Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 5-8938

van Cindy Franssen (CD&V) d.d. 3 mei 2013

aan de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, Maatschappelijke Integratie en Armoedebestrijding, toegevoegd aan de minister van Justitie

De geplande besparing op het participatiebudget voor mensen in armoede

armoede
sociale begroting
OCMW

Chronologie

3/5/2013 Verzending vraag
14/5/2013 Antwoord

Herkwalificatie van : vraag om uitleg 5-3023

Vraag nr. 5-8938 d.d. 3 mei 2013 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

Zowel in de beleidsnota van de staatssecretaris van 12 januari 2012 als in het federaal plan armoedebestrijding 2012 wordt sterk ingezet op de bestrijding van kinderarmoede. De staatssecretaris wenst daarvoor een realistisch plan kinderarmoedebestrijding op te stellen en uit te voeren. In het FPA lees ik dat dit plan drie prioritaire aandachtsgebieden zal hebben: toegang tot meer middelen, toegang tot diensten en kansen, en participatie van kinderen. Daarnaast zegt de staatssecretaris onder actie 47 dat ze zal trachten om de enveloppe kinderarmoedebestrijding binnen de middelen sociaal-culturele participatie die aan de OCMW's ter beschikking gesteld worden, te verhogen.

In de beleidsnota benadrukt de staatssecretaaris ook het belang van sociale en culturele participatie. Hierbij meldt ze dat de slaagkansen van de hulpverlening toenemen naarmate het OCMW het begrip activering ruimer invult, dit kan bijvoorbeeld door sociale en culturele participatie te stimuleren. Deze maatregel is volgens haar terecht van groot belang omdat daarbij wordt geļnvesteerd in kinderen en in het bestrijden van kinderarmoede.

Desondanks blijkt uit de beleidsnota en de budgetten voor 2013 dat er een besparing gepland staat van 972 000 euro, of bijna 10% van het budget, op het OCMW-budget voor sociaal-culturele en sportieve participatie. Dit participatiebudget is echter een belangrijke hefboom in de strijd tegen kinderarmoede. Die middelen gaan in eerste plaats naar de participatie van kinderen en jongeren: het lidmaatschap van een sportclub, een daguitstap, alsook tegemoetkomingen in warme schoolmaaltijden of voor- en naschoolse kinderopvang. Dat zijn met andere woorden geen luxe-uitgaven, maar bijdragen die nodig zijn om mensen in armoede opnieuw te laten deelnemen aan de samenleving en hun kinderen meer kansen te geven.

Graag antwoord op volgende vragen.

1) Waarom plant de staatssecretaris een besparing op het participatiebudget als ze de sociale participatie en de strijd tegen kinderarmoede de komende jaren wenst aan te moedigen? Hoe spoort de maatregel met het verhaal van het federaal plan kinderarmoedebestrijding?

2) Op welk onderdeel van het participatiebudget wordt er specifiek bespaard? Zal de besparing op alle OCMW's een even grote impact hebben?

3) Welke acties zal de staatssecretaris ondernemen om ervoor zorgen dat OCMW's en lokale besturen in de toekomst voldoende blijven inzetten op de sociaal-culturele en sportieve participatie van mensen in armoede, meer specifiek van kinderen en jongeren?

Antwoord ontvangen op 14 mei 2013 :

Het geachte lid vindt hieronder het antwoord op haar vragen.

Bij de opmaak van de begroting werden bijkomende inspanningen geleverd om de begrotingsdoelstellingen voor 2013 te behalen. Zo werd er onder andere door de regering een lineaire besparing op de facultatieve subsidies doorgevoerd,

De beide enveloppes “socio-culturele participatie” enerzijds en “sociale economie” anderzijds vallen hieronder. Ik heb echter bekomen dat deze besparingen intern kunnen gecompenseerd worden.

Voor socio-culturele participatie heb ik een voorstel tot herverdeling ingediend waarbij de initiële bedragen uit de begroting 2012 behouden blijven in 2013. Er is hier dus geen sprake meer van besparingen ten laste van de Openbare Centra voor maatschappelijk welzijn (OCMW’s). De exacte verdeling per OCMW zal, na goedkeuring van de budgetcontrole in het Parlement via KB bekend gemaakt worden, alsook op de site van de mijn administratie gepubliceerd worden.

Wat ten slotte het programma “Sociale Economie” betreft, vestig ik er de aandacht op dat dit een budgettair programma betreft met meerdere basisallocaties. Er worden hiermee verschillende doelstellingen beoogd: het gaat zowel over de financiering van studies en onderzoeken op het domein van de sociale economie, communicatie en promotie (dit zijn eigenlijk zgn. specifieke werkingskosten), als over het “open stadion-fonds” als over toelagen aan actoren uit de sociale economie. Voor al deze posten blijft dus gelden dat de besparingen over de verschillende basisallocaties verdeeld werden. Ook hier is het mijn intentie om de jaarlijkse projectoproep ‘sociale economie’ te behouden en het budget van 2012 hiervoor op hetzelfde niveau te behouden.

Voor wat betreft de laatste vraag van mevrouw Franssen betreft, verwijs ik eveneens graag naar mijn beleidsnota 2013, meer bepaald het federale sociale activeringsbeleid dat ik wens uit te rollen vanaf 2013. Dit beleid moet de OCMW’s de mogelijkheid verschaffen om ook op lokaal niveau een meer duurzame en structurele participatiepolitiek te ontwikkelen. De strategische doelstellingen van mijn beleid, waarbij de nadruk ligt op het begrip “sociale activering”, zijn gericht op de optimale zelfredzaamheid, participatie en maatschappelijke integratie van de OCMW-begunstigden. Deze sociale activering kan plaatsvinden in verschillende domeinen en op vele manieren: vrijwilligerswerk, culturele uitstappen, sportactiviteiten, workshops gezond koken,… Een sociaal activeringstraject kan een eerste stap zijn in een traject van socio-professionele inschakeling of zelfs in een toeleiding naar betaald werk, maar dat is niet het doel op zich. Bovendien, met het oog op een meer structureel beleid op federaal niveau zal de huidige maatregel “socio-culturele participatie” geherprogrammeerd worden als “fonds voor participatie en sociale activering”