Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 4-7105

van Alain Destexhe (MR) d.d. 5 maart 2010

aan de minister van Klimaat en Energie

Commissie voor de regulering van de elektriciteit en het gas (CREG) - Studie over de componenten van de elektriciteits- en aardgasprijzen van 7 januari 2010 - Toestand in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

elektrische energie
aardgas
regionale verschillen
CREG
energieprijs
prijsverschil
Hoofdstedelijk Gewest Brussels

Chronologie

5/3/2010 Verzending vraag (Einde van de antwoordtermijn: 8/4/2010 )
29/4/2010 Antwoord

Vraag nr. 4-7105 d.d. 5 maart 2010 : (Vraag gesteld in het Frans)

Begin februari 2010 maakte de pers melding van een studie van de Commissie voor de regulering van de elektriciteit en het gas (CREG), de federale regulator van de Belgische energiemarkt, over de componenten van de elektriciteits- en aardgasprijzen voor de periode 2003-2009 (7 januari 2010).

Die studie geeft aan dat de gas- en elektriciteitsprijzen in november 2008 hun historisch hoogtepunt hadden bereikt. De prijzen zijn sindsdien opnieuw gedaald, maar niet tot het minimumniveau.

De stijging van de component 'leverancier' blijft de jongste jaren toch wel belangrijk: voor het gas bedraagt de prijsstijging bij de twee belangrijkste leveranciers, Electrabel en Luminus, respectievelijk 50 en 70 %.

De studie van de CREG wijst echter ook op sterke regionale verschillen. In de periode 2003-2009 zijn de distributietarieven voor elektriciteit in Brussel met 35 % gestegen, terwijl de twee Waalse distributienetbeheerders geen tariefverhogingen hebben doorgevoerd. De CREG verklaart de belangrijke stijging in het Brussels gewest door de zeer sterke toename tussen 2006 en 2007 van de kosten van de openbaredienstverplichtingen en door de overheidsheffingen en de bijdragen voor hernieuwbare energie en warmtekrachtkoppeling.

De prijzen voor gas, in tegenstelling tot die voor elektriciteit, zijn niet zo sterk gestegen in de periode 2003-2009, en de overheidsheffingen spelen in het algemeen slechts in beperkte mate een rol in de stijging van de prijzen aan de eindverbruiker. Dat geldt echter niet voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. De overheidsheffingen zijn er relatief hoog omwille van de heffing op het gebruik van het wegennet, die ongeveer zeven maal hoger ligt dan in de andere gewesten.

Mijn vraag is de volgende:

Welke lessen trekt u uit de studie van de CREG over de componenten van de elektriciteits- en aardgasprijzen, meer bepaald voor wat betreft het Brussels Hoofdstedelijk Gewest?

Antwoord ontvangen op 29 april 2010 :

In antwoord op de vragen van het geachte lid, heb ik eer hem het volgende ter kennis te brengen:

Een zaak blijkt duidelijk uit de studie van de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas (CREG): de prijzen van aardgas en elektriciteit zijn veel vluchtiger geworden sedert de liberalisering van de markten. Zij stegen hoofdzakelijk ingevolge de prijsstijging van de primaire referte-energie, de aardolie, (die op hun beurt met vertraging gerepercuteerd worden op de internationale gas- en elektriciteitsprijzen ), maar eveneens ingevolge de stijging van de distributieprijzen (die nu verschillend zijn geworden van een distributienetbeheerder tot een ander).

Deze vluchtigheid van de prijzen werd nog versterkt door de aanpassing van de prijzenformules (voor wat betreft de commodity op zich, dit wil zeggen de prijs van de molecule, zonder het transport, de distributie, taksen en diverse bijkomende kosten). De formules die gebruikt worden door de leveranciers, houden steeds meer rekening met de spot prijzen (op de Hubs) en verhogen derhalve de vluchtigheid.

De prijzen zijn in België in 2008 sterker gestegen dan in de buurlanden en zij daalden nadien in 2009, maar een beetje minder dan in de buurlanden.

Er dient ook opgemerkt te worden dat de segmentatie van de gas- en elektriciteitsmarkten ingevolge de liberalisering ook zorgde voor een prijsverhoging, want elk segment (productie/invoer, transport, distributie, levering) moet winst opbrengen terwijl vroeger de winstmarge globaal was.

Wat de specifieke kenmerken van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreft, ben ik hiervoor niet bevoegd. De vraag moet aan mevrouw Huytebroeck worden gericht.