![]() |
![]() |
Partnergeweld - Aantal dossiers - Aangiftes - Veroordelingen - Hulp aan slachtoffers - Maatregelen
huiselijk geweld
slachtofferhulp
officiële statistiek
positie van de vrouw
strafsanctie
opvolging informatieverslag
22/12/2016 | Verzending vraag (Einde van de antwoordtermijn: 26/1/2017) |
25/1/2017 | Antwoord |
Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 6-1213
Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 6-1214
Deze vraag betreft gelijke kansen en is dus een bevoegdheid van de Senaat overeenkomstig artikel 79 van het reglement van de Senaat. Het gaat dus over een transversale aangelegenheid – Gemeenschappen. Mijn vragen komen rechtstreeks voort uit het unaniem goedgekeurde informatieverslag betreffende de opvolging van de toepassing van het Actieplatform van de Vierde VN-Wereldvrouwenconferentie van Peking (stukken Senaat nrs. 6-97/1 tot 6-97/5 – 2014/2015).
Tijdens de hoorzittingen naar aanleiding van het informatieverslag bleek dat in 2013, 162 mensen om het leven kwamen door partnergeweld. Liefst 39 746 keer ontving de politie dat jaar een melding. Om hoeveel mannen of vrouwen het precies gaat, is niet geweten. Voorlopig houdt de politie dit niet bij, uit privacyoverwegingen. Vermoedelijk gaat het vooral om vrouwen. Eerder onderzoek wees uit dat zij veel vaker het slachtoffer zijn van ernstig en levensbedreigend geweld.
Om een realiteitsgetrouw beeld van de omvang van het probleem samen te stellen, leg je best twee cijferreeksen naast elkaar : incidentiecijfers en prevalentiecijfers. Incidentiecijfers geven weer hoe vaak de politie geweldmeldingen geverbaliseerd heeft. We spreken ook van officiële criminaliteitscijfers. Prevalentiecijfers zijn het resultaat van (sociologisch) onderzoek. Zij geven aan welk percentage van de ondervraagde vrouwen tot dan toe geconfronteerd werd met geweldervaringen. Aan de hand van deze onderzoeken kan gepoogd worden een beeld te krijgen van het « dark number » en dus het reële voorkomen van het fenomeen.
Incidentiecijfers tonen vaak maar het topje van de ijsberg. Er heerst nog altijd een taboe rond partnergeweld. Er wordt bijgevolg niet altijd aangifte gedaan. Zeker bij seksueel geweld wordt zelden aangifte gedaan. Prevalentiemetingen zijn dan weer zeldzaam, verouderd of meten slechts een beperkt aspect.
Graag kreeg ik een antwoord op de volgende vragen :
1) Beschikt u over cijfergegevens over partnergeweld voor 2013, 2014 en 2015, opgesplitst per Gewest en naar aard en ernst van de feiten ?
2) Kan u meedelen in hoeveel gevallen er werd gedagvaard voor de rechtbank ? Tot hoeveel en welke veroordelingen heeft dit aanleiding gegeven ? Hoeveel dossiers werden de laatste drie jaar geseponeerd op jaarbasis ? Welke waren de redenen van sepot en dit op jaarbasis ?
3) Beschikt u over cijfergegevens over de zorg die aan slachtoffers van partnergeweld werd gegeven in voornoemde periode ? Om welke behandelingen gaat het precies ? Met welke problematiek kampten de slachtoffers ? Kan u een gedetailleerde profielschets van het slachtoffer geven ?
4) Kan u, binnen uw bevoegdheidsdomein, meedelen welke maatregelen de afgelopen drie jaar werden genomen om aan de problematiek van partnergeweld het hoofd te bieden ? Acht u deze maatregelen voldoende of ziet u nog ruimte voor andere initiatieven en, zo ja, dewelke ? Kan u uw antwoord motiveren ?
1. De politiële en justitiële gegevens vallen respectievelijk onder de bevoegdheid van mijn collega's, de heer Jan Jambon, minister van Binnenlandse Zaken, en de heer Koen Geens, minister van Justitie, aan wie de vraag ook is gesteld (6-1213 en 6-1214). Ik verwijs naar hun antwoord voor meer informatie over de gegevens in verband met partnergeweld voor de jaren 2013-2015.
Voor wat betreft de prevalentiegegevens zijn de meest recente beschikbare gegevens op nationaal niveau die van de studie over de ervaringen van vrouwen en mannen met gendergerelateerd fysiek, seksueel en psychologisch geweld, die werd uitgevoerd in 2010. Deze studie werd gefinancierd door het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen teneinde te beschikken over gegevens in verband met feiten van geweld die niet opgenomen zijn in de officiële statistieken.
2. Deze kwestie valt onder de bevoegdheid van mijn collega, de heer Koen Geens, minister van Justitie, aan wie de vraag ook is gesteld (6-1214). Ik verwijs dus naar zijn antwoord voor meer uitleg.
3. Op federaal vlak worden de bijstand en steun aan slachtoffers van partnergeweld zowel op het niveau van de politiediensten in het kader van de politiebijstand aan slachtoffers als op het niveau van het slachtofferonthaal binnen de rechtbanken en parketten via de diensten slachtofferonthaal georganiseerd. De gefedereerde entiteiten hebben een belangrijke steunregeling voor slachtoffers opgezet, namelijk via de justitiehuizen waarvan de bevoegdheid werd overgedragen aan de Gemeenschappen.
Indien het slachtoffer onmiddellijk na de feiten bijstand wenst, kan de politieagent die het slachtoffer onthaalt, het doorverwijzen naar de dienst politiebijstand aan slachtoffers. De politiebijstand aan slachtoffers kan het slachtoffer, en zijn gezinsleden, onthalen, horen en steunen, helpen bij de stappen die het onderneemt, psychosociale en juridische informatie geven die afgestemd is op zijn vraag, doorverwijzen naar verschillende geschikte diensten.
Elk parket beschikt over justitiemedewerkers die verantwoordelijk zijn voor slachtofferonthaal. Zij zorgen ervoor dat de slachtoffers van misdrijven en hun gezinsleden de nodige aandacht krijgen binnen het parket en de rechtbank. Ze geven bijvoorbeeld informatie over de gerechtelijke procedure en de stand van zaken van het dossier en organiseren de begeleiding van de slachtoffers en hun gezinsleden.
De slachtoffers kunnen zich ook rechtstreeks tot andere hulporganisaties wenden die onafhankelijk zijn van de politie en het gerecht. Deze organisaties zijn erkend en worden gesubsidieerd door de gemeenschappen of gewesten. Hulp is toegankelijk, zelfs wanneer er geen klacht is ingediend bij de politie. De aangeboden hulp is gratis en vrijblijvend. Het slachtoffer draagt alleen financieel bij als het wordt doorverwezen naar andere gespecialiseerde diensten of wordt gehuisvest in een toevluchtsoord.
Slachtoffers van partnergeweld kunnen dus beroep doen op een uitgebreide steunregeling, zowel op het niveau van de federale staat als op dat van de gefedereerde entiteiten. Gezien de veelheid aan bestaande diensten en de verschillende bevoegdheidsniveaus is het momenteel niet mogelijk om een nauwkeurig beeld te geven van de steun die aan al deze slachtoffers wordt verleend.
Aangezien dit het wel moeilijk maakt voor slachtoffers om de juiste hulp te vinden, heb ik mij geëngageerd (via het NAP) om zoveel mogelijk steden te ondersteunen bij de opstart van een ketenaanpak of Family Justice Center. Daar werken politie, justitie en hulpverlening samen (al dan niet onder één en hetzelfde dak) om zaken van partnergeweld te behandelen. Als een slachtoffer bij de politie terechtkomt, kan hij of zij beter worden doorverwezen naar de juiste hulpverlening omdat het slachtoffer in kwestie zelf niet meer alle hulpverleningskanalen moet zoeken. Ik ga hier dieper op in in mijn antwoord op vraag 4.
Er bestaat geen typisch profiel van een slachtoffer van partnergeweld. Dit geweld treft al dan niet getrouwde, heteroseksuele of homoseksuele, al dan niet samenwonende koppels. Het kan zich uiten in het begin van een relatie of na een korte relatie, en kan voortduren, of zelfs beginnen, na een scheiding. Partnergeweld komt voor in alle sociale lagen en in alle culturen.
Er zijn echter risicofactoren verbonden aan de waarschijnlijkheid dat een bepaalde situatie van geweld zich voordoet of zich herhaalt. Vorig jaar heb ik aan het University College Leuven-Limburg (UCLL) gevraagd om een risico-evaluatie-instrument voor partnergeweld te ontwikkelen op basis van een studie van de internationale wetenschappelijke literatuur en op basis van enquêtes en evaluaties uitgevoerd bij professionals uit verschillende sectoren. Dit belangrijke instrument heeft het mogelijk gemaakt de volgende factoren te identificeren: middelenmisbruik, stressfactoren buiten de relatie, feiten van geweld buiten de relatie, slachtofferschap buiten de relatie, stressfactoren binnen de relatie, stressfactoren binnen het gezin, financiële, materiële en/of emotionele afhankelijkheid, bedreigingen, eerder partnergeweld in de relatie, een escalatie van bedreigingen en/of geweld, angst van de partner voor zijn veiligheid, barrières voor sociale steun en, ten slotte, barrières voor professionele hulp.
4.
Ik heb een nationaal actieplan ter bestrijding van alle vormen van gendergerelateerd geweld (NAP) 2015-2019 ontwikkeld, in samenwerking met de betrokken federale, gemeenschaps- en gewestministers. Ik heb dit NAP in december 2015 voorgesteld. Het ligt volledig in de lijn van het Verdrag van Istanbul en omvat 235 concrete maatregelen ter bestrijding van gendergerelateerd geweld. Partnergeweld neemt er een prioritaire plaats in. Om ervoor te zorgen dat de 235 maatregelen van het NAP 2015-2019 daadwerkelijk worden gevolgd en uitgevoerd, heb ik een interdepartementale werkgroep opgericht waarin, onder leiding van het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen, alle betrokken federale of gefedereerde besturen vertegenwoordigd zijn. Op basis van de werkzaamheden van dit orgaan ben ik van plan om een voortgangsverslag in te dienen tegen het einde van 2017.
Reeds sinds het begin van de legislatuur verleen ik de stad en de provincie Antwerpen, financiële steun aan het CO3 proefproject in Antwerpen, die sinds juni dit jaar officieel is omgedoopt tot het eerste Family Justice Centre van België en al onmiddellijk de reputatie heeft van één van de beste FJC’s van Europa te zijn. In de tussentijd is Leuven ook reeds een FJC proefproject gestart met mijn financiële ondersteuning en zijn er tal van andere provincies en steden geïnteresseerd om deze ketenaanpak op te starten. Aan Franstalige zijde heb ik de provinciale coördinatoren ook opgeroepen om een financiële ondersteuning in te dienen om een dergelijk proefproject te starten en heb ik mijn Franstalige collega’s uitgenodigd om het FJC in Antwerpen te bezoeken. Ik ontvang binnenkort de stad Namen op mijn kabinet om hen zoveel mogelijk ondersteuning (financieel & inhoudelijk) te bieden om een dergelijk project op te starten.
Daarom werk ik aan de ontwikkeling van een werkbare ‘meldcode’ voor deze beroepsgroepen die krachtens artikel 458bis van het Strafwetboek gehouden zijn tot het beroepsgeheim en die geconfronteerd worden met (een vermoeden van) partnergeweld. De doelstelling is de ontwikkeling van gestandaardiseerde, pragmatische richtlijnen om het beslissingsproces inzake het al dan niet doorbreken van het beroepsgeheim in het kader van partnergeweld te structureren. In een eerste fase heb ik reeds alle beroepsfederaties (artsen, psychologen, tandartsen, gynaecologen, …) samengebracht om dit te bespreken en hen onder te brengen in focusgroepen. De bedoeling is om tegen eind volgend jaar tot een basismodel te komen en die af te toetsen met alle verenigingen.
Zoals eerder gezegd, heb ik aan het UCLL gevraagd om een risico-evaluatie-instrument voor partnergeweld te ontwikkelen. In samenwerking met het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen wil ik ook dat daar een document in verband met het beheer van de risico’s aan wordt toegevoegd. Dit document bevat een overzicht van de juridische en concrete actiemogelijkheden, op basis van verschillende rechtsgronden, zoals de omzendbrief COL 4/2006. Ik heb dit belangrijke instrument aangeschaft om het ter beschikking te stellen van professionals. Het is online en gratis beschikbaar sinds juli 2016. Het instrument biedt de professionals die geconfronteerd worden met situaties van partnergeweld een praktisch middel om deze problematische situaties correct in te schatten, onmiddellijk en op een gestructureerde manier. Ik heb het initiatief genomen om alle referentiemagistraten en -politieagenten bewust te maken van en te informeren over dit instrument. Een informatiebijeenkomst werd georganiseerd in oktober en een studievoormiddag werd gehouden in december 2016 om de professionals uit de politiële en justitiële sector er vertrouwd mee te maken. Samen met mijn collega-ministers wil ik dit instrument op termijn in de opleiding van de politie agenten en magistraten integreren.
Indien er uit het risico-evaluatie-instrument blijkt dat er een hoge kans op recidive van partnergeweld is, is het belangrijk dat er ook effectief maatregelen worden genomen om dit aan te pakken. Dit kan onder meer met behulp van dadertherapie. Daarom heb ik het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen gevraagd om een cartografie van de verschillende types van therapeutische interventies bij daders van partnergeweld op te stellen. Ook de doeltreffendheid ervan zal in kaart worden gebracht. De bedoeling is om vast te stellen hoe deze therapieën gestructureerd en georganiseerd zijn, wie ze volgt, hoe daders er in terecht komen en te bepalen hoe ze in de toekomst kunnen geoptimaliseerd worden opdat we effectief recidive zouden kunnen voorkomen.
Tot nu toe is er geen algemeen beleid in België om slachtoffers van stalking, in het kader van huiselijk geweld, te beschermen. Wel bestaan er een aantal lokale projecten, onder andere in Gent en in Leuven, die slachtoffers voorzien van een stalkingalarm. Dat kan gaan van een soort draagbare hanger, een speciaal bakje in huis tot een aparte gsm met gps. Al deze toestellen zijn duur en hebben ruimtelijke beperkingen, vandaar dat deze nog niet over het hele land gebruikt worden. Om deze technische en economische problemen te verhelpen, zal ik een app laten ontwikkelen, die gemakkelijk op de smartphone van een slachtoffer kan geïnstalleerd worden – enkel en alleen op de beslissing van het gerecht of de politie. Ik zal dit als proefproject starten in Antwerpen en in Gent, en als dit goed loopt, is het de bedoeling dit uit te rollen over heel het land.
Ik heb aan het Instituut gevraagd om samen met het middenveld, slachtofferverenigingen en het Family Justice Centre een knelpuntennota op te stellen die als basis zal dienen voor de evaluatie van de omzendbrief COL 18/2012 over de uithuisplaatsing en het tijdelijk huisverbod. Dit zal gebeuren onder leiding van mijn collega Minister van Justitie en het College van Procureurs-Generaal.
Staatssecretaris Elke Sleurs lanceert risicotaxatie-instrument tegen partnergeweld
Staatssecretaris Elke Sleurs en Hogeschool UCLL stelden vandaag een instrument voor dat de risico’s op partnergeweld inschat. Sleurs stelt het instrument gratis ter beschikking van alle politiezones en het College van Procureurs-generaal.
"De meerwaarde voor politie en justitie is groot”, zegt staatssecretaris Sleurs. "Door systematisch risicofactoren te registreren zal men op het terrein meer oog hebben voor deze risicofactoren waardoor de kwaliteit van interventies en processen-verbaal zal toenemen. Het past ook perfect binnen de informatiegestuurde en oplossingsgerichte politiezorg en zorgt voor een efficiënte opvolging.”
Dr. Anne Groenen, hoofd onderzoek Gezondheid en Welzijn van UCLL: “Het risicotaxatie-instrument partnergeweld is ontwikkeld door UCLL in de expertisecel Empowering People, die met hun programmalijn APART gespecialiseerd zijn in agressie. In samenwerking met kennisinstellingen, professionals en studenten kreeg het instrument vorm en werd het aangekocht door staatssecretaris voor Gelijke Kansen Elke Sleurs. Het kadert binnen het Nationaal Actieplan tegen alle vormen van gendergerelateerd geweld, dat in december door Sleurs werd voorgesteld.”
Wat is de meerwaarde voor politie en justitie?
Registratie
Doordat de politie systematisch risicofactoren gaat
registreren, zal dit een duidelijk effect hebben op het terrein. Men
gaat immers meer oog hebben voor deze risicofactoren
waardoor zowel de interventie als het proces-verbaal
kwaliteitsvoller wordt. Bovendien is partnergeweld een complexe
problematiek, waar het zelden om een eenmalig feit gaat en
de problemen zich op meerdere domeinen situeren. Via dit
instrument kan deze complexe problematiek adequaat bevraagd worden.
De meeste risicofactoren kunnen door de politie makkelijk vastgesteld en bevraagd worden tijdens het verhoor.
Opvolging
Het instrument zorgt voor een preventieve en
efficiëntere opvolging. Het past perfect binnen de
informatiegestuurde en oplossingsgerichte politiezorg. Tot nog
toe werd vooral het buikgevoel gebruikt om de risico's op
recidive van partnergeweld te voorspellen. Er was dus een duidelijke
nood aan meer objectiveerbare gegevens waardoor men sneller
zicht krijgt op de hoogrisicodossiers en bijgevolg ook vlugger
de nodige maatregelen kan nemen.
Hoe werd het instrument ontwikkeld en wat zijn de belangrijkste kenmerken?
Het risicotaxatie-instrument is het resultaat van 3 processen:
Een wetenschappelijk onderzoek van instrumenten die wereldwijd worden gebruikt om partnergeweld op te sporen en te monitoren;
Een bevraging van professionals van politie, justitie en hulpverlening naar wat ze juist nodig hebben als ze in dossiers van partnergeweld werken;
De opbouw van een instrument dat gebruiksvriendelijk is (eenvoudig en snel, gemakkelijk te beoordelen factoren, duidelijke begrippen), dat ruimte laat voor eigen inbreng van de professional en de mogelijkheid biedt tot informatiedeling en implementeerbaar is op wat er al is aan werkwijze.
De toolbox is opgebouwd uit 13 factoren (risicofactoren en beschermende factoren) die voor beide partners worden beoordeeld. Zo wordt rekening gehouden met de dynamiek bij koppels.
Het instrument registreert:
De kenmerken van beide partners;
Kenmerken van de interactie tussen de betrokkenen;
De kenmerken van het geweld en de mate van ondersteuning;
De eigen inbreng van de professional.
Het resultaat geeft:
Een visueel beeld met zicht op de belangrijkste factoren waaraan prioritair gewerkt moet worden;
Tips voor risicomanagement en overleg tussen disciplines;
Eenvoudige herevaluatie op basis van bijvoorbeeld een nieuwe aanmelding
Een korte opleiding volstaat om met het instrument aan de slag te gaan.