5-642/1

5-642/1

Belgische Senaat

ZITTING 2010-2011

23 DECEMBER 2010


Voorstel van resolutie betreffende een objectieve kosten-batenanalyse van de aanwezigheid van vreemdelingen in ons land

(Ingediend door mevrouw Anke Van dermeersch en de heer Yves Buysse)


TOELICHTING


Dit voorstel van resolutie neemt — mits aanpassingen — de tekst over van het voorstel dat reeds op 12 maart 2008 in de Senaat werd ingediend (stuk Senaat, nr. 4-637/1 - 2007/2008).

Met steeds grotere nadrukkelijkheid dringt zich aan ons de conclusie op dat het massaal aantrekken van niet-Europese vreemdelingen in naam van de heilige economische groei, een kortzichtige en onverantwoorde keuze was van de naoorlogse West-Europese regeringen. Naast het feit dat de toenmalige gastarbeiders als gevolg van de economische teruggang op de arbeidsmarkt overtallig geworden zijn, waardoor we van een grootschalige gastwerkloosheid kunnen gewagen, dient te worden gewezen op de verregaande maatschappelijke problemen waarmee de Europese volkeren nog decennialang zullen geconfronteerd blijven. De mens is immers niet alleen — in de hoedanigheid van producent en consument — een speler in het economisch proces, maar in de eerste plaats een cultureel wezen dat verworteld is en dat men niet zomaar zonder grote moeilijkheden kan verplanten.

Hoewel de aanwezigheid van niet-Europese vreemdelingen in de eerste plaats een cultureel probleem vormt, moet er gewezen worden op het feit dat die aanwezigheid bovendien handenvol geld lijkt te kosten. Veelzeggend is in elk geval dat de overheid een aantal cijfers, die een groter inzicht in de kostprijs van vreemdelingen kunnen verschaffen, angstvallig geheim probeert te houden.

Wij zijn nochtans de mening toegedaan dat cijfers in verband met de vreemdelingenproblematiek niet mogen verdoezeld worden, ook al stroken zij niet met vooraf ingenomen ideologische standpunten ter zake. Men kan immers de realiteit niet ontkennen en men zal ze evenmin veranderen door de cijfers te verzwijgen. Een beleid zal slechts kans op slagen hebben, wanneer het niet uitgaat van premissen die reeds vooraf bewezen worden geacht — zoals de stelling dat de aanwezigheid van vreemdelingen per definitie een culturele en economische verrijking voor het gastland inhoudt — maar wanneer het steunt op een grondige analyse van de werkelijkheid.

Het zou bijvoorbeeld interessant zijn om te weten wat het prijskaartje is van de oververtegenwoordiging van vreemdelingen in de criminaliteitsstatistieken, zoals blijkt uit de samenstelling van de gevangenispopulatie en uit het rapport-Van San. In het kader van een kosten-batenanalyse lijkt het ons tevens aangewezen te onderzoeken wat de vreemdelingen ons socialezekerheidsstelsel kosten. Wat ontvangen de vreemdelingen aan kinderbijslag, werkloosheidssteun, pensioenen, ziekte- en invaliditeitsuitkeringen ? Er zijn verder de vele projecten ter bevordering van de integratie van vreemdelingen, waarvan het resultaat op zijn minst twijfelachtig is. Dit is maar een greep uit de kostenfactoren die met de aanwezigheid van niet-Europese vreemdelingen verbonden zijn. Er zijn heel wat aanwijzingen dat die aanwezigheid niet meteen een economische meerwaarde voor het gastland betekent.

In tegenstelling tot BelgiŽ, waar er op het uitvoeren van een objectieve analyse van de kosten en baten van immigratie, laat staan het bekendmaken en openlijk bediscussiŽren van de resultaten van een dergelijke analyse, nog steeds een taboe rust, werd er in Nederland wel degelijk studiewerk naar dit onderwerp verricht. In juni 2003 werd de studie Immigration and the Dutch Economy van het Nederlandse Centraal Planbureau (CPB) gepubliceerd, waarin onder meer de gevolgen van immigratie voor de arbeidsmarkt, de ontwikkeling van de lonen, de overheidsfinanciŽn en de fysieke omgeving in kaart gebracht worden. Er wordt in de studie ook een antwoord geformuleerd op de vraag of nog meer immigratie een oplossing kan bieden voor het probleem van de vergrijzing van de samenleving in verband met de betaalbaarheid van de pensioenen.

Uit het onderzoek blijkt dat door immigratie het bruto binnenlands product weliswaar toeneemt, maar dat die toename grotendeels toevalt aan de immigranten in de vorm van loon. Bij alle leeftijden van binnenkomst zijn immigranten blijkens de studie een belastende factor voor de overheidsfinanciŽn als hun sociaal-economische karakteristieken overeenkomen met het gemiddelde van die van de huidige ingezetenen met een niet-westerse achtergrond. Dit wil zeggen dat ook de reeds aanwezige niet-westerse vreemdelingen het financieringssaldo van de overheid in negatieve zin beÔnvloeden. Er is dus geen sprake van dat immigratie een ontlastende factor voor de overheidsfinanciŽn zou kunnen betekenen en dus een tegengewicht zou kunnen bieden voor de oplopende kosten die gepaard gaan met de vergrijzing van de bevolking.

Immigranten uit niet-westerse landen doen in meer dan proportionele mate een beroep op allerlei voorzieningen in het kader van de sociale zekerheid, zodat er een risico bestaat dat bijkomende immigratie zal leiden tot stijgende kosten van de welvaartsstaat. De studie Immigration and the Dutch Economy wijst erop dat de zogenaamde afhankelijkheidsratio, het aantal uitkeringstrekkers uitgedrukt als een percentage van het aantal werkenden, beduidend hoger ligt bij niet-westerse ingezetenen dan bij westerse ingezetenen van Nederland. De afhankelijkheidsgraad is het hoogst bij de Marokkanen (meer dan 80 %), gevolgd door die bij de Turken (meer dan 65 %). De gemiddelde afhankelijkheidsgraad van alle niet-westerse ingezetenen samen bedraagt meer dan 40 %, die van Nederlanders ongeveer 20 %.

De Nederlandse studie maakt brandhout van een rapport van de Verenigde Naties uit 2000 waarin gesteld wordt dat de Europese landen mťťr immigranten zouden moeten opnemen om de ongunstige leeftijdspiramide te hervormen (ę replacement migration Ľ of ę vervangingsimmigratie Ľ). Er wordt verwezen naar een artikel van de hand van Van Imhoff en Van Nimwegen dat in datzelfde jaar 2000 verscheen in het tijdschrift Demos bulletin over bevolking en samenleving. Daarin wordt berekend wat voor Nederland de consequenties van de aanbeveling van de VN zouden zijn. Om het aandeel vijfenzestig-plussers in de bevolking op het huidige peil te handhaven, zou de netto-immigratie tot het jaar 2050 elk jaar met 300 000 eenheden moeten toenemen. In 2050 zou het bevolkingsaantal van Nederland als gevolg daarvan gestegen zijn tot 39 miljoen, terwijl Nederland vandaag ę slechts Ľ 16 miljoen inwoners telt. Na 2050 zou nog meer immigratie nodig zijn om het aandeel van de vijfenzestig-plussers in de bevolking te stabiliseren op het huidige peil, zodat tegen 2100 Nederland niet minder dan 109 miljoen inwoners zou tellen. Ook de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, een instantie die aan de Nederlandse regering advies verstrekt over allerhande beleidskwesties, kant zich in een rapport aan de regering uit 2001, getiteld Nederland als immigratieland, tegen arbeidsmigratie als instrument van economische politiek.

De studie Immigration and the Dutch Economy gaat uitgebreid in op de zogenaamde fiscale impact van de immigratie, de financiŽle weerslag van immigratie op de publieke sector, op lange termijn. Daarbij wordt berekend wat, over de gehele duur van hun verblijf in Nederland genomen, de nettobijdrage van niet-westerse vreemdelingen aan de overheidsfinanciŽn is. Het resultaat is het gunstigst voor immigranten die Nederland binnenkomen op de leeftijd van vijfentwintig jaar. Zelfs als migranten op deze leeftijd naar Nederland komen, is er sprake van een negatieve nettobijdrage aan de overheidsfinanciŽn van ongeveer 43 000 euro, indien deze migranten dezelfde sociaal-economische kenmerken hebben als de reeds in Nederland aanwezige niet-westerse vreemdelingen. De nettokosten van een kort na de geboorte in Nederland geÔmmigreerde niet-westerse vreemdeling worden — met name omwille van de voor deze vreemdeling gedane onderwijsuitgaven — geraamd op ongeveer 95 000 euro. Immigranten die na de leeftijd van vijfentwintig jaar naar Nederland komen, vormen eveneens een grotere nettobelasting voor de overheidsfinanciŽn, oplopend tot ongeveer 110 000 euro bij een leeftijd van binnenkomst van vijftig jaar. Op dezelfde manier kan men de nettobijdrage aan de overheidsfinanciŽn berekenen van immigrerende gezinnen. Een migrantengezin met twee echtgenoten die ten tijde van de binnenkomst vijfentwintig jaar zijn, de sociaal-economische karakteristieken van de gemiddelde niet-westerse immigranten kennen en bovendien twee kinderen hebben die ten tijde van de binnenkomst nul en vijf jaar zijn, resulteert in een negatieve nettobijdrage aan de overheidsfinanciŽn van ongeveer 230 000 euro. Zelfs wanneer de ouders de sociaal-economische karakteristieken bezitten van de gemiddelde ingezetene van Nederland en wanneer de kinderen gedurende hun hele leven de karakteristieken vertonen van de gemiddelde Nederlandse ingezetene, vormt het gezin een nettobelasting voor de overheidsfinanciŽn van ongeveer 48 000 euro. Het CPB concludeert dat immigratie slechts een positief effect heeft op de overheidsfinanciŽn indien de economische prestatie van de inwijkelingen op zijn minst die van de gemiddelde Nederlandse ingezetene benadert en dat zelfs in dat geval immigratie nauwelijks een oplossing biedt voor de budgettaire gevolgen van de vergrijzing.

In een democratisch land mag de burger niet verstoken blijven van eerlijke en correcte informatie. De belastingbetaler heeft het recht te weten hoe zijn geld besteed wordt en een zicht te hebben op de kostprijs van de immigratie, gezien de grote bedragen die ermee gemoeid zijn. Wat in Nederland mogelijk is, moet ook hier kunnen.

Yves BUYSSE.

VOORSTEL VAN RESOLUTIE


De Senaat vraagt de regering :

1. alle gegevens ter beschikking te stellen die bijdragen tot een beter inzicht in de kostprijs van de aanwezigheid van niet-Europese vreemdelingen in ons land;

2. correcte informatie te verstrekken met betrekking tot de kostprijs van de aanwezigheid van deze vreemdelingen;

3. de opdracht te geven jaarlijks een objectieve analyse te publiceren, die op een zo volledig mogelijke wijze een inzicht verschaft in zowel de kosten als de baten van de aanwezigheid van niet-Europese vreemdelingen;

4. bij de uitvoering van die studie twee categorieŽn personen te onderscheiden :

— personen die niet in het bezit zijn van het Belgische staatsburgerschap of van het staatsburgerschap van een andere lidstaat van de EU;

— personen die in de loop van de jongste tien jaar het Belgisch staatsburgerschap of het staatsburgerschap van een andere lidstaat van de Europese Unie vrijwillig verkregen hebben en ondanks die verkrijging nog steeds staatsburger zijn van een staat die geen lidstaat is van de EU;

5. de nodige middelen ter beschikking te stellen om de objectieve studie mogelijk te maken.

3 december 2010.

Yves BUYSSE.