3-393/1

3-393/1

Belgische Senaat

ZITTING 2003-2004

5 DECEMBER 2003


Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 38 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992

(Ingediend door de heer Jean-Marie Dedecker)


TOELICHTING


Dit wetsvoorstel neemt de tekst over van een voorstel dat reeds op 22 december 2000 in de Kamer van volksvertegenwoordigers werd ingediend (stuk Kamer, nr. 50-1031/1 2000/2001).

De wet van 4 mei 1999 tot verbetering van de bezoldigingsregeling en van het sociaal statuut van de lokale verkozenen heeft een aantal belangrijke wijzigingen aangebracht op het vlak van het statuut en de verloning van de burgemeesters en de schepenen.

Met ingang van 1 januari 2001 worden de wedden van de burgemeesters vastgesteld op basis van een percentage van de vastgestelde weddeschaal van de gemeentesecretaris van de betrokken gemeente. Voor gemeenten tot 80 000 inwoners kan de Koning de wedden van de burgemeesters vermeerderen, zonder dat deze echter meer kunnen bedragen dan 120% van het hoogste bedrag van de weddeschaal van de gemeentesecretaris van de betrokken gemeente. De wedden van de schepenen bedragen 60% of 75% van de wedde van de burgemeester van de betrokken gemeente, naargelang de gemeente respectievelijk minder of meer dan 50 000 inwoners telt.

Bovendien bepaalt de betrokken wet van 4 mei 1999 dat indien de burgemeesters en schepenen niet krachtens een ander sociaal of beroepsstatuut beschermd zijn door het stelsel van de sociale zekerheid, zij onderworpen zijn aan het stelsel van sociale zekerheid van de krachtens een arbeidsovereenkomst in dienst genomen werknemers en aan de bepalingen die daarop van toepassing zijn, met uitzondering van de pensioenregeling.

De gemeenteraadsleden kwamen er echter heel wat minder goed vanaf. De vergoeding van deze mandatarissen is immers geen wedde, maar wel een presentiegeld dat zij ontvangen indien zij deelnemen aan de vergaderingen van de gemeenteraad en aan de vergaderingen van de commissies en van de afdelingen.

Het bedrag van het presentiegeld wordt vastgesteld door de gemeenteraad en bedraagt minimaal 37,18 euro en maximaal het bedrag dat de provincieraadsleden ontvangen voor deelname aan de vergadering van de provincieraad, verhoogd of verlaagd volgens de geldende regels van de koppeling aan het indexcijfer.

Het opvolgen van gemeente-, provincie- of OCMW-raden is vandaag de dag echter geen werk meer dat men er even bijneemt. Ten gevolge van de complexiteit en de veelheid van de dossiers is heel wat voorbereidend werk noodzakelijk om aan de debatten te kunnen deelnemen.

Daarnaast dienen deze mandatarissen tijd vrij te maken voor het volgen van informerende commissiezittingen, plaatsbezoeken en het dichten van de zogenaamde kloof met de burger. Zeker in grotere gemeenten staat de verloning geenszins in verhouding tot de te leveren inspanningen.

In afwachting dat voor deze mandatarissen niet alleen een beter verloningssysteem, maar ook een degelijk sociaal statuut wordt ingevoerd, kan toch reeds langs fiscale weg een financiele aanmoediging gegeven worden aan de personen die deze verantwoordelijkheid op zich willen nemen.

Daarom wordt voorgesteld om, naar analogie met de fiscale vrijstelling waarin voorzien is voor de vergoedingen van de vrijwilligers van de openbare brandweerkorpsen en van de vrijwilligers van de civiele bescherming tot het beloop van 1 500 euro, een identieke vrijstelling in te voeren voor de vergoedingen die gemeente-, provincie- en OCMW-raadsleden ontvangen.

Jean-Marie DEDECKER.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

Artikel 38, 1, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, laatst gewijzigd bij de wet van 28 april 2003, wordt aangevuld als volgt :

21 de vergoedingen van de gemeente-, district, provincie- en OCMW-raadsleden tot het beloop van 1 500 euro .

Art. 3

Deze wet treedt in werking op 1 januari 2004.

19 november 2003.

Jean-Marie DEDECKER.