Vragen en Antwoorden

Belgische Senaat


Bulletin 2-35

ZITTING 2000-2001

Vragen van de Senatoren en antwoorden van de Ministers

(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans


Minister van Binnenlandse Zaken

Vraag nr. 1081 van mevrouw Lizin d.d. 12 januari 2001 (Fr.) :
Procedure voor de gouverneur of voor het college van burgemeester en schepenen inzake bezwaarschrift tegen een provinciale of gemeentelijke belastingheffing. ­ Koninklijk besluit van 12 april 1999. ­ Omzendbrief van 10 mei 2000.

De omzendbrief (Belgisch Staatsblad d.d. 20 mei 2000, blz. 16849) bevat een paragraaf « Bevoegdheid van het college van burgemeester en schepenen of van de gouverneur ». Daar staat het volgende in : « Ze mogen in geen geval de gelijkvormigheid controleren van een gemeentelijk of provinciaal belastingreglement met de wetten, decreten, besluiten, verordening en reglementen. Dit is de taak van de rechtbank. » Dat standpunt is al terug te vinden in uw antwoord op een schriftelijke vraag van mevrouw Trees Pieters (Vragen en Antwoorden, Kamer, 10 januari 2000, blz. 1396).

Is dat standpunt wel gegrond ? Die vraag zou kunnen worden gesteld als men het confronteert met de rechtsleer aangaande het indienen van bezwaar bij de actieve bestuursambtenaar. Het is immers een dergelijk bezwaar dat wordt mogelijk gemaakt door artikel 91 van de wet van 15 maart 1999, betreffende de beslechting van fiscale geschillen en artikel 9 van de wet van 24 december 1996 betreffende de vestiging en de invordering van de provincie- en gemeentebelastingen, in zijn huidige lezing herstelt. Er moet bovendien op worden gewezen dat de wet noch het koninklijk besluit van 12 april 1999, waar uw omzendbrief betrekking op heeft een bepaling bevat die de bevoegdheden inperkt van de instantie bij wie het bezwaar werd ingediend waarvan sprake in artikel 9 van de wet van 24 december 1996.

In de volgende twee alinea's vermeld ik de rechtsleer waarop ik me baseer om de gegrondheid te onderzoeken van de omschrijving van de bevoegdheden van het college van burgemeester en schepenen of van de gouverneur in de omzendbrief van 10 mei 2000.

In hoofdstuk VI (« Les recours à l'administrateur actif ») van het eerste deel van het werk Contentieux administratif (Ed. Collection scientifique de la Faculté de droit de Liège, 1997), stelt P. Lewalle dat : « het grote belang van het indienen van bezwaar altijd heeft gelegen in het feit dat de burgers erdoor in de mogelijkheid worden gesteld om ter ondersteuning om het even welke beweegreden, dus zeker een juridische beweegreden, maar ook redenen van opportuniteit aan te voeren » (§ 169, blz. 192). Als hij in hetzelfde hoofdstuk het bezwaar onderzoek waarin een tekst voorziet (de hypothese waarin wij ons bevinden), zegt hij in verband met de bevoegdheden van de aangezochte instantie, dat er moet worden gekozen voor de interpretatie die stelt dat de instantie zeer ruime bevoegdheden moeten worden verleend (§ 183, blz. 212). P. Lewalle preciseert in dezelfde paragraaf dat men « eerst de wet of de regel moet bestuderen waarop het bezwaar is gesteund om de bevoegdheden van de aangezochte instantie, te bepalen ». Ik heb er in dat verband hierboven op gewezen dat er ­ wat betreft deze materie ­ niets de bevoegdheden van de administratieve overheid bij wie bezwaar werd ingediend, inperkt. »

In § 24 van het artikel « De lokale belastingen in een nieuw kleedje » (Rechtskundig Weekblad 1997-1998, nr. 41, blz. 1449 en volgende), zegt P. Van Orshoven dat de werkingssfeer van artikel 159 van de Grondwet ook de administratieve instanties moet omvatten die zich moeten uitspreken over een bezwaar en zo toezicht uitoefenen op de wettigheid. De auteur voegt eraan toe dat een andere redenering zou leiden tot het ontoelaatbare gevolg dat wat voor een overheidsinstanties die zich uitspreekt over een bezwaar wettig is, door een rechter op basis van artikel 159 onwettig zou worden verklaard. Er moet nog eens op gewezen worden dat er geen bepaling te vinden is die de bevoegdheden van het college van burgemeester en schepen, en van de gouverneur op dit vlak inperkt.

De paragraaf « Bevoegheid van het college van burgemeester en schepenen of van de gouverneur » van de omzendbrief van 10 mei 2000 vertolkt volgens mij een standpunt dat volledig aanvechtbaar is en waarop men zou moeten terugkomen.

Graag had ik de mening van de geachte minister vernomen met betrekking tot dit probleem.

Antwoord : Het beroep voor de gouverneur of voor het college van burgemeester en schepenen, georganiseerd door artikel 9 van de wet van 24 december 1996 betreffende de vestiging en de invordering van provincie- en gemeentebelastingen, opnieuw opgenomen door artikel 91 van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen, is een administratief beroep.

De gouverneur of het college die uitspraak moet doen over een bezwaarschrift tegen een belasting moet derhalve de regelmatigheid en de wettigheid van deze belasting nagaan, maar kan zich niet uitspreken over de wettigheid van de belastingverordening op basis waarvan de betwiste belasting gevestigd werd, in tegenstelling tot een rechterlijke overheid.

Dit standpunt wordt gebaseerd op artikel 159 van de Grondwet dat de wettigheidscontrole alleen aan de hoven en de rechtbanken toekent.

Dit standpunt is overheersend in de rechtsleer (zie in het bijzonder M. De Jonckheere, « De rol van de lokale overheid als administratieve overheid en de fiscale procedure », Jaarboek Lokale en Regionale Belastingen, die Keure, Brugge, 1999, blz. 75; M. Aerts, « Rol van de lokale overheid als administratieve overheid in de fiscale procedure : formele aspecten », Jaarboek Lokale en Regionale Belastingen, die Keure, Brugge, 1999, blz. 19; S. Bollen, « Vos questions ­ le nouveau contentieux fiscal », Mouv. Comm., 8/9 1999, blz. 432; L. Lemoine, « De nieuwe geschillenregeling inzake gemeente- en provinciebelastingen », Binnenband ­ Informatieblad van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, administratie Binnenlandse Aangelegenheden, juni-juli 1999, nr. 15, blz. 8).