Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 5-2902

van Fabienne Winckel (PS) d.d. 29 juli 2011

aan de minister van Justitie

Arbeidsrechtbanken - Arrest 125/2011 van 7 juli 2011 van het Grondwettelijk Hof - Dreigende toename van de achterstand - Eventuele hulpmaatregelen

arbeider
Grondwettelijk Hof (BelgiŽ)
prejudiciŽle rechtsvraag
beroepsstatus
werknemer
bestrijding van discriminatie
gelijke behandeling

Chronologie

29/7/2011 Verzending vraag
14/9/2011 Antwoord

Vraag nr. 5-2902 d.d. 29 juli 2011 : (Vraag gesteld in het Frans)

Op 7 juli 2011 heeft het Grondwettelijk Hof een arrest geveld over verschillende prejudiciŽle vragen over het verschil in behandeling tussen werknemers naargelang van hun statuut. Het heeft besloten de wetgever twee jaar te geven om de verschillen in vooropzeg tussen arbeiders en bedienden met gelijke anciŽnniteit op te heffen. Ook de carensdag vormt volgens het Hof een discriminatie.

Tot de nieuwe bepalingen op 8 juli 2013 in werking treden, kunnen talloze andere ontslagen arbeiders beslissen om op grond van dat arrest een geding aan te spannen om hun rechten te laten gelden.

Zijn de magistraten van de arbeidsrechtbanken ongerust in dat verband? Mocht het aantal dossiers daadwerkelijk substantieel toenemen, kunnen dan schikkingen worden getroffen om de arbeidsrechtbanken, die al overspoeld worden door de dossiers inzake overmatige schuldenlast, bij te staan?

Antwoord ontvangen op 14 september 2011 :

Het arrest van 7 juli 2011 motiveert uitgebreid dat de discriminerend bevonden maatregelen toch nog kunnen blijven bestaan tot ten laatste 8 juli 2013. het hof zegt met name:

B.5.4. Het komt het Hof toe in de aan het Hof voorgelegde zaken een billijk evenwicht na te streven tussen het belang dat elke situatie die strijdig is met de Grondwet wordt verholpen en de bekommernis dat bestaande toestanden en gewekte verwachtingen na verloop van tijd niet meer in het gedrang worden gebracht. Hoewel de vaststelling van een ongrondwettigheid in een prejudicieel arrest declaratoir is, kunnen het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel derhalve verantwoorden dat de terugwerkende kracht die uit een dergelijke vaststelling kan voortvloeien, wordt beperkt.

In zijn arrest Marckx van 13 juni 1979 heeft ook het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, verwijzend naar het arrest Defrenne van 8 april 1976 van het Hof van Justitie (HvJ, 8 april 1976, Gabrielle Defrenne t. Sabena, punt 71), alsook naar het vergelijkend grondwettelijk recht, opgemerkt “dat de praktische gevolgen van een rechterlijke uitspraak weliswaar zorgvuldig moeten worden afgewogen”, maar dat dit er niet toe mag leiden “dat de objectiviteit van het recht geweld wordt aangedaan en omwille van de weerslag die een rechterlijke beslissing voor het verleden kan hebben, de toepassing van dat recht in de toekomst in gevaar wordt gebracht » en dat het beginsel van de rechtszekerheid het in sommige omstandigheden mogelijk maakt te worden ontslagen van het opnieuw in vraag stellen van rechtshandelingen of -situaties die voorafgaan aan de uitspraak van een arrest waarmee een schending van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens is vastgesteld (EHRM, 13 juni 1979, Marckx t. België, § 58; zie ook : arrest nr. 18/91 van 4 juli 1991, B.10).

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft met name aanvaard dat een grondwettelijk hof, rekening houdend met het rechtszekerheidsbeginsel, aan de wetgever een termijn mag verlenen om opnieuw wetgevend op te treden, wat voor gevolg heeft dat een ongrondwettige norm gedurende een overgangsperiode van toepassing blijft (EHRM, besluit 16 maart 2000, Walden t. Liechtenstein).

B.5.5. De handhaving van de gevolgen dient als een uitzondering op de declaratoire aard van het in het prejudicieel contentieux gewezen arrest te worden beschouwd. Alvorens te beslissen de gevolgen van een dergelijk arrest te handhaven, moet het Hof vaststellen dat het voordeel dat uit de niet-gemoduleerde vaststelling van ongrondwettigheid voortvloeit buiten verhouding staat tot de verstoring die zij voor de rechtsorde met zich zou meebrengen.

Wat de voorliggende verschillen in behandeling betreft, zou een niet-gemoduleerde vaststelling van ongrondwettigheid in tal van hangende en toekomstige zaken tot een aanzienlijke rechtsonzekerheid leiden en een groot aantal werkgevers in ernstige financiële moeilijkheden kunnen brengen. Overigens moet in herinnering worden gebracht dat een dergelijke vaststelling van ongrondwettigheid de inspanningen van verdere harmonisatie zou kunnen doorkruisen waartoe het Hof de wetgever in zijn arrest nr. 56/93 heeft aangespoord.

Het arrest zegt dus zeer duidelijk dat de gevolgen van de van kracht zijnde wetgeving behouden blijven tot op de dag dat de wetgever zich aanpast aan het arrest van het hof en dit ten laatste op 8 juli 2013. Men moet dus niet bevreesd zijn voor een verhoging van het aantal geschillen.