Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 6-1918

van Rik Daems (Open Vld) d.d. 28 juni 2018

aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel

Indexcijfer van de consumptieprijzen - Online verkoopplatformen - Lagere prijzen - Impact - Aanpassing van het indexcijfer

prijsindex
kosten van levensonderhoud
elektronische handel
big data

Chronologie

28/6/2018 Verzending vraag (Einde van de antwoordtermijn: 2/8/2018 )
26/7/2018 Antwoord

Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 6-1919

Vraag nr. 6-1918 d.d. 28 juni 2018 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

Het indexcijfer van de consumptieprijzen geeft het verloop weer van het prijspeil van een goederen en dienstenpakket dat representatief is voor de uitgaven van de gezinnen.

Het indexcijfer van de consumptieprijzen - beter gekend als " de index " - meet de prijsevolutie van de goederen en diensten die de gezinnen consumeren. Dit indexcijfer wordt maandelijks bepaald aan de hand van de waarde van een " korf " met de belangrijkste consumptiegoederen en diensten. Het verloop van de indexcijfers toont de evolutie van de levensduurte voor de gezinnen.

Uit het indexcijfer van de consumptieprijzen, dat rekening houdt met het prijsverloop van alle goederen en diensten, wordt nog een ander indexcijfer afgeleid : het zogenaamde gezondheidsindexcijfer. Dit cijfer houdt geen rekening met de prijs van tabaksproducten, alcoholhoudende dranken, benzine en diesel.

Het gezondheidsindexcijfer wordt gebruikt om de indexering van de huurprijzen te berekenen, ongeacht of het gaat om onroerende goederen die gebruikt worden als woning of voor commerciŽle doeleinden.

De consumptieprijsindex (CPI) met referentiejaar 2013 = 100, die van start ging in januari 2014, wordt jaarlijks in januari geactualiseerd. De jaarlijkse actualiseringen moeten ervoor zorgen dat het indexcijfer representatief blijft doorheen de tijd en de gemeten inflatie niet vertekend wordt naarmate de index veroudert. Dit kan onder andere door het actueel houden van de productenkorf, het aanpassen van berekeningsmethoden, het integreren van nieuwe prijzenbronnen en het representatief houden van het winkelstaal. De Indexcommissie is een paritair samengestelde commissie, bestaande uit academici en werknemers en werkgeversorganisaties.

De commissie wordt ondersteund door statistici van de Statbel (algemene directie Statistiek - Statistics Belgium). Deze commissie geeft advies aan de minister van Economie over alle vraagstukken rond de consumptieprijsindex en geeft ook maandelijks advies over het door Statbel berekende indexcijfer.

Diverse economisten wijzen erop dat de klassieke consumentenindex aan vervanging toe is. Dit cijfer houdt immers onvoldoende rekening met de sterke online prijsdalingen. Online handel wint immers steeds meer aan belang en dit in alle sectoren. Een steeds groter deel van de consumentenuitgaven geschiedt online. Onlangs nog bleek dat de traditionele prijsbreker van de supermarkten niet opkan tegen de prijzen van diverse consumptiegoederen die online worden aangeboden. Onderzoek toont aan dat de online inflatie 200 basispunten lager ligt dan wat de officiŽle prijzenindex aangeeft. De verschillen zijn het grootst voor televisies, computers en sportartikelen.

Het Vlaams Gewest, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en het Waals Gewest zijn bevoegd voor economie, wonen en werkgelegenheid, maar ťťn van de belangrijkste instrumenten die een rechtstreekse impact heeft via de loonindex en de huurindex is een federale bevoegdheid. Het betreft een transversale aangelegenheid met de Gewesten.

Ik had volgende vragen :

1) Hoe reageert u op diverse rapporten waaronder het " Internet Trends Report " dat aangeeft dat de huidige berekeningsmethode van het indexcijfer van de consumptieprijzen achterhaald is gezien er amper rekening wordt gehouden met de lagere online prijzen van veel consumptiegoederen en het huidige inflatiecijfer aldus 200 basispunten te hoog ligt ?

2) Bent u bereid te laten onderzoeken of de berekeningsmethode van het indexcijfer van de consumptieprijzen niet meer rekening moet houden met de prijzen die gangbaar zijn voor de goederen binnen deze korf die gelden bij e commerce ? Zo neen, waarom niet en kunt u dit uitvoerig toelichten ? Zo ja, wat zijn het tijdschema en de inhoud? Is dit iets voor de Belgische Nationale Bank of hebt u een andere instelling voor ogen ?

3) Kunt u toelichten of, en zo ja, in welke mate het huidige indexcijfer reeds rekening houdt met de prijzen die gangbaar zijn op de e commerce platformen ? Kunt u dit uitvoerig toelichten en cijfermatig illustreren ?

4) Bent u bereid te vragen aan de Indexcommissie om te onderzoeken hoe er meer rekening kan worden gehouden met de prijzen die gangbaar zijn voor de online verkoop platformen voor de goederen die deel uitmaken van de index ? Zo neen, waarom niet en kunt u dit toelichten ? Zo ja, wat zijn het tijdschema en de inhoud ?

Antwoord ontvangen op 26 juli 2018 :

1) Het « Internet Trends Report » (Meeker (2018)) is gebaseerd op een paper van Goolsbee & Klenow (NBER Working Paper nr. 24649 (2018)). Het onderzoek van deze twee Amerikaanse professoren is uitgevoerd op basis van gegevens van Adobe. Dit Amerikaans softwarebedrijf beschikt over (geanonimiseerde) online verkoopgegevens van een aantal Amerikaanse retailers. Beide professoren ontwikkelden voor Adobe op basis van die gegevens de « Digital Price Index » (DPI). Deze index is vrij beschikbaar op de website van Adobe.

Goolsbee & Klenow komen in hun paper tot de conclusie dat in de Verenigde Staten voor een aantal productgroepen de « online inflatie » gemiddeld ongeveer 1 % lager is dan de inflatie in de Amerikaanse officiële consumptieprijsindex (CPI, die offline en online prijzen omvat). Om dit cijfer te bekomen baseren ze zich op een aantal productgroepen uit de Adobe DPI waarvoor ze de prijsevolutie over een periode van drie jaar vergelijken met de Amerikaanse officiële index. De resultaten kunnen niet geëxtrapoleerd worden naar de volledige Amerikaanse consumptieprijsindex omdat het slechts om een beperkte steekproef van « fast moving consumer goods » gaat (bijvoorbeeld geen diensten, huur of energie) en de Amerikaanse CPI ook representatief dient te zijn voor de prijsevolutie van alle aankopen (inclusief offline). Extrapolatie naar andere landen is nog problematischer omdat het hier puur om een Amerikaanse vergelijking gaat en de marktomstandigheden alsook de bestedingspatronen van de huishoudens, waarop de indexkorf in de consumptieprijsindices is gebaseerd, kunnen verschillen van land tot land. Adobe pretendeert zelf ook niet dat de DPI een vervanging is van de inflatie zoals die gemeten wordt in de Amerikaanse CPI. Op haar website stelt Adobe zelf : « It is intended as an addition to existing economic-data sources not a replacement. And while the Project’s indices incorporate billions of data points, that information represents only one very specific slice of the economy: digital transactions. »

Een ander Amerikaans project waarbij online inflatie gemeten wordt, is het Billion Prices Project van het Massachusetts Institute of Technology. In tegenstelling tot de Adobe DPI tracht deze de volledige indexkorf online te meten. De resulterende indexevolutie die in dit project bekomen wordt, is gelijkaardig aan de officiële Amerikaanse CPI.

Eén van de redenen voor het verschil dat Goolsbee & Klenow vinden tussen de offline en online inflatie is waarschijnlijk te wijten aan het gebruik van unieke productcodes waarmee producten geïdentificeerd worden in de Adobe DPI. Het is ondertussen welbekend in Europese prijsstatistiek – waar in praktijk meer « big data » bronnen gebruikt worden voor de consumptieprijsindices dan in de Verenigde Staten – dat zulk een te gedetailleerd niveau van productidentificatie tot een onderschatting van inflatie kan leiden. Zo komen immers eindereeksprijzen in de indexberekeningen en worden herlanceringen van producten gemist (zie Eurostat (2017), Chessa (2016) en Van Loon & Roels (2018)). Hoe groter het verloop van producten hoe groter dit effect is. De segmenten waarop Goolsbee & Klenow zich baseren, zijn productsegmenten met een groot verloop aan producten. Indexliteratuur en onderzoek stellen duidelijk dat moet vermeden worden om eindereeksprijzen op te nemen in de berekening van consumptieprijsindices, aangezien dit leidt tot neerwaartse drift. Daarom is het bijvoorbeeld door Eurostat ook niet toegestaan om die prijzen op te nemen in de geharmoniseerde consumptieprijsindex.

2) Bij de opmaak van de consumptieprijsindex en de geharmoniseerde consumptieprijsindex (conform Eurostat-regels en -methodologie) wordt informatie (prijzen en productkenmerken) ingezameld op meerdere manieren :

– « klassieke » prijsopnames in plaatselijke verkooppunten ;

– centraal opgezochte prijzen (prijscatalogi, online, tarieflijsten, enz.) ;

– administratieve databanken ;

scannerdata of kassascangegevens van supermarkten (geaggregeerde verkoop-gegevens (productspecificaties, omzet en prijsinformatie) op individueel product-niveau) ;

webscraping (geautomatiseerde prijsinzameling van websites van online winkels).

Scannerdata houden rekening met alle verkoopgegevens, zowel van producten die ter plaatse in de winkel gekocht worden, als deze die de consument via het online verkoopplatform van de winkel(keten) aanschaft.

Webscraping is volledig gebaseerd op online prijsinformatie. Het is een techniek waarbij gegevens op automatische wijze van websites worden gehaald en dit op regelmatige tijdstippen. Steekproeven en de frequentie van gegevensinzameling kunnen hiermee worden uitgebreid tot een veelvoud van hetgeen haalbaar is met klassieke methodes.

Deze twee « nieuwe » prijsinzamelings-technieken, samen met manueel opgezochte online informatie, zorgen er nu reeds voor dat op ruime schaal online prijzen verwerkt worden in de index. Voor bepaalde consumptiesegmenten zoals bijvoorbeeld multimedia, vliegtuigtickets of consumentenelektronica worden zelfs uitsluitend online prijzen gebruikt in de indexberekening.

Statbel (algemene directie Statistiek – Statistics Belgium), dat verantwoordelijk is voor de berekening en methodologische uitwerking van zowel de consumptieprijsindex (CPI) als de geharmoniseerde consumptieprijsindex (HICP), is hiermee trouwens één van de voorlopers wereldwijd met betrekking tot het gebruiken van « big data » bronnen voor de berekening van consumptieprijsindices. De werkzaamheden (onderzoeken en implementaties) van Statbel kaderen ook in projecten van Eurostat. De datawetenschappers van Statbel zijn betrokken bij expertgroepen van Eurostat en de Verenigde Naties, waar aanbevelingen worden uitgewerkt over hoe het best online prijsinformatie methodologisch verwerkt kan worden in consumptieprijsindices.

De belangrijkste segmenten waarvoor webscraping momenteel wordt onderzocht of reeds toegepast, zijn kleding, schoenen, hotels, vliegtickets, internationale treintickets, tweedehandswagens, drogisterij, boeken, multimedia, consumentenelektronica, huur van studentenkamers, enz.

De resultaten van enkele studies van Statbel rond webscraping, waarin ook de vergelijking tussen offline en online prijzen voor een aantal segmenten wordt beschreven, zijn publiek beschikbaar in volgende teksten : « Webscraping, de verzameling en verwerking van online data voor de consumptieprijsindex » en « Integrating big data in the Belgian CPI ». De onderzoeken tonen aan dat de gemeten prijsevolutie tussen online en offline prijsevolutie vrij gelijkaardig is (en dus in lijn met wat het Billion Prices Project van MIT constateert voor de Verenigde Staten). Die gelijkaardig gemeten inflatie is trouwens één van de hoofdredenen van het plan om op korte termijn voor bepaalde segmenten zoals schoenen, volledig over te gaan naar het gebruik van webscraping in de consumptieprijsindex zodat er geen manuele gegevensinzameling in « fysieke » winkels meer zal plaatsvinden.

Gelet op dit alles en op het feit dat Statbel reeds enkele jaren het gebruik van online gegevens voor de consumptieprijsindex onderzoekt en hierover communiceert, en Statbel betrokken is bij de methodologische uitwerking op verschillende internationale niveaus, is het niet nodig om een bijkomend onderzoek uit te voeren.

3) Zoals reeds aangehaald in het antwoord op de vorige vraag, houdt de consumptie-prijsindex reeds in ruime mate rekening met online verkopen van goederen en diensten via meerdere prijsinzamelingsmethoden (webscraping, scannerdata en manueel online opgezochte prijzen).

Voor circa 23 % van het gewicht van de indexkorf maakt men nu reeds grotendeels gebruik van scannerdata. De scannerdata voor die productgroepen worden voorlopig nog aangevuld met klassieke prijsopnames in speciaalzaken en discounters. In de toekomst worden ook nog scannerdata van de discounters geïntegreerd. Geautomatiseerde en manuele inzameling van online-prijzen zijn momenteel samen goed voor circa 8 % van het gewicht van de indexkorf en hun belang zal op korte termijn toenemen tot circa 15 % van het gewicht. Dit betekent dat op enkele jaren tijd bijna 40 % van het gewicht van de korf via scannerdata, webscraping of online-prijzen zal worden opgevolgd. Dat is een zeer hoog percentage, indien men in het achterhoofd houdt dat een ruim deel van de korf niet in aanmerking komt voor deze prijsinzamelingsmethodes (bijvoorbeeld medische diensten, woninghuur, prijs aan de pomp voor brandstoffen, onderhoudskosten van wagens, café en restaurant, enz.). De indexkorf dient representatief te zijn voor alle bestedingen van huishoudens aan consumptieve goederen en diensten en kan dan ook niet enkel beperkt worden tot onlineaankopen.

4) De representativiteit van de indexkorf alsook het opvolgen van projecten rond online prijzen, scannerdata, webscraping, enz., zijn opgenomen in de jaarlijkse werkprogramma’s van de Indexcommissie. Een specifieke vraag dient dus niet meer gesteld te worden aan de Indexcommissie gezien dit reeds expliciet deel uitmaakt van haar werkprogramma.