Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 5-2130

van Bert Anciaux (sp.a) d.d. 20 april 2011

aan de minister van Justitie

Gevangenissen - Commissies van toezicht - Activiteiten

strafgevangenis
toezichthoudende bevoegdheid
rechten van de verdediging
gevangeniswezen
penitentiair recht

Chronologie

20/4/2011 Verzending vraag
7/12/2011 Dossier gesloten

Heringediend als : schriftelijke vraag 5-4648

Vraag nr. 5-2130 d.d. 20 april 2011 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

Volgens de federale ombudsman bestaat er een groot probleem met de commissies van toezicht. Het Penitentiair complex te Brugge (PCB) heeft bijvoorbeeld geen commissie van toezicht meer en dit sinds het aflopen van het mandaat van de commissieleden in 2007. Het PCB is niet de enige gevangenis waar er op dit ogenblik geen commissie van toezicht is die (volledig) actief is. De Centrale toezichtsraad heeft het erg moeilijk om voldoende kandidaten te vinden om de commissies samen te stellen. Zo blijkt uit de gegevens van de Centrale toezichtsraad dat niet alle commissies van toezicht de vereiste leden hebben.

Volgens de Centrale toezichtsraad voor het gevangeniswezen zijn de leden van de verschillende commissies van toezicht gedemotiveerd door de moeilijkheden bij de uitoefening van hun taken. Hun taak is veeleisend, complex en vraagt veel tijd. Toch krijgen zij hiervoor geen enkele vergoeding. Bovendien is niet elke gevangenisdirectie even bereid om samen te werken met de commissies. De demotivering wordt verergerd doordat de commissies nog altijd niet bevoegd zijn om klachten van de gedetineerden te behandelen, zoals voorzien is in de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden.

Men mag het belang van deze commissie niet onderschatten. De afhankelijkheid van een persoon die van zijn vrijheid beroofd is, maakt hem bijzonder kwetsbaar. Zonder een externe controle bestaat het gevaar dat de individuele belangen van de gedetineerden worden opgeofferd aan de belangen van de instelling, met voorrang voor orde, veiligheid en interne regels. Om elk risico op een onmenselijke of vernederende behandeling te vermijden, moet er dan ook nauw op toegezien worden dat de overheid die belast is met de opsluiting de regels naleeft.

Vandaar de volgende vragen

1. Gaat de minister met mij akkoord dat een externe controle noodzakelijk is om te verzekeren dat de individuele belangen van de gedetineerden niet onterecht worden opgeofferd aan de belangen van de instelling met voorrang voor orde, veiligheid en interne regels? Moet ik uit het ontbreken van deze controle opmaken dat de minister dit geen belangrijke prioriteit acht?

2. Erkent de minister dat niet alle commissies van toezicht (volledig) actief zijn? Hoeveel commissies van toezicht moeten er in normale omstandigheden actief zijn? Hoeveel zijn dat er nu? Welke gevangenissen kennen geen commissie van toezicht? Welke gevangenissen kennen geen volledige commissie van toezicht? Vindt de minister dit een normale gang van zaken?

3. Erkent de minister de problemen met betrekking tot het aantrekken van commissieleden? Met name het gebrek aan een vergoeding, de niet altijd actieve medewerking van de gevangenisdirecties en de demotivering door de beperking van hun mandaat? Wat ondernam of plant de minister om deze hinderpalen weg te werken?

4. Kan de minister mij vertellen waarom ik geen jaarrapporten kan terugvinden van de Centrale toezichtsraad voor het gevangeniswezen van na 2007? Worden deze nog opgesteld? Zo ja, waarom worden deze niet gepubliceerd op de website? Zo nee, vind de minister het normale gang van zaken dat het controleorgaan van de gevangenissen gestopt is met rapporteren?

5. Kan de minister mij een stand van zaken geven aangaande de uitvoeringsbesluiten van de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen die ervoor moeten zorgen dat de commissies van toezicht de klachten van de gedetineerden kunnen behandelen? Wanneer denkt de minister dat de commissies over deze bevoegdheid zullen beschikken?