Vragen en Antwoorden

BELGISCHE SENAAT


Bulletin 3-62

ZITTING 2005-2006

Vragen van de Senatoren en antwoorden van de Ministers (Art. 70 van het reglement van de Senaat)

(N.): Vraag gesteld in het Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in het Frans


Minister van Buitenlandse Zaken

Vraag nr. 3-3725 van de heer Destexhe d.d. 17 november 2005 (Fr.) :
Irak. — Proces van Saddam Hoessein. — Gifgasaanvallen op de Koerdische bevolking in Halabja in 1988.

In de Franse krant Le Monde van dinsdag 18 november 2005 staat een verslag van het proces tegen Saddam Hoessein, onder meer in verband met de gifgasaanvallen op de Koerdische bevolking in Halabja in 1988.

In de krant staat te lezen dat ę volgens de regels van de rechtbank, de advocaten van Saddam geen enkele mogelijkheid hebben om op te merken dat de Iraakse chemische wapens voornamelijk geleverd werden door Franse, Belgische en Duitse firma's, van wie de ingenieurs en chemici heel goed wisten wat Saddam in zijn schild voerde Ľ.

Weet u waarnaar de journalist verwijst ?

Antwoord : Vanuit de meeste Westerse landen, waaronder ook ons land, konden begin jaren '80 nog vrij chemische stoffen worden uitgevoerd naar Irak. Deze stoffen waren niet aan een exportlicentie onderworpen, en werden veelal aangekocht door Irakese bedrijven voor civiele industriŽle toepassingen. Het kan derhalve niet worden uitgesloten dat sommige van deze chemicaliŽn later ingeschakeld werden in het chemisch wapenprogramma van het regime van Saddam Hoessein.

De stelling dat de betrokken industrie perfect op de hoogte was van het gebruik dat Saddam Hoessein plande te maken van sommige chemicaliŽn dient geplaatst te worden tegenover het feit dat de productie van zulke chemicaliŽn volledig wettelijk gebeurde in afwezigheid van enige juridische indicatie voor de toepassing ervan in het domein van de oorlogsgassen.

Deze feiten hebben echter binnen de internationale gemeenschap aanleiding gegeven tot tal van nieuwe afspraken.

In het kader van de zogenaamde ę AustraliŽ Groep Ľ maakten de industrielanden vanaf de tweede helft van de jaren '80 afspraken over de controle van de meeste chemische sleutelvoorlopers en technologie van tweeŽrlei gebruik. Zo'n 35 landen zijn vandaag lid van de AustraliŽ groep, vele andere namen de controlelijsten over in hun nationale wetgeving. BelgiŽ was lid van de AustraliŽ groep vanaf het eerste uur.

Vele van dergelijke stoffen werden nadien ook opgenomen op de controlelijsten van het verdrag op het verbod van chemische wapens. Deze conventie, die in werking is sedert 29 april 1997, telt vandaag 175 lidstaten. Irak heeft de conventie tot nu toe niet geratificeerd.

Deze internationale afspraken werden in Europese regelgeving omgezet in het kader van het EU verordening 1334/2000 dat een communautair regime instelt voor de controle op de export van goederen voor tweeŽrlei gebruik. Dientengevolge is de uitvoer van dergelijke stoffen vandaag onderworpen aan een exportvergunning.

Door de bijzondere wet tot wijziging van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 op de hervorming van de instellingen van 12 augustus 2003, zijn het de gewesten die in BelgiŽ instaan voor deze controle.