Vragen en Antwoorden

BELGISCHE SENAAT


Bulletin 3-36

ZITTING 2004-2005

Vragen van de Senatoren en antwoorden van de Ministers

(N.): Vraag gesteld in het Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in het Frans


Vice-eerste minister en minister van Justitie

Vraag nr. 3-1986 van de heer Destexhe d.d. 7 januari 2005 (Fr.) :
Rwanda. — Genocide van 1994. — Moord op een Belgisch onderdaan.

Volgens de krant ę Le Soir Ľ van 4 december 2004 werd enkele dagen geleden de aanstoker van de moord op een Belgisch onderdaan aangehouden. De Belg werd tijdens de genocide in Rwanda in 1994 geŽxecuteerd door soldaten van de presidentiŽle garde.

De betrokken onderdaan zou zijn gedood door soldaten, aan wie hij zijn Belgische identiteitskaart moest tonen. Zijn moordenaars zouden hem hebben gedood omdat hij Belg was.

De Rwandese gerechtelijke autoriteiten hebben een werknemer van Unicef aangehouden. Die verdachte zou de betrokken onderdaan aan de soldaten van de presidentiŽle garde hebben aangegeven en hem hebben omschreven als een ę medeplichtige van de Tutsi's Ľ.

Deze moord heeft nooit het voorwerp uitgemaakt van een gerechtelijk onderzoek in BelgiŽ.

1. Beschikt u over meer informatie over de beschuldigingen tegen de aangehouden persoon ?

2. Overweegt BelgiŽ een gerechtelijk onderzoek te openen tegen de aanstoker van de moord ?

3. Overweegt het openbaar ministerie zich tijdens het proces burgerlijke partij te stellen ?

Antwoord : Op basis van de informatie die mij enerzijds werd meegedeeld door de vijf parketten-generaal die belast zijn met de dossiers inzake het plegen van ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht tot bij het van kracht worden van de wet van 5 augustus 2003, en anderzijds door het federaal parket dat sedertdien het alleenrecht heeft op het vlak van de vervolgingen van dergelijke misdrijven, is mij bevestigd dat er momenteel geen gerechtelijk dossier bestaat dat specifiek verbonden is met de moord op de heer Albert Craemers, waarnaar uw vraag verwijst. Er wordt mij eveneens bevestigd dat de nabestaanden van het slachtoffer nooit klacht indienden bij de Belgische gerechtelijke autoriteiten en dat er a fortiori voor deze materie ook geen burgerlijke partijstelling is.

Ik heb niettemin aan mijn collega van Buitenlandse Zaken gevraagd mij via de officiŽle weg te informeren over de stand van zaken van het Rwandadossier, zodat ik er zeker kan van zijn dat er wel degelijk vervolgingen aan de gang zijn tegen de persoon die in deze zaak werd aangehouden, zoals de informatie die in de krant ę Le Soir Ľ verscheen dat onderstreept.

Indien de informatie zou worden bevestigd door de Rwandese overheid, zou het ontbreken van een uitleveringsverdrag tussen BelgiŽ en Rwanda een uitlevering uiterst onzeker maken; het feit dat men in Rwanda vervolgingen instelt tegen de vermoedelijke pleger van de moord die in dat land werd aangehouden en het principe ne bis in idem zouden het mij niet mogelijk maken om in dit dossier een tussenkomst te overwegen van de Belgische justitie. Ik vraag niettemin aan mijn departement dat het zich op de hoogte houdt van de evolutie ervan in Rwanda, gezien de algemene context van deze moord en het feit dat het slachtoffer een Belg is.