1-811/7 | 1-811/7 |
25 NOVEMBER 1998
De commissie heeft aan dit wetsvoorstel, samen met het wetsvoorstel nr. 1-812/1, 1997-1998 een eerste reeks besprekingen gewijd tijdens haar vergaderingen van 13 en 21 januari en 4 en 10 februari 1998. Tijdens deze besprekingen werd kennis genomen van het advies dat de commissie voor de Financiën en de Economische Aangelegenheden op 19 december 1997 over de beide voorstellen heeft uitgebracht.
Op 6 juli 1998 werd door de Raad van de Europese Unie de richtlijn 98/43/EG betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten op het gebied van reclame en sponsoring voor tabaksproducten aangenomen.
De commissie heeft in het licht van deze richtlijn haar werkzaamheden voortgezet op 20 en 22 oktober en op 9, 24 en 25 november 1998.
De hoofdindiener merkt op dat het wetsvoorstel ernaar streeft de Belgische wetgeving af te stemmen op de ontwerprichtlijn van de Raad van Europese ministers van Volksgezondheid. Het wetsvoorstel wil de data van inwerkingtreding van de Belgische wet houdende verbod op de reclame voor tabaksproducten doen samenvallen met de data in de richtlijn.
De Belgische reclamewet had tot doel een voorbeeld te geven aan Europa en de Europese besluitvorming te beïnvloeden die ondertussen reeds tot stand is gekomen. Het zou echter betreurenswaardig zijn meer te doen dan de Europese richtlijn vraagt. Het laat zich denken dat onze buurlanden hun wetgeving aanpassen aan de data van de Europese richtlijn, wat volstrekt logisch overkomt. Uit die data kan men afleiden dat voor internationale evenementen de sponsoring kan doorgaan tot 1 oktober 2006.
Spreker wijst erop dat dit wetsvoorstel niet alleen voor Francorchamps gevolgen heeft maar daarentegen ook voor alle culturele en sportevenementen alsook andersoortige evenementen op het internationale niveau. Als streefdatum blijkt het jaar 2006 haalbaar omdat de organisatoren van internationale activiteiten zo voldoende tijd krijgen om andere sponsors te vinden. Wij mogen die activiteiten niet in het gedrang brengen. Ze spreken een ruim publiek aan en doen een niet te verwaarlozen aantal economische activiteiten ontstaan. Ook het imago van België dat door deze evenementen buiten de landsgrenzen een ruime erkenning krijgt, staat op het spel.
Een senator wijst erop dat op Europees niveau enkel een gemeenschappelijk standpunt door de Raad van ministers werd bereikt en dat niets garandeert dat het Europees Parlement zich hierbij zal aansluiten. Er zijn redenen om aan te nemen dat amendementen zullen worden ingediend om de termijnen van inwerkingtreding te verkorten. Deze termijnen zijn in het voorstel van de Raad van ministers, ook naar Europese begrippen, uitzonderlijk lang.
Een lid is van oordeel dat de commissie zich in een vrij hallucinante situatie bevindt. De voorstellen die hier ter bespreking voorliggen betreffen de wijziging van een wet die nog niet eens werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad . Bovendien werden zij ingegeven door een Europese regelgeving die zich nog in een ontwerpfase bevindt.
Hij meent dat de Senaat zijn eigen geloofwaardigheid aantast door teksten die in plenaire vergadering werden goedgekeurd, onmiddellijk te gaan wijzigen. Bovendien zijn deze voorstellen uitsluitend ingegeven door druk van buitenaf. De naam Ecclestone wordt herhaaldelijk vermeld in het advies van de commissie voor de Financiën en de Economische Aangelegenheden.
De minister van Volksgezondheid schetst de wijze waarop de besluitvorming in de Europese Raad van ministers tot stand is gekomen. De meerderheid die op Europees niveau in december tot stand kwam, was een bijzondere gekwalificeerde meerderheid. Van bij het begin van de discussie was duidelijk dat vier leden, met name Duitsland, Spanje, Oostenrijk en Denemarken niet hun medewerking aan de bijzondere gekwalificeerde meerderheid zouden verlenen. Dit had tot gevolg dat de tien landen die een kortere termijn verkozen een akkoord moesten trachten te vinden met het Verenigd Koninkrijk, dat opteerde voor een langere termijn.
Volgens de minister kan de beslissing van het Parlement, te situeren in het kader van de co-decisie, alleen leiden naar een verkorting van de termijnen afgesproken in de Raad van ministers.
Aangezien de termijnen waarin de Europese tekst voorziet, limietdata betreffen, mag worden aangenomen dat meerdere staten die limieten niet ten volle zullen benutten en kortere termijnen zullen bepalen. Aangezien er lidstaten zijn die in hun wetgeving reeds een volledig reclameverbod inzake tabaksproducten hebben ingeschreven, is het ook intellectueel niet juist België een voortrekkersrol toe te bedelen.
Een lid acht het belangrijk dat België een gemeenschappelijk standpunt inneemt met de andere Europese landen wat betreft de sponsoring van sportieve en culturele activiteiten. Er kan daarbij niet worden voorbijgegaan aan het feit dat de internationale culturele en sportactiviteiten een belangrijke impact op het economisch leven hebben.
Een senator voegt hieraan toe dat er de Senaat niets in de weg kan staan de vroeger aangenomen wetgeving te wijzigen. Bovendien is deze aangelegenheid belangrijk voor het imago van België.
De vorige spreker meent dat bij de totstandkoming van de Belgische regelgeving rekening dient te worden gehouden met het standpunt dat onze minister in de Europese Raad van ministers heeft ingenomen.
Een senator beklemtoont dat het gevoerde debat noch een communautaire aangelegenheid betreft, noch een aangelegenheid waarin de tegenstelling meerderheid-minderheid tot uiting komt. Daarom is enig pragmatisme geboden. Vooreerst mag niet te zeer worden afgeweken van het algemeen Europees standpunt. Tevens kan niet het risico worden genomen dat belangrijke manifestaties en activiteiten in het gedrang komen, aangezien dit zware sociale en economische problemen tot gevolg kan hebben.
Een volgende spreker merkt op dat de limietdatum 2006 is en dat daaronder kan worden gegaan. De spreker ziet geen fundamenteel probleem om voor België de datum van 2004 in plaats van 2006 te nemen.
De heer Ph. Charlier c.s. dienen het amendement nr. 1 in (Stuk Senaat, nr. 1-811/3, 1997-1998) dat ertoe strekt de tekst aldus aan te passen :
« Art. 2
In het derde gedachtestreepje de woorden « tot 30 september 2006 » vervangen door de woorden « tot 30 september 2004. »
Verantwoording
Deze termijnen lijken lang genoeg om de organisatoren van de betrokken evenementen de nodige tijd te gunnen om andere sponsors of financieringsbronnen te vinden.
De commissie komt hier overeen dat de debatten worden geschorst tot er meer duidelijkheid is over de precieze inhoud van de Europese richtlijn die wordt voorbereid.
Een aantal leden stellen wel voor dat een vertegenwoordiging van de commissie Volksgezondheid van het Europees Parlement wordt uitgenodigd om nadere toelichting te verstrekken met betrekking tot de stand van zaken in verband met deze richtlijn.
De heer Lannoye merkt op dat hij zich zelf niet representatief acht voor álle leden van zijn commissie, wel voor een grote meerderheid ervan.
De spreker geeft een kort historisch overzicht. Het voorstel van richtlijn van de Europese Commissie dateert van 27 juni 1991, toentertijd te situeren in een procedure van samenwerking. Het voorstel dient nu, sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Maastricht, bij « co-decisie » te worden aangenomen. Het voorstel was vrij strikt en voorzag in een inwerkingtreding op 1 januari 1993. De amendementen die in het Europees Parlement werden ingediend, gingen in de richting van een nog striktere regeling.
De zaak is uitgemond in een interpellatie van de Raad, waarbinnen gedurende 6 jaar geen meerderheid kon worden gevonden. Nu nog is er geen gemeenschappelijke stelling, wel een preliminair politiek akkoord dat dateert van 5 december 1997. Dit akkoord voorziet in een reeks van overgangsperiodes. De ultieme datum, die betrekking heeft op evenementen met mondiale draagwijdte, is 2006.
Op dit moment is er echter een incoherentie van deze tekst met het Europese landbouwbeleid, dat nog steeds doorgaat met het subsidiëren van de tabaksteelt in bepaalde Europese landen.
Een lid informeert naar de wijze waarop men zal overgaan tot een vermindering van de subsidiëring van de tabaksteelt, alsmede naar de stappen die op Europees niveau zullen worden gedaan om te verhinderen dat reclame voor tabaksproducten de Europese burger bereikt via de kabeltelevisie.
De heer Lannoye wijst er op dat het Europees Parlement beperkt is in zijn mogelijkheden om de tekst te amenderen, vooreerst ten aanzien van de amendementen die reeds in eerste lezing werden aangenomen en anderzijds ten aanzien van de wijzigingen die werden aangebracht door de Raad.
Met betrekking tot de televisiereclame voor tabaksproducten kan eventueel nog worden opgetreden. Tot op heden werd aan deze problematiek echter geen bijzondere reflexie gewijd.
De problematiek van de subsidiëring van de tabaksteelt ressorteert onder de bevoegdheid van de commissie voor de landbouw.
Een lid merkt op dat de doelstelling van het wetsvoorstel bestond in de gelijkschakeling van België met de Europese norm. De spreker wijst erop dat 14 leden hun instemming moeten verlenen met een wijziging van de ontwerp-richtlijn. De tekst situeert zich in de procedure van de « co-decisie », de afhandeling valt onder het Engelse voorzitterschap en een aantal staten vragen bijkomende termijnen.
Bovendien is er de vraag met betrekking tot de merken. Er bestaat een contradictie tussen de Europese initiatieftekst en het Verdrag van Parijs inzake de merken enerzijds, en het beginsel van de interne markt anderzijds. Deze contradicties kunnen zelfs op het niveau van de GATT worden aangevochten. Indien er terzake inderdaad een tegenstrijdigheid is, moet die worden vastgesteld vooraleer België zijn interne wetgeving aan die richtlijn aanpast.
De heer Lannoye merkt op dat er nog geen eindversie bestaat van de tekst zoals die door de Raad zal worden aangenomen. De bedoeling van vele Europese parlementsleden is te evolueren tot een striktere tekst. De oorspronkelijke streefdatum was 1993, nu ligt de ultieme datum in 2006. Verder meent de spreker geen contradictie te kunnen vaststellen tussen de tekst en de interne markt. Het vrije verkeer van goederen heeft niets te maken met de reclame die voor deze goederen kan worden gemaakt.
Een lid merkt op dat wanneer de vereiste meerderheden niet worden bereikt in de betrokken Europese instellingen, er gewoonweg geen richtlijn zal zijn. Deze mogelijkheid mag niet uit het oog worden verloren.
De heer Lannoye antwoordt dat wanneer geen voldoende meerderheid in het Parlement voor een amendering zou worden gevonden hypothese waarin de spreker niet geloofd , zal de huidige tekst richtlijn worden. Wat betreft de interpretatie van de bestaande Europese tekst, is het duidelijk dat men tot een clarificatie zal komen van de merknamen, zodanig dat de verwarring met de tabaksmerken zal worden opgeheven.
Een lid vraagt wanneer men normalerwijze de Europese richtlijn mag verwachten.
De heer Lannoye meent dat wanneer het gemeenschappelijk standpunt in februari officieel wordt aangenomen, men mag verwachten dat de tekst in maart in het Europese Parlement wordt ingediend. Het Parlement heeft drie maanden om amendementen in tweede lectuur aan te nemen. Dan moet de tekst terug naar de Raad. Logischerwijs mag men verwachten dat de richtlijn in de zomer zal worden aangenomen.
Een lid vraagt of de regering ook officieel stelling neemt bij de datum van 2006.
De minister van Volksgezondheid antwoordt dat de Belgische regering terzake nooit stelling heeft genomen aangezien het om een parlementair initiatief gaat. Hijzelf heeft steeds de voorkeur gegeven aan een zo kort mogelijke overgangsperiode. Tijdens de besprekingen heeft België zijn akkoord betuigd aan de uiterste datum van 2006 omdat een gekwalificeerde meerderheid vereist was, en omdat de richtlijn kortere-termijnregelingen op nationaal vlak mogelijk maakt.
Een lid meent te moeten vaststellen dat er geen enkele houvast meer bestaat omtrent de vraag welke overgangsperioden als « redelijk » mogen worden beschouwd. Het blijkt zinloos hierover nu stelling te nemen. Het amendement van de heer Ph. Charlier c.s. betreft alleen het derde gedachtestreepje in het voorstel, terwijl ten aanzien van de andere types van reclame evenzeer voor een verkorting van de termijnen zou kunnen worden geopteerd.
Een andere spreker is van oordeel dat de regering in deze discussie een standpunt moet innemen en er zich niet toe kan beperken te verwijzen naar de wijsheid van de Kamers. De regering heeft immers terzake reeds op het Europese vlak een beslissing genomen en gekozen voor de datum van 2006. Het standpunt van de regering moet ondubbelzinnig zijn.
De minister stelt vast dat de vorige spreker in dit dossier een duidelijke stellingname van de regering eist, terwijl in andere aangelegenheden een dergelijk regeringsstandpunt als een ongeoorloofde inmenging van de uitvoerende macht in het wetgevende werk zou worden bestempeld.
Een lid meent dat de minister terecht heeft vastgesteld dat het om een parlementair initiatief gaat waarover het Parlement vrijelijk beslist.
Een andere spreekster wijst er op dat het hier om een initiatief van de Kamer gaat en het derhalve in de eerste plaats aan de Kamer toekomt om de essentiële keuzes te doen. Ten tweede acht zij het ondenkbaar over te gaan tot een stemming vóór dat de wet bekend gemaakt wordt. Ten derde vreest zij, dat door in de wet uitzonderingen in te bouwen, het gevaar van discriminatie ontstaat.
Een ander lid is het er niet mee eens dat dit dossier alleen de Kamer aangaat. In een bicameraal stelsel is dit dossier net zo goed de zaak van de Senaat. Ook is het geenszins uitzonderlijk dat een wettekst wordt gewijzigd die nog niet in het Belgisch Staatsblad werd bekendgemaakt.
Mevrouw Delcourt-Pêtre dient het amendement nr. 2 (Stuk Senaat, nr. 1-811/4, 1997-1998) in, luidende :
Art. 2
« Dit artikel vervangen als volgt :
« Art. 2. Artikel 7, § 2bis, 2º, van de wet van 24 januari 1977 betreffende de bescherming van de gezondheid van de verbruikers op het stuk van de voedingsmiddelen en andere producten, ingevoegd door de wet van 10 december 1997 houdende verbod op de reclame voor tabaksproducten, wordt aangevuld als volgt :
« de reclame voor tabaksproducten in Belgische kranten en tijdschriften, tot 31 december 2001;
de reclame voor tabaksproducten in het kader van allerlei sponsoring, tot 31 december 2001;
het afficheren van het merk van een tabaksproduct in de verkooppunten van tabak, tot 31 december 2001. »
Verantwoording
Door de inwerkingtreding van de regeling uit te stellen biedt dit amendement de sectoren die op het vlak van de werkgelegenheid of in hun organisatie de gunstige weerslag van tabaksreclame ondervinden, de mogelijkheid hun werking aan te passen door gebruik te maken van andere middelen of financieringsbronnen.
Het beoogt eveneens de inwerkingtreding uit te stellen voor alle bedoelde sectoren van de economie om elke discriminatie op dat vlak te vermijden.
Dit amendement is ten slotte te rechtvaardigen met het oog op de uitvoering van de Europese richtlijn die waarschijnlijk in de herfst van 1998 goedgekeurd zal worden.
De indienster merkt op dat het amendement tot doel heeft, in deze materie tot een compromis te komen. Het amendement strekt ertoe voor bepaalde vormen van reclame en sponsoring een overgangsperiode in te bouwen tot 31 december 2001. Deze datum is minder soepel dan die bepaald in het voorstel van Europese richtlijn, maar geeft de sector toch iets meer de tijd om zich aan te passen dan in de huidige wetgeving het geval is. De overgangsperiode geldt voor
de reclame in Belgische kranten en tijdschriften, die door het verbod in een moeilijke situatie worden gebracht aangezien niet zal kunnen worden verhinderd dat de buitenlandse media die bij ons op de markt komen, reclame blijven maken;
de sponsoring. Hierbij worden alle soorten evenementen en organisatoren op dezelfde wijze behandeld teneinde discriminatie te voorkomen;
het afficheren van merken op verkooppunten van tabaksproducten. Het betreft hier een sector waar heel wat banen in het geding zijn en die ook de kans moet krijgen om zich aan de nieuwe regeling aan te passen.
Een lid merkt op dat hij de vraag om deze voorstellen op de agenda te plaatsen, heeft ondersteund omdat volgens hem de tijd is gekomen om duidelijkheid te scheppen over de vraag waar men met dit dossier naar toe wil. Sinds de laatste bespreking in februari van dit jaar hebben zich immers een aantal nieuwe evoluties voorgedaan. Vooreerst is de Europese richtlijn van kracht geworden die weliswaar in een reclame- en sponsoringverbod voorziet, maar die tegelijk voor bepaalde evenementen een ruime overgangstermijn vaststelt. De minister van Volksgezondheid, die België bij de besprekingen vertegenwoordigde, heeft zich niet tegen deze regeling verzet.
Daarnaast heeft de eerste minister tegenover de pers verklaard dat hij persoonlijk voorstander zou zijn van een versoepeling van het verbod en in dit verband een aantal contacten heeft gehad.
Het lid wenst derhalve te vernemen of de diverse regeringspartijen het standpunt van de eerste minister en van de minister van Volksgezondheid al dan niet kunnen bijtreden.
Ook de regering zou uiteindelijk eens moeten duidelijk maken hoe zij tegenover dit dossier staat.
Een andere spreker verklaart dat hij als medeauteur van deze voorstellen slechts één doel had, namelijk in dit uiterst delicate dossier een oplossing aanreiken waarin iedereen zich in zekere mate kan terugvinden. Dat deze oplossing verdedigbaar is, blijkt duidelijk uit het gegeven dat in de Europese Unie een richtlijn werd aangenomen met dezelfde strekking als deze voorstellen. Dit moet op zijn minst een aanzet tot reflectie zijn.
Zelf was hij verrast door het gezond verstand waarmee de premier tegenover deze aangelegenheid staat. Hoe dan ook is zijn fractie bereid op constructieve wijze naar een oplossing te zoeken.
Spreker herinnert er vervolgens aan dat in de commissie Economie van het Waals Parlement eenparig een voorstel van decreet werd aangenomen dat, ondanks de wet op de tabaksreclame, toch de mogelijkheid biedt in bepaalde gevallen sponsoring door tabaksproducenten mogelijk te maken. Teneinde de Senaat de mogelijkheid te bieden deze bespreking in alle sereniteit af te ronden, werd dit voorstel nog niet op de agenda van de plenaire vergadering geplaatst.
De huidige onbeslistheid kan echter niet blijven voortduren en er mag worden gevreesd dat vroeg of laat in het Waals Parlement een dynamiek op gang komt om het dossier af te ronden. Dit zou voor alle betrokkenen een spijtige zaak zijn.
Hij wijst er ten slotte op dat aan dit dossier, naast de datum waarop het verbod ingaat, nog een ander aspect verbonden is. De problematiek van de zogenaamde « verwante merken » is in de wet die vorig jaar door het Parlement werd aangenomen, op zeer onvolkomen wijze geregeld. Hier zal hoe dan ook een betere regeling moeten worden uitgewerkt en ook hier kan de richtlijn tot voorbeeld strekken.
Een senator begrijpt niet waarom deze voorstellen opnieuw aan de agenda werden geplaatst. De Senaat heeft zich amper enkele maanden geleden, na een grondig onderzoek, duidelijk uitgesproken voor een reclameverbod dat ingaat op 1 januari 1999. Door dit besluit nu reeds zelf in twijfel te gaan trekken, creëert hij alleen maar een toestand van rechtsonzekerheid. Op het ogenblik dat het reclameverbod werd aangenomen, wisten al de betrokkenen overigens maar al te goed wat er op Europees vlak op til was. Het is dan ook erg goedkoop de richtlijn als een nieuw feit te gaan inroepen om op eerder genomen beslissingen terug te komen.
Een lid wijst erop dat uiteindelijk de Kamer van volksvertegenwoordigers het laatste woord heeft over deze voorstellen. Het is de Kamer die als eerste met een grote meerderheid het reclameverbod voor tabaksproducten goedgekeurd heeft. Indien de Senaat nu, nadat de bewuste wet in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt werd, op zijn stappen gaat terugkeren, is het verre van zeker dat de Kamer van volksvertegenwoordigers hierin zal volgen. Indien de Kamer bij haar oorspronkelijk standpunt zou blijven, zou dit het imago van de Senaat niet bepaald ten goede komen.
Een ander lid repliceert hierop dat een voorstel aangenomen door de Senaat het statuut van een wetsontwerp heeft. Het is in ons democratisch bestel nog altijd de gewoonte dat de regering dergelijke ontwerpen in de tweede kamer waar ze worden besproken, verdedigt. Vandaar ook dat het niet teveel gevraagd is dat de regering zich ook over dit voorstel duidelijk uitspreekt.
Men kan er voorts niet omheen dat de Europese richtlijn werd aangenomen nadat de Belgische wet inzake tabaksreclame werd goedgekeurd en hiervan in aanzienlijke mate afwijkt. Nog maar enkele maanden geleden is een lid van het Europees Parlement in deze commissie met veel verve komen beweren dat het reclameverbod in de Unie heel wat vroeger dan in het jaar 2006 zou ingaan. De feiten hebben echter de indieners van deze voorstellen gelijk gegeven.
Een senator stipt aan dat de Europese richtlijn op geen enkele wijze in strijd is met de Belgische wetgeving inzake tabaksreclame. Zij legt een aantal data vast voor de inwerkingtreding van het reclame- en sponsoringverbod. Dit zijn echter maximumtermijnen en niets belet de lidstaten een strengere wetgeving uit te vaardigen. Er is derhalve geen enkele reden om de Belgische wet te wijzigen.
Een lid herinnert eraan dat de Europese ontwerp-richtlijn reeds eerder voorwerp van bespreking geweest is in deze commissie. Toen wensten een aantal leden de voorliggende voorstellen niet te onderschrijven omdat zij ervan overtuigd waren dat de Europese regeling uiteindelijk een heel stuk strenger zou zijn.
Zij hebben ongelijk gekregen, maar weigeren hieruit blijkbaar hun conclusies te trekken.
Hoe dan ook is er in verband met dit dossier een ernstig probleem binnen de meerderheid. De minister van Volksgezondheid heeft de Europese regeling formeel onderschreven en de eerste minister heeft een aantal uitspraken gedaan die regelrecht in strijd zijn met het standpunt dat door bepaalde meerderheidsfracties in deze vergadering wordt ingenomen. De eerste minister kennende gelooft niemand dat het hier een lapsus betreft.
De minister van Volksgezondheid onderstreept in zijn antwoord vooreerst dat zijn standpunt in dit dossier voldoende gekend is. Het verbod op tabaksreclame is een parlementair initiatief en het is aan het Parlement om dit af te ronden.
Dit neemt niet weg dat hij ter beschikking van de Senaat is, om alle nodige inlichtingen te verstrekken.
Hij gaat vooreerst in op de vragen die werden gesteld in verband met de houding van België ten aanzien van de Europese Richtlijn.
Tijdens de besprekingen in de Raad van ministers was zijn uitgangspunt de vaststelling dat in België recent een strenge wet inzake tabaksreclame werd aangenomen en dat ons land hiermee niet alleen staat. Frankrijk, Finland en Portugal hebben een vergelijkbare wetgeving op dit terrein. Vandaar dat België bij de onderhandelingen, de wet van 10 december 1997 van bij de aanvang als onderhandelingspositie heeft aangenomen.
Daarbij komt dat hij, als minister van Volksgezondheid, alleen kon pleiten voor een regeling die op dit terrein maximale waarborgen biedt. Tegelijk echter bestond zijn verantwoordelijkheid erin alles in het werk te stellen opdat er hoe dan ook een richtlijn zou komen.
Dit laatste is belangrijk. Van bij de aanvang van de debatten bleek immers dat een aantal landen, namelijk Duitsland, Spanje, Oostenrijk en Denemarken, helemaal geen richtlijn wilden. Dit betekende dat, om toch een gekwalificeerde meerderheid te bereiken, de overblijvende lidstaten tot een compromis moesten komen. Dit bleek alleen mogelijk indien de landen die voorstander waren van een snelle invoering van het verbod, toegevingen deden aan het Verenigd Koninkrijk, dat wel een verbod wilde aanvaarden, maar slechts op voorwaarde dat een ruime overgangsperiode voor bepaalde evenementen werd ingebouwd.
België kon niet anders dan zich hierbij neerleggen omdat het enige alternatief erin bestond dat er helemaal geen Europese regeling kwam. De richtlijn die nu van kracht is, beantwoordt weliswaar niet helemaal aan het standpunt dat België bij de onderhandelingen heeft ingenomen, maar zij zal toch tot gevolg hebben dat op termijn elke vorm van tabaksreclame en sponsoring door tabaksproducenten in heel de Europese Unie onmogelijk wordt. Daarnaast is er de bepaling van artikel 5 die, hoewel dit vanuit strikt juridisch oogpunt niet noodzakelijk is, expliciet bevestigt dat de lidstaten in hun eigen wetgeving strenger kunnen zijn dan de Europese regeling.
De minister legt er vervolgens de nadruk op dat de uitspraken van de eerste minister in de pers alleen kunnen worden beschouwd als een persoonlijke stellingname. De regering heeft al bij herhaling verklaard dat zij dit dossier als een louter parlementaire aangelegenheid beschouwt en derhalve terzake geen enkel initiatief zal nemen.
Hij wenst ten slotte aan te stippen dat, hoewel een aantal leden ervoor hebben gepleit dat België zich aanpast aan de Europese regeling, geen enkele van de teksten die nu voorliggen, volledig overeenkomen met de tekst van de richtlijn in haar definitieve vorm.
Een lid merkt op dat de auteurs van de voorliggende voorstellen geen enkele agressieve bedoeling hebben en dat het zeker niet hun intentie is politieke spelletjes te gaan spelen. Of men dit nu prettig vindt of niet, België heeft een wet die een reclameverbod instelt. Zij willen alleen een beroep doen op het gezond verstand en vragen dat, in het licht van een aantal nieuwe feiten en gezien het economisch, cultureel en maatschappelijk belang van dit dossier, de inwerkingtreding van het verbod enige tijd zou worden verschoven. Aan de grond van de zaak verandert er niets aangezien er op termijn een volledig verbod inzake tabaksreclame zal gelden.
Dit is, blijkbaar ook volgens de eerste minister, een redelijke vraag.
Een lid stelt vast dat de minister verwijst naar Portugal, Finland en Frankrijk, waar ook een verbod inzake tabaksreclame geldt. Het probleem ligt echter niet in deze landen maar in de buurstaten van België, waar reclame onverkort toegelaten is en die een aantal evenementen uit ons land zullen wegtrekken. Het gaat hier niet alleen om Formule-1-wedstrijden maar ook om andere sportevenementen en culturele manifestaties.
Vandaar dat het niet meer dan redelijk zou zijn dat België zich achter de richtlijn van de Europese Unie schaart die hierover bestaat geen enkele twijfel op termijn een volledig verbod op tabaksreclame instelt.
Een volgende spreekster verklaart dat zij indertijd voor de wet houdende een verbod inzake reclame voor tabakproducten heeft gestemd. Iedereen die dit dossier heeft gevolgd, weet overigens met welke ernst het door de commissie is behandeld. Ook zij is echter van oordeel dat de Europese richtlijn een nieuw gegeven is, dat moet aanzetten tot een evaluatie van de Belgische wetgeving. België heeft zich altijd een goede leerling van Europa getoond.
Zij vindt dat het dossier met de nodige zin voor redelijkheid moet worden heroverwogen. Aangezien alleen België een verbod invoert op 1 januari 1999, is er inderdaad een reëel gevaar dat bepaalde evenementen zullen uitwijken naar andere landen omdat zij niet de tijd hebben gehad nieuwe sponsors te zoeken. Anderzijds is het de vraag of zij hiervoor tijd nodig hebben tot het jaar 2006. Het moet toch mogelijk zijn van beide kanten water in de wijn te doen en tot een compromis te komen dat voor iedereen aanvaardbaar is.
Een ander lid herinnert eraan dat, toen de wet inzake tabaksreclame nog in bespreking was, van verschillende zijden voorstellen werden gedaan om in een bijkomende overgangstermijn van twee à drie jaar te voorzien. Dit werd echter door anderen afgedaan als « marchandage de tapis » en amendementen in deze richting werden zonder meer van tafel geveegd.
De leden die de voorliggende voorstellen steunen, hebben bij het totstandkomen van de wet een zware tactische blunder begaan door een alles-of-niets-strategie te volgen. Zij zijn een tweede keer in de fout gegaan door onmiddellijk na de stemming over de wet, deze opnieuw op de politieke agenda te plaatsen onder evidente druk van de Formule-1-lobby.
Het getuigt van weinig creativiteit dat men nu, na zes maanden, opnieuw tracht dezelfde voorstellen door te drukken, zonder dat er zich een nieuw feit heeft voorgedaan, tenzij misschien de vaststelling dat de Formule 1-lobby er niet in geslaagd is haar dreigementen waar te maken.
Met dit alles voor ogen is het toch niet onbegrijpelijk dat het voor de leden die indertijd vruchteloos hebben voorgesteld tot een soepeler en voor iedereen aanvaardbare overgangstermijn te komen, moeilijk is zich bij deze voorstellen aan te sluiten. Een instelling als de Senaat moet ten aanzien van zichzelf een minimum aan ernst in acht nemen.
Een volgende spreker wijst erop dat het verbod op tabaksreclame door de plenaire vergadering werd aangenomen met een zeer beperkte meerderheid.
Men moet zich de vraag durven stellen of het in een democratische samenleving wenselijk is in dermate politiek geladen materies zonder meer voorbij te gaan aan een minderheid die 49 % van de bevolking vertegenwoordigt. Dergelijke wetten zijn immers slechts uitvoerbaar indien ze een voldoende grote draagkracht hebben.
Het is er de auteurs van deze voorstellen niet om te doen het verbod als dusdanig in vraag te stellen, maar om een groter deel van de samenleving achter dit verbod te scharen door te komen tot een redelijkere overgangstermijn.
Een lid merkt op dat de overgangstermijn van de anti-reclamewet gewoonweg geen rekening houdt met de realiteit van de reclamewereld. Precies wat dit betreft is er wel degelijk een nieuw feit. De vijftien lidstaten van de Europese Unie hebben een verbod op tabaksreclame aangenomen dat vergelijkbaar is met het Belgische, maar met één groot verschil : de richtlijn bepaalt wel een realistische overgangstermijn.
Een volgende spreker vindt niet dat er zich sinds deze stemming nieuwe feiten hebben voorgedaan. Alle gegevens, ook de tekst van de richtlijn die in voorbereiding was, waren op dat ogenblik gekend. Zijns inziens is het dan ook niet wenselijk de wet, of men hier nu gelukkig mee is of niet, nu reeds te gaan wijzigen.
Dit neemt niet weg dat, naar zijn mening, zij die verantwoordelijk zijn voor de impasse waarin het dossier is terechtgekomen, hier ook moeten trachten uit te raken.
Een senator wijst nog op een ander aspect van deze aangelegenheid. Recent heeft de voorzitter van de Senaat, naar aanleiding van de opening van het zittingsjaar, gewezen op de rol van de instelling als bindmiddel tussen de gemeenschappen. Deze opdracht wordt weerspiegeld door de aanwezigheid van 21 leden die tegelijk lid zijn van de gemeenschapsraden en door deze raden zijn aangewezen. Van de vier ondertekenaars van de het eerste voorstel op de agenda zijn er twee gemeenschapssenatoren, waaronder hijzelf. Hij wenst dan ook zijn opdracht in dit verband te vervullen en, zonder dit dossier in communautair vaarwater te willen brengen, getuigen van de bijzondere gevoeligheid in het Franstalig landsgedeelte ten aanzien van deze problematiek.
De bevoegde commissie in het Waals Parlement heeft recent een voorstel van decreet aangenomen dat in de lijn ligt van deze voorstellen. Dit voorstel werd nog niet aan de plenaire vergadering voorgelegd teneinde de sereniteit van het debat in de Senaat niet in het gedrang te brengen. Men is in het Waals Parlement immers van oordeel dat deze aangelegenheid om velerlei redenen best op het federaal vlak wordt geregeld.
Het is echter duidelijk dat, indien de federale instellingen in hun opdracht tekortschieten, het Waals Parlement niet zal nalaten de verantwoordelijkheid die het op het economisch vlak heeft, op te nemen.
Een lid kan hier begrip voor opbrengen. Zij wenst er echter de klemtoon op te leggen dat in deze aangelegenheid niet alleen Franstalige belangen in het geding zijn. Ook in Vlaanderen zijn tal van evenementen afhankelijk van tabaksreclame. Vaak wordt hierbij terecht verwezen naar een reeks culturele manifestaties, maar ook in de motorsporten speelt het Noorden van het land een toonaangevende rol.
Zij geeft toe dat de Senaat in dit dossier een jaar geleden de mogelijkheid om tot een compromis te komen, heeft laten liggen. Dit kan echter worden rechtgezet. Vandaar dat zij er toch zou willen voor pleiten dat de commissie voor het gezond verstand kiest en zich achter het standpunt schaart dat door de eerste minister werd verwoord.
Een senator meent dat de Senaat in zijn rol zou tekortschieten indien hij zich in zijn beslissingen zou laten leiden door mogelijke reacties van de Kamer. Het is precies zijn rol de teksten die door de Kamer van volksvertegenwoordigers zijn aangenomen, te evalueren en desnoods bij te sturen.
De voorliggende voorstellen strekken ertoe de regeling van de Europese richtlijn met betrekking tot de inwerkingtreding van het reclameverbod, in de Belgische wetgeving over te nemen. Dit zou betekenen dat na 1 januari 1999 ook nog gedurende een bepaalde periode reclame in kranten en tijdschriften en via affichage mogelijk blijft. Niemand heeft dit echter gevraagd en er lijkt ook geen objectieve noodzaak te zijn om het verbod, dat nu eenmaal door het Parlement werd aangenomen, ten aanzien van deze media te versoepelen.
Daartegenover staat dat er, zowel in het Noorden als in het Zuiden van het land, wel een ernstig probleem blijkt te zijn met bepaalde sportmanifestaties die, gezien de korte overgangstermijn, onvoldoende tijd hebben om zich aan de nieuwe regeling aan te passen.
Het is vanzelfsprekend niet de taak van de wetgever deze organisatoren of de tabaksindustrie te plezieren. Wel moet het Parlement oog hebben voor de problemen van tienduizenden sportliefhebbers die ten gevolge van het verbod mogelijkerwijze naar Duitsland of Nederland zullen moeten gaan om een manifestatie te kunnen bijwonen.
In het licht van het voorgaande lijkt het wenselijk dat de ingangsdatum van het reclameverbod wel degelijk wordt behouden op 1 januari 1999, maar dat een aantal specifieke manifestaties een uitstel van enkele jaren wordt gegund, zodat zij niet verplicht worden naar het buitenland uit te wijken.
Een lid merkt op dat de argumenten die door de organisatoren van sportwedstrijden worden aangehaald, evenzeer kunnen worden ingeroepen door kranten en tijdschriften. Ook die hebben concurrentie uit het buitenland.
Vandaar dat het niet wenselijk is op selectieve wijze uitzonderingen te gaan toekennen. De enige vraag die hier voorligt, is die of de Senaat wenst terug te komen op een beslissing die enkele maanden geleden met volledige kennis van zaken werd genomen, nadat de commissie meer dan een half jaar aan dit dossier had gewerkt.
Een andere spreekster voegt hieraan toe dat het argument dat de organisatoren van autowedstrijden onvoldoende tijd hebben gehad om zich aan te passen, niet erg geloofwaardig is. De jongste decennia zijn al bij herhaling initiatieven genomen om de tabaksreclame aan banden te leggen, maar steeds zijn de betrokkenen er via lobbywerk in geslaagd deze de grond in te boren. De huidige wet werd reeds in 1995 in de Kamer van volksvertegenwoordigers ingediend en daar begin 1997 aangenomen. Men krijgt sterk de indruk dat de sector overmoedig is geweest en geen enkele inspanning heeft gedaan om de inwerkingtreding van het verbod voor te bereiden, vanuit de veronderstelling dat de politieke wereld mits de nodige druk wel op zijn stappen zou terugkeren.
Met dit voor ogen heeft het volgens haar weinig zin nu een bijkomende overgangsperiode van enkele jaren te gaan inbouwen.
Een lid acht het niet vestandig in de wet uitzonderingen in te bouwen voor bepaalde evenementen. Zelf zou zij sterk willen pleiten voor een algemeen uitstel van enkele jaren waarbij iedereen op dezelfde wijze wordt behandeld. Deze overgangstermijn hoeft overigens niet te lopen tot het jaar 2006. Zij wijst in dit verband op haar amendement nr. 2 (Stuk Senaat, nr. 1-811/4, 1997-1998) op de anti-tabakswet, waarbij wordt voorgesteld de datum van inwerkingtreding van de wet voor verschillende soorten van activiteiten uit te stellen tot 31 december 2001.
De minister van Volksgezondheid wijst erop dat een dergelijke aanpassing van de wet strijdig zou zijn met de bepalingen van de Europese richtlijn. Die bepaalt immers dat bepaalde vormen van tabaksreclame (bijvoorbeeld affiches) verboden zijn met ingang van 30 juli 2001 en de lidstaten kunnen wat dit betreft geen soepeler regeling invoeren.
Een lid verklaart dat hij nog steeds het standpunt van de regering over de voorliggende voorstellen niet heeft gehoord.
De minister herhaalt dat de regering dit dossier ziet als een aangelegenheid van het Parlement. Wel is hij bereid een aantal kanttekeningen te maken.
Hoewel tijdens deze bespreking geregeld is verwezen naar de EU-richtlijn, beantwoord geen van de beide voorstellen aan de tekst van deze richtlijn. Indien de commissie van oordeel is dat er een nieuwe regeling moet komen voor de zogenaamde « verwante merken », lijkt het wenselijk dat de tekst van de richtlijn wordt overgenomen.
Wat de overgangsperiode voor de inwerkingtreding van het verbod betreft, voorziet de richtlijn in een getrapt systeem waarbij mondiaal georganiseerde evenementen onder bepaalde voorwaarden uitstel kunnen krijgen tot het jaar 2006. Hij vindt dit niet alleen een zeer ruime termijn, maar een dergelijk systeem roept ook vragen op inzake de billijkheid van de regeling. Het reclameverbod kan immers ook de plaatselijke basketbalploeg of toneelgezelschap voor grote financiële moeilijkheden plaatsen, maar zij krijgen in tegenstelling tot de grote organisatoren geen enkel respijt.
Ten slotte legt de minister er de klemtoon op dat hij dit dossier alleen kan benaderen vanuit zijn eigen verantwoordelijkheid, namelijk de volksgezondheid. Vanuit dit oogpunt, dat bij de bespreking van de voorliggende voorstellen blijkbaar nog niet veel aan bod is geweest, is het voor hem moeilijk zijn goedkeuring te hechten aan om het even welke versoepeling van de wet houdende verbod op de reclame voor tabaksproducten.
Een spreekster is van oordeel dat zij die beweren dat de plenaire vergadering in dit dossier een ondoordachte beslissing heeft genomen, ongelijk hebben. Het dossier was zeer grondig voorbereid door de commissie voor de Sociale Aangelegenheden, die uitgebreid verslag heeft uitgebracht. Bij de stemming waren de leden zich maar al te goed bewust van de belangen die hier in het geding zijn. Zij hebben een duidelijke keuze gedaan ten voordele van de volksgezondheid.
De publieke opinie zou dan ook niet kunnen begrijpen waarom de Senaat nu, onder druk van bepaalde groepen, op zijn stappen terugkeert. Dit belet niet dat, zodra de wet in werking is, kan worden geëvalueerd of ten aanzien van de verwante merken een technische correctie noodzakelijk is.
De heren Happart en Foret dienen de amendementen 3 en 4 in.
Het amendement nr. 3 (Stuk Senaat, nr. 1-811/5, 1998-1999) heeft tot doel de verplichting op te leggen dat op alle reclameboodschappen voor tabak een boodschap inzake gezondheid wordt aangebracht.
Art. 2
« Dit artikel vervangen als volgt :
« Art. 2. Artikel 7, § 2bis, 2º, van de wet van 24 januari 1977 betreffende de bescherming van de gezondheid van de verbruikers op het stuk van de voedingsmiddelen en andere producten, ingevoegd door de wet van 10 december 1997 houdende verbod op de reclame voor tabaksproducten, wordt aangevuld als volgt :
« Tot 1 oktober 2006 gaat alle propaganda of reclame voor tabak of tabaksproducten vergezeld van een boodschap inzake gezondheid, onder de voorwaarden vastgesteld door een besluit van de minister van Volksgezondheid.
Deze bepaling is van toepassing op de overeenkomsten die van kracht zijn op de datum van afkondiging van deze wet, zijnde op 1 januari 1999. »
Het amendement nr. 4 (Stuk Senaat, nr. 1-811/5, 1998-1999) heeft tot doel aan de Koning de bevoegdheid te geven om tijdelijke afwijkiingen op het reclameverbod toe te kennen om redenen die verband houden met evenementen van culturele, sportieve, agrarische of toeristische aard.
Art. 3 (nieuw)
« Een artikel 3 (nieuw) toevoegen, luidende :
« Art. 3. Dezelfde paragraaf wordt aangevuld met een 4º, luidende :
« 4º De Koning kan bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit tijdelijke afwijkingen toekennen van het 1º om redenen die verband houden met evenementen van culturele, sportieve, agrarische of toeristische aard. »
Verantwoording
Vanaf 1 januari 1999 verbiedt de tabakswet alle reclame met betrekking tot tabaksproducten.
Bovendien bevat een Europese richtlijn, aangenomen op 6 juli 1998, het verbod om reclame te maken voor tabaksproducten vanaf 1 oktober 2001, en dit met drie uitzonderingen : 1 oktober 2002 voor de schrijvende pers, 1 oktober 2003 voor de sponsoring en 1 oktober 2006 voor sponsoring van evenementen op wereldniveau.
Naar het voorbeeld van de wetsbepalingen in andere lidstaten van de Europese Unie, onder meer in Frankrijk, dient tijdelijk te worden voorzien in uitzonderingen op de toepassing van de Belgische wet om te komen tot een toenadering van de wetten en verordeningen van de lidstaten inzake reclame en sponsoring ten gunste van tabaksproducten. Die lijst van evenementen, waarvoor een bijkomend uitstel zal gelden zoals bepaald in de Europese richtlijn, zal worden vastgelegd in een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit. Aan die tijdelijke afwijkingen zal nochtans een voorwaarde verbonden zijn : een boodschap in verband met de volksgezondheid dient elke reclameboodschap of elke propaganda ten gunste van tabak of tabaksproducten te vergezellen en dit met het oog op de bescherming van de gezondheid en de opvoeding ertoe.
De heren Foret en Happart dienen daarnaast het amendement nr. 5 in (Stuk Senaat, nr. 1-811/5, 1998-1999) :
Art. 2
« Dit artikel vervangen als volgt :
« Art. 2. In artikel 7, § 2bis, van de wet van 24 januari 1977 betreffende de bescherming van de gezondheid van de verbruikers op het stuk van de voedingsmiddelen en andere producten, ingevoegd door de wet van 10 december 1997 houdende verbod op de reclame voor tabaksproducten, wordt het 2º vervangen als volgt :
« 2º Het verbod bedoeld in § 1 is niet van toepassing op :
de reclame voor tabaksproducten in de pers tot 30 juli 2002;
de reclame voor tabaksproducten in het kader van sponsoring tot 30 juli 2003;
in uitzonderlijke gevallen, de reclame voor tabaksproducten in het kader van bestaande sponsoring van evenementen of activiteiten georganiseerd op mondiaal niveau, tot 1 oktober 2006, op voorwaarde dat :
· de bedragen besteed aan die sponsoring verminderen gedurende de overgangsperiode;
· vrijwillige beperkende maatregelen worden genomen om de zichtbaarheid van de reclame tijdens de betreffende evenementen of activiteiten te beperken;
het aanbrengen van een merk van een tabaksproduct in of op de voorgevel van tabakswinkels en krantenwinkels waar tabaksproducten worden verkocht. »
Verantwoording
De voorgestelde wijzigingen zijn in overeenstemming met richtlijn 98/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 1998 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten op het gebied van reclame en sponsoring voor tabaksproducten.
De heren Foret en Happart dienen daarnaast het amendement nr. 6 in (Stuk Senaat, nr. 1-811/5, 1998-1999) :
« In dit artikel de volgende wijzigingen aanbrengen :
1º het woord « september » telkens vervangen door het woord « juli »;
2º het laatste gedachtenstreepje doen aanvangen met de woorden « in uitzonderlijke gevallen en om maar behoren gemotiveerde redenen ».
Verantwoording
1º De voorgestelde wijzigingen zijn in overeenstemming met de bepalingen van de richtlijn 98/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 1998 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten op het gebied van reclame en sponsoring voor tabaksproducten, wat de termijnen betreft.
2º De voorgestelde wijzigingen zijn in overeenstemming met richtlijn 98/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 1998 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten op het gebied van reclame en sponsoring voor tabaksproducten, en stellen de organisatoren van gesponsorde evenementen op wereldniveau in staat nieuwe sponsors te zoeken.
De hoofdindiener van het amendement nr. 4 hoopt dat rond deze tekst een consensus kan worden bereikt. Enerzijds blijven het reclameverbod en de datum van inwerkingtreding hiervan onverkort gehandhaafd maar anderzijds kan worden voorkomen dat bepaalde evenementen die momenteel nog van tabaksreclame afhankelijk zijn, voor onoverkomelijke moeilijkheden worden geplaatst, met alle gevolgen vandien voor de werkgelegenheid. De uitzonderingen die kunnen worden toegestaan, zijn overigens slechts van tijdelijke aard.
Een lid stelt de vraag of het juridisch aanvaardbaar is bij wet een algemeen verbod in te stellen, maar tegelijk de Koning een algemene bevoegdheid te geven om hiervan voor evenementen naar zijn keuze af te wijken.
Naar zijn mening zou hierover best het advies van de Raad van State worden ingewonnen.
De andere leden zijn het met dit voorstel eens en besluiten de bespreking voort te zetten in het licht van dit advies.
In het licht van het advies dat de Raad van State (Stuk Senaat, nr. 1-811/6, 1998-1999) bij de amendementen nr. 3 en 4 heeft uitgebracht dienen de heren Happart c.s. de amendementen 7 en 8 in :
« Art. 2
Dit artikel vervangen als volgt :
« Art. 2. In artikel 7, § 2bis, van de wet van 24 januari 1977 betreffende de bescherming van de gezondheid van de verbruikers op het stuk van de voedingsmiddelen en andere producten, ingevoegd door de wet van 10 december 1997 houdende verbod op de reclame voor tabaksproducten, wordt een 2ºbis ingevoegd, luidende :
« 2ºbis. De Koning kan bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit bepalen onder welke voorwaarden het in 1º bedoelde verbod niet van toepassing is :
op de reclame voor tabaksproducten in de pers, tot 30 juli 2002;
op de reclame voor tabaksproducten in het kader van sponsoring, tot 30 juli 2003;
in uitzonderlijke gevallen, op de reclame voor tabaksproducten in het kader van bestaande sponsoring van evenementen of activiteiten georganiseerd op mondiaal niveau, tot 1 oktober 2006, op voorwaarde dat de aan die sponsoring bestede bedragen in de loop van de overgangsperiode afnemen en vrijwillige beperkende maatregelen worden genomen om de zichtbaarheid van de reclame tijdens de betreffende evenementen of activiteiten te beperken. »
Verantwoording
Dit amendement beantwoordt beter aan de eisen die zijn gesteld door richtlijn 98/43/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 6 juli 1998 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten op het gebied van reclame en sponsoring voor tabaksproducten. De kans is ook groot dat over deze tekst een brede consensus ontstaat.
« Art. 3 (nieuw)
Een artikel 3 toevoegen, luidende :
« Art. 3. In dezelfde paragraaf wordt een 2ºter ingevoegd, luidende :
« 2ºter. Tot 30 juli 2006 en onverminderd de bepalingen van het 2ºbis gaat alle propaganda of reclame voor tabak of tabaksproducten vergezeld van een boodschap inzake gezondheid, onder de voorwaarden die zijn vastgesteld bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit. Deze bepaling is eveneens van toepassing op de overeenkomsten die reeds van kracht waren op het ogenblik dat de wet van 10 december 1997 houdende verbod op reclame voor tabaksproducten in werking is getreden. »
Verantwoording
Deze bepaling sluit beter aan bij artikel 2, zoals dat in amendement nr. 7 is geformuleerd, en houdt ook rekening met de opmerkingen van de Raad van State.
De hoofdindiener verduidelijkt dat dit amendement rekening houdt met de opmerkingen die de Raad van State heeft geformuleerd (Stuk Senaat, nr. 1-811, 1998-1999) bij de eerder ingediende amendement nr. 3 en nr. 4.
De belangrijkste wijziging die in het amendement nr. 7 werd aangebracht, bestaat erin dat de opdracht die aan de Koning wordt verleend precieser wordt omschreven en gekaderd in de bepalingen van de Europese Richtlijn 98/43/CE van 6 juli 1998.
De bedoeling van het amendement blijft vanzelfsprekend dezelfde. Het verbod op tabaksreclame dat werd goedgekeurd door de Kamer en de Senaat, blijft onverkort gehandhaafd. Tegelijk respecteert het amendement de houding die de regering heeft aangenomen bij de stemming van de voormelde richtlijn. Deze voorziet in een zekere overgangsperiode voor evenementen met belangrijke economische impact, die door de te snelle invoering van het reclameverbod in ernstige moeilijkheden zouden kunnen komen.
De indiener meent dat deze regeling de houding van alle instanties die bij dit dossier betrokken zijn ten volle respecteert. De mogelijkheid van de Koning om afwijkingen op het reclameverbod toe te staan is hoe dan ook beperkt tot in het uiterste geval het jaar 2006, de einddatum die ook in de richtlijn is ingeschreven.
Een lid stelt vast dat het amendement nr. 7 de delegatie aan de Koning weliswaar precieser omschrijft dan dit het geval was in het amendement nr. 4, maar tegelijk ook een uitbreiding betekent van de uitzonderingsmogelijkheden op het reclameverbod. Waar in het amendement nr. 4 alleen uitzonderingen mogelijk waren voor « evenementen » van culturele, sportieve, agrarische of toeristische aard, kunnen op basis van het amendement nr. 7 ook afwijkingen worden toegestaan voor allerlei andere vormen van reclame en sponsoring. Het betreft hier niet meer alleen de evenementen die objectief in de onmogelijkheid zouden geweest zijn om nieuwe sponsors aan te trekken, maar ook meer beperkte manifestaties die wel de kans hadden zich aan te passen aan de nieuwe situatie.
Zij is van oordeel dat hier door het rechtvaardigheidsbeginsel wordt geschaad. Het feit dat op 1 januari 1999 een tabaksverbod zou ingaan is reeds geruime tijd bekend. Een aantal organisatoren van manifestaties hebben zich hierbij neergelegd en de nodige schikkingen genomen, bijvoorbeeld door het aantrekken van andere soorten financiering. Anderen hebben er echter op gegokt dat het Parlement wel op zijn stappen zou terugkeren en niets gedaan om zich op de nieuwe situatie voor te bereiden. Deze worden nu beloond en vanuit een idee van rechtvaardigheid is dit moeilijk aanvaardbaar. Zij die hun werk gedaan hebben zijn hun sponsors kwijt, en zij die erop gespeculeerd hebben dat het manna uit de hemel zou vallen worden op hun wenken bediend.
Een ander lid voegt hieraan toe dat de uitkomst in dit dossier overigens niet alleen van de Senaat afhangt. Het initiatief tot de instelling van een reclameverbod werd in de Kamer van volksvertegenwoordigers genomen en hier gesteund door een zeer ruime meerderheid. De Senaat heeft zich hier in eerste instantie bij aangesloten. Er zijn geen indicaties dat indien de Senaat nu een bocht neemt, de Kamer, die het laatste woord heeft, hierin zal volgen.
Een volgende spreker antwoordt hierop dat, wat de grote evenementen betreft, de beslissingen over de tabakssponsoring vaak in het buitenland worden genomen. Zo worden in de Formule 1 niet alleen de circuits, maar ook de renstallen en de organisator van het wereldkampioenschap zelf, financieel gesteund door sigarettenproducenten. Men mag vrezen dat deze laatsten zich hoe dan ook weinig gelegen laten aan het reclameverbod in België. Internationaal staan meer dan 40 landen te dringen om een grote prijs formule 1 te organiseren. Door net aan de overkant van de Nederlandse grens te gaan, kunnen de organisatoren zelfs hun Belgische publiek behouden.
Wat de « kleinere » organisatoren betreft is het blijkbaar nooit goed. Wanneer men ze van de uitzonderingsmogelijkheden uitsluit en deze voorbehoud voor de grote evenementen, vinden sommigen dat het non-discriminatiebeginsel geschonden wordt. Wanneer men echter ook voor hen in een afwijkingsmogelijkheid voorziet vinden anderen dan weer dat het rechtvaardigheidsbeginsel geschonden is.
Precies echter op dit vlak ligt het grote voordeel van de regeling in het amendement nr. 7. De regering kan, in het licht van de concrete situatie voor elk dossier afzonderlijk afwegen of een afwijking van het relameverbod gewettigd is. Niemand kan overigens op dit ogenblik weten welk beleid de regering op dit vlak zal voeren. De verklaringen die eerder in deze commissie door de minister van Volksgezondheid zijn afgelegd, wettigen wel het vermoeden dat zij zeer restrictief tewerk zal gaan.
Hij besluit dat de commissie gedurende bijna een jaar zeer hard op dit dossier gewerkt heeft. Het zou dan ook jammer zijn indien zij niet tot een besluit zou kunnen komen en een signaal geven aan de buitenwereld. Indien dit er komt kan ook de Kamer zich opnieuw over deze aangelegenheid beraden. Ook voor haar is er immers een nieuwe situatie ontstaan na de publicatie van de Europese richtlijn.
Een lid merkt op dat inderdaad, na een jaar werken, hier een amendement voorligt waarin wordt getracht een oplossing voor deze problematiek te vinden, die rekening houdt met de standpunten van alle betrokkenen in dit dossier en dat door de Raad van State grondig is onderzocht. Het zou erg ontmoedigend zijn, mocht nu blijken dat al dit werk voor niets geweest is.
Dit zou ook jammer zijn voor de Senaat als instelling, die als bindende instantie tussen de Gemeenschappen in dit dossier een bijzondere opdracht te vervullen heeft. Het kan niemand ontgaan dat vooral gemeenschapssenatoren deze discussie op gang hebben gehouden. Hier wordt een oplossing aangereikt, waarbij de regering de mogelijkheid krijgt om, zowel in het Noorden als in het Zuiden van het land mogelijke problemen die de al te snelle invoering van het reclameverbod kan teweeg brengen te verhelpen.
Indien de Senaat niet in staat is, zich achter een dergelijke oplossing te scharen, moet ernstig de vraag worden gesteld of de instelling niet zwaar tekortschiet in haar grondwettelijke opdracht. In dat geval echter zullen de andere bevoegdheidsniveau's hun verantwoordelijkheid moeten opnemen.
Een volgende spreekster merkt op dat zij het grootste respect heeft voor de leden die al het mogelijke hebben gedaan om dit dossier tot een goed einde te brengen. Het probleem is alleen dat over de grond van de zaak nog steeds geen enkel overtuigend argument is geformuleerd. Zal de goedkeuring in de Senaat van dit wetsvoorstel, dat een versoepeling van het reclameverbod inhoudt, enige invloed hebben op de organisatie van de grote prijs Formule 1 volgend jaar in België.Er is hier immers al bij herhaling gesteld dat de organisatie van dit soort wedstrijden jaren op voorhand moet gebeuren. In dat geval heeft het weinig belang wat de Senaat hier beslist. Er is overigens geen enkel signaal dat laat veronderstellen dat de Kamer van volksvertegenwoordigers, die het reclameverbod met een ruime meerderheid aangenomen heeft, in dit dossier op haar stappen zou terugkeren.
Hierbij komt dat, toen de anti-reclamewet vorig jaar werd gestemd, verschillende amendementen voorlagen om dit soort evenementen een paar jaren respijt te geven. Die werden toen van de kaart geveegd omdat sommigen hoopten de volle buit binnen te halen. Men kan dit als een stategische fout zien, maar het zou de Senaat als instelling geen goed doen indien nu, een jaar na feiten toch nog een dergeljike versoepeling zou worden gestemd, temeer daar het helemaal niet zeker is of die de zaken op het terrein fundamenteel zou beïnvloeden.
Een lid antwoordt dat het een jaar geleden vanuit louter strategisch standpunt misschien onverstandig is geweest tegen de amendementen die een beperkte versoepeling mogelijk maakten, te stemmen. De houding die toen door een aantal leden werd aangenomen was echter niet ingegeven door politiek-tactische overwegingen maar door de overtuiging dat het reclameverbod zoals in het toenmalige ontwerp omschreven, zware problemen zou opleveren.
Het is inderdaad zo dat de kalender van de Formule 1 wedstrijden enkele jaren op voorhand wordt vastgelegd, en dat overigens de grote prijs in Francorchamps hierop ingeschreven staat voor de eerstkomende jaren.
Wie de situatie in Frankrijk kent weet echter dat dit vlug kan veranderen. De Franse regering was de engagementen die werden aangegaan bij de inwerkingtreding van de wet Evin niet nagekomen maar heeft snel maatregelen moeten nemen om deze situatie recht te trekken. De renstallen kunnen het zich in de huidige omstandigheden immers gewoonweg niet veroorloven zonder vermelding van hun sponsors aan races deel te nemen. Bovendien hebben zij voldoende uitwijkingsmogelijkheden buiten onze grenzen, om ook het Belgische publiek te bereiken.
Het is inderdaad wellicht te laat om de organisatoren van de Formule 1 westrijd in Francorchamps, nu nog uitsluitsel te geven over het al dan niet versoepelen van het reclameverbod in het jaar 1999. De auteurs hopen echter dat een sterk signaal van de Senaat kan volstaan om ze ervan te overtuigen dat België bereid is in dit dossier tot een redelijke oplossing te komen en dat ons land derhalve enig respijt verdient.
Een spreker merkt op dat zowel de Kamer als de Senaat, inzake het verbod op tabaksreclame zowat een jaar geleden een sterk standpunt hebben ingenomen. Niet alleen vanuit tactische overwegingen, maar ook vanuit inhoudelijk oogpunt is het voor de fracties die het verbod indertijd hebben gesteund, zeer moeilijk hierop nu te gaan terugkomen. Een groot deel van het publiek zou niet begrijpen waarom een dergelijke bocht wordt genomen.
Nog belangrijker is echter het feit dat, ten gevolge van de Europese richtlijn, over enkele jaren hoe dan ook geen enkele vorm van tabaksreclame of sponsoring mogelijk is. Een versoepeling die nu in de wet wordt ingebouwd zou derhalve hoe dan ook slechts gedurende een zeer beperkte tijd kunnen gelden en nadien is er geen enkele weg terug.
Hij verklaart vanuit deze overwegingen onmogelijk met een koerswijziging in dit dossier te kunnen instemmen en zich derhalve bij de stemming te onthouden.
Een laatste spreker verklaart dat hij zich tot het uiterste heeft ingespannen om in dit dossier tot een oplossing te komen, niet om tactische of strategische redenen, maar op basis van eerlijke politieke motieven. Gedurende al deze maanden werd getracht via een eerlijk en open debat tot een oplossing te komen waarin iedereen zich kan herkennen en die op een consensus zou kunnen rekenen. Dit is niet mogelijk gebleken. Misschien was het eerlijker geweest indien diegenen die helemaal geen oplossing wensten, dit meteen duidelijk hadden gemaakt bij het begin van het debat.
Opschrift
De voorzitster stipt aan dat de datum van de wet houdende verbod op reclame voor tabaksproducenten, nog niet in het opschrift werd vermeld. Zij stelt voor dat dit wordt rechtgezet in een nieuw opschrift.
De aanwezige leden zijn het hiermee eens.
Artikel 1
Dit artikel wordt eenparig aangenomen door de 14 aanwezige leden.
Artikel 2
De amendementen nrs. 1, 2, 4, 5 en 6 worden door de indieners ingetrokken.
Het amendement nr. 7 wordt aangenomen met 7 tegen 5 stemmen bij 2 onthoudingen.
Het aldus gewijzigde artikel 2 wordt met dezelfde stemuitslag aangenomen.
Artikel 3 (nieuw)
Het amendement nr. 3 wordt ingetrokken door de indieners.
Het amendement nr. 8 wordt aangenomen met 12 stemmen bij twee onthoudingen.
Mevrouw Delcourt-Pêtre dient het amendement nr. 9 in (Stuk Senaat, nr. 1-811/5, 1998-1999) dat ertoe strekt een artikel 3 toe te voegen, waarbij in het secundo van artikel 7, § 2bis , van de wet van 24 januari 1977, na het woord « tabakswinkels » de woorden « of verkooppunten voor tabak » worden ingevoegd.
Zij verduidelijkt de wet zoals zij nu is, een zekere vorm van concurrentievervalsing inhoudt tussen de winkels die uitsluitend tabakswaren verkopen en de andere buurtwinkels die een breder gamma aan producten, waaronder rookwaren, aanbieden.
Een lid vraagt wat precies moet worden begrepen onder het begrip « verkooppunten voor tabak ». Betekent dit amendement dat bijvoorbeeld ook reclame kan worden gemaakt op de parkings van hypermarkten die op basis van een ruime interpretatie zouden kunnen worden beschouwd als « le devanture » van een verkooppunt van tabak.
De indienster van het amendement onderstreept dat de term « devanture » alleen kan worden geïnterpreteerd als « de voorgevel » van de winkels. Zo is de term in de wet van 10 december 1997 overigens in het Nederlands vertaald.
Zij herhaalt dat in de logica van het amendement, onder « verkooppunten » de kleinere buurtwinkels worden verstaan.
De minister merkt op dat de uitvoering de wet van 10 december 1997 momenteel door de administratie van volksgezondheid en de eetwarenspectie wordt voorbereid. Deze interpreteren de omschrijving onder § 2bis , 2º, in die zin, dat affichage van tabaksproducten alleen mogelijk is op de gevel van echte tabakswinkels en krantenwinkels waar ook tabakswaren verkocht worden. Onder « affichage » verstaan zij de loutere vermelding van de merknaam op een neutrale achtergrond. Lichtreclames en dergelijke zijn derhalve in geen enkel geval toelaatbaar.
Een lid stipt aan dat deze bepaling aanleiding heeft gegeven tot heel wat discussie. Het was inderdaad de bedoeling van de wet van 10 december 1997 het afficheren van tabaksmerken op de voorgevel, te beperken tot de kleine tabakswinkel en krantenwinkel teneinde te verhinderen dat het reclameverbod zou worden omzeild door bijvoorbeeld het aanbrengen van affiches op pompstations langs de autowegen of op grootwarenhuizen.
Het hier voorgestelde amendement opent volgens haar opnieuw mogelijkheden in deze richting.
De minister beaamt dat inderdaad het risico bestaat dat met dit amendement, het begrip « verkooppunten » bijzonder ruim kan worden geïnterpreteerd.
Het amendement nr. 9 wordt aangenomen met 7 tegen 6 stemmen bij 1 onthouding.
Een aantal leden onderstrepen dat het wel duidelijk moet zijn, dat het woord « devanture » moet worden geïnterpreteerd als « de voorgevel ». Men kan op basis van deze bepaling bijvoorbeeld geen affiches gaan plaatsen op parkings van grootwarenhuizen en op het dak van pompstations langs de autoweg.
Het geamendeerde wetsvoorstel in zijn geheel wordt aangenomen met 7 tegen 5 stemmen bij 2 onthoudingen.
Vertrouwen werd geschonken aan de rapporteur voor het uitbrengen van dit verslag.
De rapporteur,
Jean-Marie HAPPART. |
De voorzitter,
Lydia MAXIMUS. |
Zie Stuk Senaat nr. 1-811/8, 1998-1999