Voor een
rechtvaardig gerecht

De parlementsleden hebben zeker niet gewacht tot augustus 1996 om oplossingen te zoeken voor de tekortkomingen in de werking van het gerecht en het gebrek aan transparantie, dat al te vaak aanleiding geeft tot een onmenselijk beeld van het gerecht. Een globale hervorming van het gerechtelijk apparaat is evenwel een taak van lange adem, waarbij improvisatie moet worden vermeden.

De tragische gebeurtenissen van de zomer van 1996 hebben de absolute noodzaak aangetoond om dringende maatregelen te nemen. De Senaat heeft dan ook de behandeling en goedkeuring van het ontwerp van algehele hervorming van de strafrechtspleging - het "ontwerp-Franchimont" - niet afgewacht, maar de behandeling van de voorstellen van enkele senatoren versneld.

Het wetsvoorstel betreffende de gerechtelijke bijstand voor het afgeven van afschriften van stukken uit het gerechtelijk dossier in strafzaken brengt verdachten en burgerlijke partijen op gelijke voet voor deze vorm van gerechtelijke bijstand. Zij zullen een kosteloos afschrift kunnen krijgen van de stukken van een strafdossier, voor zover ze aantonen onvermogend te zijn.

In dezelfde lijn beoogt ook het wetsvoorstel houdende invoeging van een artikel 61bis in het Wetboek van Strafvordering de partijen in de strafprocedure op gelijke voet te brengen. De beklaagde en de burgerlijke partij zullen hun dossier mogen inzien. De betrokken partijen kunnen namelijk een afschrift krijgen van hun eigen verklaringen en bijkomende onderzoeksdaden vorderen.

Van haar kant wil ook de regering antwoorden op de bezorgdheid van burgers en politieke wereld over de strijd tegen de misdaad.

Door in de Senaat een wetsontwerp tot instelling van het college van procureurs-generaal en van het ambt van nationaal magistraat in te dienen, heeft de regering een belangrijke stap gezet naar een efficiënter strafbeleid.

Dit ontwerp geeft een juridische basis aan organen die al in werking zijn en die hun sporen hebben verdiend. Hun kader wordt vastgelegd en de betrekkingen geregeld tussen het college van procureurs-generaal en de nationaal magistraten.

Nu de criminaliteit de grenzen van de gerechtelijke arrondissementen en zelfs van het nationale grondgebied overschrijdt, zal het college van procureurs-generaal het strafbeleid coördineren. Jaarlijks zal het college verslag uitbrengen aan de minister van Justitie en zijn prioriteiten voor het volgende jaar vastleggen.

De nationaal magistraten staan onder het gezag van het college. In overleg met de procureur, zorgen ze voor de coördinatie van de uitoefening van de strafvordering en vergemakkelijken ze de internationale samenwerking.

In dit kader moeten ze soms dwingende bevelen geven aan een procureur. Verder zullen ze alle dringende maatregelen moeten nemen voor de uitoefening van de strafvordering zolang een procureur niet zijn wettelijk bepaalde bevoegdheid heeft uitgeoefend. Daartoe krijgen ze de hoedanigheid van officier van de gerechtelijke politie en beschikken ze over dezelfde bevoegdheden als de procureur.

De essentiële opdracht van de nieuwe organen is dus de coördinatie. Het evenwicht zal moeten worden gevonden tussen de nationale bevoegdheden en het territoriale gezag.

De "affaires", de gerechtelijke achterstand en de seponeringen leidden ertoe dat de autonomie van de parketten opnieuw in vraag wordt gesteld. In dat opzicht herdefinieert dit wetsontwerp de betrekkingen tussen de minister van Justitie, die bepaalde bevoegdheden terugkrijgt, en het geheel van de parketten.

Dit belangrijke wetsontwerp werd zeer grondig behandeld in de Senaats-commissie voor Justitie. De minister van Justitie heeft dit uitdrukkelijk erkend tijdens het plenaire debat op 18 december 1996, toen het ontwerp unaniem werd goedgekeurd.


Texte franšais


Opmerkingen voor de webmaster