Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 6-182

van Bert Anciaux (sp.a) d.d. 31 oktober 2014

aan de minister van Justitie

Bestraffing van misdrijven - Herstelbeleid - Werkstraffen - Omzetting van werkstraf in gevangenisstraf - Impact op het beleid van gewesten en gemeenschappen

vervangende straf
rechtsbijstand
gewesten en gemeenschappen van BelgiŽ

Chronologie

31/10/2014 Verzending vraag (Einde van de antwoordtermijn: 4/12/2014 )
9/2/2015 Antwoord

Vraag nr. 6-182 d.d. 31 oktober 2014 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

Met het oog op een meer gedifferentieerde en correcte bestraffing van misdrijven wordt in de praktijk door veel openbare instellingen gezocht naar een vorm van herstelbeleid. Ook de gewesten en gemeenschappen hebben hiermee te maken. Na de zesde staatshervorming zijn de eerste justitiŽle bevoegdheden overgeheveld naar de deelgebieden. De bestraffing van inbreuken op gewestelijke bepalingen is zeker iets waar zowel het federale als het deelstaatniveau mee te maken krijgen. Ook de bestraffing van minderjarigen en de jeugdzorg behoren tot een domein dat tussen het federale justitiebeleid en het beleid van de gemeenschappen zit.

In die zin is een correcte toepassing van werkstraffen een instrument dat ook voor het uitstippelen van een beleid van de gemeenschappen en gewesten interessant en nuttig is. Werkstraffen zijn ook in het kader van een justitieel beleid op gewestelijk of gemeenschapsvlak een uitstekend instrument.

Bijgevolg is het belangrijk voor de gewesten en gemeenschappen om te zien hoe met dit instrument wordt omgesprongen.

Het juridisch instrument van een werkstraf wordt algemeen als een bijzonder nuttig en verantwoord middel beschouwd om mensen die een strafbaar feit hebben gepleegd een straf te geven die ook de samenleving en de dader ten goede komt. Het gebruik van dit instrument zou moeten aangemoedigd worden. Het verlicht eveneens de taak van justitie en zorgt ervoor dat minder mensen in aanraking komen met de criminaliteit die vaak in penitentiaire instellingen voorkomt.

Toch blijkt dat er in de praktijk vaak overgegaan wordt tot het omzetten van deze werkstraffen in vervangende gevangenisstraffen, hetgeen noch de dader, noch de samenleving ten goede komt. Dit moet dus zoveel mogelijk vermeden worden. De procedure om een werkstraf om te zetten in een vervangende gevangenisstraf is uiterst onduidelijk en de kans op misbruiken is dan ook niet gering.

Ik heb hierover enkele vragen aan de geachte minister.

1) Wat is de procedure voor de omzetting van een werkstraf in een vervangende gevangenisstraf? Wie neemt hiertoe het initiatief?

2) Wanneer en hoe stelt men vast dat de veroordeelde tot een werkstraf deze niet wil of kan uitoefenen? Wordt de veroordeelde daarbij betrokken en in kennis gesteld van de omzetting? Is hiertegen een beroep mogelijk? Zo ja, bij wie? Zo niet, waarom niet en is dit geen schending van de rechten van verdediging?

3) Hoe waarborgt men dat er niet kwaadwillig tot een omzetting van de werkstraf wordt besloten? Hoe wordt een veroordeelde tot een werkstraf aangemaand om deze werkstraf uit te voeren? Waar kan hij meedelen dat hij deze werkstraf wil uitvoeren en waar kan hij melden dat hij ze heeft uitgevoerd?

4) Hoe verloopt de communicatie tussen een correctionele rechtbank of een politierechtbank, enerzijds, en de verantwoordelijke voor de opvolging van deze werkstraf, anderzijds? Via het justitiehuis van de woonplaats van betrokkene? Hoe verloopt de communicatie tussen het justitiehuis en de betrokkene? Hoe kan men voorkomen dat het dossier naar een verkeerd justitiehuis wordt gezonden en dat de betrokkene niet op de hoogte is van de start van de periode waarbinnen de werkstraf dient uitgevoerd te worden? Kan men deze periode eenzijdig aanpassen of wijzigen? Hoe wordt de veroordeelde daarover geÔnformeerd?

5) Hoe kan men voorkomen dat het instrument "werkstraf" verwatert en bijna automatisch tot gevangenisstraffen zal leiden? Hoe kan dit instrument door de gewesten en gemeenschappen rechtstreeks ingezet worden in het bestrijden van inbreuken op hun decreten en verordeningen?

Antwoord ontvangen op 9 februari 2015 :

1) De rechter die een werkstraf uitspreekt, bepaalt tevens de vervangende straf overeenkomstig artikel 37ter, § 1, van het Strafwetboek. Deze vervangende straf kan een geldboete of een gevangenisstraf zijn. De procedure die moet worden gevolgd ingeval de werkstraf niet of slechts gedeeltelijk wordt uitgevoerd, is bepaald door artikel 37quinquies, § 4, van het Strafwetboek. Zoals men daar kan lezen, wordt de niet of gedeeltelijke uitvoering van de werkstraf door de justitieassistent gemeld aan de probatiecommissie. De probatiecommissie kan het dossier terugsturen naar het openbaar ministerie dat op haar beurt autonoom beslist de in de rechterlijke beslissing voorziene gevangenisstraf of geldboete uit te voeren. De zaak wordt niet opnieuw gedagvaard voor de rechtbank. Bij het uitvoeren van de vervangende straf wordt rekening gehouden met het gedeelte van de werkstraf dat reeds werd uitgevoerd.

2) Overeenkomstig artikel 37quinquies, § 3, van het Strafwetboek wordt de concrete invulling van de werkstraf door de justitieassistent bepaald, onder toezicht van de probatiecommissie, na de veroordeelde gehoord te hebben en rekening houdend met zijn opmerkingen, met naleving van de aanwijzingen die door de bodemrechter zijn gegeven overeenkomstig artikel 37ter, § 4, van het Strafwetboek. Overeenkomstig artikel 37quinquies, § 3, tweede lid, van het Strafwetboek, wordt de concrete invulling van de werkstraf vastgelegd in een door de veroordeelde te ondertekenen overeenkomst waarvan de justitieassistent hem een kopie overhandigt. De justitieassistent deelt eveneens een kopie van de ondertekende overeenkomst mee aan de probatiecommissie binnen de drie werkdagen. De justitieassistent wordt van de niet naleving van deze overeenkomst op de hoogte gesteld door de tewerkstellingsplaats waar de werkstraf ten uitvoer wordt gelegd. Ingeval de bepalingen van deze overeenkomst niet of niet geheel worden nageleefd, treedt de procedure zoals bepaald overeenkomstig artikel 37quinquies, § 4, van het Strafwetboek in werking (zie ook vraag 1):

“Meer dan tien dagen vóór de datum die werd vastgesteld om de zaak te behandelen, roept de commissie de veroordeelde bij aangetekende brief op en stelt zijn raadsman ervan in kennis. Het dossier van de commissie wordt gedurende vijf dagen ter beschikking gehouden van de veroordeelde en zijn raadsman. De commissie, die zitting houdt zonder dat het openbaar ministerie daarbij aanwezig is, stelt een beknopt of een met redenen omkleed verslag op, met het oog op de toepassing van de vervangende straf.”

Op basis van dit verslag beslist het openbaar ministerie of de vervangende straf ten uitvoer zal worden gelegd, rekening houdend met het eventuele gedeelte van de werkstraf dat wel werd uitgevoerd. Tegen deze beslissing staat geen beroep open. Dit lijkt geen schending van de rechten van de verdediging te zijn. Immers, overeenkomstig artikel 37ter, § 3, van het Strafwetboek moet de rechter de betrokkene inlichten over de draagwijdte van de werkstraf en de betrokkene in zijn opmerkingen horen. Bovendien moet de betrokkene zijn instemming geven met deze straf. De concrete invulling van de straf wordt naderhand gedaan overeenkomstig artikel 37quinquies, § 3, van het Strafwetboek waarbij de betrokkene opnieuw wordt gehoord. Ingeval de werkstraf dan niet of slechts gedeeltelijk wordt uitgevoerd, wordt de betrokkene opnieuw gehoord. Bovendien voorziet artikel 37ter, § 2, laatste lid, van het Strafwetboek, ook nog de mogelijkheid voor de probatiecommissie om de termijn waarbinnen de werkstraf moet worden uitgevoerd, zijnde twaalf maanden na de dag waarop de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan, te verlengen indien dit door omstandigheden noodzakelijk zou zijn. Dit gehele kader biedt aldus voldoende waarborgen.

3) Ook hier kan worden verwezen naar een lezing van de reeds eerder aangehaalde wetsartikelen onder de voorgaande vragen. Het woord ‘kwaadwillig’ in de vraagstelling lijkt te verwijzen naar de veronderstelling van kwade trouw van één of meerdere justitiële actoren. Er bestaat in deze materie geen enkele indicatie in deze zin. Bovendien laat de hierboven beschreven procedure geen ruimte daartoe.

4) Dit is geregeld door artikel 37quinquies van het Strafwetboek. De probatiecommissie van de verblijfplaats van de veroordeelde staat in voor de opvolging van de tenuitvoerlegging van de werkstraf. De communicatie over de tenuitvoerlegging van de werkstraf gebeurt dan ook aan de probatiecommissie aan dewelke de justitieassistent, die instaat voor de opvolging en de begeleiding van de werkgestrafte, moet rapporteren.

5) De oplegging van werkstraffen door de vonnisrechters is sinds haar invoering in 2002 in stijgende lijn gegaan, met een stabilisatie rond 10 000 nieuwe werkstraffen per jaar. Uit de cijfers van de Justitiehuizen blijkt dat de werkstraf een zeer hoog slaagpercentage kent. In 2013 werd ongeveer 80 % van deze straffen volledig uitgevoerd. Dit percentage positief afgeronde dossiers is bovendien lichtjes gestegen tegenover 2012. Er zijn dan ook geen indicaties naar een mogelijke verwatering daarvan voorhanden. De vraag naar hoe de gemeenschappen en de gewesten dit instrument rechtstreeks kunnen inzetten in het bestrijden van inbreuken op hun gewestelijke en gemeenschapsdecreten en verordeningen dient hun rechtstreeks te worden voorgelegd.