3-698/1

3-698/1

Belgische Senaat

ZITTING 2003-2004

14 MEI 2004


Wetsvoorstel tot wijziging van de Arbeidswet en van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, met het oog op de verlenging van de nabevallingsrust bij een meerlinggeboorte en de verlenging van de nabevallingsrust bij hospitalisatie van een pasgeboren kind

(Ingediend door mevrouw Annemie Van de Casteele)


TOELICHTING


Dit wetsvoorstel herneemt de regeling van twee wetsvoorstellen die op 25 september 1997 en 10 november 2000 in de Kamer van volksvertegenwoordigers werden ingediend (stukken Kamer, nr. 49-1210/1 - 96/97 en 50-0940/1).

Zwangerschap en bevalling zijn voor een gezin zeer ingrijpende gebeurtenissen. Niet enkel de fysieke belasting voor de moeder, maar ook de integratie van het kindje in het gezin maken dat een zekere verlofperiode voor de ouders geen overbodige luxe, maar een noodzaak is.

Een meerlingzwangerschap brengt een extra fysieke en psychische belasting met zich mee. Hiermee wordt nauwelijks rekening gehouden bij de bepaling van de duur van het zwangerschapsverlof. Op een kleine aanpassing van de wet in 1999 na, is er geen verschil tussen de regeling voor één enkel kind en een meerling. Meerlingmoeders hebben vandaag recht op negen weken voorbevallingsrust in plaats van op de gebruikelijke zeven weken. In principe kunnen zij tot acht weken overdragen naar de periode na de bevalling. In de praktijk komt dit zelden voor, aangezien de arts een vervroegde rust oplegt om het risico op vroeggeboorte te vermijden. Dit betekent concreet dat zij het na de bevalling met acht weken zwangerschapsrust moeten stellen. Een periode die om vele redenen te kort is.

Het zwangerschapsverlof is bedoeld voor de fysieke en psychische recuperatie van de moeder na de bevalling en de opvang van het kind in het gezin.

1. Bij een twee- of meerling is de zwangerschap over het algemeen zwaarder.

2. Bovendien komen verhoudingsgewijs meer meerlingen ter wereld met een sectio (45,8 %), een ingreep waarvan men langzamer herstelt.

3. En tijdens die recuperatietijd moet gezorgd worden voor twee of meer baby's in plaats van voor één kindje, hoe dan ook een zwaardere belasting voor de moeder, die de recuperatie bemoeilijkt.

4. Ook de innesteling van de kinderen in het gezin vergt een grotere aanpassing, iets waarbij enkele weken extra verlof een hemelsbreed verschil kunnen betekenen.

5. Wetenschappers hebben vastgesteld dat moeders van tweelingen vaker depressief zijn als gevolg van de druk die de speciale situatie met zich meebrengt.

België was in 1994 met 3,2 % tweelingen bij de koplopers in Europa. Nochtans is er in ons land nauwelijks sprake van een specifieke aanpak van deze uitzonderlijke situatie. Een vergelijking met de situatie in de andere Europese landen toont aan dat op vele plaatsen een speciale regeling bestaat voor twee- of meerlingen. In Frankrijk wordt het zwangerschapsverlof voor een tweeling meer dan verdubbeld (34 ten opzichte van 16 weken), Finland geeft zestig extra werkdagen zwangerschapsverlof, Denemarken heeft een uitgebreide verlofregeling voor elke zwangerschap, net als Noorwegen en geeft een speciale uitkering voor meerlingen.

Met dit wetsvoorstel wordt voorzien in een verlenging van de nabevallingsrust bij een meerlinggeboorte. Een verlenging met vier weken per extra kind (21 weken voor een tweeling, 25 weken voor een drieling, ...). Een verlenging van de nabevallingsrust kan bijdragen tot een meer comfortabele aanpassing aan de nieuwe situatie en een betere ouder-kindrelatie op langere termijn. De Vlaamse instelling Kind en Gezin stelde immers zelf ooit naar aanleiding van de publicatie van de cijfers in haar jaarverslag : « Het niet of onvoldoende adequaat kunnen realiseren van taken bij meerlingschap kan belangrijke gevolgen hebben voor de ouder-kind relatie en voor de ontwikkeling van de kinderen. »

Voorts wordt met dit wetsvoorstel ook een verlenging van de nabevallingsrust bij hospitalisatie van het pasgeboren kind beoogd. Het moederschapverlof duurt normaal vijftien weken. De moeder mag het werk onderbreken vanaf de zevende week die de vermoedelijke datum van bevalling voorafgaat, overeenkomstig het attest van de behandelende geneesheer. Ze moet het werk onderbreken gedurende acht weken na de bevalling. De moeder mag de gewerkte dagen binnen de zeven weken voor de reële bevallingsdatum naar de periode nà de bevalling overdragen. De laatste week voor de bevalling mag echter niet overgedragen worden.

Wanneer een pasgeboren kind gedurende ten minste acht weken, te rekenen vanaf zijn geboorte, in een verplegingsinrichting opgenomen blijft, kan de moeder deze eventuele verlenging van de arbeidsonderbreking waarop zij nog recht heeft, uitstellen tot op het ogenblik waarop het pasgeboren kind naar huis komt. In een aantal gevallen volstaat deze regeling niet.

Vooral meerlingenzwangerschappen vergen dikwijls een extra zorg en leiden tot voortijdige werkonderbreking. Ze geven vaker aanleiding tot een vroegtijdige bevalling en tot de noodzaak om de kinderen een tijdlang in het ziekenhuis te houden. Dit kan betekenen dat de moeder haar bevallingsverlof volledig opgebruikt heeft op het ogenblik dat de pasgeborenen naar huis kunnen komen.

Ook voor moeders van een kind die ­ vaak uit medische noodzaak ­ het werk meerdere weken voor de bevalling hebben onderbroken, rijst dit probleem bij een vrij lange periode van hospitalisatie van de pasgeborene.

Er is dus een oplossing nodig voor al wie een pasgeborene gedurende meerdere weken in een n-(neonatale) of N-(intensieve neonatale zorgen) dienst van het ziekenhuis moet achterlaten.

Ouders moeten alle mogelijkheden krijgen om zich in het gezin ten volle te wijden aan hun pasgeboren baby. Wanneer die mogelijkheden bij een aantal zwangerschappen door hospitalisatie van de baby of baby's gehypothekeerd zijn, is een oplossing noodzakelijk. Daarom wordt voorgesteld om het bevallingsverlof van iedere moeder die haar baby in het hospitaal moet achterlaten te verlengen met de totale verblijfsduur van de baby in het hospitaal, verminderd met een week. Gedurende de periode van het bevallingsverlof blijft de moeder een uitkering genieten van de ziekteverzekering. Om een oordeel te kunnen vormen over de gevolgen van dit wetsvoorstel zetten wij de beschikbare cijfergegevens op een rijtje. Bij gebrek aan recentere gegevens worden deze van 1994 genomen ter illustratie.

1. Aantal geboorten

Vlaams Gewest :

­ 1994 = 64 961

­ 1995 = 64 300

Brussels Gewest :

­ 1994 = 12 495

­ 1995 = 12 338

Waals Gewest :

­ 1994 = 37 905

­ 1995 = 37 588

1bis. Aantal meerlingenzwangerschappen in Vlaanderen

1994 :

­ 2 198 tweelingen, 2 115 levend

­ 123 drielingen, 113 levend

­ 4 vierlingen, 0 levend

­ 1 vijfling, 0 levend

Totaal (1994) :

­ 60 227 levend geboren eenlingen

­ 2 228 levend geboren meerlingen

Het aantal perinatale sterfgevallen is bij tweelingen 3,2 %; bij eenlingen 0,6 %.

1ter. Aantal meerlingenzwangerschappen in Wallonië en Brussel (onvolledige cijfers)

1994 :

­ 1 195 tweelingen

­ 60 drielingen

­ 6 vierlingen

In het hele land is de verhouding nagenoeg dezelfde, met name 97 % eenlingen en 3 % meerlingen.

2. Opname in het ziekenhuis

Alleen voor Vlaanderen bestaan nauwkeurige gegevens waarmee betrouwbare berekeningen gemaakt kunnen worden. De gegevens die via Kind en Gezin ter beschikking gesteld worden, zijn de uitgangsbasis.

Op basis van de gegevens voor Vlaanderen maken wij een extrapolatie voor gans België.

2a. Opnames in Vlaanderen

Aantal transferten naar

­ n-diensten : 8 236

­ N-diensten : 2 364

­ Totaal : 10 600 = 16 %

2b. Aantal gevallen met meer dan zes ligdagen

­ n-diensten : 2 642, waarvan 683 meerlingen (25 %)

­ N-diensten : 1 403, waarvan 381 meerlingen (27 %)

­ Totaal aantal eenlingen met meer dan zes ligdagen : 2 981

­ Totaal aantal meerlingen met meer dan zes ligdagen : 1 064

Verhoudingsgewijs betekent dit dat 4,9 % van de eenlingen een couveusetijd van meer dan zes dagen heeft en 47 % van de meerlingen. Met andere woorden, er zijn merkelijk meer meerlingen dan eenlingen die enige tijd in een couveuse dienen te verblijven.

In het totaal liggen 4 045 van de 64 300 pasgeborenen (6 %) langer dan zes dagen op een n-dienst.

2c. Gemiddeld aantal ligdagen van deze 4 045 pasgeborenen

­ n-dienst : 18,2

· eenlingen : 16,4

· meerlingen : 23,2

­ N-dienst : 33,7

· eenlingen : 32,6

· meerlingen : 36,3

Met andere woorden, er zijn niet alleen verhoudingsgewijs meer meerlingen dan eenlingen die enige tijd op een n-dienst verblijven, bovendien verblijven deze meerlingen er gemiddeld ook langer.

Omdat ongeveer 75 % van de opnames van baby's in n- of N-diensten minder dan zes dagen duurt en dit geen noemenswaardige problemen meebrengt voor de opvang, wordt de verlenging van de nabevallingsrust pas mogelijk vanaf de tweede week.

Volgens de bestaande wetgeving (artikel 39 van de wet van 16 maart 1971) kan de moeder van een kindje dat langer dan acht weken gehospitaliseerd blijft, de verlenging van het postnataal verlof met de dagen die ze vóór de bevalling is blijven doorwerken, uitstellen tot op het ogenblik waarop haar baby thuiskomt. Daarom wordt in het wetsvoorstel de mogelijke verlenging van de bevallingsrust beperkt tot acht weken en wordt de mogelijkheid van uitstel uitgebreid zodat de moeder ook in die gevallen bij thuiskomst van haar baby nog acht weken rust heeft (inclusief de uitgestelde prenatale rust).

3. De kostprijs

Op basis van de voormelde cijfers hebben we de te verwachten kostprijs berekend.

­ De gemiddelde hoogte van de uitkering per dag bedroeg in Vlaanderen 37 euro (voor België 35,45 euro, voor Wallonië 31 euro).

­ De moederschapsuitkering wordt zes dagen op zeven uitbetaald.

3a. Berekening van de te verwachten kostprijs in Vlaanderen

(1) Kinderen in N-dienst (langer dan zes dagen) :

­ 1 022 + 190 (de helft van het aantal meerlingen, uiteraard een schatting) = 1 212

­ Gemiddeld aantal ligdagen : 33,7 (28 betaalde dagen)

­ Kostprijs : 1 212 × 28 × 37 = 1 255 632 euro

(2) Kinderen in n-diensten (langer dan zes dagen) : 1 959 + 340 = 2 299.

Gemiddeld aantal ligdagen : 18,2 (16 betaalde dagen).

Kostprijs : 2 299 × 16 × 37 = 1 361 008 euro.

Totale te verwachten kostprijs : 2 616 640 euro.

Dat betekent een kostprijs ten belope van ongeveer 1,5 % van de totale uitgaven in de moederschapsverzekering. Door de beperking tot acht weken zal de werkelijke kostprijs beneden deze raming liggen.

3b. Extrapolatie voor België

De extrapolatie geeft een te verwachten kostprijs van maximaal 4,2 miljoen euro. Dit is een gevolg van meerder factoren :

­ het geringere aantal geboorten in Wallonië en in Brussel dan in Vlaanderen;

­ evenredig hiermee het geringere aantal meerlingen, terwijl deze meerlingen een relatief hoger risico lopen om gehospitaliseerd te worden;

­ de lagere gemiddelde uitkering per dag in Wallonië en in Brussel.

Aangezien er echter geen specifieke cijfers zijn betreffende het aantal kinderen dat effectief gehospitaliseerd wordt en de duur hiervan, is het niet mogelijk om voor het gehele land tot een meer gedetailleerde schatting te komen. Gezien de te verwachten kostprijs voor Vlaanderen van 2,6 miljoen euro en de verhoudingen van het aantal geboorten in de verschillende landsgedeelten, mag men de kostprijs voor Wallonië en Brussel echter schatten op maximaal 1,875 miljoen euro. Omdat de gemiddelde dagvergoeding bovendien duidelijk lager ligt dan in Vlaanderen (met name 17% lager), kan men ook deze schatting met ongeveer 17% verminderen. Op die wijze komt men tot een schatting van ongeveer 1,575 miljoen euro.

TOELICHTING BIJ DE ARTIKELEN

Art. 2

Artikel 39 van de arbeidswet van 16 maart 1971 bepaalt het recht op pre- en postnataal verlof en de maximale duur van het verlof. Er wordt eveneens een onderscheid gemaakt tussen het verplichte verlof ( één week voor de vermoedelijke bevallingsdatum en acht weken na de bevalling) en het facultatief verlof (zes weken naar keuze van de moeder voor of na de bevalling, voor een meerling acht weken).

Het voorstel beoogt een verlenging van het nabevallingsverlof voor moeders van meerlingen. Een verlenging met vier weken voor een tweeling, een verlenging met acht weken voor een drieling, ...

Het voorstel beoogt tevens een verlenging van het bevallingsverlof voor moeders wiens kindje in het ziekenhuis moet achterblijven. Het lijkt dan ook logisch dit te beschouwen als een facultatief verlof, dat toegekend wordt wanneer de werkneemster het vraagt. Deze aanvraag kan pas gebeuren nadat de wettelijke mogelijkheden van vijftien weken opgebruikt zijn. In elk geval lijkt het noodzakelijk om in de Arbeidswet een aanpassing in te schrijven die een verlenging van het postnataal verlof mogelijk maakt, ook wanneer de moeder haar facultatieve verlof van zes weken reeds vóór de geboorte (gedeeltelijk) opgebruikt heeft. De huidige regeling van artikel 39, vierde lid, die een uitstel van verlenging mogelijk maakt, wordt dan uitgebreid tot het aldus verlengde postnatale verlof.

Art. 3

In de artikelen 113 tot 117 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen wordt de zogenaamde moederschapsverzekering geregeld.

Artikel 113 bepaalt dat de gerechtigde voor iedere werkdag van de tijdvakken van moederschapsverlof die in artikel 114 worden vastgesteld, recht heeft op een moederschapsuitkering. Aangezien het voorstel een verlenging van de tijdvakken van moederschapsrust beoogt, dient artikel 114 te worden gewijzigd.

De bedoeling is de uitkering te verlengen met een periode van vier weken per bijkomend kind.

Tevens zou een verlenging van de nabevallingsrust worden toegekend voor de periode dat het kindje gehospitaliseerd blijft, evenwel verminderd met één week. Deze week stemt overeen met de gemiddelde verblijfsduur van de overgrote meerderheid van baby's in een n-dienst of N-dienst van een ziekenhuis en valt dan ook buiten het toepassingsgebied van dit wetsvoorstel.

Bovendien is het de bedoeling de verlenging tot maximaal acht weken te beperken. Voor moeders de verzorging van een ziek familielid op zich te nemen (cf. het koninklijk besluit van 6 februari 1997, Belgisch Staatsblad, 18 februari 1997). Deze verlenging bedraagt maximaal twee weken indien de moeder wiens baby gehospitaliseerd wordt, reeds over een periode van veertien weken nabevallingsrust beschikt. In de geest van het wetsvoorstel beschikt de moeder die zes (facultatieve) weken voorbevallingsrust genomen heeft, over een nabevallingsrust van zestien weken, evenals de moeder die geen (facultatieve) voorbevallingsrust heeft genomen. De bedoeling van het wetsvoorstel is immers in een oplossing te voorzien voor de moeders wiens pasgeboren kindje (langer dan een week) gehospitaliseerd blijft, zodat het van belang is dat de maximale nabevallingsrust in beide gevallen dezelfde is.

Annemie VAN de CASTEELE.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

In artikel 39 van de arbeidswet van 16 maart 1971, gewijzigd bij de wetten van 22 december 1989, 29 december 1990 en 25 januari 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

A) tussen het derde lid en het vierde lid, worden de volgende leden ingevoegd :

« Wanneer het gaat om een meerlinggeboorte wordt de nabevallingsrust automatisch verlengd met vier weken per bijkomend kind. Deze periode valt buiten de verplichte nabevallingsrust.

Wanneer het pasgeboren kind gedurende ten minste acht dagen, te rekenen vanaf zijn geboorte, in een verplegingsinrichting opgenomen moet blijven, wordt de arbeidsonderbreking na de achtste week op verzoek van de werkneemster verlengd met een periode waarvan de duur gelijk is aan de periode waarin het kind opgenomen was, verminderd met een week. De maximale duur van deze verlenging bedraagt acht weken. De maximale duur van de arbeidsonderbreking na de bevalling, waarop de werkneemster krachtens de bepalingen van dit artikel recht heeft, bedraagt zestien weken. »;

B) in het vierde lid, dat het zesde lid wordt, worden de woorden « krachtens het derde lid » vervangen door de woorden « krachtens het derde, vierde of vijfde lid ».

Art. 3

In artikel 114 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gewijzigd bij de wet van 25 januari 1999 worden de volgende wijzigingen aangebracht :

A) in het tweede lid wordt, tussen de tweede en de derde zin, de volgende zin ingevoegd :

« Bij een meerlinggeboorte wordt de nabevallingsrust verlengd met een periode van vier weken per bijkomend kind. »

B) tussen het tweede en het derde lid wordt het volgende lid ingevoegd :

« Wanneer het pasgeboren kind gedurende ten minste acht dagen, te rekenen vanaf zijn geboorte, in een verplegingsinrichting opgenomen moet blijven, kan het tijdvak van de nabevallingsrust bovendien worden verlengd met de periode waarin het kind opgenomen was, verminderd met een week. De maximale duur van deze verlenging bedraagt acht weken. De maximale duur van de nabevallingsrust bedraagt zestien weken. »;

C) in het derde lid, dat het vierde lid wordt, worden de woorden « vierde lid of vijfde lid » vervangen door de woorden « zesde lid of zevende lid ».

1 april 2004.

Annemie VAN de CASTEELE.