in alle verrichtingen van zijn ambt.

Op deze regel wordt slechts uitzondering gemaakt wanneer om dringende redenen zijn tegenwoordigheid niet kon worden gevorderd. »

Dit artikel geeft geen aanleiding tot opmerkingen. Het wordt als artikel 16 aangenomen bij eenparigheid van de 9 aanwezige leden.

­ Artikel 17 (art. 16 van het voorstel Vandenberghe c.s.)

Artikel 16 van het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. luidt :

« Artikel 171 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :

« Art. 171 . ­ In het Hof van Cassatie, het hof van beroep, het arbeidshof, de rechtbank van eerste aanleg, de arbeidsrechtbank, de rechtbank van koophandel, het vredegerecht en de politierechtbank is er een griffie.

De griffie wordt gehouden door de hoofdgriffier.

De griffiers oefenen een gerechtelijke functie uit en vervullen hun taken in de griffie. »

Dit artikel geeft geen aanleiding tot opmerkingen. Het wordt als artikel 17 aangenomen bij eenparigheid van de 9 aanwezige leden.

­ Artikel 18 (art. 17 van het voorstel Vandenberghe c.s.)

Artikel 17 van het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. luidt als volgt :

« Artikel 172 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :

« Art. 172. ­ De hoofdgriffier leidt de griffie en verdeelt de griffietaken en de administratieve taken en wijst de griffiers aan om de rechter bij te staan. »

Dit artikel geeft geen aanleiding tot opmerkingen en wordt als artikel 18 aangenomen bij eenparigheid van de 9 aanwezige leden en met in tweede lezing, een materiële correctie in de Nederlandse tekst.

­ Artikel 19 (art. 18 van het voorstel Vandenberghe c.s.)

Artikel 18 van het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. luidt als volgt :

« Artikel 173 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :

« Art. 173. ­ Tot de taken van de griffier behoren :

­ hij houdt de griffie open voor het publiek;

­ hij verlijdt de hem opgedragen akten;

­ hij bewaart de minuten, registers en alle akten van het gerecht waarbij hij is aangesteld;

­ hij levert daarvan uitgiften, uittreksels of afschriften af;

­ hij bewaart de verzameling van wetten en andere boekwerken ten gebruike van de rechtbank;

­ hij houdt de tabellen, registers, repertoria, statistieken en andere documenten, hem bij de wet of besluiten opgedragen;

­ hij bewaart de waarden, documenten en voorwerpen die krachtens de wet ter griffie zijn neergelegd.

Tot de bijstand van de griffier aan de rechter behoort :

­ de griffier is aanwezig op de terechtzitting;

­ hij notuleert het verloop van de rechtszaken en de uitspraken, verleent akte van de verschillende formaliteiten waarvan de vervulling moet worden vastgesteld en verleent er authenticiteit aan; hij bewaakt de procedure.

De Koning kan nadere regels tot uitwerking van dit artikel bepalen. »

Het voorgestelde artikel 173 wordt met drie taken aangevuld ingevolge het antwoord van de commissie op vraag nr. 20 :

­ de griffier voert de boekhouding van de griffie;

­ hij assisteert de rechter bij de voorbereiding van diens taken;

­ hij stelt de dossiers van de rechtspleging in staat en bewaakt, wat hem betreft, de procedure.

Met betrekking tot dit laatste punt is een lid van oordeel dat de woorden « wat hem betreft » moeten worden vervangen door de woorden « binnen de perken van zijn bevoegdheid »/« dans les limites de sa compétence » om de draagwijdte van deze bepaling te verduidelijken.

Een ander lid vraagt dat de concordantie tussen de Nederlandse en de Franse tekst wordt geverifieerd wat het bewaren van de minuten, de verzameling van wetten et de waarden betreft (vierde, zesde en achtste gedachtestreepje).

Verschillende leden verheugen zich over de bepaling dat de griffier de griffie openhoudt voor het publiek. Hij is dus verantwoordelijk indien de griffie tijdens de normale openingsuren voor het publiek gesloten is.

Er blijkt wel een nuanceverschil te bestaan tussen de Nederlandse en de Franse tekst. In het Nederlands houdt de griffier de griffie open voor het publiek, terwijl in het Frans « il assure l'accès du greffe au public », hetgeen een verplichting inhoudt.

Op de vraag of de openingsuren van de griffie ook niet moeten worden vermeld, antwoordt de minister dat de griffies krachtens artikel 176 van het Gerechtelijk Wetboek open zijn op de dagen en uren bij koninklijk besluit bepaald.

Over de verplichting de wetboeken en andere werken ten behoeve van de rechters te bewaren, wijst hij erop dat het gaat om rechtsdocumentatie inzake wetgeving, rechtspraak en rechtsleer, die de rechter nodig heeft om zijn taak uit te voeren.

De commissie stelt voor deze bepaling in die zin te wijzigen, alsook in het laatste lid de woorden « De Koning kan ... bepalen » te vervangen door de woorden « De Koning bepaalt ... ».

Op verzoek van een lid besluit de Commissie het bijhouden van het handelsregister bij de rechtbank van koophandel toe te voegen aan de taken van de griffier.

Tot besluit dient de heer Vandenberghe het volgende amendement in (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 9) :

« Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 18. ­ Artikel 173 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 173. ­ Tot de taken van de griffier behoren :

­ hij stelt de griffie voor het publiek toegankelijk;

­ hij voert de boekhouding van de griffie;

­ hij verlijdt de akten waarmee hij belast is;

­ hij bewaart de minuten, registers en alle akten van het gerecht, waarbij hij is aangesteld;

­ hij levert daarvan uitgiften, uittreksels of afschriften af;

­ hij bewaart de rechtsdocumentatie inzake wetgeving, rechtspraak en rechtsleer ten behoeve van de rechters;

­ hij maakt de tabellen, registers, repertoria, statistieken en andere documenten op, waarmee hij bij wet of besluit belast is;

­ hij staat in voor de bewaring van de waarden, documenten en voorwerpen die krachtens de wet ter griffie zijn neergelegd.

De griffier verleent bijstand aan de rechter :

­ hij bereidt de taken van de rechter voor;

­ hij is aanwezig op de terechtzitting;

­ hij notuleert het verloop van de rechtszaken en de uitspraken;

­ hij geeft akte van de verschillende formaliteiten waarvan de vervulling moet worden vastgesteld en verleent er authenticiteit aan;

­ hij stelt de dossiers van de rechtspleging in staat en ziet, in het kader van zijn bevoegdheid, toe op de naleving van de reglementering ter zake.

De Koning stelt nadere regels voor de toepassing van dit artikel. »

Met enkele kleine materiële correcties aangebracht in tweede lezing, wordt dit amendement als artikel 19 aangenomen biij eenparigheid van de 9 aanwezige leden.

­ Artikel 20 (art. 19 van het voorstel Vandenberghe c.s.)

Art. 19 van het wetvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. luidt als volgt :

« In artikel 175 van hetzelfde Wetboek worden de woorden « of de griffier-hoofd van de griffie » geschrapt. »

Dit artikel geeft geen aanleiding tot bespreking en wordt als artikel 20 aangenomen bij eenparigheid van de 9 aanwezige leden.

­ Artikel 21 (nieuw)

De Regering dient een amendement in dat ertoe strekt in het tweede deel, boek I, van het Gerechtelijk Wetboek een titel IIIbis in te voegen, luidende (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 57) :

« Titel IIIbis. Bemiddelingsadviseurs en -assistenten

Art. 176bis. ­ Aan ieder parket bij het hof van beroep zijn een of meer bemiddelingsadviseurs verbonden, die de Koning benoemt. De Koning bepaalt hun aantal naar de behoeften van de dienst. Zij staan onder leiding en toezicht van de procureur-generaal of van de magistraat die hij daartoe aanstelt.

Bij het uitwerken van een strafrechtelijk beleid voor de bemiddeling in strafzaken staat de bemiddelingsadviseur de procureur-generaal bij. Hij wordt ingeschakeld voor de evaluatie, de coördinatie en het toezicht op de toepassing van de bemiddeling in strafzaken over de verscheidene parketten van het ambtsgebied van de procureur-generaal. Hij staat de bemiddelingsassistenten bij met betrekking tot de algemene en bijzondere vragen gesteld bij de uitvoering van hun taken.

Art. 176ter. ­ Aan ieder parket van de procureur des Konings zijn een of meer bemiddelingsassistenten verbonden, die de minister van Justitie benoemt. De Koning bepaalt hun aantal naar de behoeften van de dienst. Zij staan onder leiding en toezicht van de procureur des Konings of van de magistraat die hij daartoe aanstelt.

Bij het uitwerken van de bemiddeling in strafzaken staat de bemiddelingsassistent de procureur des Konings bij. Hij wordt ingeschakeld in de verschillende fasen van de bemiddeling in strafzaken en meer bepaald de concrete uitwerking ervan. Hij voert zijn opdracht uit in nauwe samenwerking met en onder het toezicht van de procureur des Konings.

Art. 176quater. ­ Bemiddelingsassistenten die ten minste achttien jaar graadanciënniteit tellen worden door de minister van Justitie tot eerstaanwezend bemiddelingsassistent benoemd, voor zover zij bij hun beoordeling, bedoeld in artikel 287ter, de vermelding « zeer goed » hebben verkregen. »

Er wordt naar de inleidende uiteenzetting van de minister verwezen (punt I.B.2).

Deze artikelen nemen de bepalingen van het koninklijk besluit over.

Het eerste lid van de voorgestelde artikelen 176bis en 176ter plaatst de bemiddelingsadviseurs en de bemiddelingsassistenten in het gerechtelijk korps waarvan zij deel uitmaken.

Het voorgestelde artikel 176quater betreffende het principalaat wordt opgesteld conform het principe dat de commissie heeft aangenomen inzake het voorgestelde artikel 169, eerste lid, (art. 15 van de aangenomen tekst).

Een lid merkt op dat in het laatste lid van het voorgestelde artikel 176ter vermeld wordt dat de bemiddelingsassistent zijn opdracht uitvoert « in nauwe samenwerking met en onder het toezicht van de procureur des Konings ». In het koninklijk besluit van 24 oktober 1994 wordt evenwel alleen melding gemaakt van het tweede van deze gegevens.

Dit punt moet onderzocht worden onder meer in het licht van de motivering van het koninklijk besluit en het verslag aan de Koning.

De minister verwijst naar de formule « onder leiding en toezicht van ... », die in het eerste lid van artikel 176ter voorkomt.

Het amendement wordt als artikel 21 aangenomen bij eenparigheid van de 9 aanwezige leden.

­ Artikelen 22 tot 25 (art. 20 van het voorstel Vandenberghe)

Artikel 20 van het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. luidt als volgt :

« In artikel 177 van hetzelfde Wetboek worden de woorden « griffier-hoofd van de griffie » vervangen door het woord « hoofdgriffier. »

De heer Vandenberghe dient het volgende amendement in (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 10).

« Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 20. ­ In artikel 177 van hetzelfde Wetboek worden de worden « op advies van de vrederechter of van de rechter in de politierechtbank en van de griffier-hoofd van de griffie » geschrapt. »

De Regering dient eveneens drie amendementen in tot wijziging van de artikelen 178, 179 en 180 van het Gerechtelijk Wetboek (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendementen nrs. 58 tot 60).

De amendementen luiden als volgt :

Amendement nr. 58 :

« In artikel 178 van hetzelfde Wetboek worden de woorden « op advies van de voorzitter en van de hoofdgriffier » geschrapt. »

Amendement nr. 59 :

« In artikel 179 van hetzelfde Wetboek worden de woorden « op advies van de eerste voorzitter en van de hoofdgriffier » geschrapt. »

Amendement nr. 60 :

« In artikel 180 van hetzelfde Wetboek worden de woorden « Deze wint vooraf het advies in van de eerste voorzitter en van de hoofdgriffier. » geschrapt. »

De reden waarom deze artikelen de bepaling inzake het advies van de magistraat van de zetel en de hoofdgriffier of de griffier-hoofd van de griffie schrappen, houdt verband met het feit dat het door artikel 66 voorgestelde artikel 287bis een uniforme adviesprocedure invoert welke gebaseerd is op de figuur van de centrale dossierbeheerder (cf. uiteenzetting van de minister van Justitie, punt I.B.6.).

Inhoudelijk wordt er niets gewijzigd : de centrale dossierbeheerder moet nog steeds het advies van de magistraat van de zetel en van de hoofdgriffier of griffier-hoofd van de griffie inwinnen.

De vier amendementen worden als artikel 22, 23, 24 en 25 aangenomen bij eenparigheid van de 9 aanwezige leden.

­ Artikel 26 (art. 21 van het voorstel Vandenberghe c.s.)

Artikel 21 van het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. luidt als volgt :

« In artikel 181 van hetzelfde Wetboek worden de woorden « of van de griffier-hoofd van de griffie » geschrapt. »

De heer Vandenberghe dient het volgende amendement in (Gedr. St., Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 11) :

« Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 21. ­ Artikel 181 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 181. ­ De opstellers, beambten en boden die ten minste twaalf jaar dienst hebben in de griffie van een vredegerecht, van een politierechtbank, van een rechtbank van eerste aanleg, van een arbeidsrechtbank, van een rechtbank van koophandel, van een hof van beroep, van een arbeidshof of van het Hof van cassatie, worden door de minister van Justitie, respectievelijk, tot eerstaanwezend opsteller, eerstaanwezend beambte en eerstaanwezend bode benoemd, voor zover zij bij hun beoordeling, bedoeld in artikel 287ter, de vermelding « zeer goed » hebben verkregen.

De dienstjaren uitgeoefend in een griffie of een secretariaat van het parket in een gelijkwaardige of een lagere graad komen in aanmerking. »

Dit amendement wordt als artikel 26 aangenomen bij eenparigheid van de 9 aanwezige leden.

­ Artikel 27 (art. 22 van het voorstel Vandenberghe c.s.)

Artikel 22 van het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. luidt als volgt :

« § 1. In artikel 182 van hetzelfde Wetboek worden het eerste en tweede lid vervangen als volgt :

« Bij ieder parket is er een secretariaat verbonden, onder de leiding van een hoofdsecretaris.

De hoofdsecretaris wordt door de Koning benoemd.

De hoofdsecretaris van het parket is belast met de leiding van de administratieve diensten en staat daarbij onder het gezag van de procureur-generaal, de procureur des Konings of de arbeidsauditeur.

De secretaris staat de procureur-generaal, de procureur des Konings of de arbeidsauditeur bij. Hij ondertekent de documenten die hem door het hoofd van het parket worden aangeduid. Hij bewaart de registers, het archief en de documenten van het parket.

De procureur-generaal, de procureur des Konings en de arbeidsauditeur bij een rechtbank waarvan het rechtsgebied meer dan vijfhonderdduizend inwoners telt, kunnen zich een kabinetssecretaris kiezen uit het personeel van het parket, op advies van de hoofdsecretaris. »

§ 2. In het derde lid van hetzelfde artikel wordt het woord « Hij » vervangen door de woorden « De hoofdsecretaris ».

§ 3. In het derde lid van ditzelfde artikel worden de woorden « adjunct-secretarissen » en « klerken-secretarissen » vervangen door de woorden « secretarissen », respectievelijk « adjunct-secretarissen ».

§ 4. In het vierde lid van ditzelfde artikel wordende woorden « adjunct-secretarissen-hoofden van dienst », « secretaris » en « adjunct-secretarissen » vervangen door « secretarissen-hoofden van dienst », respectievelijk « hoofdsecretaris » en « secretarissen ».

§ 5. In het vierde lid van ditzelfde artikel wordt na de eerste volzin een nieuwe bepaling ingevoegd luidend als volgt : « In de parketten waar ten minste honderd personeelsleden met volledige betrekking werkzaam zijn, kan bovendien per dertig bijkomende personeelsleden een secretaris-hoofd van dienst aangewezen worden. »

Gelet op de herwaardering van de secretarissen zal het door het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. voorgestelde artikel 182 moeten worden aangevuld met bepalingen uit reglementaire teksten (cf . vragen 27 en 28).

Een belangrijke wijziging betreft het feit dat de hoofdsecretaris onder toezicht en leiding van de korpsoverste van het parket staat.

Luidens het vigerende artikel 182 staat de secretaris onder de leiding en het gezag van de korpsoverste van het parket. In het wetsvoorstel van senator Vandenberghe werd enkel het element gezag in aanmerking genomen.

Na overleg met de door de procureurs-generaal afgevaardigde advocaten-generaal werd besloten dat de begrippen toezicht en leiding het best de hiërarchische verhouding weergeven tussen de procureur en de hoofdsecretaris. De term gezag werd als te vaag beschouwd.

Een lid steunt deze optie, maar verklaart dat de termen leiding en toezicht de hiërarchische verhouding afzwakken.

Een ander lid wenst te weten of de opheffing van de term gezag enige invloed heeft op de tuchtprocedure.

De minister antwoordt ontkennend omdat de secretaris nog steeds onder de leiding van de parketmagistraat staat. Daarenboven worden de bepalingen inzake het disciplinair toezicht, in casu artikel 403, niet gewijzigd.

Volgens een lid zijn er voldoende argumenten om ook het begrip leiding te schrappen. De hoofdsecretaris zou zijns inziens uitsluitend onder toezicht van de korpsoverste van het parket mogen staan.

De opvatting dat de griffier een onafhankelijk element is in het proces van de rechtsvinding, moet ook gelden voor de secretaris van het parket.

Het voorstel gaat hier lijnrecht tegen in door de secretaris in een hiërarchisch ondergeschikt verband te plaatsen ten opzichte van het parket.

Dit kadert in de visie waarbij de parketmagistraat zowel bij de opsporing als bij de vervolging van misdrijven betrokken is.

Spreker stelt, in navolging van andere rechtstelsels voor, uitsluitend de term toezicht te gebruiken, hetgeen eveneens het disciplinair toezicht van de parketmagistraat op de secretaris van het parket omvat.

De minister verklaart dat de vraag naar de draagwijdte van het begrip leiding moet worden onderzocht in het licht van de bevoegdheden van het parket en van de vraag of de parketsecretaris taken heeft die hij onafhankelijk van de parketmagistraten kan uitoefenen.

Indien een parketmagistraat prioriteiten wenst te stellen in een opsporingsonderzoek waarbij administratieve ondersteuning is vereist, rijst de vraag wie gemachtigd is de beslissing daartoe te nemen, de magistraat of de hoofdsecretaris.

Het gebruik van het begrip leiding geeft aan dat de parketmagistraat de administratieve diensten de nodige richtlijnen mag geven omdat hij voor het onderzoek verantwoordelijk is.

De vorige spreker is van oordeel dat de leiding van het secretariaat bij de hoofdsecretaris moet berusten. Deze laatste is derhalve verantwoordelijk voor de goede werking van zijn dienst. De procureur heeft het recht te eisen dat bepaalde administratieve taken worden vervuld, zoals het vertalen van teksten. De secretaris dient ervoor te zorgen dat deze opdracht wordt uitgevoerd. Rijzen er problemen, dan moet de procureur die hierop toezicht uitoefent, de nodige maatregelen nemen.

Deze opmerking stoelt op de opvatting dat het ambt van procureur-generaal, procureur des Konings en arbeidsauditeur slechts een tijdelijk mandaat zou mogen uitmaken. In die optiek lijkt het opportuun de parketmagistraat te belasten met de leiding van het secretariaat.

In het voorgestelde artikel 182 moeten de woorden « kunnen zich een kabinetssecretaris kiezen » worden vervangen door de woorden « kunnen een kabinetssecretaris kiezen ».

Tenslotte dient de heer Vandenberghe het volgende amendement in (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 12).

« Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 22. ­ Artikel 182 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 182. ­ Aan ieder parket is er een secretariaat verbonden, onder de leiding van een hoofdsecretaris.

De hoofdsecretaris wordt door de Koning benoemd.

De hoofdsecretaris van het parket is belast met de leiding van de administratieve diensten en staat daarbij onder leiding en toezicht van de procureur-generaal, van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur. Hij verdeelt de administratieve taken onder de leden en het personeel van het secretariaat.

De hoofdsecretaris kan worden bijgestaan door een of meer secretarissen en door adjunct-secretarissen, die de Koning benoemt. Hun aantal wordt door de Koning bepaald naar de behoeften van de dienst.

De secretaris staat de procureur-generaal, de procureur des Konings of de arbeidsauditeur bij. Hij ondertekent de documenten die hem door het hoofd van het parket worden aangeduid, alsook degene die eigen aan zijn functie zijn. Hij verleent bijstand aan de magistraten voor documentatie- en opzoekingswerk, het in staat stellen van de dossiers en alle andere aspecten van diens taak die niet uitdrukkelijk aan magistraten zijn voorbehouden. Hij bewaart de registers, het archief en de documenten van het parket.

De procureur-generaal, de procureur des Konings en de arbeidsauditeur bij een rechtbank waarvan het rechtsgebied meer dan 500 000 inwoners telt, kunnen een kabinetssecretaris kiezen uit de leden of het personeel van het secretariaat, op advies van de hoofdsecretaris.

Bij een parket kunnen één tot drie secretarissen-hoofden van dienst worden aangewezen, die onder het gezag van de hoofdsecretaris, deelnemen aan de leiding van het secretariaat. In geval in een parket meer dan honderd personeelsleden met volledige betrekking werkzaam zijn, kan het aantal secretarissen-hoofden van dienst worden opgetrokken met één eenheid per dertig bijkomende personeelsleden.

De Koning bepaalt hun aantal en wijst hen voor drie jaar aan uit de secretarissen, op de voordracht van de procureur-generaal, van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur, en van de hoofdsecretaris van het parket.

Die aanwijzing kan telkens voor drie jaar worden vernieuwd; na negen jaar ambtsvervulling worden zij vast benoemd. »

Dit amendement wordt als artikel 27 aangenomen bij eenparigheid van de 9 aanwezige leden.

In tweede lezing wordt de formulering van het vijfde lid van het voorgestelde artikel 182 gewijzigd als volgt :

« De secretaris staat de procureur-generaal, de procureur des Konings of de arbeidsauditeur bij.

Hij ondertekent de documenten die eigen zijn aan zijn functie, en die welke het hoofd van het parket hem opdraagt te ondertekenen. Hij verleent bijstand aan de magistraten voor documentatie en opzoekingswerk, bij het aanleggen van de dossiers en bij alle andere taken, behalve die welke uitdrukkelijk aan magistraten zijn voorbehouden. Hij bewaart de registers, het archief en de documenten van het parket. »

De formulering van het zevende lid van dit artikel wordt in overeenstemming gebracht met die van de artikelen 6, 8 en 11 van de aangenomen tekst.

­ Artikel 28 (art. 23 van het voorstel Vandenberghe c.s.)

Artikel 23 van het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. luidt als volgt :

« In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 182bis ingevoegd, luidend als volgt :

« Art. 182bis . ­ Bij verhindering wordt de hoofdsecretaris van het parket vervangen door de secretaris-hoofd van dienst of de secretaris die hij aanwijst. Wanneer hij in de onmogelijkheid is om die aanwijzing te doen wordt daarin voorzien al naar-gelang van het geval door de procureur-generaal, de procureur des Konings of de arbeidsauditeur. »

De heer Vandenberghe dient het volgende amendement in (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 13).

« Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 23. ­ In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 182bis ingevoegd, luidende :

« Art. 182bis. ­ Adjunct-secretarissen die ten minste twaalf jaar dienst hebben worden door de Koning tot eerstaanwezend adjunct-secretaris benoemd, voor zover zij bij hun beoordeling, bedoeld in artikel 287ter, de vermelding « zeer goed » hebben verkregen.

De dienstjaren uitgeoefend in een parket, een parketsecretariaat of een griffie in een gelijkwaardige of een lagere graad komen in aanmerking. »

Dit woord « parketsecretariaat » geniet de voorkeur boven « secretariaat van het parket ». Zie artikel 374, 4º, van het Gerechtelijk Wetboek.

Dit amendement wordt als artikel 28 aangenomen bij eenparigheid van de 9 aanwezige leden.

­ Artikel 29 (art. 24 van het voorstel Vandenberghe c.s.)

Artikel 24 van het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. luidt als volgt :

« In artikel 183 van hetzelfde Wetboek wordt het woord « secretaris » vervangen door het woord « hoofdsecretaris. »

De heer Vandenberghe dient het volgende amendement in (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 14) :

« Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 24. ­ Artikel 183 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 183. ­ Aan een parketsecretariaat kunnen vertalers, opstellers, beambten en boden verbonden worden, die de minister van Justitie benoemt. Het aantal vertalers, opstellers en beambten wordt bepaald door de Koning, het aantal boden door de minister van Justitie of, naar gelang van het geval, door de minister die de Arbeid in zijn bevoegdheid heeft. »

Dit amendement wordt als artikel 29 aangenomen bij eenparigheid van de 9 aanwezige leden.

­ Artikel 30 (art. 25. van het voorstel Vandenberghe c.s.)

Artikel 25 van het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. luidt als volgt :

« In artikel 184 van hetzelfde Wetboek worden de woorden « klerken-secretarissen », « secretaris » en « eerstaanwezend klerk-secretaris » vervangen door de woorden « adjunct-secretarissen », respectievelijk « hoofdsecretaris » en « eerstaanwezend adjunct-secretaris. »

Er wordt verwezen naar artikel 28 van de aangenomen tekst.

De heer Vandenberghe dient het volgende amendement in (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 15).

« Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 25. ­ Artikel 184 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 184. ­ Vertalers, opstellers, beambten en boden die ten minste twaalf jaar dienst hebben in een parketsecretariaat worden door de minister van Justitie, respectievelijk, tot eerstaanwezend vertaler, eerstaanwezend opsteller, eerstaanwezend beambte en eerstaanwezend bode benoemd, voor zover zij bij hun beoordeling, bedoeld in artikel 287ter, de vermelding « zeer goed » hebben verkregen.

De dienstjaren uitgeoefend in een parketsecretariaat van het parket of een griffie in een gelijkwaardige of een lagere graad komen in aanmerking. »

Dit amendement wordt als artikel 30 aangenomen bij eenparigheid van de 9 aanwezige leden.

­ Artikel 31 (art. 2 van het voorstel Erdman-Lallemand c.s.)

Artikel 2 van het wetsvoorstel van de heren Erdman, Lallemand c.s. luidt als volgt :

« In artikel 185 van het Gerechtelijk Wetboek wordt een nieuw tweede lid ingevoegd, luidende :

« Het examen, waarvan hij het slagen als voorwaarde oplegt, moet vergelijkend zijn en wordt georganiseerd door het Vast Wervingssecretariaat. »

De heer Erdman dient het volgende amendement in (Gedr. St. Senaat, nr. 1-147/2, amendement nr. 1).

« Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 2. ­ In artikel 185 van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1º het eerste lid wordt aangevuld als volgt :

« De wervingsexamens voor de bijzondere graden zijn vergelijkend en worden georganiseerd door de Koning, voor een examencommissie die wordt ingesteld door de minister van Justitie. »

2º het tweede lid wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Bovendien kan de minister van Justitie of, naar gelang van het geval, de minister van Arbeid of de overheid aan wie zij de bevoegdheid overdragen, bij hoogdringendheid personeel aanwerven op grond van een arbeidsovereenkomst. Komen alleen in aanmerking voor deze aanwervingen de geslaagden van een vergelijkend examen of een examen georganiseerd krachtens dit Wetboek, of, bij ontstentenis van kandidaten, van een selectietest georganiseerd door de minister van Justitie of door een dienst van de Staat. »

Wat de formulering van het 1º betreft, wordt verwezen naar de artikelen 57 tot 62 van de aangenoment tekst.

De minister bevestigt dat het ministerie van Justitie de examens zal organiseren in overleg en in samenwerking met het Vast Wervingssecretariaat.

Een lid benadrukt dat het hier niet om een arbeidsovereenkomst gaat.

Indien deze uitdrukking hier in algemene zin wordt gebruikt, met verwijzing naar de wet die deze materie regelt, dient men hierop zeker de aandacht te vestigen en te verduidelijken dat het eigenlijk gaat om een arbeidsovereenkomst voor bedienden.

Met het oog op de in de praktijk bestaande situatie meent spreker dat men dient te verduidelijken op basis van welke criteria het mechanisme beschreven in het 2º van het artikel in werking treedt, en aan welke instanties de ministers hun bevoegdheid kunnen overdragen.

In de tekst wordt slechts één criterium genoemd namelijk de hoogdringendheid. Deze kan inderdaad het gevolg zijn van praktische problemen (bijvoorbeeld wanneer een vacature ontstaat in een griffie met slechts één personeelslid).

Toch geeft spreker de wens te kennen dat de minister het probleem in meer algemene termen zou benaderen.

Men kan zich immers niet van de indruk ontdoen dat bij gebrek aan precieze criteria de beslissing om al dan niet aan te werven op arbitraire gronden genomen zal worden.

Ten slotte stelt het lid zich vragen bij de klassering van de laureaten uit de verschillende categorieën, opgesomd in fine van het 2º.

Hij vraagt zich met name af of het juist is dat de geslaagden van een selectietest slechts in aanmerking komen als er geen geslaagden zijn van een examen of een vergelijkend examen ?

De minister antwoordt hierop bevestigend.

De vorige spreker neemt aan dat bij de keuze tussen de geslaagden van een examen en die van een vergelijkend examen dezelfde criteria worden gehanteerd als bij de benoeming.

De minister antwoordt hierop bevestigend.

Hij onderstreept dat de voorgestelde tekst de bestaande tekt zo dicht mogelijk benadert.

Sommige opmerkingen van de vorige spreker hebben in feite ook betrekking op die tekst.

Het voornaamste criterium bij de toepassing van de tekst is de gemotiveerde aanvraag uitgaande van de gerechtelijke instanties, en de zorg om de goede werking van de instellingen en van de rechterlijke macht, die haar onafhankelijkheid moet kunnen bewaren.

De vorige spreker wijst erop dat er naar aanleiding van dit artikel ook sprake is geweest van een eventuele beperking van het aantal tijdelijke aanwervingen.

De minister antwoordt hierop dat het artikel tot doel heeft een optimale werking van de rechtbanken in alle omstandigheden te verzekeren.

Dat betekent dat binnen de grenzen bepaald in dit artikel (spoedeisende gevallen en noodzaak) de minister gevolg moet kunnen geven aan een verzoek van de hoofdgriffier of van de magistraat.

Het lid merkt op dat het artikel de afwezigheid van statutair personeel niet als voorwaarde stelt voor de aanwerving van personeel met een arbeidsovereenkomst.

De minister antwoordt dat dit een van de mogelijkheden is die zich kunnen voordoen.

Er zijn echter ook andere hypothesen denkbaar. Zo is het niet uitgesloten dat het ontwerp betreffende de onbemande camera's, als het eenmaal aangenomen is, een stroom van nieuwe dossiers zal meebrengen die enkel behandeld kunnen worden indien bijkomend personeel in dienst wordt genomen.

Het lid ziet hier geen bezwaar tegen, voor zover de aanwerving van tijdelijke aard is. Indien situaties als die geschetst door de minister zich echter blijvend voordoen, moet een uitbreiding van de personeelsformatie overwogen worden.

De minister antwoordt hierop dat de ervaring uitwijst dat in die gevallen deze oplossing te tijdrovend is.

Onder voorbehoud van enkele materiële wijzigingen in het 2º van de Nederlandse tekst, aangebracht in tweede lezing, wordt het amendement als artikel 31 aangenomen bij eenparigheid van de 9 aanwezige leden.

­ Artikelen 32 tot 34 (artikelen 26 tot 28 van het voorstel Vandenberghe c.s.)

De artikelen 26 tot 28 van het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. luiden :

Artikel 26

« In artikel 260 van hetzelfde Wetboek worden de woorden « griffiers-hoofden van de griffie » geschrapt en het woord « klerken-griffiers » vervangen door het woord « adjunct-griffiers ».

Artikel 27

« Artikel 261 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :

« Art. 261. ­ De griffiers-hoofden van dienst bij de griffie van een rechtbank worden door de Koning benoemd uit de griffiers bij de rechtbank op voordracht van de voorzitter van de rechtbank en van de hoofdgriffier en naargelang van het geval na advies van de procureur des Konings of de arbeidsauditeur.

De griffiers-hoofden van dienst bij de griffie van het Hof van Cassatie, van een hof van beroep of een arbeidshof worden door de Koning benoemd uit de griffiers bij het hof, op voordracht van de eerste voorzitter en van de hoofdgriffier, na advies van de procureur-generaal.

Zij worden aangewezen voor drie jaar. Deze aanwijzing kan telkens voor drie jaar worden vernieuwd : na negen jaar ambtsvervulling worden zij vast benoemd. »

Artikel 28

« § 1. In artikel 262 van hetzelfde Wetboek wordt het woord « klerken-griffiers » vervangen door het woord « adjunct-griffiers » en worden de woorden « of de griffier-hoofd van de griffie » geschrapt.

§ 2. Hetzelfde artikel wordt aangevuld als volgt : « en al naargelang van het geval na advies van de procureur-generaal, de procureur des Konings of de arbeidsauditeur. »

De heer Vandenbeghe stelt bij amendement het volgende voor (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendementen nrs. 16 en 17).

Amendement nr. 16

« Art. 27

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 27. ­ Artikel 261 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 261. ­ De griffiers-hoofden van dienst bij de griffie van een rechtbank worden door de Koning benoemd uit de griffiers bij de rechtbank, op voordracht van de voorzitter van de rechtbank en van de hoofdgriffier.

De griffiers-hoofden van dienst bij de griffie van het Hof van Cassatie, van een hof van beroep of van een arbeidshof worden door de Koning benoemd uit de griffiers bij het hof, op voordracht van de eerste voorzitter en van de hoofdgriffier.

Zij worden aangewezen voor drie jaar. Deze aanwijzing kan telkens voor drie jaar worden vernieuwd; na negen jaar ambtsvervulling worden zij vast benoemd. »

Amendement nr. 17

« Art. 28

« Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 28. ­ In artikel 262 van hetzelfde Wetboek wordt het woord « klerken-griffiers » vervangen door het woord « adjunct-griffiers » en worden de woorden « of de griffier-hoofd van de griffie » geschrapt. »

Na een vormverbetering wordt artikel 26 van het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. als artikel 32 aangenomen, bij eenparigheid van de 9 aanwezige leden.

De beide amendementen worden als artikel 33 en artikel 34 aangenomen bij eenparigheid van 9 aanwezige leden.

­ Artikel 35 (artikelen 29 en 30 van het voorstel Vandenberghe c.s.)

A) Artikel 29 van het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s.

Dit artikel luidt als volgt :

« Artikel 263, § 1, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :

« § 1. Om tot hoofdgriffier van het vredegerecht of van de politierechtbank te worden benoemd, moet men :

1º volle vijfendertig jaar oud zijn;

2º hetzij licentiaat in de rechten zijn en ten minste vijf jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte, bij de griffie van een hof, een rechtbank, een vredegerecht of een politierechtbank hebben uitgeoefend, hetzij houder zijn van een getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs of door de Koning gelijkwaardig verklaard onderwijs, alsmede van het getuigschrift van kandidaat-griffier en daarenboven ofwel ten minste vijf jaar het ambt van griffier ofwel ten minste tien jaar het ambt van adjunct-griffier hebben uitgeoefend bij een hof, een rechtbank, een vredegerecht of een politierechtbank. »

Er wordt op gewezen dat de woorden « le certificat d'études moyennes du degré supérieur » in het Franstalig onderwijs vervangen zijn door de woorden « le certificat d'enseignement secondaire supérieur (C.E.S.S.) ».

Aangezien de gemeenschappen bevoegd zijn voor het onderwijs, valt er te vrezen dat de benaming van de diploma's voor een zelfde soort van onderwijs anders zal luiden in elke gemeenschap.

Het is de vraag of artikel 29 al dan niet op het C.E.S.S. doelt. Men behoort bijgevolg precies te bepalen welk diploma van middelbaar onderwijs toegang verleent tot het ambt van griffier.

Een ander lid werpt op dat de Koning ook niet langer bevoegd is om diploma's gelijkwaardig te verklaren.

De minister antwoordt dat de diploma-omschrijving werd behouden die gold toen onderwijs nog een federale materie was.

Er zal worden nagegaan of diploma's met een nieuwe terminologie gelijkwaardig zijn aan de vroegere diplomabenaming.

Indien men in de wet een nieuwe terminologie zou invoeren, bestaat het gevaar dat deze niet beantwoordt aan de verschillende diplomabenamingen die in de gemeenschappen gelden. Aldus wordt het steeds moeilijker om diploma's aan de oude basisnorm te toetsen.

Vanwege de concordantie met andere bepalingen uit het Gerechtelijk Wetboek, werd daarom de voorkeur gegeven aan het behoud van de oude diplomabenaming.

Tevens stipt hij aan dat de gemeenschappen krachtens artikel 127 van de Grondwet bevoegd zijn voor onderwijs, met uitsluiting van onder andere de minimale voorwaarden voor het uitreiken van diploma's.

Er zal evenwel aan de gemeenschappen worden gevraagd welke diploma's zij als gelijkwaardig aan het getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs beschouwen.

Een lid is van oordeel dat de voorgestelde tekst kan behouden blijven. Wanneer er tussen de gemeenschappen grote verschillen bestaan inzake de diplomabenamingen, moet de federale overheid voor de toegang tot federale ambten de bevoegdheid hebben om het vereiste diploma te bepalen of de diploma's die zij als gelijkwaardig erkent. Indien men de federale overheid deze impliciete bevoegdheid ontzegt, bestaat het gevaar dat men diploma's een andere inhoud geeft en aldus concurrentievervalsende handelingen stelt. Dit zou erop neerkomen dat de gemeenschappen de toegangsvoorwaarden tot de federale ambten zouden vaststellen. Dat is onaanvaardbaar.

Volgens een ander lid gaat het hier in de eerste plaats om een probleem van terminologie. Bij de Franse Gemeenschap wordt het C.E.S.S.-diploma uitgereikt na een studiecyclus van zes jaar (middelbaar onderwijs).

De vorige spreker verklaart dat dit diploma door de Koning als gelijkwaardig moet worden verklaard.

De minister verklaart te zullen nagaan of de door de gemeenschappen uitgereikte diploma's voor het middelbaar onderwijs equivalent zijn of niet.

Over de Nederlandse tekst van het artikel merkt een lid op dat de woorden « moet men » te vervangen zijn door de woorden « moet de kandidaat ».

Dezelfde verbetering dient ook aangebracht te worden in tal van andere ontworpen artikelen.

Ofschoon de huidige lezing die van het Gerechtelijk Wetboek overneemt, gaan de minister en de commissie akkoord met die verbetering.

B. Artikel 30 van het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s.

Het voorgestelde artikel luidt :

« § 1. Artikel 263, § 2, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :

« § 2. Om tot griffier bij een vredegerecht of een politierechtbank te worden benoemd, moet men :

1º volle vijfentwintig jaar oud zijn;

2º hetzij licentiaat in de rechten zijn en ten minste één jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte, bij de griffie van een hof, een rechtbank, een vredegerecht of een politierechtbank hebben uitgeoefend, hetzij houder zijn van een getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs of door de Koning gelijkwaardig verklaard onderwijs, alsmede van het getuigschrift van kandidaat-griffier en daarenboven ofwel ten minste adjunct-griffier zijn bij een hof, een rechtbank, een vredegerecht of een politierechtbank, ofwel ten minste vijf jaar het ambt van opsteller of beambte hebben uitgeoefend bij de griffie van een hof, een rechtbank, een vredegerecht of een politierechtbank. »

§ 2. In hetzelfde artikel wordt § 3 opgeheven.

§ 3. In hetzelfde artikel worden in § 4 de woorden « en regelt de stage » geschrapt. »

Dit artikel geeft geen aanleiding tot specifieke opmerkingen.

C. Amendementen van de heer Vandenberghe

De heer Vandenberghe dient de volgende amendementen in (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendementen nrs. 18 en 19) :

Amendement nr. 18

« Art. 29

« Dit artikel vervangen als volgt :

« Artikel 263 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 263. ­ § 1. Om tot hoofdgriffier van het vredegerecht of van de politierechtbank te worden benoemd, moet men :

1º volle vijfendertig jaar oud zijn;

2º hetzij licenciaat in de rechten zijn en ten minste vijf jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte, bij de griffie van een hof, van een rechtbank, van een vredegerecht of van een politierechtbank hebben uitgeoefend, hetzij houder zijn van het getuigschrift van kandidaat-griffier en daarenboven ofwel ten minste vijf jaar het ambt van griffier ofwel ten minste tien jaar het ambt van adjunct-griffier hebben uitgeoefend bij een hof, een rechtbank, een vredegerecht of een politierechtbank. »

§ 2. Om tot griffier bij een vredegerecht of een politierechtbank te worden benoemd, moet men :

1º volle vijfentwintig jaar oud zijn;

2º hetzij licenciaat in de rechten zijn en ten minste één jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte, bij de griffie van een hof, van een rechtbank, van een vredegerecht of van een politierechtbank hebben uitgeoefend, hetzij houder zijn van het getuigschrift van kandidaat-griffier en daarenboven ofwel ten minste adjunct-griffier zijn bij een hof, een rechtbank, een vredegerecht of een politierechtbank, ofwel ten minste vijf jaar het ambt van opsteller of beambte hebben uitgeoefend bij de griffie van een hof, van een rechtbank, van een vredegerecht of van een politierechtbank. »

Amendement nr. 19

« Art. 30

« Dit artikel doen vervallen. »

Het eerste van de twee amendementen wordt als artikel 35 aangenomen bij eenparigheid van de 9 aanwezige leden.

Het tweede amendement wordt aangenomen met dezelfde stemverhouding.

­ Artikel 36 (art. 31 van het voorstel Vandenberghe c.s.)

Artikel 31 van het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s luidt :

« § 1. Artikel 264, eerste lid, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :

« Om tot hoofdgriffier van een rechtbank van eerste aanleg, van een arbeidsrechtbank of van een rechtbank van koophandel te worden benoemd, moet men :

1º volle vijfendertig jaar oud zijn;

2º hetzij licentiaat in de rechten zijn en ten minste vijf jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte, bij de griffie van een hof, een rechtbank, een vredegerecht of een politierechtbank hebben uitgeoefend, hetzij houder zijn van een getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs of door de Koning gelijkwaardig verklaard onderwijs, alsmede van het getuigschrift van kandidaat-griffier en daarenboven ofwel ten minste vijf jaar het ambt van griffier hebben uitgeoefend bij een hof of een rechtbank van eerste aanleg, een arbeidsrechtbank of een rechtbank van koophandel, ofwel hoofdgriffier zijn van een vredegerecht of een politierechtbank. »

§ 2. In hetzelfde artikel wordt het tweede lid opgeheven.

De heer Vandenberghe dient het volgende amendement in (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 20);

« Dit artikel vervangen als volgt :

« Artikel 264 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 264. ­ Om tot hoofdgriffier van een rechtbank van eerste aanleg, van een arbeidsrechtbank of van een rechtbank van koophandel te worden benoemd, moet de kandidaat :

1º volle vijfendertig jaar oud zijn;

2º a) licentiaat in de rechten zijn en ten minste vijf jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte, bij de griffie van een hof, van een rechtbank, van een vredegerecht of van een politierechtbank hebben uitgeoefend;

b) of houder zijn van het getuigschrift van kandidaat-griffier en daarenboven ofwel ten minste tien jaar het ambt van griffier of adjunct-griffier hebben uitgeoefend bij een hof, een rechtbank van eerste aanleg, een arbeidsrechtbank of een rechtbank van koophandel, ofwel hoofdgriffier zijn van een vredegerecht of van een politierechtbank. »

Er wordt op gewezen dat de woorden « van een getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs of door de Koning gelijkwaardig verklaard onderwijs » geschrapt werden om de tekst beter af te stemmen op de regeling die voor het openbaar ambt geldt.

De diplomavereisten staan vermeld in het artikel dat de toegang tot de examens regelt.

Het amendement wordt als artikel 36 aangenomen met 7 stemmen, bij 2 onthoudingen.

­ Artikel 37 (art. 32 van het voorstel Vandenberghe c.s.)

Artikel 32 van het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. luidt :

« § 1. Artikel 265, § 1, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :

« § 1. Om tot griffier van een rechtbank van eerste aanleg, bij een arbeidsrechtbank of van een rechtbank van koophandel te worden benoemd, moet men :

1º volle vijfentwintig jaar oud zijn;

2º hetzij licentiaat in de rechten zijn en ten minste één jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte, bij de griffie van een hof, een rechtbank, een vredegerecht of een politierechtbank hebben uitgeoefend, hetzij houder zijn van een getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs of door de Koning gelijkwaardig verklaard onderwijs, alsmede van het getuigschrift van kandidaat-griffier en daarenboven ofwel ten minste adjunct-griffier zijn bij een hof, rechtbank, vredegerecht of politierechtbank ofwel ten minste vijf jaar het ambt van opsteller of beambte hebben uitgeoefend bij de griffie van een hof, een rechtbank, vredegerecht of politierechtbank. »

§ 2. In hetzelfde artikel wordt § 2 opgeheven.

§ 3. In hetzelfde artikel worden in § 3 de woorden « en regelt de stage » geschrapt.

De heer Vandenberghe stelt bij amendement het volgende voor (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 21) :

« Dit artikel vervangen als volgt :

« Artikel 265 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 265. ­ Om tot griffier bij een rechtbank van eerste aanleg, bij een arbeidsrechtbank of bij een rechtbank van koophandel te worden benoemd, moet de kandidaat :

1º volle vijfentwintig jaar oud zijn;

2º a) licentiaat in de rechten zijn en ten minste één jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte, bij de griffie van een hof, een rechtbank, een vredegerecht of een politierechtbank hebben uitgeoefend;

b) of houder zijn van het getuigschrift van kandidaat-griffier en daarenboven ofwel ten minste adjunct-griffier zijn bij een hof, een rechtbank, een vredegerecht of een politierechtbank ofwel ten minste vijf jaar het ambt van opsteller of van beambte hebben uitgeoefend bij de griffie van een hof, van een rechtbank, van een vredegerecht of van een politierechtbank. »

Het amendement wordt als artikel 37 aangenomen met 7 stemmen, bij 2 onthoudingen.

­ Artikel 38 (art. 33 van het voorstel Vandenberghe c.s.)

Artikel 33 van het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. luidt als volgt :

« § 1. Artikel 266 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :

« Art. 266. ­ Om tot hoofdgriffier van een hof van beroep of van een arbeidshof te worden benoemd, moet men :

1º volle vijfendertig jaar oud zijn;

2º hetzij licentiaat in de rechten zijn en ten minste vijf jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij de griffie van een hof, hebben uitgeoefend, hetzij houder zijn van een getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs of door de Koning gelijkwaardig verklaard onderwijs, alsmede van het getuigschrift van kandidaat-griffier en daarenboven ofwel ten minste vijf jaar het ambt van griffier bij een hof van beroep of een arbeidshof hebben uitgeoefend ofwel hoofdgriffier zijn van een rechtbank van eerste aanleg, arbeidsrechtbank of rechtbank van koophandel. »

§ 2. In hetzelfde artikel wordt het tweede lid opgeheven. »

De heer Vandenberghe dient het volgende amendement in (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 22) :

« Dit artikel vervangen als volgt :

Artikel 266 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 266. ­ Om tot hoofdgriffier van een hof van beroep of van een arbeidshof te worden benoemd, moet de kandidaat :

1º volle vijfendertig jaar oud zijn;

2º a) licentiaat in de rechten zijn en ten minste vijf jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte, bij de griffie van een hof, hebben uitgeoefend;

b) of houder zijn van het getuigschrift van kandidaat-griffier en daarenboven ofwel ten minste vijf jaar het ambt van griffier bij een hof van beroep of een arbeidshof hebben uitgeoefend ofwel hoofdgriffier zijn van een rechtbank van eerste aanleg, van een arbeidsrechtbank of van een rechtbank van koophandel. »

Er wordt opgemerkt dat het ambt bedoeld in het 2º uitgeoefend kan worden in het kader van een arbeidsovereenkomst of van een opdracht. Een benoeming is dus niet noodzakelijk vereist.

Een lid vraagt zich af of het niet wenselijk zou zijn als vereiste te stellen dat de hoofdgriffier van een hof van beroep of een arbeidshof, zoals in het Hof van Cassatie, een licentiaat in de rechten is.

De heer Lallemand verwijst naar het amendement dat hij ingediend heeft op artikel 39ter en waarin eveneens de vraag wordt gesteld of de vereiste hoedanigheden om tot bepaalde ambten toegelaten te worden, niet te restrictief zijn opgesteld (zie infra ).

Wat betreft dit artikel en de benoemingsvoorwaarden voor het ambt van hoofdgriffier van een hof van beroep of van een arbeidshof, is het volgens de minister verkieslijk om, zoals in het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe, zich niet te laten opsluiten in een keurslijf door te eisen dat enkel licentiaten in de rechten toegang krijgen tot dit ambt.

In de ontworpen teksten wordt immers getracht het ambt aantrekkelijk te maken voor houders van andere universitaire diploma's (bijvoorbeeld licentiaten in de economische wetenschappen of licentiaten in de criminologie).

Bovendien biedt de wijze van benoeming, nl. de benoeming op voordracht van de hoofdgriffier en de korpschef, voldoende waarborgen.

Een voorgaande spreker merkt op dat zijn vraag geen betrekking heeft op de kwestie of andere universitaire licenties dan de licentie in de rechten toegang kunnen bieden tot de betrokken ambten, maar wel op het niveau dat daarvoor vereist is.

De toestand is dermate veranderd dat er thans voldoende personen zijn die een universitair diploma behalen. Men kan dan ook voldoende kandidaten vinden voor een ambt van griffier van het hof van beroep. De ontworpen teksten bieden de gelegenheid om deze realiteit in de wet op te nemen.

Spreker verzet zich evenwel niet tegen een overgangsbepaling voor de griffiers van het hof van beroep of van het arbeidshof die geen houder zijn van een universitair diploma.

De minister antwoordt dat het gaat om de principiële vraag of men het behoud wenst van de mogelijkheid tot sociale promotie, die ambtenaren en dus ook de griffiers nog steeds hebben, zodat de houder van een niet-universitair diploma vanwege zijn ervaring en na het slagen voor een examen (dat vergelijkbaar is met een examen van niveau 1 of 2 dat noodzakelijk is voor het verkrijgen van het brevet van klerk-griffier of klerk-secretaris) nog toegang kan krijgen tot een hoger ambt met dien verstande dat men in de tekst een bijkomende voorwaarde ­ nl. ervaring ­ invoegt die tot gevolg heeft dat de toegang tot het ambt van griffier later plaatsvindt.

Moet men de betrokkenen de toegang tot de hoogste graad weigeren terwijl in de praktijk ­ door de werking van het juist beschreven stelsel (anciënniteitsvereiste, wijze van voordracht, ...) ­ hun kansen om toegelaten te worden blijven afnemen.

De vorige spreker antwoordt dat niet uit het oog mag worden verloren dat men hier te maken heeft met het ambt van griffier bij het hof, een van de hoogste ambten van griffier.

Voor houders van niet-universitaire diploma's bestaan er andere mogelijkheden.

Indien deze laatsten benoemd zouden worden in plaats van universitairen, zal men bovendien niet nalaten te wijzen op de politisering van de benoemingen.

Het amendement wordt als artikel 38 aangenomen met 7 stemmen, bij 2 onthoudingen.

­ Artikel 39 (art. 34 van het voorstel Vandenberghe c.s.)

Artikel 34 van het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. luidt als volgt :

« § 1. Artikel 267, § 1, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :

« § 1. Om tot griffier van een hof van beroep of bij een arbeidshof benoemd te worden, moet men :

1º volle vijfentwintig jaar oud zijn;

2º hetzij licentiaat in de rechten zijn en ten minste één jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte, bij de griffie van een hof, een rechtbank, een vredegerecht of een politierechtbank hebben uitgeoefend, hetzij houder zijn van een getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs of door de Koning gelijkwaardig verklaard onderwijs, alsmede van het getuigschrift van kandidaat-griffier en daarenboven ten minste vijf jaar ofwel het ambt van griffier bij een rechtbank, een vredegerecht of een politierechtbank hebben uitgeoefend ofwel van adjunct-griffier bij een hof. »

§ 2. In hetzelfde artikel wordt § 2 opgeheven.

§ 3. In hetzelfde artikel worden in § 3 de woorden « en regelt de stage » geschrapt. »

De heer Vandenberghe dient het volgende amendement in (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 23) :

« Dit artikel vervangen als volgt :

« Artikel 267 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 267. ­ Om tot griffier bij een hof van beroep of bij een arbeidshof benoemd te worden, moet de kandidaat :

1º volle vijfentwintig jaar oud zijn;

2º a) licenciaat in de rechten zijn en ten minste één jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte, bij de griffie van een hof, van een rechtbank, van een vredegerecht of van een politierechtbank hebben uitgeoefend;

b) of houder zijn van het getuigschrift van kandidaat-griffier en daarenboven ten minste vijf jaar ofwel het ambt van griffier bij een rechtbank, een vredegerecht of een politierechtbank hebben uitgeoefend ofwel van adjunct-griffier bij een hof. »

Zo worden de benoemingsvoorwaarden eenvormig gemaakt. De verwijzing naar de licentie in de rechten, samen met de vereiste van een stage van één jaar, wordt in de tekst opgenomen. De huidige toestand waarin de licentiaat in de rechten onmiddellijk vast benoemd wordt, zal in de toekomst dus niet meer mogelijk zijn.

Het amendement wordt als artikel 39 aangenomen met 7 stemmen, bij 2 onthoudingen.

­ Artikel 40 (art. 35 van het voorstel Vandenberghe c.s.)

Artikel 35 van het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. luidt als volgt :

« § 1. Artikel 268 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :

« Art. 268. ­ Om tot hoofdgriffier van het Hof van Cassatie te worden benoemd, moet men :

1º volle vijfendertig jaar oud zijn;

2º hetzij licentiaat in de rechten zijn en ten minste vijf jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij de griffie van het Hof van Cassatie hebben uitgeoefend, hetzij houder zijn van een getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs of door de Koning gelijkwaardig verklaard onderwijs, alsmede van het getuigschrift van kandidaat-griffier en daarenboven ofwel ten minste vijf jaar het ambt van griffier bij het Hof van Cassatie hebben uitgeoefend ofwel hoofdgriffier zijn van een hof van beroep of een arbeidshof. »

§ 2. In hetzelfde artikel wordt het tweede lid opgeheven. »

De heer Vandenberghe dient het volgende amendement in (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 24) :

« Dit artikel vervangen als volgt :

Artikel 268 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 268. ­ Om tot hoofdgriffier van het Hof van Cassatie te worden benoemd, moet de kandidaat :

1º volle vijfendertig jaar oud zijn;

2º licentiaat in de rechten zijn en ten minste vijf jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij de griffie van een hof hebben uitgeoefend. »

Een lid merkt op dat hij een wetsvoorstel betreffende de bezoldigingsregeling van deze griffier (Gedr. St. Senaat, nr. 1-125/1) heeft ingediend.

Dit voorstel moet op zijn waarde beoordeeld worden.

Het amendement wordt als artikel 40 aangenomen met 7 stemmen bij 2 onthoudingen.

­ Artikel 41 (art. 36 van het voorstel Vandenberghe c.s.)

Artikel 36 van het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. luidt als volgt :

« § 1. Artikel 269, § 1, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :

« § 1. Om tot griffier bij het Hof van Cassatie te worden benoemd, moet men :

1º volle vijfentwintig jaar oud zijn;

2º hetzij licentiaat in de rechten zijn en ten minste één jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij de griffie van een hof hebben uitgeoefend, hetzij houder zijn van een getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs of door de Koning gelijkwaardig verklaard onderwijs, alsmede van het getuigschrift van kandidaat-griffier en daarenboven ofwel ten minste vijf jaar het ambt van griffier bij een hof hebben uitgeoefend ofwel van adjunct-griffier bij het Hof van Cassatie of van attaché in de dienst documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van Cassatie. »

§ 2. In hetzelfde artikel wordt § 2 opgeheven.

§ 3. In hetzelfde artikel worden in § 3 de woorden « en regelt de stage » geschrapt.

De heer Vandenberghe dient het volgende amendement in (Gedr. St. Senaat, nr 1-270/2, amendement nr. 25) :

Dit artikel vervangen als volgt :

Artikel 269 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 269. ­ Om tot griffier bij het Hof van Cassatie te worden benoemd, moet de kandidaat :

1º volle vijfentwintig jaar oud zijn;

2º a) licentiaat in de rechten zijn en ten minste één jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte, bij de griffie van een hof hebben uitgeoefend;

b) of houder zijn van het getuigschrift van kandidaat-griffier en daarenboven ofwel ten minste vijf jaar het ambt van griffier bij een hof hebben uitgeoefend ofwel van adjunct-griffier bij het Hof van Cassatie of van attaché in de dienst documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van Cassatie. »

Het amendement wordt als artikel 41 aangenomen met 7 stemmen, bij 2 onthoudingen.

­ Artikel 42 (art. 37 van het voorstel Vandenberghe c.s.)

Artikel 37 van het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. luidt als volgt (Gedr. St. Senaat, 1-270/1) :

« Artikel 269bis van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :

« Art. 269 bis. ­ Om tot adjunct-griffier bij een hof, een rechtbank, een vredegerecht of een politierechtbank benoemd te worden, moet men :

1º volle eenentwintig jaar oud zijn;

2º hetzij licentiaat in de rechten zijn en ten minste één jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte, hebben uitgeoefend, hetzij houder zijn van een getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs of door de Koning gelijkgesteld onderwijs, alsmede van het getuigschrift van kandidaat-griffier en daarenboven ten minste drie jaar het ambt van opsteller of beambte hebben uitgeoefend bij een griffie of een parket. »

De heer Vandenberghe dient het volgende amendement in (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 26) :

« Artikel 269bis van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 269bis. ­ Om tot adjunct-griffier bij het hof, bij de rechtbank, bij het vredegerecht of bij de politierechtbank te worden benoemd, moet de kandidaat :

1º volle eenentwintig jaar oud zijn;

2º a) licentiaat in de rechten zijn;

b) of houder zijn van een diploma of een getuigschrift in aanmerking komend voor de toelating tot een ambt van het niveau 1 bij de Rijksbesturen, alsmede van het getuigschrift van kandidaat-griffier.

c) of houder zijn van een diploma of een getuigschrift in aanmerking komend voor de toelating tot een ambt van het niveau 2 bij de Rijksbesturen, alsmede van het getuigschrift van kandidaat-griffier en daarenboven ten minste drie jaar het ambt van opsteller of beambte hebben uitgeoefend bij een griffie of een parketsecretariaat.

De benoeming tot adjunct-griffier van een persoon die aan de onder het eerste lid, 2º, a) of b) bepaalde benoemingsvoorwaarden voldoet, die voordien niet ten minste één jaar een ambt ten minste gelijk aan dat van beambte in een griffie of een parketsecretariaat heeft uitgeoefend, wordt eerst vast na één jaar ambtsvervulling.

Tijdens dat jaar kan de Koning op advies, naar gelang van het geval, van de eerste voorzitter, van de voorzitter, van de vrederechter of van de rechter in de politierechtbank, dat aan de minister van Justitie rechtstreeks wordt overgezonden door de hoofdgriffier die er het zijne aan toevoegt, aan het voorlopig uitgeoefend ambt een einde maken.

Het door de Koning vastgesteld statuut is van toepassing op de voorlopig benoemde adjunct-griffier. »

Een lid vraagt welke rechtscolleges bedoeld worden met de woorden « bij het hof ».

Er wordt hem geantwoord dat hiermee de hoven van beroep, de arbeidshoven, het militair gerechtshof en het Hof van Cassatie bedoeld worden.

De inleidende zin van het voorgestelde artikel 269bis heeft in feite betrekking op alle rechtscolleges.

De heer Desmedt dient dan het volgende subamendement in (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 75) :

« In het eerste lid van het voorgestelde artikel 269bis, de woorden « bij het hof, bij de rechtbank, bij het vredegerecht of bij de politierechtbank » vervangen door de woorden « bij een rechtscollege ».

Het aldus gesubamendeerde amendement van de heer Vandenberghe wordt als artikel 42 aangenomen bij eenparigheid van de 9 aanwezige leden.

­ Artikel 43 (nieuw)

De Regering dient een amendement in dat ertoe strekt in het Gerechtelijk Wetboek een artikel 269ter in te voegen, luidende (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 61) :

« Art. 269ter. ­ De Koning richt het examen in met het oog op de afgifte van het getuigschrift van kandidaat-griffier bedoeld in de artikelen 263, 264, 265, 266, 267, 269 en 269bis. Aan dat examen kan alleen worden deelgenomen door personen die, op het tijdstip van de afsluiting der inschrijvingen, aan de onder artikel 269bis, eerste lid, 2º, b) of c), bepaalde benoemingsvoorwaarden inzake diploma en anciënniteit voldoen. »

Het voorgestelde artikel 269ter groepeert en synthetiseert in één artikel de bepalingen betreffende de organisatie door de Koning van het examen met het oog op de afgifte van het getuigschrift van kandidaat-griffier, die vroeger in verschillende artikelen van het Gerechtelijk Wetboek ondergebracht waren.

Dezelfde werkwijze is gevolgd in artikel 56 van de aangenomen tekst (het nieuwe art. 280bis van het Gerechtelijk Wetboek) voor de parketsecretarissen.

Het amendement wordt als artikel 43 aangenomen bij eenparigheid van de 9 aanwezige leden.

­ Artikel 44 (art. 38 voorstel Vandenberghe c.s.; art. 3 voorstel Erdman, Lallemand c.s.)

Artikel 38 van het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. luidt als volgt :

« § 1. Artikel 270, eerste lid, 2º, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :

« 2º houder zijn van een getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs of door de Koning gelijkwaardig verklaard onderwijs of gedurende ten minste drie jaar het ambt van beambte hebben uitgeoefend bij de griffie van een van voormelde rechtsmachten of bij een parket. »

§ 2. Hetzelfde artikel, eerste lid, 3º, wordt na de woorden « aan de onder 1º en 2º bepaalde benoemingsvoorwaarden voldoen » aangevuld als volgt :

« en die met goed gevolg voor voormelde examencommissie een praktijkexamen hebben afgelegd. De Koning regelt het praktijkexamen. De laureaten van het praktijkexamen van beambte zijn vrijgesteld van dit praktijkexamen. De licentiaten in de rechten en de houders van getuigschriften van kandidaat-griffier en kandidaat-secretaris zijn van het maturiteitsexamen vrijgesteld. »

§ 3. In hetzelfde artikel, eerste lid, 3º, worden de woorden « Doctors in de rechten zijn van het examen vrijgesteld » geschrapt. »

Artikel 3 van het wetsvoorstel van de heren Erdman, Lallemand, c.s. luidt als volgt :

De eerste volzin van het 3º van artikel 270, eerste lid, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :

« geslaagd zijn voor een vergelijkend maturiteitsexamen ingericht door het Vast Wervingssecretariaat en bestaande uit een mondeling en een schriftelijk gedeelte. »

De heren Vandenberghe en Erdman dienen een identiek amendement in (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 27, en nr. 1-147/2, amendement nr. 2) dat ertoe strekt artikel 270 van het Gerechtelijk Wetboek te vervangen als volgt :

« Art. 270. ­ Om tot opsteller bij de griffie van een vredegerecht, van een politierechtbank, van een rechtbank van eerste aanleg, van een arbeidsrechtbank, van een rechtbank van koophandel, van een hof van beroep, van een arbeidshof of van het Hof van Cassatie te worden benoemd, moet de kandidaat :

1º houder zijn van een diploma of een getuigschrift in aanmerking komend voor de toelating tot een ambt van het niveau 2 bij de Rijksbesturen;

2º vast benoemd zijn en gedurende ten minste twee jaren het ambt van beambte hebben uitgeoefend in een griffie of een parketsecretariaat;

3º geslaagd zijn voor een examen ingericht door de Koning, voor een examencommissie die wordt ingesteld door de minister van Justitie. Aan dat examen kan alleen worden deelgenomen door personen die, op het tijdstip van de afsluiting der inschrijvingen, aan de onder 1º en 2º bepaalde benoemingsvoorwaarden voldoen. Licentiaten in de rechten en houders van het getuigschrift van kandidaat-griffier of kandidaat-secretaris zijn van het examen vrijgesteld. »

Er wordt op gewezen dat deze tekst een concrete vorm geeft aan het bestaande akkoord om van de graad van opsteller een bevorderingsambt te maken.

De heer Desmedt dient, zoals bij artikel 42 (zie supra ), een subamendement in, luidende : (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 76 en nr. 1-147/2, amendement nr. 11) :

« In het eerste lid van het voorgestelde artikel 270, de woorden « van een vredegerecht, van een politierechtbank, van een rechtbank van eerste aanleg, van een arbeidsrechtbank, van een rechtbank van koophandel, van een hof van beroep, van een arbeidshof, of van het Hof van Cassatie » vervangen door de woorden « van een rechtscollege. »

Het aldus gesubamendeerde amendement van de heer Vandenberghe wordt als artikel 44 aangenomen.

Het amendement van de heer Erdman en het bijbehorende subamendement vervallen dientengevolge.

­ Artikel 45 (art. 39 van het voorstel Vandenberghe c.s. ­ art. 4 van het voorstel Erdman-Lallemand c.s.)

Artikel 39 van het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. luidt als volgt :

« § 1. Artikel 271, eerste lid, 2º, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :

« 2º houder zijn van een getuigschrift van lager middelbaar onderwijs of door de Koning gelijkwaardig verklaard onderwijs of gedurende drie jaar bij een griffie van een van voormelde rechtsmachten werkzaam zijn geweest als bode, hetzij in een graad waaraan een wedde is verbonden waarvan de schaal ondergebracht is in niveau 4 vastgesteld bij de bepalingen tot regeling van de bezoldiging van het personeel van de ministeries. »

§ 2. In hetzelfde artikel, eerste lid, 3º, worden de woorden « Doctors of licentiaten in de rechten zijn van het examen vrijgesteld » vervangen door de volgende bepaling : « Licentiaten in de rechten, houders van het getuigschrift van kandidaat-griffier of kandidaat-secretaris en de laureaten van het maturiteitsexamen van opsteller, zijn van het examen vrijgesteld. »

§ 3. In hetzelfde artikel, 4º, worden de woorden « over de dactylografie » geschrapt.

§ 4. Hetzelfde artikel, eerste lid, 4º, wordt aangevuld als volgt :

« De Koning regelt het praktijkexamen. De laureaten van het praktijkexamen van opsteller zijn vrijgesteld van dit praktijkexamen. »

Artikel 4 van het wetsvoorstel van de heren Erdman en Lallemand luidt als volgt :

« De eerste volzin van het 3º van artikel 271, eerste lid, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :

« geslaagd zijn voor een door het Vast Wervingssecretariaat ingericht vergelijkend maturiteitsexamen, bestaande uit een mondeling en een schriftelijk gedeelte. »

De minister merkt op dat dit artikel betrekking heeft op de benoemingsvoorwaarden van de beambten bij de griffies. Het gaat om ambten waaraan een weddeschaal van niveau 4 verbonden is als vastgesteld door de bezoldigingsregeling van het personeel van de ministeries.

Voor de overheidsambten van niveau 4 wordt geen diploma meer vereist aangezien er voor de lagere onderwijsniveaus geen diploma's meer afgegeven worden.

De problematiek zal dus in haar geheel herzien moeten worden.

De heren Vandenberghe en Erdman dienen elk een identiek amendement in op hun wetsvoorstel (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 28, en nr. 1-147/2, amendement nr. 3), dat ertoe strekt in artikel 271 van het Gerechtelijk Wetboek de volgende wijzigingen aan te brengen :

« 1º in het eerste lid, worden de 2º, 3º en 4º vervangen door de volgende bepaling :

« 2º geslaagd zijn voor een vergelijkend examen ingericht door de Koning, voor een examencommissie die wordt ingesteld door de minister van Justitie. Licentiaten in de rechten en houders van het getuigschrift van kandidaat-griffier of kandidaat-secretaris zijn van het vergelijkend examen vrijgesteld. »

2º het derde lid wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Tijdens dat jaar kunnen de ministers die de Arbeid en de Justitie in hun bevoegdheid hebben, wat de arbeidshoven en arbeidsrechtbanken betreft, en de minister van Justitie wat het Hof van Cassatie en de andere hoven en rechtbanken betreft, op het advies van de hoofdgriffier die het rechtstreeks aan de bevoegde minister overzendt, aan het voorlopig uitgeoefende ambt een einde maken. »

Het amendement van de heer Vandenberghe wordt als artikel 45 aangenomen bij eenparigheid van de 9 aanwezige leden.

Het amendement van de heer Erdman vervalt bijgevolg.

­ Artikel 46 (art. 5 van het voorstel Erdman, Lallemand c.s.)

Artikel 5 van het wetsvoorstel van de heren Erdman en Lallemand luidt als volgt :

« Artikel 272, eerste lid, 2º, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :

2º geslaagd zijn voor een bekwaamheidsexamen ingericht door het Vast Wervingssecretariaat. »

De heer Erdman dient het volgende amendement in (Gedr. St. Senaat, nr. 1-147/2, amendement nr. 4) :

« Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 5. ­ Artikel 272, eerste lid, 2º, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

« 2º geslaagd zijn voor een vergelijkend examen ingericht door de Koning, voor een examencommissie die wordt ingesteld door de minister van Justitie. »

Dit amendement wordt als artikel 46 aangenomen bij eenparigheid van de 9 aanwezige leden.

­ Artikel 47 (nieuw)

De Regering dient een amendement in (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 62) dat ertoe strekt in het tweede deel, boek I, titel VI, van hetzelfde Wetboek een hoofdstuk VIIbis in te voegen, luidende :

« Hoofdstuk VIIbis. Bemiddelingsadviseurs en -assistenten

Art. 272bis. ­ Om tot bemiddelingsadviseur bij het parket van het Hof van beroep te worden benoemd, moet de kandidaat :

1º hetzij houder zijn van een diploma van licentiaat in de criminologie, de psychologie of de pedagogie afgeleverd door een universiteit, hetzij vast benoemd zijn en gedurende ten minste drie jaar het ambt van bemiddelingsassistent hebben uitgeoefend bij het parket van de procureur des Konings.

2º geslaagd zijn voor een door de Koning ingericht examen, voor een examencommissie die wordt ingesteld door de minister van Justitie. Aan dat examen kan alleen worden deelgenomen door personen die, op het tijdstip van de afsluiting der inschrijvingen, aan de onder 1º bepaalde benoemingsvoorwaarden voldoen.

De benoeming tot bemiddelingsadviseur van een persoon die voordien niet ten minste één jaar het ambt van bemiddelingsassistent bij het parket van de procureur des Konings heeft uitgeoefend, wordt eerst vast na één jaar ambstvervulling.

Tijdens dat jaar kan de Koning op advies van de procureur-generaal aan het voorlopig uitgeoefend ambt een einde maken.

Het door de Koning vastgesteld statuut is van toepassing op de voorlopig benoemde bemiddelingsadviseur.

Art. 272ter. ­ Om tot bemiddelingsassistent bij het parket van de procureur des Konings te worden benoemd, moet de kandidaat :

1º volle eenentwintig jaar oud zijn;

2º houder zijn van een diploma van maatschappelijk assistent of van sociale verpleegkunde, uitgereikt door een door de Gemeenschappen ingerichte, ingestelde, gesubsidieerde of erkende onderwijsinstelling of door een van overheidswege samengestelde examencommissie;

3º geslaagd zijn voor een door de Koning ingericht vergelijkend examen, voor een examencommissie die wordt ingesteld door de minister van Justitie. Aan dat vergelijkend examen kan alleen worden deelgenomen door personen die, op het tijdstip van de afsluiting der inschrijvingen, aan de onder 2º bepaalde benoemingsvoorwaarde voldoen.

De benoeming van een bemiddelingsassistent wordt eerst vast na één jaar ambstvervulling.

Tijdens dat jaar kan de minister van Justitie, op het advies van de procureur des Konings, aan het voorlopig uitgeoefende ambt een einde maken.

Het door de Koning vastgesteld statuut is van toepassing op de voorlopig benoemde bemiddelingsassistent. »

In de inleidende zin van het voorgeleide artikel 272bis is er sprake van « parket van het hof van beroep » en niet van « parket van de procureur-generaal » om alle verwarring te vermijden (cf. art. 176bis van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoerd door artikel 21 van de aangenomen tekst).

De heren Lallemand en Erdman dienen een subamendement in (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 77, A) dat ertoe strekt het voorgestelde artikel 272bis, eerste lid, 1º, te vervangen door de volgende bepaling :

« 1º a) houder zijn van een diploma van licentiaat in de rechten, in de criminologie, in de psychologie of in de pedagogie uitgereikt door een universiteit of van een door de Koning gelijkgesteld universitair diploma van licentiaat;

b) of vast benoemd zijn en gedurende ten minste drie jaar het ambt van bemiddelingsassistent hebben uitgeoefend bij het parket van de procureur des Konings. »

Hij verantwoordt zijn amendement door erop te wijzen dat de verwijzingen in het artikel naar bepaalde diploma's al te beperkt zijn. Daarenboven kan de naam van sommige diploma's wijzigen.

Een ander lid wijst erop dat er vaak problemen rijzen met het opschrift van het diploma wanneer wordt nagegaan of het vereiste diploma past bij de beoogde functie. De universiteiten wijzigen soms de benaming van bepaalde diploma's, wat de toegang tot bepaalde functies kan bemoeilijken voor hen die inhoudelijk wel beschikken over het passende diploma maar formeel niet omdat hun diploma een andere naam draagt. De definitie van het vereiste diploma moet dus zo ruim mogelijk zijn.

De vorige spreker merkt op dat daarom het begrip « door de Koning gelijkgesteld diploma » in het artikel moet worden opgenomen.

Met de huidige formulering heeft een licentiaat in de rechten geen toegang tot de bemiddelingsambten.

Hierop voortbouwend dienen de heren Desmedt en Goris een subamendement in, (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 78, A) luidende :

« Aan de voorwaarden in het voorgestelde artikel 272bis toevoegen : « houder zijn van een diploma van licentiaat in de rechten. »

Een lid voegt eraan toe dat men zelfs een formulering zou kunnen bedenken waarin de licentiaten in de rechten toegang tot dit ambt hebben maar de voorkeur gegeven zou worden aan de criminologen.

Verschillende leden stellen vast dat iemand kandidaat kan zijn voor het ambt van bemiddelingsadviseur wanneer hij vast benoemd is en gedurende ten minste 3 jaar het ambt van bemiddelingsassistent heeft uitgeoefend bij het parket van de procureur des Konings.

Om evenwel benoemd te kunnen worden tot bemiddelingsassistent volstaat een diploma van maatschappelijk assistent of van sociale verpleegkunde. Zonder zich geringschattend te willen uitlaten over die laatste diploma's, vraagt spreker toch of de in de tekst opgenomen vereisten wel voldoende zijn.

Artikel 272bis betreffende de bemiddelingsadviseurs verleent de licentiaten in de criminologie terecht toegang tot dit ambt.

Zoals andere sprekers reeds hebben opgemerkt, valt het te betreuren dat een licentiaat in de rechten geen toegang heeft tot dit ambt.

De voorgestelde formulering zal ten gevolge hebben dat er een « beschermingseffect » zal ontstaan en dat de bemiddelingsadviseurs die houder zijn van een diploma van maatschappelijk assistent of sociale verpleegkunde afhankelijk zullen zijn van de procureur-generaal.

Men moet dus ofwel de diploma-eis herzien ofwel het vereiste aantal jaren ervaring als bemiddelingsassistent fors verhogen.

Een vorige spreker herinnert aan zijn voorstel om in het 1º de woorden « of van een door de Koning gelijkwaardig verklaard diploma » toe te voegen.

Opgemerkt wordt dat het in de Europese context niet meer mogelijk is om zoals in het voorgestelde artikel, een door een Belgische universiteit uitgereikt diploma te eisen.

De vorige spreker merkt op dat het de bedoeling is dat de kandidaten het Belgisch recht kennen. Een diploma rechten is dus bijvoorbeeld niet te vergelijken met een diploma geneeskunde, dat veel universeler is.

Een spreker merkt op dat het Gerechtelijk Wetboek voor de magistraten niet eist dat het diploma wordt uitgereikt door een Belgische universiteit.

Voor het overige werd de gelijkwaardigheid van de diploma's recent erkend met toepassing van de richtlijn van 1981; eventueel kan worden geëist dat aanvullende examens worden afgelegd.

De herkomst van het diploma zal veeleer in aanmerking worden genomen op het ogenblik van de benoeming.

Een ander lid onderstreept dat het diploma van maatschappelijk assistent en sociaal verpleegkundige in sommige andere Europese landen veel gemakkelijker wordt uitgereikt dan in België, waar aan veel meer eisen moet zijn voldaan.

De minister besluit dat het moet gaan om diploma's die gelijkwaardig zijn aan een diploma secundair onderwijs aangevuld met een diploma uitgereikt na drie jaar hoger onderwijs.

Een lid heeft vragen over de wenselijkheid van de woorden « uitgereikt door een universiteit » in de tekst.

Bepaalde pedagogische diploma's op het niveau van een licentie worden immers uitgereikt door hogescholen. Moet het woord « universiteit » hier in enge zin worden geïnterpreteerd of in ruime zin ?

De minister antwoordt dat met de woorden « uitgereikt door een universiteit » de universitaire diploma's bedoeld worden zoals bepaald door de Gemeenschappen.

De Gemeenschappen hebben bijvoorbeeld de gelijkwaardigheid bekrachtigd van een universitair diploma en het diploma van industriel ingenieur, het diploma van licentiaat-vertaler, licentiaat-tolk, enz., hoewel die laatste diploma's niet worden uitgereikt door een universiteit.

De pedagogische diploma's waarnaar de vorige spreker heeft verwezen, worden uitgereikt na 3 jaar; het gaat dus om diploma's van het hoger onderwijs van het korte of het lange type, naar gelang van wat de betrokken gemeenschap heeft bepaald. Die pedagogische diploma's worden evenwel niet beschouwd als universitaire diploma's.

De minister verduidelijkt nog dat de Koning ­ door het gelijkstellen van diploma's ­ enkel beoogt kandidaten de toegang te verschaffen tot het examen voor het ambt van bemiddelingsadviseur.

Het gaat hier dus geenszins om een algemene gelijkwaardigheid.

De minister begrijpt de bezorgdheid van verschillende sprekers in verband met de mogelijke toegang van de bemiddelingsassistenten met 3 jaar ervaring tot het ambt van bemiddelingsadviseur.

De redenen waarom voor de voorgestelde tekst is gekozen, zijn de volgende :

Om benoemd te kunnen worden tot bemiddelingsadviseur staan twee wegen open :

­ ofwel is men houder van een diploma criminologie of pedagogische wetenschappen-sociale pedagogie en slaagt men voor het examen vermeld in het 2º van het artikel;

­ ofwel heeft men het ambt van bemiddelingsassistent gedurende 3 jaar uitgeoefend; in de praktijk stelt men vast dat het gaat om maatschappelijke assistenten die houder zijn van het diploma criminologie. Daarenboven wil men de bevordering mogelijk maken van bemiddelingsassistenten die in dit soort functies hun bekwaamheid hebben bewezen alsook hun vermogen om een groep te motiveren. In ieder geval blijft ook hier het slagen voor het examen een vereiste.

Het is dus zaak te weten of men aanvaardt dat de betrokkenen een kans krijgen op sociale promotie door deel te nemen aan het examen en, indien zij slagen, ook benoemd te worden.

Op die manier wordt nuttig gebruik gemaakt van hun ervaring. De praktijk leert dat het nuttig kan zijn dat men het ambt van bemiddelingsassistent heeft uitgeoefend alvorens bemiddelingsadviseur te worden. Zulks maakt het immers mogelijk praktische kennis op te doen.

Het is waar dat men vaak ziet dat iemand zowel het diploma van maatschappelijk assistent als dat van licentiaat in de criminologie heeft en in dit geval gewoonlijk bemiddelingsadviseur wordt.

De principiële vraag blijft bestaan.

Een lid vestigt de aandacht op het feit dat de betrokkenen in ieder geval moeten slagen voor een examen alvorens zij het ambt van bemiddelingsadviseur kunnen uitoefenen.

In verband met artikel 272ter, 2º, merkt het lid op dat er ook hoger onderwijs van het korte type in de psychologie bestaat, en dat die diploma's door de tekst worden uitgesloten.

Men moet rekening houden met alle H.O.B.U.-diploma's die beantwoorden aan de voor de beoogde ambten gestelde eisen.

Derhalve wordt voorgesteld het eerste lid, 2º, van het artikel 272ter aan te vullen met de woorden « of van een diploma dat door de Koning gelijkgesteld is » (amendement van de heren Lallemand en Erdman, Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 77 B).

Een lid stelt vast dat een licentiaat in de criminologie niet kan benoemd worden tot probatieassistent. Hij heeft slechts toegang tot het ambt van probatieadviseur.

De minister antwoordt dat er thans 40 betrekkingen van bemiddelingsassistent en 10 betrekkingen van bemiddelingsadviseur bestaan. Het is zaak te weten of universitair geschoolden mogen meedingen naar de betrekkingen van bemiddelingsassistentt. Indien dat moet kunnen, dreigen deze laatsten een betere plaats in de rangschikking te bekleden dan de niet-universitair geschoolden.

De vorige spreker is van mening dat zulks niet vanzelfsprekend is, zelfs indien het uit statistisch oogpunt waarschijnlijk is dat dat vaak zal gebeuren.

Een ander lid onderstreept dat alles afhangt van het profiel dat vereist wordt om dit soort ambt correct uit te oefenen. Men kan stellen dat de maatschappelijk assistenten beter zijn opgeleid om sociale contacten te leggen dan de licentiaten in de rechten, wier vorming theoretischer is.

De minister antwoordt dat de opdracht van de bemiddelingsassistenten in de praktijk wordt ingevuld. Het komt erop aan een sociaal onderzoek te doen, het dossier voor te bereiden voor de in elk parket aangestelde bemiddelingssubstituut.

De taak van de bemiddelingsadviseurs heeft te maken met organisatie, controle en coördinatie met betrekking tot het gehele rechtsgebied van een parket-generaal.

Een lid vraagt waarom in dit geval bepaald wordt dat een assistent na 3 jaar adviseur kan worden.

De minister antwoordt dat het de bedoeling is ervoor te zorgen dat er onder de adviseurs mensen zijn die praktijkervaring hebben.

Een lid merkt op dat de doorstroming nogal eenzijdig is. De bemiddelingsassistenten zullen bevoorrecht worden ten opzichte van de licentiaten omdat zij praktijkkennis hebben opgedaan.

Een ander lid merkt op dat de bemiddelingsadviseur niet alleen het werk in de praktijk moet kennen, maar ook een visie moet hebben op het te voeren beleid zodat hij de procureur-generaal kan adviseren over algemenere zaken dan de zaken die zich in de praktijk voordoen.

Een universitaire opleiding zou dus wenselijk zijn, wat niet betekent dat men geen minimale praktijkervaring moet eisen.

Sommigen zullen niet nalaten te wijzen op het risico van politieke « parachutering ».

De heren Desmedt en Goris dienen bijgevolg een subamendement in dat luidt als volgt (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 78, B) :

« Aan de voorwaarden in het voorgestelde artikel 272ter toevoegen : « houder zijn van een diploma van licentiaat in de rechten of van licentiaat in de criminologie, de psychologie of de pedagogie, uitgereikt door een universiteit ».

De minister begrijpt niet hoe de in dit artikel opgenomen regeling zou kunnen worden geïnterpreteerd als gunstig voor politieke benoemingen, zoals de vorige spreker beweert.

Een lid kant zich uit principe tegen een regeling die erin bestaat universitair geschoolden toegang te verlenen tot alle betrekkingen.

Deze handelwijze dreigt de uitsluiting, die men in de armste lagen van de bevolking steeds meer aantreft, nog meer in de hand te werken.

Uiteindelijk zal men steeds minder mensen vinden die opgeleid zijn om sociale contacten te leggen. Men moet ernaar streven de beoogde posten te laten bekleden door de geschikte personen.

Een lid merkt op dat men het probleem van de werkgelegenheid niet zal oplossen via 40 banen van bemiddelingsassistent en 10 banen van bemiddelingsadviseur.

Het probleem mag niet worden aangepakt vanuit die hoek. Men moet weten welke taak de betrokkenen zullen moeten vervullen.

De fractie waarvan spreker deel uitmaakt, ziet die taak voornamelijk als een bemiddelingstaak, wat niet alleen werk op het terrein veronderstelt maar ook eventueel het formuleren van bepaalde voorstellen ter zake.

Het bemiddelen tussen de dader en het slachtoffer of tussen de dader en de maatschappij veronderstelt een juridische opleiding die slechts verworven kan worden via een licentie rechten en criminologie.

Indien men de bemiddeling daarentegen ziet als een vorm van sociale dienstverlening, is het verkieslijk een beroep te doen op maatschappelijke assistenten of op andere soortgelijke functies.

Spreker meent evenwel dat dergelijke mensen het moeilijk zullen hebben om te bewijzen wat ze in hun bemiddelingstaak waard zijn want ze zullen vaak geconfronteerd worden met advocaten en magistraten.

Men moet voorkomen een ambt te laten uitoefenen door personen die niet het vereiste diplomaniveau bezitten. Dat brengt voor hen alleen maar frustraties mee en het betrokken ambt dreigt aan belang in te boeten.

Een ander lid antwoordt dat uit de toelichting van de Regering blijkt dat het sociale aspect in het bemiddelingsambt beklemtoond wordt.

Er wordt opgemerkt dat er ook licentiaten in de sociale wetenschappen bestaan. Die opleiding impliceert vanzelfsprekend praktijkervaring.

Zo kan men zich ook moeilijk voorstellen dat criminologen geen enkel contact zouden hebben met het betrokken milieu of de betrokken personen.

Spreker is er overigens niet zeker van dat universitair geschoolden de eerste plaatsen zullen bekleden in de rangschikking van het vergelijkend examen voor de toegang tot de bemiddelingsambten. Alles hangt vanzelfsprekend af van de manier waarop het examen zal worden georganiseerd.

Men kan ervan uitgaan dat er rekening gehouden zal worden met de taken die moeten worden vervuld. Dat lijkt redelijker dan de systematische uitsluiting van universitair geschoolden voor dit soort functies.

Na deze bespreking wordt het hoofdamendement van de Regering, zoals gesubamendeerd door de heren Lallemand en Erdman (amendement nr. 77, A en B) aangenomen als artikel 47, met 7 stemmen bij 2 onthoudingen.

Amendement nr. 78, A van de heer Desmedt vervalt derhalve.

Amendement nr. 78, B van de heren Desmedt en Goris wordt verworpen.

­ Artikel 48 (art. 40 van het voorstel Vandenberghe c.s.)

Artikel 40 van het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. luidt als volgt :

« In artikel 273 van hetzelfde Wetboek worden de woorden « adjunct-secretarissen », « klerken-secretarissen » en « secretaris » vervangen door de woorden « secretarissen », respectievelijk « adjunct-secretarissen » en « hoofdsecretaris ».

Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt. Het wordt als artikel 48 aangenomen bij eenparigheid van de 9 aanwezige leden.

­ Artikel 49 (art. 41 van het voorstel Vandenberghe c.s.)

Artikel 41 van het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. luidt als volgt :

« Artikel 274 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :

« Artikel 274. ­ Om tot hoofdsecretaris van het parket van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur benoemd te worden, moet men :

1º volle vijfendertig jaar oud zijn;

2º hetzij licentiaat in de rechten zijn en ten minste vijf jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij het parket hebben uitgeoefend, hetzij houder zijn van het getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs of door de Koning gelijkwaardig verklaard onderwijs, alsmede van het getuigschrift van kandidaat-secretaris en daarenboven ten minste vijf jaar het ambt van secretaris bij het parket of het auditoraat hebben uitgeoefend. »

De heer Vandenberghe dient een amendement in (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 29), luidende :

« Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 41. ­ Artikel 274 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 274. ­ Om tot hoofdsecretaris van het parket van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur benoemd te worden, moet de kandidaat :

1º volle vijfendertig jaar oud zijn;

2º a) licentiaat in de rechten zijn en ten minste vijf jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij het parket hebben uitgeoefend;

b) of houder zijn van het getuigschrift van kandidaat-secretaris en daarenboven ten minste tien jaar het ambt van secretaris of adjunct-secretaris bij het parket of het auditoraat hebben uitgeoefend. »

Een lid vraagt aan de minister hoe de verschillende voorwaarden opgesomd in het 2º van het voorgestelde artikel samengaan.

De minister antwoordt het volgende :

­ ofwel moet men licentiaat in de rechten zijn en tegelijkertijd ten minste gedurende vijf jaar een ambt dat ten minste gelijk is aan dat van beambte bij het parket, uitgeoefend hebben;

­ ofwel moet men houder zijn van het getuigschrift van kandidaat-secretaris en tegelijkertijd gedurende ten minste tien jaar het ambt van secretaris of adjunct-secretaris bij het parket of het auditoraat hebben uitgeoefend.

Zo zou een adjunct-griffier die licentiaat in de rechten is, kunnen solliciteren voor de eerste categorie en een adjunct-griffier die in het bezit is van het getuigschrift van kandidaat-secretaris, voor de tweede categorie.

Het voornoemde amendement wordt als artikel 49 aangenomen met 7 stemmen bij 2 onthoudingen.

­ Artikel 50 (art. 42 van het voorstel Vandenberghe c.s.)

Artikel 42 van het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. luidt als volgt :

« Artikel 275 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :

« Art. 275. ­ § 1. Om tot secretaris bij het parket van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur benoemd te worden, moet men :

1º volle vijfentwintig jaar oud zijn :

2º hetzij licentiaat in de rechten zijn en ten minste één jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij het parket, hebben uitgeoefend, hetzij houder zijn van een getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs of door de Koning gelijkwaardig verklaard onderwijs, alsmede van het getuigschrift van kandidaat-secretaris en daarenboven ofwel adjunct-secretaris zijn bij een parket of auditoraat, ofwel ten minste vijf jaar het ambt van vertaler, opsteller of beambte hebben uitgeoefend bij een parket of auditoraat.

§ 2. De Koning bepaalt onder welke voorwaarden het getuigschrift van kandidaat-secretaris wordt uitgereikt. »

De heer Vandenberghe dient het volgende amendement in (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 30)

« Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 42. ­ Artikel 275 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 275. ­ Om tot secretaris bij het parket van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur benoemd te worden, moet de kandidaat :

1º volle vijfentwintig jaar oud zijn;

2º licentiaat in de rechten zijn en ten minste één jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij het parket, hebben uitgeoefend;

b) of houder zijn van het getuigschrift van kandidaat-secretaris en daarenboven ofwel adjunct-secretaris zijn bij een parket of auditoraat, ofwel ten minste vijf jaar het ambt van vertaler, opsteller of beambte hebben uitgeoefend bij een secretariaat van het parket of van het auditoraat. »

De formulering van dit artikel is vergelijkbaar met die van artikel 49 van de aangenomen tekst.

Een lid vraagt waarom het diploma van licentiaat in de criminologie geen toegang geeft tot het ambt van parketsecretaris.

De minister antwoordt dat het ambt van griffier of parketsecretaris tot op heden altijd rechtstreeks bestemd was voor licentiaten in de rechten. Alleen voor de bemiddelingsadviseurs en -assistenten bestaat, gelet op de specifieke aard van hun taak, de mogelijkheid om licentiaten in de criminologie in dienst te nemen.

Het amendement wordt als artikel 50 aangenomen met 7 stemmen bij 2 onthoudingen.

­ Artikel 51 (art. 43 van het voorstel Vandenberghe c.s.)

Artikel 43 van het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. luidt als volgt :

« Artikel 276 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :

« Art. 276. ­ Om tot hoofdsecretaris van het parket bij een hof van beroep of een arbeidshof te worden benoemd, moet men :

1º volle vijfendertig jaar oud zijn;

2º hetzij licentiaat in de rechten zijn en ten minste vijf jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij het parket van een hof, hebben uitgeoefend, hetzij houder zijn van een getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs of door de Koning gelijkwaardig verklaard onderwijs, alsmede van het getuigschrift van kandidaat-secretaris en daarenboven ofwel ten minste vijf jaar het ambt van secretaris bij het parket van een hof hebben uitgeoefend, ofwel hoofdsecretaris zijn van het parket van de procureur des Konings of de arbeidsauditeur. »

De heer Vandenberghe dient het volgende amendement in (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 31) :

« Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 43. ­ Artikel 276 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 276. ­ Om tot hoofdsecretaris van het parket van een hof van beroep of van een arbeidshof te worden benoemd, moet de kandidaat :

1º volle vijfendertig jaar oud zijn;

2º a) licentiaat in de rechten zijn en ten minste vijf jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij het parket van een hof, hebben uitgeoefend;

b) of houder zijn van het getuigschrift van kandidaat-secretaris en daarenboven ofwel ten minste vijf jaar het ambt van secretaris bij het parket van een hof hebben uitgeoefend, ofwel hoofdsecretaris zijn van het parket van de procureur des Konings of de arbeidsauditeur. »

Het amendement wordt als artikel 51 aangenomen met 7 stemmen, bij 2 onthoudingen.

­ Artikel 52 (art. 44 van het voorstel Vandenberghe c.s.)

Artikel 44 van het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. luidt als volgt :

« Artikel 277 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 277. ­ § 1. Om tot secretaris bij het parket bij een hof van beroep of een arbeidshof te worden benoemd, moet men :

1º volle vijfentwintig jaar oud zijn;

2º hetzij licentiaat in de rechten zijn en ten minste één jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij het parket, hebben uitgeoefend, hetzij houder zijn van een getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs of door de Koning gelijkwaardig verklaard onderwijs, alsmede van het getuigschrift van kandidaat-secretaris en daarenboven ten minste vijf jaar ofwel het ambt van secretaris bij een parket of auditoraat hebben uitgeoefend, ofwel van adjunct-secretaris bij het parket bij een hof.

§ 2. De Koning bepaalt onder welke voorwaarden het getuigschrift van kandidaat-secretaris wordt uitgereikt. »

De heer Vandenberghe dient het volgende amendement in (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 30) :

« Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 44. ­ Artikel 277 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Artikel 277. ­ Om tot secretaris bij het parket bij een hof van beroep of een arbeidshof te worden benoemd, moet de kandidaat :

1º volle vijfentwintig jaar oud zijn;

2º a) hetzij licentiaat in de rechten zijn en ten minste één jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij het parket, hebben uitgeoefend;

b) of houder zijn van een getuigschrift van kandidaat-secretaris en daarenboven ten minste vijf jaar ofwel het ambt van secretaris bij een parket of auditoraat hebben uitgeoefend, ofwel van adjunct-secretaris bij het parket bij een hof. »

Het amendement wordt als artikel 52 aangenomen met 7 stemmen, bij 2 onthoudingen.

­ Artikel 53 (art. 45 van het voorstel Vandenberghe c.s.)

Artikel 45 van het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. luidt als volgt :

« Artikel 278 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :

« Art. 278. ­ Om tot hoofdsecretaris van een parket van het Hof van Cassatie te worden benoemd, moet men :

1º volle vijfendertig jaar oud zijn;

2º hetzij licentiaat in de rechten zijn en ten minste vijf jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij het Hof van Cassatie hebben uitgeoefend, hetzij houder zijn van het getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs of door de Koning gelijkwaardig verklaard onderwijs, alsmede van het getuigschrift van kandidaat-secretaris en daarenboven ofwel vijf jaar het ambt van secretaris bij het Hof van Cassatie hebben uitgeoefend, ofwel hoofdsecretaris zijn van het parket van een hof. »

De heer Vandenberghe dient het volgende amendement in (Gedr. St., Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 33) :

« Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 45. ­ Artikel 278 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 278. Om tot hoofdsecretaris van het parket van het Hof van Cassatie te worden benoemd, moet de kandidaat :

1º volle vijfendertig jaar oud zijn;

2º a) licentiaat in de rechten zijn en ten minste vijf jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij het parketsecretariaat van een hof hebben uitgeoefend;

b) of houder zijn van het getuigschrift van kandidaat-secretaris en daarenboven ofwel vijf jaar het ambt van secretaris bij het Hof van Cassatie hebben uitgeoefend, ofwel hoofdsecretaris zijn van het parket van een hof. »

Een lid merkt op dat benoemingsvoorwaarden van het ambt van hoofdsecretaris bij het parket van het Hof van Cassatie verschillend zijn van die voor de hoofdgriffier van dit hof, terwijl gevraagd is deze twee ambten op gelijklopende wijze te behandelen.

Het amendement wordt als artikel 53 aangenomen met 7 stemmen, bij 2 onthoudingen.

­ Artikel 54 (art. 46 van het voorstel Vandenberghe c.s.)

Artikel 46 van het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. luidt als volgt :

« Artikel 279 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :

« Art. 279. ­ § 1. Om tot secretaris bij het parket van Hof van Cassatie te worden benoemd, moet men :

1º volle vijfentwintig jaar oud zijn;

2º hetzij licentiaat in de rechten zijn en ten minste één jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij het parket van een hof hebben uitgeoefend, hetzij houder zijn van het getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs of door de Koning gelijkwaardig verklaard onderwijs, alsmede van het getuigschrift van kandidaat-secretaris en daarenboven ofwel ten minste vijf jaar het ambt van secretaris bij het parket van een hof hebben uitgeoefend, ofwel van adjunt-secretaris bij het parket van het Hof van Cassatie.

§ 2. De Koning bepaalt onder welke voorwaarden het getuigschrift van kandidaat-secretaris wordt uitgereikt. »

De heer Vandenberghe dient het volgende amendement in (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 34) :

« Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 46. ­ Artikel 279 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 279. ­ Om tot secretaris bij het parket van het Hof van Cassatie te worden benoemd, moet de kandidaat :

1º volle vijfentwintig jaar oud zijn;

2ºa) licentiaat in de rechten zijn en ten minste één jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij het parketsecretariaat van een hof hebben uitgeoefend;

b) of houder zijn van het getuigschrift van kandidaat-secretaris en daarenboven ofwel ten minste vijf jaar het ambt van secretaris bij het parket van een hof hebben uitgeoefend, ofwel van adjunct-secretaris bij het parket van het Hof van Cassatie. »

Het amendement wordt als artikel 54 aangenomen met 7 stemmen, bij 2 onthoudingen.

­ Artikel 55 (art. 47 van het voorstel Vandenberghe c.s.)

Artikel 47 van het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. luidt als volgt :

« Art. 47. ­ Artikel 280 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :

« Art. 280. ­ Om tot adjunct-secretaris bij een parket te worden benoemd, moet men :

1º volle eenentwintig jaar oud zijn;

2º hetzij licentiaat in de rechten zijn en ten minste één jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij het parket hebben uitgeoefend, hetzij houder zijn van het getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs of door de Koning gelijkgesteld onderwijs, alsmede van het getuigschrift van kandidaat-secretaris en daarenboven ten minste drie jaar het ambt van opsteller of beambte hebben uitgeoefend bij een parket of een griffie. »

De heer Vandenberghe dient het volgende amendement in (Gedr. St. Senaat, nr 1-270/2, amendement nr. 35)

« Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 47. ­ Artikel 280 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 280. ­ Om tot adjunct-secretaris bij het parket te worden benoemd, moet de kandidaat :

1º volle eenentwintig jaar oud zijn;

2º a) licentiaat in de rechten zijn;

b) of houder zijn van een diploma of een getuigschrift in aanmerking komend voor de toelating tot een ambt van het niveau 1 bij de Rijksbesturen, alsmede van het getuigschrift van kandidaat-secretaris;

c) of houder zijn van een diploma of een getuigschrift in aanmerking komend voor de toelating tot een ambt van het niveau 2 bij de Rijksbesturen, alsmede van het getuigschrift van kandidaat-secretaris en daarenboven ten minste drie jaar het ambt van opsteller of beambte hebben uitgeoefend bij een griffie of een parketsecretariaat.

De benoeming tot adjunct-secretaris van een persoon die aan de onder het eerste lid, 2º, a) of b) bepaalde benoemingsvoorwaarden voldoet, die voordien niet ten minste één jaar een ambt ten minste gelijk aan dat van beambte in een griffie of een parket-secretariaat heeft uitgeoefend, wordt eerst vast na één jaar ambstvervulling.

Tijdens dat jaar kan de Koning op advies, naar gelang van het geval, van de procureur-generaal, van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur, dat aan de minister van Justitie rechtstreeks wordt overgezonden door de hoofdsecretaris die er het zijne aan toevoegt, aan het voorlopig uitgeoefend ambt een einde maken.

Het door de Koning vastgesteld statuut is van toepassing op de voorlopig benoemde adjunct-secretaris. »

Het amendement wordt als artikel 55 aangenomen, met 7 stemmen, bij 2 onthoudingen.

­ Artikel 56 (nieuw)

De Regering dient het volgende amendement in (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 63) :

« Art. 56 (nieuw)

Een artikel 56 (nieuw) invoegen, luidende :

« In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 280bis ingevoegd, luidende :

« Art. 280bis. ­ De Koning richt het examen in met het oog op de afgifte van het getuigschrift van kandidaat-secretaris bedoeld in de artikelen 274, 275, 276, 277, 278, 279 en 280. Aan dat examen kan alleen worden deelgenomen door personen die, op het tijdstip van de afsluiting der inschrijvingen, aan de onder artikel 280, eerste lid, 2º, b) of c) bepaalde benoemingsvoorwaarden inzake diploma en anciënniteit voldoen. »

De in dit artikel gevolgde werkwijze stemt overeen met die welke beschreven is in artikel 43 van de aangenomen tekst.

Het amendement wordt als artikel 56 aangenomen met 7 stemmen, bij 2 onthoudingen.

­ Artikel 57 (art. 7 van het voorstel Erdman en Lallemand c.s.)

Artikel 7 van het wetsvoorstel van de heren Erdman, Lallemand c.s. luidt als volgt :

« Artikel 281, § 3, eerste lid, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :

« De in de §§ 1 en 2 bedoelde examens zijn vergelijkend en worden ingericht door het Vast Wervingssecretariaat. »

De heer Erdman dient het volgende amendement in (Gedr. St. Senaat, nr. 1-147/2, amendement nr. 5) :

« Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 57. ­ In artikel 281, § 3, van hetzelfde Wetboek worden de leden 1 en 2 vervangen door de volgende leden :

« De in de §§ 1 en 2 bedoelde examens zijn vergelijkend en worden ingericht door de Koning, voor een examencommissie die wordt ingesteld door de minister van Justitie.

De benoeming van een vertaler die voordien niet ten minste één jaar als beambte werkzaam is geweest, wordt eerst vast na een jaar ambtsvervulling.

De minister van Justitie kan, gedurende dat jaar op advies van de hoofdsecretaris van het parket, die het hem rechtstreeks overzendt, aan het voorlopig uitgeoefende ambt een einde maken. »

Het amendement van de heer Erdman wordt als artikel 57 aangenomen bij eenparigheid van de 9 aanwezige leden.

­ Artikel 58 (art. 48 van het voorstel Vandenberghe c.s. en art. 8 van het voorstel Erdman, Lallemand c.s.)

Artikel 48 van het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. luidt als volgt :

« § 1. Artikel 282, eerste lid, 2º, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :

« 2º houder zijn van een getuigschrift van hoger middelbaar of door de Koning gelijkwaardig verklaard onderwijs of gedurende ten minste drie jaar het ambt van beambte hebben uitgeoefend bij een parket of bij de griffie van een vredegerecht, een politierechtbank, een rechtbank van eerste aanleg, een arbeidsrechtbank, een rechtbank van koophandel, een hof van beroep, een arbeidshof of het Hof van Cassatie. »

§ 2. Hetzelfde artikel, eerste lid, 3º, wordt na de woorden « aan de onder 1º en 2º bepaalde benoemingsvoorwaarden voldoen », aangevuld als volgt :

« en die met goed gevolg voor voormelde examencommissie een praktijkexamen hebben afgelegd. De Koning regelt het praktijkexamen. De laureaten van het praktijkexamen van beambte zijn vrijgesteld van dit praktijkexamen. De licentiaten in de rechten en de houders van getuigschriften van kandidaat-griffier of kandidaat-secretaris zijn van het maturiteitsexamen vrijgesteld. »

§ 3. In hetzelfde artikel, eerste lid, 3º, worden de woorden « Doctors in de rechten zijn van het examen vrijgesteld » geschrapt.

Artikel 8 van het wetsvoorstel van de heren Erdman en Lallemand c.s. betreft eveneens artikel 282 van het Gerechtelijk Wetboek en luidt als volgt :

« De eerste volzin van het 3º van artikel 282, eerste lid, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :

« geslaagd zijn voor een door het Vast Wervingssecretariaat ingericht vergelijkend maturiteitsexamen, bestaande uit een mondeling en een schriftelijk gedeelte. »

Op grond van de algemene bespreking dienen de heren Erdman en Vandenberghe elk een amendement in houdende de vervanging van respectievelijk artikel 8 en artikel 48 van hun wetsvoorstel door de volgende bepaling (Gedr. St. Senaat, nrs. 1-47/2, amendement nr. 6 en 1-270/2, amendement nr. 36) :

« Dit artikel vervangen als volgt :

« Artikel 282 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 282. ­ Om tot opsteller bij het parket-secretariaat te worden benoemd, moet de kandidaat :

1º houder zijn van een diploma of een getuigschrift in aanmerking komend voor de toelating tot een ambt van het niveau 2 bij de Rijksbesturen;

2º vast benoemd zijn en gedurende ten minste twee jaren het ambt van beambte hebben uitgeoefend in een griffie of een parketsecretariaat;

3º geslaagd zijn voor een examen ingericht door de Koning, voor een examencommissie die wordt ingesteld door de minister van Justitie. Aan dat examen kan alleen worden deelgenomen door personen die, op het tijdstip van de afsluiting der inschrijvingen, aan de onder 1º en 2º bepaalde benoemingsvoorwaarden voldoen. Licentiaten in de rechten en houders van het getuigschrift van kandidaat-griffier of kandidaat-secretaris zijn van het examen vrijgesteld. »

Het amendement van de heer Vandenberghe wordt aangenomen als artikel 58 bij eenparigheid van de 9 aanwezige leden. Het amendement van de heer Erdman vervalt derhalve.

­ Artikel 59 (art. 49 van het voorstel Vandenberghe c.s. en art. 9 van het voorstel Erdman en Lallemand c.s.)

Artikel 49 van het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. luidt als volgt :

« § 1. Artikel 283, eerste lid, 2º, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :

« 2º houder zijn van een getuigschrift van lager middelbaar onderwijs of door de Koning gelijkwaardig verklaard onderwijs en gedurende drie jaar bij een parket werkzaam zijn geweest als bode, hetzij in een graad waarvoor een bijzondere beroepsbekwaamheid vereist is en waaraan een wedde is verbonden waarvan de schaal ondergebracht is in niveau 4, vastgesteld bij de bepalingen tot regeling van de bezoldiging van het personeel der ministeries. »

§ 2. In hetzelfde artikel, eerste lid, 3º, worden de woorden « Doctors en licentiaten in de rechten zijn van het examen vrijgesteld » vervangen door de volgende bepaling : « Licentiaten in de rechten, houders van het getuigschrift van kandidaat-griffier of kandidaat-secretaris en de laureaten van het maturiteitsexamen van opsteller, zijn van het examen vrijgesteld. »

§ 3. In hetzelfde artikel, eerste lid, 4º, worden de woorden « over de dactylografie » geschrapt.

§ 4. Hetzelfde artikel, eerste lid, 4º, wordt aangeduid als volgt :

« De Koning regelt het praktijkexamen. De laureaten van het praktijkexamen van opsteller zijn vrijgesteld van dit praktijkexamen. »

In verband met het 2º van dit artikel vraagt een lid over welke beroepsmogelijkheden een beambte beschikt die niet vastbenoemd wordt.

Kan hij beroep instellen bij de Raad van State (wanneer men ervan uitgaat dat het gaat om een bestuurshandeling) of bij de arbeidsrechtbank (wanneer men ervan uitgaat dat het gaat om een arbeidsovereenkomst) ?

Een ander lid antwoordt dat de tekst lijkt te betekenen dat de benoeming na één jaar vast wordt, tenzij intussen een einde is gemaakt aan de ambtsuitoefening. Het gaat dus niet om een arbeidsovereenkomst maar om een benoeming. De betrokkene kan zich bijgevolg wenden tot de Raad van State.

Op verzoek van de vorige spreker die vraagt of de uitgesloten kandidaat in dit geval recht heeft op werkloosheidsuitkeringen, verduidelijkt de minister dat de geldende regeling van toepassing is op de voorlopig benoemden. Er moet een opzeggingstermijn in acht worden genomen.

Artikel 9 van het wetsvoorstel van de heren Erdman en Lallemand c.s. betreft eveneens artikel 283 van het Gerechtelijk Wetboek.

Het luidt als volgt :

« De eerste volzin van het 3º van artikel 283, eerste lid, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :

« geslaagd zijn voor een door het Vast Wervingssecretariaat ingericht vergelijkend maturiteitsexamen, bestaande uit een mondeling en een schriftelijk gedeelte. »

Op grond van de algemene bespreking dienen de heren Erdman en Vandenberghe elk een amendement in houdende de vervanging van respectievelijk artikel 9 en 49 van hun wetsvoorstel door de volgende bepaling (Gedr. St. Senaat, 1995-1996, nrs. 1-147/2, amendement nr. 7 en 1-270/2, amendement nr. 36) :

« Dit artikel vervangen als volgt :

In artikel 283 van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1º in het eerste lid, worden het 2º, 3º en 4º vervangen door de volgende bepaling :

« 2º geslaagd zijn voor een vergelijkend examen ingericht door de Koning, voor een examencommissie die wordt ingesteld door de minister van Justitie. Licentiaten in de rechten en houders van het getuigschrift van kandidaat-griffier of kandidaat-secretaris zijn van het vergelijkend examen vrijgesteld. »

2º het tweede lid wordt vervangen door de volgende bepaling :

« De benoeming van een beambte wordt eerst vast na één jaar ambtsvervulling.

Tijdens dat jaar kan de minister van Justitie, op het advies van de hoofdsecretaris die het hem rechtstreeks overzendt, aan het voorlopig uitgeoefende ambt een einde maken. »

Het amendement van de heer Vandenberghe wordt als artikel 59 aangenomen bij eenparigheid van de 9 aanwezige leden. Het amendement van de heer Erdman vervalt derhalve.

­ Artikel 60 (art. 10 van het voorstel Erdman en Lallemand c.s.)

Artikel 10 van het wetsvoorstel van de heren Erdman en Lallemand c.s. luidt als volgt :

« Artikel 284, eerste lid, 2º, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :

« 2º voor een vergelijkend bekwaamheidsexamen geslaagd zijn, dat wordt ingericht door het Vast Wervingssecretariaat. »

De heer Erdman dient het volgende amendement in (Gedr. St., Senaat, nr. 1-147/2, amendement nr. 8) :

« Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 10. ­ Artikel 284, eerste lid, 2º, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepalingen :

« 2º geslaagd zijn voor een vergelijkend examen ingericht door de Koning, voor een examencommissie die wordt ingesteld door de minister van Justitie. »

Het amendement wordt als artikel 60 aangenomen bij eenparigheid van de 9 aanwezige leden.

­ Artikel 61 (art. 50 van het voorstel Vandenberghe c.s.)

Artikel 50 van het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. luidt als volgt :

« Artikel 284bis van hetzelfde Wetboek wordt opgeheven. »

Dit artikel geeft geen aanleiding tot opmerkingen en wordt als artikel 61 aangenomen bij eenparigheid van de 9 aanwezige leden.

­ Artikel 62 (nieuw)

De Regering dient een amendement in (Gedr. St., Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 64) dat ertoe strekt artikel 285, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek te vervangen door de volgende bepaling :

« Het in het tweede lid, 3º, bedoelde examen is vergelijkend en wordt ingericht door de Koning, voor een examencommissie die wordt ingesteld door de minister van Justitie. »

Het amendement wordt als artikel 62 aangenomen bij eenparigheid van de 9 aanwezige leden.

­ Artikel 63 (nieuw)

De Regering dient een amendement in (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 65) dat ertoe strekt in deel II, boek I, titel VI, hoofdstuk X, van het Gerechtelijk Wetboek een artikel 285bis in te voegen, luidende :

« Art. 285bis. ­ De geslaagden van een vergelijkend wervingsexamen als bedoeld in artikelen 185, eerste lid, 271, 272, 272ter, 281, 283, 284 en 285, behouden het voordeel van hun goede uitslag gedurende drie jaar te rekenen van de datum van het proces-verbaal van het vergelijkend examen.

De minister van Justitie kan niettemin de geldigheidsduur van de wervingsreserves voor een maximumduur van twee periodes van één jaar verlengen.

Onder geslaagden van twee of meer vergelijkende wervingsexamens wordt voorrang verleend aan de geslaagden van het vergelijkend examen waarvan het proces-verbaal op de verst afgelegen datum is afgesloten. »

Een lid heeft vragen over de strekking van het tweede en derde lid van het voorgestelde artikel 285bis .

Wat gebeurt er met een kandidaat die 90 pct. heeft behaald bij een vergelijkend examen en die in aanmerking komt naast een andere kandidaat die 60 pct. behaald heeft bij een vorig vergelijkend examen ?

De minister antwoordt dat er een regeling moet worden getroffen om te voorkomen dat men op een gegeven ogenblik helemaal geen kandidaten meer heeft.

Naar analogie van de regels die gelden voor de ambtenaren blijft daarom het vergelijkend examen drie jaar geldig. Die geldigheidsduur kan met ten hoogste twee jaar worden verlengd.

Indien bijvoorbeeld na drie jaar en tien maanden een nieuw vergelijkend examen wordt afgesloten, terwijl de minister besloten heeft de geldigheidsduur van het vorige examen te verlengen met één jaar, kan men in de laatste twee maanden van het vierde jaar geconfronteerd worden met geslaagden uit beide vergelijkende examens. Dat is perfect mogelijk.

Om te verhinderen dat de afsluiting van het meest recente vergelijkend examen afbreuk doet aan de rechten die het gevolg zijn van de ministeriële beslissing tot verlenging, is bepaald dat gedurende een beperkte periode voorrang moet worden gegeven aan de geslaagden voor het oudste examen.

Onder voorbehoud van een vormwijziging aangebracht in tweede lezing in het tweede lid van het voorgestelde artikel 285bis wordt het amendement als artikel 63 aangenomen bij eenparigheid van de 9 aanwezige leden.

­ Artikel 64 (nieuw)

De Regering dient een amendement in (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 66) dat ertoe strekt in het Gerechtelijk Wetboek een artikel 286bis in te voegen luidende :

« Art. 286bis. ­ Bij het in competitie stellen van een vacante betrekking van attaché, als bedoeld in artikel 136, van bemiddelingsassistent, vertaler, beambte, bode, alsook van een graad ingesteld overeenkomstig artikel 185, eerste lid, worden telkens op gelijkwaardige wijze in aanmerking genomen :

1º de kandidatuur van de best gerangschikte laureaat van het desbetreffend vergelijkend wervingsexamen;

2º de kandidatuur van de laureaten van het desbetreffend vergelijkend examen, die minder gunstig zijn gerangschikt doch op grond van een arbeidsovereenkomst reeds deze functies vervullen op de plaats waar de betrekking is opengevallen, op voorwaarde dat ze op het ogenblik van de bekendmaking van de vacature reeds één jaar in dienst zijn en een beoordeling met vermelding « zeer goed » hebben gekregen als bedoeld in artikel 287ter;

3º de kandidatuur van hen die reeds werden benoemd tot een zelfde ambt in een andere griffie, een ander parket of parketsecretariaat.

4º de kandidatuur van de personen die in toepassing van de bepalingen van dit Wetboek zijn vrijgesteld van het desbetreffend vergelijkend wervingsexamen. »

In verband met het 4º merkt een lid op dat de bemiddelingsassistenten niet mogen worden vrijgesteld van het vergelijkend wervingsexamen. Dezelfde spreker is daarenboven van mening dat het 1º ook in het meervoud moet worden geredigeerd net als het 2º, 3º en het 4º.

De minister antwoordt dat het artikel een opsomming geeft van de vier in aanmerking genomen personencategorieën. De eerste categorie kan slechts bestaan uit één persoon en de andere geslaagden voor het vergelijkend examen zijn vermeld in het 2º.

Onder voorbehoud van een vormwijziging aangebracht in tweede lezing in het eerste lid van het voorgestelde artikel 286bis wordt het amendement als artikel 64 aangenomen bij eenparigheid van de 9 aanwezige leden.

­ Artikel 65 (art. 51 van het voorstel Vandenberghe c.s.)

Artikel 51 van het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. luidt als volgt :

« Artikel 287 van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met het volgende lid :

« Deze bepaling is eveneens van toepassing op het personeel van de griffies en de parketten. »

De heer Vandenberghe dient het volgende amendement in (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 38) :

« Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 51. ­ In artikel 287 van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1º in het eerste lid, worden de woorden « twee maanden » vervangen door de woorden « één maand »;

2º er wordt een nieuw lid toegevoegd, luidend als volgt :

« Deze bepaling is eveneens van toepassing op de ambten bedoeld in de hoofdstukken VII, VIIbis, VIII en IX van deze titel, alsook op deze ingesteld door de Koning overeenkomstig artikel 185, eerste lid. »

Het amendement wordt als artikel 65 aangenomen bij eenparigheid van de 9 aanwezige leden.

­ Artikel 66 (art. 6 van het voorstel Erdman, Lallemand c.s.)

Artikel 6 van het wetsvoorstel van de heren Erdman en Lallemand c.s. luidt als volgt :

« In deel II, boek I, titel VI, hoofdstuk X, van het Gerechtelijk Wetboek worden de artikelen 287bis, 287ter en 287quater ingevoegd, luidende :

« Art. 287bis . ­ § 1. Voor de benoemingen bedoeld in de artikelen 260 en 273 tot en met 280, stelt de minister van Justitie een profielomschrijving op die beantwoordt aan de algemene en specifieke vereisten eigen aan het ambt. Op voorstel van de dienstoverste of de magistraat-korpsoverste van de griffie of het parket waar de betrekking is opengevallen, kan de profielomschrijving worden aangepast aan de vereisten eigen aan de dienst.

§ 2. Voor dezelfde benoemingen als bedoeld in § 1 wint de minister van Justitie het advies in over de voorgestelde kandidaat bij de dienstoverste en de magistraat-korpsoverste van de rechtsmacht waar de kandidaat was tewerkgesteld.

Over de voorgestelde kandidatuur voor het ambt van hoofdgriffier of secretaris wint de minister van Justitie ook het advies in bij de magistraat-korpsoverste van de rechtsmacht waar de betrekking is opengevallen.

§ 3. Het advies antwoordt op de profielomschrijving, en belicht de vorming, de ervaring en de kwaliteiten van de kandidaat in de optiek van diens geschiktheid voor het vacante ambt; het wordt gestaafd door de notities en de eindkwoteringen opgenomen in diens drie laatste beoordelingsstaten.

§ 4. De adviezen worden medegedeeld door de dienstoverste en de magistraat-korpsoverste, naar gelang van het geval aan de eerste voorzitter of aan de procureur-generaal, binnen de termijn van één maand na de ontvangst van het verzoek om advies.

De eerste voorzitter of de procureur-generaal geeft de kandidaat schriftelijk kennis van zijn recht om het adviesdossier gedurende 10 dagen in te zien.

De betrokken kandidaat beschikt over een bijkomende termijn van 10 dagen om zijn schriftelijke bemerkingen aan de eerste voorzitter of de procureur-generaal, naargelang van het geval, te laten geworden die ze aan het adviesdossier toevoegt.

Oordeelt de betrokken kandidaat dat ernstige redenen voorhanden zijn, dan kan hij bovendien verhaal instellen uiterlijk 10 dagen na het verstrijken van de inzagetermijn bij wijze van een schriftelijk bezwaarschrift gericht aan de raad van beroep; hiervan wordt een ontvangstbewijs afgeleverd.

§ 5. De adviezen bedoeld in de §§ 1 en 2 zijn vereist op straffe van nietigheid van het benoemingsbesluit.

Artikel 287ter . ­ § 1. Jaarlijks wordt een beoordelingsstaat opgemaakt van alle personeelsleden van de griffies en de parketten, zoals vermeld in de artikelen 260 en 270 tot en met 285.

In de beoordelingsstaat drukt de dienstoverste zijn opvatting uit omtrent de waarde en de houding van het personeelslid, met behulp van beschrijvende formules overeenkomstig de aangebrachte aanduidingen. De Koning bepaalt het model van deze beoordelingsstaat en de verplichte rubrieken.

Zodra de dienstoverste de beoordelingsstaat heeft geformuleerd, legt hij deze voor aan de magistraat-korpsoverste van zijn rechtsmacht. De magistraat-korpsoverste viseert de beoordelingsstaat. De korpsoverste is gemachtigd een bijkomend of afwijkend advies toe te voegen indien hij meent dat de beoordeling geformuleerd door de dienstoverste onvolledig of onnauwkeurig is gebleven.

De beoordelingsstaat over de hoofdgriffier of secretaris van het parket wordt opgemaakt door diens toezichthoudende hiërarchische overste. De beoordelingsstaat van de hoofdgriffier wordt geviseerd door de magistraat-korpsoverste van de rechtsmacht waar hij zijn ambt vervult.

§ 2. Na te zijn geviseerd door de magistraat-korpsoverste wordt de beoordelingsstaat door de dienstoverste ter kennis gebracht van het betrokken personeelslid.

De betrokkene beschikt over een termijn van 10 dagen om een bezwaarschrift in te dienen bij de raad van beroep en te vragen gehoord te worden.

§ 3. De staten worden elk jaar in de loop van de maand september opgemaakt; zij worden uiterlijk op 15 oktober ter kennisgeving voorgelegd aan de belanghebbenden.

De beoordelingsstaat kan pas voor de eerste maal worden opgemaakt, na ten minste drie maand effectieve dienst in de griffie of het parket waar belanghebbende is tewerkgesteld.

De beoordeling slaat terug op de voorbije periode sinds de indiensttreding of de vorige beoordelingsstaat.

Ter gelegenheid van de overgang van een personeelslid naar een andere gerechtelijke dienst behoort het aan de vorige dienstchef om binnen de maand de jongste drie beoordelingsstaten van het gewezen personeelslid vertrouwelijk over te maken aan de nieuwe dienstoverste.

De dienstoverste en de magistraat-korpsoverste die, op het tijdstip waarop zij advies moeten uitbrengen over een kandidaat, het personeelslid tijdens de jongste drie maanden niet onder hun gezag hebben gehad, zullen zich voor het opmaken van hun advies kunnen steunen op de laatste beoordelingsstaten, door de vorige dienstchef overgezonden.

De beoordelingsstaat wordt bijgehouden door de dienstchef in een vertrouwelijk dossier op naam van elk personeelslid afzonderlijk.

In geval van drie opeenvolgende beoordelingsstaten met eindkwotering « slecht » wordt zulks gerapporteerd aan de minister van Justitie. Hij neemt de nodige tuchtmaatregelen, desgevallend de afzetting.

Artikel 287quater . ­ § 1. In het rechtsgebied van ieder hof van beroep en ieder arbeidshof wordt een raad van beroep opgericht die kennis neemt van de beroepen ingesteld tegen de adviezen bij bevordering, en van de beroepen ingesteld tegen de beoordelingsstaten.

De raad van beroep is samengesteld uit :

1º een magistraat van de zetel, aangewezen door de eerste voorzitter van het hof van beroep of, in voorkomend geval, door de eerste voorzitter van het arbeidshof of door de voorzitter van het militair gerechtshof indien de benoeming of de beoordeling betrekking heeft op een ambt in een arbeidsgerecht of op een ambt in een militair gerecht;

2º een magistraat van het parket, aangewezen door de procureur-generaal of, in voorkomend geval, door de auditeur-generaal bij het militair gerechtshof;

3º een hoofdgriffier of een secretaris naargelang van het geval, aangewezen door de procureur-generaal of, in voorkomend geval, door de auditeur-generaal bij het militair gerechtshof.

De raad van beroep wordt voorgezeten door de magistraat met de hoogste rang.

De leden van de raad van beroep worden aangewezen voor de duur van drie jaar. Voor elk lid worden drie plaatsvervangers aangewezen.

In geval van onbeschikbaarheid van één of meer leden wordt de plaats van het afwezig lid ingenomen door de eerstvolgende daartoe aangewezen plaatsvervanger.

De raad van beroep kan slechts geldig beraadslagen indien alle leden, of hun plaatsvervangers, aanwezig zijn.

De Koning bepaalt de werkwijze van de raden van beroep.

§ 2. Na ontvangst van het bezwaarschrift tegen een advies bij bevordering vraagt de voorzitter van de raad van beroep aan de eerste voorzitter of de procureur-generaal om het adviesdossier onverwijld over te zenden.

De raad van beroep hoort de betrokkene en de adviesverleners, en onderzoekt het dossier en de motieven van de betrokkene. De appellant mag zich bij het verhoor laten bijstaan door een advocaat.

Het definitieve advies wordt door de voorzitter van de raad van beroep meegedeeld aan de procureur-generaal of, in voorkomend geval, aan de auditeur-generaal, die op zijn beurt kennis geeft aan de minister van Justitie, binnen een termijn van veertig dagen, te rekenen van de ontvangst van het bezwaarschrift bij de raad.

De raad van beroep stelt bij aangetekende brief de betrokken kandidaat ervan in kennis.

§ 3. Na ontvangst van het bezwaarschrift tegen een beoordelingsstaat vraagt de voorzitter van de raad van beroep aan de betrokken dienstoverste de beoordelingsstaat, eventueel met een bijkomende schriftelijke verantwoording van de onmiddellijke oversten, onverwijld over te zenden.

De raad van beroep hoort de betrokkene persoonlijk en desgewenst ook de opstellers van de betwiste beoordelingsstaat en onderzoekt het dossier en de motieven van de betrokkene. De appellant mag zich bij het verhoor laten bijstaan door een advocaat.

Het definitieve advies wordt door de voorzitter van de raad van beroep meegedeeld aan de procureur-generaal of, in voorkomend geval, aan de auditeur-generaal, die op zijn beurt de betrokken dienstoverste kennis geeft, binnen een termijn van veertig dagen, te rekenen van de ontvangst van het bezwaarschrift bij de raad.

De raad van beroep stelt bij aangetekende brief de betrokken kandidaat ervan in kennis. Dit advies is definitief en wordt gevoegd bij de betwiste beoordelingsstaat. »

De heer Erdman dient het volgende amendement in (Gedr. St. Senaat, nr. 1-147/2, amendement nr. 9) :

« Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 6. ­ In deel II, boek I, titel VI, hoofdstuk X, van hetzelfde Wetboek worden de artikelen 287bis, 287ter en 287quater ingevoegd, luidende :

Art. 287bis. ­ § 1. Voor de benoemingen bedoeld in de artikelen 263, § 1, 264, 266 en 268, wint de minister van Justitie het advies in van de magistraat-korpsoverste van het gerecht waar de benoeming dient te geschieden. Deze zendt hem rechtstreeks dat advies over en voegt, naar gelang van het geval, dit van de procureur des Konings, van de arbeidsauditeur of van de procureur-generaal eraan toe.

Voor de benoemingen bedoeld in de artikelen 272bis, 272ter, 274, 276 en 278, wint de minister van Justitie het advies in, naar gelang van het geval, van de procureur des Konings, de arbeidsauditeur of de procureur-generaal waar de benoeming dient te geschieden, die het hem rechtstreeks overzendt.

Voor de benoemingen bedoeld in de artikelen 263, § 2, 265, 267, 269 en 269bis en onverminderd de bepalingen van artikel 262, wint de minister van Justitie, voor alle kandidaturen, het advies in van de hoofdgriffier van het gerecht waar de benoeming dient te geschieden. Deze zendt zijn advies rechtstreeks aan de minister over en voegt er het advies van de magistraat-korpsoverste van het desbetreffend gerecht aan toe.

Voor de benoemingen bedoeld in de artikelen 275, 277, 279 en 280 en onverminderd de bepalingen van het artikel 273, wint de minister van Justitie, voor alle kandidaturen, het advies in van de hoofdsecretaris van het parket waar de benoeming dient te geschieden. Deze zendt zijn advies rechtstreeks aan de minister over en voegt er het advies, naar gelang van het geval, van de bevoegde procureur-generaal, procureur des Konings of arbeidsauditeur aan toe.

Voor de benoemingen bedoeld in de artikelen 270 tot 272, winnen de minister van Justitie en, wat betreft de arbeidshoven en de arbeidsrechtbanken, de minister die de arbeid in zijn bevoegdheid heeft, het advies in van de hoofdgriffier van het gerecht waar de benoeming dient te geschieden die het hem rechtstreeks overzendt.

Voor de benoemingen bedoeld in de artikelen 281 tot 284, wint de minister van Justitie het advies in van de hoofdsecretaris van het parket waar de benoeming dient te geschieden die het hem rechtstreeks overzendt.

§ 2. Het advies is gemotiveerd. Het belicht de vorming, de ervaring, de kwaliteiten van de kandidaat en zijn bekwaamheid om het vacante ambt uit te oefenen; het wordt, in voorkomend geval, gestaafd door de notities en de eindkwoteringen opgenomen in diens beoordelingsstaat.

§ 3. De eindconclusies van het advies worden ter kennis gebracht van de betrokken kandidaat door de procureur-generaal, de procureur des Konings, de arbeidsauditeur, de hoofdgriffier of de hoofdsecretaris van het parket die, overeenkomstig § 1, de adviezen aan de bevoegde minister overzendt. De betrokkene beschikt over een termijn van tien dagen om kennis te nemen van het volledig advies.

Oordeelt de betrokken kandidaat dat daartoe ernstige redenen voorhanden zijn, dan kan hij, binnen dezelfde termijn, een schriftelijk verzoek om het advies te wijzigen indienen, gericht aan de bevoegde raad van beroep. Hiervan wordt hem ontvangstbewijs afgeleverd.

De kandidaat doet, per zelfde post, een afschrift van zijn verzoek aan de magistraat, hoofdgriffier of hoofdsecretaris, die belast is met het overzenden van het advies aan de minister van Justitie, toekomen. Het adviesdossier wordt aan de raad van beroep binnen de achtenveertig uren na ontvangst van dit afschrift medegedeeld.

§ 4. De adviezen worden medegedeeld aan de minister van Justitie of aan de minister die de arbeid in zijn bevoegdheid heeft binnen een termijn van veertig dagen te rekenen van de datum van ontvangst van het verzoek om advies of, indien de betrokken kandidaat gebruik heeft gemaakt van de in het tweede lid van § 3 bedoelde mogelijkheid, binnen een termijn van dertig dagen te rekenen van de datum van ontvangst van het bezwaarschrift door de bevoegde raad van beroep.

Art. 287ter. ­ § 1. Om de twee jaar wordt een beoordelingsstaat opgemaakt van alle personeelsleden die een graad bekleden, bedoeld in hoofdstukken VI, VII, VIIbis, VIII en IX van deze titel, alsook die ingesteld door de Koning, overeenkomstig artikel 185, eerste lid.

Het bepaalde in het eerste lid is van toepassing op het bij arbeidsovereenkomst in dienst genomen personeel.

In de beoordelingsstaat drukt de dienstoverste zijn opvatting uit omtrent de waarde en de houding van het personeelslid, met behulp van beschrijvende formules overeenkomstig de aangebrachte aanduidingen. De beoordeling wordt uitgedrukt door middel van een van de volgende vermeldingen : « zeer goed », « goed » of « onvoldoende ». De Koning stelt nadere regels voor de toepassing van deze bepalingen.

Onder « dienstoverste », wordt verstaan :

1º voor de hoofdgriffiers, de hoofdsecretarissen en de attachés, als bedoeld in artikel 136, naar gelang van het geval, de procureur-generaal, de procureur des Konings of de arbeidsauditeur;

2º voor de bemiddelingsadviseurs en -assistenten, respectievelijk, de procureur-generaal en de procureur des Konings;

3º voor de leden van de griffies, de leden van de parketsecretariaten, het personeel van de griffies en van de parketsecretariaten, alsook voor de personeelsleden die een graad bekleden ingesteld door de Koning, overeenkomstig artikel 185, eerste lid, naar gelang van het geval, de hoofdgriffier of de hoofdsecretaris.

De dienstoverste kan zijn bevoegdheden overdragen volgens nadere regels gesteld door de Koning.

§ 2. Wat de hoofdgriffiers en de attachés, als bedoeld in artikel 136, betreft, maakt, naar gelang van het geval, de procureur-generaal, de procureur des Konings of de arbeidsauditeur een voorlopige beoordeling op, en legt deze voor aan de magistraat-korpsoverste van de desbetreffende rechtsmacht, die deze viseert, en er in voorkomend geval een bijkomend advies aan toevoegt. De procureur-generaal, de procureur des Konings of de arbeidsauditeur, naar gelang van het geval, maakt een definitieve beoordeling op.

Wat de leden van de griffies betreft, maakt de hoofdgriffier een voorlopige beoordeling op, die hij aan de bevoegde procureur-generaal, procureur des Konings of arbeidsauditeur voorlegt. Deze magistraat viseert de beoordeling en voegt er in voorkomend geval een bijkomend advies aan toe. Hij nodigt de magistraat-korpsoverste van de rechtsmacht, waar het lid van de griffie zijn ambt vervult, uit hetzelfde te doen en zendt daarna de beoordelingsstaat en, in voorkomend geval, de adviezen terug aan de hoofdgriffier die de definitieve beoordeling opmaakt.

Wat de leden van de parketsecretariaten betreft, maakt de hoofdsecretaris een voorlopige beoordeling op, die hij aan de bevoegde procureur-generaal, procureur des Konings of arbeidsauditeur voorlegt. Deze magistraat viseert de beoordeling en voegt er in voorkomend geval een bijkomend advies aan toe. De hoofdsecretaris maakt daarna een definitieve beoordeling op.

§ 3. De definitieve beoordelingsstaat wordt door de dienstoverste ter kennis gebracht van het betrokken personeelslid.

De betrokkene beschikt over een termijn van tien dagen om een bezwaarschrift in te dienen bij de bevoegde raad van beroep en te vragen gehoord te worden. Hij stuurt per zelfde post een afschrift van zijn bezwaarschrift naar de dienstoverste die de beoordelingsstaat opgemaakt heeft. Deze zendt de beoordelingsstaat, eventueel met een bijkomende schriftelijke verantwoording van de onmiddellijke oversten, aan de raad van beroep over binnen de achtenveertig uren na ontvangst van dit afschrift.

De raad van beroep deelt het advies mee aan de betrokken dienstoverste en stelt bij aangetekende brief het betrokken personeelslid ervan in kennis binnen een termijn van veertig dagen te rekenen van de datum van ontvangst van het bezwaarschrift.

Dat advies is definitief en wordt toegevoegd aan de beoordelingsstaat.

§ 4. De beoordelingsstaat wordt voor de eerste maal opgemaakt tussen de negende en de twaalfde maand effectieve dienst.

De beoordeling slaat terug op de voorbije periode sinds de indiensttreding of de vorige beoordelingsstaat.

Het personeelslid kan een nieuwe beoordeling aanvragen, ten vroegste één jaar na de opmaak van de vorige beoordeling.

De beoordelingsstaat wordt bijgehouden door de dienstoverste in een vertrouwelijk dossier op naam van elk personeelslid afzonderlijk. De dienstoverste brengt de definitieve toegekende vermelding rechtstreeks ter kennis van de minister van Justitie.

§ 5. De beoordeling van een personeelslid dat de vermelding « onvoldoende » heeft verkregen, brengt gedurende een jaar, op geldelijk vlak, het verlies van de uitwerking van de eerstvolgende tussenverhoging met zich mee, die volgt na de toekenning van de vermelding, en dit onverminderd de tuchtrechtelijke gevolgen.

Art. 287quater. ­ § 1. Er wordt een nationale raad van beroep opgericht die kennis neemt van de beroepen tegen de adviezen uitgebracht in het kader van de benoemingsprocedure, alsook tegen de beoordelingsstaten, ingesteld door de attachés, als bedoeld in artikel 136, door de bemiddelingsadviseurs, door de hoofdgriffiers en door de hoofdsecretarissen.

Deze raad is gevestigd in Brussel.

In het rechtsgebied van ieder hof van beroep wordt een raad van beroep opgericht die kennis neemt van de beroepen tegen de adviezen uitgebracht in het kader van de benoemingsprocedure, alsook tegen de beoordelingsstaten, ingesteld door leden van de griffies, door leden van de parketsecretariaten, door bemiddelingsassistenten, door het personeel van de griffies en van de parketsecretariaten en door personeelsleden die een graad bekleden ingesteld door de Koning overeenkomstig artikel 185, eerste lid.

Deze raad wordt gevestigd op de zetel van het hof van beroep.

In deze raden zijn er zoveel afdelingen als er taalstelsels zijn voor de personeelsleden die kunnen vragen om door de raden te worden gehoord.

Het taalstelsel van de verzoeker bepaalt voor welke afdeling hij verschijnt.

§ 2. De nationale raad van beroep is, per afdeling, samengesteld uit :

1º een magistraat van een hof;

2º twee magistraten van het parket van een hof;

3º twee hoofdgriffiers;

4º twee hoofdsecretarissen;

5º twee bemiddelingsadviseurs;

6º een attaché in de dienst documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van Cassatie.

§ 3. De raad van beroep van het rechtsgebied van het hof van beroep is, per afdeling, samengesteld uit :

1º een magistraat van de zetel;

2º twee magistraten van het parket;

3º twee griffiers;

4º twee secretarissen;

5º een bemiddelingsadviseur en een bemiddelingsassistent.

§ 4. De leden van de nationale raad van beroep worden aangewezen, wat de magistraten van de zetel betreft, door de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie, en wat de andere leden betreft, door de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie. De leden van de raad van beroep van het rechtsgebied van het hof van beroep worden aangewezen, wat de magistraten van de zetel betreft, naar gelang van het geval, door de eerste voorzitter van het hof van beroep, de eerste voorzitter van het arbeidshof of de eerste voorzitter van het militair gerechtshof, en wat de andere leden betreft, naar gelang van het geval, door de procureur-generaal bij het hof van beroep of de auditeur-generaal bij het militair gerechtshof. Deze aanwijzingen gebeuren volgens criteria vastgesteld door de Koning.

De Koning zorgt ervoor dat al de ambten van deze titel vertegenwoordigd zijn binnen de leden of hun plaatsvervangers.

Voor elk lid kunnen tot zes plaatsvervangers aangewezen worden.

Minstens een griffier of een secretaris, werkend of plaatsvervangend lid, dient lid te zijn van een militair gerecht.

De leden van de raden van beroep worden, met hun instemming, aangewezen voor de duur van twee jaar. De eerste maal, bij de installatie van de raden van beroep, worden de magistraten niettemin aangewezen voor de duur van drie jaar.

§ 5. In geval van onbeschikbaarheid van één of meer leden wordt de plaats van het afwezig lid ingenomen door de eerstvolgende daartoe aangewezen plaatsvervanger.

De raad van beroep kan slechts geldig beraadslagen indien de leden, of hun plaatsvervangers, die aangewezen zijn in functie van de hoedanigheid van de verzoeker, aanwezig zijn. Per zitting moeten minimum vier leden aanwezig zijn. Minstens de helft onder hen moet magistraat zijn. De Koning bepaalt binnen de leden van de raden welke onder hen zetelen in functie van de categorie van personeel waartoe de verzoeker behoort.

Elke raad van beroep wordt voorgezeten door de magistraat van de zetel, of bij gebreke, door de magistraat van het parket met de hoogste rang. De voorzitter heeft een beslissende stem.

De raad van beroep hoort de verzoeker persoonlijk en desgewenst ook de opstellers van het betwiste advies of de betwiste beoordelingsstaat en onderzoekt het dossier en de motieven van de betrokkene. De verzoeker mag zich bij het verhoor laten bijstaan door een advocaat of een afgevaardigde van een representatieve vakorganisatie.

De Koning stelt nadere regels voor de werking van de raden van beroep. »

Verantwoording

­ Zie de algemene bespreking en de grondlijnen.

­ Wat betreft het voorgestelde artikel 287bis, § 2 :

1º Het amendement stelt een betere formulering van de tekst voor.

2º Het is nuttig te vermelden dat het advies gemotiveerd moet zijn en op welke elementen deze motivering gegrond moet zijn. Het advies mag zich niet beperken tot een besluit over de vraag of de kandidatuur al dan niet opportuun is, los van de opsomming van de kwaliteiten. De motivering van het advies is noodzakelijk om de werking van het ingevoerde stelsel, en met name de beroepsmogelijkheden, mogelijk te maken. Ter vergelijking : er is uitdrukkelijk bepaald dat het advies dat de benoeming van magistraten voorafgaat, met redenen omkleed moet zijn (art. 259ter van het Gerechtelijk Wetboek).

­ Wat betreft het voorgestelde artikel 287ter, § 1, tweede lid : de woorden « is van toepassing » worden gebruikt om te voorkomen dat het onduidelijk is of het opstellen van de beoordelingsstaat verplicht of gewoon facultatief is voor het personeel dat onder een arbeidsovereenkomst werkt.


De heer Lallemand dient het volgende subamendement in (Gedr. St. Senaat, nr. 1-147/2, amendement nr. 14) :

« Het voorgestelde artikel 287bis, § 3, vervangen als volgt :

« § 3. Het advies wordt eveneens overgezonden aan de procureur-generaal, die het ter kennis brengt van de betrokkene. Deze beschikt over een termijn van tien dagen om zijn opmerkingen, die bij het adviesdossier gevoegd worden, mede te delen.

De betrokken kandidaat die meent dat daartoe ernstige redenen voorhanden zijn, dient binnen dezelfde termijn bij de bevoegde raad van beroep een schriftelijk verzoek in tot wijziging van het advies. Hiervan wordt hem een ontvangstbewijs afgegeven.

De kandidaat stuurt een afschrift van zijn verzoek aan de magistraat, de hoofdgriffier of de hoofdsecretaris die het advies aan de minister van Justitie heeft overgezonden. Het adviesdossier wordt binnen achtenveertig uren na de ontvangst van dit afschrift gezonden aan de raad van beroep. »

Verantwoording

Het amendement stelt een procedure voor die vergelijkbaar is met die welke gevolgd wordt voor de benoeming van de magistraten (art. 259ter van het Gerechtelijk Wetboek). Het is immers normaal dat de betrokkene rechtstreeks in kennis wordt gesteld van het advies in plaats van hem mee te delen dat hij een in de tijd beperkt inzagerecht heeft.

esti

De minister merkt op dat dit artikel de verschillende adviesprocedures samenbrengt met voor elk geval de vermelding van de beheerder van het dossier.

Bespreking van het amendement

I. Artikel 287bis

Op verzoek van een lid preciseert de minister dat in § 4 van het artikel een termijn van 40 dagen bepaald is waarbinnen alles moet plaatsvinden.

Deze termijn is dezelfde als die welke voor de magistratuur bestaat.

In verband met § 3, als voorgesteld door het amendement, merkt de indiener op dat de voorgestelde oplossing gekozen is om te voorkomen dat er een te groot aantal documenten doorgezonden worden. Er is bepaald dat de betrokkene in kennis wordt gesteld door de procureur-generaal, de procureur des Konings, de arbeidsauditeur, de hoofdgriffier of de hoofdsecretaris van het parket. Rekening houdend met de specifieke toestand, waarbij beambten en opstellers betrokken zijn, is het immers onnodig dat de procureur-generaal extra werk te geven wanneer plaatselijk het noodzakelijke kan worden gedaan.

De voorgaande spreker stelt vast dat voorgesteld wordt § 5 van het ontworpen artikel 287bis te schrappen.

Hij veronderstelt dat het ontbreken van een advies de formele nietigheid tot gevolg heeft en aanleiding kan geven tot beroep bij de Raad van State.

De minister bevestigt dit. Hij voegt eraan toe dat in andere vergelijkbare teksten van het Gerechtelijk Wetboek geen bepaling van die aard bestaat en dat men moet voorkomen dat hieruit afgeleid kan worden dat er in die gevallen geen nietigheid bestaat.

Het gaat in dit geval om een als substantieel beschouwd vormvoorschrift.

Wat artikel 287bis , § 3, betreft, stelt een lid vast dat alleen de eindconclusies van het advies medegedeeld worden aan de betrokken kandidaat.

Voor de eerbiediging van de rechten van de verdediging is het evenwel van belang dat dit advies integraal toegankelijk is.

De commissie sluit zich aan bij dit standpunt.

Met betrekking tot § 4 wordt aangestipt dat wanneer de betrokken kandidaat gebruik heeft gemaakt van de in het tweede lid van § 3 bedoelde mogelijkheid, het advies voor de in § 1 bedoelde korpsoverste wordt gezonden en niet rechtstreeks voor de minister.

II. Artikel 287ter

Een lid merkt op dat § 1, eerste lid, van artikel 287ter , voorgesteld in het amendement, bepaalt dat om de twee jaar een beoordelingsstaat wordt opgemaakt.

Hoe kan deze bepaling verzoend worden met die van het 2º van artikel 286bis , voorgesteld in artikel 64 ?

Er wordt op gewezen dat naar een compromis is gezocht voor de minimumduur van ambtsuitoefening vereist voor de benoeming.

Uiteindelijk heeft men gekozen voor een periode van een jaar.

De voornoemde bepalingen moeten worden gelezen samen met artikel 287ter , § 4, waarin wordt bepaald dat de beoordelingsstaat voor de eerste maal wordt opgemaakt tussen de 9e en de 12e maand effectieve dienst.

De vorige spreker vraagt of de vermeldingen die de beoordeling weergeven (de vermelding « voldoende » wordt niet langer gehanteerd) dezelfde zijn als die welke algemeen worden toegepast voor overheidsambtenaren.

De minister antwoordt bevestigend. In het nieuwe beoordelingssysteem voor ambtenaren gebruikt de directieraad een van volgende vermeldingen : « zeer goed », « goed » of « onvoldoende ».

Degene die beoordeelt, moet echter genuanceerder te werk gaan (« uitstekend », « zeer goed », enz.). Deze nuances worden omgezet in cijfers en het uiteindelijk resultaat beantwoordt aan een van de drie hierboven opgesomde mogelijkheden.

Een koninklijk uitvoeringsbesluit hieromtrent zal noodzakelijk zijn.

Dit systeem wil voorkomen dat iedereen de beoordeling « zeer goed » zou krijgen.

Met betrekking tot de bezwaarprocedure bepaald in artikel 287ter , § 3, voorgesteld in het amendement, vraagt een lid of de betrokken partij gehoord kan worden.

De indiener van het amendement antwoordt bevestigend en verwijst naar artikel 287quater, § 5.

Een lid vraagt of de vakverenigingen hebben ingestemd met de inhoud van artikel 287ter, § 5.

De minister antwoordt dat deze kwestie niet aan de orde is geweest.

Iedereen ging akkoord met een beoordelingssysteem geïnspireerd op dat van de ambtenaren. Het is niet meer dan logisch dat een dergelijk systeem voorziet in een sanctie in geval van negatieve beoordeling.

Het lid vraagt zich af of dit, vooral in griffies met een beperkt aantal personeelsleden, niet tot gevolg zal hebben dat men de beoordeling « onvoldoende » zal vermijden, teneinde de persoonlijke relaties tussen de collega's niet in gevaar te brengen.

Men zou een alternatief systeem kunnen uitwerken, waarin de betrokkene niet in aanmerking komt voor bevordering, zonder dat hij daarom gestraft wordt zoals de tekst bepaalt.

De minister verduidelijkt nog dat § 5 van het voorgestelde artikel 287ter in overeenstemming is met het tuchtsysteem, dat van kracht is bij de overheid.

De tekst bepaalt niet dat er een automatisch verband is tussen bepaalde beoordelingen en een tuchtsanctie.

Een ander lid verwijst naar de jurisprudentie van de Raad van State betreffende verborgen tuchtsancties. De Raad van State heeft zich met name moeten uitspreken over gevallen van overplaatsingen van rijkswachters.

De Raad van State is aan de hand van verschillende criteria tot de conclusie gekomen dat het wel degelijk ging om een tuchtsanctie. Eén van die criteria was dat de genomen maatregel gevolgen had op geldelijk vlak. Op basis van dit criterium kan, telkens wanneer volgens het in de tekst voorgesteld systeem de beoordeling « onvoldoende » gegeven wordt, beroep bij de Raad van State ingesteld worden.

De minister onderstreept dat het voorgestelde systeem opgevat is als een middenweg tussen de beoordeling « zeer goed » en een tuchtsanctie.

Op die manier kan men ingrijpen wanneer het werk van een ambtenaar onbevredigend is, zonder daarom meteen te moeten overgaan tot een tuchtsanctie.

Het is in ieder geval steeds mogelijk beroep in te stellen bij de Raad van State tegen elke bestuurshandeling.

De hamvraag is hier of de weddeverhogingen in kwestie een verworven statutair recht zijn dan wel of de overheid het recht heeft ­ nog afgezien van enige tuchtsanctie ­ eisen te stellen aangaande de kwaliteit van de prestaties van de ambtenaren.

Een vorige spreker meent dat in het laatste geval het criterium voor de toekenning van de verhoging anders geformuleerd moet worden, bijvoorbeeld als « bonus ».

De minister verklaart dat deze kwestie opnieuw onderzocht moet worden. Als men elke geldelijke sanctie uitsluit, bestaat het gevaar dat elke beoordeling « onvoldoende » een tuchtsanctie meebrengt. Gezien de relatieve ernst van zo'n sanctie zou het aantal beoordelingen « onvoldoende » wel eens sterk kunnen afnemen.

Een lid merkt op dat het logischer zou zijn dat personen van wie de prestaties onvoldoende worden geacht, uit hun dienst of instelling worden verwijderd. In het voorgestelde systeem wordt de betrokkene weliswaar een voordeel onthouden dat wordt toegekend aan diegenen die bevredigend werk leveren, maar hij blijft verder werken op dezelfde plaats.

De minister wijst erop dat men op die manier wel een effectieve sanctie treft maar aan de betrokkene toch de kans laat te bewijzen dat hij beter kan.

De vorige spreker kan zich wel vinden in deze filosofie, maar wijst erop dat men omzichtig moet omspringen met de gebruikte terminologie, daar die kan leiden tot beroep bij de Raad van State.

Een lid voegt daaraan toe dat de beoordeling « onvoldoende » het gevolg kan zijn niet van een fout, maar van onvermogen of onbekwaamheid.

Er dient dus gezocht te worden naar een alternatieve manier om het systeem onder woorden te brengen.

De vorige spreker meent nochtants dat de mogelijkheid moet bestaan om, zonder dat er sprake is van een tuchtsanctie, een slecht functonerende ambtenaar te verwijderen, zodra die een eerste maal de beoordeling « onvoldoende » oploopt.

De minister herinnert eraan dat elke benoeming voorafgegaan wordt door een proefperiode die precies bedoeld is om eventuele tekortkomingen op te sporen en indien mogelijk te verhelpen.

Zodra de ambtenaar echter benoemd is, valt hij onder het tuchtsysteem.

III. Artikel 287quater

Met betrekking tot artikel 287quater , § 2, betreffende de samenstelling van de nationale raad van beroep, geeft een lid als zijn mening te kennen dat de aanwijzingsprocedure nogal arbitrair lijkt.

Er wordt geantwoord dat deze tekst voorkwam in het wetsvoorstel van de heren Erdman, Lallemand, c.s.

De minister voegt daaraan toe dat de Regering twee voorontwerpen van wet heeft goedgekeurd betreffende de oprichting van federale raden, zowel voor de griffiers en de secretarissen als voor de magistraten.

Deze raden zouden hier een rol kunnen spelen, ware het niet dat de Raad van State zijn advies over de voornoemde ontwerpen nog niet uitgebracht heeft zodat het voorbarig leek zich erop te inspireren om de besproken voorstellen te wijzigen.

Het is ook niet duidelijk of de betrokkenen de voorkeur geven aan een systeem met toerbeurten op basis van anciënniteit, waarin de procureur-generaal eerder een symbolische rol zou spelen, of een systeem met verkiezingen, zelfs indien die enkel informatieve waarde zouden hebben.

Aangezien deze laatste oplossing erg delicaat ligt, lijkt een toerbeurtsysteem te verkiezen.

De vorige spreker vreest dat als men aan de procureur-generaal een bevoegdheid toekent om hem die vervolgens weer af te nemen, dit van zijn kant een negatieve reactie zal uitlokken. Spreker herinnert eraan dat het hier gaat om een beroep dat iemand instelt tegen de beoordeling die over hem is uitgesproken. Het is daarom van essentieel belang dat de beroepsinstantie totaal onpartijdig overkomt.

De indiener van het amendement verklaart dat onderzocht moet worden of het principe van een automatische toerbeurt in de wet kan worden opgenomen.

Een lid stelt zich vragen bij het nut van de laatste volzin van het tweede lid van § 5 van artikel 287quater . Waarom zou de Koning nog moeten tussenkomen in de samenstelling van de raden ?

Het antwoord luidt dat uit vorige besprekingen gebleken is dat niet alle personen die volgens de wet deel uitmaken van de raad van beroep tegelijkertijd zitting dienen te nemen, maar dat de samenstelling bepaald wordt op basis van de taal en de personeelscategorie waartoe de persoon die beroep instelt, behoort.

Paragraaf 5 legt vast binnen welke grenzen de Koning zijn keuze kan maken en bouwt een aantal garanties in betreffende de voorwaarden waaronder de raad van beroep kan samenkomen.

Op verzoek van een lid wordt verduidelijkt dat de aanwijzing door de respectieve procureurs-generaal samengaat met het toezicht dat ze uitoefenen.

Het amendement van de heer Erdman wordt als artikel 66 aangenomen bij eenparigheid van de 9 aanwezige leden.

Het subamendement van de heer Lallemand wordt verworpen met dezelfde eenparigheid.


Over de zes plaatsvervangers waarvan sprake is in § 4 van het voorgestelde artikel 287quater , vraagt een lid of die een plaats in een rangorde krijgen. Wie wijst de plaatsvervanger aan die in een bepaalde zaak zitting houdt ?

De minister antwoordt dat de mogelijkheid om zes plaatsvervangers aan te wijzen aan de raad van beroep de waarborg wil bieden toch zitting te kunnen houden wanneer bijvoorbeeld een rechter wordt gewraakt.

Daar komt nog bij dat het koninklijk besluit de zaak zal regelen.


In tweede lezing worden de volgende wijzigingen aangebracht in artikel 66 :

­ Het tweede lid van § 1 van artikel 287bis luidt als volgt :

« Voor de benoemingen bedoeld in de artikelen 272bis , 272ter, 274, 276 en 278 wint de minister van Justitie het advies in van de magistraatkorpsoverste van het parket van de rechtsmacht waar de benoeming dient te geschieden.

Deze magistraat zendt zijn advies rechtstreeks over aan de minister. »

De volgende leden van dezelfde paragraaf worden op dezelfde manier aangepast.

­ In § 1 van artikel 287quater worden verscheidene vormverbeteringen aangebracht en bovendien wordt die paragraaf door de Regering gesubamendeerd als volgt (Gedr. St. Senaat, nr. 1-147/2, amendement nr. 12) :

« Art. 6. ­ Na het derde lid van § 1 van het voorgestelde artikel 297quater, een nieuw lid invoegen, luidende :

« De raad van beroep opgericht in het rechtsgebied van het Hof van beroep te Brussel is eveneens bevoegd voor de beroepen ingesteld door de personen bedoeld in het vorige lid die hun ambt uitoefenen bij de griffie van het Hof van Cassatie en bij het parket van dit Hof. »

­ Op § 4 van hetzefde artikel dient de Regering een subamendement in, luidende (Gedr. St. Senaat, nr. 1-147/2, amendement nr. 13) :

« Art. 6

In § 4 van het voorgestelde artikel 287quater worden de volgende wijzigingen aangebracht :

A) De laatste zin van het eerste lid vervalt;

B) Het tweede lid wordt vervangen als volgt :

« De Koning bepaalt de criteria voor de aanwijzingen bedoeld in het vorig lid. Voor ieder categorie van gerecht, moet elk van de ambten opgesomd in de §§ 2 en 3 vertegenwoordigd zijn, hetzij door een lid, hetzij door een plaatsvervanger. »;

C) Het vierde lid vervalt. »

De subamendementen van de Regering worden eenparig aangenomen door de 9 aanwezige leden.

­ Artikel 67 (art. 52 van het voorstel Vandenberghe c.s.)

Artikel 52 van het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. luidt als volgt :

« § 1. In artikel 288, vijfde lid, van hetzelfde Wetboek, wordt het woord « klerken-griffiers » vervangen door het woord « adjunct-griffiers ».

§ 2. In artikel 288, zesde lid, worden de woorden « hun griffiers-hoofden van de griffie » vervangen door de woorden « de hoofdgriffiers » en het woord « klerken-griffiers » door het woord « adjunct-griffiers ».

Dit artikel geeft geen aanleiding tot opmerkingen en wordt als artikel 67 aangenomen bij eenparigheid van de 9 aanwezige leden.

­ Artikel 68 (nieuw)

De Regering dient het volgende amendement in (Gedr. St. Senaat 1-270/2, amendement nr. 68) om in deel II, boek II, titel I, van het Gerechtelijk Wetboek een hoofdstuk Ibis in te voegen, luidende :

« Hoofdstuk Ibis. Eedaflegging van de bemiddelingsadviseurs, van de bemiddelingsassistenten en van de secretarissen.

Art. 291bis. ­ De bemiddelingsadviseurs en -assistenten, leggen de in het decreet van 20 juli 1831 voorgeschreven eed af in handen, respectievelijk, van de procureur-generaal en van de procureur des Konings, bij hun eerste benoeming.

De hoofdsecretarissen, secretarissen en adjunct-secretarissen bij de parketten leggen de in het decreet van 20 juli 1831 voorgeschreven eed af in handen, naar gelang van het geval, van de procureur-generaal, van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur.

De eed moet worden afgelegd binnen een maand na de kennisgeving van de benoeming; anders mag deze als niet-bestaande worden beschouwd. »

De minister merkt op dat dit artikel de tekst overneemt van het koninklijk besluit van 30 mei 1970 betreffende het statuut van de griffiers van de rechterlijke orde, van het personeel der griffies van hoven en rechtbanken en van het personeel der parketten.

Hij wijst erop dat de bemiddelingsadviseurs en de bemiddelingsassistenten afhangen van de procureur des Konings of de procureur-generaal. Zij verlenen in feite hun medewerking aan de functie van het openbaar ministerie zonder echter deel uit te maken van het parket, en zij vervullen een bijzondere taak in het optreden van het openbaar ministerie tegenover misdrijven.

Het amendement wordt als artikel 68 aangenomen bij eenparigheid van de 9 aanwezige leden.

­ Artikel 69 (art. 53 van het voorstel Vandenberghe c.s.)

Artikel 53 van het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. luidt als volgt :

« In artikel 301 van hetzelfde Wetboek worden de woorden « griffiers-hoofden van de griffie » geschrapt en wordt het woord « klerken-griffiers » vervangen door het woord « adjunct-griffiers ». »

De heer Vandenberghe dient het volgende amendement in (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 39) :

« Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 53. ­ In artikel 301 van hetzelfde Wetboek, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1º de woorden « griffiers-hoofden van de griffie » worden geschrapt en het woord « klerken-griffiers » wordt vervangen door het woord « adjunct-griffiers »;

2º er wordt een nieuw lid toegevoegd, luidend :

« Deze bepaling is eveneens van toepassing op de bemiddelingsadviseurs, bemiddelingsassistenten en op de leden van de parketsecretariaten. »

Het amendement wordt als artikel 69 aangenomen bij eenparigheid van de 9 aanwezige leden.

­ Artikel 70 (art. 54 van het voorstel Vandenberghe c.s.)

Artikel 54 van het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. luidt als volgt :

« In artikel 304 van hetzelfde Wetboek worden tussen de woorden « openbaar ministerie » en het woord « of » de woorden « de griffier » ingevoegd. »

Dit artikel wordt zonder verdere bespreking aangenomen als artikel 70 bij eenparigheid van de 9 aanwezige leden.

­ Artikel 71 (art. 55 van het voorstel Vandenberghe c.s.)

Artikel 55 van het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. luidt als volgt :

« In artikel 305 van hetzelfde Wetboek worden de woorden « en de griffiers-hoofden van de griffie » geschrapt. »

De heer Vandenberghe dient het volgende amendement in (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 40) :

« Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 55. ­ In artikel 305 van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1º in het eerste lid, worden de woorden « griffier-hoofden van de griffie en de griffiers » vervangen door het woord « hoofdgriffiers »;

2º in het vierde lid, wordt het woord « griffiers » vervangen door het woord « hoofdgriffiers. »

Moet men in de geschrapte woorden « griffiers-hoofden van de griffie » het begrip griffiers zien als een soortnaam ?

De indiener van het amendement antwoordt dat de voorgestelde wijziging tot doel heeft het eerste en het laatste lid van artikel 305 (dat de meest recente tekst is) met elkaar in overeenstemming te brengen.

Het woord « griffier » wordt beschouwd als soortnaam.

De minister stipt aan dat het in de huidige versie van artikel 305 niet mogelijk is uit te maken of de klerken-griffiers en de adjunct-griffiers eveneens onderworpen zijn aan de verplichting van verblijfplaats.

Deze bespreking biedt de kans om dit punt op te helderen.

Er zij opgemerkt dat artikel 305 vrij soepel wordt toegepast en dat het Gerechtelijk Wetboek afwijkingen toestaat.

De commissie besluit dat artikel 305 niet van toepassing is op de klerken-griffiers en de adjunct-griffiers. Zij verkiest eveneens de verplichting van verblijfplaats te beperken tot de hoofdgriffiers en de griffiers-diensthoofden.

Bijgevolg moeten het eerste en het laatste lid van artikel 305 in die zin aangepast worden.

Het amendement wordt als artikel 71 aangenomen bij eenparigheid van de 9 aanwezige leden.

­ Artikel 72 (art. 56 van het voorstel Vandenberghe c.s.)

Artikel 56 van het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. luidt als volgt :

« § 1. In deel II, boek II, titel II van hetzelfde Wetboek wordt onder de hoofding « Rangorde en voorrang » van hoofdstuk I, de ondertitel « Gerechtelijke ambten en parketsecretarissen » toegevoegd.

§ 2. De artikelen 310, 311 en 312 van hetzelfde wetboek worden ieder aangevuld met het volgende lid :

« Parketsecretarissen :

De hoofdsecretaris;

De secretarissen-hoofden van dienst, naar orde van hun benoeming;

De secretarissen, naar dezelfde orde;

De adjunct-secretarissen, naar dezelfde orde. »

Een lid verwijst naar de opmerking van het Hof van Cassatie in verband met artikel 56, § 1 : wat daarin voorgesteld wordt, komt volgens het hof neer op de bewering dat de griffiers gerechtelijke ambten uitoefenen en de secretarissen van de parketten niet, hoewel titel II van het Gerechtelijk Wetboek, waarin dit artikel opgenomen zou worden, betrekking heeft op de uitoefening van gerechtelijke ambten.

De minister merkt op dat het begrip « gerechtelijke ambten » voor interpretatiemoeilijkheden zorgt.

Het is duidelijk dat het ambt van griffier daartoe behoort.

De vraag rijst waar de parketsecretarissen thuishoren.

Uit de vorige besprekingen bleek dat de ambten van secretaris, hoofdsecretaris en adjunct-secretaris van het parket niet gelijkgesteld konden worden met gewone secretariaatsfuncties, maar dat zij geen deel uitmaakten van de rechterlijke orde.

Het is de vraag welk onderscheid men maakt tussen het uitoefenen van een gerechtelijk ambt en het behoren tot de rechterlijke orde.

Een lid merkt op dat de discriminatie ten aanzien van de parketsecretarissen niet gerechtvaardigd is.

Een ander lid stelt voor de strekking van titel II van het Gerechtelijk Wetboek te verruimen om tegemoet te komen aan de opmerking van het Hof van Cassatie.

De minister merkt op dat er in artikel 330 van het Gerechtelijk Wetboek, dat zich ook in titel II van het Gerechtelijk Wetboek bevindt, ook sprake is van de boden.

Daarom stelt hij voor het opschrift van deze titel niet te wijzigen.

De bemiddelingsadviseurs en de bemiddelingsassistenten maken geen deel uit van het parketsecretariaat maar hangen rechtstreeks af van de procureur des Konings.

Men moet hun ambt dus duidelijk onderscheiden van dat van secretaris van het parket; zij hangen niet af van het parket omdat zij niet beschouwd worden als lid van het administratief personeel van het parket.

Zij zijn in zekere zin hulppersoneel van (de substituut van) de procureur des Konings aangezien zij ofwel voor vervolging, ofwel voor bemiddeling, zullen moeten kiezen.

Een lid vraagt of het Gerechtelijk Wetboek een nauwkeurige beschrijving bevat van de taken van de parketsecretarissen.

De minister verwijst naar artikel 182 van het Gerechtelijk Wetboek (art. 27 van de aangenomen tekst).

Er is een vergelijking gemaakt tussen het ambt van griffier en dat van parketsecretaris.

Daaruit is gebleken dat een aantal bepalingen van artikel 182 betreffende bijvoorbeeld de verantwoordelijkheid, de taakverdeling en de organisatie niet overgenomen zijn.

Een lid verwijst naar het voorstel van C.E.N.E.G.E.R. ter zake.

Op grond van het voorgaande dient de heer Vandenberghe het volgende amendement in (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 41) :

« Dit artikel vervangen als volgt :

In artikel 310 van hetzelfde Wetboek, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1º de woorden « waarop de leden van het hof en de leden van de griffie in de onderstaande volgorde worden ingeschreven » worden vervangen door de woorden « vastgesteld als volgt »;

2º het woord « klerken-griffiers » wordt vervangen door het woord « adjunct-griffiers »;

3º het artikel wordt aangevuld als volgt :

« Leden van het parketsecretariaat;

De hoofdsecretaris;

De secretaris-hoofd van dienst;

De secretarissen, in de volgorde van hun benoeming;

De adjunct-secretarissen, in dezelfde volgorde. »

Het amendement wordt als artikel 72 aangenomen bij eenparigheid van de 9 aanwezige leden.

Gelet op de goedkeuring van dit amendement heeft het geen zin meer artikel 57 van het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. te behouden.

Dit artikel luidt als volgt :

« Art. 57. ­ In artikel 310 van hetzelfde Wetboek wordt het woord « klerken-griffiers » vervangen door het woord « adjunct-griffiers ».

De heer Vandenberghe dient dan ook een amendement in om dit artikel te doen vervallen (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 42).

Dit amendement wordt aangenomen bij eenparigheid van de 9 aanwezige leden.

­ Artikel 73 (art. 58 van het voorstel Vandenberghe c.s.)

Artikel 58 van het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. luidt als volgt :

« In artikel 311 van hetzelfde Wetboek wordt het woord « klerken-griffiers » vervangen door het woord « adjunct-griffiers ».

Gelet op de vorige discussies dient de heer Vandenberghe het volgende amendement in (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 43) :

« Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 58. ­ In artikel 311 van hetzelfde Wetboek, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1º de woorden « waarop de leden van het hof, de leden assessoren en de leden van de griffie in de onderstaande volgorde worden ingeschreven » worden vervangen door de woorden « vastgesteld als volgt »;

2º het woord « klerken-griffiers » wordt vervangen door het woord « adjunct-griffiers »;

3º het artikel wordt aangevuld als volgt :

« Leden van het parket-secretariaat;

De hoofdsecretaris;

De secretarissen-hoofden van dienst, in de volgorde van hun benoeming;

De secretarissen, in dezelfde volgorde;

De adjunct-secretarissen, in dezelfde volgorde. »

Het amendement wordt als artikel 73 aangenomen bij eenparigheid van de 9 aanwezige leden.

­ Artikel 74 (art. 59 van het voorstel Vandenberghe c.s.)

Artikel 59 van het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. luidt als volgt :

« In artikel 312 van hetzelfde Wetboek wordt het woord « klerken-griffiers » vervangen door het woord « adjunct-griffiers ». »

De heer Vandenberghe dient het volgende amendement in (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 44) :

« Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 59. ­ In artikel 312 van hetzelfde Wetboek, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1º de woorden « waarop de leden van de rechtbank, de leden assessoren en de leden van de griffie in onderstaande volgorde worden ingeschreven » worden vervangen door de woorden « vastgesteld als volgt »;

2º het woord « klerken-griffiers » wordt vervangen door het woord « adjunct-griffiers »;

3º het artikel wordt aangevuld als volgt :

« Leden van het parketsecretariaat :

De hoofdsecretaris;

De secretarissen-hoofden van dienst, in de volgorde van hun benoeming;

De secretarissen, in dezelfde volgorde;

De adjunct-secretarissen, in dezelfde volgorde. »

Het amendement wordt als artikel 74 aangenomen bij eenparigheid van de 9 aanwezige leden.

­ Artikel 75 (nieuw)

De heer Vandenberghe dient een amendement in (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 45), strekkende om in het Gerechtelijk Wetboek een artikel 312bis in te voegen, luidende :

« Art. 312bis. ­ In de vredegerechten wordt een ranglijst bijgehouden, vastgesteld als volgt :

De vrederechter;

De plaatsvervangende vrederechters, in de volgorde van hun benoeming;

De hoofdgriffier;

De griffier;

De adjunct-griffiers, in de volgorde van hun benoeming. »

Het amendement wordt als artikel 75 aangenomen bij eenparigheid van de 9 aanwezige leden.

­ Artikel 76 (nieuw)

De heer Vandenberghe dient een amendement in (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 46), strekkende om in het Gerechtelijk Wetboek een artikel 312ter in te voegen, luidende :

« Art. 312ter. ­ In de politierechtbanken wordt een ranglijst bijgehouden, vastgesteld als volgt :

De rechters, in de volgorde van hun benoeming;

De plaatsvervangende rechters, in dezelfde volgorde;

De hoofdgriffier;

De griffiers-hoofden van dienst, in de volgorde van hun benoeming;

De griffiers, in dezelfde volgorde;

De adjunct-griffiers, in dezelfde volgorde. »

Een lid stelt vast dat het nieuwe artikel 312bis met name melding maakt van de vrederechters en de plaatsvervangende vrederechters maar niet van de toegevoegde vrederechters, terwijl in het nieuwe artikel 312ter, dat betrekking heeft op de politierechtbanken, gesproken wordt over « de rechters, in de volgorde van hun benoeming », hetgeen een oplossing biedt voor de aanvullende rechters.

De minister antwoordt dat de toegevoegde vrederechter een vrederechter buiten kader is, benoemd door de Koning en toegewezen aan een rechterlijk arrondissement. Het is de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg die zijn werkplaats aanwijst.

Het kan dus voorkomen dat hij aan verschillende vredegerechten wordt toegewezen.

Hij kan bijgevolg niet opgenomen worden in de ranglijst die in het artikel bedoeld wordt.

Een lid vraagt in verband met artikel 75 of het wel degelijk de bedoeling is een onderscheid van rang te maken tussen de toegevoegde vrederechters en de plaatsvervangende vrederechters enerzijds en de griffiers anderzijds.

De minister antwoordt bevestigend.

De vorige spreker stelt dan voor artikel 312bis voorgesteld in artikel 75 op dezelfde manier in te delen als artikel 312ter voorgesteld in artikel 76 en twee aparte leden te redigeren voor deze twee soorten ambten.

Bovendien vraagt spreker zich af welke betekenis het woord « rang » heeft. Is de bedoeling hiervan hoofdzakelijk protocolair ?

De minister antwoordt bevestigend.

Het amendement wordt als artikel 76 aangenomen bij eenparigheid van de 10 aanwezige leden.

Gelet op de goedkeuring van de artikelen 75 en 76 heeft het geen zin meer artikel 60 van het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. te behouden.

Dit artikel luidt als volgt :

« Art. 60

Artikel 314 van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met het volgende lid :

« De hoofdgriffiers van de vredegerechten en politierechtbanken volgen de vrederechters en rechters in de politierechtbanken van de rechtsmacht waarin zij benoemd zijn. Zij worden gevolgd door de griffiers-hoofden van dienst, naar orde van hun benoeming, de griffiers, naar dezelfde orde en de adjunct-griffiers, naar dezelfde orde. »

De heer Vandenberghe dient dan ook een amendement in om dit artikel te doen vervallen (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 83).

Dit amendement wordt aangenomen bij eenparigheid van de 10 aanwezige leden.

­ Artikel 77 (art. 61 van het voorstel Vandenberghe c.s.)

Artikel 61 van het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. luidt als volgt :

« § 1. In artikel 328, eerste lid, van hetzelfde Wetboek worden de woorden « griffier-hoofd van de griffie » vervangen door het woord « hoofdgriffier ».

§ 2. In hetzelfde artikel, tweede lid, worden de woorden « of rechtbank, de griffier-hoofd van de griffie van » vervangen door de woorden « een rechtbank ».

§ 3. In hetzelfde artikel, tweede lid, worden tussen de woorden « wordt daarin voorzien door » en de woorden « het hof » de woorden « de algemene vergadering van » ingevoegd.

§ 4. In hetzelfde artikel, tweede lid, wordt het woord « politierechter » vervangen door de woorden « algemene vergadering van de politierechtbank ».

§ 5. In hetzelfde artikel, derde lid, wordt het woord « griffiersklerken » vervangen door het woord « adjunct-griffiers ».

§ 6. In hetzelfde artikel, derde lid, worden tussen de woorden « een bepaalde griffie » en het woord « opdracht » de woorden « voor maximum zes maanden » ingevoegd.

§ 7. In hetzelfde artikel, vierde lid, wordt het woord « griffiersklerken » vervangen door het woord « adjunct-griffiers ».

§ 8. In hetzelfde artikel, vierde lid, worden de woorden « zonder nieuwe eedaflegging » geschrapt.

§ 9. In hetzelfde artikel wordt na het derde lid het volgende lid ingevoegd :

« Wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen kan de hoofdgriffier een opsteller of een beambte, die geslaagd is in de examens van kandidaat-griffier, opdracht geven tijdelijk het ambt van griffier uit te oefenen, dit voor een bepaalde en beperkte tijd en mits opgave van de reden van de opdracht. »

§ 10. Hetzelfde artikel wordt in fine aangevuld met het volgende lid :

« In alle voormelde gevallen is een nieuwe eedaflegging overbodig. »

De heer Vandenberghe dient het volgende amendement in (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 47) :

« Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 61. ­ Artikel 328 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepalingen :

« Art. 328. Bij verhindering wordt de hoofdgriffier in de hoven, de rechtbanken en de politierechtbanken vervangen door de griffier-hoofd van dienst of de griffier die hij aanwijst; in de vredegerechten wordt de hoofdgriffier vervangen door de griffier of de adjunct-griffier die hij aanwijst.

Wanneer de hoofdgriffier van een hof, van een rechtbank, van een vredegerecht of van een politierechtbank zich in de onmogelijkheid bevindt om die aanwijzing zelf te doen wordt in zijn vervanging voorzien, naar gelang van het geval, door de eerste voorzitter van het hof, de voorzitter van de rechtbank, de vrederechter of de rechter in de politierechtbank.

Wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen, kan de procureur-generaal aan adjunct-griffiers van een bepaalde griffie opdracht geven om hun ambt in een andere griffie te vervullen voor maximum zes maanden.

De adjunct-griffiers aan wie opdracht is gegeven, kunnen als griffier aan de griffie worden toegevoegd.

In alle voormelde gevallen is een nieuwe eedaflegging overbodig.

Wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen kan de hoofdgriffier een opsteller of een beambte, die geslaagd is voor de examens van kandidaat-griffier, opdracht geven tijdelijk het ambt van griffier uit te oefenen, dit voor een bepaalde en beperkte tijd en mits de reden van de opdracht wordt gegeven. »

De minister onderstreept dat de term « griffier », gebruikt in het eerste lid van het voorgestelde artikel 328, eveneens betrekking heeft op de griffiers-hoofden van dienst, die in het nieuwe systeem ook bij de politierechtbanken kunnen worden benoemd.

Een lid stelt voor het tweede lid van dit artikel te doen luiden als volgt : « Wanneer de hoofdgriffier ... zich in de onmogelijkheid bevindt om die aanwijzing zelf te doen of wanneer hij zijn ambt neerlegt, wordt in deze aanwijzing voorzien, naar gelang van het geval, ... »

De minister vindt de woorden « of wanneer hij zijn ambt neerlegt » overbodig.

Het amendement wordt als artikel 77 aangenomen bij eenparigheid van de 10 aanwezige leden.

­ Artikel 78 (art. 62 van het voorstel Vandenberghe c.s.)

Artikel 62 van het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. luidt als volgt :

« Art. 62

Artikel 329 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :

« Art. 329. ­ Wanneer de hoofdgriffier, de griffiers en de adjunct-griffiers verhinderd zijn of zelfs wanneer er gevaar mocht bij zijn te wachten tot een griffier tegenwoordig is, kan de rechter zich als griffier een opsteller of een beambte van de griffie toevoegen. Bij gebreke van dezen is artikel 170, laatste lid, van dit Wetboek van toepassing.

Een nieuwe eedaflegging is overbodig. »

Een lid vraagt dat de Nederlandse tekst van het voorgestelde artikel 329 herzien wordt, met name de uitdrukking « zich toevoegen ».

Een ander lid voegt eraan toe dat in het Frans het woord « péril » vervangen kan worden door de woorden « un inconvénient majeur ». (« wanneer elk uitstel gevaarlijk zou kunnen zijn... »).

Een ander lid ziet niet in waarom verwezen wordt naar artikel 170, laatste lid van het Gerechtelijk Wetboek en acht die verwijzing dan ook overbodig.

Dat artikel wordt inderdaad vervangen door een nieuwe bepaling (art. 16 van de aangenomen tekst), die luidt als volgt :

« Art. 170. ­ De griffier vervult de griffietaken en staat de rechter bij als griffier in alle verrichtingen van zijn ambt.

Op deze regel wordt slechts uitzondering gemaakt wanneer om dringende redenen zijn tegenwoordigheid niet kon worden gevorderd. »

Het in artikel 62 voorgestelde artikel 329 is niet meer dan een toepassing van artikel 170.

Artikel 329 zou kunnen luiden als volgt : « Bij toepassing van artikel 170, laatste lid, van dit Wetboek, wanneer de hoofdgriffier... ».

De minister stelt voor de laatste volzin van het eerste lid van artikel 329 eenvoudig te schrappen.

De commissie gaat akkoord met dit voorstel.

Op grond van het voorgaande dient de heer Vandenberghe het volgende amendement in (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 48) :

« Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 62. ­ Artikel 329 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 329. ­ Wanneer de hoofdgriffier, de griffiers en de adjunct-griffiers verhinderd zijn of zelfs wanneer er gevaar mocht bij zijn te wachten tot een griffier tegenwoordig is, kan de rechter zich als griffier een opsteller of een beambte van de griffie toevoegen. »

Het amendement wordt als artikel 78 aangenomen bij eenparigheid van de 10 aanwezige leden.

­ Artikel 79 (nieuw)

De heer Vandenberghe dient een amendement in (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 49), strekkende om in het Gerechtelijk Wetboek een artikel 329bis in te voegen luidende :

« Art. 329bis. ­ Bij verhindering wordt de hoofdsecretaris van het parket vervangen door de secretaris-hoofd van dienst of de secretaris die hij aanwijst. Wanneer hij zich in de onmogelijkheid bevindt om die aanwijzing zelf te doen wordt in zijn vervanging voorzien, al naar gelang van het geval, door de procureur-generaal, de procureur des Konings of de arbeidsauditeur.

Een nieuwe eedaflegging is overbodig. »

De minister benadrukt dat dit artikel de tekst van het koninklijk besluit van 30 mei 1970 betreffende het statuut van de griffiers der rechterlijke orde, van het personeel der griffies van hoven en rechtbanken en van het personeel der parketten overneemt.

Het amendement wordt als artikel 79 aangenomen bij eenparigheid van de 10 aanwezige leden.

­ Artikel 80 (art. 63 van het voorstel Vandenberghe c.s.)

Artikel 63 van het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. luidt als volgt :

« § 1. In artikel 330, eerste lid, van hetzelfde Wetboek wordt het woord « griffiersklerken » vervangen door het woord « adjunct-griffiers ».

§ 2. In hetzelfde artikel wordt na het eerste lid het volgende lid ingevoegd :

« Voorafgaande bepaling is ook van toepassing op de hoofdgriffiers wat betreft de opdrachten in ministeriële departementen, in regeringscommissies, -instellingen of -diensten. »

§ 3. In hetzelfde artikel, tweede lid, dat het derde lid wordt, wordt tussen het woord « De » en het woord « griffiers » het woord « hoofdgriffiers, » ingevoegd.

§ 4. In hetzelfde artikel, tweede lid, dat het derde lid wordt, wordt het woord « griffiersklerken » vervangen door het woord « adjunct-griffiers ». »

Aangaande het feit dat de boden vermeld blijven in artikel 330 van het Gerechtelijk Wetboek, verduidelijkt de minister dat een wetsontwerp in voorbereiding is betreffende het probleem van de boden en de opheffing van een administratieve personeelscategorie bij de griffiers en de parketten, nl. het niveau 4.

De administratieve en budgettaire afwikkeling van dit ontwerp is nog niet rond. De Raad van State heeft zijn advies gegeven. Momenteel wordt gewerkt aan de aanpassing van het ontwerp op basis van dat advies.

De vraag is nu of en hoe de doelstellingen van dat ontwerp in de twee besproken voorstellen uitgewerkt moeten worden.

Een lid vraagt zich af of het raadzaam is op de indiening van het ontwerp vooruit te lopen zolang het niet zeker is dat het aangenomen wordt.

Deze vraag is niet zonder belang, aangezien de bepaling van artikel 330 het mogelijk maakt het personeelstekort in de griffies van de bedoelde rechtscolleges te verhelpen.

De minister onderstreept dat in dat geval de artikelen 272 en 284 van het Gerechtelijk Wetboek geschrapt moeten worden.

De heer Vandenberghe dient het volgende amendement in (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2 (amendement nr. 50) :

« Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 63. ­ Artikel 330 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 330. ­ Onverminderd de toepassing van de artikelen 328 en 329, kan de minister van Justitie aan griffiers, adjunct-griffiers, opstellers, beambten en boden bij een hof, een rechtbank of een krijgsraad opdracht geven om een gelijk of een hoger ambt te vervullen in hun griffie, in een andere burgerlijke of militaire griffie, in ministeriële departementen of kabinetten, in regeringscommissies, -instellingen of -diensten. Overeenkomstig een bijzondere wets- of verordeningsbepaling kan artikel 327bis op hen worden toegepast.

Het bepaalde in het eerste lid is van toepassing op de hoofdgriffiers wat betreft de opdrachten in ministeriële departementen of kabinetten, in regeringscommissies, -instellingen of -diensten.

De hoofdgriffiers, griffiers, adjunct-griffiers, opstellers, beambten en boden aan wie aldus opdracht is gegeven, blijven hun wedde met de eraan verbonden verhogingen en voordelen genieten. Zij ontvangen evenwel de wedde en vergoedingen van het hun opgedragen ambt, indien deze hoger zijn. »

Een lid vraagt waarom er in het voorgestelde artikel sprake is van « opdrachten » in een departement of een ministerieel kabinet en niet van « detachering ».

Is dat specifiek voor de rechterlijke orde ? De minister antwoordt bevestigend.

Het amendement wordt als artikel 80 aangenomen met 9 stemmen, bij 1 onthouding.

­ Artikel 81 (nieuw)

De Regering dient een amendement in (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 69 strekkende om in het Gerechtelijk Wetboek een artikel 330bis in te voegen, luidende :

« Art. 330bis. ­ Onverminderd de toepassing van artikel 329bis, kan de minister van Justitie aan de hoofdsecretarissen, secretarissen, adjunct-secretarissen, bemiddelingsadviseurs, bemiddelingsassistenten, vertalers, opstellers, beambten en boden bij het parket, opdracht geven om een gelijk of een hoger ambt te vervullen in hun parket, in een ander burgerlijk of militair parket, in ministeriële departementen of kabinetten, in regeringscommissies, -instellingen of -diensten. Overeenkomstig een bijzondere wets- of verordeningsbepaling kan artikel 327bis op hen worden toegepast.

De hoofdsecretarissen, secretarissen, adjunct-secretarissen, bemiddelingsadviseurs, bemiddelingsassistenten, vertalers, opstellers, beambten en boden aan wie aldus opdracht is gegeven, blijven hun wedde met de eraan verbonden verhogingen en voordelen genieten. Zij ontvangen evenwel de wedde en vergoedingen van het hun opgedragen ambt, indien deze hoger zijn. »

De minister verklaart dat deze tekst niet in het Gerechtelijk Wetboek staat maar in het koninklijk besluit van 30 mei 1970 (zie boven) en daarom wordt overgenomen in de voorgestelde tekst.

Een ander lid is ertegen gekant dat bemiddelingsadviseurs en bemiddelingsassistenten opdrachten in ministeriële kabinetten kunnen krijgen.

Zij moeten inderdaad voldoende garanties van onpartijdigheid bieden.

Hun politieke kleur mag geen aanleiding geven tot achterdocht.

De tijdelijke aanwezigheid van een lid van het parket in een politiek kabinet heeft in bepaalde zaken reeds problemen veroorzaakt.

De verdachte, de burgerlijke partij en de media hebben vaak, al dan niet terecht, op deze omstandigheid gewezen om de onpartijdigheid van een lid van het openbare ministerie in twijfel te trekken.

Indien een bemiddelingsadviseur de kwaliteiten heeft om in een politiek kabinet te werken, moet hij uit zijn oorspronkelijk ambt ontslag nemen vóór hij in het kabinet in dienst wordt genomen.

De minister antwoordt dat de gelijkheid tussen de ambtenaren gerespecteerd moet worden en de algemene regel toegepast.

Men kan altijd wel een reden verzinnen waarom het te delicaat zou zijn overheidsambtenaren naar een kabinet te detacheren.

Deze problematiek wordt geregeld door het koninklijk besluit betreffende de samenstelling van de kabinetten, die met name de deeltijdse opdracht verbiedt, precies met het oog op een duidelijke scheiding tussen de twee activiteiten.

Bovendien is het feit dat men medewerker is in een ministerieel kabinet, niet het enige gegeven waarvan men iemands politieke kleur kan afleiden.

De vorige spreker antwoordt hierop dat men minstens moet trachten dergelijke indicaties zoveel mogelijk te voorkomen.

De minister blijft erbij dat geen onderscheid mag gemaakt worden binnen een welbepaalde categorie van overheidspersoneel.

Anderzijds mag men ook niet uit het oog verliezen dat als de minister zich wil omringen met deskundigen, hij die enkel kan vinden in de betrokken sector.

Sommigen menen zelfs dat de minister zijn medewerkers uitsluitend in de publieke sector zou moeten aanwerven.

Het lijkt hoe dan ook wenselijk om in het kader van voorliggende tekst de algemene regel die momenteel van kracht is voor alle ambtenaren, te handhaven.

De vorige spreker meent echter dat een uitzondering gemaakt kan worden aangezien het gaat om een recent gecreëerde functie. Wat betreft het inschakelen van ambtenaren, zou men zich kunnen laten inspireren door regelingen van andere landen, zoals Nederland, waar de ministeriële kabinetten veel kleiner zijn en men voor het overige nauw samenwerkt met de overheidsdiensten.

Om tot een dergelijke regeling te komen, zal ongetwijfeld een mentaliteitsverandering nodig zijn.

Uiteraard dient dit probleem niet noodzakelijk opgelost te worden in het kader van de hier besproken teksten.

Dat neemt niet weg dat wanneer een rechtzoekende zijn eis verworpen ziet of veroordeeld wordt door een magistraat wiens politieke kleur algemeen bekend is, hij geneigd zal zijn een verband te zoeken tussen deze twee zaken.

Een lid wijst op het essentiële verschil tussen een lid van het parket, die een partij is in het proces, en de rechter, die in ons systeem alleen recht spreekt en dus boven elke verdenking van uitgesproken politieke sympathie moet staan.

Het is duidelijk dat dit vraagstuk het kader van de onderzochte voorstellen overstijgt. Deze kwestie heeft immers betrekking op alle Rijksbesturen en moet op politiek niveau besproken worden.

In een betrekkelijk homogene samenleving met een coherente democratische visie, verdeeld in verschillende politieke groeperingen, doet de absolute objectivering van alle ambten niet zo'n probleem rijzen.

In een samenleving met gewelddadige antidemocratische stromingen ligt het probleem allicht anders.

Het amendement wordt als artikel 81 aangenomen met 9 stemmen, bij 1 onthouding.

­ Artikel 82 (art. 64 van het voorstel Vandenberghe c.s.)

Artikel 64 van het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. luidt als volgt :

« In artikel 331 van hetzelfde Wetboek worden de laatste twee leden vervangen door de volgende bepalingen :

« De hoofdgriffiers, zonder vergunning van de eerste voorzitter van het hof, de voorzitter van de rechtbank, de oudstbenoemde rechter in de politierechtbank of de vrederechter van de rechtsmacht waaraan zij verbonden zijn.

De griffiers-hoofden van dienst, griffiers en adjunct-griffiers, zonder vergunning van de hoofdgriffier van de rechtsmacht waaraan zij verbonden zijn. »

De heer Vandenberghe dient het volgende amendement in (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 51) :

« Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 64. ­ In artikel 331, tweede lid, van hetzelfde Wetboek worden de twee laatste zinnen vervangen door de volgende bepalingen :

« de hoofdgriffiers, zonder vergunning van de eerste voorzitter van het hof, de voorzitter van de rechtbank, de oudstbenoemde rechter in de politierechtbank of de vrederechter van het gerecht waaraan zij verbonden zijn;

de griffiers-hoofden van dienst, griffiers en adjunct-griffiers, zonder vergunning van de hoofdgriffier van het gerecht waaraan zij verbonden zijn. »

Het amendement wordt als artikel 82 aangenomen bij eenparigheid van de 10 aanwezige leden.

­ Artikel 83 (nieuw)

De Regering dient een volgende amendement in (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 70), strekkende om in het Gerechtelijk Wetboek een artikel 331bis in te voegen, luidende :

« Art. 331bis. ­ De hoofdsecretarissen, secretarissen-hoofden van dienst, secretarissen, adjunct-secretarissen, bemiddelingsadviseurs en -assistenten mogen niet afwezig zijn wanneer de dienst eronder lijdt.

De hoofdsecretarissen, de bemiddelingsadviseurs en -assistenten mogen niet langer dan drie dagen afwezig zijn zonder vergunning, naar gelang van het geval, van de procureur-generaal, van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur. »

Dit artikel stelt voor de toestemming om afwezig te zijn een gelijklopende regeling vast tussen de griffiers en de secretarissen.

Een lid acht het overdreven dat de minister van Justitie zijn toestemming moet geven voor een gewone vakantie van meer dan een maand.

De minister antwoordt dat daarvoor delegatie mogelijk is.

Verscheidene leden wijzen op de ongebruikelijke inhoud van het eerste lid van het artikel, dat veeleer thuishoort in een tuchtreglement.

Opgemerkt wordt dat dit lid de lezing van artikel 331 van het Gerechtelijk Wetboek overneemt.

Volgens een lid behoren de woorden « wanneer de dienst eronder lijdt » te vervallen. Het komt er heel eenvoudigweg op neer dat het werk gedaan moet worden, zoals dat bijvoorbeeld ook voor de onderzoeksrechter van dienst geldt.

Een ander lid stelt de volgende lezing voor : « wanneer hun afwezigheid de werking van de dienst in gevaar brengt ».

Een volgende spreker wil de bepaling in haar oorspronkelijke lezing behouden, die voor interpretatie vatbaar is en een aanvaarde handelwijze tot stand heeft gebracht.

Het tweede lid betekent nog niet dat een afwezigheid van ten hoogste drie dagen niet gemotiveerd moet worden.

Het artikel wordt aangehouden. De minister zal de raad inwinnen van het Hof van Cassatie en van de eerste voorzitters en procureurs-generaal van de hoven van beroep over een eventuele aanpassing van artikel 331 van het Gerechtelijk Wetboek.

Dit punt kan opnieuw ter sprake komen bij de behandeling van het ontwerp van wet over de afschaffing van het ambt van bode.

Het amendement wordt als artikel 83 aangenomen bij eenparigheid van de 10 aanwezige leden.

­ Artikel 84 (nieuw)

De Regering dient een amendement in (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 71), strekkende om artikel 353bis van het Gerechtelijk Wetboek te vervangen door de volgende bepalingen :

« Art. 353bis. ­ De regels inzake onverenigbaarheid bepaald in artikel 293 zijn van toepassing op de bemiddelingsadviseurs en -assistenten, op de leden van het parketsecretariaat, op het personeel van de griffies en van de parketsecretariaten, op de attachés bij de dienst voor documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van Cassatie alsook op de personeelsleden die een bijzondere graad bekleden ingesteld door de Koning overeenkomstig artikel 185, eerste lid. »

Een spreker herinnert eraan dat het om gerechtelijke ambten gaat, doch dat de betrokkenen geen deel uitmaken van de rechterlijke orde.

Een lid wijst erop dat artikel 353bis van het Gerechtelijk Wetboek onlangs door het Parlement is aangenomen (wet van 26 maart 1996 tot invoeging van een artikel 353bis in het Gerechtelijk Wetboek en tot de wijziging van artikel 354 van hetzelfde wetboek, Belgisch Staatsblad van 23 juli 1996). Deze wet voorziet eveneens in een overgangsbepaling, die nog niet verschenen zou zijn in het Belgisch Staatsblad .

Dat zou logischerwijze eerstdaags moeten gebeuren. Is die bepaling echter ook van toepassing op de bemiddelingsassistenten ?

De minister antwoordt bevestigend.

Wie bijvoorbeeld een gemeentelijk mandaat uitoefent en probatie-assistent wordt, kan dus zijn mandaat beëindigen.

De wet wordt aangepast in het kader van het ontwerp tot afschaffing van een aantal andere graden, waarvan hierboven sprake is geweest.

Het amendement wordt als artikel 84 aangenomen bij eenparigheid van de 11 aanwezige leden.

­ Artikel 85 (art. 65 van het voorstel-Vandenberghe c.s.)

Artikel 65 van het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. luidt als volgt :

« § 1. In artikel 354, eerste lid, van hetzelfde Wetboek worden de woorden « secretarissen », « adjunct-secretarissen » en « klerken-secretarissen » vervangen door « hoofdsecretarissen » respectievelijk « secretarissen » en « adjunct-secretarissen ».

§ 2. In hetzelfde artikel, tweede lid, worden de woorden « van de griffiers, » geschrapt. »

De minister stipt aan dat de woorden « secretarissen », « adjunct-secretarissen » en « klerken-secretarissen » moeten vervallen en niet moeten worden vervangen zoals het artikel voorstelt.

Men mag immers niet uit het oog verliezen dat artikel 354 bevoegdheden aan de Koning verleent. Voor de secretarissen hoeft dat niet meer omdat hun ambt onder andere bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek valt.

Zo regelt artikel 68 (artikel 291bis van het Gerechtelijk Wetboek) de eedaflegging.

Op grond van het voorgaande dient de heer Vandenberghe het volgende amendement in (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 52) :

« Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 65. ­ In artikel 354 van hetzelfde Wetboek worden de leden 1 en 2 vervangen door de volgende leden :

« De Koning regelt de eedaflegging van het personeel van de griffies en van de parketsecretariaten, alsmede van de attachés in de dienst voor documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van Cassatie. Hij regelt eveneens de afwezigheid, het verlof en de vakantie van voornoemd personeel, alsmede van de hoofdsecretarissen, de secretarissen, de adjunct-secretarissen, de bemiddelingsadviseurs en -assistenten.

De Koning kan voor de afwezigheden wegens ziekte of gebrekkigheid van de griffiers, van de secretarissen, van de bemiddelingsadviseurs en -assistenten, van het personeel van de griffies en van de secretariaten van de parketten, alsmede van de attachés in de dienst voor documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van Cassatie, de regeling toepasselijk maken geldend voor het Rijkspersoneel. »

Wat de afwezigheid betreft bedoeld in het eerste lid, is het raadzaam aan te stippen dat hier uitsluitend de afwezigheid wegens persoonlijke aangelegenheden wordt bedoeld.

Het amendement wordt als artikel 85 aangenomen bij eenparigheid van de 11 aanwezige leden.

­ Artikel 86 (art. 66 van het voorstel Vandenberghe c.s.)

Artikel 66 van het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. luidt als volgt :

« In de artikelen 366, 367, 369, 370, 372, 373, 374, 375, 403, 415 en 416 van hetzelfde Wetboek worden de vermelde titels telkens gewijzigd zoals aangegeven in artikel 2 van deze wet. »

De heer Vandenberghe dient het volgende amendement in (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 53) :

« Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 66. ­ In de artikelen 366, 367ter, 369, 370, 372, 373, 373ter, 374, 375, 403, 415 en 416 van hetzelfde Wetboek worden de vermelde titels telkens gewijzigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 2 van deze wet. »

Het amendement wordt als artikel 86 aangenomen bij eenparigheid van de 11 aanwezige leden.

­ Artikel 87 (nieuw)

De Regering dient een amendement in (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 72) strekkende om hoofdstuk V van titel III van boek I van deel II van het Gerechtelijk Wetboek te vervangen door de volgende bepaling :

« Hoofdstuk V. Bepaling geldend voor de bemiddelingsadviseurs en -assistenten, voor het personeel van de griffies en de parketsecretariaten en voor de attachés in de dienst voor documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van Cassatie.

Art. 380. ­ De Koning bepaalt de wedden van de vertalers, de eerstaanwezend vertalers, de opstellers, de eerstaanwezend opstellers, de beambten, de eerstaanwezend beambten, de boden, de hoofdboden, de eerstaanwezend boden van de griffies en de parketsecretariaten, van de attachés in de dienst voor documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van Cassatie, alsook die van de bemiddelingsadviseurs, bemiddelingsassistenten en eerstaanwezend bemiddelingsassistenten. »

Het amendement wordt als artikel 87 aangenomen bij eenparigheid van de 11 aanwezige leden.

­ Artikel 88 (art. 67 van het voorstel Vandenberghe c.s.)

Artikel 67 van het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. luidt als volgt :

In artikel 381 van hetzelfde Wetboek worden de woorden « de griffier » en « de secretaris » telkens vervangen door de woorden « de hoofdgriffier », respectievelijk « de hoofdsecretaris ».

Dit artikel wordt zonder verdere bespreking aangenomen als artikel 88 bij eenparigheid van de 11 aanwezige leden.

­ Artikel 89 (nieuw)

De Regering dient een amendement in (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 73) ertoe strekkende artikel 512, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek aan te vullen met de volgende leden :

« De voormelde kandidaturen moeten op straffe van verval worden ingediend binnen een termijn van één maand na de bekendmaking van de vacature in het Belgisch Staatsblad.

De bekendmaking kan geschieden op zijn vroegst zes maanden vóór het ontstaan van de vacature.

Geen benoeming kan geschieden dan nadat de termijn bepaald in het tweede lid is verlopen. »

De minister merkt op dat dit artikel niet voorkwam in de oorspronkelijke wetsvoorstellen.

Aangezien de commissie meende dat de op straffe van verval na te leven termijn van een maand voor de indiening van de kandidaturen moet gelden voor alle ambten van het Gerechtelijk Wetboek, voert artikel 89 deze vereiste in voor de gerechtsdeurwaarders om snel in hun vervanging te kunnen voorzien.

Het amendement wordt als artikel 89 aangenomen bij eenparigheid van de 11 aanwezige leden.

Overgangsbepalingen

­ Artikel 90 (nieuw)

Bij de tweede lezing dient de heer Vandenberghe het volgende amendement in (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 80).

« Bovenaan bij de « overgangsbepalingen » een nieuw artikel invoegen, luidend als volgt :

« De griffiers-hoofden van dienst, de klerken-griffiers, de secretarissen, de adjunct-secretarissen-hoofden van dienst, de adjunct-secretarissen en de klerken-secretarissen in dienst voeren, met ingang van de dag waarop deze wet in werking treedt, respectievelijk de titel van « hoofdgriffier », van « adjunct-griffier », van « hoofdsecretaris », van « secretaris-hoofd van dienst », van « secretaris » en van « adjunct-secretaris ».

Verantwoording

Het is aangewezen te bevestigen dat de personeelsleden die titularis zijn van een graad van welke de benaming werd gewijzigd overeenkomstig artikel 2 van het wetsontwerp, de titel van de aldus nieuw ingerichte graad voeren. Het is nuttig er hier op te wijzen dat ze bovendien verder blijven genieten van hun wedde die zal verbonden zijn aan de nieuwe graad (cf. art. 86 van het wetsontwerp).

De minister wijst erop dat in de wet van 20 december 1957 een soortgelijke bepaling is opgenomen, en benadrukt het belang van een wettelijke basis.

Dit artikel wordt als artikel 90 aangenomen bij eenparigheid van de 11 aanwezige leden.

­ Artikel 91 (art. 68 van het voorstel Vandenberghe c.s.)

Artikel 68 van het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. luidt als volgt :

« De persoon die op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze wet het ambt bekleedt van hoofdgriffier, griffier, adjunct-griffier, hoofdsecretaris, secretaris, adjunct-secretaris, opsteller, beambte of bode en overeenkomstig de gewijzigde wetgeving in de voorwaarden verkeerde tot benoeming in een van deze ambten, blijft in de voorwaarden tot deze benoeming, met uitzondering van de in deze wet voorgeschreven dienstanciënniteit. »

Ter wille van de duidelijkheid stelt de Regering voor artikel 68 anders te formuleren. Daartoe dient hij het volgende amendement in (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 74) :

« Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 68. ­ De persoon die op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze wet het ambt uitoefent van hoofdgriffier, griffier, adjunct-griffier, hoofdsecretaris, secretaris, adjunct-secretaris, opsteller of beambte kan, overeenkomstig de benoemingsvoorwaarden zoals gesteld in het Gerechtelijk Wetboek voor de inwerkingtreding van deze wet, tot het ambt van hoofdgriffier, griffier, adjunct-griffier, hoofdsecretaris, secretaris of adjunct-secretaris worden benoemd, indien hij op dat ogenblik aan al de voormelde benoemingsvoorwaarden voldoet, met uitzondering van die betreffende de dienstanciënniteit. »

Een lid vraagt of de in dit artikel bedoelde personen vastbenoemd moeten zijn aangezien personen met een arbeidsovereenkomst van de toepassing uitgesloten zijn.

De minister antwoordt daarop bevestigend.

Personeelsleden met een arbeidsovereenkomst komen per definitie niet in aanmerking voor de toepassing van dit artikel omdat zij in principe niet geslaagd zijn voor een examen.

De toestand zou er anders uitzien wanneer een dergelijk persoon wel voor een examen slaagt.

De vorige spreker merkt op dat artikel 68 in zijn huidige lezing de mogelijkheid biedt dat het ambt van personen met een arbeidsovereenkomst wordt verlengd zonder dat zij een examen moeten afleggen.

De minister antwoordt dat de tekst op de benoemingsvereisten slaat en niet op de aanwijzing als personeelslid met een arbeidsovereenkomst.

Van tegenstrijdigheid is er in de tekst geen spoor te vinden.

Voor opstellers en beambten bepaalt de tekst immers dat het personeelslid met een arbeidsovereenkomst dat geslaagd is voor een examen in de oude regeling, aan de benoemingsvereisten blijft voldoen.

De vorige spreker stelt voor dat het artikel uitdrukkelijk verwijst naar artikel 286bis , zoals artikel 92 dat doet.

Hij vraagt duidelijk te wijzen op het samengaan van de artikelen 64 (art. 286bis (nieuw) van het Gerechtelijk Wetboek), 91 en 92. In de artikelen 91 en 92 schijnt men immers rekening te houden met de bestaande toestand. Spreker verklaart te vrezen dat de gevolgen van deze bepalingen onbeperkt blijven bestaan.

De minister antwoordt dat artikel 91 ertoe wil komen dat al wie opdracht krijgt een van de ambten van dat artikel uit te oefenen, aan de benoemingsvereisten blijft voldoen wanneer de betrokkene daar thans aan voldoet.

De vorige spreker vraagt dat daarover een verklarende nota wordt opgesteld.

Hij verklaart het ermee eens te zijn dat men naar een oplossing zoekt om een aantal verkregen rechten of bestaande verwachtingen te waarborgen. Aangezien men evenwel niet kan weten hoeveel personen daarvoor in aanmerking komen, dient men erop toe te zien dat de regeling van artikel 286bis niet wordt uitgehold en de geslaagden voor de examens hun kansen niet worden ontnomen.

De minister zegt toe de mogelijkheid te zullen onderzoeken om de woorden « de persoon » te vervangen door de woorden « de vastbenoemde ».

Een lid vraagt zich af welke zin het heeft de verwijzing naar de boden in het voorliggend artikel te schrappen. Het gevolg daarvan is dat de overgangsbepaling niet op hen van toepassing is.

De minister merkt op dat de graad van bode in het ontwerp in voorbereiding niet meer bestaat.

Het lid verwijst naar zijn vorige opmerkingen. Volgens hem moet de voorliggende tekst blijven verwijzen naar de boden omdat anders de toestand onoverzichtelijk wordt.

In verband met de woorden « met uitzondering van die betreffende de dienstanciënniteit » preciseert de minister dat verwezen dient te worden naar de van kracht zijnde voorwaarden betreffende anciënniteit.

Het amendement wordt als artikel 91 aangenomen bij eenparigheid van de 11 aanwezige leden.

­ Artikel 92 (nieuw)

Gelet op de algemene bespreking dient de Regering amendement (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 74) in, strekkende om een nieuw artikel in te voegen, luidende :

« Onverminderd het bepaalde in artikel 286bis van het Gerechtelijk Wetboek, worden bij het in competitie stellen van een van de vacante betrekkingen vermeld in dit artikel, telkens op gelijkwaardige wijze in aanmerking genomen :

1º de kandidatuur van de laureaat van het desbetreffend wervingsexamen, dat georganiseerd is voor of nog in uitvoering is op datum van inwerkingtreding van deze wet;

2º de kandidatuur van de laureaten van het eerstvolgend na de inwerkingtreding van deze wet georganiseerd desbetreffend vergelijkend examen, die minder gunstig zijn gerangschikt doch op grond van een arbeidsovereenkomst reeds deze functies vervullen op de plaats waar de betrekking is open gevallen, op voorwaarde dat ze op het ogenblik van de bekendmaking van de vacature reeds één jaar in dienst zijn. »

Een lid vraagt wat bedoeld wordt met een examen dat « nog in uitvoering is ».

De minister antwoordt dat daarmee een examen bedoeld wordt waarvoor de vereiste publicatie in het Belgisch Staatsblad reeds heeft plaatsgehad. Men beoogt de situatie waarin bijvoorbeeld het schriftelijke examenonderdeel reeds heeft plaatsgehad maar het mondelinge gedeelte nog moet worden gehouden.

Het begrip « georganiseerd » heeft betrekking op een examen waarvan het protocol reeds is afgesloten.

Een lid onderstreept dat men in het 1º van het voorgestelde artikel het woord « laureaat » gebruikt terwijl in artikel 64 (art. 286bis van het Gerechtelijk Wetboek) sprake is van de « best gerangschikte laureaat ».

Het 2º van het artikel is nagenoeg hetzelfde als het 2º van artikel 64, er wordt alleen niet meer verwezen naar een beoordeling aangezien die nog niet bestaat.

Een lid vraagt waarom er in het 2º sprake is van « het eerstvolgende na de inwerkingtreding van deze wet georganiseerd desbetreffend vergelijkend examen ».

De minister herinnert eraan dat er een consensus was bereikt over het feit dat voor de contractuele personeelsleden die thans in een rechtbank werken en die niet geslaagd zijn voor een vergelijkend examen, geen vergelijkende examens meer zouden worden georganiseerd volgens de oude regeling. De betrokkenen zouden moeten deelnemen aan het eerste vergelijkend examen dat georganiseerd wordt volgens de nieuwe regeling.

Men wil voorkomen dat indien die personen slagen voor het nieuwe vergelijkend examen maar niet als eersten gerangschikt zijn, zij niet zouden kunnen worden benoemd zolang het beoordelingssysteem niet van kracht is geworden.

Daarom heeft men een overgangsmaatregel getroffen volgens welke het contractuele personeelslid dat reeds een jaar in dienst is op het ogenblik waarop een betrekking vacant wordt verklaard, voor een benoeming in aanmerking komt zelfs indien hij nog geen beoordeling heeft gekregen.

De vorige spreker vraagt wat er gebeurt met een contractueel personeelslid dat wegens overmacht niet kan deelnemen aan het eerstvolgend vergelijkend wervingsexamen.

De minister antwoordt dat hij in dat geval zijn rechten verliest.

Het lid merkt op dat het voorgestelde artikel de contractuele personeelsleden geen absolute bescherming biedt. Er wordt hen geen recht toegekend : voor zover zij slagen voor het vergelijkend examen, kunnen zij wel door de minister worden gekozen, zelfs indien zij minder goed gerangschikt zijn.

Men is maar verplicht hen te benoemen wanneer zij als eerste gerangschikt zijn.

Spreker vraagt op hoeveel personen deze tekst van toepassing is.

De minister antwoordt dat het gaat om 1 200 tot 1 300 personen van wie meer dan de helft geslaagd zijn voor het vergelijkend examen dat volgens de oude regeling werd georganiseerd.

Het ontbreken van verworven rechten stemt overeen met de opzet van de tekst waarin de voorkeur gaat naar geslaagden die als eerste gerangschikt zijn bij een vergelijkend wervingsexamen, gehandhaafd blijft.

Een lid merkt op dat het 1º van het voorgestelde artikel gelezen moet worden samen met de volgende artikelen. Hij herinnert aan zijn vorige opmerkingen over de houders van een getuigschrift en aan de noodzaak om de maximale geldigheidsduur ervan te bepalen.

Die grens wordt niet vermeld in de voormelde artikelen.

Ze is des te meer verantwoord omdat de betrokkenen kunnen deelnemen aan het vergelijkend wervingsexamen waarbij hun ervaring voor hen een voordeel is.

De minister antwoordt dat men het, na overleg in de Regering, eens is geworden om de verworven rechten te respecteren van degenen die geslaagd zijn voor een vergelijkend examen en beschikken over een getuigschrift dat is afgegeven door de minister van Justitie of zijn vertegenwoordiger en dat onbeperkt geldig is.

Er wordt opgemerkt dat dit niet de betekenis is van het voorgestelde artikel, dat de Koning machtigt die personen te weren. Er is dus geen sprake van verworven rechten.

Een lid merkt op dat rekening moet worden gehouden met de realiteit : het is duidelijk dat men op een andere wijze kan slagen voor een examen naar gelang van de leeftijd die men heeft en het ogenblik waarop men eraan deelneemt.

Men moet ook oog hebben voor de sociale realiteit : mensen die vaak sedert geruime tijd in een bepaald systeem werken, koesteren bepaalde verwachtingen. Indien men dat systeem herstructureert zonder in een opvismogelijkheid te voorzien, moet er een nieuwe rangschikking komen van hen die geweerd worden. Het zou onbillijk zijn de nieuwkomers en de mensen die reeds geruime tijd in de praktijk werkzaam zijn, op voet van gelijkheid te behandelen.

Een ander lid is het met die overwegingen eens. Hij wil evenwel een toename voorkomen van het aantal personen dat over een getuigschrift beschikt en geen deel uitmaakt van de rechterlijke orde en die de onzekere hoop koesteren er ooit deel van uit te maken.

Het 2º van het artikel is evenwel van toepassing op diegenen die reeds in dienst zijn.

De minister vestigt de aandacht op het feit dat het 2º van het artikel beperkt is tot het reëel « in competitie gestelde ambt. »

De vorige spreker herinnert eraan dat het steeds mogelijk blijft te slagen voor het vergelijkend wervingsexamen.

Ten slotte kan het aan de sociale realiteit ontleende argument ook worden omgekeerd.

Wanneer men in de toekomst een vergelijkend wervingsexamen aankondigt met in het achterhoofd het aantal vacante posten waarvoor zich tot op dat ogenblik geen kandidaten hadden aangediend, zal men valse hoop creëren bij hen die zich inschrijven voor het examen en die vervolgens geconfronteerd zullen worden met de houders van een getuigschrift.

De beperking in de tijd van de geldigheid van het getuigschrift, maakt het mogelijk dat zij toch nog kans maken om in aanmerking te komen voor de vacante posten.

Volgens de minister leert de ervaring dat de wervingsreserve, ook voor de vergelijkende examens die georganiseerd zijn volgens de oude regeling, uitgeput is na drie of vier jaar.

Het blijft de vraag of men een beperking moet overwegen van de rechten van die enkele tientallen mensen voor wie bovendien nog het advies van de korpschefs moet worden ingewonnen alvorens zij benoemd kunnen worden.

De vorige spreker stelt voor een oproep tot de kandidaten te richten teneinde het getuigschrift te regulariseren na een termijn van twee of drie jaar. Degenen die die oproep niet beantwoorden, zouden van hun rechten vervallen worden verklaard.

Een lid vraagt welke maatregelen worden overwogen (sociaal begeleidingsplan of iets dergelijks) voor hen die niet in het systeem kunnen worden opgenomen, bijvoorbeeld omdat zij niet slagen voor het vergelijkend examen.

Over hoeveel personen gaat het ?

Een ander lid onderstreept dat de fundamentele regel vervat is in artikel 91.

Degenen die tewerkgesteld en benoemd zijn overeenkomstig de regels, behouden hun ambt.

Diezelfde personen kunnen daarenboven in aanmerking komen voor een bevordering.

De minister herhaalt dat het aantal contractuele personeelsleden 1 200 tot 1 300 bedraagt.

Onder hen zijn er mensen die reeds geslaagd zijn voor een vergelijkend examen dat georganiseerd werd volgens het oude systeem en mensen die dat niet zijn (omdat zij een specifiek ambt bekleden of omdat er op het ogenblik van hun indiensttreding geen geslaagde was die in aanmerking kwam).

De tweede groep bestaat uit mensen die in het verleden hebben deelgenomen aan een of meer vergelijkende examens die georganiseerd werden volgens de oude regeling en niet geslaagd zijn en uit mensen die nooit aan een dergelijk examen hebben deelgenomen.

In die eerste subgroep zitten ongeveer 300 mensen. Men moet ramen hoeveel van die mensen zullen slagen en hoeveel niet zullen slagen voor het examen.

Laten we aannemen dat de helft van hen zal slagen.

Er rijst dan een probleem voor de 150 personen die vermoedelijk niet zullen slagen.

Hun lot zal afhangen van de arbeidsovereenkomst die ze hebben gesloten :

1. een overeenkomst voor onbepaalde tijd;

2. een overeenkomst met het oog op een vervanging;

3. een overeenkomst voor bepaalde tijd, voor een bepaald werk.

1. De overeenkomst voor onbepaalde tijd : blijft geldig zolang de minister ze laat bestaan. Een herziening van de personeelsformatie zou bijvoorbeeld het einde kunnen betekenen van een dergelijke overeenkomst.

2. De overeenkomst met het oog op een vervanging : degenen die een dergelijke overeenkomst hebben gesloten, kunnen deelnemen aan een vergelijkend examen of aan een selectietest die georganiseerd wordt door het Vast Wervingssecretariaat of eventueel door het departement. Indien zij niet slagen voor een van beide examens, kan de minister hen op het einde van hun vervangingscontract geen nieuw contract voorstellen.

3. De overeenkomst voor bepaalde tijd : hier geldt dezelfde regel als voor het vervangingscontract.

Een lid is van mening dat de terminologie van dit artikel moet worden aangepast.

Wat bedoelt men met de woorden « die minder gunstig zijn gerangschikt » ?

De minister antwoordt dat men daarmee de geslaagden bedoeld die minder gunstig gerangschikt zijn dan de eerst geslaagde van het examen. Dit artikel moet samen gelezen worden met artikel 286bis , dat vier categorieën creëert van kandidaten die ook in aanmerking komen.

Het tweede lid van het artikel voorziet in een uitzonderingsmaatregel voor de geslaagden die thans in dienst zijn maar nog niet kunnen voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 286bis in verband met de beoordeling.

De woorden « de best gerangschikte » kunnen evenwel niet worden ingevoegd in het 1º van het voorgestelde artikel want die bepaling slaat op de examens « oude stijl » waarvoor er geen rangschikking van de geslaagden bestond.

De woorden « op gelijkwaardige wijze » betekenen dat men wil voorkomen dat geslaagden van vroegere vergelijkende examens die minder goed gerangschikt zijn dan de geslaagden van de nieuwe vergelijkende examens, worden gestraft voor zover de eerstgenoemden reeds een overheidsambt vervullen.

Het amendement van de Regering wordt als artikel 92 aangenomen bij eenparigheid van de 11 aanwezige leden.

­ Artikelen 93, 94 en 95 (nieuw)

De Regering stelt voor drie nieuwe artikelen in te voegen luidend als volgt (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 74) :

« Art. 93. ­ De laureaten van het wervingsexamen voor de graad van opsteller, dat georganiseerd is vóór of nog in uitvoering is op datum van inwerkingtreding van deze wet, worden geacht de benoemingsvoorwaarden vermeld in de artikelen 270 en 282 van het Gerechtelijk Wetboek te vervullen.

In afwijking van de in de artikelen 270, 1º, en 282, 1º, van hetzelfde Wetboek gestelde benoemingsvoorwaarde, behoudt de beambte die op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze wet minstens twee jaar graadanciënniteit heeft, gedurende zes jaar vanaf voormelde datum, het recht om deel te nemen aan het examen bedoeld in voormeld artikel. »

De minister merkt op dat de strekking van het voorgestelde artikel beperkter is aangezien het ambt van opsteller een bevorderingsambt wordt.

In artikel is er alleen sprake van de geslaagden van dit specifiek examen.

In tweede lezing wordt op dit artikel door de Regering het volgende subamendement ingediend (Gedr. St., Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 81) :

Het voorgestelde artikel vervangen als volgt :

« De geslaagden van het wervingsexamen voor de graad van opsteller, dat georganiseerd is voor of nog in uitvoering is op datum van inwerkingtreding van de artikelen 44 en 58 van deze wet, worden geacht de benoemingsvoorwaarden vermeld in de artikelen 270 en 282 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij deze wet, te vervullen.

In afwijking van de artikelen 270 en 282 bedoeld in het vorig lid, behoudt de beambte die, op het ogenblik van de inwerkingtreding van de artikelen 44 en 58 van deze wet, niet in het bezit is van het vereiste diploma of getuigschrift maar minstens twee jaar graadanciënniteit heeft, gedurende zes jaar, het recht om deel te nemen aan het examen bedoeld in voormelde artikelen 270 en 282. »

Het aldus gesubamendeerde artikel wordt als artikel 93 aangenomen bij eenparigheid van de 11 aanwezige leden.

« Art. 94. ­ De laureaten van het wervingsexamen voor de graad van bemiddelingsadviseur, dat georganiseerd is vóór of nog in uitvoering is op datum van inwerkingtreding van deze wet, worden geacht de benoemingsvoorwaarden vermeld in artikel 272bis, 2º, van het Gerechtelijk Wetboek te vervullen. »

Dit artikel wordt als artikel 94 aangenomen bij eenparigheid van de 11 aanwezige leden.

« Art. 95. ­ Om in aanmerking te blijven komen voor het bepaalde in de artikelen 92, 1º, 93 en 94, moeten de laureaten, bij een ter post aangetekend schrijven ten laatste drie maanden na de bekendmaking van het bericht tot inrichting van het tweede na de inwerkingtreding van deze wet georganiseerd desbetreffend examen, aan de minister van Justitie te kennen hebben gegeven te willen blijven genieten van de onbeperkte geldigheidsduur van hun goede uitslag. Daartoe zal de minister van Justitie, ten laatste samen met voormeld bericht, een bijzondere oproep in het Belgisch Staatsblad bekend maken. »

In tweede lezing worden de woorden « blijven genieten van de onbeperkte geldigheidsduur van hun goede uitslag » vervangen door de woorden « dat hun goede uitslag onbeperkt geldig blijft ».

Het aldus gewijzigde artikel wordt aangenomen als artikel 95 bij eenparigheid van de 11 aanwezige leden.

­ Artikel 96 (nieuw)

De Regering dient het volgende amendement in (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 74) :

« Een nieuw artikel invoegen, luidende :

« De houders van het getuigschrift van kandidaat-griffier en van kandidaat-secretaris, dat uitgereikt werd op basis van een examen dat georganiseerd is vóór of nog in uitvoering is op datum van inwerkingtreding van deze wet, worden geacht houder te zijn van het getuigschrift zoals bedoeld in de artikelen 269bis en 280 van het Gerechtelijk Wetboek. »

Een lid merkt op dat het artikel betrekking heeft op de houder van het getuigschrift bedoeld in de artikelen 269bis en 280 van het Gerechtelijk Wetboek. Deze artikelen vermelden echter verschillende getuigschriften. Welke worden in dit geval bedoeld ?

De minister antwoordt dat het gaat om de getuigschriften van kandidaat-secretaris en kandidaat-griffier en niet om de diploma's waarnaar die artikelen verwijzen.

Het artikel heeft tot doel de houders van dergelijke getuigschriften die in het verleden afgegeven zijn, de waarborg te bieden dat deze getuigschriften beschouwd zullen worden als gelijkwaardig met die welke uitgereikt zijn op grond van de nieuwe regels.

Het amendement wordt aangenomen als artikel 96 bij eenparigheid van de 11 aanwezige leden.

Inwerkingtreding

­ Artikel 97 (nieuw)

De Regering dient het volgende amendement in (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 74) :

« Een nieuw artikel invoegen, luidende :

« Deze wet treedt in werking de eerste dag van de derde maand volgend op die gedurende welke ze in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt, met uitzondering van de artikelen 15, 21, 22, 23, 24, 25, 26, 28, 29, 30, 31, 51, 65 en 89 waarvan de Koning de datum van inwerkingtreding bepaalt en uiterlijk één jaar na haar bekendmaking in het Belgisch Staatsblad. »

Een lid vraagt welke behandeling gegeven zal worden aan zijn wetsvoorstel betreffende het statuut van hoofdgriffier bij het Hof van Cassatie (Gedr. St. Senaat, nr. 1-125/1).

De minister stelt voor de bespreking van deze tekst uit te stellen tot begin 1997 aangezien de wet op het concurrentievermogen en het huidige verbod om weddeverhogingen toe te staan de Regering verhinderen dergelijke verhogingen door te voeren wanneer zij niet samengaan met een bevordering of een nieuw ambt.

De indiener van het voorstel antwoordt dat het niet onmogelijk is in zijn voorstel een bepaling op te nemen waardoor de inwerkingtreding vastgesteld wordt op 1 januari 1997.

In tweede lezing dient de Regering een subamendement in dat strekt om de woorden, « 51, 65 en 89 » te vervangen door de woorden « 47, 64, 65, 66 en 89 » (Gedr. St. Senaat, nr. 1-270/2, amendement nr. 82).

Het aldus gesubamendeerde amendement wordt aangenomen als artikel 97 bij eenparigheid van de 11 aanwezige leden.

9. EINDSTEMMING

De gecoördineerde en geamendeerde tekst van de twee wetsvoorstellen wordt aangenomen bij eenparigheid van de 11 aanwezige leden.

Dit verslag is goedgekeurd met dezelfde stemmenverhouding.

De Rapporteurs,
André BOURGEOIS.
Robert HOTYAT.
De Voorzitter,
Roger LALLEMAND.

TEKST VAN HET WETSVOORSTEL VAN DE HEER VANDENBERGHE C.S. (Nr. 1-270/1) EN/OF VAN HET WETSVOORSTEL VAN DE HEREN ERDMAN EN LALLEMAND (Nr. 1-147/1) (10) TEKST AANGENOMEN
DOOR DE COMMISSIE VOOR DE JUSTITIE
Artikel 1 Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet. (11) Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.
Art. 2 Art. 2
De Koning wordt gemachtigd in wetten en besluiten de hiernavermelde benamingen te vervangen als volgt : « griffie-hoofd van de griffie » door « hoofdgriffier »; « klerk-griffier » door « adjunct-griffier »; « eerstaanwezend klerk-griffier » door « eerstaanwezend adjunct-griffier »; « secretaris » door « hoofdsecretaris »; « adjunct-secretaris » door « secretaris »; « klerk-secretaris » door « adjunct-secretaris » en « eerstaanwezend klerk-secretaris » door « eerstaanwezend adjunct-secretaris » Onverminderd de artikelen opgesomd in deze wet worden in het Gerechtelijk Wetboek de hierna vermelde benamingen vervangen als volgt :
­ « griffier-hoofd van de griffie » door « hoofdgriffier »;
­ « klerk-griffier » door « adjunct-griffier »;
­ « eerstaanwezend klerk-griffier » door « eerstaanwezend adjunct-griffier »;
­ « secretaris » door « hoofdsecretaris »;
­ « adjunct-secretaris » door « secretaris »;
­ « klerk-secretaris » door « adjunct-secretaris »;
­ « [...] eerstaanwezend klerk-secretaris » door « eerstaanwezend adjunct-secretaris ».
Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op de artikelen 259 bis , 466, 467, 469, 469 bis , 473, 475, 477, 482, 489, 505, 506, 508, 531, 531 bis , 531 ter , 531 quinquies , 539, 540, 542, 545 en 553 van het Gerechtelijk Wetboek.
De Koning wordt gemachtigd deze benamingen eveneens te vervangen in de bijzondere wetten en besluiten.
Art. 3
In het Gerechtelijk Wetboek wordt een artikel 72bis ingevoegd, luidend als volgt :
« Artikel 72 bis. ­ Het bijzonder reglement voor de politierechtbank wordt door de Koning vastgesteld op advies van de voorzitter van de politierechtbank, van de procureur des Konings, van de hoofdgriffier van de politierechtbank en van de stafhouder van de Orde van advocaten. Het reglement wordt ter griffie van de rechtbank aangeplakt. »
Art. 3
Artikel 89 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :
« Art. 89. ­ Wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen, stelt de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, van de arbeidsrechtbank of van de rechtbank van koophandel, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de eerste voorzitter van het hof van beroep of, wanneer het gaat om de arbeidsrechtbank, van de eerste voorzitter van het arbeidshof, na het advies van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur, naar gelang van het geval, en van de hoofdgriffier te hebben ingewonnen, een of meer tijdelijke kamers samen, bestaande uit de rechters en, in voorkomend geval, de rechters in sociale zaken of de rechters in handelszaken die hij aanwijst. »
Art. 4
Artikel 107 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :
« Art. 107. ­ Wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen, stelt de eerste voorzitter van het hof van beroep of van het arbeidshof, naar gelang van het geval, hetzij ambtshalve, na het advies van de procureur-generaal en van de hoofdgriffier te hebben ingewonnen, hetzij op verzoek van de procureur-generaal en na het advies van de hoofdgriffier te hebben ingewonnen, een of meer tijdelijke kamers samen, bestaande uit de raadsheren en, in voorkomend geval, de raadsheren in sociale zaken die hij aanwijst. »
Art. 4 Art. 5
Artikel 157 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt : Artikel 157 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :
« Artikel 157 . ­ Er is een hoofdgriffier in elk vredegerecht en in elke politierechtbank. » « Art. 157. ­ Er is een hoofdgriffier in elk vredegerecht en in elke politierechtbank. »
Art. 5 Art. 6
§ 1. In artikel 158 van hetzelfde Wetboek worden de woorden « griffier-hoofd van de griffie » en « klerken-griffiers » vervangen door de woorden « hoofdgriffier », respectievelijk « adjunct-griffiers ». § 1. In artikel 158 van hetzelfde Wetboek worden de woorden « griffier-hoofd van de griffie » en « klerken-griffiers » vervangen door de woorden « hoofdgriffier », respectievelijk « adjunct-griffiers ».
§ 2. Artikel 158 van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met het volgende lid : § 2. Artikel 158 van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met het volgende lid :
« Er kunnen bij de politierechtbanken één tot drie griffiers-hoofden van dienst zijn, die onder het gezag van de hoofdgriffier deelnemen aan de leiding van de griffie. » « Bij de politierechtbank kunnen één tot drie griffiers-hoofden van dienst worden aangewezen die, onder het gezag van de hoofdgriffier, deelnemen aan de leiding van de griffie. »
Art. 6 Art. 7
In artikel 160 van hetzelfde Wetboek wordt het woord « klerken-griffiers » vervangen door het woord « adjunct-griffiers ». In artikel 160 van hetzelfde Wetboek wordt het woord « klerken-griffiers » vervangen door het woord « adjunct-griffiers ».
Art. 7 Art. 8
Artikel 161 van hetzelfde Wetboek wordt met de volgende volzin aangevuld : Artikel 161 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :
« Art. 161. ­ Bij de rechtbank van eerste aanleg, de arbeidsrechtbank en de rechtbank van koophandel kunnen één tot drie griffiers-hoofden van dienst worden aangewezen die, onder het gezag van de hoofdgriffier, deelnemen aan de leiding van de griffie.
« In de voormelde rechtbanken waar meer dan honderd personeelsleden met volledige betrekking werkzaam zijn, kan bovendien per dertig bijkomende personeelsleden een griffier-hoofd van dienst aangeworven worden. » Ingeval in voormelde rechtbanken meer dan honderd personeelsleden met volledige betrekking werkzaam zijn, kan het aantal griffiers-hoofden van dienst worden opgetrokken met één eenheid per dertig bijkomende personeelsleden. »
Art. 8 Art. 9
In artikel 162 van hetzelfde Wetboek worden volgende wijzigingen aangebracht : A rtikel 162 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :
1º het woord « secretaris » wordt vervangen door het woord « kabinetssecretaris »;
in fine worden de woorden « op advies van de hoofdgriffier » toegevoegd.
« Art. 162. ­ De voorzitter van een rechtbank waarvan het rechtsgebied meer dan vijfhonderdduizend inwoners telt, kan een kabinetssecretaris kiezen uit de griffiers of het griffiepersoneel op advies van de hoofdgriffier. »
Art. 9 Art. 10
In artikel 163 van hetzelfde Wetboek wordt het woord « klerken-griffiers » vervangen door het woord « adjunct-griffiers ». In artikel 163 van hetzelfde Wetboek wordt het woord « klerken-griffiers » vervangen door het woord « adjunct-griffiers ».
Art. 10 Art. 11
Artikel 164 van hetzelfde Wetboek wordt met de volgende volzin aangevuld : Artikel 164 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :
« In de hoven waar ten minste honderd personeelsleden met volledige betrekking werkzaam zijn, kan bovendien per dertig bijkomende personeelsleden een griffier-hoofd van dienst aangeworven worden. » « Art. 164. ­ Bij het hof van beroep en het arbeidshof kunnen één tot drie griffiers-hoofden van dienst worden aangewezen die, onder het gezag van de hoofdgriffier, deelnemen aan de leiding van de griffie.
Ingeval in voormelde hoven meer dan honderd personeelsleden met volledige betrekking werkzaam zijn, kan het aantal griffiers-hoofden van dienst worden opgetrokken met één eenheid per dertig bijkomende personeelsleden. »
Art. 11 Art. 12
In artikel 165 van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht : A rtikel 165 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :
1º het woord « secretaris » wordt vervangen door het woord « kabinetssecretaris »;
in fine worden de woorden « op advies van de hoofdgriffier » toegevoegd.
« Art. 165. ­ De eerste voorzitter kan een kabinetssecretaris kiezen uit de griffiers of het griffiepersoneel op advies van de hoofdgriffier. »
Art. 12 Art. 13
In artikel 167 van hetzelfde Wetboek wordt het woord « klerken-griffiers » vervangen door het woord « adjunct-griffiers ». In artikel 167 van hetzelfde Wetboek wordt het woord « klerken-griffiers » vervangen door het woord « adjunct-griffiers ».
Art. 13 Art. 14
In artikel 168 van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht : A rtikel 168 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :
1º het woord « secretaris » wordt vervangen door het woord « kabinetssecretaris »;
in fine worden de woorden « op advies van de hoofdgriffier » toegevoegd.
« Art. 168. ­ De eerste voorzitter kan een kabinetssecretaris kiezen uit de griffiers of het griffiepersoneel op advies van de hoofdgriffier. »
Art. 14 Art. 15
In artikel 169 van hetzelfde Wetboek worden de woorden « klerken-griffiers » en « eerstaanwezend klerk-griffier » vervangen door de woorden « adjunct-griffiers », respectievelijk « eerstaanwezend adjunct-griffier » en worden de woorden « of van de griffierhoofd van de griffie » geschrapt. A rtikel 169 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :
« Art. 169. ­ De adjunct-griffiers die ten minste twaalf jaar dienst hebben in de griffie van een vredegerecht, van een politierechtbank, van een rechtbank van eerste aanleg, van een arbeidsrechtbank, van een rechtbank van koophandel, van een hof van beroep, van een arbeidshof of van het Hof van Cassatie, worden door de Koning tot eerstaanwezend adjunct-griffier benoemd, voor zover zij bij hun beoordeling, bedoeld in artikel 287 ter , de vermelding « zeer goed » hebben gekregen.
De dienstjaren uitgeoefend in een griffie, een parket of een parketsecretariaat in een gelijkwaardige of een lagere graad komen in aanmerking. »
Art. 15 Art. 16
Artikel 170 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt : Artikel 170 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :
« Artikel 170 . ­ De griffier vervult de griffietaken en staat de rechter bij als griffier in alle verrichtingen van zijn ambt. « Art. 170. ­ De griffier vervult de griffietaken en staat de rechter bij als griffier in alle verrichtingen van diens ambt.
Op deze regel wordt slechts uitzondering gemaakt wanneer om dringende redenen zijn tegenwoordigheid niet kon worden gevorderd. » Op deze regel wordt slechts een uitzondering gemaakt wanneer om dringende redenen zijn tegenwoordigheid niet kon worden gevorderd. »
Art. 16 Art. 17
Artikel 171 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt : Artikel 171 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :
« Artikel 171 . ­ In het Hof van Cassatie, het hof van beroep, het arbeidshof, de rechtbank van eerste aanleg, de arbeidsrechtbank, de rechtbank van koophandel, het vredegerecht en de politierechtbank is er een griffie. « Art. 171. ­ In het Hof van Cassatie, het hof van beroep, het arbeidshof, de rechtbank van eerste aanleg, de arbeidsrechtbank, de rechtbank van koophandel, het vredegerecht en de politierechtbank is er een griffie.
De griffie wordt gehouden door de hoofdgriffier. De griffie wordt gehouden door de hoofdgriffier.
De griffiers oefenen een gerechtelijke functie uit en vervullen hun taken in de griffie. » De griffiers oefenen een gerechtelijke functie uit en vervullen hun taken in de griffie. »
Art. 17 Art. 18
Artikel 172 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt : Artikel 172 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :
« Artikel 172. ­ De hoofdgriffier leidt de griffie en verdeelt de griffietaken en de administratieve taken en wijst de griffiers aan om de rechter bij te staan. » « Art. 172. ­ De hoofdgriffier leidt de griffie en verdeelt de griffietaken en de administratieve taken en wijst de griffiers aan die de rechter bijstaan. »
Art. 18 Art. 19
Artikel 173 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt : Artikel 173 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :
« Artikel 173. ­ Tot de taken van de griffier behoren : « Art. 173. ­ Tot de taken van de griffier behoren :
­ hij houdt de griffie open voor het publiek; ­ hij stelt de griffie voor het publiek toegankelijk;
­ hij voert de boekhouding van de griffie;
­ hij verlijdt de hem opgedragen akten;
­ hij bewaart de minuten, registers en alle akten van het gerecht, waarbij hij is aangesteld;
­ hij levert daarvan uitgiften, uittreksels of afschriften af;
­ hij verlijdt de akten waarmee hij belast is, bewaart de minuten, registers en alle akten van het gerecht waarbij hij is aangesteld en geeft daarvan uitgiften, uittreksels of afschriften af;
­ hij bewaart de verzameling van wetten en andere boekwerken ten gebruike van de rechtbank; ­ hij bewaart de rechtsdocumentatie inzake wetgeving, rechtspraak en rechtsleer ten behoeve van de rechters;
­ hij houdt de tabellen, registers, repertoria, statistieken en andere documenten, hem bij de wet of besluiten opgedragen; ­ hij maakt de tabellen, statistieken en andere documenten op , waarmee hij bij wet of besluit belast is; hij houdt de registers en repertoria bij;
­ hij bewaart de waarden, documenten en voorwerpen die krachtens de wet ter griffie zijn neergelegd. ­ hij staat in voor de bewaring van de waarden, documenten en voorwerpen die krachtens de wet ter griffie zijn neergelegd.
Tot de bijstand van de griffier aan de rechter behoort : De griffier verleent bijstand aan de rechter :
­ hij bereidt de taken van de rechter voor;
­ de griffier is aanwezig op de terechtzitting; ­ hij is aanwezig op de terechtzitting;
­ hij notuleert het verloop van de rechtszaken en de uitspraken, verleent akte van de verschillende formaliteiten waarvan de vervulling moet worden vastgesteld en verleent er authenticiteit aan; hij bewaakt de procedure. ­ hij notuleert het verloop van de rechtszaken en de uitspraken;
­ hij geeft akte van de verschillende formaliteiten waarvan de vervulling moet worden vastgesteld en verleent er authenticiteit aan;
­ hij stelt de dossiers van de rechtspleging op en ziet, in het kader van zijn bevoegdheid, toe op de naleving van de reglementering ter zake.
De Koning kan nadere regels tot uitwerking van dit artikel bepalen. » De Koning stelt nadere regels voor de toepassing van dit artikel. »
Art. 19 Art. 20
In artikel 175 van hetzelfde Wetboek worden de woorden « of de griffier-hoofd van de griffie » geschrapt. In artikel 175 van hetzelfde Wetboek worden de woorden « of de griffier-hoofd van de griffie » geschrapt.
Art. 21
In deel II, boek I, van hetzelfde Wetboek wordt een titel III bis ingevoegd, luidende :
« Titel III bis . Bemiddelingsadviseurs en -assistenten
Art. 176 bis. ­ Aan ieder parket bij het hof van beroep zijn een of meer bemiddelingsadviseurs verbonden, die de Koning benoemt. De Koning bepaalt hun aantal naar de behoeften van de dienst. Zij staan onder leiding en toezicht van de procureur-generaal of van de magistraat die hij daartoe aanstelt.
Bij het uitwerken van een strafrechtelijk beleid voor de bemiddeling in strafzaken staat de bemiddelingsadviseur de procureur-generaal bij. Hij wordt ingeschakeld voor de evaluatie, de coördinatie en het toezicht op de toepassing van de bemiddeling in strafzaken in de verscheidene parketten van het ambtsgebied van de procureur-generaal. Hij staat de bemiddelingsassistenten bij met betrekking tot de algemene en bijzondere problemen die rijzen bij de uitvoering van hun taken.
Art. 176 ter. ­ Aan ieder parket van de procureur des Konings zijn een of meer bemiddelingsassistenten verbonden, die de minister van Justitie benoemt. De Koning bepaalt hun aantal naar de behoeften van de dienst. Zij staan onder leiding en toezicht van de procureur des Konings of van de magistraat die hij daartoe aanstelt.
Bij het uitwerken van de bemiddeling in strafzaken staat de bemiddelingsassistent de procureur des Konings bij. Hij wordt ingeschakeld in de verschillende fasen van de bemiddeling in strafzaken en meer bepaald de concrete uitwerking ervan. Hij voert zijn opdracht uit in nauwe samenwerking met en onder toezicht van de procureur des Konings.
Art. 176 quater. ­ Bemiddelingsassistenten die ten minste achttien jaar graadanciënniteit tellen, worden door de minister van Justitie tot eerstaanwezend bemiddelingsassistent benoemd, voor zover zij bij hun beoordeling, bedoeld in artikel 287 ter , de vermelding « zeer goed » hebben gekregen. »
Art. 20 Art. 22
In artikel 177 van hetzelfde Wetboek worden de woorden « griffier-hoofd van de griffie » vervangen door het woord « hoofdgriffier ». In artikel 177 van hetzelfde Wetboek worden de woorden « op advies van de vrederechter of van de rechter in de politierechtbank en van de griffier-hoofd van de griffie » geschrapt.
Art. 23
In artikel 178 van hetzelfde Wetboek worden de woorden « op advies van de voorzitter en van de hoofdgriffier » geschrapt.
Art. 24
In artikel 179 van hetzelfde Wetboek worden de woorden « op advies van de eerste voorzitter en van de hoofdgriffier » geschrapt.
Art. 25
In artikel 180 van hetzelfde Wetboek worden de woorden « Deze wint vooraf het advies in van de eerste voorzitter en van de hoofdgriffier. » geschrapt.
Art. 21 Art. 26
In artikel 181 van hetzelfde Wetboek worden de woorden « of van de griffier-hoofd van de griffie » geschrapt. A rtikel 181 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :
« Art. 181. ­ De opstellers, beambten en boden die ten minste twaalf jaar dienst hebben in de griffie van een vredegerecht, van een politierechtbank, van een rechtbank van eerste aanleg, van een arbeidsrechtbank, van een rechtbank van koophandel, van een hof van beroep, van een arbeidshof of van het Hof van Cassatie, worden door de minister van Justitie, respectievelijk, tot eerstaanwezend opsteller, eerstaanwezend beambte en eerstaanwezend bode benoemd, voor zover zij bij hun beoordeling, bedoeld in artikel 287 ter, de vermelding « zeer goed » hebben gekregen.
De dienstjaren uitgeoefend in een griffie of een parketsecretariaat in een gelijkwaardige of een lagere graad komen in aanmerking. »
Art. 22 Art. 27
§ 1. In artikel 182 van hetzelfde Wetboek worden het eerste en tweede lid vervangen als volgt : A rtikel 182 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :
« Bij ieder parket is er een secretariaat verbonden, onder de leiding van een hoofdsecretaris. « Art. 182. ­ Aan ieder parket is er een secretariaat verbonden, onder de leiding van een hoofdsecretaris.
De hoofdsecretaris wordt door de Koning benoemd. De hoofdsecretaris wordt door de Koning benoemd.
De hoofdsecretaris van het parket is belast met de leiding van de administratieve diensten en staat daarbij onder het gezag van de procureur-generaal, de procureur des Konings of de arbeidsauditeur. De hoofdsecretaris van het parket is belast met de leiding van de administratieve diensten en staat daarbij onder leiding en toezicht van de procureur-generaal, van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur. Hij verdeelt de administratieve taken onder de leden en het personeel van het secretariaat.
De hoofdsecretaris kan worden bijgestaan door een of meer secretarissen en door adjunct-secretarissen, die de Koning benoemt. Hun aantal wordt door de Koning bepaald naar de behoeften van de dienst.
De secretaris staat de procureur-generaal, de procureur des Konings of de arbeidsauditeur bij. Hij ondertekent de documenten die hem door het hoofd van het parket worden aangeduid. Hij bewaart de registers, het archief en de documenten van het parket. De secretaris staat de procureur-generaal, de procureur des Konings of de arbeidsauditeur bij. Hij ondertekent de documenten die eigen zijn aan zijn functie en die welke hij in opdracht van het hoofd van het parket moet ondertekenen. Hij verleent bijstand aan de magistraten voor documentatie- en opzoekingswerk, voor het samenstellen van de dossiers en voor alle taken, met uitzondering van die welke uitdrukkelijk aan de magistraten zijn voorbehouden. Hij bewaart de registers, het archief en de documenten van het parket.
De procureur-generaal, de procureur des Konings en de arbeidsauditeur bij een rechtbank waarvan het rechtsgebied meer dan vijfhonderdduizend inwoners telt, kunnen zich een kabinetssecretaris kiezen uit het personeel van het parket, op advies van de hoofdsecretaris. » De procureur-generaal, de procureur des Konings en de arbeidsauditeur bij een gerecht waarvan het rechtsgebied meer dan vijfhonderdduizend inwoners telt, kunnen een kabinetssecretaris kiezen uit de leden of het personeel van het secretariaat op advies van de hoofdsecretaris.
§ 2. In het derde lid van hetzelfde artikel wordt het woord « Hij » vervangen door de woorden « De hoofdsecretaris ».
§ 3. In het derde lid van ditzelfde artikel worden de woorden « adjunct-secretarissen » en « klerken-secretarissen » vervangen door de woorden « secretarissen », respectievelijk « adjunct-secretarissen ».
§ 4. In het vierde lid van ditzelfde artikel worden de woorden « adjunct-secretarissen-hoofden van dienst », « secretaris » en « adjunct-secretarissen » vervangen door « secretarissen-hoofden van dienst », respectievelijk « hoofdsecretaris » en « secretarissen ».
5. In het vierde lid van ditzelfde artikel wordt na de eerste volzin een nieuwe bepaling ingevoegd luidend als volgt : « In de parketten waar ten minste honderd personeelsleden met volledige betrekking werkzaam zijn, kan bovendien per dertig bijkomende personeelsleden een secretaris-hoofd van dienst aangewezen worden. »
Bij een parket kunnen één tot drie secretarissen-hoofden van dienst worden aangewezen, die onder het gezag van de hoofdsecretaris, deelnemen aan de leiding van het secretariaat. Ingeval in een parket meer dan honderd personeelsleden met volledige betrekking werkzaam zijn, kan het aantal secretarissen-hoofden van dienst worden opgetrokken met één eenheid per dertig bijkomende personeelsleden.
De Koning bepaalt hun aantal en wijst hen voor drie jaar aan uit de secretarissen, op voordracht van de procureur-generaal, van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur en van de hoofdsecretaris van het parket.
Die aanwijzing kan telkens voor drie jaar worden vernieuwd; na negen jaar ambtsvervulling worden zij vast benoemd. »
Art. 23 Art. 28
In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 182bis ingevoegd, luidend als volgt : In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 182bis ingevoegd, luidende :
« Artikel 182bis . ­ Bij verhindering wordt de hoofdsecretaris van het parket vervangen door de secretaris-hoofd van dienst of de secretaris die hij aanwijst. Wanneer hij in de onmogelijkheid is om die aanwijzing te doen wordt daarin voorzien al naargelang van het geval door de procureur-generaal, de procureur des Konings of de arbeidsauditeur. » « Art. 182 bis. ­ Adjunct-secretarissen die ten minste twaalf jaar dienst hebben worden door de Koning tot eerstaanwezend adjunct-secretaris benoemd, voor zover zij bij hun beoordeling, bedoeld in artikel 287 ter , de vermelding « zeer goed » hebben gekregen.
De dienstjaren uitgeoefend in een parket, een parketsecretariaat of een griffie in een gelijkwaardige of een lagere graad komen in aanmerking. »
Art. 24 Art. 29
In artikel 183 van hetzelfde Wetboek wordt het woord « secretaris » vervangen door het woord « hoofdsecretaris ». A rtikel 183 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :
« Art. 183 . ­ Aan een parketsecretariaat kunnen vertalers, opstellers, beambten en boden verbonden worden. Zij worden door de minister van Justitie benoemd. Het aantal vertalers, opstellers en beambten wordt bepaald door de Koning, het aantal boden door de minister van Justitie of, naar gelang van het geval, door de minister die bevoegd is voor de Arbeid. »
Art. 25 Art. 30
In artikel 184 van hetzelfde Wetboek worden de woorden « klerken-secretarissen », « secretaris » en « eerstaanwezend klerk-secretaris » vervangen door de woorden « adjunct-secretarissen », respectievelijk « hoofdsecretaris » en « eerstaanwezend adjunct-secretaris ». A rtikel 184 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :
« Art. 184 . ­ Vertalers, opstellers, beambten en boden die ten minste twaalf jaar dienst hebben in een parketsecretariaat, worden door de minister van Justitie respectievelijk tot eerstaanwezend vertaler, eerstaanwezend opsteller, eerstaanwezend beambte en eerstaanwezend bode benoemd, voor zover zij bij hun beoordeling, bedoeld in artikel 287 ter , de vermelding « zeer goed » hebben gekregen.
De dienstjaren uitgeoefend in een parketsecretariaat of een griffie in een gelijkwaardige of een lagere graad komen in aanmerking. »
Art. 2 (12) Art. 31
In artikel 185 van het Gerechtelijk Wetboek wordt een nieuw tweede lid ingevoegd, luidende :
« Het examen, waarvan Hij het slagen als voorwaarde oplegt, moet vergelijkend zijn en wordt georganiseerd door het Vast Wervingssecretariaat. »
In artikel 185 van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1º het eerste lid wordt aangevuld als volgt :
« De wervingsexamens voor de bijzondere graden zijn vergelijkend en worden door de Koning georganiseerd voor een examencommissie die wordt ingesteld door de minister van Justitie. »
2º het tweede lid wordt vervangen door de volgende bepaling :
« Bovendien kan de minister van Justitie of, naar gelang van het geval, de minister van Arbeid of de overheid aan wie zij die bevoegdheid overdragen, om dringende redenen personeel aanwerven op grond van een arbeidsovereenkomst. In aanmerking voor deze aanwervingen komen alleen de geslaagden van een vergelijkend examen of een examen georganiseerd krachtens dit Wetboek, of, bij ontstentenis van kandidaten, van een selectietest georganiseerd door de minister van Justitie of door een dienst van de Staat. »
Art. 26 Art. 32
In artikel 260 van hetzelfde Wetboek worden de woorden « griffiers-hoofden van de griffie » geschrapt en het woord « klerken-griffiers » vervangen door het woord « adjunct-griffiers ». In artikel 260 van hetzelfde Wetboek worden de woorden « griffiers-hoofden van de griffie » geschrapt en het woord « klerken-griffiers » vervangen door het woord « adjunct-griffiers ».
Art. 27 Art. 33
Artikel 261 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt : Artikel 261 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :
« Artikel 261. ­ De griffiers-hoofden van dienst bij de griffie van een rechtbank worden door de Koning benoemd uit de griffiers bij de rechtbank op voordracht van de voorzitter van de rechtbank en van de hoofdgriffier en naargelang van het geval na advies van de procureur des Konings of de arbeidsauditeur. « Art. 261 . ­ De griffiers-hoofden van dienst bij de griffie van een rechtbank worden door de Koning benoemd uit de griffiers bij de rechtbank, op voordracht van de voorzitter van de rechtbank en van de hoofdgriffier [...].
De griffiers-hoofden van dienst bij de griffie van het Hof van Cassatie, van een hof van beroep of een Arbeidshof worden door de Koning benoemd uit de griffiers bij het hof, op voordracht van de eerste voorzitter en van de hoofdgriffier, na advies van de procureur-generaal. De griffiers-hoofden van dienst bij de griffie van het Hof van Cassatie, van een hof van beroep of van een a rbeidshof worden door de Koning benoemd uit de griffiers bij het hof, op voordracht van de eerste voorzitter en van de hoofdgriffier [...].
Zij worden aangewezen voor drie jaar. Deze aanwijzing kan telkens voor drie jaar worden vernieuwd : na negen jaar ambtsvervulling worden zij vast benoemd. » Zij worden aangewezen voor drie jaar. Deze aanwijzing kan telkens voor drie jaar worden vernieuwd; na negen jaar ambtsvervulling worden zij vast benoemd. »
Art. 28 Art. 34
§ 1. In artikel 262 van hetzelfde Wetboek wordt het woord « klerken-griffiers » vervangen door het woord « adjunct-griffiers » en worden de woorden « of de griffier-hoofd van de griffie » geschrapt. In artikel 262 van hetzelfde Wetboek wordt het woord « klerken-griffiers » vervangen door het woord « adjunct-griffiers » en worden de woorden « of de griffier-hoofd van de griffie » geschrapt.
§ 2. Hetzelfde artikel wordt aangevuld als volgt : « en al naargelang van het geval na advies van de procureur-generaal, de procureur des Konings of de arbeidsauditeur. » [...]
Art. 29 Art. 35
Artikel 263, § 1, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt : Artikel 263 [...] van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :
« § 1. Om tot hoofdgriffier van het vredegerecht of van de politierechtbank te worden benoemd, moet men : « Art. 263 . ­ § 1. Om tot hoofdgriffier van een vredegerecht of van een politierechtbank te worden benoemd, moet de kandidaat :
1º volle vijfendertig jaar oud zijn; 1º volle vijfendertig jaar oud zijn;
2º hetzij licentiaat in de rechten zijn en ten minste vijf jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte, bij de griffie van een hof, een rechtbank, een vredegerecht of een politierechtbank hebben uitgeoefend, hetzij houder zijn van een getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs of door de Koning gelijkwaardig verklaard onderwijs, alsmede van het getuigschrift van kandidaat-griffier en daarenboven ofwel ten minste vijf jaar het ambt van griffier ofwel ten minste tien jaar het ambt van adjunct-griffier hebben uitgeoefend bij een hof, een rechtbank, een vredegerecht of een politierechtbank. » a) [...] licentiaat in de rechten zijn en ten minste vijf jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij de griffie van een hof, van een rechtbank, van een vredegerecht of van een politierechtbank hebben uitgeoefend;
b) of houder zijn van het getuigschrift van [...] kandidaat-griffier en daarenboven ofwel ten minste vijf jaar het ambt van griffier, ofwel ten minste tien jaar het ambt van adjunct-griffier hebben uitgeoefend bij een hof, een rechtbank, een vredegerecht of een politierechtbank.
Art. 30
§ 1. Artikel 263, § 2, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
« § 2. Om tot griffier bij een vredegerecht of een politierechtbank te worden benoemd, moet men : § 2. Om tot griffier bij een vredegerecht of bij een politierechtbank te worden benoemd, moet de kandidaat :
1º volle vijfentwintig jaar oud zijn; 1º volle vijfentwintig jaar oud zijn;
2º hetzij licentiaat in de rechten zijn en ten minste één jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte, bij de griffie van een hof, een rechtbank, een vredegerecht of een politierechtbank hebben uitgeoefend, hetzij houder zijn van een getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs of door de Koning gelijkwaardig verklaard onderwijs, alsmede van het getuigschrift van kandidaat-griffier en daarenboven ofwel ten minste adjunct-griffier zijn bij een hof, een rechtbank, een vredegerecht of een politierechtbank, ofwel ten minste vijf jaar het ambt van opsteller of beambte hebben uitgeoefend bij de griffie van een hof, een rechtbank, een vredegerecht of een politierechtbank. » a) [...] licentiaat in de rechten zijn en ten minste één jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij de griffie van een hof, van een rechtbank, van een vredegerecht of van een politierechtbank hebben uitgeoefend;
b) of houder zijn van het getuigschrift van [...] kandidaat-griffier en daarenboven ofwel ten minste adjunct-griffier zijn bij een hof, een rechtbank, een vredegerecht of een politierechtbank, ofwel ten minste vijf jaar het ambt van opsteller of van beambte hebben uitgeoefend bij de griffie van een hof, van een rechtbank, van een vredegerecht of van een politierechtbank. »
§ 2. In hetzelfde artikel wordt § 3 opgeheven. [...]
§ 3. In hetzelfde artikel worden in § 4 de woorden « en regelt de stage » geschrapt.
Art. 31 Art. 36
§ 1. Artikel 264, eerste lid, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt : A rtikel 264 [...] van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :
« Om tot hoofdgriffier van een rechtbank van eerste aanleg, van een arbeidsrechtbank of van een rechtbank van koophandel te worden benoemd, moet men : « Art. 264. ­ Om tot hoofdgriffier van een rechtbank van eerste aanleg, van een arbeidsrechtbank of van een rechtbank van koophandel te worden benoemd, moet de kandidaat :
1º volle vijfendertig jaar oud zijn; 1º volle vijfendertig jaar oud zijn;
2º hetzij licentiaat in de rechten zijn en ten minste vijf jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte, bij de griffie van een hof, een rechtbank, een vredegerecht of een politierechtbank hebben uitgeoefend, hetzij houder zijn van een getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs of door de Koning gelijkwaardig verklaard onderwijs, alsmede van het getuigschrift van kandidaat-griffier en daarenboven ofwel ten minste vijf jaar het ambt van griffier hebben uitgeoefend bij een hof of een rechtbank van eerste aanleg, een arbeidsrechtbank of een rechtbank van koophandel, ofwel hoofdgriffier zijn van een vredegerecht of een politierechtbank. » a) [...] licentiaat in de rechten zijn en ten minste vijf jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij de griffie van een hof, van een rechtbank, van een vredegerecht of van een politierechtbank hebben uitgeoefend;
b) of houder zijn van het getuigschrift van [...] kandidaat-griffier en daarenboven ofwel ten minste tien jaar het ambt van griffier of van adjunct-griffier hebben uitgeoefend bij een hof, een rechtbank van eerste aanleg, een arbeidsrechtbank of een rechtbank van koophandel, ofwel hoofdgriffier zijn van een vredegerecht of van een politierechtbank. »
§ 2. In hetzelfde artikel wordt het tweede lid opgeheven. [...]
Art. 32 Art. 37
§ 1. Artikel 265, § 1, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt : A rtikel 265 [...] van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :
« § 1. Om tot griffier van een rechtbank van eerste aanleg, bij een arbeidsrechtbank of van een rechtbank van koophandel te worden benoemd, moet men : « Art. 265. ­ Om tot griffier bij een rechtbank van eerste aanleg, bij een arbeidsrechtbank of bij een rechtbank van koophandel te worden benoemd, moet de kandidaat :
1º volle vijfentwintig jaar oud zijn; 1º volle vijfentwintig jaar oud zijn;
2º hetzij licentiaat in de rechten zijn en ten minste één jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte, bij de griffie van een hof, een rechtbank, een vredegerecht of een politierechtbank hebben uitgeoefend, hetzij houder zijn van een getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs of door de Koning gelijkwaardig verklaard onderwijs, alsmede van het getuigschrift van kandidaat-griffier en daarenboven ofwel ten minste adjunct-griffier zijn bij een hof, rechtbank, vredegerecht of politierechtbank ofwel ten minste vijf jaar het ambt van opsteller of beambte hebben uitgeoefend bij de griffie van een hof, een rechtbank, vredegerecht of politierechtbank. » a) [...] licentiaat in de rechten zijn en ten minste één jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij de griffie van een hof, van een rechtbank, van een vredegerecht of van een politierechtbank hebben uitgeoefend;
b) of houder zijn van het getuigschrift van [...] kandidaat-griffier en daarenboven ofwel ten minste adjunct-griffier zijn bij een hof, een rechtbank, een vredegerecht of een politierechtbank, ofwel ten minste vijf jaar het ambt van opsteller of van beambte hebben uitgeoefend bij de griffie van een hof, van een rechtbank, van een vredegerecht of van een politierechtbank. »
§ 2. In hetzelfde artikel wordt § 2 opgeheven. [...]
§ 3. In hetzelfde artikel worden in § 3 de woorden « en regelt de stage » geschrapt.
Art. 33 Art. 38
§ 1. Artikel 266 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt : A rtikel 266 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :
« Artikel 266. ­ Om tot hoofdgriffier van een hof van beroep of van een arbeidshof te worden benoemd, moet men : « Art. 266. ­ Om tot hoofdgriffier van een hof van beroep of van een arbeidshof te worden benoemd, moet de kandidaat :
1º volle vijfendertig jaar oud zijn; 1º volle vijfendertig jaar oud zijn;
2º hetzij licentiaat in de rechten zijn en ten minste vijf jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte, bij de griffie van een hof, hebben uitgeoefend, hetzij houder zijn van een getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs of door de Koning gelijkwaardig verklaard onderwijs, alsmede van het getuigschrift van kandidaat-griffier en daarenboven ofwel ten minste vijf jaar het ambt van griffier bij een hof van beroep of een arbeidshof hebben uitgeoefend ofwel hoofdgriffier zijn van een rechtbank van eerste aanleg, arbeidsrechtbank of rechtbank van koophandel. » a) [...] licentiaat in de rechten zijn en ten minste vijf jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij de griffie van een hof hebben uitgeoefend;
b) of houder zijn van het getuigschrift van [...] kandidaat-griffier en daarenboven ofwel ten minste vijf jaar het ambt van griffier bij een hof van beroep of een arbeidshof hebben uitgeoefend, ofwel hoofdgriffier zijn van een rechtbank van eerste aanleg, van een arbeidsrechtbank of van een rechtbank van koophandel. »
§ 2. In hetzelfde artikel wordt het tweede lid opgeheven. [...]
Art. 34 Art. 39
§ 1. Artikel 267, § 1, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt : A rtikel 267 [...] van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :
« § 1. Om tot griffier van een hof van beroep of bij een arbeidshof benoemd te worden, moet men : « Art. 267. ­ Om tot griffier bij een hof van beroep of bij een arbeidshof benoemd te worden, moet de kandidaat :
1º volle vijfentwintig jaar oud zijn; 1º volle vijfentwintig jaar oud zijn;
2º hetzij licentiaat in de rechten zijn en ten minste één jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte, bij de griffie van een hof, een rechtbank, een vredegerecht of een politierechtbank hebben uitgeoefend, hetzij houder zijn van een getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs of door de Koning gelijkwaardig verklaard onderwijs, alsmede van het getuigschrift van kandidaat-griffier en daarenboven ten minste vijf jaar ofwel het ambt van griffier bij een rechtbank, een vredegerecht of een politierechtbank hebben uitgeoefend ofwel van adjunct-griffier bij een hof. » a) [...] licentiaat in de rechten zijn en ten minste één jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij de griffie van een hof, van een rechtbank, van een vredegerecht of van een politierechtbank hebben uitgeoefend;
b) of houder zijn van het getuigschrift van [...] kandidaat-griffier en daarenboven ten minste vijf jaar ofwel het ambt hebben uitgeoefend van griffier bij een rechtbank, een vredegerecht of een politierechtbank, ofwel van adjunct-griffier bij een hof. »
§ 2. In hetzelfde artikel wordt § 2 opgeheven. [...]
§ 3. In hetzelfde artikel worden in § 3 de woorden « en regelt de stage » geschrapt.
Art. 35 Art. 40
§ 1. Artikel 268 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt : A rtikel 268 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :
« Artikel 268. ­ Om tot hoofdgriffier van het Hof van Cassatie te worden benoemd, moet men : « Art. 268 . ­ Om tot hoofdgriffier van het Hof van cassatie te worden benoemd, moet de kandidaat :
1º volle vijfendertig jaar oud zijn; 1º volle vijfendertig jaar oud zijn;
2º hetzij licentiaat in de rechten zijn en ten minste vijf jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij de griffie van het Hof van Cassatie hebben uitgeoefend, hetzij houder zijn van een getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs of door de Koning gelijkwaardig verklaard onderwijs, alsmede van het getuigschrift van kandidaat-griffier en daarenboven ofwel ten minste vijf jaar het ambt van griffier bij het Hof van Cassatie hebben uitgeoefend ofwel hoofdgriffier zijn van een hof van beroep of een arbeidshof. » 2º [...] licentiaat in de rechten zijn en ten minste vijf jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij de griffie van een hof [...] hebben uitgeoefend. »
§ 2. In hetzelfde artikel wordt het tweede lid opgeheven. [...]
Art. 36 Art. 41
§ 1. Artikel 269, § 1, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt : A rtikel 269 [...] van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :
« § 1. Om tot griffier bij het Hof van Cassatie te worden benoemd, moet men : « Art. 269 . ­ Om tot griffier bij het Hof van Cassatie te worden benoemd, moet de kandidaat :
1º volle vijfentwintig jaar oud zijn; 1º volle vijfentwintig jaar oud zijn;
2º hetzij licentiaat in de rechten zijn en ten minste één jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte, bij de griffie van een hof hebben uitgeoefend, hetzij houder zijn van een getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs of door de Koning gelijkwaardig verklaard onderwijs, alsmede van het getuigschrift van kandidaat-griffier en daarenboven ofwel ten minste vijf jaar het ambt van griffier bij een Hof hebben uitgeoefend ofwel van adjunct-griffier bij het Hof van Cassatie of van attaché in de dienst documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van Cassatie. » a) [...] licentiaat in de rechten zijn en ten minste één jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij de griffie van een hof hebben uitgeoefend;
b) of houder zijn van het getuigschrift van [...] kandidaat-griffier en daarenboven ten minste vijf jaar ofwel het ambt van griffier bij een hof hebben uitgeoefend, ofwel van adjunct-griffier bij het Hof van Cassatie of van attaché in de dienst voor documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van Cassatie. »
§ 2. In hetzelfde artikel wordt § 2 opgeheven. [...]
§ 3. In hetzelfde artikel worden in § 3 de woorden « en regelt de stage » geschrapt.
Art. 37 Art. 42
Artikel 269bis van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt : Artikel 269bis van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :
« Artikel 269 bis. ­ Om tot adjunct-griffier bij een hof, een rechtbank, een vredegerecht of een politierechtbank benoemd te worden, moet men : « Art. 269 bis. ­ Om tot adjunct-griffier bij een gerecht te worden benoemd, moet de kandidaat :
1º volle eenentwintig jaar oud zijn; 1º volle eenentwintig jaar oud zijn;
2º hetzij licentiaat in de rechten zijn en ten minste één jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte, hebben uitgeoefend, hetzij houder zijn van een getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs of door de Koning gelijkgesteld onderwijs, alsmede van het getuigschrift van kandidaat-griffier en daarenboven ten minste drie jaar het ambt van opsteller of beambte hebben uitgeoefend bij een griffie of een parket. » a) [...] licentiaat in de rechten zijn [...];
b) of houder zijn van een diploma of een getuigschrift in aanmerking komend voor de toelating tot een ambt van het niveau 1 bij de Rijksbesturen, alsmede van het getuigschrift van kandidaat-griffier;
c) of houder zijn van een diploma of een getuigschrift in aanmerking komend voor de toelating tot een ambt van het niveau 2 bij de Rijksbesturen, alsmede van het getuigschrift van kandidaat-griffier en daarenboven ten minste drie jaar het ambt van opsteller of beambte hebben uitgeoefend bij een griffie of een parkets ecretariaat.
De benoeming tot adjunct-griffier van een persoon die voldoet aan de in het eerste lid, 2º, a) of b) bepaalde benoemingsvoorwaarden, die voordien niet ten minste één jaar een ambt ten minste gelijk aan dat van beambte bij een griffie of een parketsecretariaat heeft uitgeoefend, wordt eerst vast na één jaar ambtsvervulling.
Tijdens dat jaar kan de Koning aan het voorlopig uitgeoefende ambt een einde maken op advies, naar gelang van het geval, van de eerste voorzitter, van de voorzitter, van de vrederechter of van de rechter in de politierechtbank, dat aan de minister van Justitie rechtstreeks wordt overgezonden door de hoofdgriffier die er het zijne aan toevoegt.
Het door de Koning vastgesteld statuut is van toepassing op de voorlopig benoemde adjunct-griffier. »
Art. 43
In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 269 ter ingevoegd, luidende :
« Art. 269 ter. ­ De Koning organiseert het examen met het oog op de afgifte van het getuigschrift van kandidaat-griffier bedoeld in de artikelen 263, 264, 265, 266, 267, 269 en 269 bis. Aan dat examen kan alleen worden deelgenomen door personen die, op het tijdstip van de afsluiting der inschrijvingen, voldoen aan de in artikel 269 bis , eerste lid, 2º, b) of c), bepaalde benoemingsvoorwaarden inzake diploma en anciënniteit. »
Art. 38 Art. 44
§ 1. Artikel 270, eerste lid, 2º, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
« 2º houder zijn van een getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs of door de Koning gelijkwaardig verklaard onderwijs of gedurende ten minste drie jaar het ambt van beambte hebben uitgeoefend bij de griffie van een van voormelde rechtsmachten of bij een parket. »
§ 2. Hetzelfde artikel, eerste lid, 3º, wordt na de woorden « aan de onder 1º en 2º bepaalde benoemingsvoorwaarden voldoen » aangevuld als volgt :
« en die met goed gevolg voor voormelde examencommissie een praktijkexamen hebben afgelegd. De Koning regelt het praktijkexamen. De laureaten van het praktijkexamen van beambte zijn vrijgesteld van dit praktijkexamen. De licentiaten in de rechten en de houders van getuigschriften van kandidaat-griffier en kandidaat-secretaris zijn van het maturiteitsexamen vrijgesteld. »
§ 3. In hetzelfde artikel, eerste lid, 3º, worden de woorden « Doctors in de rechten zijn van het examen vrijgesteld » geschrapt.
Art. 3 (13)
De eerste volzin van het 3º van artikel 270, eerste lid, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
« geslaagd zijn voor een vergelijkend maturiteitsexamen ingericht door het Vast Wervingssecretariaat, en bestaande uit een mondeling en een schriftelijk gedeelte. »
A rtikel 270 [...] van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :
« Art. 270 . ­ Om tot opsteller bij de griffie van een gerecht te worden benoemd, moet de kandidaat :
1º houder zijn van een diploma of een getuigschrift in aanmerking komend voor de toelating tot een ambt van het niveau 2 bij de Rijksbesturen;
2º vast benoemd zijn en gedurende ten minste twee jaren het ambt van beambte hebben uitgeoefend bij een griffie of een parketsecretariaat;
3º geslaagd zijn voor een examen door de Koning georganiseerd voor een examencommissie die wordt ingesteld door de minister van Justitie. Aan dat examen kan alleen worden deelgenomen door personen die, op het tijdstip van de afsluiting der inschrijvingen, voldoen aan de in het 1º en het 2º bepaalde benoemingsvoorwaarden. Licentiaten in de rechten en houders van het getuigschrift van kandidaat-griffier of kandidaat-secretaris zijn van het examen vrijgesteld. »
Art. 39 Art. 45
§ 1. Artikel 271, eerste lid, 2º, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
« 2º houder zijn van een getuigschrift van lager middelbaar onderwijs of door de Koning gelijk waardig verklaard onderwijs of gedurende drie jaar bij een griffie van een van voormelde rechtsmachten werkzaam zijn geweest als bode, hetzij in een graad waaraan een wedde is verbonden waarvan de schaal ondergebracht is in niveau 4 vastgesteld bij de bepalingen tot regeling van de bezoldiging van het personeel van de ministeries. »
§ 2. In hetzelfde artikel, eerste lid, 3º, worden de woorden « Doctors of licentiaten in de rechten zijn van het examen vrijgesteld » vervangen door de volgende bepaling : « Licentiaten in de rechten, houders van het getuigschrift van kandidaat-griffier of kandidaat-secretaris en de laureaten van het maturiteitsexamen van opsteller, zijn van het examen vrijgesteld. »
§ 3. In hetzelfde artikel, 4º, worden de woorden « over de dactylografie » geschrapt.
§ 4. Hetzelfde artikel, eerste lid, 4º, wordt aangevuld als volgt :
« De Koning regelt het praktijkexamen. De laureaten van het praktijkexamen van opsteller zijn vrijgesteld van dit praktijkexamen. »
Art. 4 (14)
De eerste volzin van het 3º van artikel 271, eerste lid, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
« geslaagd zijn voor een door het Vast Wervingssecretariaat ingericht vergelijkend maturiteitsexamen, bestaande uit een mondeling en een schriftelijk gedeelte. »
In artikel 271 [...] van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1º in het eerste lid worden het 2º, het 3º en het 4º vervangen door de volgende bepaling :
« 2º geslaagd zijn voor een vergelijkend examen door de Koning georganiseerd voor een examencommissie die wordt ingesteld door de minister van Justitie . Licentiaten in de rechten en houders van het getuigschrift van kandidaat-griffier of kandidaat-secretaris [...] zijn van het vergelijkend examen vrijgesteld. »
2º het derde lid wordt vervangen door de volgende bepaling :
« Tijdens dat jaar kunnen de ministers die bevoegd zijn voor de Arbeid en de Justitie, wat de arbeidshoven en de arbeidsrechtbanken betreft, en de minister van Justitie, wat het Hof van Cassatie en de andere hoven en rechtbanken betreft, aan het voorlopig uitgeoefende ambt een einde maken op advies van de hoofdgriffier, die het rechtstreeks aan de bevoegde minister overzendt. »
Art. 5 (15) Art. 46
Artikel 272, eerste lid, 2º, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt : Artikel 272, eerste lid, 2º, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :
2º geslaagd zijn voor een bekwaamheidsexamen ingericht door het Vast Wervingssecretariaat. » « 2º geslaagd zijn voor een vergelijkend examen door de Koning georganiseerd voor een examencommissie die wordt ingesteld door de minister van Justitie. »
Art. 47
In deel II, boek I, titel VI, van hetzelfde Wetboek wordt een hoofdstuk VII bis ingevoegd, luidende :
« Hoofdstuk VII bis . Bemiddelingsadviseurs en -assistenten
Art. 272 bis. ­ Om tot bemiddelingsadviseur bij het parket van het Hof van beroep te worden benoemd, moet de kandidaat :
a) houder zijn van een diploma van licentiaat in de rechten, in de criminologie, in de psychologie of in de pedagogie uitgereikt door een universiteit of van een door de Koning gelijkgesteld universitair diploma van licentiaat;
b) of vast benoemd zijn en gedurende ten minste drie jaar het ambt van bemiddelingsassistent hebben uitgeoefend bij het parket van de procureur des Konings;
2º geslaagd zijn voor een examen door de Koning georganiseerd voor een examencommissie die wordt ingesteld door de minister van Justitie. Aan dat examen kan alleen worden deelgenomen door personen die, op het tijdstip van de afsluiting der inschrijvingen, voldoen aan de in het 1º bepaalde benoemingsvoorwaarden.
De benoeming tot bemiddelingsadviseur van een persoon die voordien niet ten minste één jaar het ambt van bemiddelingsassistent bij het parket van de procureur des Konings heeft uitgeoefend, wordt eerst vast na één jaar ambtsvervulling.
Tijdens dat jaar kan de Koning op advies van de procureur-generaal een einde maken aan het voorlopig uitgeoefende ambt.
Het door de Koning vastgesteld statuut is van toepassing op de voorlopig benoemde bemiddelingsadviseur.
Art. 272 ter. ­ Om tot bemiddelingsassistent bij het parket van de procureur des Konings te worden benoemd, moet de kandidaat :
1º volle eenentwintig jaar oud zijn;
2º houder zijn van een diploma van maatschappelijk assistent of van sociale verpleegkunde, uitgereikt door een door de Gemeenschappen opgerichte, gesubsidieerde of erkende onderwijsinstelling of door een van overheidswege samengestelde examencommissie, of van een door de Koning gelijkgesteld diploma;
3º geslaagd zijn voor een vergelijkend examen door de Koning georganiseerd voor een examencommissie die wordt ingesteld door de minister van Justitie. Aan dat vergelijkend examen kan alleen worden deelgenomen door personen die, op het tijdstip van de afsluiting der inschrijvingen, voldoen aan de in het 2º bepaalde benoemingsvoorwaarde.
De benoeming van een bemiddelingsassistent wordt eerst vast na één jaar ambstvervulling.
Tijdens dat jaar kan de minister van Justitie aan het voorlopig uitgeoefende ambt een einde maken op advies van de procureur des Konings.
Het door de Koning vastgesteld statuut is van toepassing op de voorlopig benoemde bemiddelingsassistent. »
Art. 40 Art. 48
In artikel 273 van hetzelfde Wetboek worden de woorden « adjunct-secretarissen », « klerken-secretarissen » en « secretaris » vervangen door de woorden « secretarissen », respectievelijk « adjunct-secretarissen » en « hoofdsecretaris ». In artikel 273 van hetzelfde Wetboek worden de woorden « adjunct-secretarissen », « klerken-secretarissen » en « secretaris » vervangen respectievelijk door de woorden « secretarissen », « adjunct-secretarissen » en « hoofdsecretaris ».
Art. 41 Art. 49
Artikel 274 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt : Artikel 274 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :
« Artikel 274. ­ Om tot hoofdsecretaris van het parket van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur benoemd te worden, moet men : « « Art. 274. ­ Om tot hoofdsecretaris van het parket van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur te worden benoemd, moet de kandidaat :
1º volle vijfendertig jaar oud zijn; 1º volle vijfendertig jaar oud zijn;
2º hetzij licentiaat in de rechten zijn en ten minste vijf jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij het parket hebben uitgeoefend, hetzij houder zijn van het getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs of door de Koning gelijkwaardig verklaard onderwijs, alsmede van het getuigschrift van kandidaat-secretaris en daarenboven ten minste vijf jaar het ambt van secretaris bij het parket of het auditoraat hebben uitgeoefend. » a) [...] licentiaat in de rechten zijn en ten minste vijf jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij het parketsecretariaat hebben uitgeoefend;
b) of houder zijn van het getuigschrift van [...] kandidaat-secretaris en daarenboven ten minste tien jaar het ambt van secretaris of adjunct-secretaris bij het parket of het auditoraat hebben uitgeoefend. »
Art. 42 Art. 50
Artikel 275 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt : Artikel 275 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :
« Artikel 275. ­ § 1. Om tot secretaris bij het parket van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur benoemd te worden, moet men : « Art. 275. ­ Om tot secretaris bij het parket van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur te worden benoemd, moet de kandidaat :
1º volle vijfentwintig jaar oud zijn : 1º volle vijfentwintig jaar oud zijn;
2º hetzij licentiaat in de rechten zijn en ten minste één jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij het parket, hebben uitgeoefend, hetzij houder zijn van een getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs of door de Koning gelijkwaardig verklaard onderwijs, alsmede van het getuigschrift van kandidaat-secretaris en daarenboven ofwel adjunct-secretaris zijn bij een parket of auditoraat, ofwel ten minste vijf jaar het ambt van vertaler, opsteller of beambte hebben uitgeoefend bij een parket of auditoraat. a) [...] licentiaat in de rechten zijn en ten minste één jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij het parketsecretariaat hebben uitgeoefend;
b) of houder zijn van het getuigschrift van [...] kandidaat-secretaris en daarenboven ofwel adjunct-secretaris zijn bij een parket of een auditoraat, ofwel ten minste vijf jaar het ambt van vertaler, opsteller of beambte hebben uitgeoefend bij een secretariaat van het parket of van het auditoraat. »
§ 2. De Koning bepaalt onder welke voorwaarden het getuigschrift van kandidaat-secretaris wordt uitgereikt. » [...]
Art. 43 Art. 51
Artikel 276 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt : Artikel 276 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :
« Artikel 276. ­ Om tot hoofdsecretaris van het parket bij een hof van beroep of een arbeidshof te worden benoemd, moet men : « Art. 276. ­ Om tot hoofdsecretaris van het parket van een hof van beroep of van een arbeidshof te worden benoemd, moet de kandidaat :
1º volle vijfendertig jaar oud zijn; 1º volle vijfendertig jaar oud zijn;
2º hetzij licentiaat in de rechten zijn om ten minste vijf jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij het parket van een hof, hebben uitgeoefend, hetzij houder zijn van een getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs of door de Koning getuigschrift van kandidaat-secretaris en daarenboven ofwel ten minste vijf jaar het ambt van secretaris bij het parket van een hof hebben uitgeoefend, ofwel hoofdsecretaris zijn van het parket van de procureur des Konings of de arbeidsauditeur. » a) [...] licentiaat in de rechten zijn en ten minste vijf jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij het parketsecretariaat van een hof hebben uitgeoefend;
b) of houder zijn van het getuigschrift van [...] kandidaat-secretaris en daarenboven ofwel ten minste vijf jaar het ambt van secretaris bij het parket van een hof hebben uitgeoefend, ofwel hoofdsecretaris zijn van het parket van de procureur des Konings of de arbeidsauditeur. »
Art. 44 Art. 52
Artikel 277 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt : Artikel 277 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :
« Artikel 277. ­ § 1. Om tot secretaris bij het parket bij een hof van beroep of een arbeidshof te worden benoemd, moet men : « Art. 277. ­ Om tot secretaris bij het parket van een hof van beroep of van een arbeidshof te worden benoemd, moet de kandidaat :
1º volle vijfentwintig jaar oud zijn; 1º volle vijfentwintig jaar oud zijn;
2º hetzij licentiaat in de rechten zijn en ten minste één jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij het parket, hebben uitgeoefend, hetzij houder zijn van een getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs of door de Koning gelijkwaardig verklaard onderwijs, alsmede van het getuigschrift van kandidaat-secretaris en daarenboven ten minste vijf jaar ofwel het ambt van secretaris bij een parket of auditoraat hebben uitgeoefend, ofwel van adjunct-secretaris bij het parket bij een hof. a) [...] licentiaat in de rechten zijn en ten minste één jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij het parketsecretariaat hebben uitgeoefend;
b) of houder zijn van het getuigschrift van [...] kandidaat-secretaris en daarenboven ten minste vijf jaar het ambt ofwel van secretaris bij een parket of een auditoraat hebben uitgeoefend, ofwel van adjunct-secretaris bij het parket van een hof. »
§ 2. De Koning bepaalt onder welke voorwaarden het getuigschrift van kandidaat-secretaris wordt uitgereikt. » [...]
Art. 45 Art. 53
Artikel 278 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt : Artikel 278 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :
« Artikel 278. ­ Om tot hoofdsecretaris van een parket van het Hof van Cassatie te worden benoemd, moet men : « Art. 278. ­ Om tot hoofdsecretaris van het parket van het Hof van Cassatie te worden benoemd, moet de kandidaat :
1º volle vijfendertig jaar oud zijn; 1º volle vijfendertig jaar oud zijn;
2º hetzij licentiaat in de rechten zijn en ten minste vijf jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij het Hof van Cassatie hebben uitgeoefend, hetzij houder zijn van het getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs of door de Koning gelijkwaardig verklaard onderwijs, alsmede van het getuigschrift van kandidaat-secretaris en daarenboven ofwel vijf jaar het ambt van secretaris bij het Hof van Cassatie hebben uitgeoefend, ofwel hoofdsecretaris zijn van het parket van een hof. » a) [...] licentiaat in de rechten zijn en ten minste vijf jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij het parketsecretariaat van een hof hebben uitgeoefend;
b) of houder zijn van het getuigschrift van [...] kandidaat-secretaris en daarenboven ofwel vijf jaar het ambt van secretaris bij het parket van het Hof van Cassatie hebben uitgeoefend, ofwel hoofdsecretaris zijn van het parket van een hof. »
Art. 46 Art. 54
Artikel 279 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt : Artikel 279 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :
« Artikel 279. ­ § 1. Om tot secretaris bij het parket van Hof van Cassatie te worden benoemd, moet men : « Art. 279. ­ Om tot secretaris bij het parket van het Hof van Cassatie te worden benoemd, moet de kandidaat :
1º volle vijfentwintig jaar oud zijn; 1º volle vijfentwintig jaar oud zijn;
2º hetzij licentiaat in de rechten zijn en ten minste één jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij het parket van een hof hebben uitgeoefend, hetzij houder zijn van het getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs of door de Koning gelijkwaardig verklaard onderwijs, alsmede van het getuigschrift van kandidaat-secretaris en daarenboven ofwel ten minste vijf jaar het ambt van secretaris bij het parket van een hof hebben uitgeoefend, ofwel van adjunt-secretaris bij het parket van het Hof van Cassatie. a) [...] licentiaat in de rechten zijn en ten minste één jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij het parketsecretariaat van een hof hebben uitgeoefend;
b) of houder zijn van het getuigschrift van [...] kandidaat-secretaris en daarenboven ten minste vijf jaar het ambt ofwel van secretaris bij het parket van een hof hebben uitgeoefend, ofwel van adjunct-secretaris bij het parket van het Hof van Cassatie. »
§ 2. De Koning bepaalt onder welke voorwaarden het getuigschrift van kandidaat-secretaris wordt uitgereikt. » [...]
Art. 47 Art. 55
Artikel 280 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt : Artikel 280 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :
« Artikel 280. ­ Om tot adjunct-secretaris bij een parket te worden benoemd, moet men : « Art. 280. ­ Om tot adjunct-secretaris bij het parket te worden benoemd, moet de kandidaat :
1º volle eenentwintig jaar oud zijn; 1º volle eenentwintig jaar oud zijn;
2º hetzij licentiaat in de rechten zijn en ten minste één jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij het parket hebben uitgeoefend, hetzij houder zijn van het getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs of door de Koning gelijkgesteld onderwijs, alsmede van het getuigschrift van kandidaat-secretaris en daarenboven ten minste drie jaar het ambt van opsteller of beambte hebben uitgeoefend bij een parket of een griffie. » a) [...] licentiaat in de rechten zijn [...];
b) of houder zijn van een diploma of een getuigschrift in aanmerking komend voor de toelating tot een ambt van het niveau 1 bij de Rijksbesturen, alsmede van het getuigschrift van kandidaat-secretaris;
c) of houder zijn van een diploma of een getuigschrift in aanmerking komend voor de toelating tot een ambt van het niveau 2 bij de Rijksbesturen, alsmede van het getuigschrift van kandidaat-secretaris en daarenboven ten minste drie jaar het ambt van opsteller of beambte hebben uitgeoefend bij een griffie of een parketsecretariaat.
De benoeming tot adjunct-secretaris van een persoon die voldoet aan de in het eerste lid, 2º, a) of b) bepaalde benoemingsvoorwaarden, die voordien niet ten minste één jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij een griffie of een parketsecretariaat heeft uitgeoefend, wordt eerst vast na één jaar ambtsvervulling.
Tijdens dat jaar kan de Koning aan het voorlopig uitgeoefende ambt een einde maken op advies, naar gelang van het geval, van de procureur-generaal, van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur, dat aan de minister van Justitie rechtstreeks wordt overgezonden door de hoofdsecretaris, die er het zijne aan toevoegt.
Het door de Koning vastgesteld statuut is van toepassing op de voorlopig benoemde adjunct-secretaris. »
Art. 56
In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 280 bis ingevoegd, luidende :
« Art. 280 bis. ­ De Koning organiseert het examen met het oog op de afgifte van het getuigschrift van kandidaat-secretaris bedoeld in de artikelen 274, 275, 276, 277, 278, 279 en 280. Aan dat examen kan alleen worden deelgenomen door personen die, op het tijdstip van de afsluiting der inschrijvingen, voldoen aan de in artikel 280, eerste lid, 2º, b) of c) bepaalde benoemingsvoorwaarden inzake diploma en anciënniteit. »
Art. 7 (16) Art. 57
Artikel 281, § 3, eerste lid, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt : In artikel 281, § 3, [...] van hetzelfde Wetboek worden het eerste en het tweede lid vervangen door de volgende leden :
« De in de §§ 1 en 2 bedoelde examens zijn vergelijkend en worden ingericht door het Vast Wervingssecretariaat. » « De in de §§ 1 en 2 bedoelde examens zijn vergelijkend en worden door de Koning georganiseerd voor een examencommissie die wordt ingesteld door de minister van Justitie.
De benoeming van een vertaler die voordien niet ten minste één jaar als beambte werkzaam is geweest, wordt eerst vast na een jaar ambtsvervulling.
Tijdens dat jaar kan de minister van Justitie aan het voorlopig uitgeoefende ambt een einde maken op advies van de hoofdsecretaris, die het hem rechtstreeks overzendt. »
Art. 48 Art. 58
§ 1. Artikel 282, eerste lid, 2º, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
« 2º houder zijn van een getuigschrift van hoger middelbaar of door de Koning gelijkwaardig verklaard onderwijs of gedurende ten minste drie jaar het ambt van beambte hebben uitgeoefend bij een parket of bij de griffie van een vredegerecht, een politierechtbank, een rechtbank van eerste aanleg, een arbeidsrechtbank, een rechtbank van koophandel, een hof van beroep, een arbeidshof of het Hof van Cassatie. »
§ 2. Hetzelfde artikel, eerste lid, 3º, wordt na de woorden « aan de onder 1º en 2º bepaalde benoemingsvoorwaarden voldoen », aangevuld als volgt :
« en die met goed gevolg voor voormelde examencommissie een praktijkexamen hebben afgelegd. De Koning regelt het praktijkexamen. De laureaten van het praktijkexamen van beambte zijn vrijgesteld van dit praktijkexamen. De licentiaten in de rechten en de houders van getuigschriften van kandidaat-griffier of kandidaat-secretaris zijn van het maturiteitsexamen vrijgesteld. »
§ 3. In hetzelfde artikel, eerste lid, 3º, worden de woorden « Doctors in de rechten zijn van het examen vrijgesteld » geschrapt.
Art. 8 (17)
De eerste volzin van het 3º van artikel 282, eerste lid, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
« geslaagd zijn voor een door het Vast Wervingssecretariaat ingericht vergelijkend maturiteitsexamen, bestaande uit een mondeling en een schriftelijk gedeelte. »
Artikel 282 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :
« Art. 282. ­ Om tot opsteller bij het parket-secretariaat te worden benoemd, moet de kandidaat :
1º houder zijn van een diploma of een getuigschrift in aanmerking komend voor de toelating tot een ambt van het niveau 2 bij de Rijksbesturen;
2º vast benoemd zijn en gedurende ten minste twee jaar het ambt van beambte hebben uitgeoefend bij een griffie of een parketsecretariaat;
3º geslaagd zijn voor een examen door de Koning georganiseerd voor een examencommissie die wordt ingesteld door de minister van Justitie. Aan dat examen kan alleen worden deelgenomen door personen die, op het tijdstip van de afsluiting der inschrijvingen, voldoen aan de in het 1º en het 2º bepaalde benoemingsvoorwaarden. Licentiaten in de rechten en houders van het getuigschrift van kandidaat-griffier of kandidaat-secretaris zijn van het examen vrijgesteld. »
Art. 49 Art. 59
§ 1. Artikel 283, eerste lid, 2º, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
« 2º houder zijn van een getuigschrift van lager middelbaar onderwijs of door de Koning gelijkwaardig verklaard onderwijs en gedurende drie jaar bij een parket werkzaam zijn geweest als bode, hetzij in een graad waarvoor een bijzondere beroepsbekwaamheid vereist is en waaraan een wedde is verbonden waarvan de schaal ondergebracht is in niveau 4, vastgesteld bij de bepalingen tot regeling van de bezoldiging van het personeel der ministeries. »
§ 2. In hetzelfde artikel, eerste lid, 3º, worden de woorden « Doctors en licentiaten in de rechten zijn van het examen vrijgesteld » vervangen door de volgende bepaling : « Licentiaten in de rechten, houders van het getuigschrift van kandidaat-griffier of kandidaat-secretaris en de laureaten van het maturiteitsexamen van opsteller, zijn van het examen vrijgesteld. »
§ 3. In hetzelfde artikel, eerste lid, 4º, worden de woorden « over de dactylografie » geschrapt.
§ 4. Hetzelfde artikel, eerste lid, 4º, wordt aangevuld als volgt :
« De Koning regelt het praktijkexamen. De laureaten van het praktijkexamen van opsteller zijn vrijgesteld van dit praktijkexamen. »
Art. 9 (18)
De eerste volzin van het 3º van artikel 283, eerste lid, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
« geslaagd zijn voor een door het Vast Wervingssecretariaat ingericht vergelijkend maturiteitsexamen, bestaande uit een mondeling en een schriftelijk gedeelte. »
In artikel 283 [...] van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1º in het eerste lid worden het 2º, het 3º en het 4º vervangen door de volgende bepaling :
« 2º geslaagd zijn voor een vergelijkend examen door de Koning georganiseerd voor een examencommissie die wordt ingesteld door de minister van Justitie. Licentiaten in de rechten en houders van het getuigschrift van kandidaat-griffier of kandidaat-secretaris [...] zijn van het vergelijkend examen vrijgesteld. »
2º het tweede lid wordt vervangen door de volgende bepaling :
« De benoeming van een beambte wordt eerst vast na één jaar ambtsvervulling.
Tijdens dat jaar kan de minister van Justitie aan het voorlopig uitgeoefende ambt een einde maken op advies van de hoofdsecretaris, die het hem rechtstreeks overzendt. »
[...]
Art. 10 (19) Art. 60
Artikel 284, eerste lid, 2º, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt : Artikel 284, eerste lid, 2º, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :
« 2º voor een vergelijkend bekwaamheidsexamen geslaagd zijn, dat wordt ingericht door het Vast Wervingssecretariaat. » « 2º geslaagd zijn voor een vergelijkend examen door de Koning georganiseerd voor een examencommissie die wordt ingesteld door de minister van Justitie. »
Art. 50 Art. 61
Artikel 284bis van hetzelfde Wetboek wordt opgeheven. Artikel 284bis van hetzelfde Wetboek wordt opgeheven.
Art. 62
Artikel 285, derde lid, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :
« Het in het tweede lid, 3º, bedoelde examen is vergelijkend en wordt door de Koning georganiseerd voor een examencommissie die wordt ingesteld door de minister van Justitie. »
Art. 63
In deel II, boek I, titel VI, hoofdstuk X, van hetzelfde Wetboek wordt een artikel 285 bis ingevoegd, luidende :
« Art. 285 bis. ­ De geslaagden van een vergelijkend wervingsexamen, als bedoeld in de artikelen 185, eerste lid, 271, 272, 272 ter , 281, 283, 284 en 285, behouden het voordeel van hun goede uitslag gedurende drie jaar te rekenen van de datum van het proces-verbaal van het vergelijkend examen.
De minister van Justitie kan niettemin de geldigheidsduur van de wervingsreserves voor maximum twee periodes van één jaar verlengen.
Onder geslaagden van twee of meer vergelijkende wervingsexamens wordt voorrang verleend aan de geslaagden van het vergelijkend examen waarvan het proces-verbaal op de verst afgelegen datum is afgesloten. »
Art. 64
In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 286 bis ingevoegd, luidende :
« Art. 286 bis. ­ Voor de benoeming van een attaché bedoeld in artikel 136, van een bemiddelingsassistent, een vertaler, een beambte, een bode, alsook voor de benoeming in een graad ingesteld overeenkomstig artikel 185, eerste lid, worden telkens op gelijkwaardige wijze in aanmerking genomen :
1º de kandidatuur van degene die als eerste geslaagd is voor het desbetreffend vergelijkend wervingsexamen;
2º de kandidatuur van de geslaagden van het desbetreffend vergelijkend wervingsexamen, die minder gunstig zijn gerangschikt doch op grond van een arbeidsovereenkomst deze functies reeds vervullen op de plaats waar de betrekking is opengevallen, op voorwaarde dat zij op het ogenblik van de bekendmaking van de vacature reeds één jaar in dienst zijn en een beoordeling met vermelding « zeer goed » hebben gekregen als bedoeld in artikel 287 ter ;
3º de kandidatuur van hen die reeds tot een zelfde ambt zijn benoemd in een andere griffie, een ander parket of een ander parketsecretariaat;
4º de kandidatuur van de personen die met toepassing van de bepalingen van dit Wetboek zijn vrijgesteld van het desbetreffend vergelijkend wervingsexamen. »
Art. 51 Art. 65
Artikel 287 van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met het volgende lid : In artikel 287 van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1º in het eerste lid worden de woorden « twee maanden » vervangen door de woorden « één maand »;
« Deze bepaling is eveneens van toepassing op het personeel van de griffies en de parketten. » 2º er wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende :
« Deze bepaling is eveneens van toepassing op de ambten bedoeld in de hoofdstukken VII, VII bis, VIII en IX van deze titel, alsook op die ingesteld door de Koning overeenkomstig artikel 185, eerste lid. »
Art. 6 (20) Art. 66
In deel II, boek I, titel VI, hoofdstuk X, van het Gerechtelijk Wetboek worden de artikelen 287bis , 287ter en 287quater ingevoegd, luidende : In deel II, boek I, titel VI, hoofdstuk X, van hetzelfde Wetboek worden de artikelen 286bis , 287ter en 287quater ingevoegd, luidende :
« Art. 287 bis. ­ § 1. Voor de benoemingen bedoeld in de artikelen 260 en 273 tot en met 280, stelt de minister van Justitie een profielomschrijving op die beantwoordt aan de algemene en specifieke vereisten eigen aan het ambt. Op voorstel van de dienstoverste of de magistraat-korpsoverste van de griffie of het parket waar de betrekking is opengevallen, kan de profielomschrijving worden aangepast aan de vereisten eigen aan de dienst.
§ 2. Voor dezelfde benoemingen als bedoeld in § 1 wint de minister van Justitie het advies in over de voorgestelde kandidaat bij de dienstoverste en de magistraat-korpsoverste van de rechtsmacht waar de kandidaat was tewerkgesteld. « Art. 287 bis. ­ § 1. Voor de benoemingen bedoeld in de artikelen 263, § 1, 264, 266 en 268 wint de minister van Justitie het advies in van de magistraat-korpschef van het gerecht waar de benoeming dient te geschieden. Deze zendt hem dat advies rechtstreeks over en voegt, naar gelang van het geval, dat van de procureur des Konings, van de arbeidsauditeur of van de procureur-generaal eraan toe.
Over de voorgestelde kandidatuur voor het ambt van hoofdgriffier of secretaris wint de minister van Justitie ook het advies in bij de magistraat-korpsoverste van de rechtsmacht waar de betrekking is opengevallen. Voor de benoemingen bedoeld in de artikelen 272 bis , 272 ter, 274, 276 en 278 wint de minister van Justitie het advies in van de magistraat-korpschef van het parket bij het gerecht waar de benoeming dient te geschieden. Deze magistraat zendt zijn advies rechtstreeks over aan de minister.
Voor de benoemingen bedoeld in de artikelen 263, § 2, 265, 267, 269 en 269 bis en onverminderd de bepalingen van artikel 262 wint de minister van Justitie voor alle kandidaturen het advies in van de hoofdgriffier van het gerecht waar de benoeming dient te geschieden. Deze zendt zijn advies rechtstreeks over aan de minister en voegt er het advies van de magistraat-korpschef van het desbetreffende gerecht aan toe.
Voor de benoemingen bedoeld in de artikelen 275, 277, 279 en 280 en onverminderd de bepalingen van artikel 273 wint de minister van Justitie voor alle kandidaturen het advies in van de hoofdsecretaris van het parket bij het gerecht waar de benoeming dient te geschieden. Deze zendt zijn advies rechtstreeks over aan de minister en voegt er het advies, naar gelang van het geval, van de bevoegde procureur-generaal, procureur des Konings of arbeidsauditeur aan toe.
Voor de benoemingen bedoeld in de artikelen 270 tot 272 winnen de minister van Justitie en, wat de arbeidshoven en de arbeidsrechtbanken betreft, de minister die bevoegd is voor de Arbeid, het advies in van de hoofdgriffier van het gerecht waar de benoeming dient te geschieden. Deze zendt zijn advies rechtstreeks over aan de betrokken minister.
Voor de benoemingen bedoeld in de artikelen 281 tot 284 wint de minister van Justitie het advies in van de hoofdsecretaris van het parket bij het gerecht waar de benoeming dient te geschieden. Deze zendt zijn advies rechtstreeks over aan de minister.
§ 3. Het advies antwoordt op de profielomschrijving, en belicht de vorming, de ervaring en de kwaliteiten van de kandidaat in de optiek van diens geschiktheid voor het vacante ambt; het wordt gestaafd door de notities en de eindkwoteringen opgenomen in diens drie laatste beoordelingsstaten. § 2. Het advies wordt gemotiveerd. Het belicht de vorming, de ervaring, de kwaliteiten van de kandidaat en zijn bekwaamheid om het vacante ambt uit te oefenen; het wordt, in voorkomend geval, gestaafd door de notities en de eindvermelding opgenomen in zijn beoordelingsstaat.
§ 4. De adviezen worden medegedeeld door de dienstoverste en de magistraat-korpsoverste, naar gelang van het geval aan de eerste voorzitter of aan de procureur-generaal, binnen de termijn van één maand na de ontvangst van het verzoek om advies.
De eerste voorzitter of de procureur-generaal geeft de kandidaat schriftelijk kennis van zijn recht om het adviesdossier gedurende 10 dagen in te zien.
De betrokken kandidaat beschikt over een bijkomende termijn van 10 dagen om zijn schriftelijke bemerkingen aan de eerste voorzitter of de procureur-generaal, naargelang van het geval, te laten geworden, die ze aan het adviesdossier toevoegt.
§ 3. De eindconclusies van het advies worden ter kennis gebracht van de betrokken kandidaat door de procureur-generaal, de procureur des Konings, de arbeidsauditeur, de hoofdgriffier of de hoofdsecretaris van het parket die overeenkomstig § 1 de adviezen aan de bevoegde minister overzendt. De kandidaat beschikt over een termijn van tien dagen om kennis te nemen van het volledig advies.
Oordeelt de betrokken kandidaat dat ernstige redenen voorhanden zijn, dan kan hij bovendien verhaal instellen uiterlijk 10 dagen na het verstrijken van de inzagetermijn bij wijze van een schriftelijk bezwaarschrift gericht aan de raad van beroep; hiervan wordt een ontvangstbewijs afgeleverd. Oordeelt de betrokken kandidaat dat daartoe ernstige redenen voorhanden zijn, dan kan hij binnen dezelfde termijn aan de bevoegde raad van beroep een schriftelijk verzoek richten om het advies te wijzigen. Hiervan wordt hem een ontvangstbewijs afgegeven.
De kandidaat doet, met dezelfde post, een afschrift van zijn verzoek toekomen aan de magistraat, hoofdgriffier of hoofdsecretaris, die belast is met het overzenden van het advies aan de minister van Justitie. Het adviesdossier wordt binnen achtenveertig uur na ontvangst van dat afschrift aan de raad van beroep medegedeeld.
§ 4. De adviezen worden aan de minister van Justitie of aan de minister die bevoegd is voor de Arbeid, medegedeeld binnen veertig dagen te rekenen van de datum van ontvangst van het verzoek om advies of, indien de betrokken kandidaat gebruik heeft gemaakt van de in het tweede lid van § 3 bedoelde mogelijkheid, binnen dertig dagen te rekenen van de datum van ontvangst van het bezwaarschrift door de bevoegde raad van beroep.
§ 5. De adviezen bedoeld in de §§ 1 en 2 zijn vereist op straffe van nietigheid van het benoemingsbesluit.
Artikel 287ter. ­ § 1. Jaarlijks wordt een beoordelingsstaat opgemaakt van alle personeelsleden van de griffies en de parketten, zoals vermeld in de artikelen 260 en 270 tot en met 285. Art. 287 ter. ­ § 1. Om de twee jaar wordt een beoordelingsstaat opgemaakt van alle personeelsleden die een graad bekleden, bedoeld in hoofdstukken VI, VII, VII bis , VIII en IX van deze titel, alsook die ingesteld door de Koning, overeenkomstig artikel 185, eerste lid.
Het bepaalde in het eerste lid is van toepassing op het bij arbeidsovereenkomst in dienst genomen personeel.
In de beoordelingsstaat drukt de dienstoverste zijn opvatting uit omtrent de waarde en de houding van het personeelslid, met behulp van beschrijvende formules overeenkomstig de aangebrachte aanduidingen. De Koning bepaalt het model van deze beoordelingsstaat en de verplichte rubrieken. In de beoordelingsstaat geeft het diensthoofd zijn mening te kennen omtrent de waarde en de houding van het personeelslid, met behulp van beschrijvende formules overeenkomstig de aangebrachte aanduidingen. De beoordeling wordt uitgedrukt door middel van een van de volgende vermeldingen : « zeer goed », « goed » of « onvoldoende ». De Koning stelt nadere regels voor de toepassing van deze bepalingen.
Onder « diensthoofd », wordt verstaan :
1º voor de hoofdgriffiers, de hoofdsecretarissen en de attachés bedoeld in artikel 136, naar gelang van het geval, de procureur-generaal, de procureur des Konings of de arbeidsauditeur;
2º voor de bemiddelingsadviseurs en -assistenten, respectievelijk de procureur-generaal en de procureur des Konings;
3º voor de leden van de griffies, de leden van de parketsecretariaten, het personeel van de griffies en van de parketsecretariaten, alsook voor de personeelsleden die een graad bekleden ingesteld door de Koning overeenkomstig artikel 185, eerste lid, naar gelang van het geval, de hoofdgriffier of de hoofdsecretaris.
Het diensthoofd kan zijn bevoegdheden overdragen volgens nadere regels gesteld door de Koning.
Zodra de dienstoverste de beoordelingsstaat heeft geformuleerd legt hij deze voor aan de magistraat-korpsoverste van zijn rechtsmacht. De magistraat-korpsoverste viseert de beoordelingsstaat. De korpsoverste is gemachtigd een bijkomend of afwijkend advies toe te voegen indien hij meent dat de beoordeling geformuleerd door de dienstoverste onvolledig of onnauwkeurig is gebleven.
De beoordelingsstaat over de hoofdgriffier of secretaris van het parket wordt opgemaakt door diens toezichthoudende hiërarchische overste. De beoordelingsstaat van de hoofdgriffier wordt geviseerd door de magistraat-korpsoverste van de rechtsmacht waar hij zijn ambt vervult.
§ 2. Wat de hoofdgriffiers en de attachés bedoeld in artikel 136 betreft, maakt, naar gelang van het geval, de procureur-generaal, de procureur des Konings of de arbeidsauditeur een voorlopige beoordeling op en legt deze voor aan de magistraat-korpschef van het desbetreffende gerecht, die deze viseert en er in voorkomend geval een bijkomend advies aan toevoegt. De procureur-generaal, de procureur des Konings of de arbeidsauditeur, naar gelang van het geval, maakt een definitieve beoordeling op.
Wat de leden van de griffies betreft, maakt de hoofdgriffier een voorlopige beoordeling op, die hij aan de bevoegde procureur-generaal, procureur des Konings of arbeidsauditeur voorlegt. Deze magistraat viseert de beoordeling en voegt er in voorkomend geval een bijkomend advies aan toe. Hij verzoekt de magistraat-korpschef van het gerecht waar het lid van de griffie zijn ambt vervult, hetzelfde te doen en zendt daarna de beoordelingsstaat en, in voorkomend geval, de adviezen terug aan de hoofdgriffier die de definitieve beoordeling opmaakt.
Wat de leden van de parketsecretariaten betreft, maakt de hoofdsecretaris een voorlopige beoordeling op, die hij aan de bevoegde procureur-generaal, procureur des Konings of arbeidsauditeur voorlegt. Deze magistraat viseert de beoordeling en voegt er in voorkomend geval een bijkomend advies aan toe. De hoofdsecretaris maakt daarna een definitieve beoordeling op.
§ 2. Na te zijn geviseerd door de magistraat-korpsoverste wordt de beoordelingsstaat door de dienstoverste ter kennis gebracht van het betrokken personeelslid. § 3. De definitieve beoordelingsstaat wordt door het diensthoofd ter kennis gebracht van het betrokken personeelslid.
De betrokkene beschikt over een termijn van 10 dagen om een bezwaarschrift in te dienen bij de raad van beroep en te vragen gehoord te worden. De betrokkene beschikt over een termijn van tien dagen om een bezwaarschrift in te dienen bij de bevoegde raad van beroep en te vragen gehoord te worden. Hij stuurt met dezelfde post een afschrift van zijn bezwaarschrift naar het diensthoofd dat de beoordelingsstaat opgemaakt heeft. Deze zendt de beoordelingsstaat, eventueel met een bijkomende schriftelijke verantwoording van de hiërarchische meerderen, aan de raad van beroep over binnen achtenveertig uur na ontvangst van dat afschrift.
De raad van beroep deelt het advies mee aan het betrokken diensthoofd binnen veertig dagen te rekenen van de datum van ontvangst van het bezwaarschrift en stelt bij aangetekende brief het betrokken personeelslid ervan in kennis.
Dat advies is definitief en wordt toegevoegd aan de beoordelingsstaat.
§ 3. De staten worden elk jaar in de loop van de maand september opgemaakt; zij worden uiterlijk op 15 oktober ter kennisgeving voorgelegd aan de belanghebbenden.
De beoordelingsstaat kan pas voor de eerste maal worden opgemaakt, na ten minste drie maanden effectieve dienst in de griffie of het parket waar belanghebbende is tewerkgesteld.
§ 4. De beoordelingsstaat wordt voor de eerste maal opgemaakt tussen de negende en de twaalfde maand effectieve dienst.
De beoordeling slaat terug op de voorbije periode sinds de indiensttreding of de vorige beoordelingsstaat.
Ter gelegenheid van de overgang van een personeelslid naar een andere gerechtelijke dienst behoort het aan de vorige dienstchef om binnen de maand de jongste drie beoordelingsstaten van het gewezen personeelslid vertrouwelijk over te maken aan de nieuwe dienstoverste.
De dienstoverste en de magistraat-korpsoverste die, op het tijdstip waarop zij advies moeten uitbrengen over een kandidaat, het personeelslid tijdens de jongste drie maanden niet onder hun gezag hebben gehad, zullen zich voor het opmaken van hun advies kunnen steunen op de laatste beoordelingsstaten, door de vorige dienstchef overgezonden.
De beoordeling heeft betrekking op de voorbije periode sinds de indiensttreding of sinds de vorige beoordelingsstaat.
Het personeelslid kan een nieuwe beoordeling aanvragen, ten vroegste één jaar na de opmaak van de vorige beoordeling.
De beoordelingsstaat wordt bijgehouden door de dienstchef in een vertrouwelijk dossier op naam van elk personeelslid afzonderlijk. De beoordelingsstaat wordt bijgehouden door het diensthoofd in een vertrouwelijk dossier op naam van elk personeelslid afzonderlijk. Het diensthoofd brengt de definitief toegekende vermelding rechtstreeks ter kennis van de minister van Justitie.
Ingeval van drie opeenvolgende beoordelingsstaten met eindkwotering « slecht » wordt zulks gerapporteerd aan de minister van Justitie. Hij neemt de nodige tuchtmaatregelen, desgevallend de afzetting. § 5. De beoordeling van een personeelslid dat de vermelding « onvoldoende » heeft gekregen, brengt gedurende een jaar, op geldelijk vlak, het verlies mee van de uitwerking van de eerstvolgende tussenverhoging, die volgt na de toekenning van de vermelding, en dit onverminderd de tuchtrechtelijke gevolgen.
« Art. 287 quater. ­ § 1. Er wordt een nationale raad van beroep opgericht die kennis neemt van de beroepen ingesteld door de attachés bedoeld in artikel 136, door de bemiddelingsadviseurs, door de hoofdgriffiers en door de hoofdsecretarissen tegen de adviezen uitgebracht in het kader van de benoemingsprocedure, alsook tegen de beoordelingsstaten.
Deze nationale raad is gevestigd in Brussel.
Artikel 287quater. ­ § 1. In het rechtsgebied van ieder hof van beroep en ieder arbeidshof wordt een raad van beroep opgericht die kennis neemt van de beroepen ingesteld tegen de adviezen bij bevordering, en van de beroepen ingesteld tegen de beoordelingsstaten. In het rechtsgebied van ieder hof van beroep wordt een raad van beroep opgericht die kennis neemt van de beroepen ingesteld door leden van de griffies, door leden van de parketsecretariaten, door bemiddelingsassistenten, door het personeel van de griffies en van de parketsecretariaten en door personeelsleden die een graad bekleden ingesteld door de Koning overeenkomstig artikel 185, eerste lid, tegen de adviezen uitgebracht in het kader van de benoemingsprocedure, alsook tegen de beoordelingsstaten.
Deze raad wordt gevestigd op de zetel van het hof van beroep.
De raad van beroep opgericht in het rechtsgebied van het hof van beroep te Brussel is eveneens bevoegd voor de beroepen ingesteld door de personen bedoeld in het derde lid die hun ambt uitoefenen bij de griffie van het Hof van Cassatie en bij het parket van dit Hof.
In deze raden zijn er zoveel afdelingen als er taalstelsels zijn voor de personeelsleden die kunnen vragen om door de raden te worden gehoord.
Het taalstelsel van de verzoeker bepaalt voor welke afdeling hij verschijnt.
§ 2. De nationale raad van beroep is, per afdeling, samengesteld uit :
1º een magistraat van een hof;
2º twee magistraten van het parket van een hof;
3º twee hoofdgriffiers;
4º twee hoofdsecretarissen;
5º twee bemiddelingsadviseurs;
6º een attaché in de dienst voor documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van Cassatie.
De raad van beroep is samengesteld uit :
1º een magistraat van de zetel, aangewezen door de eerste voorzitter van het hof van beroep of, in voorkomend geval, door de eerste voorzitter van het arbeidshof of door de voorzitter van het militair gerechtshof indien de benoeming of de beoordeling betrekking heeft op een ambt in een arbeidsgerecht of op een ambt in een militair gerecht;
2º een magistraat van het parket, aangewezen door de procureur-generaal of, in voorkomend geval, door de auditeur-generaal bij het militair gerechtshof;
3º een hoofdgriffier of een secretaris naargelang van het geval, aangewezen door de procureur-generaal of, in voorkomend geval, door de auditeur-generaal bij het militair gerechtshof.
§ 3. De raad van beroep van het rechtsgebied van ieder hof van beroep is, per afdeling, samengesteld uit :
1º een magistraat van de zetel;
2º twee magistraten van het parket;
3º twee griffiers;
4º twee secretarissen;
5º een bemiddelingsadviseur en een bemiddelingsassistent.
§ 4. De leden van de nationale raad van beroep worden aangewezen, wat de magistraten van de zetel betreft, door de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie, en wat de andere leden betreft, door de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie. De leden van de raad van beroep van het rechtsgebied van het hof van beroep worden aangewezen, wat de magistraten van de zetel betreft, naar gelang van het geval, door de eerste voorzitter van het hof van beroep, de eerste voorzitter van het arbeidshof of de eerste voorzitter van het militair gerechtshof en, wat de andere leden betreft, naar gelang van het geval, door de procureur-generaal bij het hof van beroep of de auditeur-generaal bij het militair gerechtshof.
De Koning bepaalt de criteria voor de aanwijzingen bedoeld in het vorige lid. Voor iedere categorie van gerecht moet elk van de ambten opgesomd in de §§ 2 en 3 vertegenwoordigd zijn, hetzij door een lid, hetzij door een plaatsvervanger.
Voor elk lid kunnen tot zes plaatsvervangers worden aangewezen.
De raad van beroep wordt voorgezeten door de magistraat met de hoogste rang.
De leden van de raad van beroep worden aangewezen voor de duur van drie jaar. Voor elk lid worden drie plaatsvervangers aangewezen. De leden van de raden van beroep worden, met hun instemming, aangewezen voor de duur van twee jaar. De eerste maal, bij de installatie van de raden van beroep, worden de magistraten niettemin aangewezen voor de duur van drie jaar.
Ingeval van onbeschikbaarheid van één of meer leden wordt de plaats van het afwezig lid ingenomen door de eerstvolgende daartoe aangewezen plaatsvervanger. § 5. In geval van onbeschikbaarheid van een of meer leden wordt de plaats van het afwezig lid ingenomen door de eerstvolgende daartoe aangewezen plaatsvervanger.
De raad van beroep kan slechts geldig beraadslagen indien alle leden, of hun plaatsvervangers, aanwezig zijn.
De Koning stelt nadere regels voor de werking van de raden van beroep.
De raad van beroep kan slechts geldig beraadslagen indien de leden of hun plaatsvervangers, die aangewezen zijn volgens de hoedanigheid van de verzoeker, aanwezig zijn. Per zitting moeten minimum vier leden aanwezig zijn. Minstens de helft onder hen moet magistraat zijn. De Koning bepaalt welke leden van de raden zitting nemen volgens de categorie van personeel waartoe de verzoeker behoort.
Elke raad van beroep wordt voorgezeten door de magistraat van de zetel of, indien deze er niet is, door de parketmagistraat met de hoogste rang. De voorzitter heeft een beslissende stem.
De raad van beroep hoort de verzoeker persoonlijk en desgewenst ook de opstellers van het betwiste advies of de betwiste beoordelingsstaat en onderzoekt het dossier en de motieven van de betrokkene. De verzoeker mag zich bij het verhoor laten bijstaan door een advocaat of een afgevaardigde van een representatieve vakorganisatie.
De Koning stelt nadere regels voor de werking van de raden van beroep. »
§ 2. Na ontvangst van het bezwaarschrift tegen een advies bij bevordering vraagt de voorzitter van de raad van beroep aan de eerste voorzitter of de procureur-generaal om het adviesdossier onverwijld over te zenden.
De raad van beroep hoort de betrokkene en de adviesverleners, en onderzoekt het dossier en de motieven van de betrokkene. De appellant mag zich bij het verhoor laten bijstaan door een advocaat.
Het definitieve advies wordt door de voorzitter van de raad van beroep meegedeeld aan de procureur-generaal of, in voorkomend geval, aan de auditeur-generaal, die op zijn beurt kennis geeft aan de minister van Justitie, binnen een termijn van veertig dagen, te rekenen van de ontvangst van het bezwaarschrift bij de raad.
De raad van beroep stelt bij aangetekende brief de betrokken kandidaat ervan in kennis.
§ 3. Na ontvangst van het bezwaarschrift tegen een beoordelingsstaat vraagt de voorzitter van de raad van beroep aan de betrokken dienstoverste de beoordelingsstaat, eventueel met een bijkomende schriftelijke verantwoording van de onmiddellijke oversten, onverwijld over te zenden.
[...]
De raad van beroep hoort de betrokkene persoonlijk en desgewenst ook de opstellers van de betwiste beoordelingsstaat en onderzoekt het dossier en de motieven van de betrokkene. De appellant mag zich bij het verhoor laten bijstaan door een advocaat.
Het definitieve advies wordt door de voorzitter van de raad van beroep meegedeeld aan de procureur-generaal of, in voorkomend geval, aan de auditeur-generaal, die op zijn beurt de betrokken dienstoverste kennis geeft, binnen een termijn van veertig dagen, te rekenen van de ontvangst van het bezwaarschrift bij de raad.
De raad van beroep stelt bij aangetekende brief de betrokken kandidaat ervan in kennis. Dit advies is definitief en wordt gevoegd bij de betwiste beoordelingsstaat. »
Art. 52 Art. 67
§ 1. In artikel 288, vijfde lid, van hetzelfde Wetboek, wordt het woord « klerken-griffiers » vervangen door het woord « adjunct-griffiers ». § 1. In artikel 288, vijfde lid, van hetzelfde Wetboek wordt het woord « klerken-griffiers » vervangen door het woord « adjunct-griffiers ».
§ 2. In artikel 288, zesde lid, worden de woorden « hun griffiers-hoofden van de griffie » vervangen door de woorden « de hoofdgriffiers » en het woord « klerken-griffiers » door het woord « adjunct-griffiers ». § 2. In artikel 288, zesde lid, van hetzelfde Wetboek worden de woorden « hun griffiers-hoofden van de griffie » vervangen door de woorden « de hoofdgriffiers » en het woord « klerken-griffiers » door het woord « adjunct-griffiers ».
Art. 68
In deel II, boek II, titel I, van hetzelfde Wetboek, wordt een hoofdstuk I bis ingevoegd, luidende :
« Hoofdstuk I bis . Eedaflegging van de bemiddelingsadviseurs, van de bemiddelingsassistenten en van de secretarissen.
Art. 291 bis. ­ De bemiddelingsadviseurs en -assistenten leggen de in het decreet van 20 juli 1831 voorgeschreven eed af in handen, respectievelijk van de procureur-generaal en van de procureur des Konings, bij hun eerste benoeming.
De hoofdsecretarissen, secretarissen en adjunct-secretarissen bij de parketten leggen de in het decreet van 20 juli 1831 voorgeschreven eed af in handen, naar gelang van het geval, van de procureur-generaal, van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur.
De eed moet worden afgelegd binnen een maand na de kennisgeving van de benoeming; anders mag deze als niet-bestaande worden beschouwd. »
Art. 53 Art. 69
In artikel 301 van hetzelfde Wetboek worden de woorden « griffiers-hoofden van de griffie » geschrapt en wordt het woord « klerken-griffiers » vervangen door het woord « adjunct-griffiers ». In artikel 301 van hetzelfde Wetboek, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1º de woorden « griffiers-hoofden van de griffie » worden geschrapt en het woord « klerken-griffiers » wordt vervangen door het woord « adjunct-griffiers »;
2º er wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende :
« Deze bepaling is eveneens van toepassing op de bemiddelingsadviseurs, de bemiddelingsassistenten en de leden van de parketsecretariaten. »
Art. 54 Art. 70
In artikel 304 van hetzelfde Wetboek worden tussen de woorden « openbaar ministerie » en het woord « of » de woorden « de griffier » ingevoegd. In artikel 304 van hetzelfde Wetboek worden tussen de woorden « openbaar ministerie » en het woord « of » de woorden « de griffier » ingevoegd.
Art. 55 Art. 71
In artikel 305 van hetzelfde Wetboek worden de woorden « en de griffiers-hoofden van de griffie » geschrapt. In artikel 305 van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1º in het eerste lid worden de woorden « griffiers-hoofden van de griffie en de griffiers » vervangen door het woord « hoofdgriffiers »;
2º in het vierde lid, wordt het woord « griffiers » vervangen door het woord « hoofdgriffiers ».
Art. 56
§ 1. In deel II, boek II, titel II van hetzelfde Wetboek wordt onder de hoofding « Rangorde en voorrang » van hoofdstuk I, de ondertitel « Gerechtelijke ambten en parketsecretarissen » toegevoegd.
§ 2. De artikelen 310, 311 en 312 van hetzelfde Wetboek worden ieder aangevuld met het volgende lid :
« Parketsecretarissen :
De hoofdsecretaris;
De secretarissen-hoofden van dienst, naar orde van hun benoeming;
De secretarissen, naar dezelfde orde;
De adjunct-secretarissen, naar dezelfde orde. »
Art. 57 Art. 72
In artikel 310 van hetzelfde Wetboek wordt het woord « klerken-griffiers » vervangen door het woord « adjunct-griffiers ». In artikel 310 van hetzelfde Wetboek, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1º de woorden « waarop de leden van het hof en de leden van de griffie in de onderstaande volgorde worden ingeschreven » worden vervangen door de woorden « vastgesteld als volgt »;
2º het woord « klerken-griffiers » wordt vervangen door het woord « adjunct-griffiers »;
3º het artikel wordt aangevuld als volgt :
« Leden van het parketsecretariaat :
De hoofdsecretaris;
De secretaris-hoofd van dienst;
De secretarissen, in de volgorde van hun benoeming;
De adjunct-secretarissen, in dezelfde volgorde. »
Art. 58 Art. 73
In artikel 311 van hetzelfde Wetboek wordt het woord « klerken-griffiers » vervangen door het woord « adjunct-griffiers ». In artikel 311 van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1º de woorden « waarop de leden van het hof, de leden assessoren en de leden van de griffie in de onderstaande volgorde worden ingeschreven » worden vervangen door de woorden « vastgesteld als volgt »;
2º het woord « klerken-griffiers » wordt vervangen door het woord « adjunct-griffiers »;
3º het artikel wordt aangevuld als volgt :
« Leden van het parketsecretariaat :
De hoofdsecretaris;
De secretarissen-hoofden van dienst, in de volgorde van hun benoeming;
De secretarissen, in dezelfde volgorde;
De adjunct-secretarissen, in dezelfde volgorde. »
Art. 59 Art. 74
In artikel 312 van hetzelfde Wetboek wordt het woord « klerken-griffiers » vervangen door het woord « adjunct-griffiers ». In artikel 312 van hetzelfde Wetboek, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1º de woorden « waarop de leden van de rechtbank, de leden assessoren en de leden van de griffie in de onderstaande volgorde worden ingeschreven » worden vervangen door de woorden « vastgesteld als volgt »;
2º het woord « klerken-griffiers » wordt vervangen door het woord « adjunct-griffiers »;
3º het artikel wordt aangevuld als volgt :
« Leden van het parketsecretariaat :
De hoofdsecretaris;
De secretarissen-hoofden van dienst, in de volgorde van hun benoeming;
De secretarissen, in dezelfde volgorde;
De adjunct-secretarissen, in dezelfde volgorde. »
Art. 75
In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 312 bis ingevoegd, luidende :
« Art. 312 bis. ­ In de vredegerechten wordt een ranglijst bijgehouden, vastgesteld als volgt :
De vrederechter;
De plaatsvervangende vrederechters, in de volgorde van hun benoeming;
De hoofdgriffier;
De griffier;
De adjunct-griffiers, naar orde van hun benoeming. »
Art. 76
In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 312 ter ingevoegd, luidende :
« Art. 312 ter. ­ In de politierechtbanken wordt een ranglijst bijgehouden, vastgesteld als volgt :
De rechters, naar orde van hun benoeming;
De plaatsvervangende rechters, in dezelfde volgorde;
De hoofdgriffier;
De griffiers-hoofden van dienst, in de volgorde van hun benoeming;
De griffiers, in dezelfde volgorde;
De adjunct-griffiers, in dezelfde volgorde. »
Art. 60
Artikel 314 van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met het volgende lid :
« De hoofdgriffiers van de vredegerechten en politierechtbanken volgen de vrederechters en rechters in de politierechtbanken van de rechtsmacht waarin zij benoemd zijn. Zij worden gevolgd door de griffiers-hoofden van dienst, naar orde van hun benoeming, de griffiers, naar dezelfde orde en de adjunct-griffiers, naar dezelfde orde. »
Art. 61 Art. 77
§ 1. In artikel 328, eerste lid, van hetzelfde Wetboek worden de woorden « griffier-hoofd van de griffie » vervangen door het woord « hoofdgriffier ». Artikel 328 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepalingen :
« Art. 328. ­ Bij verhindering wordt de hoofdgriffier in de hoven, de rechtbanken en de politierechtbanken vervangen door de griffier-hoofd van dienst of de griffier die hij aanwijst; in de vredegerechten wordt de hoofdgriffier vervangen door de griffier of de adjunct-griffier die hij aanwijst.
§ 2. In hetzelfde artikel, tweede lid, wordt de woorden « of rechtbank, de griffier-hoofd van de griffie van » vervangen door de woorden « een rechtbank ».
§ 3. In hetzelfde artikel, tweede lid, worden tussen de woorden « wordt daarin voorzien door » en de woorden « het hof » de woorden « de algemene vergadering van » ingevoegd.
§ 4. In hetzelfde artikel, tweede lid, wordt het woord « politierechter » vervangen door de woorden « algemene vergadering van de politierechtbank ».
Wanneer de hoofdgriffier van een hof, van een rechtbank, van een vredegerecht of van een politierechtbank zich in de onmogelijkheid bevindt om die aanwijzing te doen, wordt in zijn vervanging voorzien, naar gelang van het geval, door de eerste voorzitter van het hof, de voorzitter van de rechtbank, de vrederechter of de rechter in de politierechtbank.
§ 5. In hetzelfde artikel, derde lid, wordt het woord « griffiersklerken » vervangen door het woord « adjunct-griffiers ».
§ 6. In hetzelfde artikel, derde lid, worden tussen de woorden « een bepaalde griffie » en het woord « opdracht » de woorden « voor maximum zes maanden » ingevoegd.
Wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen, kan de procureur-generaal aan adjunct-griffiers van een bepaalde griffie opdracht geven om voor maximum zes maanden hun ambt in een andere griffie te vervullen.
§ 7. In hetzelfde artikel, vierde lid, wordt het woord « griffiersklerken » vervangen door het woord « adjunct-griffiers ».
§ 8. In hetzelfde artikel, vierde lid, worden de woorden « zonder nieuwe eedaflegging » geschrapt.
De adjunct-griffiers aan wie opdracht is gegeven, kunnen als griffier aan de griffie worden toegevoegd.
§ 9. In hetzelfde artikel wordt na het derde lid het volgende lid ingevoegd :
« Wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen kan de hoofdgriffier een opsteller of een beambte, die geslaagd is in de examens van kandidaat-griffier, opdracht geven tijdelijk het ambt van griffier uit te oefenen, dit voor een bepaalde en beperkte tijd en mits opgave van de reden van de opdracht. »
§ 10. Hetzelfde artikel wordt in fine aangevuld met het volgende lid :
« In alle voormelde gevallen is een nieuwe eedaflegging overbodig. »
In alle voormelde gevallen is een nieuwe eedaflegging overbodig.
Wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen kan de hoofdgriffier een opsteller of een beambte, die geslaagd is in de examens van kandidaat-griffier, opdracht geven tijdelijk het ambt van griffier uit te oefenen, dit voor een bepaalde en onbeperkte tijd en mits opgave van de reden van de opdracht. »
[...]
Art. 62 Art. 78
Artikel 329 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt : Artikel 329 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :
« Artikel 329. ­ Wanneer de hoofdgriffier, de griffiers en de adjunct-griffiers verhinderd zijn of zelfs wanneer er gevaar mocht bij zijn te wachten tot een griffier tegenwoordig is, kan de rechter zich als griffier een opsteller of een beambte van de griffie toevoegen. Bij gebreke van dezen is artikel 170, laatste lid, van dit Wetboek van toepassing. « Art. 329. ­ Wanneer de hoofdgriffier, de griffiers en de adjunct-griffiers verhinderd zijn of wanneer de zaak geen uitstel gedoogt tot een griffier tegenwoordig is, kan de rechter zich als griffier een opsteller of een beambte van de griffie toevoegen [...] »
Een nieuwe eedaflegging is overbodig. »
Art. 79
In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 329 bis ingevoegd, luidende :
« Art. 329 bis. ­ Bij verhindering wordt de hoofdsecretaris van het parket vervangen door de secretaris-hoofd van dienst of de secretaris die hij aanwijst. Wanneer hij zich in de onmogelijkheid bevindt om die aanwijzing te doen, wordt in zijn vervanging voorzien, naar gelang van het geval, door de procureur-generaal, de procureur des Konings of de arbeidsauditeur.
Een nieuwe eedaflegging is overbodig. »
Art. 63 Art. 80
A rtikel 330 [...] van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :
§ 1. In artikel 330, eerste lid, van hetzelfde Wetboek wordt het woord « griffiersklerken » vervangen door het woord « adjunct-griffiers ». « Art. 330. ­ Onverminderd de toepassing van de artikelen 328 en 329 kan de minister van Justitie aan griffiers, adjunct-griffiers, opstellers, beambten en boden bij een hof, een rechtbank of een krijgsraad opdracht geven om een gelijk of een hoger ambt te vervullen in hun griffie, in een andere burgerlijke of militaire griffie, in ministeriële departementen of kabinetten, in regeringscommissies, -instellingen of -diensten. Overeenkomstig een bijzondere wets- of verordeningsbepaling kan artikel 327 bis op hen worden toegepast.
§ 2. In hetzelfde artikel wordt na het eerste lid het volgende lid ingevoegd :
« Voorafgaande bepaling is ook van toepassing op de hoofdgriffiers wat betreft de opdrachten in ministeriële departementen, in regeringscommissies, -instellingen of -diensten. »
[...] Het bepaalde in het eerste lid is van toepassing op de hoofdgriffiers wat betreft de opdrachten in ministeriële departementen of kabinetten , in regeringscommissies, -instellingen of -diensten.
§ 3. In hetzelfde artikel, tweede lid, dat het derde lid wordt, wordt tussen het woord « De » en het woord « griffiers » het woord « hoofdgriffiers, » ingevoegd.
§ 4. In hetzelfde artikel, tweede lid, dat het derde lid wordt, wordt het woord « griffiersklerken » vervangen door het woord « adjunct-griffiers ».
De hoofdgriffiers, griffiers, adjunct-griffiers, opstellers, beambten en boden aan wie aldus opdracht is gegeven, blijven hun wedde met de eraan verbonden verhogingen en voordelen genieten. Zij ontvangen evenwel de wedde en vergoedingen van het hun opgedragen ambt, indien deze hoger zijn. »
Art. 81
In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 330 bis ingevoegd, luidende :
« Art. 330 bis. ­ Onverminderd de toepassing van artikel 329 bis kan de minister van Justitie aan de hoofdsecretarissen, secretarissen, adjunct-secretarissen, bemiddelingsadviseurs, bemiddelingsassistenten, vertalers, opstellers, beambten en boden bij het parket, opdracht geven om een gelijk of een hoger ambt te vervullen in hun parket, in een ander burgerlijk of militair parket, in ministeriële departementen of kabinetten, in regeringscommissies, -instellingen of -diensten. Overeenkomstig een bijzondere wets- of verordeningsbepaling kan artikel 327 bis op hen worden toegepast.
De hoofdsecretarissen, secretarissen, adjunct-secretarissen, bemiddelingsadviseurs, bemiddelingsassistenten, vertalers, opstellers, beambten en boden aan wie aldus opdracht is gegeven, blijven hun wedde met de eraan verbonden verhogingen en voordelen genieten. Zij ontvangen evenwel de wedde en vergoedingen van het hun opgedragen ambt, indien deze hoger zijn. »
Art. 64 Art. 82
In artikel 331 van hetzelfde Wetboek worden de laatste twee leden vervangen door de volgende bepalingen : In artikel 331, tweede lid, van hetzelfde Wetboek worden de twee laatste zinnen vervangen door de volgende bepalingen :
« De hoofdgriffiers, zonder vergunning van de eerste voorzitter van het hof, de voorzitter van de rechtbank, de oudstbenoemde rechter in de politierechtbank of de vrederechter van de rechtsmacht waaraan zij verbonden zijn. « de hoofdgriffiers, zonder vergunning van de eerste voorzitter van het hof, de voorzitter van de rechtbank, de oudsbenoemde rechter in de politierechtbank of de vrederechter van het gerecht waaran zij verbonden zijn;
De griffiers-hoofden van dienst, griffiers en adjunct-griffiers, zonder vergunning van de hoofdgriffier van de rechtsmacht waaraan zij verbonden zijn. » de griffiers-hoofden van dienst, griffiers en adjunct-griffiers, zonder vergunning van de hoofdgriffier van het gerecht waaraan zij verbonden zijn. »
Art. 83
In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 331 bis ingevoegd, luidende :
« Art. 331 bis. ­ De hoofdsecretarissen, secretarissen-hoofden van dienst, secretarissen, adjunct-secretarissen, bemiddelingsadviseurs en -assistenten mogen niet afwezig zijn wanneer de dienst eronder lijdt.
De hoofdsecretarissen, de bemiddelingsadviseurs en -assistenten mogen niet langer dan drie dagen afwezig zijn zonder vergunning, naar gelang van het geval, van de procureur-generaal, van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur. »
Art. 84
Artikel 353 bis van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepalingen :
« Art. 353 bis. ­ De regels inzake onverenigbaarheid bepaald in artikel 293 zijn van toepassing op de bemiddelingsadviseurs en -assistenten, op de leden van het parketsecretariaat, op het personeel van de griffies en van de parketsecretariaten, op de attachés in de dienst voor documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van Cassatie alsook op de personeelsleden die een bijzondere graad bekleden ingesteld door de Koning overeenkomstig artikel 185, eerste lid. »
Art. 65 Art. 85
§ 1. In artikel 354, eerste lid, van hetzelfde Wetboek worden de woorden « secretarissen », « adjunct-secretarissen » en « klerken-secretarissen » vervangen door « hoofdsecretarissen » respectievelijk « secretarissen » en « adjunct-secretarissen ». In artikel 354 [...] van hetzelfde Wetboek worden het eerste en het tweede lid vervangen door de volgende leden :
« De Koning regelt de eedaflegging van het personeel van de griffies en van de parketsecretariaten, alsmede van de attachés in de dienst voor documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van Cassatie. Hij regelt eveneens de afwezigheid, het verlof en de vakantie van voornoemd personeel, alsmede van de hoofdsecretarissen, de secretarissen, de adjunct-secretarissen, de bemiddelingsadviseurs en -assistenten.
§ 2. In hetzelfde artikel, tweede lid, worden de woorden « van de griffiers, » geschrapt. De Koning kan voor de afwezigheden wegens ziekte of gebrekkigheid van de griffiers, van de secretarissen, van de bemiddelingsadviseurs en -assistenten, van het personeel van de griffies en van de parketsecretariaten, alsmede van de attachés in de dienst voor documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van Cassatie, de regeling toepassen die geldt voor het Rijkspersoneel. »
Art. 66 Art. 86
In de artikelen 366, 367, 369, 370, 372, 373, 374, 375, 403, 415 en 416 van hetzelfde Wetboek worden de vermelde titels telkens gewijzigd zoals aangegeven in artikel 2 van deze wet. In de artikelen 366, 367 ter , 369, 370, 372, 373, 373 ter , 374, 375, 403, 415 en 416 van hetzelfde Wetboek worden de vermelde titels telkens gewijzigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 2 van deze wet.
Art. 87
In deel II, boek II, titel III van hetzelfde Wetboek wordt hoofdstuk V vervangen door de volgende bepaling :
« Hoofdstuk V. Bepaling geldend voor de bemiddelingsadviseurs en -assistenten, voor het personeel van de griffies en de parketsecretariaten en voor de attachés in de dienst voor documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van Cassatie.
Art. 380 . ­ De Koning bepaalt de wedden van de vertalers, de eerstaanwezende vertalers, de opstellers, de eerstaanwezende opstellers, de beambten, de eerstaanwezende beambten, de boden, de hoofdboden en de eerstaanwezende boden van de griffies en de parketsecretariaten, van de attachés in de dienst voor documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van Cassatie, alsook de wedden van de bemiddelingsadviseurs, de bemiddelingsassistenten en de eerstaanwezende bemiddelingsassistenten. »
Art. 67 Art. 88
In artikel 381 van hetzelfde Wetboek worden de woorden « de griffier » en « de secretaris » telkens vervangen door de woorden « de hoofdgriffier », respectievelijk « de hoofdsecretaris ». In artikel 381 van hetzelfde Wetboek worden de woorden « de griffier » en « de secretaris » telkens vervangen door de woorden « de hoofdgriffier », respectievelijk « de hoofdsecretaris ».
Art. 89
Artikel 512, § 1, van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met de volgende leden :
« De voormelde kandidaturen moeten op straffe van verval worden ingediend binnen een termijn van één maand na de bekendmaking van de vacature in het Belgisch Staatsblad .
De bekendmaking kan geschieden op zijn vroegst zes maanden vóór het ontstaan van de vacature.
Geen benoeming kan geschieden dan nadat de termijn bepaald in het tweede lid is verlopen. »
Overgangsbepaling Overgangsbepalingen
Art. 90
De griffiers-hoofden van de griffie, de klerken-griffiers, de secretarissen, de adjunct-secretarissen-hoofden van dienst, de adjunct-secretarissen en de klerken-secretarissen in dienst voeren, met ingang van de dag waarop deze wet in werking treedt, respectievelijk de titel van « hoofdgriffier », van « adjunct-griffier », van « hoofdsecretaris », van « secretaris-hoofd van dienst », van « secretaris » en van « adjunct-secretaris ».
Art. 68 Art. 91
De persoon die op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze wet het ambt bekleedt van hoofdgriffier, griffier, adjunct-griffier, hoofdsecretaris, secretaris, adjunct-secretaris, opsteller, beambte of bode en overeenkomstig de gewijzigde wetgeving in de voorwaarden verkeerde tot benoeming in een van deze ambten, blijft in de voorwaarden tot deze benoeming, met uitzondering van de in deze wet voorgeschreven dienstanciënniteit. De persoon die op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze wet het ambt uitoefent van hoofdgriffier, griffier, adjunct-griffier, hoofdsecretaris, secretaris, adjunct-secretaris, opsteller of beambte kan, overeenkomstig de benoemingsvoorwaarden gesteld in het Gerechtelijk Wetboek vóór de inwerkingtreding van deze wet, worden benoemd tot het ambt van hoofdgriffier, griffier, adjunct-griffier, hoofdsecretaris, secretaris of adjunct-secretaris, indien hij op dat ogenblik voldoet aan al de voormelde benoemingsvoorwaarden, met uitzondering van die betreffende de dienstanciënniteit.
Art. 92
Onverminderd het bepaalde in artikel 286 bis van het Gerechtelijk Wetboek worden voor de benoeming in een van de betrekkingen vermeld in dat artikel, telkens op gelijkwaardige wijze in aanmerking genomen :
1º de kandidatuur van de geslaagden van het desbetreffend wervingsexamen, dat georganiseerd is vóór of nog in uitvoering is op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze wet;
2º de kandidatuur van de geslaagden van het eerstvolgend na de inwerkingtreding van deze wet georganiseerd desbetreffend vergelijkend wervingsexamen, die minder gunstig zijn gerangschikt doch op grond van een arbeidsovereenkomst deze functies reeds vervullen op de plaats waar de betrekking is opengevallen, op voorwaarde dat zij op het ogenblik van de bekendmaking van de vacature reeds één jaar in dienst zijn.
Art. 93
De geslaagden van het wervingsexamen voor de graad van opsteller, dat georganiseerd is vóór of nog in uitvoering is op de datum van inwerkingtreding van de artikelen 44 en 58 van deze wet, worden geacht te voldoen aan de benoemingsvoorwaarden vermeld in de artikelen 270 en 282 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij deze wet.
In afwijking van de artikelen 270 en 282 bedoeld in het vorige lid, behoudt de beambte die, op de datum van inwerkingtreding van de artikelen 44 en 58 van deze wet, niet in het bezit is van het vereiste diploma of getuigschrift maar minstens twee jaar graadanciënniteit heeft, gedurende zes jaar vanaf voormelde datum het recht om deel te nemen aan het examen bedoeld in de voormelde artikelen 270 en 282.
Art. 94
De geslaagden van het wervingsexamen voor de graad van bemiddelingsadviseur, dat georganiseerd is vóór of nog in uitvoering is op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze wet, worden geacht te voldoen aan de benoemingsvoorwaarden vermeld in artikel 272 bis , 2º, van het Gerechtelijk Wetboek.
Art. 95
Om in aanmerking te blijven komen voor het bepaalde in de artikelen 92, 1º, 93 en 94, moeten de geslaagden, bij een ter post aangetekende brief, ten laatste drie maanden na de bekendmaking van het bericht tot organisatie van het tweede na de inwerkingtreding van deze wet georganiseerd desbetreffend examen, aan de minister van Justitie te kennen hebben gegeven te willen dat hun goede uitslag onbeperkt geldig blijft. Daartoe moet de minister van Justitie, ten laatste samen met voormeld bericht, een bijzondere oproep in het Belgisch Staatsblad bekendmaken.
Art. 96
De houders van het getuigschrift van kandidaat-griffier en van kandidaat-secretaris dat uitgereikt werd op basis van een examen dat georganiseerd is vóór of nog in uitvoering is op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze wet, worden geacht houder te zijn van het getuigschrift bedoeld in de artikelen 269 bis en 280 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd door deze wet.
Inwerkingtreding
Art. 97
Deze wet treedt in werking de eerste dag van de derde maand volgend op die waarin ze in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt, met uitzondering van de artikelen 15, 21, 22, 23, 24, 25, 26, 28, 29, 30, 31, 47, 64, 65, 66 en 89, waarvan de Koning de datum van inwerkingtreding bepaalt en uiterlijk één jaar na haar bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.

(1) Voor een gedetailleerde commentaar wordt naar de toelichting bij het wetsvoorstel verwezen.

(2) Vergadering van 26 maart 1996.

(3) De hoorzitting had plaats op 2 april 1996. De vertegenwoordigers van A.C.O.D.-C.G.S.P. hebben zich voor hun afwezigheid verontschuldigd.

(4) Wetsvoorstel tot wijziging van sommige bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot het personeel van de griffies en parketten (ingediend door de heren Vandeurzen, Van Parys, Verherstraeten en Willems) (Gedr. St., Kamer, 1995-1996, nr. 491-1).

(5) Wetsvoorstel ingediend op 7 januari 1993 (Gedr. St., Senaat, 1992-1993, nr. 605/1).

(6) Tot 15 februari 1996 twee maanden.

(7) De numering van de artikelen verwijst naar de aangenomen tekst.

(8) Hierna « voorstel Erdman - Lallemand c.s. » genoemd.

(9) Hierna « voorstel Vandenberghe c.s. » genoemd.

(10) Tenzij anders is vermeld, zijn de hierna afgedrukte artikelen afkomstig uit het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s.

(11) Deze tekst komt identiek voor in de twee wetsvoorstellen.

(12) Wetsvoorstel van de heren Erdman en Lallemand, nr. 1-147/1.

(13) Wetsvoorstel van de heren Erdman en Lallemand, nr. 1-147/1.

(14) Wetsvoorstel van de heren Erdman en Lallemand, nr. 1-147/1.

(15) Wetsvoorstel van de heren Erdman en Lallemand, nr. 1-147/1.

(16) Artikel 7 van het wetsvoorstel van de heren Erdman, Lallemand c.s., nr. 1-147/1.

(17) Artikel 8 van het wetsvoorstel van de heren Erdman, Lallemand c.s., nr. 1-147/1.

(18) Artikel 9 van het wetsvoorstel van de heren Erdman, Lallemand c.s., nr. 1-147/1.

(19) Artikel 10 van het wetsvoorstel van de heren Erdman, Lallemand c.s., nr. 1-147/1.

(20) Artikel 6 van het wetsvoorstel van de heren Erdman, Lallemand c.s., nr. 1-147/1.