Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 4-3731

van Nele Jansegers (Vlaams Belang) d.d. 3 juli 2009

aan de vice-eersteminister en minister van Ambtenarenzaken, Overheidsbedrijven en Institutionele Hervormingen

Dragen van een hoofdoek - Diensten - Beleidscellen

ministerie
overheidsapparaat
ambtenaar
personeel op contractbasis
islam
kledingstuk
plichten van de ambtenaar
rondschrijven
verhouding kerk-staat
godsdienst
religieus symbool

Chronologie

3/7/2009 Verzending vraag (Einde van de antwoordtermijn: 7/8/2009 )
3/9/2009 Antwoord

Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 4-3727
Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 4-3728
Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 4-3729
Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 4-3730
Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 4-3732
Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 4-3733
Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 4-3734
Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 4-3735
Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 4-3736
Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 4-3737
Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 4-3738
Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 4-3739
Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 4-3740
Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 4-3741
Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 4-3742
Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 4-3743
Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 4-3744
Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 4-3745
Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 4-3746
Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 4-3747
Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 4-3748

Vraag nr. 4-3731 d.d. 3 juli 2009 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

Naar aanleiding van het bericht dat er bij de Federale Overheidsdienst (FOD) Justitie een nota zou circuleren met de aanbeveling om het dragen van een hoofddoek toe te laten, werden er in plenaire vergadering van 25 juni 2009 een aantal vragen gesteld over dit onderwerp. Het antwoord van de minister was echter vaagheid troef; hij stelde bovendien dat er daarover geen algemene richtlijnen bestaan en dat dit vraagstuk overheidsdienst per overheidsdienst bekeken moet worden.

1. Wat is uw standpunt over het al dan niet dragen door ambtenaren van een hoofddoek tijdens hun diensturen (en dit ongeacht of deze ambtenaren nu al dan niet in contact komen met het publiek of ongeacht het statuut dat zij hebben)?

2. Kan u mij meedelen, en dit voor elke dienst die onder uw toezicht staat en voor uw beleidscel, of er regelgeving bestaat die betrekking heeft op het al dan niet dragen van het hoofddoek tijdens de uitoefening van de dienst en zo ja, hoe deze regelgeving luidt?

3. Indien hierover nog geen regelgeving of geen duidelijkheid in de regelgeving bestaat, overweegt u dan maatregelen te nemen om hierover vooralsnog de nodige duidelijkheid te verschaffen voor de diensten die onder uw bevoegdheid vallen en zo ja, in welke zin? Indien u dit niet overweegt, waarom niet?

Antwoord ontvangen op 3 september 2009 :

    Ik heb de eer het geachte lid de gevraagde gegevens mee te delen:

  1. Zoals ik zei in de plenaire zitting van 25 juni 2009, bestaat er een verschil tussen de personeelsleden die in contact staan met het publiek en degenen die niet in contact staan met het publiek.

    Artikel 7 is van toepassing op de tweede groep :

    “De rijksambtenaar heeft het recht om met waardigheid en hoffelijkheid te worden behandeld, zowel door zijn hiërarchische meerderen, door zijn collega's, als door zijn ondergeschikten. Hij dient zijn collega's, zijn hiërarchische meerderen en zijn ondergeschikten met waardigheid en hoffelijkheid te behandelen. Hij vermijdt elk woord, elke houding, elk voorkomen dat deze waardigheid en deze hoffelijkheid in het gedrang zou kunnen brengen of de goede werking van de dienst zou kunnen schaden.”

    Artikel 8 is van toepassing op de eerste groep:

    “Wanneer hij bij zijn ambtsuitoefening in contact komt met het publiek vermijdt de rijksambtenaar elk woord, elke houding, elk voorkomen, die van die aard zouden kunnen zijn dat ze het vertrouwen van het publiek in zijn volledige neutraliteit, in zijn bekwaamheid of in zijn waardigheid in het gedrang zouden kunnen brengen”.

  2. Er bestaat geen enkele reglementering met betrekking tot het dragen van religieuze tekens die eigen is aan een bepaalde federale overheidsdienst. Dit kan ook niet daar de grondwet de bevoegdheid om het statuut van het rijkspersoneel vast te stellen aan de Koning heeft toegewezen. De reglementering ter zake wordt dus bij koninklijk besluit genomen en is van toepassing op alle federale ambtenaren, tot welke dienst ze ook behoren.

  3. Het is geenszins mijn voornemen om de huidige reglementering te wijzigen. Verbiedt de tekst het dragen van een hoofddoek aan alle personeelsleden? Neen. Ik zie niet in hoe het dragen van een hoofddoek op zich de waardigheid en de hoffelijkheid in het gedrang kan brengen. Indien het dragen van opzichtige religieuze of filosofische tekens echter een probleem zou scheppen binnen een dienst, is het aan de verantwoordelijken, met andere woorden de leidinggevende ambtenaren en de hiërarchische lijn, om er op toe te zien dat de verschillende manieren van “voorkomen” de dienst niet schaden.

    Verbiedt de tekst het dragen van een hoofddoek voor personeelsleden die in contact staan met het publiek? Dit is een beoordelingskwestie waarbij er rekening gehouden wordt met de context. Mag ik u verwijzen naar het antwoord dat ik gegeven heb op de vraag nr. 14248, waarin ik de situatie bij de Federale Overheidsdienst (FOD)Personeel en Organisatie schets.

    Geeft de tekst dan onbeperkt toestemming voor het dragen van religieuze tekens ? Neen, evenmin. Dit is afhankelijk van de gegeven situatie. In het ene geval zal het dragen van een hoofddoek omwille van lokale, feitelijke omstandigheden, beschouwd worden als mogelijk storend voor het publiek, als een bedreiging voor het vertrouwen van het publiek in de neutraliteit van de overheid. In het andere geval zal het dan weer niemand storen.

    De voorzitters van het directiecomité en andere leidinggevende ambtenaren dienen dus hun verantwoordelijkheden op te nemen in het kader van de huidige reglementering.