3-428/2

3-428/2

Belgische Senaat

ZITTING 2003-2004

19 DECEMBER 2003


Wetsontwerp tot wijziging van artikel 215, derde lid, 4║, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992


Evocatieprocedure


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE FINANCI╦N EN VOOR DE ECONOMISCHE AANGELEGENHEDEN UITGEBRACHT DOOR MEVROUW VIENNE


I. INLEIDING

Dit optioneel bicameraal wetsontwerp (artikel 78 van de Grondwet) werd op 28 oktober 2003 door de regering in de Kamer van volksvertegenwoordigers ingediend (stuk Kamer, nr. 51-352/1) en door de Kamer van volksvertegenwoordigers op 18 december 2003 aangenomen en overgezonden aan de Senaat. De Senaat heeft het ontwerp geŰvoceerd op dezelfde dag.

De commissie heeft dit wetsontwerp besproken tijdens haar vergaderingen van 18 en 19 december 2003.

II. INLEIDENDE UITEENZETTING DOOR DE MINISTER VAN FINANCI╦N

De minister verwijst naar zijn inleidende uiteenzetting in de bevoegde Kamercommissie (zie : stuk Kamer, nr. 51- 0352/2)

III. ALGEMENE BESPREKING

De heer Thissen merkt op dat die maatregel tot stand is gekomen op een ogenblik dat de budgettaire toestand er niet rooskleurig uitzag. De regering heeft in eerste instantie besloten een vaste bezoldiging te bepalen zonder rekening te houden met de werkelijke bezoldiging die een bedrijfsleider ontvangt. Met dat vast bedrag van de minimumbezoldiging geniet men een beperkte aanslagvoet en kan men de sociale bijdrage naar beneden brengen. Een aantal bedrijven kan echter moeilijk voldoen aan de voorwaarden om gebruik te kunnen maken van de verlaagde aanslagvoeten voor de vennootschapsbelasting.

De bezoldiging, die aan minstens een van de bedrijfsleiders moet worden toegekend en die dit ontwerp in enkele jaren van 24 500 euro wil verhogen tot 36 000 euro, vormt een bijkomende last voor de zelfstandige, van wie zowat 30 % op de armoedegrens leeft. Daarbij komt nog dat in weerwil van de gunstige conjunctuur de eenmalige bijdrage die de vennootschappen voor een jaar moesten betalen, niet verdwenen is. Het samengaan van die twee maatregelen druist in tegen wat men moet doen om de zelfstandige aan te moedigen.

Die maatregel brengt nog andere gevolgen tot stand. Een zelfstandige bijvoorbeeld die niet het hele jaar heeft gewerkt moet het forfait toch aangeven om de verlaagde belasting te genieten want een regularisatie, ook een kleine rechtzetting, kan dat voordeel voor hem verloren doen gaan.

Het komt dus hierop neer dat een zelfstandige het voordeel van de verlaagde belasting kan verliezen door een te strikte toepassing van de bedoelde maatregelen.

De heer Schouppe vraagt of, naast een indexering van het basisbedrag, ook een indexering van de barema's, waarop de percentages worden toegepast, uitgevoerd heeft.

Worden de barema's van de vennootschapsbelasting van 25 000 euro, 90 000 euro en 322 000 euro ook worden ge´ndexeerd ?

De minister van FinanciŰn antwoordt dat het bedrag van 24 500 euro slechts trapsgewijs zal worden aangepast en dat pas in 2007 de indexering zal worden doorgevoerd. Het is niet nodig om de barema's aan te passen want sedert 1 januari 2003 is een vermindering van de verlaagde tarieven van kracht.

De heer Thissen merkt op dat de minister een verminderde aanslagvoet in het vooruitzicht stelt, doch onmiddellijk de opbrengst van die vermindering terugwint op de kleine inkomsten.

Het commissielid wenst ook meer uitleg over de indexering van de belastingschalen. Op welke wijze wordt deze doorgevoerd ? Gaat de minister uit van het jaar vanaf wanneer de indexering niet meer werd toegepast of vanaf een ander tijdstip ?

De minister deelt mee dat de belastingschalen opnieuw volledig ge´ndexeerd zijn in vergelijking met de toestand over 1999. De belastinghervorming geeft bovendien de helft terug van wat niet is gedaan tussen 1992 en 1999. Het ligt in de bedoeling een algehele inhaaloperatie te realiseren. Daarbij komen ook nog de regeringsmaatregelen inzake belastingvermindering.

De minister bevestigt dat indien de indexaanpassing volledig plaats had gehad, het bedrag over het jaar 2004 hetzelfde zou zijn als het bedrag dat over 2007 van toepassing is. Men moet hier stapsgewijze te werk gaan, het is immers niet mogelijk met een enkele maatregel de niet-indexaanpassing van de jongste 10 jaar in te halen.

IV. ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING

Er werden geen amendementen op dit ontwerp ingediend.

V. STEMMINGEN

Het wetsontwerp wordt aangenomen met 8 stemmen tegen 3 stemmen.

Dit verslag wordt goedgekeurd met 8 stemmen bij 1 onthouding.

De rapporteur, De voorzitter,
Christiane VIENNE. Jean-Marie DEDECKER.

De door de commissie aangenomen tekst
is dezelfde als die van het
door de Kamer van volksvertegenwoordigers
overgezonden wetsontwerp
(zie stuk Kamer, nr. 51-352/3)