Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 4-3464

van Nele Jansegers (Vlaams Belang) d.d. 11 mei 2009

aan de minister van Justitie

Gevangenisstraffen - Land ver herkomst - Vrijwillig uitzitten van de straf

voltrekking van de straf
buitenlandse staatsburger
overbrenging van gedetineerden
bilaterale overeenkomst

Chronologie

11/5/2009 Verzending vraag (Einde van de antwoordtermijn: 11/6/2009 )
1/7/2009 Antwoord

Vraag nr. 4-3464 d.d. 11 mei 2009 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

Bij een recent bezoek aan de gevangenis van Dendermonde bleek dat gedetineerden van buitenlandse afkomst soms zelf vragende partij zijn om hun straf uit te zitten in het land van herkomst, omdat bijvoorbeeld hun familie hen dan kan bezoeken, maar dat op dat verzoek niet altijd kan worden ingegaan.

Vandaar volgende vragen:

1.Met welke landen zijn er overeenkomsten die het mogelijk maken dat gevangenen hun straf in hun eigen land gaan uitzitten?

2.Worden gedetineerden uit die landen bij hun opsluiting erop attent gemaakt dat zij deze mogelijkheid hebben? Op welke manier?

3.Op welke manier kunnen zij dit aanvragen en bij wie? Moeten zij die aanvraag motiveren?

4.Hoeveel gedetineerden vroegen de voorbije vijf jaar zelf om hun straf in het land van herkomst te mogen uitzitten? Uit welke landen waren zij afkomstig?

5.In hoeveel gevallen werd op die vraag ingegaan? Hoeveel tijd zat er tussen de aanvraag en de overbrenging naar het land van herkomst?

6.In hoeveel gevallen werd niet op de vraag ingegaan? Om welke redenen?

Antwoord ontvangen op 1 juli 2009 :

1. Naast de vierenzestig landen die zich verbonden hebben tot het Europees Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen dd. 21 maart 1983, zijn er momenteel onderhandelingen lopende met verschillende landen om tot een bilaterale overeenkomst te komen.

De Democratische Republiek Kongo, de Dominicaanse Republiek, Thailand en Marokko hebben reeds zo’n overeenkomst ondertekend, die op zijn beurt zal dienen te worden geratificeerd. Met Hong Kong bestaat reeds een bilaterale overeenkomst.

2. Ja. Echter, opdat gedetineerden in aanmerking komen voor overbrenging dient voldaan te zijn aan een aantal formele en materiële toekenningsvoorwaarden. Elke gedetineerde die prima facie voldoet aan de formele toekenningsvoorwaarden, ontvangt – van zodra zijn toestand definitief is – mondeling en schriftelijk informatie over het bestaan van de mogelijkheid tot overbrenging, de voorwaarden, procedure en gevolgen. Er wordt hem uitdrukkelijk gevraagd of hij van deze mogelijkheid gebruik wil maken en zijn keuze wordt geacteerd.

Daarnaast is het sinds 1 september 2005 (ratificatie protocol van 18 december 1997 bij het overbrengingsverdrag van 21 maart 1983) in bepaalde omstandigheden ook mogelijk dat de buitenlandse gedetineerde wordt overgebracht zonder dat daarvoor zijn akkoord vereist is.

3. Zie 2.: het initiatief wordt genomen door de directeur van de gevangenis of zijn plaatsvervanger. Als de gedetineerde aan de directeur te kennen geeft dat hij van de mogelijkheid tot overbrenging gebruik wenst te maken, maakt deze laatste de nodige documenten en gegevens over aan de Dienst Internationale Samenwerking in Strafzaken van de Federale Overheidsdienst (FOD) Justitie en wordt de verdere procedure opgestart. De aanvraag van de gedetineerde moet dus niet als zodanig gemotiveerd zijn. De procedure wordt automatisch opgestart van zodra prima facie aan de formele toekenningsvoorwaarden is voldaan. Het al dan niet voldaan zijn aan de formele en materiële toekenningsvoorwaarden wordt dan verder gecontroleerd door de Dienst Internationale Samenwerking in Strafzaken van de FOD Justitie. Ook de procureur des Konings kan een advies verlenen. De finale beslissing komt toe aan de Minister van Justitie. Als principe geldt daarbij dat de overbrenging in de ruimst mogelijke mate en zo snel mogelijk na het definitief worden van de veroordeling moet worden toegestaan. De overbrenging dient immers tegelijk de belangen van de maatschappij als de belangen van de gevonniste persoon.

Eén en ander wordt verder uitgelegd in een ministeriële omzendbrief nr. 1733 van 14 november 2001, raadpleegbaar op de website van de FOD Justitie.

4. Sinds 1 januari 2005 tot op heden hebben reeds 142 buitenlandse gedetineerden een verzoek ingediend om hun celstraf uit te zitten in hun land van oorsprong of verblijf. Voor het tweede deel van de vraag verwijs ik naar het antwoord op de volgende vraag.

5. Sinds 1 januari 2005 tot op heden werden 36 personen overgebracht.

Opgesplitst per land: 2 naar Bulgarije, 1 naar Italië, 1 naar Duitsland, 1 naar Groot-Brittannië, 1 naar Litouwen, 2 naar Spanje, 1 naar Noorwegen, 1 naar Portugal, 3 naar Turkije, 7 naar Frankrijk en 16 naar Nederland.

Het duurt een aantal maanden, soms zelfs een jaar voor de overbrenging naar het land van herkomst. De lengte van de procedure is niet volledig in handen van de Belgische instanties. Van onze zijde zijn ernstige inspanningen geleverd om met praktische afspraken onder betrokken diensten de afhandeling van een overbrengingsverzoek uit België naar het buitenland te stroomlijnen en bespoedigen.

6. Naast de verzoeken die door betrokkenen worden ingetrokken, de voorwaardelijke invrijheidstellingen en de bevelen om het grondgebied te verlaten voor de overbrenging, is er tot op heden 23 keer niet op de vraag ingegaan door het aangezochte land.

Redenen:

- bezit niet de nationaliteit van betrokken land ;

- geen verblijfplaats in betrokken land ;

- geen band met betrokken land, in het licht van de sociale reintegratie beter geen overbrenging ;

- gebrek aan gevangeniscapaciteit, geen middelen om tot overbrenging over te gaan (Albanië) ;

- reeds in voorwaarden voor voorwaardelijke invrijheidsstelling.