Vragen en Antwoorden

Belgische Senaat

ZITTING 1995-1996


Bulletin 1-15

16 APRIL 1996

Vragen van de Senatoren en antwoorden van de Ministers

(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands ≠ (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans


Staatssecretaris voor Veiligheid, toegevoegd aan de minister van Binnenlandse Zaken, en Staatssecretaris voor Maatschappelijke Integratie en Leefmilieu, toegevoegd aan de minister van Volksgezondheid (Maatschappelijke Integratie)

Vraag nr. 23 van de heer Destexhe d.d. 5 maart 1996 (Fr.) :
Toenemende onzekerheid van de financiŽle middelen van de OCMW's.

Er is reeds gewag gemaakt van de vertraagde terugbetaling, door het ministerie, van de sociale bijstand en het bestaansminimum. De trage terugbetaling, door de subsidiŽrende overheid, van uitgaven die zijn vastgelegd in het kader van de toekenning van het bestaansminimum en de sociale bijstand, alsook de belangrijke stijging van het aantal bestaansminimumtrekkers, dreigen de financiŽle middelen van talrijke OCMW's in gevaar te brengen.

De stijging van het aantal bestaansminimumtrekkers is enorm. Op 1 januari 1990 waren er 49 479 bestaansminimumtrekkers, op 1 januari 1995 waren er 68 464. De vooruitzichten wijzen op 80 000 bestaansminimumtrekkers voor 1996. Volgens een studie gemaakt door de afdeling OCMW's van de Vereniging van Belgische steden en gemeenten, is ťťn van de belangrijkste factoren van deze stijging het uitgesloten worden van of de beperking van het recht op werkloosheidsuitkeringen. In 1994 waren er 4,5 maal meer aanvragen van bestaansminimumtrekkers als gevolg van het uitgesloten worden van of de beperking van het recht op werkloosheidsuitkeringen dan in 1990. Het beleid van de regering lijkt zich dus te richten op een overdracht van financiŽle lasten van de federale Staat naar de lokale overheden, doordat de federale Staat zich geleidelijk onttrekt aan zijn verplichtingen inzake werkloosheid.

Kunt u mij zeggen welke concrete maatregelen u van plan bent te nemen in het licht van deze vaststelling, om zo te voorkomen dat de meeste OCMW's doodbloeden ?


Antwoord : Ik heb de eer het geachte lid mede te delen dat krachtens artikel 9, ß 3, tweede lid, van de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum, de beslissingen moeten worden overgemaakt door de OCMW's binnen de acht dagen volgend op het einde van de maand waarin ze werden genomen.

Wat de kosten van bijstand betreft die bij de Staat kunnen worden teruggevorderd, bepaalt artikel 9, ß 1, van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn dat het centrum kennis moet geven van de steunverlening binnen de vijfenveertig dagen. Het centrum beschikt dan over een termijn van twaalf maanden te rekenen van het einde van het kwartaal tijdens hetwelk de verschotten werden gedaan, om de kostenstaat bij de Staat in te dienen (artikel 12 van de wet van 2 april 1965).

Uit deze wettelijke verplichtingen volgt in de praktijk dat een OCMW dat zijn beslissingen en individuele kostenstaten binnen de gestelde termijnen overmaakt en de ondertekende maandstaat per kerende post terugstuurt, binnen twee maanden de Staatstoelage ontvangt.

Wat het beleid betreft dat wordt gevoerd inzake werkloosheidsverzekering, deel ik het geachte lid mee dat dit niet tot mijn bevoegdheid behoort.

Teneinde te verhelpen aan de thesaurieproblemen van de OCMW's, heb ik mijn administratie gelast de mogelijkheden te onderzoeken om een meer systematische regeling op te zetten van provisionele voorschotten.