1-242

1-242

Sénat de Belgique

Belgische Senaat

Annales parlementaires

Parlementaire handelingen

SÉANCES DU JEUDI 4 FÉVRIER 1999

VERGADERINGEN VAN DONDERDAG 4 FEBRUARI 1999

(Vervolg-Suite)

MONDELINGE VRAAG VAN DE HEER ANCIAUX AAN DE VICE-EERSTE MINISTER EN MINISTER VAN LANDSVERDEDIGING OVER « DE KANKERVERWEKKENDE EFFECTEN VAN DE HAWK-AFWEERSYSTEMEN »

QUESTION ORALE DE M. ANCIAUX AU VICE-PREMIER MINISTRE ET MINISTRE DE LA DÉFENSE NATIONALE SUR « LES EFFETS CANCÉROGÈNES DES SYSTÈMES DE DÉFENSE ANTI-AÉRIENNE HAWK »

De voorzitter. ­ Aan de orde is de mondelinge vraag van de heer Anciaux.

Het woord is aan de heer Anciaux.

De heer Anciaux (VU). ­ Mijnheer de voorzitter, over de mogelijke kankerverwekkende effecten van de Hawk-afweersystemen zijn reeds talloze vragen gericht aan de vice-eerste minister en minister van Defensie. Dat op een aantal pertinente vragen niet wordt geantwoord, is eveneens een vaststelling. Ook de minister van Binnenlandse Zaken kwam tot die vaststelling toen hij onlangs in het halfrond in de plaats van de vice-eerste minister en minister van Defensie antwoordde op de vraag van een collega-senator.

In dit dossier komen steeds nieuwe elementen aan het licht die aantonen dat er wel degelijk reden tot bezorgdheid is. Dat de persberichten over de zogenaamde bekentenis van fabrikant Hollandse Signaal Apparaten naderhand werden gerelativeerd, doet hieraan niet af. Pools onderzoek onder radarpersoneel heeft uitgewezen dat het risico op leukemie bij deze groep tweemaal hoger ligt dan het gemiddelde. Een onderzoeker bij de VITO gaf in een persartikel te kennen dat deze studie ook relevant is voor de situatie van de Belgische militairen. In december verklaarde generaal-dokter Mark De Coninck van de medische dienst dat er bijna dagelijks dossiers binnenkomen. Anderhalve maand geleden waren er al 700 dossiers ingediend. In 70 dossiers is er sprake van gezondheidsproblemen en 12 dossiers betreffen reeds overleden militairen. Zo stond het in de vraag die ik heb ingediend, maar ik moet de vice-eerste minister met droefheid meedelen dat dit er sedert vannacht 13 zijn. Mijn vriend Willy Jerusalem is vannacht gestorven ten gevolge van kanker. Willy heeft dit dossier helemaal persoonlijk behandeld en in de pers gebracht.

Is de vice-eerste minister op de hoogte van de resultaten van het Pools onderzoek ? Welke conclusies trekt hij hieruit ? Zetten deze resultaten niet aan tot versneld handelen ? Zal de vice-eerste minister naast het reeds aangekondigde epidemiologisch onderzoek aandringen op genetisch onderzoek en celonderzoek ? Indien niet, waarom niet ? Kan hij eindelijk de data meedelen waarop de loden bescherming rond het systeem is aangebracht ? Op een vorige vraag hierover antwoordde hij dat de installatie van de loden bescherming gebeurde in het kader van het voortdurend opdrijven van de veiligheidsnormen en niet als gevolg van alarmerende berichten. Welke normen waren dit dan ? Gaat het om normen betreffende de bescherming van de gezondheid ? Ik heb de indruk van wel. Vermits de vice-eerste minister dus van een eventueel gezondheid risico op de hoogte was, is de cruciale vraag hoeveel militairen er aan de radars werkten vóór en na het aanbrengen van de bescherming. Collega Sémer heeft deze vraag reeds gesteld, maar de vice-eerste minister heeft pertinent geweigerd daarop een antwoord te geven. Ik dring hier dus op aan. Over welke veiligheidsnormen spreekt de vice-eerste minister ? Heeft hij gepleit om in NAVO-verband een grootschalig onderzoek in te stellen ? Indien niet, waarom niet ? Zo ja, zal hij hierop blijven aandringen ? Hoeveel dossiers zijn tot op heden bij de medische dienst ingediend ?

De voorzitter. ­ Het woord is aan vice-eerste minister Poncelet.

De heer Poncelet, vice-eerste minister en minister van Landsverdediging, belast met Energie. ­ Mijnheer de voorzitter, de vraag vergt een antwoord in drie delen.

Ten eerste, een studie uitgevoerd in Polen bij een groep getuigen en een groep militairen waarvan wordt gedacht dat ze werden blootgesteld aan non-ioniserende radarstralen, toont een grotere frequentie aan van bloedaandoeningen in de tweede categorie. Het advies van de VITO, de Vlaamse Instelling voor technologisch onderzoek en het advies van de militaire medische dienst kunnen kort worden samengevat. De Poolse studie is interessant, maar moeilijk te aanvaarden omdat er geen enkele beschrijving is van het type apparatuur dat in de Oost-Europese landen werd gebruikt evenmin als een vermelding van enige opmeting van de uitgezonden stralen. Bovendien zijn de beschermingsmaatregelen niet vergelijkbaar. De Poolse studie die we met de nodige wetenschappelijke reserve bestuderen, maakt deel uit van een dossier.

Ten tweede, na de openbaarmaking door de media en het leger en na mijn beslissing werden de dossiers voor onderzoek overhandigd. De genoemde cijfers zijn juist, maar tot op heden kan nog geen enkel besluit worden genomen. De onderzoekingen gaan verder, zoals gepland.

Ten derde, het lopend epidemiologisch onderzoek wordt verdergezet met de hulp van universitaire diensten. De experts zullen bepalen welk type onderzoek nodig zal zijn. Het is niet aan de minister één of ander type van onderzoek aan te bevelen. Ik heb het beoogde doel vastgelegd en een onderzoek is gestart.

In Nederland worden bij in werking zijnde installaties diverse stralingen opgemeten. De gezondheidsdiensten van Noorwegen, de Verenigde Staten en Duitsland tonen eveneens belangstelling. Tot nu toe kon er nog geen enkel wetenschappelijk besluit worden vastgelegd. De rapporten zullen onmiddellijk na ontvangst worden gepubliceerd.

De bijkomende loden bescherming werd aangebracht tijdens een gewone revisie met als doel nog meer bescherming te bieden en niet nadat incidenten plaatsvonden.

Tot besluit kan ik slechts bevestigen dat alles in het werk wordt gesteld om diagnoses te kunnen stellen en om eventuele aandoeningen te kunnen behandelen. Alleen de epidemiologische enquête kan tot een bevestiging of tot een ontkenning leiden. Ik kan en zal niet vooruit lopen op het besluit.

De voorzitter. ­ Het woord is aan de heer Anciaux voor een repliek.

De heer Anciaux (VU). ­ Mijnheer de voorzitter, ik stel vast dat de vice-eerste minister voor de zoveelste keer niet wil antwoorden op een nochtans zeer eenvoudige vraag, meer bepaald de vraag wanneer de loden bescherming werd aangebracht.

Zijn antwoord is niet ernstig. Hij beweert nog eens dat de loden bescherming werd aangebracht tijdens een gewone revisie. Niet alleen ikzelf, maar ook mevrouw Sémer vroeg wanneer de bescherming precies werd aangebracht. Er zijn hierover trouwens ook al schriftelijke vragen gesteld.

Het gaat hier om mensenlevens. We verwachten toch van een minister dat hij de vragen die hem gesteld worden beantwoordt. Anders zitten we hier voor spek en bonen.

Ook op een andere vraag antwoordt de vice-eerste minister niet echt. Hij verwijst wel naar de resultaten van de Poolse studie, maar vindt ze niet sterk genoeg om er te kunnen op voortgaan. De heer Luc Verschaeve van de VITO meent nochtans dat het om een belangrijke studie gaat, die niet kan worden genegeerd. Volgens hem zijn er bijkomende epidemiologische studies nodig dus niet alleen degene die de vice-eerste minister heeft gevraagd. Een minister van Landsverdediging moet natuurlijk geen wetenschapper zijn, ook al is de huidige minister dat wel. Hij moet dus niet zelf kunnen bepalen welke onderzoeken er allemaal moeten gebeuren, maar indien hij het ernstig meent, zou hij in dit geval op zijn minst kunnen aandringen op een celonderzoek en een genetisch onderzoek. Dat gebeurt echter niet.

Tussen 1962 en 1992 verbleven 20 000 soldaten op de site. Er zijn 700 dossiers, dat is dus 3,5 %. Vijfduizend militairen verbleven lange tijd of permanent op de site en in dit geval gaat het om 14 % aandoeningen. Ik wil deze zaak niet vergelijken met de gifconcentraties in de peren, maar het gaat hier ook om een ernstig probleem, waarvan de militaire overheid rechtstreeks verantwoordelijk is. Willy Jerusalem is het dertiende dodelijke slachtoffer. Ik hoop dat de vice-eerste minister nu eindelijk de zaak grondig aanpakt, maar zijn antwoord stelt mij niet gerust.

De voorzitter. ­ Het incident is gesloten.

L'incident est clos.