1-1145/1 (Senaat)
- 1808/1 - 98/99 (Kamer)

1-1145/1 (Senaat)
- 1808/1 - 98/99 (Kamer)

Belgische Senaat en Kamer van Volksvertegenwoordigers

ZITTING 1998-1999

16 DECEMBER 1998


Onderzoek van de voorstellen van normatieve rechtshandelingen en van andere documenten van de Europese Commissie (april en mei 1998)


VERSLAG

NAMENS HET FEDERAAL ADVIESCOMITÉ VOOR EUROPESE AANGELEGENHEDEN (*)

UITGEBRACHT DOOR DE HEREN
HOSTEKINT (S) EN DELIZÉE (K)


INHOUD



Dames en heren,

Dit verslag bevat negen technische fiches over de voorstellen van normatieve rechtshandelingen die werden gekozen door de diverse fracties (over de instellingen heen : Kamer, Senaat, Europees Parlement) die in het Federaal Adviescomité voor Europese aangelegenheden zitting hebben. Zij hebben een selectie gemaakt uit de voorstellen van normatieve rechtshandelingen en andere documenten die de Europese Commissie in april en mei 1998 heeft gepubliceerd en die hen van bijzonder belang voor België lijken.

De gegevens zijn onder meer afkomstig uit het « Observatoire européen institutionnel législatif (O.E.I.L.) (1), een gegevensbank van het Europees Parlement, alsook uit de informatie die bij de betrokken en/of gespecialiseerde instanties, meer bepaald bij de Dienst Europese Integratie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, werd ingezameld. De impact voor België (socio-economisch, juridisch, politiek) van de voorstellen van de Europese Commissie die in dit rapport worden onderzocht, wordt eveneens vermeld in de technische fiches.

Het doel van voorliggend rapport is een parlementaire procedure te ontwikkelen om in de mate van het mogelijke te remediëren aan het Europees democratisch deficit dat voortvloeit uit de overdracht van bevoegdheden van de Lid-Staten naar de Europese Unie en de uitoefening van deze bevoegdheden door andere instellingen dan het Europees Parlement.

De nationale parlementen bevinden zich ook in een ondergeschikte positie t.o.v. hun regeringen die, als lid van de Europese Ministerraad, het statuut hebben van wetgever.

De nationale parlementen hebben dus een rol te spelen met betrekking tot de controle ex ante op de Europese besluitvorming. De enige controle die zij kunnen uitoefenen is deze op hun eigen regering, dus op slechts één van de 15 leden in de Europese Ministerraad.

De gevolgde procedure voor het onderzoek van de voorstellen van normatieve rechtshandelingen van de Europese Commissie wordt hierna uitgelegd en is geïnspireerd op de procedures die onder meer worden toegepast in het Verenigd Koninkrijk, Nederland, Duitsland en Frankrijk.

Hier gaat het er echter niet om de Regering een imperatief onderhandelingsmandaat op te leggen of een « parlementair voorbehoud » in te stellen dat de Regering zou beletten een standpunt in te nemen in de Ministeraad, nog vóór het Parlement de gelegenheid heeft gehad zich hierover uit te spreken.

Het onderzoek van de technische fiches wordt besloten met « Conclusies » geformuleerd door het Adviescomité, die tot doel hebben de aandacht van de Belgische parlementairen te vestigen op de belangrijkste voorstellen van de Europese Commissie.

Deze conclusies formuleren het parlementair vervolg dat aan die voorstellen van de Europese Commissie gegeven kan worden.

De Rapporteurs, De Voorzitter,
P. HOSTEKINT (S) R. LANGENDRIES (K)

J.-M. DELIZÉE (K)


DEEL A : PROCEDURE VOOR HET ONDERZOEK VAN VOORSTELLEN VAN NORMATIEVE RECHTSHANDELINGEN EN VAN ANDERE DOCUMENTEN VAN DE EUROPESE COMMISSIE

I. INLEIDING

Informatieplicht van de Regering over voorstellen van normatieve rechtshandelingen van de Europese Commissie :

Krachtens de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (2), dient de Regering informatie te verschaffen aan de Wetgevende Vergaderingen over de voorstellen van normatieve rechtshandelingen van de Europese Commissie.

Zodoende kunnen de Wetgevende Vergaderingen, vooraleer de Europese Ministerraad een beslissing neemt, daarover beraadslagen. Deze regeling beantwoordt aan de Verklaring betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie gevoegd bij het Verdrag over de Europese Unie (Verdrag van Maastricht).

Versterking van de parlementaire controle op de Europese besluitvorming :

Op 7 juli 1993 werd door de Kamer van volksvertegenwoordigers een resolutie aangenomen met ruime meerderheid (170 tegen 10 stemmen en 3 onthoudingen) betreffende de versterking van de controle door de nationale parlementen op de Europese besluitvorming (St. Kamer, nr. 1032/1-2-92/93).

Deze resolutie vloeit voort uit het rapport namens het Adviescomité voor Europese Aangelegenheden, door de heer D. Van der Maelen.

Krachtens punt 9 van deze resolutie moet worden onderzocht « onder welke voorwaarden en met welke middelen (financieel en personeel) een systematische analyse van voorstellen van normatieve rechtshandelingen van de E.G. mogelijk is ».

Uitvoering :

In uitvoering van voormelde wetsbepalingen en resolutie, zal de onderzoeksprocedure bij wijze van experiment lopen tot het einde van de zitting 1996-1997.

II. ONDERZOEKSMETHODE

Periodiciteit :

Tijdens de zitting wordt maandelijks aan het Adviescomité voor Europese aangelegenheden een informatienota voorgelegd waarin een lijst wordt meegedeeld van de voorstellen van normatieve rechtshandelingen en van andere documenten (Groen- en Witboeken, Verslagen, Mededelingen, Adviezen, ...) van de Europese Commissie.

Selectie van te onderzoeken documenten door het Adviescomité :

Op de maandelijkse vergadering van het Adviescomité wordt het onderzoek van de voormelde documenten geagendeerd.

Elke politieke fractie (over de instellingen heen : Kamer, Senaat, Europees Parlement) duidt een voorstel aan dat prioritair in aanmerking komt voor het opstellen van een korte technische fiche. De gekozen thema's moeten tot de federale bevoegdheid behoren en voor het Adviescomité relevant zijn. Het Adviescomité voegt er eventueel andere aan toe.

Behandeling van een geselecteerd document :

Maandelijks wordt voor het geheel van de geselecteerde voorstellen, een rapporteur aangesteld en voor elk geselecteerd thema een bondige fiche gemaakt (3).

Hiertoe kan de rapporteur inlichtingen inwinnen bij de betrokken en/of deskundige instanties (i.h.b. het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Dienst Europese integratie).

Tijdens de maandelijkse vergaderingen worden de ontwerprapporten onderzocht die de technische fiches bevatten geselecteerd door de politieke fracties. Die rapporten worden nadien als parlementair stuk gepubliceerd.

Behandeling van de technische fiches :

Het besluit hierover kan het volgende zijn :

1. er is geen aanleiding tot een verdergaand onderzoek;

2. het onderzoek wordt gereserveerd tot het dossier in een meer geëvolueerd stadium is;

3. het document van de Europese Commissie kan, samen met de informatiefiche, overgezonden worden naar een vaste commissie met het advies deze aangelegenheid van nabij te volgen;

4. de Regering kan, zonodig binnen een bepaalde termijn, om verdere schriftelijke of mondelinge uitleg verzocht worden en/of er kunnen opmerkingen en suggesties aan de Regering gericht worden;

5. er kan beslist worden tot een grondig onderzoek dat resulteert in een initiatiefverslag waarin een voorstel van resolutie of eindtekst, gericht aan de Regering, wordt geformuleerd en die aan de plenaire vergadering wordt voorgelegd.

Voor de redactie van deze initiatiefverslagen kan het Adviescomité de bevoegde minister horen, hoorzittingen met experten organiseren of schriftelijke informatie inwinnen.

Schematische voorstelling :

décision du Comité d'avis concernant le mode de traitement :
1. fin de la procédure
2. examen réservé
3. renvoi vers Commission permanente
4. interrogation du Gouvernement
5. rapport d'initiative
liste des documents sélection par les groupes fiche technique succincte
lijst van documenten selectie door fracties bondige technische fiche beslissing van het Adviescomité i.v.m. de behandelingswijze :
1. einde van de procedure
2. onderzoek gereserveerd
3. doorverwijzing naar vaste commissie
4. ondervraging van de Regering
5. initiatiefverslag

DEEL B : TECHNISCHE FICHES VAN DE VOORSTELLEN GESELECTEERD DOOR DE FRACTIES

I. VOORSTEL VOOR EEN RICHTLIJN VAN DE RAAD ERTOE STREKKENDE IN DE GEMEENSCHAP EEN MINIMUM VAN EFFECTIEVE BELASTINGHEFFING OP INKOMSTEN UIT SPAARGELDEN IN DE VORM VAN RENTE TE GARANDEREN ­ COM (1998) 295

DOEL

De richtlijn heeft ten doel een minimum van effectieve belastingheffing op de inkomsten uit spaargelden mogelijk te maken. Zij is van toepassing op de rente die wordt ontvangen door natuurlijke personen die hun fiscale woonplaats wel in de Gemeenschap hebben, maar in een andere lidstaat dan die waar de rente wordt uitgekeerd.

INHOUD

De richtlijn is van toepassing op op het grondgebied van de lidstaten uitgekeerde rente, ongeacht de plaats van vestiging van de debiteur van het geleende kapitaal. Elke lidstaat moet de nodige maatregelen nemen om er zeker van te zijn dat de op zijn grondgebied gevestigde agenten die de rente uitbetalen, de taken uitvoeren die op hen rusten voor de tenuitvoerlegging van de richtlijn.

Het « coëxistentiemodel », zoals in het voorstel beschreven, komt erop neer dat elke lidstaat de keuze heeft tussen twee stelsels, het informatiestelsel (verstrekking van informatie aan elke andere lidstaat waar de ontvanger woonachtig is) en het bronbelastingstelsel (heffing van een bronbelasting van 20 %). Elke lidstaat moet uit deze twee mogelijke stelsels er één kiezen en uitsluitend dat ene stelsel toepassen op alle op zijn grondgebied verrichte rente-uitkeringen aan ingezetenen van elke andere lidstaat. Voorts kan een effectieve ontvanger die rente ontvangt in een lidstaat die voor het bronbelastingstelsel heeft gekozen, een aanpassing van dit stelsel verkrijgen via het mechanisme van het certificaat; deze ontvanger kan namelijk bereiken dat hij uitsluitend in de lidstaat van zijn fiscale woonplaats wordt belast, net als iemand die rente ontvangt in een lidstaat die voor het informatiestelsel heeft gekozen.

ANALYSE

In haar mededeling van 5 november 1997, getiteld « Een pakket om schadelijke belastingconcurrentie in de Europese Unie te bestrijden », bepleitte de Commissie de noodzaak van een op Europees niveau gecoördineerde actie ter bestrijding van schadelijke belastingconcurrentie om bepaalde doelstellingen te bereiken, zoals het reduceren van de nog bestaande verstoringen op de interne markt, het voorkomen dat belangrijke belastinginkomsten worden misgelopen en het omvormen van de belastingstructuren zodat deze gunstiger zijn voor de werkgelegenheid. De Raad Ecofin van 1 december 1997 heeft een uitvoerige beraadslaging gehouden op grond van deze mededeling; hij heeft ingestemd met de resolutie betreffende een gedragscode inzake de belastingregeling voor ondernemingen, een tekst over de belastingregeling voor spaargelden aangenomen als grondslag voor een richtlijn op dit gebied en de mening uitgesproken dat de Commissie een voorstel voor een richtlijn betreffende uitkeringen van interest en royalty's tussen ondernemingen moet indienen. Naar aanleiding van het akkoord van 1 december heeft de Commissie op 4 maart 1998 haar goedkeuring gehecht aan een voorstel voor een richtlijn betreffende een gemeenschappelijke belastingregeling inzake betalingen van rente en royalty's tussen verbonden ondernemingen van verschillende lidstaten.

De Commissie is van mening dat, zoals blijkt uit de conclusies van de Raad Ecofin van 1 december 1997, het coëxistentiemodel een eerste stap vormt naar een doeltreffende belasting op de inkomsten uit spaargelden in de hele Gemeenschap en dat er een hernieuwd onderzoek van de situatie moet komen om na te gaan in welke mate nieuwe vooruitgang denkbaar zou zijn.

CONCLUSIE

Deze problematiek werd reeds door het Adviescomité onderzocht in het kader van een initiatiefverslag over de invoering van de euro (Stuk Kamer nr. 1581/1-97/98, Senaat, nr. 1-1010/1).

Wij vestigen de aandacht van de bevoegde commissies van Kamer en Senaat op het belang van deze richtlijn.


II. GEWIJZIGD VOORSTEL VOOR EEN VERORDENING (EG) VAN DE RAAD INZAKE DE ERKENNING VAN HET ONDERSCHEIDINGSTEKEN VAN DE LIDSTAAT VAN INSCHRIJVING VAN MOTORVOERTUIGEN EN AANHANGWAGENS DAARVAN IN HET VERKEER BINNEN DE GEMEENSCHAP ­ COM (1998) 227

DOEL

Dit voorstel strekt ertoe het oorspronkelijke voorstel van de Commissie COM(1997) 366 te amenderen.

De bedoeling van het voorstel is dat de lidstaten, die op grond van de bepalingen van artikel 37 van het Verdrag van Wenen verlangen dat in andere lidstaten ingeschreven motorvoertuigen, als zij op hun grondgebied rijden, zijn voorzien van een onderscheidingsteken, eveneens onderscheidingstekens erkennen die zijn aangebracht overeenkomstig de voorschriften van de bijlage van deze verordening.

ANALYSE

1. Het Gemeenschapsrecht bevat een aantal voorschriften die het vrije verkeer van motorvoertuigen (en aanhangwagens daarvan) op het grondgebied van de Gemeenschap mogelijk maken.

In sommige lidstaten zijn echter ook nog andere voorschriften van kracht die voortvloeien uit het Verdrag van Wenen inzake het wegverkeer.

Duitsland, Oostenrijk, België, Denemarken, Finland, Frankrijk, Griekenland, Italië, Luxemburg en Zweden zijn partij bij dit Verdrag. Spanje, Portugal en het Verenigd Koninkrijk hebben het Verdrag ondertekend maar niet bekrachtigd en de Gemeenschap is geen partij.

Zo is bijvoorbeeld in artikel 37 van het Verdrag bepaald

« 1. Op elk motorvoertuig in het internationale verkeer dient aan de achterzijde behalve zijn kenteken, het onderscheidingsteken te zijn aangebracht van de staat waarin het is ingeschreven.

3. De samenstelling van het onderscheidingsteken als bedoeld in dit artikel en de wijze waarop het dient te worden bevestigd dienen te voldoen aan de eisen van bijlage 3 bij dit Verdrag. »

In bijlage 3 van het Verdrag is bepaald dat het onderscheidingsteken met name aan de volgende eisen moet voldoen :

­ het moet bestaan uit een, twee of drie Latijnse hoofdletters waarvoor minimumafmetingen zijn voorgeschreven;

­ de letters dienen in zwart op een witte ovale achtergrond te staan;

­ het onderscheidingsteken mag niet worden verwerkt in het kenteken of op zodanige wijze worden aangebracht dat het met dit kenteken zou kunnen worden verward of dat het de leesbaarheid van dit kenteken zou kunnen verminderen.

2. In het kader van acties om de burger bewust te maken van de opbouw van een verenigd Europa en naar aanleiding van een resolutie van het Europees Parlement (4), waarin de Commissie werd verzocht met voorstellen te komen om de Europese vlag af te beelden op de kentekenplaten, hadden de diensten van de Commissie samen met regeringsdeskundigen aan het eind van de jaren tachtig technische voorschriften opgesteld om een gemeenschappelijk model voor de kentekenplaat in te voeren.

Het belangrijkste kenmerk van dit model is dat aan de linkerkant een verticale blauwe strook is aangebracht met bovenin een cirkel van twaalf gele sterren die de vlag van de Gemeenschap voorstellen en onderin de letters die bij de lidstaat van inschrijving horen.

Hoewel dit model vanwege het subsidiariteitsbeginsel niet formeel door de Commissie is voorgesteld is het sindsdien in verschillende lidstaten op verplichte (IRL, P) of vrijwillige (D, F) basis ingevoerd.

3. Veel chauffeurs van motorvoertuigen met een kentekenplaat naar communautair model die in de veronderstelling verkeren dat zij zich binnen een ruimte zonder grenzen vrij kunnen verplaatsen, gaan ervan uit dat het niet nodig is bovendien het onderscheidingsteken van de lidstaat van inschrijving op de achterzijde van hun voertuig aan te brengen.

Omdat sommige lidstaten de bepalingen van artikel 37 van het Verdrag van Wenen toepassen op elk voertuig op hun grondgebied, ook op voertuigen met het onder punt 2 vermelde onderscheidingsteken, en hiervoor boetes opleggen, acht de Commissie het nodig lidstaten die het onderscheidingsteken conform bijlage 3 van het Verdrag van Wenen verplicht stellen, te verplichten kentekenplaten die zijn voorzien van het onderscheidingsteken overeenkomstig de bijlage bij dit voorstel, te erkennen.

4. De Commissie is van mening dat het onderscheidingsteken overeenkomstig de technische voorschriften voor het communautair model beantwoordt aan de doelstellingen van het Verdrag van Wenen wat de identificatie van de lidstaat van inschrijving betreft en zelfs voordelen biedt, bijvoorbeeld :

­ duidelijke indicatie dat het voertuig in een van de lidstaten van de Gemeenschap thuishoort;

­ onbetwistbare juistheid van de informatie omdat het onderscheidingsteken op de kentekenplaat zelf is aangebracht (in plaats van op een sticker waarvan de herkomst of de vormgeving aan de verbeelding van de eigenaar van het voertuig worden overgelaten), het is geen uitzondering dat er stickers worden gebruikt met onderscheidingstekens van andere landen dan die waarin het voertuig is ingeschreven;

­ zekerheid dat de informatie zowel achteraan als vooraan op het voertuig aanwezig is.

Om het vrije verkeer van personen binnen de EG te vergemakkelijken, is het dan ook wenselijk te bepalen dat elk voertuig, dat is voorzien van een onderscheidingsteken overeenkomstig de bijlage bij dit voorstel, op het grondgebied van andere lidstaten aan het vrije verkeer kan deelnemen.

5. De twee amendementen die de Commissie heeft aanvaard, strekken ertoe in artikelen 2 en 3 van de verordening te preciseren dat die verordening ook voor aanhangwagens geldt en dat het « Communautaire » onderscheidingsteken aan de linkerkant van de kentekenplaat wordt aangebracht.

CONCLUSIE

Gelet op wat voorafgaat, is er geen aanleiding tot verder onderzoek.


III. VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD EN HET EUROPEES PARLEMENT OVER DE STAND VAN ZAKEN BIJ DE LIBERALISERING VAN DE ENERGIEMARKTEN ­ COM (1998) 212 DEF

INHOUD

Bij de ontwikkeling van de interne markt voor energie is de Commissie er in de eerste plaats van uitgegaan, dat een sterkere integratie van de nationale energiemarkten een middel is om de continuïteit van de voorziening te verbeteren, de kosten te verlagen en het concurrentievermogen te vergroten.

Er bestaan nog grote belemmeringen voor de handel in elektriciteit en gas, niet alleen op internationaal niveau, maar soms zelfs binnen één land. Deze belemmeringen zijn het gevolg van het feit dat aan de nationale nutsbedrijven in de beide sectoren exclusieve rechten zijn verleend. De prijs van elektriciteit en gas is in Europa gemiddeld 40 % hoger dan in de Verenigde Staten. Door de opheffing van de belemmeringen voor de intracommunautaire handel kunnen elektriciteits- en gasafnemers profiteren van de voordelen van een sterk concurrerende markt, inclusief de vrijheid van keuze en de kleinere prijsverschillen tussen de lidstaten. De Commissie heeft zich op de elektriciteits- en gassector gericht, omdat voor het transport en de distributie van deze vormen van energie een specifieke netwerkinfrastructuur onmisbaar is.

De belangrijkste doelstellingen bij de totstandbrenging van de interne markt voor elektriciteit en gas waren :

­ verbetering van de voorzieningszekerheid, door de geleidelijke openstelling van de markten voor elektriciteit en gas;

­ vrij verkeer van gas en elektriciteit in en tussen de lidstaten, afhankelijk van de vraag;

­ versterking van het concurrentievermogen door gas- en elektriciteitsafnemers te laten profiteren van een concurrerender energiemarkt.

De Commissie heeft haar wetgevingsvoorstellen voor de interne energiemarkt gebaseerd op de volgende uitgangspunten :

­ de noodzaak van een geleidelijke benadering, teneinde de energie-industrie voldoende tijd te geven om zich op flexibele wijze aan te passen aan de nieuwe omgeving;

­ de Gemeenschap moet de lidstaten geen rigide systeem opleggen, maar juist voorzien in een kader dat door de lidstaten zelf kan worden ingevuld met regelingen die het best passen bij de nationale situatie;

­ een overmaat aan regelgeving moet worden vermeden;

­ de Commissie heeft besloten artikel 100A van het Verdrag te gebruiken.

Eerste fase : richtlijnen inzake doorzichtige prijzen en de doorvoer van elektriciteit

De richtlijn inzake doorzichtige prijzen (5) voorziet in een communautaire procedure die de doorzichtigheid van de prijzen van gas en elektriciteit voor industriële eindafnemers moet garanderen. Uit de tot nu toe gepubliceerde cijfers blijkt dat de voorwaarden waaronder elektriciteit en gas aan industriële afnemers worden geleverd van lidstaat tot lidstaat en soms zelfs binnen één land sterk verschillen als gevolg van de gesloten markten.

De richtlijn betreffende de doorvoer van elektriciteit (6) en gas (7) hebben ten doel de uitwisseling van elektriciteit en aardgas tussen niet-buurlanden te bevorderen en te vergemakkelijken. Ondanks de geboekte vooruitgang moet worden geconstateerd dat de handel in elektriciteit en gas tot nu toe alleen mogelijk was tussen monopolistische netwerken en openbare nutsbedrijven, maar niet tussen afnemers in de ene en producenten in de andere lidstaat.

Tweede fase : richtlijn inzake vergunningen voor koolwaterstoffen

Op grond van deze richtlijn (8), moeten de lidstaten aan alle bedrijven uit de EU op gelijke en niet-discriminerende voorwaarden toegang geven tot de activiteiten op het gebied van prospectie, exploratie en productie van olie en aardgas op het grondgebied van de EU en de EER.

Derde fase : voorstellen van de Commissie voor richtlijnen betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en aardgas

De oorspronkelijke voorstellen voor de liberalisering van de gas- en de elektriciteitssector zijn door de Commissie ingediend op 21 februari 1992 (9). Na langdurige en intensieve besprekingen is op 19 december 1996 richtlijn 96/92/EG betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit vastgesteld. Na de publicatie van onderhavig commissieverslag, werd ook richtlijn 98/30/EG betreffende de interne markt voor gas op 22 juni 1998 vastgesteld.

Richtlijn 96/92/EG (elektriciteit)

De richtlijn die op 19 februari 1997 in werking is getreden, is van invloed op de volgende marktsectoren : productie, distributie/transmissie, verbruik en toegang tot het net.

Productie

Voor de bouw van nieuwe productiecapaciteit kunnen de lidstaten kiezen voor een vergunningsstelsel of een aanbestedingsstelsel. De gekozen methode moet aan objectieve, transparante en niet-discriminerende criteria voldoen en bovendien een gelijke mate van marktopenstelling garanderen. Beide systemen geven bedrijven de mogelijkheid om op alle markten in de Europese Unie nieuwe productiecapaciteit te bouwen en te exploiteren.

Transmissie/distributie

Een netbeheerder wordt aangewezen die in een bepaald gebied verantwoordelijk is voor de exploitatie, het onderhoud en de ontwikkeling van het transmissie- en distributiesysteem.

De transmissienetbeheerder is verantwoordelijk voor de inschakeling van de stroomproductie-eenheden in zijn gebied. De criteria voor de inschakeling van de stroomproductie-eenheden moeten objectief, transparant en niet-discriminerend zijn. De richtlijn voorziet als uitzondering op deze regel in een mechanisme voor een gunstige behandeling van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen en/of energiebronnen uit eigen land.

Verbruik

Aan afnemerszijde wordt de elektriciteitsmarkt in een periode van zes jaar geleidelijk voor concurrentie opengesteld. Het minimumniveau van de marktopenstelling bedraagt na 6 jaar 33 % van het gemiddelde communautaire aandeel in de openstelling van de elektriciteitsmarkt.

Toegang tot het net

Alle producenten en in aanmerking komende afnemers kunnen rechtstreeks met elkaar contracten sluiten voor de levering van elektriciteit. Daarnaast kunnen zij onder objectieve en niet-discriminerende voorwaarden toegang krijgen tot het net.

Directe lijnen

Naast de mogelijkheid van nettoegang voor elektriciteitsleveringen, hebben elektriciteitsproducenten en -leveranciers het recht om hun eigen vestigingen, dochterondernemingen en in aanmerking komende afnemers via een directe lijn van elektriciteit te voorzien.

Openbare-dienstverplichtingen

De lidstaten moeten zelf beslissen welke openbare-dienstverplichtingen ze willen instellen. Deze verplichtingen worden door de afzonderlijke lidstaten vastgesteld binnen het in de richtlijn neergelegde communautaire kader. De openbare-dienstverplichtingen moeten objectief, transparant, niet-discriminerend en controleerbaar zijn en door de lidstaten worden gepubliceerd. Bovendien moeten zij in een van de volgende communautaire categorieën vallen : de continuïteit van de voorziening, regelmaat, kwaliteit en prijs van de leveringen en de bescherming van het milieu. Openbare-dienstverplichtingen geven de lidstaten echter geen « carte blanche ». Op grond van artikel 90 van het Verdrag moeten ondernemingen die belast zijn met het beheer van diensten van algemeen economisch belang zich houden aan de regels van het Verdrag, met name de mededingingsregels, voorzover de toepassing daarvan de vervulling van de hun toevertrouwde taak niet verhindert.

Overgangsregelingen

Overgangsregelingen hebben een beperkte duur en staan uiteenlopende maatregelen toe om verplichtingen na te komen die voor de inwerkingtreding van de richtlijn zijn aangegaan en die vanwege de liberalisering van de markt niet meer kunnen worden gerespecteerd. Voor wat betreft de uiterste datum voor de omzetting van de richtlijn heeft België een uitstel van 1 jaar gekregen (tot 19 februari 2000).

Richtlijn 98/30/EG (gas)

De richtlijn die op 10 augustus 1998 in werking is getreden, biedt een aantal gemeenschappelijke regels betreffende transport, distributie, levering en opslag van aardgas. Zij moet ertoe leiden dat er in de aardgassector geconcurreerd wordt, zodat de efficiency, de transparantie en de continuïteit van de gasvoorziening worden verbeterd en alle in aanmerking komende afnemers gelijke toegang tot deze sector krijgen.

Liberalisering van de markt

De aardgasmarkt zal in een periode van tien jaar geleidelijk worden opengesteld voor concurrentie, door middel van een systeem bestaande uit een combinatie van kwalitatieve en kwantitatieve criteria. Met de toepassing van kwalitatieve criteria wordt een verbruiksdrempel voor industriële afnemers bepaald, waarbij zij toegang tot het systeem krijgen. In eerste instantie wordt deze op 25 miljoen m3 gesteld, maar na vijf jaar zal deze worden teruggebracht tot 15 miljoen m3 en na tien jaar tot 5 miljoen m3 . Ook zijn kwantitatieve criteria van toepassing, zoals een minimumpercentage voor de vrije markt in de lidstaten (33 % na 10 jaar).

Bouw en exploitatie van aardgasinstallaties

Voor de bouw en exploitatie van aardgasinstallaties verlenen de lidstaten vergunningen op basis van objectieve, transparante en niet-discriminerende criteria die gepubliceerd moeten worden. Als een aanvraag wordt afgewezen, dienen de aanvrager en de Commissie in kennis te worden gesteld van de redenen daarvoor. De aanvrager moet een beroep kunnen doen op een geschilprocedure.

Toegang tot het systeem

Aardgasondernemingen en in aanmerking komende afnemers kunnen toegang krijgen tot het systeem zodat zij met elkaar kunnen onderhandelen over leveringscontracten onder objectieve en niet-discriminerende voorwaarden.

De lidstaten moeten ervoor zorgen dat elk transport-, opslag,- en LNG-bedrijf niet discrimineert tussen de verschillende systeemgebruikers en geen misbruik maakt van door derden verstrekte informatie bij de onderhandelingen over toegang tot het systeem.

Gescheiden en transparante boekhoudingen

Geïntegreerde ondernemingen zijn verplicht gescheiden interne boekhoudingen te voeren voor transmissie-, distributie- en opslagactiviteiten.

Openbare-dienstverplichtingen

Lidstaten mogen aardgasbedrijven in het algemeen economisch belang, openbare-dienstverplichtingen opleggen mits deze objectief, transparant, niet-discriminerend en controleerbaar zijn, gepubliceerd worden en in een van de volgende vijf categorieën vallen : veligheid, continuïteit, kwaliteit en prijs van de voorraad en bescherming van het milieu. Deze verplichtingen moeten ter kennis van de Commissie worden gebracht en altijd in overeenstemming zijn met artikel 90 van het Verdrag.

Afwijkingen

Het doel van deze afwijkingen is in bepaalde gevallen voor een specifieke bescherming te zorgen, bijvoorbeeld voor aardgasbedrijven die in economische of financiële moeilijkheden verkeren ten gevolge van aankoopverplichtingen of in lidstaten waarin aardgas nog niet zolang geleden is geïntroduceerd en dus enorme investeringen moeten worden terugverdiend (nieuwe markten).

Conclusies van de Europese Commissie

Met de liberalisering van de markten voor elektriciteit en aardgas is een proces van structurele hervormingen in gang gezet. Wat de elektriciteitsrichtlijn betreft, hadden sommige lidstaten hun markten nog voor de goedkeuring van de richtlijn geopend. In andere landen is de discussie over de noodzakelijke veranderingen pas na de goedkeuring van de richtlijn op gang gekomen. Ondanks het uiteenlopende tempo van vooruitgang bij de omzetting van de elektriciteitsrichtlijn, is het duidelijk dat de herstructurering van de sector momenteel op de agenda van alle lidstaten staat. Ondanks de moeilijkheden waarmee de lidstaten bij de omzetting geconfronteerd worden, zijn er geen aanwijzingen dat de omzetting niet binnen het daarvoor in de richtlijn opgenomen tijdschema kan worden gerealiseerd. Voor gas zal dezelfde aanpak worden gevolgd.

De elektriciteits- en de gasrichtlijn vormen niet het eindpunt. In beide richtlijnen is een herzieningsclausule opgenomen die bepaalt dat de Commissie de richtlijnen ter gelegener tijd op grond van de ervaringen moet herzien, zodat nieuwe maatregelen van kracht kunnen worden (2006 voor elektriciteit en 2008 voor gas).

Intussen is toezicht op de tenuitvoerlegging van de richtlijnen van essentieel belang voor een goede werking van de interne markt. In dit verband dienen de lidstaten en de Commissie zich de nodige inspanningen te getroosten om een eerlijk verloop van de concurrentie te garanderen. Bovendien moet worden opgetreden tegen ongerechtvaardigde steunmaatregelen.

Parallel daaraan moet de opening van de nationale energiemarkten vergezeld gaan van aanvullende maatregelen die bevorderlijk zijn voor de eerlijke concurrentievoorwaarden : dat betekent harmonisatie op het gebied van technische en veiligheidsnormen en harmonisatie op het gebied van milieubescherming.

Daarnaast is de ontwikkeling van transeuropese energienetwerken absoluut essentieel voor een evenwichtig functioneren van de interne markt. Een adequate infrastructuur is een sine qua non voor het transport van energie in de context van een geïntegreerde interne markt en draagt bij tot de continuïteit van de energievoorziening.

Tot besluit merkt de Commissie op, dat een nauwgezet onderzoek van de maatschappelijke gevolgen van de nieuwe marktvoorschriften en de groeiende concurrentie, van vitaal belang is. Zij is bezorgd over de effecten van de liberalisering op de werkgelegenheid in de Europese Unie. Daarom is zij voornemens een studie te laten maken van de gevolgen van de liberalisering voor de werkgelegenheid en zorgvuldig te onderzoeken welke begeleidingsmaatregelen en programma's voor vervangende werkgelegenheid dienen te worden vastgesteld.

ANALYSE

In België zijn er nog geen wetsvoorstellen ingediend. Voor wat betreft de electriciteitsrichtlijn, heeft de Ministerraad op 9 oktober 1998 een oriënteringsnota goedgekeurd. Het ligt in de bedoeling van de Regering om de richtlijn zo snel mogelijk om te zetten. De opgedane ervaring terzake zal de omzetting van de aardgasrichtlijn bespoedigen (hiervoor werd geen overgangsperiode gevraagd.)

CONCLUSIE

Gezien het informatieve karakter van het verslag en gezien het feit dat de procedure op Europees niveau afgerond is, wordt onderhavig document niet verder onderzocht.


IV. VOORSTEL VOOR EEN RICHTLIJN VAN DE RAAD TOT WIJZIGING VAN RICHTLIJN 68/414/EEG HOUDENDE VERPLICHTING VOOR DE LIDSTATEN VAN DE EEG OM MINIMUMVOORRADEN RUWE AARDOLIE EN/OF AARDOLIEPRODUCTEN IN OPSLAG TE HOUDEN ­ COM (1998) 221

DOEL

De huidige verplichte voorraadopslagsystemen in de Europese Unie vloeien voort uit twee richtlijnen (10) die alle lidstaten verplichten om permanent een olievoorraadniveau te handhaven dat gelijk staat met ten minste 90 dagen gemiddeld binnenlands verbruik per dag van het afgelopen kalenderjaar van de drie belangrijkste categorieën aardolieproducten (benzine, middeldistillaten, stookolie). De individuele lidstaten mochten hun binnenlandse voorraadsystemen organiseren zoals zij dat wilden om aan de richtlijnen te voldoen.

De redenen voor het aannemen van de richtlijnen kunnen als volgt worden samengevat :

1. Onderbrekingen van de olievoorziening vormen een gevaar voor de economie. Daarom is het gewenst dat de lidstaten over voorraden beschikken om eventuele moeilijkheden in verband met onderbrekingen van de olievoorziening het hoofd te kunnen bieden en een acuut wordende crisis onder controle te houden.

2. Ingrijpen tijdens een crisis kan gewenst zijn, omdat wanneer de olieleveranties beginnen uit te blijven, er gevaar voor prijsspeculatie op de markt ontstaat. Daarom is het voor de autoriteiten een economisch goede zaak om de gevolgen van een oliecrisis tot een minimum te beperken, dan wel te voorkomen door hun veiligheidsvoorraden aan te spreken.

3. Alleen al het feit dat de lidstaten over grote buffervoorraden beschikken, heeft een afschrikwekkende werking voor hen die een oliecrisis zouden willen veroorzaken of daarop speculeren.

De in onderhavig document op grond van artikel 103 A van het Verdrag voorgestelde wijzigingen moeten zorgen voor :

­ efficiënte, betrouwbare en consistente voorraadopslagregelingen en -mechanismen in alle lidstaten, teneinde indien nodig op passende gecoördineerde wijze te kunnen reageren;

­ transparante voorraadopslagregelingen en gelijke concurrentievoorwaarden op de interne oliemarkt.

INHOUD

De voorgestelde wijzigingen hebben betrekking op de zekerheid van olievoorziening in het kader van de interne energiemarkt.

Voorzieningszekerheid

Deze wijzigingen hebben niet tot doel het communautaire voorraadopslagsysteem fundamenteel te veranderen. De bedoeling is de modaliteiten van het systeem, dat voornamelijk gebaseerd is op bepaalde gemeenschappelijke fundamentele criteria en eisen op het gebied van voorraadopslag, te verbeteren en aan te passen, bepaalde punten te verduidelijken en bepalingen te vereenvoudigen waar dit mogelijk is. Centraal in de voorgestelde verbeteringen staat de zorg, de lidstaten de volledige beschikking te geven over de veiligheidsvoorraden in geval van moeilijkheden met de voorziening, alsmede de wettelijke en bestuurlijke bevoegdheden om over deze voorraden te beschikken en ze zo nodig aan te spreken.

Interne energiemarkt

Het zwaartepunt van de voorgestelde wijzigingen ligt op het bestaan van transparante voorraadopslagregelingen in iedere lidstaat, ter bevordering van gelijke marktvoorwaarden in de Gemeenschap.

Voorgestelde verbeteringen

1. Lidstaten die in eigen land olie produceren, hebben het recht om het met hun binnenlandse productie overeenkomende percentage, van hun binnenlandse verbruik af te trekken.

2. Met het oog op samenhang moeten de berekening en de statistische aangifte van voorraden plaatsvinden volgens voor alle lidstaten geldende gemeenschappelijke grondregels. Daarom moeten de reeds in het verleden op communautair en internationaal niveau overeengekomen definities en benaderingen voor wat het olieverbruik betreft worden overgenomen, en moet ook volledig de door de overgrote meerderheid van de lidstaten gevolgde praktijk worden toegepast, die erin bestaat de bunkervoorraden voor de internationale luchtvaart bij het binnenlands verbruik te rekenen.

3. Het is belangrijk dat de lidstaten in geval van moeilijkheden de volledige beschikking hebben over de veiligheidsvoorraden. Met het oog hierop moeten de voorraden te allen tijde beschikbaar en toegankelijk zijn. De naleving van dergelijke criteria is efficiënter in lidstaten waar de overheid over de wettelijke en bestuurlijke bevoegdheden beschikt om de voorraden onder haar gezag te plaatsen, om ze te kunnen gebruiken wanneer en waar ze het meest nodig zijn. De voorraadopslagregelingen moeten in het algemeen eerlijk zijn, zonder discriminaties te veroorzaken. Die discriminatie kan worden vermeden door transparantie en door vaststelling van eerlijke marktvoorwaarden.

4. De regering van een lidstaat heeft het recht om, indien zij dat wenst, veiligheidsvoorraden in de Gemeenschap in opslag te houden door kaderovereenkomsten te sluiten met de regering van een andere lidstaat en daarmee aan de volledige verplichting tot voorraadopslag, of een gedeelte daarvan, te voldoen. Bij beslissingen om zo'n overeenkomst te sluiten moet rekening worden gehouden met de kwaliteit van de voorraadopslagmechanismen in de gast-lidstaat. In geval van moeilijkheden met de voorziening moet de begunstigde lidstaat zijn voorraden kunnen terugvragen en terugkrijgen, en ten behoeve van de gebruikers kunnen aanspreken.

5. Er wordt een regeling ingevoerd voor de sancties die door de lidstaten worden opgelegd aan ondernemingen die zich niet houden aan de wetgeving inzake veiligheidsvoorraden.

CONCLUSIE

Aangezien de voorgestelde wijzigingen hoofdzakelijk van technische aard zijn, wordt het onderhavige document niet verder onderzocht.


V. VOORSTEL VOOR EEN BESLUIT VAN DE RAAD BETREFFENDE DE VOORLOPIGE TOEPASSING VAN DE OVEREENKOMST TUSSEN DE EUROPESE GEMEENSCHAP EN DE RUSSISCHE FEDERATIE BETREFFENDE DE HANDEL IN TEXTIELPRODUCTEN ­ COM (1998) 261

INHOUD

Na meer dan drie jaar onderhandelen, hebben de Europese Unie en de Russische Federatie in maart 1998 een nieuw textielakkoord bereikt, dat de kwantitatieve beperkingen wegwerkt die door de twee partijen werden toegepast. Krachtens dit akkoord heeft Rusland de aan de communautaire tapijtexport opgelegde contingenten afgeschaft met ingang van 1 mei 1998. Deze voor een jaar vastgelegde contingenten waren op 19 maart in werking getreden en zouden de toegang voor de communautaire producten tot de Russische markt ernstig hebben beperkt. Voor wat de Gemeenschap betreft, werden de eenzijdige textielcontingenten niet hernieuwd na 1 mei 1998.

Sommige producten zullen evenwel aan beperkingen onderworpen blijven. Nochtans voorziet het akkoord ten voordele van deze producten in een zogeheten « vrijwaringsclausule » die tenminste het behoud van het niveau van de handelsstromen van het voorgaande jaar garandeert.

De Russische autoriteiten hebben bovendien bevestigd dat hun certifiëringssysteem, dat zeer hinderlijk is voor de textieluitvoerders, zou worden hervormd. De hierop betrekking hebbende wetgeving zal uiterlijk in december in het Russische parlement ingediend worden. In afwachting van de inwerkingtreding van dit nieuwe systeem, hebben de Russische autoriteiten aanvaard om hun certifiëringssysteem op de meest eenvoudige wijze toe te passen voor communautaire producenten van textielproducten.

Het akkoord bevestigt eveneens dat de bepalingen van het partnerschaps- en samenwerkingsakkoord, gesloten tussen de Europese Unie en Rusland, ook van toepassing zijn op de textielsector. Meer in het bijzonder mogen geen van beide partijen nieuwe kwantitatieve beperking invoeren, behalve door toepassing van de vrijwaringsclausules. In het kader van hetzelfde akkoord zijn Rusland en de Europese Unie overeengekomen om op te treden tegen fraude en ontduiking in de textielhandel.

Het akkoord werd geparafeerd op 28 maart 1998 door de Europese Commissie en de regering van de Russische Federatie. Het werd door de Raad goedgekeurd en is op 1 mei 1998 in werking getreden.

CONCLUSIE

Gezien het bovenstaande, geeft het document geen aanleiding tot een verdergaand onderzoek.


VI. VOORSTEL VOOR EEN VERORDENING (EG) VAN DE RAAD BETREFFENDE DE BEPERKING VAN BEPAALDE ECONOMISCHE BETREKKINGEN MET DE FEDERALE REPUBLIEK JOEGOSLAVIË ­ COM (1998) 250

DOEL

Naar aanleiding van de ernstige gebeurtenissen in de Federale Republiek Joegoslavië (FRJ) met betrekking tot Kosovo, heeft de Raad van de Europese Unie op 19 maart 1998 Gemeenschappelijk Standpunt 98/240/GBVB aangenomen, waarin inter alia wordt voorzien in maatregelen van de Gemeenschap ter beperking van bepaalde economische betrekkingen met de FRJ of de Republiek Servie. Voor bedoelde maatregelen van de Gemeenschap is communautaire wetgeving nodig op basis van een voorstel van de Commissie. Bijgaand voorstel van de Commissie zal de Raad in staat stellen zijn goedkeuring te hechten aan de overeenkomstige verordening.

INHOUD

De Commissie heeft alle aspecten in aanmerking genomen van het feit dat de handelwijze van de regeringen van de FRJ en Servië een ernstige bedreiging vormt voor de vrede in de regio, en stelt daarom maatregelen voor waarbij, binnen de grenzen van het internationaal recht, de beperkingen van het gemeenschappelijk standpunt een extensieve interpretatie krijgen.

Deze extensieve aanpak wordt weerspiegeld in de bepalingen betreffende de personen en lichamen waarop de verordening (artikel 5) betrekking heeft, en de soorten verboden overheidssteun met betrekking tot exportkrediet voor handel met of investeringen in de Republiek Servië. Er werd voor dezelfde aanpak gekozen met betrekking tot de verkoop of levering aan de FRJ van materieel dat binnen het land kan worden gebruikt voor repressie en terrorisme. Naar aanleiding van de urgentie van de maatregel, bevat dit voorstel slechts een beperkte lijst van bedoeld materieel. Door gebruik te maken van de reeds bestaande regeling voor het herzien en/of aanvullen van de lijst, waarnaar in artikel 2 wordt verwezen, kan de Gemeenschap dienaangaande evenwel tot snelle beslissingen komen. Een langere besluitvormingsprocedure zou de FRJ te veel de tijd gunnen om zich het aan de lijst toe te voegen materieel aan te schaffen. Door het in artikel 1, sub a) en d) , opnemen van de bepaling dat zowel het indirecte als directe leveren of verkopen van bedoeld materieel aan en het bevorderen van dergelijke transacties met de FRJ verboden is, zullen de bevoegde instanties van de lidstaten zich in een betere rechtspositie bevinden om op te treden tegen eventuele pogingen om de sancties te ontduiken.

De bepalingen inzake levering of verkoop aan de FRJ zijn niet van toepassing op reeds bestaande contracten of transacties waarvan de uitvoering reeds op gang is gekomen [artikel 1, sub b) ]. Het verbod op overheidsfinancieringen voor privatiseringen in de Republiek Servië is evenmin van toepassing op financieringen waarvoor reeds juridisch bindende overeenkomsten zijn aangegaan [artikel 1, sub c) ].

De bepalingen inzake de behoefte aan wederzijdse kennisgeving door de Commissie en de lidstaten betreffende de oplegging van sancties voor inbreuken op de verordening (artikelen 3 en 4) vormen een noodzakelijke bijdrage aan de doeltreffendheid van de verordening.

CONCLUSIE

Gelet op het belang van deze problematiek, vestigen we de aandacht van de Commissie voor de Buitenlandse Aangelegenheden van Kamer en Senaat op dit voorstel van verordening.


VII. VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD, AAN HET EUROPEES PARLEMENT, AAN HET ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ EN AAN HET COMITÉ VAN DE REGIO'S : DE SOCIALE ZEKERHEID IN EUROPA 1997 ­ SAMENVATTING ­ COM (1998) 243

DOEL

Dit is het derde verslag over de sociale bescherming in Europa. Het geeft een overzicht van de geboekte vooruitgang ten opzichte van de doelstellingen van de aanbeveling van de Raad betreffende de convergentie van de doelstellingen en het beleid op het gebied van de sociale bescherming van juli 1992 (92/442/EEG) en vormt een bijwerking van de analyse van de verslagen van 1993 en 1995.

Het verslag wil bovendien een bijdrage leveren aan de discussie over de toekomst van de sociale bescherming in de Unie, die de Commissie in 1995 op gang gebracht heeft met haar mededeling « De toekomst van de sociale bescherming : een kader voor een Europees debat ». In maart 1997 heeft de Commissie nog een mededeling gepubliceerd inzake de « Modernisering en verbetering van de sociale bescherming in de Europese Unie », waarin de belangrijkste punten uit de discussie worden weergegeven en waarin de aandacht wordt gevestigd op de belangrijkste gevolgen voor het beleid.

Dit verslag moet ook worden gezien tegen de achtergrond van de inspanningen van de lidstaten om de overheidsfinanciën te consolideren ­ zoals aangegeven in de globale richtsnoeren voor het economisch beleid en twee resoluties over economische stabiliteit, groei en werkgelegenheid die op de Europese Raad van Amsterdam zijn goedgekeurd ­ en van de Europese werkgelegenheidsstrategie. Op de in november 1997 in Luxemburg gehouden werkgelegenheidstop, hebben de lidstaten de voorstellen van de Commissie voor de werkgelegenheidsrichtsnoeren in hoge mate gesteund. Zij waren het erover eens dat zowel de uitkerings- als de opleidingsstelsels waar nodig moeten worden herzien en aangepast om ervoor te zorgen dat zij op actieve wijze de inzetbaarheid ondersteunen. De sociale bescherming heeft ook een belangrijke taak bij het verwezenlijken van andere doelstellingen die zijn aangegeven in de sindsdien goedgekeurde werkgelegenheidsrichtsnoeren voor 1998, zoals de ontwikkeling van het aanpassingsvermogen van ondernemingen en hun werknemers en de versterking van het beleid inzake gelijke kansen.

INHOUD

Het verslag begint met een analyse van de veranderingen die zich hebben voorgedaan in de context waarin de stelsels van sociale bescherming van de Unie opereren, met bijzondere aandacht voor de demografische, sociale en economische ontwikkelingen die bepalend zijn voor de behoefte aan steun. Vervolgens wordt de omvang van de uitgaven aan sociale bescherming in de lidstaten onderzocht, de verdeling ervan over de verschillende taken en het relatieve gewicht van de verschillende financieringsbronnen. Daarna wordt het aandeel van de sociale uitkeringen in het huishoudinkomen onderzocht, en de mate waarin deze bijdragen tot de vermindering van de inkomensongelijkheid tussen huishoudens. Ten slotte wordt een overzicht gegeven van de belangrijkste veranderingen die de stelsels van sociale bescherming in de Unie de laatste jaren hebben ondergaan, in het bijzonder in de periode sinds 1995.

Vier aspecten die bijzonder relevant zijn voor het beleid, worden nader geanalyseerd :

­ de werking van de stelsels van werkloosheidsuitkeringen, die in verscheidene lidstaten worden gewijzigd om mensen meer te stimuleren tot het zoeken van werk;

­ het pensioenbeleid, en met name het streven om de tendens van vervroegde pensionering, dat wil zeggen vóór de officiële pensioenleeftijd, te keren;

­ maatregelen om de stijging van de kosten van de gezondheidszorg te beperken, zonder afbreuk te doen aan de kwaliteit van de dienstverlening;

­ langdurige zorg voor zieken en anderen die niet in staat zijn om voor zichzelf te zorgen, wat nieuwe eisen stelt aan de stelsels van sociale bescherming.

CONCLUSIE

Het Adviescomité heeft een verslag gewijd aan de problematiek van de werkgelegenheid in Europa (Stuk Kamer nr. 1492/1, 97/98, Senaat, nr. 1-950/1), waarin deze problematiek in de globale context van het communautair sociaal beleid wordt geplaatst. Er is een duidelijk verband tussen de stelsels van sociale bescherming en de Europese werkgelegenheidsstrategie. Gelet op het belang van deze problematiek, vestigen we de aandacht van de bevoegde commissies van Kamer en Senaat op dit verslag van de Commissie.


VIII. GELIJKE KANSEN VOOR VROUWEN EN MANNEN IN DE EUROPESE UNIE. JAARVERSLAG 1997 ­ COM (1998) 302

DOEL

Dit jaarverslag over gelijke kansen voor vrouwen en mannen in de Europese Unie, geeft een overzicht van de voornaamste ontwikkelingen die in 1997 van invloed zijn geweest op de gelijke kansen op communautair en nationaal niveau. Er zijn belangrijke vraagstukken op een groot aantal terreinen aan de orde gekomen, maar drie ontwikkelingen verdienen bijzondere aandacht :

­ over het Verdrag van Amsterdam is overeenstemming bereikt, met nieuwe bevoegdheden in verband met gelijke kansen;

­ de lidstaten hebben gezamenlijk besloten een nieuwe werkgelegenheidsstrategie in te voeren die onmiddellijk ten uitvoer zal worden gelegd en waarin het vraagstuk van de gelijke kansen een expliciet en belangrijk element vormt;

­ voortbouwend op de verplichtingen ten aanzien van mainstreaming, is met de integratie van gelijke kansen voor vrouwen en mannen op andere beleidsterreinen vooruitgang geboekt.

INHOUD

Gelijke kansen in het Verdrag van Amsterdam

In 1997 is het Verdrag van Amsterdam aangenomen. In 1998 is de ratificatieprocedure begonnen. Dit Verdrag heeft het belang van gelijke kansen in het Europese integratieproject bevestigd en nieuwe mogelijkheden voor vooruitgang geschapen. Gelijke behandeling van vrouwen en mannen is altijd een van de grondbeginselen van de achtereenvolgende Verdragen geweest; als zodanig is dit beginsel ook in het nieuwe artikel 2 van het nieuwe Verdrag bevestigd. Artikel 3 geeft de Gemeenschap de taak ongelijkheden op te heffen en de gelijkheid van vrouwen en mannen in al haar activiteiten te bevorderen ­ dit vormt de noodzakelijke basis om de strategie van mainstreaming uit te bouwen.

Het nieuwe artikel 13 zal het mogelijk maken passende actie te ondernemen om alle vormen van discriminatie, ook op grond van sekse en seksuele geaardheid, te bestrijden.

Artikel 141 verruimt het bereik van het vroegere artikel 119 en geeft gelijke behandeling van vrouwen en mannen een eigen wettelijke grondslag. In dit artikel worden sleutelaspecten van werkgelegenheid en beroep behandeld. Het bevestigt eveneens het recht van de lidstaten om maatregelen te treffen waarbij specifieke voordelen worden geschapen om de uitoefening van een beroepsactiviteit door het ondervertegenwoordigde geslacht te vergemakkelijken of om nadelen in de beroepsloopbaan te voorkomen of te compenseren (11).

De Commissie is van mening dat deze aspecten van het nieuwe Verdrag moeten worden toegejuicht, vooral omdat zij de status van het beginsel van gelijke behandeling verhogen en de basis voor toekomstige initiatieven op een aantal terreinen veilig stellen.

Nieuwe werkgelegenheidsstrategie

In november 1997 werd er door de staatshoofden en regeringsleiders op de buitengewone Europese Raad over werkgelegenheid in Luxemburg overeenstemming bereikt over een nieuwe Europese werkgelegenheidsstrategie. De Europese Raad erkende dat de positie van vrouwen op de arbeidsmarkt bijzondere aandacht verdient.

Ten dele door het bereiken van een grotere participatie van vrouwen aan de arbeidsmarkt, kan de Europese Unie op doorslaggevende wijze bijdragen aan de groei van de werkgelegenheid die noodzakelijk is om haar toekomst veilig te stellen en haar welvaart en sociale stelsels te handhaven. Tijdens de « banentop » is op het hoogste niveau erkend dat gelijke kansen in het belang van de economie zijn.

De vaststelling van de nieuwe werkgelegenheidsstrategie betekent dat voortaan elk jaar de vooruitgang op het gebied van gelijke kansen op de arbeidsmarkt kritisch op het hoogste niveau wordt gevolgd.

De Raad heeft vervolgens in december 1997 werkgelegenheidsrichtsnoeren voor 1998 vastgesteld.

Deze richtsnoeren geven streefcijfers en doelstellingen op vier terreinen aan : ondernemerschap, inzetbaarheid, aanpasbaarheid van arbeidskrachten en arbeidsplaats en gelijke kansen.

De lidstaten zullen in april 1998 actieplannen indienen, waarin zij uitvoerig verslag doen van de actie die zij ondernemen om de richtsnoeren door te voeren. De Europese Raad zal in Cardiff in juni 1998 een eerste analyse verrichten. De Commissie en de Raad zullen gezamenlijk de plannen evalueren, zodat deze door de staatshoofden en regeringsleiders tijdens de Europese Raad van Wenen in december 1998 kunnen worden bestudeerd.

Mainstreaming

Met mainstreaming ­ de strategie van integratie van het aspect gelijke kansen op alle grote beleidsterreinen ­ is in 1997 aanzienlijke vooruitgang geboekt.

Het duidelijkste en beste voorbeeld van mainstreaming, is het centraal in de werkgelegenheidsstrategie plaatsen van gelijke kansen.

CONCLUSIE

Gelet op wat voorafgaat, vestigen we de aandacht van het adviescomité voor maatschappelijke emancipatie van de Kamer en het Adviescomité voor gelijke kansen van vrouwen en mannen van de Senaat op dit verslag van de Commissie dat een overzicht geeft van de laatste ontwikkelingen inzake gelijke kansen in 1997.


IX. VIJFTIENDE JAARLIJKS VERSLAG OVER DE CONTROLE OP DE TOEPASSING VAN HET GEMEENSCHAPSRECHT (1997) ­ COM (1998) 317

INHOUD

Het jaar 1997 onderscheidt zich door een aantal markante feiten :

­ vanuit statistisch oogpunt wordt 1997 gekenmerkt door een sterke stijging van het aantal aan de lidstaten gezonden aanmaningen;

­ er zijn in 1997 meer richtlijnen omgezet in alle lidstaten, waarvan sommige zeer aanzienlijke prestaties te zien gaven;

­ vanuit procedureel oogpunt, heeft de Commissie in 1997 voor het eerst aan het Hof voorgesteld vast te stellen dat een lidstaat zijn verplichtingen niet is nagekomen en een dagelijkse dwangsom op te leggen todat aan dit verzuim een einde komt. Ten aanzien van acht voorstellen is reeds een besluit genomen, en twee daarvan zijn reeds bij het Hof van Justitie ingediend;

­ eveneens in 1997 heeft de Commissie naar aanleiding van het onderzoek op initiatief van de ombudsman over de inbreukprocedures beslist de voorlichting van de klager in het kader van deze procedures uit te breiden;

­ de maatregelen naar aanleiding van de Europese Raad van Amsterdam van 16 en 17 juni 1997 en het voorstel voor een verordening van 18 november 1997 waarbij een mechanisme in het leven wordt geroepen voor een optreden van de Commissie om bepaalde belemmeringen voor het handelsverkeer op te heffen;

­ de parlementaire vragen en de verzoekschriften spelen een belangrijke rol bij het ontdekken van inbreuken en leiden jaarlijks tot het inleiden van nieuwe procedures;

­ eveneens in 1997 heeft de Commissie een voorstel ingediend voor een besluit van het Parlement en de Raad, tot instelling van een actieprogramma om de beoefenaars van juridische beroepen bewuster te maken van het Gemeenschapsrecht (actie Robert Schuman).

Deze ontwikkelingen tonen duidelijk aan dat de Commissie werk heeft gemaakt van de toepassing van het Gemeenschapsrecht, zoals voorzitter Santer in zijn investituurrede had toegezegd.

De statistische analyse : de eerste effecten van de hervorming van de procedures van 1996 : een spectaculaire stijging van het aantal aanmaningen en seponeringen

Het aantal nieuwe klachten is gestegen van 819 in 1996 tot 957 in 1997 (+ 17 %). De dalende tendens die de voorgaande jaren werd waargenomen, is dus omgekeerd. Het aantal ambtshalve door de diensten van de Commissie geconstateerde gevallen is stabiel : 261.

Het totale aantal daadwerkelijk aan de betrokken lidstaten toegezonden aanmaningen, is stijgende (1 460 in 1997 tegen 1 168 in 1996, dat wil zeggen 23 %). Deze stijging is bijzonder sterk ten aanzien van andere aanmaningen dan die betrekking hebben op de niet-mededeling van nationale uitvoeringsmaatregelen van de richtlijnen (+ 47 %). Alleen het aantal verzonden met redenen omklede adviezen daalt, namelijk van 436 in 1996 tot 343 in 1997, dat wil zeggen - 21 %.

De zeer sterke stijging van het aantal aanmaningen waartoe is besloten, is het eerste resultaat van de in juli 1996 vastgestelde hervorming van de procedures : een betere naleving van de interne termijn van één jaar om een beslissing ten gronde te nemen, gevoegd bij de nieuwe aanpak van de aanmaningen (die wordt beschouwd als een verzoek om « nuchtere » opmerkingen) hebben de termijn tussen de inschrijving van de klacht of van het ambtshalve geconstateerde geval en de eerste beslissing ten gronde duidelijk verkort. In dit verband zij vermeld dat het aantal seponeringen eveneens stijgt (van 1 765 tot 2 151, dat wil zeggen een stijging met 22 %) en dat het totale aantal lopende dossiers (de « voorraad ») dalende is.

Stand van de omzetting van de richtlijnen in 1997

Onderstaande tabel biedt een algemeen overzicht van de stand van de mededelingen van de nationale uitvoeringsmaatregelen voor alle op 31 december 1997 van toepassing zijnde richtlijnen.

Lidstaten Op 31 december
1997 van
toepassing
zijnde
richtlijnen (1)
Aantal
richtlijnen
waarvoor de
maatregelen
werden
medegedeeld
%
België 1 382 1 269 91,8
Denemarken 1 378 1 337 97,0
Duitsland 1 384 1 295 93,6
Griekenland 1 380 1 281 92,8
Spanje 1 380 1 313 95,1
Frankrijk 1 382 1 293 93,6
Ierland 1 374 1 293 94,1
Italië 1 383 1 278 92,5
Luxemburg 1 380 1 300 94,2
Nederland 1 382 1 332 96,4
Oostenrijk 1 379 1 301 94,3
Portugal 1 378 1 289 93,5
Finland 1 370 1 319 96,3
Zweden 1 376 1 339 97,3
Verenigd Koninkrijk 1 381 1 308 94,7

(1 ) Opgemerkt zij dat het aantal van toepassing zijnde richtlijnen op 31 december 1997 1 391 bedroeg, tegen 1 314 op 31 december 1996. Dit vertegenwoordigt een verschil van 77 richtlijnen.

Op 31 december 1997 hadden de lidstaten gemiddeld 94 % van de voor de tenuitvoerlegging van alle toepasselijke communautaire richtlijnen nodige nationale uitvoeringsmaatregelen medegedeeld. Dit is een hoger percentage dan dat van 1996 (93 %). De individuele prestaties van de lidstaten lopen echter uiteen.

Opmerkelijk is de aanzienlijke verbetering bij Zweden, dat een percentage te zien geeft van mededeling van nationale uitvoeringsmaatregelen dat 3 punten hoger ligt dan in 1996, waardoor de positie van dit land nog verbetert (van de 5e naar de 1e plaats). Een even opmerkelijk resultaat geeft Finland te zien, waarvan het mededelingspercentage van 81 tot 96,3 % stijgt, nu de in het veertiende jaarverslag behandelde problemen in verband met de omzetting van de richtlijnen op de Ålandeilanden (met name op landbouwgebied) konden worden opgelost.

De tenuitvoerlegging van artikel 171, lid 2, 2e alinéa van het EG-Verdrag

In 1997 heeft de Commissie voor het eerst gebruik gemaakt van het recht dat haar bij artikel 171, lid 2, 2e alinea, zoals dit resulteerde uit het Verdrag van Maastricht, wordt toegekend.

Indien de betrokken lidstaat de maatregelen ter uitvoering van het arrest van het Hof (wegens niet-nakoming) niet binnen de door de Commissie vastgestelde termijn heeft genomen, kan zij krachtens dit artikel de zaak voor het Hof van Justitie brengen. Zij vermeldt het bedrag van de door de betrokken lidstaat te betalen forfaitaire som of dwangsom die zij in de gegeven omstandigheden passend acht.

Indien het Hof van Justitie vaststelt dat de lidstaat zijn arrest niet is nagekomen, kan het deze Staat de betaling van een forfaitaire som of een dwangsom opleggen.

Door het Hof voor te stellen de betrokken lidstaten te veroordelen tot betaling van een dwangsom wegens niet-uitvoering van een eerste arrest van het Hof, wil de Commissie een maatregel ten uitvoer leggen die het mogelijk zal maken de controle op de toepassing van het Gemeenschapsrecht door de lidstaten op ingrijpende wijze te verbeteren.

Op 28 januari en 10 december 1997 heeft de Commissie, ten aanzien van acht inbreukprocedures die in het stadium van de tweede aanhangigmaking waren aangekomen, besloten om het Hof in te schakelen, terwijl zij tevens een verzoek om oplegging van een dwangsom indiende. De dreiging van een dwangsom heeft een bijzonder afschrikwekkend effect gehad, aangezien twee van deze dossiers zeer snel zijn geseponeerd en twee andere op weg zijn naar een regeling. In twee gevallen is de aanhangigmaking met het verzoek om oplegging van een dwangsom gehandhaafd en aan het Hof voorgelegd.

ANALYSE

Met een mededelingspercentage van 91,8 % voor de nationale uitvoeringsmaatregelen van op 31 december 1997 van toepassing zijn de richtlijnen, staat België als laatste gerangschikt van de 15 lidstaten van de Europese Unie. De toestand is nog meer ontrustend wanneer men bepaalde sectoren bekijkt zoals leefmilieu (87 %), energie (75 %) of telecommunicatie (50 %).

CONCLUSIE

Gelet op wat voorafgaat, zou het wenselijk zijn de regering te vragen welke structurele maatregelen zij overweegt te treffen om de soms grote achterstand die België heeft inzake de omzetting van Europese richtlijnen te doen verdwijnen en aan het Parlement een overzicht van de achterstand te bezorgen.

Bovendien zou de regering ook aan het Parlement het verslag betreffende de inwerkingstelling en de toepassing van het EEG-Verdrag moeten indienen, verslag dat zij jaarlijks aan de Wetgevende Kamers moet uitbrengen overeenkomstig artikel 2 van de wet van 2 december 1957 houdende goedkeuring van het Verdrag tot oprichting van de EEG. Het laatste verslag terzake betreft 1993.


(*) Eerste zitting van de 49e zittingsperiode.

(1) « Observatoire européen institutionnel législatif (O.E.I.L.) » ­ (Europees wetgevingbestand).

Doel van O.E.I.L. is de opvolging van de fasen in het besluitvormingproces van de Europese Gemeenschap om parlementaire controle mogelijk te maken en de parlementaire instanties toe te laten te gepasten tijde te interveniëren.

Alle informatie betreffende de wetgevingsprocedure (vanaf de aankondiging in het Wetgevend programma en de indiening van een voorstel van de Europese Commissie tot en met de aanneming door de Raad (na de beraadslaging in het Europees Parlement en de Raad) is opgenomen in een centraal informatica-systeem. Van elke fase wordt een korte synthese gegeven.

Het instrument bevat ook informatie over niet-wetgevingsvoorstellen (witboeken, aanbevelingen, enz.).

O.E.I.L. wordt beheerd door het Europees Parlement.

(2) Gewijzigd door de bijzondere wet van 5 mei 1993 betreffende de internationale betrekkingen van de Gemeenschappen en de Gewesten. Deze wet voert een nieuwe titel in, luidend als volgt :

Artikel 4. In de bijzondere wet wordt een nieuwe Titel IVter ­ « Informatie van de Kamers en de Raden over de voorstellen van normatieve rechtshandelingen van de Commissie van de Europese Gemeenschappen » ­ ingevoegd, luidende :

« Titel IVter. - Informatie van de Kamers en de Raden over de voorstellen van normatieve rechtshandelingen van de Commissie van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 92quater. - Vanaf hun doorzending aan de Raad van de Europese Gemeenschappen worden de voorstellen van verordening en richtlijn en, in voorkomend geval, van de andere normatieve rechtshandelingen van de Commissie van de Europese Gemeenschappen overgezonden aan de Kamers en de Raden, elk wat hen betreft. »

De bijzondere wet van 16 juli 1993, artikel 62, voegt hieraan nog volgende alinea toe :

« De Kamers kunnen hun advies over deze voorstellen, geven aan de Koning overeenkomstig de regels vastgesteld door de parlementaire overlegcommissie, bedoeld in artikel 41, § 5, van de Grondwet.

De Raden kunnen een advies over deze voorstellen geven aan hun Regering. »

(3) Deze rapporten geven vooreerst een synthese en peilen verder naar de juridische, sociaal-economische en politieke impact van het voorstel voor België.

(4) EP 125603 van 14 september 1988.

(5) Richtlijn 90/377/EEG van de Raad van 20 juni 1990.

(6) Richtlijn 90/547/EEG van de Raad van 29 oktober 1990 betreffende de doorvoer van elektriciteit via de hoofdnetten.

(7) Richtlijn 91/296/EEG van de Raad van 31 mei 1991 betreffende de doorvoer van aardgas via de hoofdnetten.

(8) Richtlijn 94/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 1994 betreffende de voorwaarden voor het verlenen en het gebruikmaken van vergunningen voor de prospectie, de exploratie en de productie van koolwaterstoffen.

(9) COM (91) 548 def.

(10) Richtlijnen 68/414/EEG en 72/425/EEG van de Raad.

(11) Artikel 141 van het toekomstige EG-Verdrag incorporeert artikel 6, lid 3, van het Sociale Protocol en breidt dit uit.