3-366/3

3-366/3

Belgische Senaat

ZITTING 2004-2005

23 MAART 2005


De problematiek van de doping in de sport


TWEEDE VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE SOCIALE AANGELEGENHEDEN UITGEBRACHT DOOR DE HEREN GERMEAUX EN WILMOTS


I. INLEIDING

Tijdens de zittingsperiode 2003-2004 van de Senaat heeft de commissie voor de Sociale Aangelegenheden tal van hoorzittingen georganiseerd over de problematiek van de doping in de sport. Deze hoorzittingen worden weergegeven in het verslag van de commissie (stuk Senaat, nr. 3-366/1), dat bovendien ook een overzicht van de verboden middelen en van de verstrekking ervan bevat.

In dit verslag werden ook vaststellingen en aanbevelingen van de commissie voorgesteld (hoofdstuk IV van het verslag). Dit ontwerp van vaststellingen en aanbevelingen werd besproken tijdens de vergaderingen van de commissie van 12 januari, 16 en 23 februari en op 9 en 23 maart 2005 en gaf aanleiding tot 5 amendementen (stuk Senaat nr. 3-366/2). De bespreking van het ontwerp van vaststellingen en aanbevelingen en van de amendementen wordt weergegeven in hoofdstuk II van dit tweede verslag van de commissie. De geamendeerde vaststellingen en aanbevelingen, zoals ze door de commissie voor de Sociale Aangelegenheden werden aangenomen, kan men raadplegen in een apart document (stuk Senaat, nr. 3-366/4).

II. BESPREKING

Aanbeveling nr. 3

Amendementen nrs. 1 en 2

De heer Wilmots dient een amendement nr. 1 in (Stuk Senaat, nr. 3-366/2) dat ertoe strekt om enerzijds de twee laatste zinnen van de aanbeveling nr. 3 te doen vervallen en anderzijds om, na de woorden « en resoluut afstand te nemen van dopinggebruik » de woorden « volgens de methodes welke die sponsorbedrijven het meest aangewezen achten. » toe te voegen.

Hij meent dat sponsorbedrijven zelf moeten kunnen bepalen op welke wijze zij afstand willen nemen van dopinggebruik, zonder te specifieren dat hiervoor de fiscale weg dient bewandeld te worden.

Tevens dient de heer Wilmots een amendement nr. 2 in (stuk Senaat, nr. 3-366/2), dat subsidiair is aan amendement nr. 1 en ertoe strekt de aanbeveling nr. 3 volledig te vervangen door de volgende tekst :

« 3. Bedrijven, die clubs of individuele sportbeoefenaars sponsoren moeten wanneer deze meermaals voor dopinggebruik werden veroordeeld, hun verantwoordelijkheid opnemen en resoluut afstand nemen van dopinggebruik. In zoverre sponsors blind zijn voor doping, kan niet worden aanvaard dat de bestede reclamebudgetten fiscaal aftrekbaar zijn. »

De heer Germeaux herinnert eraan dat uit de vele hoorzittingen de wil van de commissie is gebleken om, binnen het federale bevoegdheidsterrein, alle actoren te betrekken bij de strijd tegen doping. Er moeten dan ook aanbevelingen worden geformuleerd naar de sponsors toe, ook al dreigt hier mogelijk het gevaar dat bepaalde sponsors van sportmanifestaties of van sportclubs dreigen af te haken.

Het ware natuurlijk beter geweest mochten de sponsors dergelijke problemen zelf kunnen regelen, maar in de praktijk blijkt dat dit niet gebeurt. Vandaar dat het ontwerp van aanbeveling nr. 3 hier een duidelijke stok achter de deur biedt, voor zover de sponsors zelf geen oplossing bieden.

Aanbeveling nr. 26

Amendementen nrs. 5 en 3

De heer Cornil dient een amendement nr. 5 in (Stuk Senaat, nr. 3-366/2), dat ertoe strekt de aanbeveling nr. 26 te doen vervallen.

De heer Cornil verwijst naar de parlementaire voorbereiding van de wet van 9 juli 1975 die artikel 6 van de wet van 24 februari 1921 heeft vervangen. Dit artikel laat reeds een strafvermindering toe voor diegenen die meewerken aan het oprollen van drugsnetwerken. Deze bepaling, gecombineerd met het gemene strafrecht, volstaat derhalve om het beoogde doel — medewerking van dopinggebruikers aan het strafonderzoek — te bereiken. Een uitbreiding van het toepassingsveld van dit artikel 6 is derhalve overbodig. Voor het overige verwijst spreker naar de schriftelijke verantwoording bij het amendement.

Overigens merkt spreker op dat deze bepaling destijds eenparig werd aangenomen in het parlement. De evaluatie van de praktijk van spijtoptanten, bijvoorbeeld in Italië en, meer recentelijk, in Rwanda, maakt het spreker evenwel onmogelijk om het ontwerp van aanbeveling, zoals weergegeven in het verslag van de commissie (zie stuk Senaat, nr. 3-366/1), ongewijzigd goed te keuren, zonder voor het overige een consensus in de weg te willen staan.

De heer Wilmots dient een amendement nr. 3 in (stuk Senaat, nr. 3-366/2) dat beoogt de tekst van aanbeveling nr. 26 volledig te vervangen als volgt :

« 26. Het is van vitaal belang zicht te krijgen op de producenten en leveranciers van dopingproducten. De sancties opgelegd aan sportbeoefenaars die worden betrapt op het gebruik van die producten, zouden rekening moeten houden met de mate waarin zij aan het gerechtelijk onderzoek hebben meegewerkt. »

De heer Wilmots verklaart dat de voorgestelde tekst weliswaar toelaat om de strafmaat aan te passen aan de wijze waarop de betrokkene heeft bijgedragen aan het onderzoek, zonder evenwel verklikking stelselmatig aan te moedigen.

De heer Germeaux heeft begrip voor de argumenten van de indieners van de amendementen nrs. 5 en 3, maar stelt niettemin vast dat het principe van « spijtoptanten » reeds in de wet van 1921 is ingeschreven voor wat betreft de gifstoffen. Zaak is om dit nu ook voor dopingproducten te doen. Hij betwist dat dit systeem niet zou functioneren. Zelf kent hij enkele voorbeelden van sporters die, wanneer hun een strafvermindering wordt aangeboden, bereid waren om mee te werken aan het gerechtelijk onderzoek.

Essentieel is of de samenleving moet aanvaarden dat er in bepaalde sportmiddens zoiets bestaat als een « omerta », een zwijgplicht. Men denke hierbij aan het incident in de Ronde van Frankrijk van 2004 tussen Armstrong en Simeoni : die laatste had verklaard dat Armstrong mogelijk ook doping zou gebruiken en mag nu van de « chef » van het peleton geen enkele koers meer winnen. Moet men een dergelijke « omerta » blijven aanvaarden ? Spreker vindt dat het perspectief van strafvermindering, dat aan een eventuele « verklikker » wordt geboden, belangrijker is dan het blijven aanvaarden van een zwijgplicht. Om het systeem te ontmantelen moet de « omerta » immers worden doorbroken. Dit kan — onder andere — door het aanvaarden van het systeem van spijtoptanten in het strafrecht die, wanneer zij harde feiten en bewijzen aanbrengen, een strafvermindering kunnen krijgen.

De heer Cornil verwijst naar de bestaande libellering van artikel 6, tweede en derde lid, van de wet van 24 februari 1921 :

« Van de correctionele straffen bepaald bij de artikelen 2bis, 2quater en 3, blijven vrij de schuldigen die, vóór de vervolging, aan de overheid de identiteit van de daders van de bij die artikelen omschreven misdrijven of, indien de daders niet bekend zijn, het bestaan van die misdrijven hebben onthuld.

In dezelfde gevallen worden de bij diezelfde artikelen gestelde criminele straffen verminderd in de bij artikel 414, tweede en derde lid, van het Strafwetboek bepaalde mate. »

Deze bepalingen laten zijns inziens reeds een strafvermindering toe binnen het kader van de wet van 1921, zodat het niet nodig is zulks aan te bevelen aan de minister van Justitie. Dit is overbodig vanuit juridisch-technisch oogpunt. Wanneer het echter de bedoeling zou zijn om het toepassingsveld van deze strafbepalingen te verruimen naar andere wetten, bijvoorbeeld de wetgeving inzake geneesmiddelen en inzake hormonen, of naar het tuchtrecht — dat overigens tot de bevoegdheid van de gemeenschappen behoort — kan spreker hiermee niet instemmen.

De heer Germeaux meent dat het gebruik van de term « dopingproducten » in het ontwerp van aanbeveling nr. 26 niet enkel slaat op producten die onder de wet van 1921 vallen, maar ook andere producten betreft, zoals bijvoorbeeld hormonale producten. Vandaar ook de libellering « naar analogie van wat artikel 6 van de wet van 24 februari 1921 voorschrijft ».

Mevrouw De Schamphelaere is van oordeel dat het bijzonder onlogisch zou zijn dat een onderzoeksrechter de mogelijkheid van strafvermindering aan een spijtoptant wel zou kunnen bieden wat betreft de producten die onder de toepassingssfeer van de wet van 24 februari 1921 vallen maar niet voor andere producten. Vandaar dat zij het eens is met de libellering van het ontwerp van aanbeveling nr. 26.

Aanbeveling nr. 27

Amendement nr. 4

De heer Wilmots dient een amendement nr. 4 in (stuk Senaat, nr. 3-366/2) dat ertoe strekt de aanbeveling nr. 27 te doen luiden als volgt :

« 27. Het is verantwoord de straffen opgelegd krachtens de wet van 24 februari 1921 te verzwaren wanneer het gaat om geneesheren die de patiënten-sportbeoefenaars gewoonlijk volgen en die hun een dosis geneesmiddelen voorschrijven die niet beantwoordt aan een therapeutische noodzaak en die wordt aangewend om de sportieve prestaties van de patiënt op te drijven. »

III. STEMMINGEN

Amendement nr. 1 wordt verworpen met 8 tegen 3 stemmen.

Amendement nr. 2 wordt aangenomen met 8 stemmen tegen 1 stem.

De amendementen nrs. 3 en 4 worden verworpen met 8 tegen 2 stemmen.

Amendement nr. 5 wordt verworpen met 9 stemmen tegen 1 stem.

De geamendeerde vaststellingen en aanbevelingen worden in hun geheel aangenomen met 9 stemmen bij 1 onthouding.

Dit verslag wordt unaniem goedgekeurd door de 9 aanwezige leden.

De rapporteurs, De voorzitter,
Jacques GERMEAUX.
Marc WILMOTS.
Annemie VAN de CASTEELE.