3-976/4

3-976/4

Belgische Senaat

ZITTING 2004-2005

1 FEBRUARI 2005


Wetsontwerp tot invoeging van de artikelen 187bis, 187ter, 191bis, 191ter, 194bis en 194ter in het Gerechtelijk Wetboek en tot wijziging van de artikelen 259bis-9 en 259bis-10 van hetzelfde Wetboek


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE JUSTITIE UITGEBRACHT DOOR DE DAMES LALOY EN TALHAOUI


I. INLEIDING

Dit verplicht bicameraal wetsontwerp werd in de Kamer van volksvertegenwoordigers oorspronkelijk ingediend als een wetsontwerp van de regering (stuk Kamer, nr. 51-1247/1).

Het werd op 23 december 2004 aangenomen door de Kamer van volksvertegenwoordigers, met 99 tegen 15 stemmen.

Het werd op 24 december 2004 overgezonden aan de Senaat.

De commissie heeft dit wetsontwerp besproken tijdens haar vergaderingen van 11 en 18 januari, en 1 februari 2005.

II. INLEIDENDE UITEENZETTING DOOR DE MINISTER VAN JUSTITIE

Het voorliggende wetsontwerp is erop gericht om een derde toegangsweg tot de magistratuur mogelijk te maken.

Naast het vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage en het examen inzake beroepsbekwaamheid, had de wet van 15 juni 2001 een derde toegangsweg tot de magistratuur ingesteld : het mondelinge evaluatie-examen.

Deze bijkomende toegangsweg maakte het aan de advocaten die minstens 20 jaar ervaring aan de balie hadden of minstens 15 jaar ervaring aan de balie, gevolgd door 5 jaar uitoefenen van een functie die een gedegen kennis van het recht vereist, mogelijk om zich kandidaat te stellen voor een functie als rechter in de rechtbank van eerste aanleg, in de arbeidsrechtbank of in de rechtbank van koophandel.

Voordien kwam de Hoge Raad voor de Justitie niet alleen tussenbeide om te beslissen of de aanvrager voldeed aan de voorwaarden voor ontvankelijkheid, maar ook om hem, na het mondelinge evaluatie-examen, een toestemming af te geven om zich kandidaat te stellen voor een benoeming.

De artikelen 3, 5 en 6 van de wet van 15 juni 2001 betreffende de derde toegangsweg, werden echter door een arrest van 28 januari 2003 van het Arbitragehof nietig verklaard.

Het Arbitragehof stelde het principe van deze « derde weg » niet in vraag, maar was van mening dat die slechts in beperkte mate open kon staan, op het gevaar af dat men de doelstellingen die de wetgever voor ogen had zou miskennen en dat degenen die zich aan de proeven van het vergelijkend examen of het examen onderwerpen, in hun terechte verwachtingen zouden worden teleurgesteld.

De gerechtelijke stagiairs, die geslaagd zouden zijn in het toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage en die deze stage doorlopen hebben evenals de personen die deelnamen aan het examen inzake beroepsbekwaamheid, liepen inderdaad het risico om, op een moeilijk te becijferen en voorspelbare mate, geconfronteerd te worden met nieuwe concurrenten.

Daarom werd besloten om deze derde weg weer in te voeren, want er was grote vraag vanwege de mensen die in de praktijk staan, maar met rekening te houden met de opmerkingen van het Arbitragehof en door tegelijk enkele wijzigingen aan te brengen in vergelijking met de oorspronkelijke tekst, die voor het overgrote deel in dit ontwerp opgenomen is.

Teneinde de aanwijzingen van het Arbitragehof te respecteren, stelt het ontwerp voor om een quota vast te leggen van 12 % per kader van het rechtsgebied van het hof van beroep, van magistraten die volgens deze weg kunnen worden benoemd. Over dit percentage was de Raad van State van mening dat het « op het eerste gezicht geen afbreuk lijkt te doen aan de betekenis die het Hof aan de termen « zeer beperkte mate » heeft willen geven ».

Bovendien beoogden de teksten die door het Arbitragehof werden vernietigd deze derde toegangsweg alleen voor functies als rechter in de rechtbank van eerste aanleg, de arbeidsrechtbank of de rechtbank van koophandel. Het leek coherenter en billijker te zijn om deze weg eveneens open te stellen tot de functies van vrederechter, rechter in de politierechtbank, toegevoegd rechter, substituut-procureur des Konings, substituut-arbeidsauditeur of toegevoegd substituut. Het gaat respectievelijk om wat het voorwerp is van de artikelen 2, 4 en 6 van het ontwerp.

Teneinde beter de geest en niet alleen de letter te respecteren van de aanwijzingen van het Arbitragehof, is voorzien dat de beperking tot 12 % eveneens van toepassing is binnen elke van de in deze artikelen beoogde categorieën : de eerste hiervan bestaat uit de rechters in de rechtbank van eerste aanleg, in de arbeidsrechtbank en rechtbank van koophandel, de tweede uit de vrederechters, rechters in de politierechtbank of toegevoegde rechters en de derde uit de substituut-procureurs des Koning, de substituut-arbeidsauditeurs of de toegevoegde substituten. Deze afscheiding zal toelaten om een eventueel onevenwicht in de manier waarop het quota van 12 % wordt gebruikt te vermijden.

Bovendien werd eveneens in de Kamer besloten om deze beperking van 12 % geleidelijk in te voeren. Zo zal het eerste jaar slechts 4 % van het kader opengesteld worden voor kandidaten uit de derde toegangsweg, 8 % het tweede jaar en 12 % het derde jaar.

Er dient op gewezen dat de voorwaarden waaraan de aanvrager in vergelijking met de vorige tekst moet voldoen enigszins versoepeld werden en logischer zijn.

Er wordt inderdaad niet meer geëist dat de 15 of 20 jaar aan de balie ononderbroken doorgingen. Verder kunnen de 5 eventuele jaren van het uitoefenen van een functie die een gedegen kennis van het recht vereist op gelijk welk moment van het curriculum van de kandidaat gebeuren. Tot slot moet men niet altijd meer advocaat zijn op het moment dat men zich kandidaat stelt.

Het gaat alleen over de voorwaarden van ontvankelijkheid, die gewoon toelaten dat de kandidatuur ingediend wordt. De Hoge Raad voor de Justitie moet daarna, tijdens het mondelinge evaluatie-examen, nog beoordelen of de kandidaat al dan niet de toelating krijgt om zich kandidaat te stellen voor een functie als magistraat. En de Hoge Raad voor de Justitie komt opnieuw tussen bij het voorstellen van de kandidaten.

Als gevolg van de besprekingen in de Kamer werd ook bepaald dat de Hoge Raad voor de Justitie voor het examen vraagt om een schriftelijk gemotiveerd advies van een vertegenwoordiger van de balie waar de kandidaat zijn beroep uitoefent of heeft uitgeoefend en die aangewezen is door de stafhouder. Dit advies zal met name betrekking hebben op de nuttige beroepservaring waarop de kandidaat zich kan beroepen als advocaat om de functie van magistraat uit te oefenen.

Zoals kandidaten werd gepreciseerd, komt dit ontwerp overeen met een grote vraag afkomstig van de rechtspractici. Deze derde weg biedt aan potentieel waardevolle elementen, die op een aanzienlijke juridische carrière kunnen bogen, de mogelijkheid om de magistratuur te versterken. Aangezien ze in hun leven en in hun carrière een stadium hebben bereikt op welk niveau het nog moeilijk is om hen te motiveren deel te nemen aan het traditionele schriftelijke examen, moest men een andere manier van selecteren uitwerken, teneinde deze personen aan te zetten om zich bij de magistratuur te voegen.

In zijn advies van 28 juni 2000 betreffende de eerste versie van de derde weg, was de Hoge Raad voor de Justitie van mening dat deze maatregel gerechtvaardigd was. In het kort preciseerde de HRJ het volgende :

— het ontwerp moedigde bepaalde ervaren advocaten aan om zich kandidaat te stellen als rechter, terwijl ze dat zonder deze derde weg niet zouden gedaan hebben;

— dat dit het rekruteringsveld voor de zetel zou verruimen;

— dat dit de rekrutering in functie van leeftijden en professionele ervaring zou moduleren;

— dat dit kritiek zou voorkomen over de rekrutering van de magistratuur zoals dat in Frankrijk gebeurde;

— dat dit zou toelaten om dichter bij het Britse systeem te komen, waarvan men de efficiëntie onderstreept;

— dat het ontwerp tot een grotere mobiliteit zou leiden.

Tot slot preciseerde de HRJ enerzijds dat hij tweemaal zou tussenkomen alvorens de advocaat zich kandidaat kan stellen en dat de balies anderzijds de permanente vorming verplicht maken, zodat de kwaliteit van de kandidaten die worden benoemd zal gegarandeerd zijn.

De minister wenst tegemoet te komen aan de rechtmatige bezorgdheid van de gerechtelijke stagiairs. Die onderwerpen zich aan een vergelijkend examen waarvoor ze serieus moeten investeren en daarna volgen ze een opleiding van 18 of 36 maanden, eventueel verlengbaar met twee perioden van 6 maanden.

Indien ze na het vervullen van hun stage genoegdoening geven, moet alles in het werk worden gesteld om deze stagiairs te kunnen benoemen. Zij vrezen dat het openen van de derde weg voor sommigen onder hen tot gevolg heeft dat ze na het beëindigen van hun stage niet kunnen worden benoemd.

In dit opzicht wenst de minister twee elementen te preciseren.

In de eerste plaats zijn de hypotheses waarbij een stagiair niet werd benoemd na zijn eventueel verlengde stage uiterst zelden voorgekomen. Bovendien is dit vaak te wijten aan het feit dat er maar een beperkt aantal plaatsen zijn waarvoor de stagiair zich kandidaat stelde of omdat de stagiair zelf voor een ander beroep koos.

In de tweede plaats beschikt de regering over een aangepast middel om te vermijden dat deze situatie zich zou voordoen : het aantal gerechtelijke stagiairs die toegelaten worden tot de gerechtelijke stage werd elk jaar vastgelegd bij een in de Ministerraad overlegd koninklijk besluit.

Ter illustratie : sedert twee jaar is dit aantal vastgelegd op 27 Nederlandstaligen en 23 Franstaligen. Het is dus mogelijk om te anticiperen op de noden aan magistraten en om bijgevolg het aantal gerechtelijke stagiairs bij aanvang van het gerechtelijk jaar te moduleren.

Tot slot wenst de minister nog de overwegingen citeren van twee arresten van het Arbitragehof.

De eerste overweging is punt B.12 van het arrest van 28 januari 2003 dat stelt dat : « Door die categorie van personen (de advocaten) vrij te stellen van het examen inzake beroepsbekwaamheid, is de wetgever trouw gebleven aan de steeds opnieuw bevestigde en door tal van Staten gedeelde opvatting volgens welke de praktijk aan de balie het mogelijk maakt de psychologische, menselijke en juridische kwaliteiten te verwerven die de rechters moeten bezitten. »

De tweede overweging, is punt B.31 van arrest nr. 116 van 30 juni 2004 dat stelt dat : « De ervaring aan de balie heeft specifieke kenmerken die men niet aantreft in om het even welke ervaring opgedaan in andere juridische beroepen. Die specifieke kenmerken houden verband met het feit dat ervaring aan de balie bij uitstek de kennis meebrengt van een aantal werkelijkheden waarmee ook een magistraat in zijn ambtsuitoefening wordt geconfronteerd, wat hem onder meer een beter inzicht verleent in het verloop van de gerechtelijke procedure en in de rol van de medewerkers van het gerecht, een betere kennis van de rechtsonderhorigen, een beter aanvoelen van het begrip van het contradictoir debat en van het beginsel van de rechten van de verdediging. De praktijk aan de balie maakt het dan ook mogelijk de psychologische, menselijke en juridische kwaliteiten te verwerven die de rechters moeten bezitten. »

Het voorliggende past perfect binnen deze opvatting.

III. HOORZITTING MET VERTEGENWOORDIGERS VAN DE GERECHTELIJKE STAGIAIRS

A. Uiteenzetting van de heer Van Ransbeeck

De minister heeft een ontwerp ingediend waardoor een derde mogelijke ingangsweg tot de magistratuur wordt gecreeerd. Zo zouden advocaten met 20 jaar ervaring of advocaten met 15 jaar ervaring aangevuld met 5 jaar andere relevante juridische ervaring, vrijgesteld worden van de examens voor de gerechtelijke stage en de examens betreffende de beroepsbekwaamheid. Zij zouden gemachtigd kunnen worden om na een mondelinge proef mee te postuleren voor vacante magistratenbetrekkingen. Deze mogelijkheid zou in andere Europese landen gelden en zou een nieuwe bron van mogelijke magistraten aanboren die anders niet geneigd zouden zijn om deel te nemen aan het examen.

Het Arbitragehof zou deze mogelijkheid erkend hebben, maar vond de desbetreffende wet niet geoorloofd omdat er geen beperking op de instroom van dit kanaal bestond. De minister meent dat dit euvel is opgelost doordat in haar wetsontwerp duidelijk wordt aangegeven dat per rechtsgebied maximaal 12 % van alle mandaten aan de geslaagden van deze nieuwe mondelinge proef toegewezen kunnen worden.

Uit het systeem dat door de minister wordt voorgesteld blijkt dat deze nieuwe examenvorm (mondelinge proef) alleszins makkelijker zou zijn omdat zij meent dat er van uitgegaan kan worden dat na 20 jaar balie-ervaring (of 15 jaar + 5 jaar) een heel groot aantal bekwaamheden sowieso verworven zouden zijn en bijgevolg niet meer getest moeten worden.

Ondanks deze redengeving bestaan hierop heel wat bezwaren :

— In eerste instantie bestaat er geen enkele objectieve aanwijzing dat een advocaat met 20 jaar ervaring sowieso bepaalde bekwaamheden bezit waardoor deze minder diepgaand geëxamineerd moet worden. Wanneer wordt geïnformeerd naar de inhoud van deze bekwaamheden waarover een advocaat met 20 jaar ervaring zou moeten beschikken, dan wordt meestal verwezen naar het feit dat een dergelijke advocaat over veel levenservaring en psychologisch doorzicht beschikt. Vooreerst staat het niet vast dat iedere advocaat met 20 jaar balie-ervaring over deze kwaliteiten beschikt. Als tweede punt moet vastgesteld worden dat dergelijke vaardigheden niet gelinkt zijn aan de leeftijd. Ten slotte zij opgemerkt dat deze vaardigheden alleszins niet getest worden in het schriftelijk examen van het gerechtelijk stage-examen of het examen inzake beroepsbekwaamheid. Bij gevolg valt niet in te zien waarom advocaten met 20 jaar ervaring vrijgesteld moeten worden van het schriftelijk examen. Immers, schrijfvaardigheid, logisch doorzicht en synthesevermogen zijn evenmin elementen die automatisch aanwezig zijn bij alle advocaten met 20 jaar ervaring en die zonder meer getest moeten worden. Dit laatste kan alleen objectief gebeuren door middel van een schriftelijk examen.

— Het criterium dat advocaten met twintig jaar ervaring per definitie dermate waardevol zijn dat zij toegang moeten krijgen via een gemakkelijker examen, is arbitrair. Immers, advocaten met 20 jaar ervaring hebben niet per definitie een diepgaande allround-kennis van het rechtssysteem. Zo zijn er bijvoorbeeld advocaten die gedurende twintig jaar enkel aan consultancy hebben gedaan en zodoende slechts beperkte (of geen) ervaring hebben met de rechtbank, gerechtsdeurwaarders en andere diensten en instellingen die betrokken zijn in het kader van de rechtspleging. Er kan nu eenmaal niet uitgegaan worden van het criterium dat een goede advocaat per definitie een goede rechter-parketmagistraat zal zijn.

— Het Arbitragehof heeft zelf aangegeven dat een dergelijke derde weg slechts in uitzonderlijke omstandigheden kan gebruikt worden. Er bestaan inderdaad uitzonderlijke mensen die eventueel aangetrokken moeten kunnen worden en voor wie het examensysteem een onoverkomelijke drempel is. Doch deze categorie van de allergrootsten gaat zich evenmin geroepen voelen om zich te onderwerpen aan een mondelinge proef. Bovendien is het bijzonder eigenaardig om te stellen dat iedere advocaat met 20 jaar ervaring dermate uitzonderlijk waardevol is dat hij via deze « soepelere vorm » tot de magistratuur zou moeten worden aangetrokken.

— Het is een aanfluiting van het systeem van het examen inzake de beroepsbekwaamheid. Advocaten met 10 jaar waardevolle ervaring moeten wel een bijzonder zwaar examen afleggen. Nu zou dit niet meer hoeven wanneer men 20 jaar balie-ervaring heeft. Het zogezegde probleem dat advocaten met 20 jaar ervaring niet gemotiveerd kunnen worden om aan het examen beroepsbekwaamheid mee te doen, is een vals probleem. Echt gemotiveerde advocaten met 20 jaar ervaring doen wel mee met het examen en hebben zelfs goede slaagkansen. De derde weg is alleen van aard om minder gemotiveerde kandidaten ook nog een kans te geven. De vraag is alleen of justitie en de rechtsbedeling gediend zijn met mensen waarvan de motivatie niet optimaal is. Dit is een belangrijke vraag in een context waar de geloofwaardigheid van ons rechtsbestel ter discussie staat (gerechtelijke achterstand, geloofwaardigheid van de beslissingen, ...).

— Is het argument dat advocaten met 20 jaar ervaring zich niet meer gemotiveerd voelen om een van de bestaande examens af te leggen niet veeleer een excuus voor het feit dat zij zelf beseffen dat zij niet aan de huidig geldende (en terecht strenge) selectiestandaarden voor magistraten voldoen ? Het invoeren van een derde weg is niet meer of niet minder dan een gemaskeerde aanval op het huidig geldend systeem van kwaliteitsbewaking op de instroom van nieuwe magistraten. Het invoeren van de derde weg staat dus gelijk met het ondergraven van de visie van kwaliteitsgericht denken en werken in de magistratuur.

— Er is geen probleem van instroom. De gerechtelijke stagiairs kunnen meestal pas benoemd worden na twee verlengingen. Dit toont duidelijk aan dat er binnen het bestaande systeem reeds meer kandidaten zijn dan beschikbare plaatsen. Een derde weg openen betekent dat er nog zoveel meer kandidaten zullen zijn voor een plaats. Hierdoor worden de benoemingskansen van de positief geëvalueerde gerechtelijke stagiairs (die nota bene wel al examens hebben doorstaan en die bovendien dan nog eens anderhalf tot drie of vier jaar stage hebben gelopen) mogelijk nog meer gehypothekeerd. Hierdoor worden de « rechtmatig gewekte verwachtingen » (sic, Arbitragehof) van de stagiairs en diegenen die wel een zwaar examen hebben afgelegd volledig miskend. De kans dat stagiairs na hun tweede verlenging niet benoemd geraken wordt dus groter. Het antwoord van de minister op een parlementaire vraag over de toekomstkansen van de gerechtelijke stagiairs krijgt dan ook een profetische betekenis wanneer zij stelde dat de stagiairs nog steeds kunnen gaan stempelen indien zij niet meer verlengd kunnen worden. Bovendien moet worden opgemerkt dat de problemen en de pijnpunten met betrekking tot de niet-invulling van bepaalde plaatsen zichzelf aan het oplossen is. Zo bijvoorbeeld is het probleem van het gebrek aan tweetalige kandidaten aan het wegebben doordat er voldoende geslaagden zijn van het taalexamen. Geïsoleerde problemen zullen altijd blijven bestaan en het openen van een dergelijke nieuwe benoemingspiste zal hieraan niets verhelpen.

— Het argument van de Raad van State : bestaat er een objectief onderscheid tussen advocaten met 20 jaar ervaring en andere juridische beroepen met eveneens 20 jaar zeer relevante juridische ervaring (cf. notarissen, pleiters van de vakbonden voor de arbeidsrechtbanken, consultants, parketjuristen en referendarissen) ? Een objectief onderscheid bestaat echter niet. Dit argument is zelfs van aard om opnieuw een procedure voor het Arbitragehof te rechtvaardigen.

— Een gelijkaardige redenering kan gemaakt worden met betrekking tot het gemaakte onderscheid tussen advocaten met 10 en 20 jaar ervaring. Is de laatste categorie inderdaad meer waardevol dan de eerste categorie ? Ook hier bestaat geen objectief onderscheid. Trouwens, de praktijk toont aan dat advocaten met 10 of meer jaren balie- of andere juridische ervaring, niet te beroerd zijn om het examen beroepsbekwaamheid af te leggen of om zelfs de gerechtelijke stage aan te vatten ! Getuigen juist deze mensen niet van de o zo vereiste motivatie ?

— Inconsequentie met de oorspronkelijke bedoelingen van de wetgever voor het invoeren van het examen inzake beroepsbekwaamheid en voor de gerechtelijke stage. We komen van een systeem waar advocaten met ervaring sowieso kandidaat konden zijn voor de magistratuur. Er is in 1991 van afgestapt omdat men de benoemingen op een volledig objectieve wijze wilde laten verlopen. Men wou afstappen van iedere zweem van subjectiviteit en politieke inmenging (cf. het voortdurende verwijt van de politieke benoemingen). Door het invoeren van vooreerst een louter mondelinge proef (door bijgevolg het examen minder moeilijk en lastig te maken) opent men terug de poort die men begin de jaren negentig heeft willen sluiten en gaat men een examen organiseren dat nooit als objectief zal kunnen worden beschouwd. De invoering van dit examen zal mogelijk de schijn doen herleven dat de politieke benoemingen in justitie opnieuw worden ingevoerd. Bij analogie kan ons inziens het adagium « justice must not only be done, it must also be seen to be done » ook hier toepassing vinden.

— In het verleden zijn er jammer genoeg te veel gevallen geweest waar advocaten met ervaring (meer dan 20 jaar balie) benoemd werden omdat zij een gevaar vormden voor hun cliënten of voor zichzelf. Een andere praktijk was het deviëren van een advocaat wiens praktijk na een aantal jaren nog steeds niets voorstelde naar de magistratuur om zo een sociaal drama te vermijden. Hierdoor heeft de magistratuur op een bepaald moment (en jammer genoeg vaak terecht) het etiket gekregen dat zij in feite dienst deed als het sociaal vangnet of de socialezekerheidsinstelling van de advocatuur.

Tevens is de magistratuur in het verleden zelfs gebruikt als de ultieme beloning voor loyaal « politieke personeelsleden » die zo op een rustige en ontspannen wijze hun dagen konden slijten tot hun pensioen terwijl zij nog wat extra pensioenrechten konden opbouwen. Deze praktijken waren bijzonder kwetsend voor de grote meerderheid van de magistraten die in die periode wel op basis van bekwaamheid en verdienste hun plaats in de magistratuur hebben verdiend. Sinds de invoering van het huidig geldende examensysteem, zijn deze praktijken — die de geloofwaardigheid van justitie in het algemeen hebben aangetast — naar de geschiedenisboeken verwezen. Door de herinvoering van de derde weg zal dit zonder meer een gevolg hebben op de perceptie van justitie door de rechtzoekende. De gerechtelijke benoemingen zouden dan opnieuw in een kwalijk daglicht gesteld worden.

— Is dit wel de beste oplossing ? Zou men niet beter kijken naar het profiel van diegenen die momenteel wel geslaagd zijn voor het examen inzake de beroepsbekwaamheid. In de huidige reserve van het examen inzake de beroepsbekwaamheid zijn er misschien reeds voldoende mensen die aan dit profiel beantwoorden. Indien men die wil laten instromen, zou men dan niet beter deze mensen aansporen om toch hun kandidatuur in te dienen in plaats van een nieuwe examenvorm in te voeren ?

— Indien objectief kan worden vastgesteld dat er een probleem zou bestaan bij de oudere advocaten om deel te nemen aan een examen, dan is het volgens de heer Van Ransbeeck beter om het systeem en het functioneren van het examen inzake beroepsbekwaamheid te evalueren in plaats van een volledig nieuwe en parallelle procedure in te voeren.

— De grens dat maximaal 12 % van de benoemingen geput mogen worden uit de geslaagden voor dit mondelinge examen is totaal arbitrair. De regering had aanvankelijk 20 % voor ogen, de inspecteur van financiën 10 %. Het compromis is uiteindelijk 12 % geworden. Dit is een ontzettend hoog getal, daar waar het Arbitragehof uitdrukkelijk heeft gesteld dat in ons systeem de « derde weg » uitzonderlijk zou moeten zijn om op die manier uitzonderlijke mensen te kunnen aantrekken. Maximaal 12 % van de benoemingen is een enorm aantal dat, nogmaals, de kansen van de andere kandidaten die wel de verschillende examens hebben doorlopen, enorm benadeelt. Dit is geen uitzonderingsprocedure, door zo een drempel is het duidelijk de bedoeling om een zeer groot aantal (politieke ?) benoemingen te laten doorgaan.

— Met betrekking tot de inhoud van de mondelinge proef bestaat er momenteel geen enkele indicatie. Aan de Hoge Raad voor de Justitie wordt een bijzonder ruime appreciatiebevoegdheid gegeven, momenteel nog niet afgebakend door het bepalen van strikte beoordelingscriteria (het wetsontwerp stelt ook voor de wijze, organisatie en voorwaarden betreffende de inhoud van de mondelinge proef bij koninklijk besluit te regelen). Bijgevolg kan nu onmogelijk gesproken worden van een kwalitatief gelijkwaardige proef in vergelijking met de bestaande examens. Alweer, dit kan alleen de geloofwaardigheid van het benoemingsbeleid in de magistratuur en de geloofwaardigheid van de magistratuur in het algemeen, in het gedrang brengen.

— De minister geeft aan dat een advocaat met 20 jaar ervaring bijzonder veel bijkomende vaardigheden heeft, waardoor deze groep bijzonder aantrekkelijk is om kandidaten uit te putten voor de magistratuur. Om die reden moeten deze mensen geselecteerd worden via een minder omslachtige procedure om hen te motiveren zich kandidaat te stellen. Kortom, het idee dat aan de derde weg ten grondslag ligt is om meer levenswijsheid en psychologisch doorzicht binnen te halen in de magistratuur. Dit idee is niet correct. Levenswijsheid en psychologisch doorzicht volgen niet automatisch uit 20 jaar ervaring.

Bovendien toetst het schriftelijke deel van de examens van gerechtelijk stagiair en het examen beroepsbekwaamheid, geenszins de ervaring en het psychologisch doorzicht. Deze modules toetsen het synthesevermogen, de juridische kennis en de schrijfvaardigheden van de kandidaten op een objectieve wijze. Dit laatste zijn belangrijke vaardigheden waarover ook de kandidaten moeten beschikken die via de derde weg voor de magistratuur willen postuleren. Deze vaardigheden volgen evenmin automatisch uit 20 jaar advocatenervaring. Kortom, ook hier schuilt een ongelijkheid die mogelijk aanleiding kan geven tot vernietiging van deze wet.

— Uit de gepubliceerde vacatures en de recente benoemingen blijkt dat er enkel een (klein) tekort is aan kandidaten voor welbepaalde gespecialiseerde functies (bijvoorbeeld fiscalisten) en voor sommige tweetalige functies (dit probleem geraakt zelfs stilaan opgelost). Er is daarentegen géén tekort aan kandidaten voor de functies die de minister in haar wetsontwerp beoogt. Bovendien kan men zich de vraag stellen of deze potentiële waardevolle elementen, die kunnen terugblikken op een « aanzienlijke juridische carrière » zich geroepen voelen om de enkele onderbemande parketten te bevolken met hun uitstekende kennis en ervaring van het recht ...

— Het argument dat de gerechtelijke stagiairs en de pas benoemde geslaagden van het examen beroepsbekwaamheid te jong zijn, snijdt geen hout. De gemiddelde leeftijd van de gerechtelijke stagiairs die in 2002 begonnen zijn was 32 jaar. Dit betekent dat bijgevolg zelfs veertigers en late dertigers de beslissing nemen om te kiezen voor de (weinig lucratieve) gerechtelijke stage. Via het examen beroepsbekwaamheid stromen zelfs mensen van alle leeftijden de magistratuur binnen. Het huidige systeem zorgt bijgevolg reeds voor een gezonde instroom van gemotiveerde en (objectief geëvalueerde) kwalitatieve mensen in de magistratuur. Dit laatste kan alleen maar een positief gegeven zijn en is een grote verdienste voor de beleidsmakers die toen op deze wijze werkelijk bewust kwaliteitsgericht te werk zijn gegaan en voor de Hoge Raad die instaat voor de bewaking van deze waardevolle kwaliteitseisen.

De derde weg betekent een achteruitgang voor iedereen. Het huidig systeem met twee types van examens moet behouden blijven.

B. Uiteenzetting van de heer Tasset

1. Stand van zaken

De heer Tasset herinnert eraan dat het voorliggende wetsontwerp tot doel heeft een derde toegangsweg tot de magistratuur in te voeren, naast het vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage en het examen inzake beroepsbekwaamheid. Het idee van een derde toegangsweg is niet nieuw. De wet van 15 juni 2001 is tijdens de vorige zittingsperiode aangenomen met als doel advocaten met minstens twintig jaar inschrijving aan de balie toe te staan om magistraat te worden na een eenvoudig mondeling onderhoud, georganiseerd door de Hoge Raad voor de Justitie. Die wet is vernietigd bij arrest nr. 14/2003 op 28 januari 2003 gewezen door het Arbitragehof. Het Hof was van oordeel dat de derde toegangsweg slechts betrekking mocht hebben op een zeer beperkt aantal kandidaat-magistraten teneinde degenen die wel deelnemen aan het vergelijkend examen of het examen niet in hun terechte verwachtingen teleur te stellen.

Het voorliggende ontwerp heeft hetzelfde doel maar probeert het bezwaar van het Arbitragehof op te vangen. Het is dus nog steeds de bedoeling om een derde toegangsweg tot de magistratuur in te richten voor advocaten die ten minste twintig jaar ingeschreven zijn (en werkzaam zijn geweest) aan de balie (of 15 jaar ingeschreven zijn aan de balie en 5 jaar een functie uitgeoefend hebben die een gedegen kennis van het recht vereist !), op voorwaarde dat zij een mondeling evaluatie-examen afleggen. Nieuw is dat in dit wetsontwerp, in tegenstelling tot het vroegere, het aantal kandidaat-magistraten afkomstig uit die derde toegangsweg beperkt wordt tot 12 % van de personeelsformatie van de rechters in de rechtbanken van eerste aanleg, de arbeidsrechtbanken, de rechtbanken van koophandel, van de substituut-procureurs des Konings, van de substituut-arbeidsauditeurs, van de vrederechters en de rechters in de politierechtbank. Het potentieel aantal kandidaten afkomstig uit de derde toegangsweg kan dus oplopen tot meer dan 200 personen !

Dat is een bijzonder hoog aantal vergeleken met enerzijds het aantal personen dat slaagt voor het vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage en het examen inzake beroepsbekwaamheid en anderzijds het aantal plaatsen dat jaarlijks vacant wordt verklaard.

Ter verdediging van dit ontwerp deelt de minister mee dat kandidaten voor de openverklaarde plaatsen maar moeilijk worden gevonden en vooral dat personen met veel ervaring (en de advocaten zouden het best aan die vereisten voldoen) naar de magistratuur moeten worden gelokt, zonder hen te ontmoedigen met een schriftelijk examen, wat er in feite op neerkomt dat men niet het risico wil lopen om hun ego te kwetsen als zij zouden zakken voor een examen.

2. Theoretische argumenten

2.1. De ratio legis van het ontwerp is fout

Enerzijds zouden er onvoldoende kandidaat-magistraten zijn. Meerdere sprekers hebben tijdens de besprekingen in de Kamercommissie voor de Justitie het tegendeel aangetoond. Zowel het vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage als het examen inzake beroepsbekwaamheid trekken jaarlijks honderden kandidaten aan en het gebrek aan magistraten is grotendeels onder controle, ten minste wat de zetel betreft. Er is bijgevolg geen nood aan een derde toegangsweg tot de magistratuur : de twee bestaande toegangswegen volstaan ruimschoots om de personeelsformatie op te vullen.

De heer Tasset wijst er in dat verband op dat de stage van 17 stagiairs die in oktober 2001 is begonnen, verlengd is zonder dat ze door de Hoge Raad voor de Justitie zijn voorgedragen. Een Franstalige stagiair, wiens korte stage op 1 oktober 2002 is begonnen, staat nu voor zijn tweede verlenging zonder te zijn voorgedragen. Drie stagiairs (2 Nederlandstaligen en 1 Franstalige), wier lange stage op 1 oktober 2000 is begonnen, zijn niet benoemd na de tweede verlenging van hun stage en hebben een arbeidsovereenkomst als jurist aangeboden gekregen.

Van die laatste drie personen zijn er recent wel twee voor benoeming voorgedragen door de Hoge Raad voor de Justitie.

Anderzijds moet erop gewezen dat de vertegenwoordigers van de Ordre des barreaux francophones et germanophone, en van de Orde van de Vlaamse Balies duidelijk hebben doen blijken dat zij meer belangstelling hebben voor de zetel dan voor het parket.

De heer Tasset meent dat het probleem vooral ligt in de doelstellingen en de methodes van het examen inzake beroepsbekwaamheid, die wellicht duidelijker zouden moeten worden gedefinieerd, of zelfs aangepast, op basis van de lering die de Hoge Raad voor de Justitie nu kan trekken uit de ervaringen van de vorige jaren.

Voorts zouden ervaren kandidaten moeten worden aangetrokken en blijkbaar kan die ervaring worden aangetoond door het loutere feit dat men gedurende twintig jaar het beroep van advocaat heeft uitgeoefend. Blijkbaar volstaat die anciënniteit op zich om te doen vermoeden dat die personen kwaliteiten bezitten die iemand met slechts vijftien jaar balie-ervaring moet bewijzen aan de hand van een « gedegen kennis van het recht », die dan moet blijken uit het feit dat hij een andere functie heeft uitgeoefend waarvoor die kwaliteiten vereist zijn. Die kandidaten moeten personen kunnen doorgronden maar ook rekening kunnen houden met de wijze waarop hun uitspraak door de rechtzoekende wordt geïnterpreteerd, om te zorgen voor verscheidenheid in de magistratuur wat professionele achtergrond en leeftijd betreft.

Omdat die kandidaten, leden van de balie, twintig jaar ingeschreven zijn op het tableau van de Orde van advocaten, bezitten zij zonder enige twijfel al de genoemde kwaliteiten en moeten zij worden vrijgesteld van het examen inzake beroepsbekwaamheid.

Het argument als zou een derde toegangsweg nodig zijn om een zekere graad van professionele verscheidenheid in de magistratuur te waarborgen, snijdt geen hout : dankzij het examen (en in mindere mate de stage), vormt de balie de belangrijkste kweekvijver voor kandidaten. 88 % van de geslaagden hebben het beroep van advocaat uitgeoefend en in de praktijk zijn er, over alle categorieën heen, maar weinig magistraten zonder balie-ervaring.

Reeds in 1991 wilde men de mogelijkheid beperken om een beroep te doen op dergelijke toegangsmogelijkheid en toen reeds gingen stemmen op om die vrees te uiten over een formule die niet zonder gebreken leek. De voorkeur moest gaan naar een initiële en praktische opleiding (Pasin., 1991, 2755); stel u voor dat een alleenrechtsprekend rechter geen ervaring heeft (Pasin., 1991, 2760).

De formule die nu wordt voorgesteld, biedt geen antwoord op die argumenten. Door bovendien in de mogelijkheid te voorzien dat men zich kandidaat stelt voor de rechtbank van koophandel of voor de arbeidsrechtbank, verliest de huidige wetgever uit het oog dat die beroepsrechters de facto « alleen » zullen recht spreken.

Er is ook op gewezen dat geoordeeld is dat een lange ervaring (...) een grote beroepsbekwaamheid kon doen vermoeden, die overigens met een examen worden getoetst, terwijl de menselijke kwaliteiten van de kandidaat logischerwijze gekend zijn door het comité dat de minister voor de benoeming een advies moet geven (Pasin., 1991, 2756).

Waarin verschilt de toestand nu ? Om welke redenen kan nu worden verantwoord dat die « grote bekwaamheid » niet langer worden gecontroleerd ?

Men heeft er bovendien nog op gewezen dat het examen geen voldoening schenkende voorwaarde was. Het is slechts een noodzakelijke, objectieve en voorafgaande voorwaarde (Pasin., 1991, 2759).

Hoe kan een mondelinge proef a fortiori aan die voorwaarden voldoen ?

En aangezien het probleem er ten slotte ook een is van tweetaligheid (Pasin., 1991, 2768), waarom zwijgt voorliggend ontwerp dan in alle talen over die voorwaarde ? Is dit niet precies de gelegenheid om de « grote beroepsbekwaamheid » van de kandidaten op te trekken, door talenkennis als voorwaarde voorop te stellen ?

Aangezien reeds in 1991 stemmen (in die tijd uit de meerderheid) opgingen tegen de benoeming van advocaten zonder strenge controle op hun bekwaamheid, komt het nu in 2004 verrassend over dat men in het verslag van de Kamercommissie voor de Justitie leest dat diverse sprekers met genoegen het standpunt van het Arbitragehof hebben onderschreven dat de praktijk aan de balie op zich het mogelijk maakt « de psychologische, menselijke en juridische kwaliteiten te verwerven die de rechters moeten bezitten ». Men is zelfs zover gegaan te beweren dat een goede advocaat noodzakelijkerwijze een goede magistraat is, een idee dat geen rekening houdt met de totaal andere intellectuele aanpak aan de andere zijde van de balie.

2.2 Het wetsontwerp staat geen enkele kwalitatieve controle van de kandidaten toe

Men heeft het idee geopperd dat de psychologische angst om zich aan een examen te onderwerpen waaraan jongere kandidaten deelnemen, degelijke kandidaten kan afschrikken om tot de magistratuur toe te treden.

Tevens zou het opleggen van een proef van het « examen »-type aan personen die niet meer gewoon zijn te studeren, een demotiverende factor zijn.

Spant men zo de paarden niet achter de wagen ? Wat voor soort magistraat wenst men aan te trekken ? Personen die alleen gemotiveerd worden door de « leuke kanten » van de functie, die bereid zijn bij de magistratuur te komen wanneer men het hen op een schoteltje aanbiedt, waarbij zij zo weinig mogelijk inspanningen leveren ? Wat voor magistraten zullen ze worden ? Hoe kan hun motivatie geëvalueerd worden, indien hen alles wordt voorgekauwd ?

Zal men zover moeten gaan dat men ze aan het gezag van hun jongere korpschef onttrekt om die personen, die door hun ervaring klaarblijkelijk niet meer voorbestemd zijn om te gehoorzamen of zich aan te passen aan een bevel van iemand die jonger is, niet tegen de haren in te strijken ?

Men moet er integendeel van overtuigd blijven dat het wel degelijk om een keuze gaat en om de uitdrukking van een duidelijke motivatie. Voorts mag men dat gegeven bij de beoordeling niet onderschatten. Dat sommigen het met hun loopbaan over een andere boeg willen gooien omdat ze « in hun beroep van advocaat niets meer te verwachten hebben » is geen goed teken. Waarom de mogelijkheid verwerpen welke die personen reeds hebben om hun overstap te overwegen aangezien een bewijs van beroepsbekwaamheid zeven jaar geldig blijft ? Of waarom zou men de geldigheidsduur van dergelijk bewijs niet tot bijvoorbeeld 10 jaar optrekken ?

De motivatie van een toekomstig magistraat (tevens rekening houdend met de financiële voordelen van dat statuut) kan en moet tevens worden gemeten aan de hand van de deelname aan een examen.

Bij het debat in de Kamer heeft één van de commissieleden gemeend dat het om een categorie van mensen gaat die weliswaar noch de weg van de gerechtelijke stage hebben gekozen, noch geslaagd zijn voor een examen inzake beroepsbekwaamheid, maar wél daadwerkelijk ervaring hebben, echt menselijke kwaliteiten bezitten en gemotiveerd zijn om magistraat te worden (zie doc. Kamer, nr. 51-1247/7, blz. 28). Spreker ziet niet goed in welk beletsel al die aspecten kunnen vormen voor het deelnemen aan het examen van bekwaamheid.

Vervolgens was de gemiddelde leeftijd van de deelnemers aan het examen inzake bekwaamheid volgens de beschikbare informatie 36 jaar.

Bij het debat in de Kamer heeft men geoordeeld dat de deelnemers aan het examen inzake beroepsbekwaamheid tussen 10 en 15 jaar beroepservaring hadden. Kan men dan ook redelijkerwijze verantwoorden dat men ze « vrijstelt » van een schriftelijk examen wegens 5 jaar bijkomende praktijk aan de balie ?

Dat zou kunnen betekenen dat in een zeer realistische hypothese een persoon met bijvoorbeeld 12 jaar ervaring aan de balie, die geslaagd is voor het examen inzake beroepsbekwaamheid, magistraat kan worden na 17 jaar ervaring aan de balie, aangezien het bewijs van beroepsbekwaamheid zeven jaar geldig blijft, terwijl iemand met nauwelijks 3 jaar ervaring meer vrijgesteld zou worden van dat examen.

Geen enkel argument kan dat verschil in behandeling objectief verantwoorden.

Men zal alleen een toestand in de hand werken en aanmoedigen waarbij advocaten liever enkele jaren langer wachten en zich dan kandidaat stellen zonder de weg van het examen inzake beroepsbekwaamheid in te slaan. Dat kan geen goede rechtsbedeling waarborgen, aangezien op die manier een advocaat die voor het examen inzake beroepsbekwaamheid niet slaagt opeens, met het verstrijken van de tijd, een waardevolle kracht wordt die de magistratuur kan komen versterken.

Dat voorbeeld illustreert dat de toestand van een advocaat die zijn verdiensten aantoont aan de hand van een streng selectieproces (het examen inzake beroepsbekwaamheid of het vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage) en die van een advocaat met als enige verdienste dat hij enkele maanden langer aan de balie is ingeschreven, inzake leeftijd en/of ervaring niet fundamenteel verschilt, zodat de vrijstelling van enig schriftelijke examen ongegrond blijkt.

Het is ten slotte moeilijk te begrijpen dat die mensen van een schriftelijk examen worden vrijgesteld, terwijl in de functies waarvoor ze zich kandidaat menen te kunnen stellen (aangezien ze blijkbaar betrekkingen van de zittende magistratuur of bij het vredegerecht verkiezen) precies beslissingen moeten worden opgesteld. Indien het, zoals men beweert, inderdaad de bedoeling is personen aan te trekken met een « grote beroepsbekwaamheid », mag het opstellen van een beslissing op grond van een volledig dossier en een commentaar bij hun beslissing of een verhandeling hen niet afschrikken.

2.3. Praktische argumenten

2.3.1. De objectiviteit van een schriftelijk examen ten opzichte van de veronderstelde bekwaamheid van de kandidaten

Het argument van de door de balie opgelegde en gecontroleerde permanente vorming, en de bijzondere positie van de advocaat als medespeler in de rechtsbedoeling, werden ook aangehaald. Er wordt echter geen onderscheid gemaakt tussen de advocaten die inderdaad « paleisratten » zijn en elke dag op de zittingen aanwezig zijn, en de bedrijfsadvocaten die alleen in het kader van hun stage contacten met het paleis hebben gehad.

Ook op het vlak van de permanente vorming kan de degelijkheid van de regeling gemakkelijk ondermijnd worden.

Om die hindernissen te vermijden wordt voorgesteld een met redenen omkleed advies te vragen aan de Stafhouder. Dat roept echter een aantal vragen op : wat als de advocaat van balie veranderd is ? Welke Stafhouder zal het met redenen omkleed advies aan de Hoge Raad voor de Justitie moeten bezorgen ? Die van de balie waar de advocaat is ingeschreven op de dag dat hij zijn kandidaatstelling indient, of die van de balie waar hij het langst ingeschreven geweest is, of beiden ? Wat gebeurt er als een stafhouder, of zijn vertegenwoordiger, de kandidaat niet kent, of hem integendeel zeer goed kent ? Wat zijn de gevolgen van het uitblijven van een advies aangezien het noch negatief, noch positief zal zijn ? Als het uitblijven van een advies zo neutraal is, waarom wordt er dan een gevraagd ? Dreigt die voorwaarde niet een soort van corporatisme te doen ontstaan binnen de balie ?

Tijdens de bespreking in de Kamer werd eraan herinnerd dat recht spreken een bijzondere opleiding vereist, een grote onafhankelijkheid en een aantal kwaliteiten waarover een advocaat niet noodzakelijk beschikt (stuk Kamer, nr. 51-1247/7, blz. 35). De vooronderstelling dat een ervaren advocaat over die bekwaamheid beschikt verdient een iets grondiger onderzoek dan een mondeling evaluatie-examen.

Zelfs indien het niet langer nodig is de theoretische kennis van die personen te toetsen, blijft een schriftelijke proef toch de beste manier om hun praktijkkennis na te gaan.

Dat geldt des te meer naarmate het grootste deel van hun ervaring bij de balie niet zo recent kan zijn : de onderbreking van een advocatenloopbaan — soms om politieke mandaten uit te oefenen — kan voorafgaan aan een verklaring om opnieuw het beroep van advocaat effectief te gaan uitoefenen, zonder dat zulks effectief plaats heeft, gelet op de tijdsspanne tussen de verklaring en de kandidaatstelling via de derde weg.

2.3.2. Het geval van de plaatsvervangende rechters

De heer Tasset komt terug op de vergelijking die de minister gemaakt heeft met de plaatsvervangende rechters. Volgens haar is het stellen van al te strenge eisen en criteria voor advocaten moeilijk verenigbaar met het feit dat de plaatsvervangende rechters, die advocaat zijn, dagelijks zitting hebben en vonnissen opstellen. Die vergelijking gaat niet op omdat die magistraten niet dezelfde werklast hebben, vaak heel gespecialiseerd zijn en soms niet alle dossiers van een zaak kunnen behandelen. De plaatsvervangende rechters kennen geen reële werksituatie.

Op welke statistieken berust de bewering van de minister trouwens ? Wat is het percentage van de vonnissen die door plaatsvervangende rechters zijn uitgesproken en wat is het percentage van vernietigingen of cassaties ten opzichte van de werkende magistraten ?

Men heeft ook het argument aangevoerd van plaatsvervangende rechters die niet slagen voor het examen inzake beroepsbekwaamheid. Welk besluit moet men daaruit trekken ? Is dat geen koren op de molen van de voorstanders van een schriftelijke proef, die een evaluatie mogelijk maakt via een praktijkgerichte proef ? Welke houding moet men aannemen tegenover de advocaten-plaatsvervangende rechters die zich via de derde weg aanmelden na een of verschillende malen gezakt te zijn voor het examen inzake beroepsbekwaamheid ? Is het niet slagen voor een dergelijk examen een gegronde reden om ze af te wijzen ? Zullen er bijkomende voorwaarden worden opgelegd ?

2.4. Het wetsontwerp houdt geen rekening met het arrest nr. 14/2003 van het Arbitragehof

Het voorliggend wetsontwerp is het gevolg van de vernietiging van de wet van 15 juni 2001 door het Arbitragehof. Het trekt evenwel geen lering uit het vernietigingsarrest van 28 januari 2003.

Het Arbitragehof had de wet vernietigd omdat ze het aantal magistraten dat via de derde weg toegang verkreeg tot de magistratuur, namelijk via het mondeling evaluatie-examen, niet beperkte. De cruciale consideransen zijn de volgende :

« B.16. Weliswaar wordt elke kandidatuur onderworpen aan de adviezen die zijn voorgeschreven bij artikel 259ter van het Gerechtelijk Wetboek en dient elke kandidaat zich vooraf te onderwerpen aan het mondelinge evaluatie-examen, op grond waarvan hij wordt gemachtigd om zich kandidaat te stellen, zoals bepaald in artikel 191bis van het Gerechtelijk Wetboek. Weliswaar is ook de verenigde benoemings- en aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie belast met het opstellen van de programma's voor het mondelinge evaluatie-examen; haar opdracht op dat punt is identiek met de haar toegewezen opdracht om de programma's van het examen inzake beroepsbekwaamheid en het vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage op te stellen (artikel 259bis-9, § 1, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek).

B.17. Sedert de wet van 18 juli 1991 heeft de wetgever evenwel gekozen voor een rekruteringswijze in de magistratuur die ervan uitgaat dat de kandidaten zich onderwerpen aan een vergelijkend examen of een examen op grond waarvan op een objectieve manier kan worden geoordeeld of zij de noodzakelijke maturiteit en bekwaamheid bezitten voor de uitoefening van het ambt van magistraat (artikel 259bis-9, § 1, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek). De in B.10.3 vermelde motieven kunnen hem ertoe brengen van die vereisten af te wijken om het mogelijk te maken dat ervaren advocaten tot de magistratuur kunnen toetreden aangezien zij door hun lange beroepservaring kwaliteiten bezitten die het verantwoorden dat zij van het examen inzake beroepsbekwaamheid worden vrijgesteld. Maar die derde toegangsweg mag slechts in een zeer beperkte mate en onder de in B.16 in herinnering gebrachte voorwaarden worden opgesteld, om te vermijden dat de doelstellingen van de wetgever niet worden nagekomen en dat degenen die zich aan de proeven van het vergelijkend examen of het examen onderwerpen, in hun terechte verwachtingen worden teleurgesteld. »

Het Hof is formeel : de derde toegangsweg mag slechts in zeer beperkte mate opengesteld worden. Het percentage waarvan in het wetsontwerp sprake is, kan echter nauwelijks als beperkt worden bestempeld. In zijn advies van 3 mei 2004 over het voorontwerp van wet, meent de Raad van State immers het volgende : « Door te voorzien in een maximumverhouding van 12 % van het totaal aantal magistraten bedoeld in artikel 187, 190 of 194, naargelang van het geval, per rechtsgebied van een hof van beroep of van een arbeidshof, lijkt het voorontwerp op het eerste gezicht geen afbreuk te doen aan de betekenis die het Hof aan de termen « zeer beperkte mate » heeft willen geven » (stuk Kamer, nr. 51-1247/1, blz. 16).

Een grondiger onderzoek brengt niettemin een andere realiteit aan het licht. Er zij op gewezen dat de door het ontwerp voorgestelde 12 % van toepassing is op de personeelsformatie en niet op de effectief vacante betrekkingen.

Wordt die 12 % toegepast op de personeelsformatie van de magistraten, zoals het ontwerp bepaalt en niet op de vacante betrekkingen, dan verkrijgen maar liefst 192 magistraten, alleen al in eerste aanleg, toegang tot de magistratuur via de derde weg. Dat artikel moet in verband worden gebracht met de 188 benoemingen van magistraten die tijdens het gerechtelijk jaar 2003 hebben plaatsgehad. Die « zeer beperkte mate » waarin de wet thans voorziet, houdt met andere woorden in dat alle betrekkingen die in een volledig gerechtelijk jaar vacant zijn, enkel naar kandidaten zouden gaan die nooit een schriftelijk en anoniem examen hebben afgelegd om hun bekwaamheid te bewijzen.

Hoewel enkel 12 % benoemd kunnen worden, betekent dat daarenboven dat het aantal personen dat een mondeling examen kan aanvragen of zelfs kan worden voorgedragen door de Hoge Raad voor de Justitie onbegrensd is, op voorwaarde dat de Hoge Raad voor de Justitie of zelfs de minister van Justitie die 12 % als aandeel respecteert.

De vooropgestelde 12 % is daarenboven vaag daar niet duidelijk is op welke periode dat percentage betrekking heeft. Bijgevolg dreigt het bepaalde aandeel een in de praktijk moeilijk te hanteren limiet te zijn. Betekent zulks dat zodra een persoon die in aanmerking is gekomen voor die gunstmaatregel, benoemd is, een ander persoon onmiddellijk daarna in zijn voetstappen kan treden teneinde de 12 % vol te maken, terwijl de kandidaten voor de gerechtelijke stage en het examen inzake beroepsbekwaamheid in hun mogelijkheden beperkt worden door het feit dat het examen slechts éénmaal per jaar plaats heeft en de resultaten onherroepelijk vaststaan (moet de kandidaat die niet slaagt of die niet batig gerangschikt wordt, het volgende jaar zijn kans opnieuw wagen) ?

Hoe weet men of 12 % van elke beoogde personeelsformatie per rechtsgebied van het hof van beroep nooit aanleiding zou geven tot cijfers na de komma ? Als dat toch gebeurt, welke afrondingsmethode zal men toepassen ?

Ten slotte gaat het om de personeelsformatie in haar geheel, ook al is ze niet volledig opgevuld. Betekent zulks dat wanneer 12 % van de personeelsformatie zal zijn opgevuld door ex-advocaten, een kandidaat-advocaat zal moeten wachten tot een andere advocaat vertrekt om zijn plaats te kunnen innemen ? Of is het denkbaar dat er op termijn alleen nog magistraten zullen zijn die de derde toegangsweg hebben bewandeld op voorwaarde dat het aandeel van 12 % bij de benoeming is gerespecteerd ?

2.5. Het wetsontwerp creëert nieuwe vormen van discriminatie

Spreker merkt op dat het voorliggend wetsontwerp leidt tot een nieuwe vorm van discriminatie. Advocaten en vertegenwoordigers van andere juridische beroepen worden immers ongelijk behandeld. De Raad van State heeft niet nagelaten daarop te wijzen in zijn bovenvermelde advies.

« Het Hof heeft alleen het geval onderzocht waarin de « derde toegangsweg » alleen open zou zijn voor personen die aan de balie hebben gewerkt. Wellicht dient er van uit gegaan te worden dat het Hof, in de context van de zaak die hieraan was voorgelegd, geoordeeld heeft dat de bepalingen die voor het Hof werden aangevochten, niet tot een ruimere nietigverklaring leiden. Blijft evenwel de vraag of hetzelfde grondwettigheidsbezwaar niet ook geldt voor het ontzeggen aan andere juridische beroepen van de mogelijkheid om bepaalde gerechtelijke functies uit te oefenen.

Hoe dan ook, het staat aan de wetgever om aan te geven welke motieven het onderscheid tussen de leden van de balie en die van andere juridische beroepen wettigen.

Die opmerking geldt ook voor de artikelen 2 en 6 van het voorontwerp, die ertoe strekken de toepassingen van de bepalingen die vernietigd zijn bij het genoemde arrest nr. 14/2003 uit te breiden tot de benoemingen bedoeld in de artikelen 187 — vrederechter, rechter in de politierechtbank of toegevoegd rechter en 194 van het Gerechtelijk Wetboek — substituut-procureur des Konings, substituut-arbeidsauditeur, toegevoegd substituut. »

3. De lege lata en de lege ferenda

Hoewel het nergens expliciet gezegd wordt, is het duidelijk dat niet zozeer het willen ten nutte maken van een vaag omschreven beroepservaring tot het wetsontwerp heeft geleid maar wel het als vrij streng en selectief ervaren examen inzake beroepsbekwaamheid. Het streven naar een versoepeling van de selectieprocedure mag echter niet uitmonden in een situatie waarin de tijd of het niet langer willen uitoefenen van een zeer veeleisend beroep in de plaats kan treden van een objectieve beoordeling die steunt op de verdiensten van de kandidaat alsmede op de criteria en de eisen die de Hoge Raad voor de Justitie moet vaststellen om enerzijds de kandidaten in staat te stellen zichzelf vooraf te evalueren en anderzijds de nodige garanties te bieden op het stuk van objectiviteit en transparantie waaraan soortgelijke proeven noodzakelijkerwijze moeten voldoen.

Misschien moet gedacht worden aan een openbare mondelinge proef teneinde iedereen de kans te bieden de criteria te toetsen die de Hoge Raad voor de Justitie hanteert, naar het voorbeeld van de pleitexamens die door de balie worden georganiseerd.

Kunnen de personen ten nadele van wie kandidaten benoemd zijn via de derde weg, toegang verkrijgen tot de punten van de leden van de jury die het mondeling evaluatie-examen hebben afgenomen ? Op welke basis, op welke wijze en door wie kan in beroep worden gegaan tegen een dergelijke toelating of tegen de weigering om die toelating te verlenen ?

Zal het opnemen van het mondelinge evaluatie-examen uitgebreid worden tot de mondelinge proeven in de twee andere toegangswegen ? Hoe lang moeten die opnamen bewaard blijven ? Kunnen zij opnieuw worden gebruikt tijdens een onderhoud bij een andere kandidaatstelling ? De manier om dat mondelinge evaluatie-examen te houden lijkt meer problemen mee te brengen dan het kan oplossen.

Ten slotte dreigt dit ontwerp het bestaande evenwicht grondig te verstoren dat de Hoge Raad voor de Justitie de jongste jaren tot stand heeft gebracht, zoals is gebleken uit de verklaringen van de voorzitters van de twee benoemings- en aanwijzingscommissies tijdens hun hoorzittingen in de Kamercommissie voor de Justitie.

Er bestaan mogelijkheden die wellicht niet volmaakt zijn maar wel vatbaar zijn voor verbetering. Waarom neemt men hier niet de gelegenheid te baat om de bestaande toegangswegen aan te passen aan de thans als gewettigd beschouwde eisen ?

C. Gedachtewisseling

De heer Cheffert verwondert zich over het feit dat de gerechtelijke stagiairs lijken te insinueren dat deze derde weg voor toegang tot de magistratuur zou meebrengen dat advocaten die niet meer hard wensen te werken en willen opteren voor een rustig leventje aldus naar de magistratuur zouden overstappen. Spreker heeft helemaal niet deze indruk. Het lijkt hem volkomen normaal dat een advocaat die gedurende 20 jaar dit stresserend beroep heeft uitgeoefend op een zeker ogenblik voor een ander beroep wil kiezen, misschien met minder druk, en waardoor hij trouwens een rechtstreekse band behoudt met de advocatuur.

Verder wil spreker verduidelijking over de bewering dat de ervaring van de advocaat niet noodzakelijk leidt tot bekwaamheid. Een zelfde bewering kan worden gericht aan het adres van de stagiairs. Enkele jaren gerechtelijke stage leidt evenmin systematisch tot bekwaamheid.

Spreker begrijpt wel dat de stagiairs een zekere bezorgdheid uiten tegenover het voorliggende wetsontwerp.

Immers, indien het aantal advocaten dat via deze derde weg benoemd kan worden, alleen wordt berekend volgens de personeelsformatie, kan zulks ertoe leiden dat de loopbaan van magistraat wordt opengesteld voor een groter aantal advocaten dan er plaatsen vacant zijn. Spreker stelt bijgevolg voor een dubbel maximum in te voeren : 10 % van de personeelsformatie en 50 % van de vacante plaatsen. Door advocaten die 20 jaar praktijk kunnen bewijzen te onderwerpen aan een beperking wat betreft het aantal beschikbare plaatsen en de personeelsformatie, komt men tegemoet aan een bezwaar van het Arbitragehof, dat een zeer laag percentage wil doen naleven.

Persoonlijk begrijpt de heer Coveliers niet goed dat een advocaat die reeds 20 jaar ervaring heeft plots wil toetreden tot de magistratuur. Spreker wijst er in ieder geval op dat het recht volledig fundamenteel verschillend wordt benaderd door magistraten enerzijds en advocaten anderzijds. De advocaat is immers per definitie subjectief, van de magistraat daarentegen wordt verwacht dat hij zich objectief opstelt.

Spreker wenst te weten hoeveel stagiairs niet worden benoemd en worden verlengd.

Een tweede vraag betreft het aantal advocaten die deelnemen aan de bekwaamheidsexamens. En hoeveel advocaten slagen er niet in dat examen ?

Spreker verwijst naar het Nederlands systeem waar ook een quotum bestaat, maar waar toch hetzelfde examen wordt uitgeschreven. Hij meent dat het argument dat het voor de advocaat met 20 jaar ervaring een vernedering is indien hij niet slaagt in het bekwaamheidsexamen, niet opgaat. Wie deelneemt aan een examen neemt het risico niet te slagen. Waarom zou een advocaat met ervaring de moed niet opbrengen om te tonen dat hij in het bekwaamheidsexamen kan slagen ? Een advocaat is trouwens niet per definitie geschikt en bekwaam om rechter te zijn.

Een volgende opmerking betreft de quota. Indien de gestelde 4 % in artikel 10 wordt berekend op het kader, en niet op de benoemingen, wat de minister beaamt, bestaat het risico dat de benoemingen zouden worden geblokkeerd voor een vrij lange periode. Op dat vlak kan spreker zich aansluiten bij het voorstel van de heer Cheffert om een dubbel plafond in te richten.

Mevrouw Nyssens vraagt of de huidige taalwetgeving een uitleg kan vormen voor het feit dat bepaalde stagiairs de plaatsen die ze beogen niet kunnen verkrijgen.

Mevrouw de T' Serclaes verwijst naar een debat met de minister van Justitie dat enkele weken geleden plaatsvond in de plenaire vergadering over de gerechtelijke stagiairs die niet waren benoemd en dus moesten worden verlengd. Uit de discussie bleekt dat het postuleren niet altijd verloopt volgens duidelijke regels. Bepaalde stagiairs blijken alleen te postuleren voor de plaatsen die zij echt willen. Dit is onaanvaardbaar. Ook in een andere loopbaan heeft men niet te kiezen van bij het begin welke plaats men juist willen invullen, en in welke dienst.

Spreekster is wel voorstander van het feit dat advocaten met ervaring toegang kunnen krijgen tot de magistratuur. Het lijkt haar interessant dat de magistraten uit verschillende basis komen. Er zijn trouwens zeer gerenommeerde advocaten die magistraat willen worden.

Mevrouw Laloy heeft de indruk dat de heer Tasset zich nogal negatief opstelt ten opzichte van de Hoge Raad voor de Justitie, die niet geschikt zou zijn om het examen te organiseren. Waarop baseert hij zich om dit te stellen ?

Mevrouw Talhaoui vraagt verduidelijking over de quota. Waarop slaat de voorgestelde 12 % ?

Verder rijst de vraag naar een sociaal statuut van de gerechtelijk stagiair. Dit zou misschien voordeel kunnen opleveren in afwachting van de benoeming. Wat is het standpunt van de gerechtelijke stagiairs ter zake ?

De heer Van Ransbeeck geeft volgende cijfers.

Op 1 oktober 2004 zouden de volgende stagiairs nog niet benoemd zijn :

1. Drie korte stagiairs, begonnen op 1 oktober 2002, wiens stage afgelopen is op 1 april 2004 en dus momenteel in de tweede verlenging zitten. Het betreffen 2 Franstaligen en 1 Nederlandstalige. Inmiddels is voor twee stagiairs een voordracht gebeurd.

2. Wat de stagiairs lange stage betreft :

— 3 stagiairs, begonnen op 1 oktober 2000, wiens verlenging na 1 oktober is afgelopen en die nu een contract als jurist hebben aangeboden gekregen. Hiervan 2 Nederlandstaligen en 1 Franstalige. Inmiddels is voor twee van hen een voordracht gebeurd.

— 17 stagiairs, begonnen op 1 oktober 2001, die momenteel in de eerste verlenging zitten, waarvan 9 Nederlandstaligen en 8 Franstaligen. Voor geen van hen is al een voordracht gebeurd.

De verlenging bedraagt 6 maanden. De benoeming van de stagiairs korte stage verloopt relatief soepel, omdat daar momenteel nog een aantal plaatsen beschikbaar zijn.

De stagiairs lange stage daarentegen kiezen meestal voor een loopbaan aan de zetel. Wanneer de derde weg open is, zal slechts een zeer beperkt deel van deze advocaten opteren voor een loopbaan bij het parket. De meesten zullen postuleren voor een functie bij de zetel, voornamelijk als vrederechter.

Aantal begonnen lange en korte stagiairs (tussen haakjes de voorziene stageplaatsen, die dus niet allemaal zijn ingevuld)

Néerlandophones. — Nederlandstaligen Francophones. — Franstaligen
1er octobre 2000. — 1 oktober 2000 39 (40) 32 (35)
1er octobre 2001. — 1 oktober 2001 31 (41) 32 (35)
1er octobre 2002. — 1 oktober 2002 40 (41) 25 (34)
1er octobre 2003. — 1 oktober 2003 23 (27) 16 (23)
1er octobre 2004. — 1 oktober 2004 20 (27) 19 (23)

Van de 188 benoemingen in het gerechtelijk jaar 2003-2004, komen er 26,6 % voort uit de laureaten van het beroepsbekwaamheidsexamen. De Hoge Raad schatte de gemiddelde leeftijd in 2002 op 36 jaar. Niet 66 % maar slechts 32,4 % zijn laureaten van de gerechtelijke stage (gemiddelde leeftijd 28 jaar). 23,4 % bestaan uit mutaties en 17,6 % uit bevorderingen.

Van het beroepsbekwaamheidsexamen kiezen meer dan 2/3 voor de zetel, terwijl 61 % van de gerechtelijke stagiairs kozen voor het OM.

3/4 van de laureaten van het beroepsbekwaamheidsexamen zijn advocaat.

Is het feit dat de gerechtelijke stagiairs lang dienen te wachten vooraleer benoemd te worden (voor de stagiairs lange stage moet men in de tweede verlenging zitten vooraleer men benoemd wordt) vooral te wijten aan zichzelf en hun wijze van postuleren ?

Spreker meent dat hier een vertekend beeld wordt opgehangen. Het klopt dat een aantal gerechtelijke stagiairs niet zijn geïnteresseerd in een benoeming op plaatsen buiten de plaats waar zij hun gerechtelijke stage lopen. Dit postuleringsgedrag moet terecht worden afgekeurd. Van een stagiair moet men minstens verwachten dat deze een relatief brede waaier aanhoudt van plaatsen waarvoor hij postuleert.

Anderzijds kan men niet verwachten van de gerechtelijke stagiairs, die toch niet zo jong zijn en al een zekere ervaring hebben (gemiddelde leeftijd van de vorige lichting was 32 jaar), die dus meestal al gesetteld zijn, dat zij aan de andere kant van het land gaan werken.

De heer Chevalier gaat niet akkoord met deze laatste stelling. In Frankrijk bijvoorbeeld kan men helemaal niet kiezen. Spreker verwijst ook naar de diplomaten die niet kunnen kiezen waar ze worden toegewezen.

De heer Van Ransbeeck wijst erop dat de stagiair zijn stageplaats niet kan kiezen. Sommige stagiairs postuleren in Brussel en gaan naar Namen, Doornik of Bergen. Vaak houdt dit budgettaire inspanningen in en gaat men met het hele gezin verhuizen naar de plaats waar men stage loopt. Bovendien heeft de stagiair geen enkele zekerheid om benoemd te worden. De stagiair weet niet waaraan hij zich kan verwachten. Dit is verschillend bij de diplomaten. Waarschijnlijk verschilt de Franse cultuur op dat vlak van de Belgische cultuur. Mobiliteit is goed, maar men moet weten waar men aan toe is.

De heer Hugo Vandenberghe stipt aan dat de meeste gerechtelijke stagiairs in de praktijk wel worden benoemd. Slechts een zeer gering aantal wordt niet benoemd. De meeste mensen vinden dat het wat snel is als men na drie jaar stage onmiddellijk wordt benoemd. Men mag niet vergeten dat er recent heel wat evolutie is geweest op het vlak van de loopbaan in de magistratuur. Vroeger gold immers een minimale leeftijdsgrens. De postmeester en de stationschefs bijvoorbeeld werden het hele land rondgestuurd. Dit gold ook voor benoemingen in het officieel onderwijs.

De heer Van Ransbeeck antwoordt dat de gerechtelijke stagiairs momenteel geen enkel statuut hebben; zij weten niet waaraan zich te verwachten en kunnen dus niet aan carrièreplanning doen. De facto duurt de gerechtelijke stage vier jaar, terwijl de wet voorschrijft dat de stagiairs na drie jaar kunnen worden benoemd. Wanneer er nu een bijkomende instroom komt, zullen er andere valabele kandidaten bijkomen, waardoor er een grotere concurrentie komt. Er bestaat ongetwijfeld goede wil vanwege de Hoge Raad voor de Justitie en de minister, maar de gerechtelijke stagiair zou meer moeten weten waaraan zich te verwachten, al dan niet met mobiliteit.

De stagiairs zijn ongerust, des te meer daar de minister in een debat in het parlement had aangehaald dat de stagiair die niet op tijd zou worden benoemd, eventueel zou kunnen genieten van werklozensteun.

De heer Hugo Vandenberghe wijst erop dat de regering jaarlijks een aantal stageplaatsen voorziet. Houdt zij hierbij geen rekening met de werkelijk vacante plaatsen, zodat men er kan van uitgaan dat de stagiairs normaal kunnen worden benoemd ? De bedoeling van de wet is dat het cijfer van het aantal open verklaarde plaatsen overeenkomt met het cijfer van de mogelijke benoemingen drie jaar later. De bedoeling is dat de regering anticipeert op de vacatures.

De heer Van Ransbeeck bevestigt dat het contingent wordt vastgelegd door de regering. Normaal zou men echter kunnen verwachten dat een gerechtelijk stagiair die zijn drie jaar stage doorloopt, na positieve evaluatie, benoemd zou worden. Men heeft echter een te groot aantal stagiairs laten instromen, waardoor benoeming niet steeds mogelijk is. Spreker is dus bezorgd.

De heer Tasset voegt eraan toe dat er nooit werd geantwoord op de vraag hoe men dit contingent bepaalt. De laatste drie jaar is het aantal voorziene stageplaatsen op 50 bepaald.

Spreker kan begrijpen dat bepaalde advocaten, ook al hebben zij een goed lopend kantoor, op een bepaald ogenblik, om welke redenen ook, willen overstappen naar de magistratuur. Maar waarom moet men een derde weg inbouwen ? Deze advocaten kunnen toch gewoon, zoals nu, het examen van beroepsbekwaamheid afleggen.

De heer Hugo Vandenberghe stipt aan dat men op latere leeftijd, met ervaring, een examen op een andere wijze aflegt dan op jongere leeftijd. Men heeft een andere kijk op het recht.

De heer Tasset antwoordt dat de Hoge Raad voor de Justitie vragende partij is om een enigszins verschillend examen van beroepsbekwaamheid op te stellen, naargelang de personen voor wie het examen is bestemd.

Wat de bekwaamheid van de gerechtelijke stagiair betreft na drie jaar stage, wijst spreker op het feit dat evaluaties tijdens de stage zijn ingebouwd.

Wat betreft het aantal stagiairs die niet zijn benoemd na het doorlopen van de stage, wijst spreker op het onderscheid tussen de korte en de lange stage. Spreker verwijst naar de cijfers gegeven door de heer van Ransbeeck.

Wat betreft de incidentie van de taalwetgeving, stipt spreker aan dat, althans wat de Franstaligen betreft, tweetaligheid nuttig is in Eupen, Doornik en Brussel. Daar zijn de tweetalige plaatsen immers niet ingevuld.

De heer Hugo Vandenberghe wijst erop dat de taalwetgeving niet enkel de oorzaak is van het feit dat bepaalde plaatsen niet zijn ingevuld. Voor sommige ambten, zoals vrederechter in Brussel, zijn er immers steeds voldoende kandidaten, ook al is tweetaligheid vereist.

De heer Van Ransbeeck meent dat het enigszins voorbarig is de effecten van de taalwetgeving aan te kaarten. Inderdaad is de wet met betrekking tot het taalexamen recent vernieuwd en nog niet lang in voege. Spreker is ervan overtuigd dat de plaatsen in Brussel, waarvoor tweetaligheid is vereist, ook langs Franstalige zijde weldra zullen worden ingevuld. Misschien zullen er nog wel enkele problemen rijzen op het vlak van zeer gespecialiseerde functies, zoals fiscale magistraten. Alle knelpunten zijn echter langzaam aan het wegebben.

Met betrekking tot de mobiliteit, haalt de heer Tasset het voorbeeld aan van een stagiair in zijn tweede jaar die in Hastière woont en nu postuleert voor het parket te Mons. Er is dus wel degelijk een mentaliteitswijziging op dat vlak.

De heer Hugo Vandenberghe meent dat indien men het recht op benoeming wil afdwingen, men dan moet aanvaarden dat men overal kan worden benoemd.

De heer Van Ransbeeck antwoordt dat deze vraag te plaatsen is in het debat over het statuut van de stagiair. Dit is hier slechts zijdelings aan de orde en moet in een algemeen en ruimer debat worden besproken. De gerechtelijke stagiairs willen enkel hun beroep uitoefenen met een zekere vorm van zekerheid. Mobiliteit kan hier worden ingepast.

De heer Tasset dringt erop aan dat hij helemaal niet wantrouwig staat ten opzichte van de Hoge Raad voor de Justitie. Helaas moet men wel vaststellen dat de Hoge Raad voor de Justitie momenteel niet in optimale omstandigheden kan overgaan tot evaluatie. De Hoge Raad zelf stelt trouwens dat hij niet over voldoende middelen beschikt om het mondeling examen in te richten zoals hij dat zou willen.

De minister wijst op de uitstekende kwaliteit van de tussenkomsten van de gerechtelijke stagiairs. Er zijn hier echter zeer vele vragen gerezen die het kader van voorliggend wetsontwerp ruim overschrijden, zoals de vraag over het statuut van de gerechtelijke stagiair, over de cultuur, over de noodzaak van mobiliteit, over de wijze van postuleren, over het comfort van de zetel ten overstaan van het parket, enz.

Spreker verwijst naar het advies van de Hoge raad voor de Justitie over de gerechtelijke stage. Een van de fundamentele vragen is of al dan niet een automatisme moet worden ingebouwd. Mag een stagiair die in het ingangsexamen slaagt, en voldoening schenkt gedurende het verloop van de stage, aanspraak maken op een automatische benoeming ? Of komt hij dan enkel in concurrentie met andere kandidaten ?

Het kabinet werkt momenteel op het betreffend advies. Zo wordt bijvoorbeeld de vraag behandeld of de korte gerechtelijke stage voor een plaats op het parket nog volstaat. Waarom 18 maanden voor het parket enerzijds en 3 jaar voor de zetel anderzijds ? Misschien moet dit worden herbekeken.

Ook de evaluatie van de stagiair gedurende de stage moet worden besproken. De Hoge Raad maakt in dat verband opmerkingen over de stagemeester. Vaak stelt men hier een kwaliteitstekort vast, wat aanleiding geeft tot evaluaties met twee maten, twee gewichten. De evaluatie moet meer uniform worden gemaakt. Pas als de evaluatie kwaliteitsvol is, kan er sprake zijn van een automatisme bij de benoeming. Spreker verwijst naar het Nederlands systeem, waar de duur van de gerechtelijke stage veel langer (7 à 8 jaar) is.

De evaluaties zijn er echter zeer professioneel en een goed doorlopen stage geeft er automatisch aanleiding tot benoeming.

De regering nam hier de politieke optie een derde weg in te richten voor toegang tot de magistratuur. De bedoeling is personen aan te trekken in de magistratuur van personen die kunnen getuigen van een zekere levenservaring. Dergelijke levenservaring wordt niet gemeten aan de hand van een diploma, maar wordt opgedaan in de loop van een jarenlange uitoefening van zijn beroep. Het beroep van advocaat lijkt daarvoor het ideale beroep.

IV. ALGEMENE BESPREKING

Mevrouw Nyssens is niet gekant tegen de toegang van advocaten met ervaring tot de magistratuur, maar de vraag is hoe dit dient te gebeuren. Moet men een derde weg inrichten of volstaat een aanpassing van het beroepsbekwaamheidsexamen ? Het beroepsbekwaamheidsexamen had immers oorspronkelijk de bedoeling zich te richten naar personen met ervaring en maturiteit. Kan men aldus niet stellen dat men heeft gefaald in de organisatie van het beroepsbekwaamheidsexamen ?

Verder begrijpt spreekster niet goed waarom men zich vastpint op een mondeling examen, terwijl de magistraat dient « op te stellen en te schrijven ». De balie is ongetwijfeld een bevoorrechte springplank op het vlak van ervaring, maar waarom richt men niet eerder een schriftelijk examen in ?

De heer Nimmegeers heeft de indruk dat men een verbetering van de opleiding dient te beogen. Tevens dient de derde weg volgens spreker aanvullend te worden behouden.

Verder dringt zich een bezinning op over de magistratuur alsdusdanig.

Mevrouw de T' Serclaes meent dat de bekommernis ten opzichte van voorliggend wetsontwerp niet zodanig ligt in de inrichting van een derde weg, maar wel in de vraag hoe deze derde weg valt te rijmen met de eerste en de tweede weg. Men mag immers niet vergeten dat ook de andere toegangswegen heel wat inspanningen vergen. Spreekster is ook terughoudend bij de bepaling waarbij een vertegenwoordiger van de balie advies dient te verschaffen over een andere advocaat-kandidaat met het oog op het uitoefenen van een functie als magistraat. Is deze bepaling wel nodig ?

De heer Chevalier is voorstander van het inrichten van een derde weg. Spreker verwijst naar de evolutie op het vlak van benoemingen in de magistratuur. Vroeger was de minister van Justitie de oppermachtige benoemer van de magistratuur. Ook in dat geval werden vooraanstaande advocaten soms gevraagd om toe te treden tot de magistratuur. Ook dan was geen examen nodig. Voorliggend ontwerp heeft uiteraard de objectiviteit als voordeel.

Spreker meent dat het voorliggend ontwerp zelfs niet ver genoeg gaat. In Nederland bijvoorbeeld plaatst men zelfs advertenties om personen, buiten de balie en buiten de magistratuur, op te roepen zich kandidaat te stellen voor openstaande plaatsen in de magistratuur. Bedrijfsjuristen kunnen volkomen geschikt zijn om magistraat te zijn. Voorliggend ontwerp is wel een stap in de goede richting. Een ruimer debat is nodig, bijvoorbeeld over invoering van mobiliteit en de eenvormige stage.

De heer Coveliers verwijst eveneens naar de evoluties in de benoeming van de magistratuur. Voor 1990 werd de magistraat benoemd door de minister van Justitie. Om politieke benoemingen te vermijden en onder invloed van de tijdsgeest, wou men een criterium vinden om de kandidaten te beoordelen. Aldus werden de eerste en tweede weg ingesteld. Spreker begrijpt de ongerustheid van de stagiairs. Een dubbel quotum zou een oplossing kunnen vormen. Een advocaat die magistraat wordt neemt een geheel andere wending in zijn loopbaan. De magistraat moet een vonnis of arrest kunen opstellen. Spreker kan aldus de vereiste van een examen, ook schriftelijk, bijtreden.

De heer Nimmegeers is overtuigd van de noodzaak van een derde weg. Anderzijds moeten de argumenten van de stagiairs in overweging worden genomen. Aan de stagiairs zou een zekerheid moeten worden gegeven dat zij ook toegang moeten blijven behouden tot de magistratuur en dat de derde weg de toegang voor hen niet afsluit.

De heer Cheffert verklaart het eens te zijn met de vorige spreker. Hij stelt vast dat verscheidene leden het idee van een tweevoudig maximum genegen zijn om het aantal advocaten te beperken die via de derde toegangsweg benoemd kunnen worden. Spreker herinnert eraan dat het Arbitragehof voorstander is van de naleving van een vrij gering percentage zonder evenwel te bepalen hoeveel dat bedraagt.

Op het eerste gezicht lijkt het maximum van 12 % van de personeelsformatie in het ontwerp tegemoet te komen aan de doelstellingen van het Arbitragehof. In de praktijk is dat evenwel niet het geval.

Het is immers zo dat in 2004 128 plaatsen vacant verklaard zijn. Volgens de huidige personeelsformatie van magistraten (ongeveer 2 000 personen) zouden er 240 advocaten via de derde toegangsweg benoemd kunnen worden. Zo is het percentage van de jaarlijkse benoemingen bereikt. Voor de heer Cheffert is het de vraag hoe het Arbitragehof de voorgestelde regeling zal beoordelen, ook al heeft de Raad van State geen opmerkingen gemaakt over het enkelvoudig maximum dat het ontwerp voorstelt.

Volgens de heer Hugo Vandenberghe zou het invoeren van een dergelijke toegangsweg tot de magistratuur niet nodig zijn indien men zich had gehouden aan de doelstellingen van de wetgever van 1991 wanneer hij het toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage en het examen inzake beroepsbekwaamheid heeft ingevoerd.

Dat laatste examen is de tweede toegangsweg en is er gekomen voor juristen die beroepservaring hebben opgedaan. Het enige probleem is dat dergelijke examens tot zeer weinig concrete resultaten leiden.

Wat de Nederlandstaligen betreft, zijn in 2003 17 van de 221 kandidaten geslaagd, wat dus een percentage geeft van minder dan 10 %. Bij de Franstaligen zijn 45 van de 198 kandidaten geslaagd en dat stemt overeen met een slaagpercentage van meer dan 20 %. Rekening houdend met het feit dat de gemiddelde leeftijd van een kandidaat 36 jaar is, kan het slaagpercentage bij die examens als abnormaal laag worden bestempeld omdat het gaat om kandidaten die allen een universitair diploma in de rechten hebben behaald en over gemiddeld tien jaar beroepservaring beschikken.

Volgens spreker hoeft men niet zozeer een derde toegangsweg tot de magistratuur op te stellen, doch veeleer de organisatie van het examen inzake beroepsbekwaamheid te herzien.

De heer Hugo Vandenberghe herinnert eraan dat men de stageduur voor de toegang tot het parket tot 18 maanden heeft teruggebracht omdat er te weinig kandidaten waren. Voor de zittende magistratuur bedraagt de stageduur nog steeds drie jaar. Die regeling heeft bij de kandidaten die voor de lange stageperiode kiezen, evenwel stille verwachtingen opgeroepen. Zij gaan er immers van uit dat wanneer zij voor de lange stage kiezen, zij automatisch magistraat zullen worden aan het eind van die stage. Dat valt niet te verdedigen.

Voorts heeft het afschaffen van de minimumleeftijd om magistraat te worden een wanverhouding veroorzaakt in de leeftijdspiramide van bepaalde rechtbanken. Spreker is ervan overtuigd dat er om recht te spreken meer nodig is dan technische beheersing van de rechtsregels. Wat dat betreft stimuleert een evenwichtige spreiding van de verschillende generaties over de magistratuur de goede werking van de rechterlijke orde.

Tot slot erkent spreker dat het maximum van 12 % van de personeelsformatie per rechtsgebied van het hof van beroep in het veld problemen kan veroorzaken. Het ware inderdaad onaanvaardbaar dat men dat maximum op korte termijn zou invullen door uitsluitend kandidaten te benoemen die afkomstig zijn uit de derde weg, ten nadele van de gerechtelijke stagiairs.

Antwoorden van de minister

Als antwoord op de vrees die bij het debat werd geuit, herinnert de minister eraan dat ze een arbeidsovereenkomst van parketjurist heeft aangeboden aan de twee stagiairs die aan het einde van alle mogelijke verlengingen waren gekomen en die nog niet benoemd waren.

Momenteel bevinden, voor wat de lange stage betreft, 17 stagiairs zich in de eerste verlenging, die afloopt op 31 maart 2005. Een tweede verlenging tot 30 september 2005 is mogelijk en het lijdt geen twijfel dat die personen zich inmiddels kandidaat zullen stellen voor de betrekkingen die vacant worden verklaard.

Wat de korte stage betreft, bevinden drie personen zich in hun tweede verlenging. Die loopt af op 31 maart eerstkomend en het is mogelijk dat men met een problematische situatie geconfronteerd wordt.

Verder denkt spreekster dat men geen paniek moet zaaien over de praktische gevolgen van het geplande percentage van 12 % voor de benoeming van kandidaten die uit de derde weg voortkomen.

Ze illustreert haar stelling met het volgende voorbeeld : voor het rechtsgebied van het hof van beroep van Luik bestaat de personeelsformatie voor de eerste aanleg in totaal uit 163 zittende magistraten, namelijk 121 zittende magistraten voor de rechtbanken van eerste aanleg, 27 zittende magistraten voor de arbeidsrechtbanken en 15 zittende magistraten voor de rechtbanken van koophandel. Indien men het voorgestelde percentage toepast, betekent zulks dat maximaal 19 rechters kunnen worden benoemd op grond van het mondelinge evaluatie-examen. Dat is nog steeds te weinig.

Tevens belet de overgangsregeling van artikel 10 dat een hoog maximum van kandidaten uit de derde weg in blok wordt benoemd bij de inwerkingtreding van de wet. Het eerste jaar blijft het benoemingspercentage beperkt tot 4 % van de personeelsformatie. Het tweede jaar is het maximum 8 %.

Vervolgens herinnert de minister eraan dat het rekruteringsbeleid voor magistraten wordt gevoerd door de Hoge Raad voor de Justitie. Nu reeds is het mogelijk dat de Raad, wanneer hij zich over een kandidaatstelling moet uitspreken, wordt geconfronteerd met gelijkgerechtigdheid van kandidaten die uit verschillende wegen afkomstig zijn. Niet zelden concurreert een geslaagde voor het examen inzake beroepsbekwaamheid met een persoon die geslaagd is voor de stage of met een benoemd magistraat. Indien het ontwerp wordt aangenomen, ontstaat er een vierde mogelijk profiel voor de kandidaten voor een vacante betrekking.

Spreekster meent dat er geen overlapping bestaat tussen de tweede en de derde toegangsweg tot de magistratuur. De kweekvijver van kandidaten is niet dezelfde voor beide procedures. De gemiddelde leeftijd van de kandidaten voor het examen inzake beroepsbekwaamheid is 36 jaar. Voor het mondelinge evaluatie-examen zullen de kandidaten minstens 44 jaar zijn, aangezien er een beroepservaring van twintig jaar wordt geëist.

De politieke keuze van de regering is zeer duidelijk : de magistratuur moet een veelzijdig aangezicht hebben en alle leeftijden moeten erin vertegenwoordigd zijn.

V. ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING

Artikel 1

Dit artikel geeft geen aanleiding tot opmerkingen en wordt aangenomen met 9 stemmen bij twee onthoudingen.

Artikel 2

Mevrouw Defraigne c.s. dienen amendement nr. 2 in (stuk Senaat, nr. 3-976/2), dat ertoe strekt de derde toegangsweg tot de magistratuur open te stellen voor de referendarissen bij de vredegerechten en de politierechtbanken die een beroepservaring van minstens twintig jaar hebben opgebouwd.

De minister steunt het amendement niet. De filosofie van het wetsontwerp strekt ertoe rekening te houden met de specifieke kenmerken van het beroep van advocaat, waardoor men de psychologische, menselijke en juridische kwaliteiten kan verwerven die de rechters moeten bezitten. Die ervaring is specifiek voor het beroep van advocaat en verschilt van de ervaring die men verwerft in andere juridische beroepen. Ze herinnert eraan dat noch de referendarissen, noch de parketjuristen rechtstreeks contact hebben met de rechtzoekenden, terwijl de advocaten van bij het begin contact hebben met hun cliënten. Ze verwijst voor het overige naar de overwegingen van beide arresten van het Arbitragehof, die ze in haar inleidende uiteenzetting heeft vermeld, meer bepaald naar considerans nr. B 31 van arrest nr. 116 van 30 juni 2004.

Mevrouw Defraigne steunt het idee om een derde toegangsweg tot de magistratuur open te stellen voor advocaten met twintig jaar ervaring. Ze denkt echter dat de kwaliteiten waarvan advocaten blijk moeten geven, ook kunnen worden gevonden bij referendarissen en parketjuristen. De wijze waarop ze dossiers moeten aanpakken, ze moeten voorstellen ... biedt een psychologische arbeidservaring die relevant is voor de magistratuur.

Stemmingen

Amendement nr. 2 wordt verworpen met 6 stemmen tegen 4 bij 4 onthoudingen.

Artikel 2 wordt vervolgens aangenomen met 11 tegen 3 stemmen.

Artikel 3

Mevrouw Nyssens dient amendement nr. 4 in (stuk Senaat, nr. 3-976/2), dat ertoe strekt tegemoet te komen aan de bezwaren die de gerechtelijke stagiairs tegen voorliggend ontwerp hebben gemaakt.

In punt A stelt de indienster voor het aantal personen dat langs de weg van het mondeling evaluatie-examen tot magistraat wordt benoemd te verminderen van 12 % tot 10 %. Spreekster denkt dat zo'n percentage beter overeenstemt met de rechtspraak van het Arbitragehof.

In punt B stelt mevrouw Nyssens voor het percentage van de betrekkingen die kunnen worden toegekend aan personen afkomstig uit de derde weg te berekenen op basis van het aantal in elk kalenderjaar vacant verklaarde betrekkingen, in plaats van op basis van de personeelsformatie van de magistraten.

Punt C strekt ertoe de regels te bepalen die moeten worden gevolgd bij de berekening van het aantal betrekkingen dat wordt toegekend aan wie geslaagd is voor het mondeling evaluatie-examen.

De heer Cheffert dient amendement nr. 12 in (stuk Senaat, nr. 3-976/3), dat aansluit bij de filosofie van amendement nr. 4 van mevrouw Nyssens.

De indiener stelt voor een dubbele bovengrens in te voeren om het aantal betrekkingen voor de geslaagden van het mondeling evaluatie-examen te beperken. Het aantal moet worden beperkt tot maximaal 10 % van de personeelsformatie en tot 50 % van de vacante betrekkingen.

De minister vindt het aandeel van 12 % van de personeelsformatie redelijk. Zij wijst erop dat dat aandeel per categorie geldt, wat zorgt voor een striktere toepassing. Zij herinnert eraan dat de invloed van de maatregel afgezwakt wordt door artikel 10 van het ontwerp, dat voorziet in een geleidelijke toepassing ervan om een zo neutraal mogelijk beleid te waarborgen.

Wat de kwestie van de afgeronde getallen betreft, verduidelijkt spreekster dat het ontwerp een maximumaantal vaststelt en dat steeds naar de lagere eenheid wordt afgerond.

Mevrouw de T' Serclaes vraagt of de vrees dat in het begin alleen kandidaten afkomstig uit de derde toegangsweg zullen worden benoemd, volledig is weggewerkt.

De minister antwoordt dat ook nu kandidaten uit drie toegangswegen (gerechtelijke stage, examen inzake beroepsbekwaamheid en mobiliteit) met elkaar in concurrentie treden. Het is evenwel duidelijk dat geen van de drie categorieën wordt bevoordeeld ten opzichte van de andere, wat bewijst dat die vrees ongegrond is.

Spreekster weerlegt ook de kritiek dat het ontwerp een nieuwe politisering van de magistratuur zou mogelijk maken. De Hoge Raad voor de Justitie behoudt zijn essentiële rol in de aanwijzingsprocedure en controleert de kandidaten op twee momenten van die procedure.

Mevrouw de T' Serclaes vraagt of het percentage van 12 % niet opnieuw door het Arbitragehof zal worden verworpen.

De minister antwoordt dat op dat vlak geen enkele waarborg kan worden gegeven. Zij is er evenwel van overtuigd dat het ontwerp een eventueel beroep tot vernietiging zal doorstaan. Wiskundig gezien is 12 % een relatief laag aandeel. De Raad van State heeft daarover trouwens geen opmerkingen gemaakt.

Mevrouw Defraigne herinnert eraan dat de wet niet a priori voorziet in aandelen die moeten zorgen voor een evenredige vertegenwoordiging van de drie categorieën van mensen die met elkaar in concurrentie treden voor de voordrachten. De gerechtelijke stagiairs zijn er in het verleden echter nooit voor teruggeschrokken om in concurrentie te treden met kandidaten afkomstig uit andere toegangswegen.

Spreekster meent dat een aandeel van 12 % overeenstemt met het geringe aandeel dat het Arbitragehof voorstaat. Het feit dat het percentage per categorie geldt, biedt een bijkomende waarborg.

Zij acht de vrees voor massale benoemingen van kandidaten uit de derde toegangsweg nogal theoretisch. In de praktijk is het weinig waarschijnlijk dat de hele personeelsformatie zal worden vervangen.

Om die redenen steunt spreekster de voorliggende tekst.

De heer Chevalier onderschrijft de amendementen nummers 4 en 13 niet. Hij meent dat men de discussie opnieuw in het juiste perspectief moet zien. In het rechtsgebied van het hof van beroep van Gent zijn er 42 vrederechters en politierechters. Er zouden dus maximum 5 kandidaten uit de derde toegangsweg kunnen worden benoemd, wat hem erg redelijk lijkt.

De heer Cheffert vindt het belangrijk dat men een oplossing voor de derde toegangsweg vindt die zo weinig mogelijk risico loopt om door het Arbitragehof te worden vernietigd. Het Hof beoordeelt de situatie niet in absolute termen maar op basis van de werkelijke situatie. Spreker wijst er overigens op dat de Raad van State in zijn advies heel voorzichtig is geweest : « Door te voorzien in een maximum verhouding van 12 % van het totaal aantal magistraten (...) per rechtsgebied van het hof van beroep of van een arbeidshof, lijkt het voorontwerp op het eerste gezicht geen afbreuk te doen aan de betekenis die het hof aan de termen « zeer beperkte mate » heeft willen geven (stuk Kamer, nr. 51-1247/001, blz. 16). Spreker pleit dan ook voor voorzichtigheid bij het vaststellen van de percentages.

Stemmingen

Amendement nr. 4, A, wordt verworpen met 11 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding. De amendementen nr. 4, B en C, worden verworpen met 10 stemmen tegen 1 stem bij 2 onthoudingen.

Amendement nr. 13 wordt verworpen met 7 stemmen tegen 1 stem bij 5 onthoudingen.

Artikel 3 wordt aangenomen met 10 tegen 3 stemmen.

Artikel 3bis (nieuw)

Mevrouw De Schamphelaere dient amendement nr. 17 in (stuk Senaat, nr. 3-976/3), dat ertoe strekt een artikel 3bis in te voegen in het wetsontwerp.

De indiener wil de bespreking van het wetsontwerp aangrijpen om een onlogische situatie recht te zetten waarvan sommige geslaagden voor het examen inzake beroepsbekwaamheid, het slachtoffer zijn geworden na een aantal wetswijzigingen. De wet van 3 mei 2003 heeft een uniform tijdelijk embargo van drie jaar ingevoerd voor het parket en de zetel teneinde een minimum aan stabiliteit in rechtscolleges en de parketten te verzekeren. Drie jaar na de benoeming kan men niet in een ander rechtscollege worden benoemd.

De parketmagistraten die benoemd zijn na de stage van 18 maanden, kunnen zich ten gevolge van de wet van 3 mei 2003 niet meer kandidaat stellen voor de zetel. In de programmawet van 22 december 2003 wilde men dat probleem oplossen door artikel 191, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek terug in te voeren. Daarbij heeft men de personen die geslaagd zijn voor het examen inzake beroepsbekwaamheid echter over het hoofd gezien. Mevrouw De Schamphelaere stelt voor een einde te maken aan die onlogische situatie door hetzelfde stelsel op beide categorieën van toepassing te maken.

De minister wijst erop dat het door spreekster aangekaarte probleem betrekking heeft op de mobiliteit van de magistraten, die zich geen kandidaat mogen stellen voor een benoeming in een ander ambt binnen drie jaar na hun benoeming. Dat is een heel andere kwestie dan die welke dit wetsontwerp behandelt.

Mevrouw De Schamphelaere geeft toe dat het doel van haar amendement buiten het bestek van het wetsontwerp valt. Ze denkt echter dat het belangrijk is ruchtbaarheid te geven aan de problemen die een aantal magistraten in het veld ondervinden. Dit debat is een gelegenheid om aandacht te besteden aan dergelijke problemen, aangezien de opmerkingen die oppositieleden maken bij het debat over een programmawet systematisch worden verworpen.

De heer Chevalier denkt dat het raadzaam is dat voor het probleem waarover mevrouw De Schamphelaere het heeft een afzonderlijk wetsvoorstel wordt ingediend.

Stemming

Amendement nr. 17 wordt verworpen met 10 tegen 3 stemmen.

Artikel 4

Mevrouw Defraigne c.s. dienen amendement nr. 1 in (stuk Senaat, nr. 3-976/2), dat ertoe strekt de derde toegangsweg tot de magistratuur open te stellen voor de referendarissen bij de rechtbanken van eerste aanleg, de arbeidsrechtbanken of de rechtbanken van koophandel, die een beroepservaring van minstens twintig jaar hebben verworven.

Mevrouw Defraigne verwijst naar het debat over amendement nr. 2 op artikel 2.

Mevrouw Nyssens dient amendement nr. 5 in (stuk Senaat, nr. 3-976/2), dat ertoe strekt het voorgestelde artikel 191bis, § 2, aan te vullen.

In punt A stelt de indienster voor dat men voor de derde weg het beginsel volgt van de jaarlijkse oproep, zoals het bestaat voor het vergelijkend toelichtingsexamen dat toegang geeft tot de gerechtelijke stage en voor het examen inzake beroepsbekwaamheid.

Punt B strekt ertoe aan de bezorgdheid van de gerechtelijke stagiairs tegemoet te komen door voorrang te verlenen aan de gerechtelijke stagiairs en aan de geslaagden voor het examen inzake beroepsbekwaamheid. Er zou slechts subsidiair een beroep worden gedaan op kandidaten uit de derde weg, wanneer er geen minimum aan kandidaten voor de vacante functie is of wanneer de Hoge Raad geen enkele kandidaat uit de eerste twee wegen voorstelt.

De indiener verwijst voor het overige naar de schriftelijke verantwoording.

In verband met punt A van het amendement verwijst de minister naar het koninklijk besluit van 21 september 2000 tot vaststelling van de wijze en de voorwaarden voor de organisatie van het examen inzake beroepsbekwaamheid en van het vergelijkend examen voor toelating tot de gerechtelijke stage. Dat besluit zal worden aangepast om rekening te houden met het bestaan van een derde weg. De aanpassing moet in overleg met de Hoge Raad voor de Justitie plaats hebben.

De minister kan zich evenmin aansluiten bij punt B, dat tot doel heeft een voorrangsregeling uit te werken voor de geslaagden van de eerste en de tweede toegangsweg tot de magistratuur. Dat is niet in het belang van de rechtzoekende, die integendeel de waarborg moet krijgen dat de kandidaat die door de Hoge Raad wordt voorgesteld de bekwaamste voor de functie is, zonder een beroep te doen op een voorrangsregeling.

Voorts herinnert spreekster eraan dat voorliggend ontwerp noch tot doel, noch tot gevolg heeft dat de belangen van de gerechtelijke stagiairs worden geschaad. Ze wijst erop dat er maatregelen zullen worden getroffen opdat het aantal gerechtelijke stagiairs niet te hoog oploopt in vergelijking met het aantal betrekkingen. Dat aantal wordt bepaald op grond van de opgedane ervaring en vastgelegd bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad.

Tot slot denkt ze dat de oplossing die mevrouw Nyssens voorstelt, grote praktische problemen zal meebrengen.

Ofwel moet de kandidaat uit de derde weg zich ervan vergewissen dat er geen andere kandidaten zijn uit de eerste twee wegen vóór hij zijn kandidatuur stelt. Daartoe moet hij praktisch tot het einde van de termijn wachten vóór hij zich kandidaat kan stellen.

Ofwel stelt de kandidaat uit de derde weg zich systematisch kandidaat, maar wordt zijn kandidatuur automatisch verworpen zodra er zich twee kandidaten uit de andere wegen hebben aangediend.

Wat punt C betreft, denkt spreekster dat het gezond verstand de bovenhand moet halen wanneer een advocaat bij verscheidene balies actief is geweest. De stafhouder aan wie advies wordt gevraagd, kan in dat geval overleg plegen met zijn collega's.

Tot slot meent de minister dat de toevoeging die in punt D wordt voorgesteld en die voorziet dat de aangesproken stafhouder een attest uitreikt over het al dan niet bestaan van tuchtsancties en in voorkomend geval over de aard van de sanctie, zeer ver gaat. Ze stelt overigens vast dat dergelijke informatie niet vereist is voor de andere categorieën van kandidaten, wat het evenwicht verstoort.

Mevrouw de T' Serclaes merkt op dat de procedure van het gemotiveerd schriftelijk advies van een vertegenwoordiger van de balie aan het ontwerp werd toegevoegd als gevolg van een amendement dat in de Kamer werd ingediend door de heer Maingain (amendement nr. 6, doc. 51-1247/005).

Spreekster betwijfelt of zo'n regeling werkbaar is, vooral in de grote arrondissementen, waar het niet onwaarschijnlijk is dat de stafhouder de betreffende kandidaat niet voldoende kent om een waardevol advies te geven.

Mevrouw Defraigne wijst erop dat het advies van de stafhouder reeds vereist is wanneer een advocaat zich kandidaat stelt voor plaatsvervangend rechter of wanneer een advocaat die zijn getuigschrift van beroepsbekwaamheid heeft behaald, zich kandidaat stelt voor een benoeming. Men mag er dus van uitgaan dat de balies in staat zijn een degelijk advies te geven over advocaten die twintig jaar beroepservaring hebben.

De minister wenst twee punten toe te lichten. Er moet reeds een advies van de balie komen bij de benoeming. Bovendien wil het ontwerp dat er een advies komt bij de kandidaatstelling. Dat maakt deel uit van de algemene filosofie die ernaar streeft de gerechtelijke medewerkers te betrekken bij de benoeming en de selectie van magistraten.

Daar komt nog bij dat de Hoge Raad voor de Justitie voorstander is van zo'n advies. Dat helpt de Hoge Raad om de kandidaten op hun merites te beoordelen, bijvoorbeeld hun specialisme, hun activiteiten bij de balie, hun ervaring ...

Volgens mevrouw de T' Serclaes kan dat advies niet zoveel nut hebben want het gebeurt maar al te vaak dat het een vertekend beeld van de werkelijkheid biedt. De Hoge Raad zelf is verwonderd dat bijna alle binnenkomende adviezen gunstig zijn.

De minister bevestigt nogmaals dat die adviezen belangrijk zijn. Wie de landkaart bekijkt stelt vast dat het merendeel van de gerechtelijke arrondissementen klein zijn. De leden van de raad van de orde kennen hun confraters a fortiori die welke meer dan 20 jaar beroepservaring tellen.

De heer Chevalier geeft toe dat de adviesprocedure vatbaar is voor verbetering en dat het niet mogelijk is een absolute objectiviteit te waarborgen. Een andere oplossing is er evenwel niet.

De regering dient amendement nr. 19 in (stuk Senaat nr. 3-976/3) om mogelijke belangenconflicten te regelen die tijdens de adviesprocedure ontstaan. Het voorgestelde punt A wil de beletselregeling die van toepassing is wanneer de vertegenwoordiger van de balie een advies uitbrengt over een verzoek tot vrijstelling van het examen inzake beroepsbekwaamheid, afstemmen op die welke geldt bij de benoeming.

Punt B biedt de kandidaat de mogelijkheid eventueel opmerkingen over het advies van de balie over te zenden aan de Hoge Raad voor de Justitie. De minister deelt mee dat zulks niet hetzelfde is als een mogelijkheid van beroep tegen het advies.

Stemmingen

Amendement nr. 1 wordt verworpen met 7 tegen 4 stemmen bij 2 onthoudingen.

Amendement nr. 5 wordt verworpen met 10 stemmen tegen 1 stem bij 2 onthoudingen.

Amendement nr. 19 wordt aangenomen met 10 stemmen tegen 1 stem bij 2 onthoudingen.

Het geamendeerde artikel 4 wordt aangenomen met 10 stemmen tegen 3 stemmen.

Artikel 4bis (nieuw)

Mevrouw Nyssens stelt bij amendement nr. 6 (stuk Senaat nr. 3-976/2) voor een nieuw artikel 4bis in het ontwerp op te nemen.

De indiener wil zekerheid hebben dat de kandidaat bij het mondelinge evaluatie-examen effectief bij de balie werkzaam kan blijven.

Het amendement wordt verworpen met 10 stemmen tegen 1 stem bij 2 onthoudingen.

Artikel 5

Mevrouw Nyssens stelt bij amendement nr. 7 (stuk Senaat nr. 3-976/2) voor het voorgestelde artikel 191ter te wijzigen. Haar amendement ligt in het verlengde van amendement nr. 4 op artikel 3.

De heer Cheffert dient amendement nr. 14 in (stuk Senaat nr. 3-976/3) om het voorgestelde artikel 191ter te wijzigen. Het amendement ligt in het verlengde van amendement nr. 13, dat hij op artikel 3 heeft ingediend. Vervolgens neemt hij amendement nr. 14 terug.

Stemmingen

Amendement nr. 7 wordt verworpen met 10 stemmen tegen 1 stem bij 2 onthoudingen.

Artikel 5 wordt aangenomen met 10 stemmen tegen 3 stemmen.

Artikel 5bis (nieuw)

Mevrouw De Schamphelaere stelt bij amendement nr. 18 (stuk Senaat nr. 3-976/3) voor een artikel 5bis op te nemen in het wetsontwerp.

De indiener verwijst naar de behandeling van amendement nr. 17 op artikel 3bis.

Stemming

Amendement nr. 18 wordt verworpen met 10 tegen 3 stemmen.

Artikel 6

Mevrouw Defraigne en c.s. stellen bij amendement nr. 3 (stuk Senaat nr. 3-976/2) voor de derde benoemingsweg tot de magistratuur open te stellen voor parketjuristen die kunnen bogen op een beroepservaring van ten minste twintig jaar.

De indieners verwijzen naar de behandeling van amendement nr. 2 op artikel 2.

Stemmigen

Het amendement wordt verworpen met 7 tegen 4 stemmen bij 2 onthoudingen.

Artikel 6 wordt aangenomen met 10 tegen 3 stemmen.

Artikel 7

Mevrouw Nyssens dient amendement nr. 8 in (stuk Senaat, nr. 3-976/2), dat ertoe strekt het voorgestelde artikel 194ter te wijzigen. Dat amendement ligt in het verlengde van amendement nr. 4 op artikel 3 van dezelfde indiener.

De heer Cheffert dient amendement nr. 15 in (stuk Senaat, nr. 3-976/3), dat ertoe strekt het voorgestelde artikel 194ter te wijzigen. Dat amendement, dat in het verlengde ligt van amendement nr. 13 op artikel 3 van dezelfde indiener, wordt vervolgens ingetrokken.

Stemmingen

Amendement nr. 8 wordt verworpen met 10 stemmen tegen 1 stem bij 2 onthoudingen.

Artikel 7 wordt aangenomen met 10 tegen 3 stemmen.

Artikel 7bis (nieuw)

Mevrouw Nyssens dient amendement nr. 9 in (stuk Senaat, 3-976/2), dat ertoe strekt een artikel 7bis (nieuw) in het wetsontwerp in te voegen. De indiener wil dat alleen de voorwaarde van anciënniteit in aanmerking komt om het beroep op de derde weg toe te staan. Er mag geen voordeel worden toegestaan, bijvoorbeeld omdat de kandidaat houder is van een getuigschrift inzake talenkennis of van een specifiek diploma.

De minister merkt op dat het ontwerp alleen de voorwaarden voor de ontvankelijkheid van een verzoek tot vrijstelling van het examen inzake beroepsbekwaamheid regelt. Het wijzigt geenszins de benoemingsvoorwaarden, die door andere bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek worden geregeld. Het amendement behelst precies de benoemingsvoorwaarden.

Na die preciseringen trekt mevrouw Nyssens amendement nr. 9 in.

Mevrouw De Schamphelaere dient amendement nr. 13 in (stuk Senaat, 3-976/3), dat ertoe strekt een artikel 7bis in het wetsontwerp in te voegen.

De indiener herinnert eraan dat de wet van 3 mei 2003 een eenvormig tijdelijk embargo heeft ingesteld voor het parket en de zittende magistratuur, om een minimum aan stabiliteit in de rechtscolleges en de parketten te verzekeren. Het idee van een embargo voor een benoeming in een ander rechtscollege kan men nog begrijpen, maar de ingevoerde regeling belet ook benoemingen binnen hetzelfde rechtscollege, bijvoorbeeld voor een gespecialiseerder betrekking, wat niet kan worden verantwoord. De indiener stelt voor een einde te maken aan die onlogische toestand, door artikel 216bis, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan te vullen.

De minister verwijst naar de discussie in verband met artikel 3bis (nieuw). Het amendement valt buiten het raamwerk van het voorliggend wetsontwerp.

Mevrouw Nyssens steunt het amendement. Het gebeurt wel vaker dat men het doel van een ontwerp tijdens het debat verruimt, om problemen te regelen die ermee te maken hebben. Ze merkt op dat de voorgestelde wijziging ook het Gerechtelijk Wetboek behelst.

Stemming

Amendement nr. 16 wordt verworpen met 10 tegen 3 stemmen.

Artikel 7ter (nieuw)

Mevrouw Nyssens dient amendement nr. 10 in (stuk Senaat, 3-976/2) dat ertoe strekt een artikel 7ter (nieuw) in het wetsontwerp in te voegen. Er wordt verwezen naar het debat over amendement nr. 9 van dezelfde indiener.

Amendement nr. 10 wordt ingetrokken.

Artikel 7quater (nieuw)

Mevrouw Nyssens dient amendement nr. 11 in (stuk Senaat, 3-976/2), dat ertoe strekt een artikel 7quater (nieuw) in het wetsontwerp in te voegen. De indiener wil voorkomen dat de advocaten uit de derde weg, die zich kandidaat stellen voor vacatures, wegens hun leeftijd bij voorrang worden benoemd in de functie van raadsheer in het hof van beroep.

De minister wijst erop dat amendement nr. 11 over de benoemingsvoorwaarden gaat, terwijl het ontwerp alleen de voorwaarden voor de ontvankelijkheid van een verzoek tot vrijstelling van het examen inzake beroepsbekwaamheid regelt en de eigenlijke benoemingsvoorwaarden ongemoeid laat.

Naar aanleiding van die discussie wordt amendement nr. 11 ingetrokken.

Artikelen 8 en 9

Die artikelen geven geen aanleiding tot bespreking. Ze worden aangenomen met 10 tegen 3 stemmen.

Artikel 10

De regering dient amendement nr. 20 in (stuk Senaat, nr. 3-976/3), dat ertoe strekt artikel 10 van het ontwerp wetgevingstechnisch te verbeteren.

Stemmingen

Amendement nr. 20 en het aldus geamendeerde artikel worden aangenomen met 10 stemmen bij 3 onthoudingen.

Artikel 11

Mevrouw Nyssens dient amendement nr. 12 in (stuk Senaat, nr. 3-976/2), dat ertoe strekt artikel 11 van het ontwerp te vervangen. De indiener stelt voor dat de Koning bepaalt wanneer de wet in werking treedt, na breed overleg met de betreffende actoren.

De regering dient amendement nr. 21 in (stuk Senaat, nr. 3-976/3), dat ertoe strekt een technisch probleem betreffende de inwerkingtreding van de wet op te lossen.

Stemmingen

Amendement nr. 12 wordt verworpen met 10 stemmen tegen 1 stem bij 2 onthoudingen.

Amendement nr. 21 wordt eenparig aangenomen door de 13 aanwezige leden.

Het aldus geamendeerde artikel 11 wordt aangenomen met 10 stemmen tegen 1 stem bij 2 onthoudingen.

VI. EINDSTEMMING

Het geamendeerde wetsontwerp wordt aangenomen met 10 tegen 3 stemmen.

Dit verslag werd eenparig goedgekeurd door de 12 aanwezige leden.

De rapporteurs, De voorzitter,
Marie-José LALOY.
Fauzaya TALHAOUI.
Hugo VANDENBERGHE.