Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 5-2155

van Yves Buysse (Vlaams Belang) d.d. 21 april 2011

aan de minister van Ambtenarenzaken en Overheidsbedrijven

Openbaar ambt - Mandaathouders - Opmerkingen van het Rekenhof

overheidsapparaat
ambtenaar
beoordeling van het personeel
personeelsbeheer
hoger kader

Chronologie

21/4/2011 Verzending vraag
6/7/2011 Antwoord

Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 5-2151
Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 5-2152
Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 5-2153
Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 5-2154
Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 5-2156

Vraag nr. 5-2155 d.d. 21 april 2011 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

In zijn rapport "Management- en staffuncties binnen de federale overheidsdiensten" wijst het Rekenhof meerdere pijnpunten aan bij de evaluatie van mandaathouders. Het gaat onder meer over volgende tekortkomingen.

- Van de 122 tussentijdse evaluaties werden er 36 niet uitgevoerd. De uitgevoerde tussentijdse evaluaties gebeurden vaak laattijdig, al zijn hier vaak aanvaardbare redenen voor.

- Bij 23 evaluaties was er geen wettelijk tweetalige ambtenaar aanwezig hoewel de geŽvalueerde tot een andere taalrol behoorde dan de eentalige evaluator. Deze aanwezigheid is verplicht in het belang van het evaluatieproces en er kan niet van worden afgestapt, zelfs niet op verzoek van de evaluatoren of de geŽvalueerde zelf.

- Meerdere evaluaties van voorzitters van het directiecomitť gebeurden zonder de opgelegde tussenkomst van een extern bureau.

- In vele evaluatiedossiers bleken documenten te ontbreken. Blijkbaar werden de dossiers enkel samengesteld naar aanleiding van de audit. Het zorgvuldig bijhouden van personeelsdossiers is nochtans een essentiŽle voorwaarde voor een goed personeelsbeheer.

- Hoewel de FOD P&O is belast met een centrale kwaliteitscontrole op de evaluaties bleef deze tot dusver dode letter. Het Rekenhof dringt er sterk op aan dat deze controle wordt uitgevoerd.

1. Welke maatregelen heeft de Minister in de FOD's onder zijn bevoegdheid reeds genomen om deze pijnpunten weg te werken.

2. Hebben deze onregelmatigheden geleid tot klachten en/of juridische procedures van personen die zich daardoor benadeeld voelen? Zo ja, hoeveel?

3. Wat zijn de gevolgen van deze gebrekkige evaluaties voor de betrokkenen?

Antwoord ontvangen op 6 juli 2011 :

1. Ik heb het genoegen u mee te delen dat sinds ik minister van Ambtenarenzaken ben, de Federale Overheidsdienst (FOD) Personeel en Organisatie de reglementering nauwgezet in acht heeft genomen: alle tussentijdse evaluaties, zowel van de voorzitter als van de directeurs-generaal (N-1), werden uitgevoerd binnen de voorziene termijnen. Er was systematisch een twee-talig adjunct aanwezig zolang de voorzitter van het directiecomité niet in het bezit was van het vereiste bewijs van tweetaligheid.

De FOD Personeel en Organisatie is de enige FOD die onder mijn gezag staat. Wat de andere FOD's betreft heeft mijn administratie het initiatief genomen de regels aan alle voorzitters in herinnering te brengen. Over dit punt werd overlegd in het College van voorzitters van 5 april laatstleden. Tevens sloot de FOD Personeel en Organisatie een overeenkomst af met twee externe partners om ondersteuning te bieden bij de evaluatie. De FOD Personeel en Organisatie wijst de ministers en de voorzitters voortaan systematisch op de termijnen inzake evaluatie. Hij zal voortaan systematisch de kopie van de evaluatie vorderen, wanneer deze kopie niet ambtshalve aan hem wordt bezorgd. Ten slotte heeft de FOD het initiatief genomen twee nieuwe brochures i.v.m. evaluatie te verspreiden die bedoeld zijn voor de ministers en de voorzitters van een directiecomité.

2. Voor zover ik weet werd er geen enkel beroep ingesteld bij de Raad van State tegen een gebrekkige evaluatie. Het klopt echter wel dat een eindevaluatie betwist zou kunnen worden doordat de titularis niet heeft kunnen genieten van de reglementair voorziene tussentijdse evaluaties. Heden heb ik geen weet van klachten hieromtrent.

3. Met uitzondering van een geval waarin het ontbreken van een eindevaluatie te wijten was aan de aanvankelijke weigering van de geëvalueerde om deze eindevaluatie te ondergaan en van een ander geval, waar de evaluatie on-mogelijk gemaakt werd ten gevolge van de schorsing van de