Vragen en Antwoorden

Belgische Senaat


Bulletin 2-45

ZITTING 2001-2002

Vragen van de Senatoren en antwoorden van de Ministers

(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans


Vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken

Vraag nr. 1631 van de heer Kelchtermans d.d. 25 oktober 2001 (N.) :
Genationaliseerde Belgische eigendommen in Rusland. ­ Schadevergoedingen.

In de media duikt bij geregelde tussenpozen de problematiek op van de schadevergoedingen naar aanleiding van de nationalisering van de Russische industrie in 1917. Volgens sommige bronnen zouden de Belgen in 1914 voor 500 miljoen frank aandeelbewijzen gehad hebben in de Russische industrie en beliepen de Belgische investeringen toentertijd ongeveer 2 miljard frank. De totale actuele waarde hiervan zou om en bij 610 miljard Belgische franken bedragen. In het verleden werden meermaals pogingen gedaan om hiervoor een schadeloosstelling vanwege de Russische overheid te bekomen. Einde mei-begin juni meenden een aantal kranten op basis van de toenmalige diplomatieke contacten op hoog niveau te mogen concluderen dat een (gedeeltelijke) oplossing nakend was.

Graag kreeg ik van de geachte minister een omstandig antwoord op volgende vragen :

1. Hoe hoog wordt de actuele waarde van de Belgische aandeelbewijzen en de investeringen in de Russische industrie op het ogenblik van de nationalisering geraamd ? In welke mate worden deze bedragen gedekt door reële schadeclaims en in welke mate kunnen deze schadeclaims hard gemaakt worden, aangezien ik ervan uitga dat een groot deel van de aandeelbewijzen naamloos waren ? Over hoeveel concrete dossiers spreekt men eigenlijk ? Welke is de grootste individuele vordering ?

2. Hoe evolueert dit dossier en mag binnen redelijke termijn een doorbraak terzake verwacht worden ? Welke inspanningen werden hiervoor door hem en/of zijn diensten hiervoor geleverd tijdens deze legislatuur en in voorkomend geval met welk resultaat ?

3. Is het juist dat andere landen wel reeds gecompenseerd werden voor deze verliezen ingevolge de nationaliseringen ? Zo ja welke, wanneer, voor welke bedragen en op welke wijze ?

Antwoord : 1. Het « Comité de défense des intérêts belges en Russie », opgericht in 1918, voorgezeten door de heer Cooreman, voormalig kamervoorzitter en directeur van de Société générale, raamde de verliezen door Belgen in Rusland geleden op 3,5 miljard goudfrank (of 612 miljard frank aan de huidige koers) waarvan 2,35 miljard goudfrank (of 411 miljard frank) voor rekening van de Belgische industrie. De wijze van berekenen van deze verliezen, voor zover de gegevens bekend waren, gebeurde op basis van de boekhouding van de bedrijven, op basis van de beurswaarden van juni-juli 1914 of op basis van de waarde van de dividenden, gekapitaliseerd aan een intrestvoet van 5 %.

Ik heb het politieke initiatief genomen om in deze een dossier samen te stellen teneinde een overzicht te krijgen van de Belgische schadeclaim.

Na een oproep tot de Belgische bevolking in juni 2000 om zich bij mijn departement kenbaar te maken ten einde te kunnen overgaan tot een inventaris van de schuldvordering met de bedoeling hierover onderhandelingen aan te knopen met de Russische autoriteiten, werden op mijn departement 1 598 geldige individuele dossiers ingediend, meestal van individuele burgers samen met dossiers van enkele Belgische bedrijven. Na studie is gebleken dat de voorgelegde individuele dossiers in bijna alle gevallen acties en obligaties (al dan niet met Russische staatsgarantie) betreffen die samen met de dossiers ingediend door Belgische bedrijven een nominale schadeclaim van 57 miljard frank vertegenwoordigen. De grootste individuele vordering werd ingediend door het bedrijf Tractebel voor een bedrag van 20 miljard frank.

2. Deze schadeclaim werd door de Belgische ambassadeur in Moskou met een démarche in april 2001 officieel kenbaar gemaakt aan de Russische autoriteiten. De secretaris-generaal van mijn departement sneed deze dossiers opnieuw aan met zijn Russische ambtsgenoot tijdens een zending naar Moskou in mei 2001.

Naar aanleiding van het officiële bezoek van president Poetin aan ons land op 2 oktober 2001 stond de schadeclaim officieel op de agenda van de bilaterale besprekingen. Het agendapunt werd ingeleid door premier Verhofstadt die president Poetin voorstelde gesprekken te beginnen over het dossier met het oog op het voeren van onderhandelingen. Het antwoord van de Russische president was zeer negatief : Rusland beschouwt zichzelf als de erfgenaam van de USSR, waarvan het de totaliteit van de schuld op zich neemt, maar het beschouwt zich niet als de erfgenaam van het Tsarenrijk. En de USSR heeft nooit de verplichting op zich genomen om de Belgische schadeclaim te erkennen. Indien de Russische Federatie akkoorden in deze met andere landen heeft gehonoreerd, dan is het omdat de USSR toen met deze landen al onderhandelingen had aangeknoopt en deze werden door de Russische Federatie bekrachtigd.

Mijn departement onderzoekt thans deze negatieve Russische reactie en bereidt hierop een antwoord voor.

3. Het is juist dat de USSR en de Federatie Rusland akkoorden hebben afgesloten met derde landen in deze materie : Nederland (1967), het Verenigd Koninkrijk (1986) en Frankrijk (1998).

­ Met Frankrijk had de uitgekeerde schadevergoeding betrekking op een som van 400 miljoen US-dollar, te spreiden over vier jaar. De schadevergoeding bekomen door Frankrijk bedraagt 1 % van de totale Franse investeringen in het Tsarenrijk op de vooravond van de Grote Oorlog en zij zal worden verdeeld over 316 000 individuele dossiers, hoofdzakelijk van kleine spaarders.

­ In het Verenigd Koninkrijk heeft een speciaal gecreëerde « Foreign Compensation Commission » tot 1994 een fonds beheerd waar de Russische terugbetalingen op gestort werden ten bedrage van 54 miljoen Britse ponden. Met de interesten erbij geteld en de werkingskosten eraf getrokken, bleven er 62,4 miljoen Britse ponden uit te betalen aan de 1 072 geldig verklaarde, getroffen Britse burgers. Zij werden vergoed tegen 54,9 % van de waarde van hun titels.

­ De overeenkomst met Nederland schijnt louter formeel te zijn; ze houdt inderdaad een financiële nuloperatie in. Bovendien is ze geografisch beperkt en slaat ze essentieel op de Baltische Staten. Het is onduidelijk of eveneens de Nederlandse tegoeden van voor 1917 door dit akkoord zouden worden gedekt. Door onze ambassade te Den Haag wordt verder onderzoek verricht naar de draagwijdte van dit akkoord.